J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 27 uitvoeringbesluiten 29 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1997/01/30/1997022063/justel

Titel
30 JANUARI 1997. - Koninklijk besluit betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-03-1997 en tekstbijwerking tot 29-07-2021)

Bron : MIDDENSTAND.LANDBOUW
Publicatie : 06-03-1997 nummer :   1997022063 bladzijde : 4834       PDF : geconsolideerde versie
Dossiernummer : 1997-01-30/36
Inwerkingtreding : 01-07-1997

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1995016005        1967111030        1967072702        1971072008       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I- Definities.
Art. 1
HOOFDSTUK II- Toepassingsgebied.
Art. 2
HOOFDSTUK III- Toekenningsvoorwaarden.
Art. 3
HOOFDSTUK IV- De pensioenberekening.
Art. 4-7, 7bis, 8, 8bis, 9, 9bis, 10-12
HOOFDSTUK V. - Het halftijds pensioen.
Art. 13
HOOFDSTUK VI- Diverse bepalingen.
Art. 14-15
HOOFDSTUK VII- Overgangsbepalingen.
Art. 16, 16bis, 16ter, 17-19
HOOFDSTUK VIII- Wijzigingsbepalingen.
Art. 20-26
HOOFDSTUK IX- Slotbepalingen.
Art. 27-28

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I- Definities.

  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan :
  1° onder " koninklijk besluit nr. 38 " : het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
  2° onder " koninklijk besluit nr. 72 " : het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;
  3° onder " wet van 15 mei 1984 " : de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen;
  4° onder " zelfstandige " : de zelfstandige en de helper zoals zij door het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen zijn omschreven om het toepassingsgebied van dit laatste besluit af te bakenen.

  HOOFDSTUK II- Toepassingsgebied.

  Art. 2. § 1. Dit besluit is van toepassing op de pensioenen van de zelfstandigen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 ingaan.
  § 2. Voor zover de bepalingen van dit besluit niet afwijken van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 en van de wet van 15 mei 1984, blijven deze laatste bepalingen van toepassing op de pensioenen bedoeld in § 1.

  HOOFDSTUK III- Toekenningsvoorwaarden.

  Art. 3.§ 1. Onverminderd de bepalingen van § 5, gaat het rustpensioen in vanaf de eerste van de maand die volgt op deze waarin de aanvrager de pensioenleeftijd bereikt. De pensioenleeftijd is 65 jaar.
  [5 § 1bis. Vanaf 1 februari 2025 en voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 februari 2025 en uiterlijk op 1 januari 2030 ingaan, is de pensioenleeftijd 66 jaar.
   § 1ter. Vanaf 1 februari 2030 en voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 februari 2030 ingaan is de pensioenleeftijd 67 jaar.]5
  § 2. Het rustpensioen kan nochtans, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan voor de leeftijd bedoeld in § 1, en ten vroegste op de eerste van de maand die volgt op de 60ste verjaardag.
  In het geval bedoeld in het vorige lid, wordt het rustpensioen verminderd met 5 t.h. per jaar vervroeging.
  Voor de toepassing van de verminderingscoëfficiënt bedoeld in het vorige lid, wordt rekening gehouden met de leeftijd die de aanvrager bereikte op zijn verjaardag die de ingangsdatum van het pensioen onmiddellijk voorafgaat.
  (Wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal [1 ten vroegste ingaat op 1 januari 2007 en uiterlijk op 1 december 2012]1 wordt het verminderd met :
  - 7 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 6 pct. voor het tweede jaar vervroeging, 5 pct. voor het derde jaar vervroeging, 4 pct. voor het vierde jaar vervroeging en 3 pct. voor het vijfde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 61e verjaardag;
  - 6 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 5 pct. voor het tweede jaar vervroeging, 4 pct. voor het derde jaar vervroeging en 3 pct. voor het vierde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 62e verjaardag;
  - 5 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 4 pct. voor het tweede jaar vervroeging en 3 pct. voor het derde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 62e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 63e verjaardag;
  - 4 pct. voor het eerste jaar vervroeging en 3 pct. voor het tweede jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 63e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 64e verjaardag;
  - 3 pct. voor het jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 64e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 65e verjaardag.) <W 2005-12-23/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  [1 § 2bis. Het rustpensioen kan nochtans, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan voor de leeftijd bedoeld in § 1, en ten vroegste op de eerste van de maand die volgt op de 62e verjaardag.
   In afwijking van het vorige lid, kan het rustpensioen, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan :
   1° op de eerste van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 42 kalenderjaren;
   2° op de eerste van de maand die volgt op de 61e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 41 kalenderjaren.
   Nochtans kan de belanghebbende die, op een bepaald ogenblik, voldoet aan de leeftijds- en loopbaanvoorwaarden voorzien in deze paragraaf, in paragraaf 3, tweede lid, of [2 in artikel 16bis, §§ 1, 2 en 2bis]2, om een rustpensioen te verkrijgen voor de leeftijd bedoeld in § 1, naar keuze en op zijn verzoek een vervroegd pensioen bekomen ongeacht de datum waarop het pensioen later daadwerkelijk ingaat.
  [2 [3 [6 In afwijking van het eerste lid wordt voor de rustpensioenen die ingaan op 1 januari 2016 de vereiste leeftijdsvoorwaarde vastgesteld overeenkomstig artikel 16bis, § 1, eerste lid, 3°]6 ]2
   [6 ...]6 ]1
  [7 § 2ter. Het rustpensioen kan nochtans, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan voor de leeftijd bedoeld in § 1, en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op de 63e verjaardag.
   In afwijking van het eerste lid en voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 februari 2018 en uiterlijk op 1 januari 2019 ingaan, kan het rustpensioen, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan :
   1° op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 43 kalenderjaren;
   2° op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 42 kalenderjaren;
   3° op de eerste dag van de maand die volgt op de 62e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 42 kalenderjaren.
   In afwijking van het eerste lid en voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 februari 2019 ingaan, kan het rustpensioen, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan :
   1° op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 44 kalenderjaren;
   2° op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 43 kalenderjaren;
   3° op de eerste dag van de maand die volgt op de 62e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 43 kalenderjaren.
   Nochtans kan de belanghebbende die, op een bepaald ogenblik, voldoet aan de leeftijds- en loopbaanvoorwaarden bepaald bij paragraaf 2bis, in deze paragraaf, in § 3, tweede of derde lid, of in artikel 16ter, om een rustpensioen te verkrijgen voor de leeftijd bedoeld in paragraaf 1, naar keuze en op zijn verzoek een vervroegd pensioen verkrijgen, ongeacht de datum waarop het pensioen later daadwerkelijk ingaat.]7
  § 3. De mogelijkheid om overeenkomstig § 2 een vervroegd rustpensioen te bekomen is ondergeschikt aan de voorwaarde dat de belanghebbende een loopbaan bewijst van tenminste 35 kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen.
  [1 De mogelijkheid om overeenkomstig § 2bis een vervroegd rustpensioen te verkrijgen, is ondergeschikt aan de voorwaarde dat de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 40 kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen of regelingen waarop de Europese verordeningen inzake sociale zekerheid van toepassing zijn of waarop een door België gesloten overeenkomst inzake sociale zekerheid betreffende de pensioenen van werknemers of zelfstandigen van toepassing is.]1
  [7 De mogelijkheid om overeenkomstig § 2ter, eerste lid, een vervroegd rustpensioen te verkrijgen, is ondergeschikt aan de voorwaarde dat de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste :
   1° 41 kalenderjaren wanneer het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 februari 2018 en uiterlijk op 1 januari 2019 ingaat;
   2° 42 kalenderjaren wanneer het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste vanaf 1 februari 2019 ingaat;
   Met kalenderjaren in de zin van het derde lid wordt bedoeld de jaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen of regelingen waarop de Europese verordeningen inzake sociale zekerheid van toepassing zijn of waarop een door België gesloten overeenkomst inzake sociale zekerheid betreffende de pensioenen van werknemers of zelfstandigen van toepassing is.]7
  [1 [7 De in het eerste tot het vierde lid bedoelde kalenderjaren]7 ]1 worden, naargelang van het geval, in aanmerking genomen op voorwaarde dat :
  1° in de regeling voor zelfstandigen :
  - de jaren gelegen vóór 1957 recht kunnen openen op pensioen;
  - de jaren gelegen na 1956 tenminste twee kwartalen omvatten die recht kunnen openen op pensioen;
  2° in de werknemersregeling en in de andere regelingen, de pensioenrechten betrekking hebben op een tewerkstelling die overeenstemt met ten minste (één derde) van een voltijdse arbeidsregeling. Wanneer de tewerkstelling niet het volledige kalenderjaar omvat, is aan deze voorwaarde voldaan indien voor het kalenderjaar tenminste het equivalent van de vermelde minimum duur van tewerkstelling wordt bewezen. <KB 1997-03-21/30, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  Voor de toepassing van deze paragraaf worden de periodes tijdens welke de belanghebbende zijn beroepsloopbaan onderbroken heeft om een kind op te voeden dat minder dan 6 jaar oud is, in aanmerking genomen. Deze periodes komen echter niet in aanmerking als recht op pensioen ervoor kan geopend worden [1 krachtens de in het eerste en het tweede lid bedoelde pensioenregelingen]1. De in dit lid bedoelde periodes en de overeenkomstige periodes die recht openen op pensioen [1 krachtens een pensioenregeling bedoeld in het eerste en het tweede lid]1, kunnen slechts tot beloop van 36 volle maanden in aanmerking worden genomen. De Koning kan de voorwaarden bepalen waaraan de in dit lid bedoelde periodes moeten voldoen om in aanmerking te worden genomen.
  (Voor de toepassing van deze paragraaf worden niet in aanmerking genomen :
  1° de periodes gelijkgesteld krachtens artikel 33 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;
  2° de periodes gelijkgesteld krachtens artikel 36 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;
  3° de periodes geregulariseerd of toegekend krachtens de artikelen 3ter, 7, 75, 76, 77, 78 en 79 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;
  4° de gelijkaardige periodes aan de periodes bedoeld in punt 1° en 3°, in andere Belgische pensioenregelingen.) <W 2006-01-16/44, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 22-02-2006>
  Voor de toepassing van deze paragraaf kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit :
  1° bijzondere regels vaststellen in geval van gemengde loopbaan;
  2° vaststellen wat onder een tewerkstelling die overeenstemt met (één derde) van een voltijdse arbeidsregeling moet worden verstaan. <KB 1997-03-21/30, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  (§ 3bis. [8 ...]8
  (§ 3ter. De vermindering bepaald in § 2 is niet van toepassing indien de belanghebbende een loopbaan van 45 kalenderjaren bewijst voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005.
  (De in het vorige lid bedoelde loopbaanvoorwaarde wordt vastgesteld op 44 kalenderjaren voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2007.) <W 2008-06-08/30, art. 24, 1°, 013; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
  (De in het eerste lid bedoelde loopbaanvoorwaarde wordt vastgesteld op 43 kalenderjaren voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2008 en uiterlijk op 1 december 2008) <W 2008-12-22/32, art. 202, 1°, 015; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  [1 De in het eerste lid bedoelde loopbaanvoorwaarde wordt vastgesteld op 42 kalenderjaren voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2009 en uiterlijk op 1 december 2012.]1
  [1 [4 ...]4 ]1
  Onder kalenderjaren in de zin van vorige leden wordt verstaan de jaren waarvoor pensioenrechten kunnen geopend worden krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen in de zin van § 3 of krachtens een of meerdere wettelijke buitenlandse pensioenregelingen.
  De kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een wettelijke buitenlandse regeling worden vermoed vervuld te zijn in het kader van de werknemersregeling zoals [1 bedoeld in § 3, derde lid, 2°]1.) <W 2005-12-23/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
  § 4. De Koning kan, onder de voorwaarden die Hij vaststelt, bijzondere modaliteiten voorzien volgens welke de binnenschippers recht hebben op het vervroegd rustpensioen.
  § 5. Het rustpensioen kan niet ingaan vóór de eerste van de maand die volgt op deze waarin de aanvraag werd ingediend.
  Nochtans, indien de langstlevende echtgenoot, die een aanvraag tot overlevingspensioen indient in de voorwaarden bedoeld in artikel 5, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 72, recht heeft op een rustpensioen, kan dit laatste, [1 onverminderd de bepalingen van de §§ 1, 2, 2bis en 4, of van artikel 16, §§ 1 en 2 [2 en van artikel 16bis, §§ 1 en 2bis]2]1, ingaan op dezelfde datum als het overlevingspensioen.
  (§ 5bis. Wanneer een persoon die in het buitenland verblijft een aanvraag om een rustpensioen indient na de laatste dag van de maand in de loop waarvan hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt de aanvraag geacht te zijn ingediend op de eerste dag van de maand in de loop waarvan deze leeftijd bereikt wordt.
  Voor wat de vrouwen betreft, wordt de leeftijd van 65 jaar teruggebracht tot :
  1° 61 jaar wanneer deze leeftijd bereikt wordt na 31 mei 1997 en vóór 1 december 1999;
  2° 62 jaar wanneer deze leeftijd bereikt wordt na 30 november 1999 en vóór 1 december 2002;
  3° 63 jaar wanneer deze leeftijd bereikt wordt na 30 november 2002 en vóór 1 december 2005;
  4° 64 jaar wanneer deze leeftijd bereikt wordt na 30 november 2005 en vóór 1 december 2008.
  Voor de toepassing van deze paragraaf wordt rekening gehouden met de leeftijd die eerst bereikt wordt.) <W 2006-12-27/30, art. 248, 1°, 012; Inwerkingtreding : 20-05-2005>
  § 6. De Koning bepaalt de gevallen waarin de rechten op het rustpensioen ambtshalve worden onderzocht.
  (§ 7. Voor de werknemers die tevens een beroepsactiviteit als zelfstandige uitgeoefend hebben en die onder de toepassing vallen van een collectieve arbeidsovereenkomst, goedgekeurd door de Minister die Arbeid en Tewerkstelling onder zijn bevoegdheid heeft, en die in een vervroegde uittreding voorziet, worden de perioden van inactiviteit die door deze collectieve arbeidsovereenkomst gedekt worden, in aanmerking genomen voor de toepassing van § 3 op voorwaarde dat de werknemer vervroegd uitgetreden is ten laatste op 31 december 1996.) <KB 1997-04-25/37, art. 3, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  § 8. (...) <W 2006-12-27/30, art. 248, 2°, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  ----------
  (1)<W 2012-03-29/01, art. 81, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2013. Is van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2013>
  (2)<W 2012-12-21/73, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2013. Is van toepassing op de rustpensioenen van de zelfstandigen die daadwerkelijk en voor de eerste maal op zijn vroegst op 1 januari 2013 ingaan. Overgangsbepalingen: art. 4 en 5>
  (3)<W 2013-06-28/04, art. 67, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2014; is van toepassing op de pensioenen van de zelfstandigen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2014>
  (4)<W 2013-06-28/04, art. 68, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2014; is van toepassing op de pensioenen van de zelfstandigen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2014>
  (5)<W 2015-08-10/09, art. 28,1°, 023; Inwerkingtreding : 31-08-2015>
  (6)<W 2015-08-10/09, art. 28,2°-28,3°, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2014>
  (7)<W 2015-08-10/09, art. 28,4°-28,6°, 023; Inwerkingtreding : 31-08-2015>
  (8)<W 2017-12-05/07, art. 9, 026; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  HOOFDSTUK IV- De pensioenberekening.

  Art. 4.§ 1. Het rustpensioen toekenbaar in functie van de loopbaan wordt uitgedrukt door een breuk.
  § 2. De noemer van deze breuk is 45.
  § 3. De teller van de breuk bedoeld in § 1 wordt verkregen door het getal dat het totaal van de kwartalen uitdrukt die in aanmerking komen voor de opening van het recht op het rustpensioen [1 en die gelegen zijn voor het kwartaal waarin het pensioen ingaat]1, te delen door vier. <W 2006-12-27/30, art. 249, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  [1 Voor de twee kwartalen die voorafgaan aan dit waarin het rustpensioen ingaat, worden, behoudens tegenbewijs, de bijdragen vermoed betaald te zijn op de ingangsdatum van het pensioen op voorwaarde dat alle door het sociaal verzekeringsfonds gevorderde bijdragen voor de periode voorafgaand aan deze twee kwartalen, betaald werden.]1
  Wanneer een kalenderjaar slechts in aanmerking kan komen voor de opening van het recht op het rustpensioen indien de betrokkene, voor het betrokken jaar, een bezigheid van een door de Koning bepaalde duur bewijst en wanneer aan deze voorwaarde voldaan is, wordt genoemd jaar in rekening gebracht voor vier kwartalen.
  De Koning bepaalt hoe de loopbaan berekend wordt die betrekking heeft op de jaren bedoeld in artikel 15, § 5, van het koninklijk besluit nr. 72. Hij bepaalt eveneens de voorwaarden waarin de kwartalen gelegen voor het jaar gedurende hetwelk de aanvrager de leeftijd van 20 jaar bereikt heeft in aanmerking komen met het oog op de vaststelling van de in deze paragraaf bedoelde teller.
  § 4. [2 Wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten als zelfstandige dat bekomen wordt door de in § 3 bedoelde teller te vermenigvuldigen met 312, hoger is dan 14 040, wordt dat aantal beperkt tot 14 040 voltijdse dagequivalenten."
   De Koning bepaalt wat moet begrepen worden onder voltijdse dagequivalenten als zelfstandige voor de toepassing van deze paragraaf.]2
  ----------
  (1)<W 2014-04-24/65, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<W 2014-04-24/63, art. 3, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2015. Zie art. 8>

  Art. 5.§ 1. Het rustpensioen wordt berekend in functie van de bedrijfsinkomsten.
  § 2. Onder bedrijfsinkomsten moet worden verstaan :
  1° (voor de jaren vóór 1984 : [4 forfaitaire bedrijfsinkomsten van 8 329,75 EUR]4. Dit bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100).) <KB 2001-07-13/48, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° voor de jaren vanaf 1984 : de [2 ...]2 bedrijfsinkomsten die in aanmerking werden genomen met het oog op de inning, voor het betrokken jaar, van de bijdragen verschuldigd krachtens het koninklijk besluit nr. 38.
  [6 Deze inkomsten worden niet in aanmerking genomen voor het gedeelte dat het bedrag van 42 310,43 EUR overschrijdt. Dit bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) en wordt, in voorkomend geval, verhoogd op 1 januari van het jaar dat volgt op dat tijdens welk de overschrijding van het op die datum van kracht zijnde spilindexcijfer zich heeft voorgedaan.]6
  [6 Het bedrag bedoeld in het vorige lid wordt:
   1° voor het jaar 2021 vermenigvuldigd met 1,0238;
   2° voor het jaar 2022 vermenigvuldigd met 1,0482;
   3° voor het jaar 2023 vermenigvuldigd met 1,0731;
   4° voor de jaren na 2023 vermenigvuldigd met 1,0986.
   Tot 31 december 2023 kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het vorige lid bedoelde herwaarderingscoëfficiënten verhogen overeenkomstig de voorziene verhogingen van de herwaarderingscoëfficiënten in uitvoering van artikel 7, zeventiende lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.]6
  (§ 2bis. In afwijking van § 2 zijn, voor de burgerlijke kwartalen in de loop waarvan de meewerkende echtgenoot onderworpen is aan het koninklijk besluit nr. 38 als helper in de zin van artikel 6 van hetzelfde besluit, met uitzondering van deze die uitsluitend onderworpen zijn aan het stelsel van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector uitkeringen en moederschapsverzekering, de beroepsinkomsten waarmee rekening moet gehouden worden voor de berekening van het rustpensioen van de geholpen zelfstandige die beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in [5 in artikel 9, § 1, 1°, of § 2"]5, van het koninklijk besluit nr. 72, gelijk aan de som van de beroepsinkomsten van [2 het bijdragejaar in de zin van artikel 11, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38]2 die in aanmerking genomen werden met het oog op de vaststelling, voor de betrokken burgerlijke kwartalen, van de bijdragen verschuldigd krachtens het koninklijk besluit nr. 38 in hoofde van de geholpen zelfstandige en van de aan de meewerkende echtgenoot toegekende bezoldigingen voor hetzelfde refertejaar.
  Onder bezoldigingen toegekend aan de meewerkende echtgenoot dient te worden verstaan de brutobezoldigingen, verminderd met de beroepskosten, vastgesteld overeenkomstig de wetgeving betreffende de inkomstenbelasting.
  [2 ...]2
  Wanneer de som van de beroepsinkomsten van het [2 bijdragejaar]2 en de bezoldigingen kleiner is dan het bedrag bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38, wordt deze gebracht op dit bedrag.
  Wanneer deze som groter is dan het bedrag bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde artikel, wordt deze herleid tot dit bedrag.
  De bedragen bedoeld in [2 het derde en vierde lid]2 worden geherwaardeerd overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 38.) <W 2006-01-16/44, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  § 2ter. [2 ...]2
  (§ 2quater. [2 Voor de toepassing van § 2bis]2, worden enkel de burgerlijke kwartalen in aanmerking genomen waarvoor de door de meewerkende echtgenoot verschuldigde bijdragen in hoofdsom en toebehoren betaald werden.) <W 2006-01-16/44, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  [1 § 2quinquies. In afwijking van § 2, moet voor de kwartalen die gelegen zijn in het jaar waarin het pensioen ingaat, onder beroepsinkomsten begrepen worden de beroepsinkomsten die in aanmerking genomen werden met het oog op de inning, voor de kwartalen van het voorafgaande jaar, van de bijdragen verschuldigd krachtens het koninklijk besluit nr. 38.
   Deze inkomsten worden niet in aanmerking genomen voor het gedeelte dat het bedrag overschrijdt bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 38, zoals het wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen voor het betrokken jaar.
   Bij gebrek aan kwartalen van beroepsbezigheid als zelfstandige tijdens het jaar dat de ingangsdatum van het pensioen voorafgaat, worden de beroepsinkomsten in aanmerking genomen die bedoeld zijn in artikel 12, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38.]1
  § 3. De Koning bepaalt :
  1° op welke wijze de bedrijfsinkomsten, op het ogenblik waarop over de pensioenaanvraag wordt beslist, aangepast worden aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen;
  2° [3 de fictieve inkomsten waarmee rekening dient te worden gehouden voor de tijdvakken die door de Koning worden gelijkgesteld ter uitvoering van artikel 14, § 1, van het koninklijk besluit nr. 72.]3
  (3° (ingetrokken) ) <W 2006-01-16/44, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  ----------
  (1)<W 2014-04-24/65, art. 3, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<W 2013-11-22/07, art. 14, 021; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (3)<W 2017-10-02/05, art. 31, 024; Inwerkingtreding : 01-11-1997>
  (4)<W 2019-05-26/09, art. 14, 027; Inwerkingtreding : 01-07-2019>
  (5)<W 2019-04-26/50, art. 9, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2019>
  (6)<W 2021-06-15/05, art. 5, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Art. 6.[1 § 1. Met het oog op de berekening van het rustpensioen wordt de teller van de breuk die de loopbaan uitdrukt, bedoeld in artikel 4, § 1, in zeven delen opgesplitst:
   1° een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vóór 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   2° een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   3° een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vóór 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   4° een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 en vóór 1 januari 2019 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   5° een vijfde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2018 en vóór 1 januari 2021 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   6° een zesde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2020 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   7° een zevende deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25.
   § 2. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 1° en 7°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 4, § 2, of in artikel 18. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, van het koninklijk besluit nr. 72;
   § 3. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 2°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 4, § 2, of in artikel 18. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, van het koninklijk besluit nr. 72;
   3° een breuk die elk jaar door de Koning bepaald werd en die, per 1 januari van het betrokken jaar, de verhouding weergaf tussen het percentage van de bijdrage bestemd voor het pensioenstelsel der zelfstandigen en het totaal van de percentages van de persoonlijke bijdrage en van de patronale bijdrage verschuldigd op de bezoldiging van de werknemers en bestemd voor hun pensioenstelsel.
   § 4. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 3°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 4, § 2, of in artikel 18. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, van het koninklijk besluit nr. 72;
   3° 0,567851 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR niet overschrijdt;
   0,463605 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR overschrijdt.
   Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar door het te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de noemer 103,14 is en de teller gelijk is aan het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het beschouwde jaar.
   Wanneer het beschouwde jaar dit van de ingangsdatum van het pensioen voorafgaat, wordt het gemiddelde bedoeld in het vorige lid vastgesteld door, voor elk van de drie laatste maanden van het betrokken jaar, het indexcijfer te weerhouden van de overeenstemmende maand van het vorige jaar vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand september van het jaar waarvoor het gemiddelde moet vastgesteld worden te delen door het indexcijfer van dezelfde maand van het vorige jaar.
   § 5. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 4°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze die is bedoeld in artikel 4, § 2, of in artikel 18. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, van het koninklijk besluit nr. 72;
   3° 0,663250 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR niet overschrijdt;
   0,541491 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR overschrijdt.
   Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar door het te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de noemer 103,14 is en de teller gelijk is aan het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het beschouwde jaar.
   Wanneer het beschouwde jaar dit van de ingangsdatum van het pensioen voorafgaat, wordt het gemiddelde bedoeld in het vorige lid vastgesteld door, voor elk van de acht laatste maanden van het betrokken jaar, het indexcijfer te weerhouden van de overeenstemmende maand van het vorige jaar vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand april van het jaar waarvoor het gemiddelde moet vastgesteld worden te delen door het indexcijfer van dezelfde maand van het vorige jaar.
   Wanneer het beschouwde jaar dit is waarin het pensioen ingaat, is het gemiddelde bedoeld in het tweede lid, gelijk aan het gemiddelde bedoeld in het vorige lid.
   § 6. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 5°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze die is bedoeld in artikel 4, § 2. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50, 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, of van het koninklijk besluit nr. 72.
   3° 0,691542.
   § 7. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 6°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze die is bedoeld in artikel 4, § 2. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50, 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, of van het koninklijk besluit nr. 72.
   3° 1.
  [2 § 8. Het pensioen per kalenderjaar, berekend overeenkomstig de paragrafen 2 tot 6, wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt van 0,017.]2
   [2 § 9.]2 De vermindering van de beroepsloopbaan krachtens artikel 4, § 4, eerste lid, of krachtens artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 betreft de voltijdse dagequivalenten als zelfstandige die recht openen op het minst voordelige pensioen.
   Het aantal in mindering te brengen dagen kan echter niet 1 560 voltijdse dagequivalenten overschrijden. Die dagen worden als volgt bepaald:
   1° het pensioen verleend voor elk kalenderjaar wordt gedeeld door het aantal voltijdse dagequivalenten die in aanmerking genomen worden voor het desbetreffende jaar om hun aandeel in het pensioen te bepalen;
   2° het aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel worden verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen berekend per dag het minst voordelig is;
   3° wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten van het kalenderjaar bedoeld in de bepaling onder 2° lager is dan het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten, wordt het overblijvend aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen vervolgens het minst voordelig is;
   4° er wordt één voor één beroep gedaan op de kalenderjaren waarvan het aandeel in het pensioen het minst voordelig wordt voor zover het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten van de beroepsloopbaan niet bereikt is.
   De vermindering van de beroepsloopbaan bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing wanneer de globale beroepsloopbaan van de zelfstandige, zoals gedefinieerd in artikel 19, § 2bis, 3°, van het koninklijk besluit nr. 72, meer dan 14 040 voltijdse dagequivalenten bevat en de voltijdse dagequivalenten volgend op de 14 040e dag van de globale beroepsloopbaan dagen zijn van beroepsbezigheid als zelfstandige. In dat geval worden deze voltijdse dagequivalenten in aanmerking genomen in de berekening van het rustpensioen.
   De Koning bepaalt wat moet begrepen worden onder voltijdse dagequivalenten als zelfstandige voor de toepassing van deze paragraaf.
   [2 § 10.]2 De tweede paragraaf van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 72, is van overeenkomstige toepassing bij de berekening van het pensioen ingevolge dit artikel.]1
  ----------
  (1)<W 2021-06-15/05, art. 6, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2021>
  (2)<W 2021-07-18/03, art. 46, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2021>

  Art. 7.§ 1. Het overlevingspensioen toekenbaar in functie van de loopbaan van de overleden echtgenoot wordt uitgedrukt door een breuk.
  § 2. Wanneer de echtgenoot overleden is na 31 december van het jaar voorafgaand aan datgene waarin hij [3 de in artikel 3, § 1, § 1bis of § 1ter, naar gelang het geval, bedoelde leeftijd]3 heeft bereikt of wanneer hij bij zijn overlijden een rustpensioen in de hoedanigheid van zelfstandige genoot of genoten had, is de breuk bedoeld in § 1, gelijk aan de breuk die in aanmerking werd genomen voor de berekening van het rustpensioen van de overleden echtgenoot of die, ingeval de overleden echtgenoot geen rustpensioen genoot of genoten had, met toepassing van artikel 4 of van artikel 18, in aanmerking zou kunnen worden genomen voor de berekening van een rustpensioen ingaande op de eerste dag van de maand van het overlijden.
  § 3. In de andere gevallen wordt de breuk bedoeld in § 1, als volgt vastgesteld :
  1° de teller drukt het getal uit dat verkregen wordt door het totaal van de kwartalen die in aanmerking komen voor de opening van het recht op het overlevingspensioen [1 en die gelegen zijn voor het kwartaal waarin de echtgenoot is overleden]1, te delen door vier.
  De bepalingen van artikel 4, § 3, tweede en derde lid, worden bij analogie toegepast met het oog op de vaststelling van deze teller;
  2° de noemer drukt het aantal jaren uit dat begrepen is in de periode die aanvangt op 1 januari van het jaar van de twintigste verjaardag van de overleden echtgenoot en die eindigt op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin hij overleden is.
  [2 Wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten als zelfstandige dat bekomen wordt door de teller van de in § 2 of deze paragraaf, eerste lid, naar gelang het geval, bedoelde breuk te vermenigvuldigen met 312, hoger is dan het aantal dat bekomen wordt door de noemer van dezelfde breuk te vermenigvuldigen met 312, worden de voltijdse dagequivalenten in aanmerking genomen tot beloop van het door deze laatste vermenigvuldiging bekomen resultaat.
   De Koning bepaalt wat moet begrepen worden onder voltijdse dagequivalenten als zelfstandige voor de toepassing van deze paragraaf.]2
  § 4. De Koning bepaalt de nadere regels voor de opening van het recht op het overlevingspensioen wanneer de echtgenoot is overleden voor het einde van het jaar waarin hij de leeftijd van 20 jaar heeft of zou hebben bereikt.
  ----------
  (1)<W 2014-04-24/65, art. 5, 020; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<W 2014-04-24/63, art. 5, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2015. Zie art. 8>
  (3)<W 2015-08-10/09, art. 29, 023; Inwerkingtreding : 31-08-2015>

  Art. 7bis.[1 § 1. De overgangsuitkering die toegekend wordt in functie van de loopbaan van de overleden echtgenoot wordt uitgedrukt door een breuk.
   De breuk wordt als volgt vastgesteld :
   1° de teller wordt bekomen door het totaal aantal kwartalen die het recht openen op een overgangsuitkering en die gelegen zijn voor het kwartaal van overlijden, als de overleden echtgenoot bij zijn overlijden nog geen rustpensioen genoot of voor het kwartaal in de loop waarvan zijn rustpensioen is ingegaan, indien hij bij zijn overlijden een rustpensioen genoot, te delen door vier.
   2° de noemer drukt het aantal burgerlijke jaren uit die begrepen zijn in de periode die aanvangt op 1 januari van het jaar van de twintigste verjaardag van de overleden echtgenoot en die eindigt op 31 december van het jaar dat voorafgaat ofwel aan dat van het overlijden, zo hij bij zijn overlijden nog geen rustpensioen genoot, ofwel aan dat waarin zijn rustpensioen ingaat, zo hij reeds een rustpensioen genoot bij zijn overlijden.
   Wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten dat bekomen wordt door de in het vorige lid, 1° bedoelde teller met 312 te vermenigvuldigen hoger is dan het aantal dat bekomen wordt door de in het vorige lid, 2° bedoelde noemer met 312 te vermenigvuldigen, worden de voltijdse dagequivalenten die recht geven op de voordeligste uitkering per kalenderjaar in aanmerking genomen tot beloop van het door deze laatste vermenigvuldiging bekomen resultaat.
  [2 De Koning bepaalt voor de toepassing van deze paragraaf wat moet begrepen worden onder voltijdse dagequivalenten als zelfstandige.]2
   § 2. [2 De Koning bepaalt de nadere regels voor de opening van het recht op de overgangsuitkering wanneer de echtgenoot vóór 1 januari van het jaar van zijn 21ste verjaardag is overleden.]2 ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-25/78, art. 12, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<W 2015-08-10/09, art. 44, 023; Inwerkingtreding : 31-08-2015>

  Art. 8. § 1. Het overlevingspensioen wordt berekend in functie van de bedrijfsinkomsten.
  § 2. Onder bedrijfsinkomsten worden deze verstaan zoals gedefinieerd in artikel 5, § 2.
  Artikel 5, § 3, wordt naar analogie toegepast voor de berekening van het overlevingspensioen.

  Art. 8bis. [1 § 1. De overgangsuitkering wordt berekend in functie van de bedrijfsinkomsten.
   § 2. Onder bedrijfsinkomsten worden deze verstaan zoals gedefinieerd in artikel 5, § 2.
   Artikel 5, § 3, wordt naar analogie toegepast voor de berekening van de overgangsuitkering.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-04-25/78, art. 13, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 9.[1 § 1. Met het oog op de berekening van het overlevingspensioen wordt de teller van de breuk die de loopbaan van de overleden echtgenoot uitdrukt, bedoeld in artikel 7, § 1, in zeven delen opgesplitst:
   1° een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vóór 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   2° een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   3° een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vóór 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   4° een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 en vóór 1 januari 2019 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   5° een vijfde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2018 en vóór 1 januari 2021 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   6° een zesde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2020 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   7° een zevende deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25.
   § 2. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 1° en 7°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 60 pct.
   § 3. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 2°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 60 pct.;
   3° een breuk die elk jaar door de Koning bepaald werd en die, per 1 januari van het betrokken jaar, de verhouding weergaf tussen het percentage van de bijdrage bestemd voor het pensioenstelsel der zelfstandigen en het totaal van de percentages van de persoonlijke bijdrage en van de patronale bijdrage verschuldigd op de bezoldiging van de werknemers en bestemd voor hun pensioenstelsel.
   § 4. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 3°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7, § 2 of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 60 pct.;
   3° 0,567851 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR niet overschrijdt;
   0,463605 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR overschrijdt.
   Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 4, tweede en derde lid.
   § 5. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 4°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 60 pct.;
   3° 0,663250 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR niet overschrijdt;
   0,541491 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR overschrijdt.
   Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 5, tweede tot vierde lid.
   § 6. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 5°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 60 pct.;
   3° 0,691542.
   § 7. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 6°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 60 pct.;
   3° 1.
  [2 § 8. Het pensioen per kalenderjaar, berekend overeenkomstig de paragrafen 2 tot 6, wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt van 0,017.]2
   [2 § 9.]2 De vermindering van de beroepsloopbaan krachtens artikel 7, § 3, tweede lid, of krachtens artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 slaat op de voltijdse dagequivalenten als zelfstandige die recht openen op het minst voordelige pensioen.
   Het aantal in mindering te brengen dagen kan echter het aantal niet overschrijden dat bekomen wordt door het derde van de noemer van de in artikel 7, § 2 of § 3, eerste lid, bedoelde breuk te vermenigvuldigen met 104. Die dagen worden als volgt bepaald:
   1° het pensioen verleend voor elk kalenderjaar wordt gedeeld door het aantal voltijdse dagequivalenten die in aanmerking genomen worden voor het desbetreffende jaar om hun aandeel in het pensioen te bepalen;
   2° het aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel worden verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen berekend per dag het minst voordelig is;
   3° wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten van het kalenderjaar bedoeld in de bepaling onder 2°, lager is dan het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten, wordt het overblijvend aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen vervolgens het minst voordelig is;
   4° er wordt één voor één beroep gedaan op de kalenderjaren waarvan het aandeel in het pensioen het minst voordelig wordt voor zover het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten van de beroepsloopbaan niet bereikt is.
   De vermindering van de beroepsloopbaan bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing wanneer de globale beroepsloopbaan van de overleden zelfstandige, zoals gedefinieerd in artikel 19, § 2bis, 3°, van het koninklijk besluit nr. 72, meer voltijdse dagequivalenten bevat dan het maximumaantal voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 7, § 3, tweede lid, en de voltijdse dagequivalenten volgend op dit maximumaantal door de overleden echtgenoot gepresteerde dagen van beroepsbezigheid als zelfstandige zijn. In dat geval worden deze dagen in aanmerking genomen in de berekening van het overlevingspensioen van de langstlevende echtgenoot.
   De Koning bepaalt wat moet begrepen worden onder voltijdse dagequivalenten als zelfstandige voor de toepassing van deze paragraaf.]1
  ----------
  (1)<W 2021-06-15/05, art. 7, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2021>
  (2)<W 2021-07-18/03, art. 47, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2021>

  Art. 9bis.[1 § 1. Met het oog op de berekening van de overgangsuitkering wordt de teller van de breuk die de loopbaan van de overleden echtgenoot uitdrukt, bedoeld in artikel 7bis, § 1, in zeven delen opgesplitst:
   1° een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vóór 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   2° een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   3° een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vóór 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   4° een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 en vóór 1 januari 2019 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   5° een vijfde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2018 en vóór 1 januari 2021 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   6° een zesde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2020 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
   7° een zevende deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25.
   § 2. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 1° en 7°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 60 pct.;
   § 3. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 2°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 60 pct.;
   3° een breuk die elk jaar door de Koning bepaald werd en die, per 1 januari van het betrokken jaar, de verhouding weergaf tussen het percentage van de bijdrage bestemd voor het pensioenstelsel der zelfstandigen en het totaal van de percentages van de persoonlijke bijdrage en van de patronale bijdrage verschuldigd op de bezoldiging van de werknemers en bestemd voor hun pensioenstelsel.
   § 4. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 3°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 60 pct.;
   3° 0,567851 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR niet overschrijdt;
   0,463605 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR overschrijdt.
   Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 4, tweede en derde lid.
   § 5. Per kalenderjaar wordt overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 4°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 60 pct.;
   3° 0,663250 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR niet overschrijdt;
   0,541491 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR overschrijdt.
   Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 5, tweede tot vierde lid.
   § 6. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 5°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 60 pct.;
   3° 0,691542.
   § 7. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 6°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
   1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
   2° 60 pct.;
   3° 1.
  [2 § 8. Het pensioen per kalenderjaar, berekend overeenkomstig de paragrafen 2 tot 6, wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt van 0,017.]2
   [2 § 9.]2 Wanneer de teller van de breuk die voltijdse dagequivalenten uitdrukt die het recht op de overgangsuitkering kunnen openen, verlaagd wordt krachtens artikel 7bis, § 1, derde lid, of krachtens artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, zal deze vermindering, voor de berekening van de overgangsuitkering, slaan op de voltijdse dagequivalenten die aanleiding geven tot de toekenning van de laagste overgangsuitkering.
   De verwijdering van de overtollige dagen wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 9, § 8.
   De vermindering bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing wanneer de globale beroepsloopbaan van de overleden zelfstandige, zoals gedefinieerd in artikel 19, § 2bis, 3°, van het koninklijk besluit nr. 72, meer voltijdse dagequivalenten bevat dan het maximumaantal voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 7bis, § 1, derde lid, en de voltijdse dagequivalenten volgend op dat maximumaantal door de overleden echtgenoot gepresteerde dagen van beroepsbezigheid als zelfstandige zijn. In dat geval worden die dagen in aanmerking genomen in de berekening van de overgangsuitkering van de langstlevende echtgenoot.
   [2 § 10.]2 Indien het bedrag van de overgangsuitkering, berekend overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 7bis en 8bis en van dit artikel kleiner is dan het bedrag dat verkregen wordt door het in artikel 131ter, § 1, van de wet van 15 mei 1984 bedoelde bedrag van 9 648,57 euro te vermenigvuldigen met de in artikel 7bis, § 1, bedoelde breuk, wordt dit laatste bedrag toegekend.
   Vanaf 1 april 2015 is het in het eerste lid bedoelde bedrag van 9 648,57 euro gelijk aan het in artikel 131ter, § 1, van de wet van 15 mei 1984 bedoelde bedrag voor een overlevingspensioen.
   Vanaf 1 september 2017 is het in het eerste lid bedoelde bedrag van 9 648,57 euro gelijk aan het in artikel 34 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector bedoelde bedrag.
   [2 § 11.]2 Boek III, Titel IIbis, van de wet van 15 mei 1984 wordt niet toegepast op de overgangsuitkering.]1
  ----------
  (1)<W 2021-06-15/05, art. 8, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2021>
  (2)<W 2021-07-18/03, art. 48, 030; Inwerkingtreding : 01-07-2021>

  Art. 10.[1 § 1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de eerste coëfficiënt bedoeld in artikel 6, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, en in artikel 9bis, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, aanpassen in functie van de evolutie van de uitgaven voor de pensioenuitkeringen, met uitzondering van de uitgaven voor de pensioenbijslag bedoeld in artikel 14, in de totaliteit van de uitgaven in het sociaal statuut der zelfstandigen.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de tweede coëfficiënt bedoeld in artikel 6, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, en in artikel 9bis, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, aanpassen in functie van de aanpassingen van de bedragen bedoeld in artikel 6, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, in artikel 9bis, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, en in artikel 5, § 2, tweede lid.
   De in de voorgaande leden bedoelde aanpassingen mogen evenwel geen weerslag hebben op de pensioenberekening voor loopbaanjaren die gelegen zijn vóór het jaar waarin deze aanpassingen gebeuren.
   § 2. De Koning kan, om de twee jaar, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag bedoeld in artikel 6, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, en in artikel 9bis, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, verhogen door toepassing van een verhogingscoëfficiënt die gelijk dient te zijn aan de verhogingscoëfficiënt vastgesteld in uitvoering van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.]1
  ----------
  (1)<W 2021-06-15/05, art. 9, 029; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Art. 11.§ 1. Wanneer de echtgenoot overleden is vóór het jaar waarin hij de leeftijd zou hebben bereikt bedoeld in artikel 7, § 2, of in artikel 19, naargelang van het geval, en bij zijn overlijden geen rustpensioen in de hoedanigheid van zelfstandige genoot of genoten had, mag het overlevingspensioen, in afwijking van artikel 9, niet hoger zijn dan het bedrag verkregen door de toepassing, op het bedrag van een fictief rustpensioen, van de breuk die werd verkregen na toepassing van artikel 7, § 3, van dit besluit en van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72.
  Dit fictief rustpensioen is datgene dat zou bekomen worden door een gerechtigde wiens echtgenoot voldoet aan de voorwaarden bedoeld in [1 artikel 9, § 1, 1°, of § 2]1, van het koninklijk besluit nr. 72, die verondersteld wordt de leeftijd bedoeld in artikel 7, § 2, of in artikel 19, naargelang van het geval, te hebben bereikt op de dag van het overlijden, een volledige loopbaan als zelfstandige te bewijzen en, voor de jaren na 1983, het bedrijfsinkomen te hebben gehad dat voor dezelfde jaren werd in aanmerking genomen voor de overleden echtgenoot.
  De Koning bepaalt wat het inkomen is waarmee, met het oog op de berekening van het fictief rustpensioen bedoeld in het vorige lid, rekening moet worden gehouden voor de jaren of gedeelten van de jaren na 1983 die niet in aanmerking konden worden genomen in de loopbaan van de overleden echtgenoot.
  § 2. Artikel 131 bis van de wet van 15 mei 1984 is niet van toepassing op de berekening van dit fictief rustpensioen.
  ----------
  (1)<W 2019-04-26/50, art. 11, 028; Inwerkingtreding : 01-07-2019>

  Art. 12. De Koning bepaalt hoe het overlevingspensioen wordt berekend in de gevallen bedoeld in artikel 7, § 4.

  HOOFDSTUK V. - Het halftijds pensioen.

  Art. 13. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, volgens de voorwaarden en modaliteiten en tijdens de periode die Hij bepaalt, voor de personen die in toepassing van artikel 3, §§ 2 of 4, of van artikel 16, recht hebben op een vervroegd rustpensioen, een stelsel van halftijds pensioen instellen.
  De bijdragen die in toepassing van het koninklijk besluit nr. 38 door deze personen worden betaald gedurende de periode waarin zij het halftijds pensioen genieten, gelden niet als bewijs van de beroepsbezigheid als zelfstandige in de zin van artikel 15, § 1, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 72.

  HOOFDSTUK VI- Diverse bepalingen.

  Art. 14. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, voor de categorieën die Hij aanduidt, volgens de voorwaarden en modaliteiten en tijdens de periode die Hij bepaalt, voorzien dat een pensioenbijslag wordt betaald aan de gerechtigden op een rustpensioen waarvan het bedrag werd vastgesteld rekening houdend met een loopbaan als zelfstandige die tenminste gelijk is aan twee derde van een volledige loopbaan.

  Art. 15. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, volgens de voorwaarden en modaliteiten die Hij bepaalt, de teller van de breuk bedoeld in artikel 4, § 3, verhogen met maximaal 3,25 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 2009.
  De toepassing van de bepalingen van het eerste lid mag evenwel niet tot gevolg hebben dat de aldus verhoogde teller gebracht wordt op een getal dat de twee derden van de noemer bedoeld in artikel 4, § 2, of in artikel 18 met 0,25 of meer overschrijdt.

  HOOFDSTUK VII- Overgangsbepalingen.

  Art. 16. <W 2005-12-23/30, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 09-01-2006> § 1. In afwijking van artikel 3, § 1, en voor wat de vrouwen betreft, wordt de pensioenleeftijd gebracht op :
  1° 61 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1999 ingaat;
  2° 62 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2002 ingaat;
  3° 63 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005 ingaat;
  4° 64 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2008 ingaat.
  § 2. Nochtans, voorzover voldaan is aan de voorwaarden van artikel 3, § 3, of van artikel 17, kan het rustpensioen, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan vóór de leeftijd bedoeld in de vorige paragraaf en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag.
  In het geval bedoeld in het vorige lid wordt het rustpensioen verminderd met 5 pct. per jaar vervroeging.
  Voor de toepassing van het verminderingspercentage bedoeld in het vorige lid, wordt rekening gehouden met de leeftijd die de aanvrager bereikte op zijn verjaardag die de inwerkingtreding van het pensioen onmiddellijk voorafgaat.
  Wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2007 en uiterlijk op 1 december 2008, wordt het verminderd met :
  - 6 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 5 pct. voor het tweede jaar vervroeging, 4 pct. voor het derde jaar vervroeging, 3 pct. voor het vierde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 61e verjaardag;
  - 5 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 4 pct. voor het tweede jaar vervroeging, 3 pct. voor het derde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 62e verjaardag;
  - 4 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 3 pct. voor het tweede jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 62e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 63e verjaardag;
  - 3 pct. voor het jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 63e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 64e verjaardag.
  § 3. (De vermindering voorzien in § 2, tweede en vierde lid, is niet van toepassing indien de belanghebbende :
  1° een loopbaan van 43 kalenderjaren bewijst voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005;
  2° een loopbaan van 44 kalenderjaren bewijst voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2007;
  3° een loopbaan van 43 kalenderjaren bewijst voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2008 en uiterlijk op 1 december 2008.) <W 2008-06-08/30, art. 25, 013; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
  Onder kalenderjaren in de zin van het vorige lid wordt verstaan de jaren waarvoor pensioenrechten kunnen geopend worden krachtens één of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen in de zin van artikel 3, § 3, of krachtens een of meerdere wettelijke buitenlandse pensioenregelingen.
  Voor de toepassing van het eerste lid, worden de kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een wettelijke buitenlandse regeling vermoed vervuld te zijn in het kader van de werknemersregeling zoals bedoeld in artikel 3, § 3, tweede lid, 2°.

  Art. 16bis.[1 § 1. In afwijking van artikel 3, § 2bis, eerste lid, kan het rustpensioen, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ten vroegste ingaan :
   1° op de eerste dag van de zevende maand die volgt op de 60e verjaardag wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2013 en uiterlijk op 1 december 2013;
   2° op de eerste dag van de maand volgend op de 61e verjaardag wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2014 en uiterlijk op 1 december 2014;
   3° op de eerste dag van de zevende maand volgend op de 61e verjaardag wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2015 en uiterlijk op 1 december 2015.
   In afwijking van het vorige lid, 1° en 2°, kan het rustpensioen ten vroegste ingaan op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 40 kalenderjaren.
   In afwijking van het eerste lid, 3°, kan het rustpensioen ten vroegste ingaan op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 41 kalenderjaren.
   Onder kalenderjaren in de zin van vorige leden wordt verstaan de jaren waarvoor pensioenrechten kunnen geopend worden krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen in de zin van artikel 3, § 3, derde lid, of regelingen waarop de Europese verordeningen inzake sociale zekerheid van toepassing zijn of waarop een door België gesloten overeenkomst inzake sociale zekerheid betreffende de pensioenen van werknemers of zelfstandigen van toepassing is.
   § 2. In afwijking van artikel 3, § 3, tweede lid, wordt de voorwaarde inzake duur van de loopbaan gebracht :
   1° op 38 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2013 en uiterlijk op 1 december 2013;
   2° op 39 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2014 en uiterlijk op 1 december 2014.
  [2 § 2bis. In afwijking van § 1, eerste lid, 2°, en van § 2, 2°, wordt voor de rustpensioenen die ingaan op 1 januari 2014 de vereiste leeftijdsvoorwaarde vastgesteld overeenkomstig § 1, eerste lid, 1°, en de vereiste loopbaanvoorwaarde overeenkomstig § 2, 1°.
   In afwijking van § 1, eerste lid, 3°, en van artikel 3, § 3, tweede lid, wordt voor de rustpensioenen die ingaan op 1 januari 2015 de vereiste leeftijdsvoorwaarde vastgesteld overeenkomstig § 1, eerste lid, 2°, en de vereiste loopbaanvoorwaarde overeenkomstig § 2, 2°.]2
   § 3. Wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2013 en uiterlijk op 1 december 2013 wordt het verminderd met :
   - 25 pct. indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal uiterlijk ingaat op de eerste dag van de zesde maand die volgt op de 60e verjaardag;
   - 21,5 pct. indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de zevende maand die volgt op de 60e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 61e verjaardag;
   - 18 pct. indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 62e verjaardag;
   - 12 pct. indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 62e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 63e verjaardag.
   § 4. [3 ...]3
   § 5. [3 ...]3
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-03-29/01, art. 82, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2013. Is van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2013>
  (2)<W 2012-12-21/73, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2013. Is van toepassing op de rustpensioenen van de zelfstandigen die daadwerkelijk en voor de eerste maal op zijn vroegst op 1 januari 2013 ingaan. Overgangsbepalingen: art. 4 en 5>
  (3)<W 2013-06-28/04, art. 69, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2014;is van toepassing op de pensioenen van de zelfstandigen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2014>

  Art. 16ter. [1 In afwijking van artikel 3, § 2ter, eerste lid, kan voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 februari 2017 en uiterlijk op 1 januari 2018 ingaan, het rustpensioen, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ten vroegste ingaan op de eerste dag van de zevende maand die volgt op de 62e verjaardag op voorwaarde dat de belanghebbende een loopbaan van ten minste 41 kalenderjaren bewijst.
   In afwijking van het eerste lid kan het rustpensioen ten vroegste ingaan :
   1° op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 43 kalenderjaren;
   2° op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 42 kalenderjaren.
   Met kalenderjaren in de zin van het eerste en tweede lid wordt bedoeld de jaren waarvoor pensioenrechten kunnen geopend worden krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen of regelingen waarop de Europese verordeningen inzake sociale zekerheid van toepassing zijn of waarop een door België gesloten overeenkomst inzake sociale zekerheid betreffende de pensioenen van werknemers of zelfstandigen van toepassing is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2015-08-10/09, art. 30, 023; Inwerkingtreding : 31-08-2015>

  Art. 17. In afwijking van artikel 3, § 3, wordt de voorwaarde inzake duur van de loopbaan gebracht :
  1° op 20 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1997 ingaat;
  2° op 22 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 1998 en uiterlijk op 1 december 1998 ingaat;
  3° op 24 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 1999 en uiterlijk op 1 december 1999 ingaat;
  4° op 26 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2000 ingaat;
  5° op 28 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2001 en uiterlijk op 1 december 2001 ingaat;
  6° op 30 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2002 en uiterlijk op 1 december 2002 ingaat;
  7° op 32 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2003 ingaat;
  8° op 34 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2004 en uiterlijk op 1 december 2004 ingaat.
  De bepalingen van artikel 3, § 3, leden 2 tot 5 zijn van toepassing.

  Art. 18. In afwijking van artikel 4, § 2, en voor wat de vrouwen betreft, wordt de noemer gebracht :
  1° op 41 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1999 ingaat;
  2° op 42 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2002 ingaat;
  3° op 43 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005 ingaat;
  4° op 44 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2008 ingaat.

  Art. 19. In afwijking van artikel 7, § 2, en voor wat de vrouwen betreft, wordt de leeftijd van 65 jaar gebracht :
  1° op 61 jaar wanneer het overlijden zich ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 31 december 1999 heeft voorgedaan;
  2° op 62 jaar wanneer het overlijden zich ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 31 december 2002 heeft voorgedaan;
  3° op 63 jaar wanneer het overlijden zich ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 31 december 2005 heeft voorgedaan;
  4° op 64 jaar wanneer het overlijden zich ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 31 december 2008 heeft voorgedaan.

  HOOFDSTUK VIII- Wijzigingsbepalingen.

  Art. 20. In artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 38, gewijzigd bij de wetten van 12 juli 1972, 23 december 1974, 6 februari 1976, 13 juni 1985, 30 december 1988, 26 juni 1992 en 30 maart 1994 en bij het koninklijk besluit van 18 november 1996, wordt § 1 aangevuld met de volgende bepaling :
  " De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag bedoeld in het eerste lid, 1 °, verhogen tot het niveau van het jaarbedrag bedoeld in artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en aangepast overeenkomstig het laatste lid van hetzelfde artikel. ".

  Art. 21. In artikel 13, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38, gewijzigd bij de wet van 6 februari 1976 en bij het koninklijk besluit van 18 november 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden " de leeftijd van 65 of 60 jaar bereikt, naargelang het een man of een vrouw betreft " vervangen door de woorden " de pensioenleeftijd bereikt, zoals bepaald in de artikelen 3, § 1, en 16 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie ";
  2° het vierde lid wordt opgeheven.

  Art. 22. In artikel 26 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen, worden de woorden " de leeftijd van 65 of 60 jaar bereikt, naargelang het een man of een vrouw betreft " vervangen door de woorden " de pensioenleeftijd bereikt, zoals bepaald in de artikelen 3, § 1, en 16 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie. ".

  Art. 23. Artikel 30bis, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 72, ingevoegd door de wet van 12 juli 1972 en gewijzigd door de koninklijke besluiten nr. 1 van 26 maart 1981, nr. 34 van 30 maart 1982 en nr. 416 van 16 juli 1986, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " De in dit hoofdstuk bedoelde uitkeringen zijn slechts betaalbaar indien de gerechtigde geen beroepsbezigheid uitoefent en zo hij geen vergoeding geniet wegens ziekte, invaliditeit, onvrijwillige werkloosheid of loopbaanonderbreking bij toepassing van een Belgische of buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid of van een statuut dat van toepassing is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling, noch een aanvullende vergoeding, toegekend in het kader van een conventioneel brugpensioen, geniet. ".

  Art. 24. Artikel 4, eerste lid, van de wet van 23 december 1994 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Om recht te hebben op deze communautaire steunregeling moet de cedent het vervroegd pensioen als zelfstandige genieten krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie. ".

  Art. 25. Artikel 5 , eerste lid, van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " De cedent, voor wie het Ministerie van Landbouw het in artikel 4 bedoelde attest heeft overgezonden aan het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, ontvangt vanaf de leeftijd van 60 jaar tot 65 jaar een jaarlijks supplement op het pensioenbedrag dat toegekend werd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie. ".

  Art. 26. Artikel 6 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " De cedent, voor wie het Ministerie van Landbouw het in artikel 4 bedoelde attest heeft overgezonden aan het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, ontvangt vanaf de leeftijd van 65 jaar tot 75 jaar een jaarlijks supplement op het pensioenbedrag dat toegekend werd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie.
  Dit jaarlijks supplement wordt berekend als volgt :
  1° Indien het een rustpensioen betreft :
  (M.P. x L.B. x 5 pct. x J.V.) + (M.P. x J.V./45).
  2° Indien het een overlevingspensioen betreft :
  (M.P. x J.V./45).
  In deze formules wordt verstaan onder :
  M.P. : het bedrag van het minimumpensioen bedoeld in artikel 131bis van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
  L.B. : de loopbaanbreuk zoals vastgesteld met toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie.
  J.V. : het aantal jaren vervroeging (van 1 tot maximum 5 jaar) in de zin van artikel 3, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen en van artikel 3, § 2, of van artikel 16, leden 2,3 en 4, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie.
  Het aldus toegekend jaarlijks supplement wordt niet aangepast aan de evolutie van de kosten van levensonderhoud noch aan enige niet aan de loopbaan gebonden wijziging van de toegekende pensioenbedragen. "

  HOOFDSTUK IX- Slotbepalingen.

  Art. 27. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 1997.

  Art. 28. Onze Minister van Pensioenen en Onze Minister van de Kleine en Middelgrote ondernemingen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 30 januari 1997.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Pensioenen,
M. COLLA
De Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen,
K. PINXTEN

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, inzonderheid op de artikelen 15 en 27;
   Gelet op de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie, inzonderheid op artikel 3, § 1, 4°;
   Gelet op het advies van het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen, gegeven op 3 december 1996;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 6 december 1996;
   Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op 11 december 1996;
   Gelet op artikel 84, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996;
   Gelet op de dringende noodzakelijkheid gemotiveerd door het feit dat dit besluit in werking moet treden op 1 juli 1997 en, dat het onontbeerlijk is om zo spoedig mogelijk de nodige schikkingen te kunnen treffen om in de uitvoering ervan te voorzien en het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen in staat te stellen om tijdig alle maatregelen te nemen die nodig zijn om de pensioenen die onder het toepassingsgebied van dit besluit vallen tijdig te kunnen berekenen en betekenen;
   Gelet op het advies van de Raad van State;
   Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid en Pensioenen en van Onze Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 18-07-2021 GEPUBL. OP 29-07-2021
    (GEWIJZIGDE ART. : 6; 9; 9bis)
  • originele versie
  • WET VAN 15-06-2021 GEPUBL. OP 06-07-2021
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 6; 9; 9bis; 10)
  • originele versie
  • WET VAN 26-04-2019 GEPUBL. OP 30-07-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 6; 11)
  • originele versie
  • WET VAN 26-05-2019 GEPUBL. OP 17-06-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 6; 9; 9bis; 10)
  • originele versie
  • WET VAN 30-03-2018 GEPUBL. OP 26-04-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 9bis)
  • originele versie
  • WET VAN 05-12-2017 GEPUBL. OP 29-12-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 6; 9; 9bis)
  • originele versie
  • WET VAN 02-10-2017 GEPUBL. OP 24-10-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 6; 9; 9bis)
  • originele versie
  • WET VAN 10-08-2015 GEPUBL. OP 21-08-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 7; 16ter)
    (GEWIJZIGD ART. : 9bis)
    (GEWIJZIGDE ART. : 7bis; 9bis)
  • originele versie
  • WET VAN 24-04-2014 GEPUBL. OP 06-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 5; 6; 7; 9)
  • originele versie
  • WET VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 06-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 7bis; 8bis; 9bis)
  • originele versie
  • WET VAN 24-04-2014 GEPUBL. OP 05-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 6; 7; 9)
  • originele versie
  • WET VAN 22-11-2013 GEPUBL. OP 06-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 5)
  • originele versie
  • WET VAN 28-06-2013 GEPUBL. OP 01-07-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 16bis)
  • originele versie
  • WET VAN 21-12-2012 GEPUBL. OP 25-02-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 16bis)
  • originele versie
  • WET VAN 29-03-2012 GEPUBL. OP 30-03-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 16bis)
  • originele versie
  • WET VAN 22-12-2008 GEPUBL. OP 29-12-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • WET VAN 22-12-2008 GEPUBL. OP 29-12-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 6)
  • originele versie
  • WET VAN 08-06-2008 GEPUBL. OP 16-06-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 16)
  • originele versie
  • WET VAN 27-12-2006 GEPUBL. OP 28-12-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 4)
  • originele versie
  • WET VAN 16-01-2006 GEPUBL. OP 22-02-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 5)
  • originele versie
  • WET VAN 23-12-2005 GEPUBL. OP 30-12-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 16)
  • originele versie
  • WET VAN 22-12-2003 GEPUBL. OP 31-12-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 6; 9; 10)
  • originele versie
  • WET VAN 08-04-2003 GEPUBL. OP 17-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 5)
  • originele versie
  • WET VAN 24-12-2002 GEPUBL. OP 31-12-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 3; 16)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-07-2001 GEPUBL. OP 11-08-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 5; 6; 9)
  • originele versie
  • WET VAN 03-05-1999 GEPUBL. OP 04-05-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • originele versie
  • WET VAN 22-02-1998 GEPUBL. OP 03-03-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 6; 9)
  • 1997022335; 1997-04-30
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-04-1997 GEPUBL. OP 30-04-1997
    (GEWIJZIGD ART. : 3)
  • 1997022213; 1997-03-29
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-03-1997 GEPUBL. OP 29-03-1997
    (GEWIJZIGD ART. : 3)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE KONING.
       Sire,
       Het ontwerp koninklijk besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, is genomen in uitvoering van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie.
       In haar mededeling van 1 oktober 1996 heeft de Regering een aantal maatregelen aangekondigd met betrekking tot de hervorming van het pensioenstelsel der zelfstandigen. Het gaat om structurele en selectieve maatregelen die enerzijds de leefbaarheid van het stelsel moeten vrijwaren en anderzijds het stelsel nauwer moeten doen aansluiten bij de maatschappelijke evoluties. Deze eerste reeks maatregelen wordt geconcretiseerd in dit besluit.
       De leefbaarheid van het pensioenstelsel der zelfstandigen hangt samen met de financiële leefbaarheid van het sociaal statuut van de zelfstandigen. Dit houdt in dat er een doelmatig en doeltreffend financieel beheer gevoerd wordt én dat er zowel aan inkomsten- als aan uitgavenzijde structurele maatregelen genomen worden.
       De maatregelen met betrekking tot het financieel beheer en de inkomsten werden U reeds in vorige besluiten voorgelegd.
       De, mede door de demografische evoluties, te verwachten toekomstige groei van de uitgaven in het pensioenstelsel wordt gemilderd door een aanpassing in de berekening van het proportioneel pensioen, door het invoeren van een loopbaanvoorwaarde om het pensioen vervroegd te kunnen genieten en door de uitvoering van de Europese richtlijn 79/7/EEG betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.
       Het proportioneel pensioen is het pensioen dat, per loopbaanjaar gelegen na 1983, toegekend wordt in functie van de bedrijfsinkomsten. De huidige berekeningsformule houdt rekening met de verhouding tussen het bijdragepercentage van de zelfstandigen en dat der werknemers, bestemd voor de sector pensioenen. Door de invoering van het globaal financieel beheer in de maatschappelijke zekerheid voor werknemers en in het sociaal statuut van de zelfstandigen beantwoordt deze werkwijze niet langer aan de realiteit. Om die reden en met het oog op een toekomstige mildering van de uitgaven voor het proportioneel pensioen voert de ontworpen regeling een nieuwe berekeningswijze in.
       Voor de berekening van het proportioneel pensioen worden de bedrijfsinkomsten voortaan in twee schijven opgesplitst. De eerste schijf gaat tot 1.346.210 Fr., het huidig berekeningsplafond in de pensioenregeling voor werknemers. De tweede schijf loopt van dit plafond tot het tussenplafond voor de berekening van de bijdragen in het sociaal statuut. Met het oog op een zekere selectiviteit wordt op deze schijven een verschillende berekeningscoëfficiënt toegepast.
       De coëfficiënt 0.567851 werd bepaald op basis van de reële verhouding tussen de uitgaven voor de uitkeringen voor pensioenen voor zelfstandigen (65.738,2 miljoen) en de totaliteit van de uitgaven van het sociaal statuut der zelfstandigen (118.172,7 miljoen, abstractie makend van de interne transferten) in 1994, zijnde de recentste definitieve cijfers.
       Het aandeel van de uitgaven voor de uitkeringen voor pensioenen bedraagt derhalve 55,629 %. Toegepast op de totale bijdragevoet van 16,7 % betekent dit dat de bijdragevoet voor de pensioenen op 9,290043 % kan worden vastgesteld.
       De verhouding tussen deze bijdragevoet en de pensioenbijdragevoet die in de werknemersregeling van toepassing was vóór de invoering van het globaal beheer (16,36 %), levert de coëfficiënt 0,567851 op. Voor de eerste schijf van de bedrijfsinkomsten , vervangt deze nieuwe coëfficiënt de coëfficiënt 0,611791, zoals die voor het jaar 1996 was vastgelegd bij koninklijk besluit van 6 september 1996.
       De coëfficiënt 0,463605 , die van toepassing is op de tweede schijf van de bedrijfsinkomsten, werd berekend uitgaande van bovenvermelde coëfficiënt 0,611791. Door deze te vermenigvuldigen met de breuk die de verhouding weergeeft tussen het niveau waarop in de werknemersregeling en in de zelfstandigenregeling het inkomen wordt begrensd met het oog op de pensioenberekening (0,611791 x 1.346.210/1.776.509) bekomt men de nieuwe coëfficiënt 0,463605.
       Om de mogelijkheid om het rustpensioen vervroegd op te nemen te kunnen behouden, wordt de toekenning van het vervroegd pensioen gekoppeld aan een loopbaanvoorwaarde, over alle pensioenstelsels heen, die evolueert van 20 jaar in 1997 naar 35 jaar in 2005. Tegelijkertijd wordt, mede in het kader van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, het verminderingspercentage van 5 t.h. per jaar vervroeging ingevoerd voor de vrouwen.
       Gespreid over een periode die loopt van 1997 tot 2009 wordt de pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen gelijkgeschakeld op 65 jaar. Met dezelfde geleidelijkheid wordt de noemer van de loopbaanbreuk voor de vrouwen van 40 op 45 gebracht.
       De Raad van State legt in zijn advies de nadruk op het feit dat de bedoelde richtlijn in een geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen voorziet maar vraagt zich hieromtrent af of de overgangsperiode (13 jaar) om tot een formele gelijkheid van mannen en vrouwen te komen, nog in redelijkheid in overeenstemming kan worden geacht met zo niet de letter, dan toch de geest van de richtlijn 79/7/EEG.
       De vermelde richtlijn voorziet in het eerste artikel dat de Lidstaten de gelijkberechtiging 'geleidelijk' tot stand moeten brengen. Op het 'eindpunt' staat geen termijn. Integendeel zelfs, indien men de 'onbeperkte' mogelijkheden in het kader van artikel 7 van de richtlijn beschouwt, kan men zich zelfs afvragen of er een termijn beoogd werd. Onze buurlanden bijvoorbeeld hebben in hun recente pensioenhervormingen overgangsperioden van 12 tot 20 jaar voorzien om de pensioenleeftijd voor mannen en vrouwen gelijk te schakelen. Zulks is door de Europese instanties aanvaard.
       Artikel 7 van de richtlijn laat de Lidstaten derhalve toe af te wijken op het vlak van het vaststellen van de pensioengerechtigde leeftijd (... en zulks mag doorwerking hebben op de berekening van de prestaties). De Lidstaten die zich op deze 'pensioenleeftijdsexceptie' beroepen moeten zich regelmatig verantwoorden bij de Europese Commissie. België maakt - net als onze buurlanden - al ononderbroken gebruik van deze 'leeftijdsexceptie' en informeert, overeenkomstig artikel 8 van de richtlijn, de Europese Commissie dan ook op geregelde tijdstippen van de stappen die zij hieromtrent zet.
       De wetgever werd trouwens ter gelegenheid van het tot stand brengen van de wet van 19 juni 1996 tot interpretatie van de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn, ook met deze vraag geconfronteerd.
       Uit nader onderzoek van deze kwestie blijkt dat België niet het enige land is dat de bedoelde richtlijn nog niet volledig uitgevoerd heeft en dat de andere Europese landen vergelijkbare termijnen in hun pensioenhervormingen hebben voorzien. Het is nuttig in dat verband de werkzaamheden van de Commissie van de Sociale Zaken van de Kamer van volksvertegenwoordigers (Parl. St. 449/2 - 95/96) te raadplegen.
       Het onderhavig besluit bevestigt de werkwijze die de Belgische wetgever al sinds jaren volgt om het beginsel van gelijke behandeling op geleidelijke wijze ten uitvoer te leggen, conform de doelstellingen van de Europese richtlijn.
       De genoemde maatregelen inzake gelijkberechtiging van mannen en vrouwen behoren ook tot de aanpassing van het stelsel aan de maatschappelijke evoluties. Zij gaan gepaard met een uitbreiding van de rechten van de vrouwen in de andere takken van de sociale zekerheid en meer in het bijzonder in de sector van de verzekering tegen de arbeidsongeschiktheid van de zelfstandigen.
       Verder wordt een juridische basis gecreëerd voor de invoering van een halftijds pensioen, dat een soepele overgang van het actief leven naar het pensioen moet mogelijk maken.
       Tot slot wordt de juridische basis gelegd om op selectieve wijze een pensioenbijslag te betalen aan gepensioneerde zelfstandigen en om in functie van de duur van de beroepsloopbaan als zelfstandige een aantal extra loopbaanjaren toe te kennen. Deze laatste twee maatregelen moeten er bij hun uitvoering toe bijdragen dat niet alleen de juridische maar ook de feitelijke gelijkberechtiging van mannen en vrouwen beter wordt gerealiseerd.
       Aangezien er niet ingegaan werd op de suggestie van de Raad van State om alle toepasselijke regels in één tekst samen te brengen, is het noodzakelijk gebleken om nog drie wijzigingsbepalingen aan het ontwerp toe te voegen. Deze bepalingen strekken er toe de wet van 23 december 1994 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector in overeenstemming te brengen met dit besluit.
       De artikelen van het ontwerp geven aanleiding tot de volgende commentaren.
       Artikel 1. In dit artikel is het geheel van de definities opgenomen dat nodig is voor een goed begrip van de volgende artikelen.
       Art. 2. Dit artikel bakent het toepassingsgebied van dit besluit af en bepaalt welke bestaande wetsbepalingen van toepassing blijven.
       Art. 3. De eerste paragraaf stelt als algemeen principe dat de pensioenleeftijd 65 jaar is voor mannen en vrouwen.
       Paragraaf 2 voorziet de mogelijkheid om het rustpensioen vervroegd vanaf de leeftijd van 60 jaar te laten ingaan. In dat geval wordt het bedrag van het rustpensioen verminderd met 5 t.h. per jaar vervroeging.
       Paragraaf 3 bepaalt dat het rustpensioen slechts vervroegd kan ingaan indien de belanghebbende voor tenminste 35 kalenderjaren pensioenrechten kan openen krachtens om het even welke Belgische regeling. Bovendien wordt voor de verschillende pensioenregelingen vastgesteld aan welke minimumvereisten moet voldaan worden en welke periodes voor de opening van het recht op vervroegd pensioen in aanmerking genomen worden en welke uitgesloten worden.
       De Koning wordt gemachtigd om de technische modaliteiten hieromtrent bij wijze van besluit uit te werken.
       Paragraaf 4 herneemt artikel 3, § 2, derde lid van het koninklijk besluit nr. 72.
       Paragraaf 5 herneemt artikel 3, § 3, eerste lid en artikel 5, § 1, derde lid van het koninklijk besluit nr. 72 en bepaalt welke invloed de datum van de aanvraag heeft op de ingangsdatum van het rustpensioen.
       De artikelen 4 tot en met 9 en de artikelen 11 en 12.
       De artikelen 4 tot en met 9 en de artikelen 11 en 12 hernemen inhoudelijk de artikelen 124 tot en met 130 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen. De volgende wijzigingen werden aangebracht :
       - om tot een gelijke pensioenberekening voor mannen en vrouwen te komen, wordt de noemer van de loopbaanbreuk voor mannen en vrouwen op 45 vastgesteld;
       - de berekeningsformule voor het proportioneel pensioen wordt gewijzigd voor het gedeelte van de loopbaan dat na 31 december 1996 gelegen is. Het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 1.346.210 Fr. (het huidig berekeningsplafond in de pensioenregeling voor werknemers) niet overschrijdt, wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,567851 en het in aanmerking te nemen gedeelte dat dit bedrag overschrijdt wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,463605. Het bedrag van 1.346.210 Fr. wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen.
       Art. 10. De bepalingen van dit artikel machtigen de Koning om bij in Ministerraad overlegd besluit :
       - de hoger genoemde coëfficiënten aan te passen voor de loopbaanjaren vanaf de aanpassing;
       - het bedrag van 1.346.210 Fr. om de twee jaar aan te passen, gelijklopend met de aanpassing die in de werknemersregeling gebeurt op basis van de loonmarge;
       Art. 13. Dit artikel machtigt de Koning om bij in Ministerraad overlegd besluit een stelsel van halftijds pensioen in te stellen vanaf de leeftijd van 60 jaar.
       Art. 14. Dit artikel machtigt de Koning om bij in Ministerraad overlegd besluit een pensioenbijslag te betalen aan de gepensioneerde zelfstandigen met een loopbaan als zelfstandige die tenminste gelijk is aan twee derden van een volledige loopbaan.
       Art. 15. Dit artikel machtigt de Koning om bij in Ministerraad overlegd besluit de teller van de loopbaanbreuk te verhogen voor de rustpensioenen die ingaan tussen 30 juni 1997 en 31 december 2009.
       Art. 16. Dit artikel realiseert voor de vrouwen de geleidelijke overgang naar de pensioenleeftijd van 65 jaar gedurende de periode die loopt van 1 juli 1997 tot 1 december 2008. Wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat op 1 januari 2009 of later is de pensioenleeftijd voor vrouwen, overeenkomstig artikel 3, § 1, 65 jaar.
       Ook gedurende deze overgangsperiode wordt het vervroegd rustpensioen van de vrouwen verminderd met 5 t.h. per jaar vervroeging.
       Art. 17. Deze overgangsbepaling realiseert de geleidelijke invoering van de voorwaarde inzake duur van de beroepsloopbaan die moet vervuld zijn om een vervroegd rustpensioen te kunnen bekomen. De voorwaarde evolueert van 20 jaren naar 34 jaren gedurende de periode die loopt van 1 juli 1997 tot 1 december 2004. Wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat op 1 januari 2005 of later is de loopbaanvoorwaarde overeenkomstig artikel 3, § 3, 35 jaren.
       Art. 18. Dit artikel realiseert voor de berekening van het rustpensioen van de vrouwen de geleidelijke overgang van een berekening in 40sten naar een berekening in 45sten gedurende de periode die loopt van 1 juli 1997 tot 1 december 2008. Wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaat op 1 januari 2009 of later gebeurt de berekening voor mannen en vrouwen, overeenkomstig artikel 4, § 2, in 45sten.
       Art. 19. Deze overgangsbepaling realiseert de overgang van pensioenleeftijd van de vrouwen naar 65 jaar, die noodzakelijk is voor de berekening van het overlevingspensioen.
       Art. 20. Dit artikel machtigt de Koning om bij in Ministerraad overlegd besluit het bedrag van het tussenplafond voor de bijdragen aan te passen van zodra, ingevolge de aanpassingen aan het bedrag van 1.346.210 Fr., dit laatste bedrag minstens gelijk is aan het bedrag van het tussenplafond.
       Art. 21. Dit artikel realiseert de geleidelijke gelijkberechtiging van mannen en vrouwen inzake bijdragen na de pensioenleeftijd.
       Art. 22. Dit artikel realiseert voor de vrouwen de geleidelijke toegang van 61 tot 65 jaar tot de verzekering tegen arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen.
       Art. 23. Dit artikel wijzigt de bestaande bepaling in die zin dat het pensioen evenmin betaalbaar is indien de gerechtigde een aanvullende vergoeding geniet, toegekend in het kader van een conventioneel brugpensioen.
       De artikelen 24 tot en met 26.
       Deze artikelen voegen aan de artikelen 4, 5 en 6, van de wet van 23 december 1994 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector de nodige verwijzingen naar dit ontwerp toe.
       Art. 27. Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van het besluit op 1 juli 1997.
       Wij hebben de eer te zijn,
       Sire,
       van Uwe Majesteit,
       de zeer eerbiedige
       en zeer getrouwe dienaars,
       De Minister van Volksgezondheid en Pensioenen,
       M. COLLA
       De Minister van Landbouw en van de Kleine en Middelgrote ondernemingen,
       K. PINXTEN
       ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE.
       De Raad van State, afdeling wetgeving, achtste kamer, op 12 december 1996 door de Minister van Pensioenen verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot uitvoering van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels", heeft op 17 december 1996 het volgend advies gegeven :
       Volgens artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, vervangen bij de wet van 4 augustus 1996, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden aangegeven tot staving van het spoedeisend karakter ervan.
       Te dezen wordt de hoogdringendheid gemotiveerd door het feit "dat (het ontworpen) besluit in werking moet treden op 1 juli 1997 en dat het onontbeerlijk is om zo spoedig mogelijk de nodige schikkingen te kunnen treffen om in de uitvoering ervan te voorzien en het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen in staat te stellen om tijdig alle maatregelen te nemen die nodig zijn om de pensioenen die onder het toepassingsgebied van dit besluit vallen tijdig te kunnen berekenen en betekenen".
       Gelet op de korte termijn welke hem voor het geven van zijn advies wordt toegemeten, heeft de Raad van State zich moeten beperken tot het maken van de hiernavolgende opmerkingen.
       Strekking van het ontwerp.
       Het voor advies voorgelegde ontwerp strekt ertoe het pensioenstelsel der zelfstandigen op een aantal punten te hervormen. De ontworpen regeling, genomen ter uitvoering van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, zou van toepassing zijn op de pensioenen die ten vroegste op 1 juli 1997 ingaan.
       Concreet bevat het ontwerp de volgende wijzigingen ten opzichte van de vigerende regeling :
       - de pensioenleeftijd wordt voortaan niet enkel voor mannen, maar ook voor vrouwen, vastgesteld op 65 jaar (artikel 3, § 1); voor de vrouwen wordt in een overgangsregeling voorzien (artikel 16);
       - voor degenen die vervroegd op pensioen willen gaan, wordt de loopbaanvoorwaarde opgetrokken van 10 tot 35 kalenderjaren (artikel 3, § 3); er wordt in een overgangsregeling voorzien (artikel 17);
       - het pensioen wordt, zowel voor mannen als voor vrouwen, berekend in 45sten (artikel 4, § 2, i.v.m. het rustpensioen; artikel 7, § 2, i.v.m. het overlevingspensioen); voor de vrouwen wordt in een overgangsregeling voorzien (artikelen 18 resp. 19);
       - er wordt voorzien in een gewijzigde berekening van het proportionele gedeelte van het pensioen dat betrekking heeft op de jaren na 31 december 1996 (artikel 6, § 2, i.v.m. het rustpensioen; artikel 9, § 2, i.v.m. het overlevingspensioen);
       - de Koning wordt gemachtigd tot het instellen van een stelsel van halftijds pensioen (artikel 13);
       - de Koning wordt gemachtigd tot het instellen van een pensioenbijslag ten gunste van de zelfstandige met een loopbaan die ten minste gelijk is aan twee derde van een volledige loopbaan (artikel 14);
       - de Koning wordt gemachtigd tot het toekennen van een bijkomend aantal loopbaanjaren, ten gunste van de zelfstandigen wier rustpensioen ingaat tussen 1 juli 1997 en 1 december 2009 (artikel 15).
       Op een aantal punten vertoont het ontwerp gelijkenis met een ontwerp van koninklijk besluit "tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels" (pensioenstelsel werknemers), waarover de Raad van State op 16 december 1996 het advies L. 25.863/1 gegeven heeft.
       Rechtsgrond.
       Het ontwerp vindt hoofdzakelijk rechtsgrond in artikel 15 van de genoemde wet van 26 juli 1996, naar luid waarvan de Koning gemachtigd is om, "met respect voor ... de eigenheid van de pensioenstelsels (en) het vrijwaren van de pensioenrechten van de gepensioneerden wier pensioen daadwerkelijk en voor de eerste keer is ingegaan vóór de inwerkingtreding van (die) wet", een aantal maatregelen inzake de wettelijke pensioenen te nemen. Tot die maatregelen behoren onder meer die welke gericht zijn op de geleidelijke verwezenlijking van de gelijkberechtiging van mannen en vrouwen (1°) en op het waarborgen van de leefbaarheid en de legitimiteit in de toekomst van de wettelijke pensioenstelsels, via een mildering van de globale uitgavenstijging (3°).
       In zoverre artikel 14 van het ontworpen besluit de Koning machtigt om in een pensioenbijslag te voorzien voor gerechtigden wier loopbaan als zelfstandige ten minste gelijk is aan twee derde van een volledige loopbaan, kan het ontwerp geacht worden een rechtsgrond te vinden in artikel 27 van de genoemde wet van 26 juli 1996. Volgens dat artikel 27 kan de Koning alle nuttige maatregelen nemen om de bijzondere bijslag, bedoeld in artikel 152 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisatie in de pensioenregelingen, te hervormen.
       Ten slotte houdt artikel 10, § 3, van het ontwerp een machtiging aan de Koning in om het bedrag aan te passen van het tussenplafond waarop de bijdrage in het sociaal statuut der zelfstandigen wordt berekend. Voor die bepaling zou een rechtsgrond gevonden kunnen worden in artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, voor zover de ontworpen bepaling verantwoord kan worden vanuit het oogpunt van het waarborgen van het financieel evenwicht van het stelsel van de sociale zekerheid van de zelfstandigen, en voor zover de betrokken maatregel beantwoordt aan de vereisten opgelegd bij artikel 2 van de genoemde wet. Binnen de tijd die hem voor het geven van zijn advies is toegemeten, is het de Raad van State niet mogelijk geweest zich ervan te vergewissen of inderdaad aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
       Algemene opmerkingen.
       1. De basisregeling betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen is thans vervat in het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen. Wijzigingen van dat stelsel zijn tot hiertoe in dat besluit opgenomen, met uitzondering van hetgeen i.v.m. de berekeningswijze betreffende de loopbaan en de bedrijfsinkomsten is bepaald in de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen : die wet bevat op het genoemde vlak autonome bepalingen, welke van toepassing zijn op de pensioenen die effectief voor de eerste maal zijn ingegaan ten vroegste op 1 januari 1985 (zie de artikelen 123 tot 130 van de wet).
       De stellers van het ontwerp hebben zich op die wet geïnspireerd om eveneens een aantal autonome bepalingen te redigeren, welke van toepassing zijn op de pensioenen die effectief voor de eerste maal ingaan op 1 juli 1997.
       Het hoeft geen betoog dat een dergelijke werkwijze de regelgeving onoverzichtelijk maakt. Een groot deel van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 blijft nog van toepassing op de pensioenen die onder de toepassing van het ontworpen besluit vallen. Voor het overige bestaan er overlappingen tussen het koninklijk besluit nr. 72, de wet van 15 mei 1984 en het ontworpen besluit. Die overlappingen zouden vermeden kunnen worden, als alle toepasselijke regels in éen tekst worden samengebracht, waarbij een duidelijk onderscheid gemaakt wordt tussen de gemeenschappelijke regels en de regels die werkelijk verschillen, naar gelang van het ogenblik waarop het pensioen effectief ingaat (1).
       Ondergeschikt kan opgemerkt worden dat het ontwerp aan duidelijkheid zou winnen indien het de indeling zou overnemen welke gevolgd wordt in de artikelen 123 tot 130 van de wet van 15 mei 1984. Dit veronderstelt een herschikking van de artikelen 3 tot 12 van het ontwerp.
       2. Het ontworpen besluit dient getoetst te worden aan de richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.
       Artikel 4, lid 1, van die richtlijn bepaalt dat het beginsel van de gelijke behandeling inhoudt dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect, is uitgesloten, onder meer met betrekking tot de werkingssfeer van de sociale zekerheidsregelingen en de voorwaarden inzake toelating tot die regelingen, en met betrekking tot de berekening van de prestaties. Weliswaar bepaalt artikel 7, lid 1, dat de richtlijn geen afbreuk doet aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om onder meer de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd van de werkingssfeer van de richtlijn uit te sluiten (littera a), doch volgens artikel 7, lid 2, zijn de Lid-Staten ertoe gehouden periodiek te onderzoeken of het nog verantwoord is dergelijke uitzonderingen te handhaven.
       Met die uitzondering heeft de Europese wetgever "de Lid-Staten ...willen toestaan tijdelijk de aan vrouwen toegekende voordelen op pensioengebied te handhaven, teneinde hen in staat te stellen hun pensioenstelsels op dit punt geleidelijk aan te passen zonder het ingewikkelde financiële evenwicht van die stelsels - een aspect dat niet kon worden genegeerd - te verstoren" (2).
       Het ontwerp strekt er onder meer toe in eenzelfde pensioenleeftijd te voorzien voor mannen en vrouwen, met dien verstande evenwel dat die gelijkstelling stapsgewijze gebeurt om pas tegen 1 januari 2009 volledig te zijn verwezenlijkt, en dat ook de berekeningswijze van het pensioenbedrag geleidelijk wordt aangepast, om pas vanaf 1 januari 2009 dezelfde te zijn voor mannen en vrouwen.
       De ontworpen regeling heeft, althans voor wat de pensioenen betreft welke daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan vanaf 1 juli 1997, tot gevolg dat het in de richtlijn 79/7/EEG voorgestane beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen inzake pensioenen pas tegen 1 januari 2009 volledig zal zijn verwezenlijkt. Weliswaar voorziet de betrokken richtlijn in een geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, doch die richtlijn dateert reeds van 19 december 1978. In het licht van die vaststelling is het de vraag of de regeling welke het ontwerp op een geleidelijke wijze beoogt in te voeren, nog in redelijkheid in overeenstemming kan worden geacht met zoniet de letter, dan toch de geest van de richtlijn 79/7/EEG (3). Daarenboven is het de Raad van State, afdeling wetgeving, niet mogelijk geweest om, binnen het korte tijdsbestek waarin om het advies werd verzocht, na te gaan of met het ontwerp een regeling voorligt welke in al haar aspecten verenigbaar kan worden geacht met het gelijkheidsbeginsel zoals dat in de Grondwet en in een aantal internationaalrechtelijke normen ligt besloten (4).
       Onderzoek van de tekst.
       Opschrift.
       1. Het is steeds de gewoonte geweest om bijzondere-machtenbesluiten te nummeren. Die gewoonte zou ook moeten worden gevolgd voor de besluiten genomen ter uitvoering van onder meer de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, en van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie.
       Overigens is de impliciete informatie die de nummering van het besluit inhoudt, namelijk dat het gaat om een tekst die de wet onmiddellijk kan wijzigen maar die zelf later bij wet moet worden bekrachtigd, van groot nut voor de rechtssubjecten, die aldus weten binnen welke grenzen de wettigheid van het dispositief ervan voor de rechtbanken kan worden betwist.
       De Raad van State meent de suggestie tot nummering van de bijzondere-machtenbesluiten te moeten handhaven, ook al blijkt dat de regering bij de tot nu toe bekendgemaakte besluiten niet op die suggestie is ingegaan.
       2. Overeenkomstig de regels van de formele legistiek dient het opschrift kort, maar precies, de inhoud van de regeling weer te geven.
       Te dezen blijkt uit het opschrift onvoldoende welke de inhoud van de ontworpen regeling is.
       Voor zover ingegaan wordt op de suggestie tot nummering van het besluit, zou het opschrift als volgt kunnen luiden :
       " Koninklijk besluit nr. ... betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen".
       Aanhef.
       1. Gelet op de opmerking in verband met de rechtsgrond voege men, na de verwijzing naar de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, eventueel ook een verwijzing in naar artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie.
       2. Men vermelde, in de respectieve aanhefverwijzingen, de data van het advies van het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen, van het advies van de inspecteur van financiën en van het akkoord van de Minister van Begroting.
       Artikel 2. 1. In paragraaf 1 schrijve men, duidelijkheidshalve, "pensioenen van de zelfstandigen" in plaats van "pensioenen".
       2. Aan de hand van het bepaalde in paragraaf 2 kan niet op voldoende duidelijke wijze worden uitgemaakt welke bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 en van de wet van 15 mei 1984 van toepassing zijn op de pensioenen bedoeld in paragraaf 1.
       Een manier om op een duidelijker wijze het verband tussen de verschillende regelingen aan te geven, is die van artikel 123 van de wet van 15 mei 1984. De stellers van het ontwerp zouden in die bepaling inspiratie kunnen vinden voor een formulering die meer aan het vereiste van de rechtszekerheid beantwoordt.
       Artikel 3. Volgens paragraaf 2 wordt, in geval van vervroegd pensioen van een zelfstandige, het rustpensioen verminderd met 5 % per jaar vervroeging.
       Zoals is opgemerkt in het advies van het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen, is een soortgelijke vermindering voor werknemers afgeschaft.
       De vraag rijst of zelfstandigen en werknemers categorieën vormen die te dezen vergelijkbaar zijn, en zo ja, of er voor het verschil in behandeling een grondwettelijke verantwoording bestaat. Binnen de hem toegemeten tijd kan de Raad van State hierover geen uitsluitsel geven.
       Artikel 6. In paragraaf 2, 3°, worden twee coëfficiënten gehanteerd (0,567851 en 0,467909), waarvoor geen enkele uitleg gegeven wordt. Het staat aan de regering om in het verslag aan de Koning uiteen te zetten van welke berekening die cijfers de uitkomst zijn.
       Dezelfde opmerking geldt voor artikel 9, § 2, 3°.
       Artikel 10. 1. Bij paragraaf 1 wordt aan de Koning machtiging verleend om, onder een bepaalde voorwaarde, de coëfficiënten bedoeld in de artikelen 6, § 2, 3°, en 9, § 2, 3°, aan te passen.
       Opdat die delegatie geoorloofd zou zijn, zouden de criteria bepaald moeten worden op grond waarvan de Koning die coëfficiënten kan aanpassen.
       Zoals het Beheerscomité in zijn advies opmerkt, wijst zulks bovendien nogmaals op het belang van de explicitering van de wijze waarop de coëfficiënten zelf, bedoeld in de artikelen 6, § 2, 3°, en 9, § 2, 3°, berekend werden.
       2. Om te onderstrepen dat de in paragraaf 2 bedoelde aanpassing voortvloeit uit de loutere toepassing van de in die paragraaf genoemde verhogingscoëfficiënt, schrijve men : "De Koning kan ... het bedrag ... verhogen, door toepassing van een verhogingscoëfficiënt die ... " .
       3. Bij paragraaf 3 wordt aan de Koning machtiging verleend om het bedrag bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 aan te passen.
       Die bepaling hoort thuis in dat koninklijk besluit nr. 38.
       Artikel 13. Dit artikel voorziet in een machtiging aan de Koning om een stelsel van halftijds pensioen in te voeren.
       Die opdracht is in te ruime bewoordingen geformuleerd. Het ontwerp geeft immers niet aan binnen welke perken, onder welke voorwaarden en volgens welke normen de Koning dat stelsel kan invoeren.
       Een zodanige bevoegdheidstoekenning kan niet worden ingepast in de machten die de Koning ontleent aan één van de bijzondere-machtenwetten van 26 juli 1996 : zij zou met name tot gevolg hebben dat voor de hier aan de orde zijnde aangelegenheden de bijzondere machten van die wet door de Koning zelf onbeperkt worden verlengd buiten de in die wet gestelde tijdslimieten.
       Om bestaanbaar te zijn met de bijzondere-machtenwet moeten in de delegatiebepaling nadere grenzen worden aangegeven waarbinnen de Koning het bedoelde stelsel kan invoeren.
       Artikel 14. Dit artikel voorziet in een machtiging aan de Koning om een pensioenbijslag in te voeren, ten voordele van de zelfstandigen wier loopbaan ten minste gelijk is aan twee derde van een volledige loopbaan.
       Om dezelfde reden als uiteengezet in de opmerking bij artikel 13, gaat die delegatie de grenzen te buiten van de aan de Koning verleende bijzondere machten.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 27 uitvoeringbesluiten 29 gearchiveerde versies
    Franstalige versie