J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 11 uitvoeringbesluiten 4 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1995/04/04/1995003340/justel

Titel
4 APRIL 1995. - Wet houdende [fiscale] en financiėle bepalingen. (Erratum, zie B.St. 01-07-1995, p. 18652) -
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-05-1995 en tekstbijwerking tot 11-08-2017)

Bron : FINANCIEN
Publicatie : 23-05-1995 nummer :   1995003340 bladzijde : 14149
Dossiernummer : 1995-04-04/39
Inwerkingtreding : 02-06-1995

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1993093510        1991003529        1987004122        1964061003        1983021381        1955080207        1930061201        1990003737        1993003514        1991003382        1991003038        1993003235        1993021259        1939113002        1927030201        1991003014       

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Fiscale bepalingen.
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen.
Art. 1-3
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Art. 4-10
HOOFDSTUK III. - Wijziging in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
Art. 11
HOOFDSTUK IV. - Wijziging in het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, met betrekking tot de uitgifte van obligatieleningen.
Art. 12
HOOFDSTUK V. - Wijzigingen in de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur.
Art. 13
HOOFDSTUK VI.- Wijziging in de wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiėle bepalingen.
Art. 14
HOOFDSTUK VII. - Bekrachtiging van koninklijke besluiten.
Art. 15-16
TITEL II. - Financiėle bepalingen.
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in de wet van 12 juni 1930 tot oprichting van een Muntfonds.
Art. 17-22
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in de wet van 2 augustus (1955) houdende opheffing van het Fonds tot delging der Staatsschuld. (Erratum, zie B.St. 01-07-1995, p. 18652)
Art. 23-28
HOOFDSTUK III. - Wijziging in de wet van 10 juni 1964 op het openbaar aantrekken van spaargelden.
Art. 29
HOOFDSTUK IV. - Wijziging in de wet van 11 augustus 1987 houdende waarborg van werken uit edele metalen.
Art. 30
HOOFDSTUK V. - Wijzigingen in de wet van 4 december 1990 op de financiėle transacties en de financiėle markten.
Art. 31-35
HOOFDSTUK VI. - Wijziging in de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen.
Art. 36
HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen in de wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetair beleidsinstrumentarium.
Art. 37-39
HOOFDSTUK VIII. - Wijziging in de wet van 17 juni 1991 tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare sector in bepaalde privaatrechtelijke financiėle vennootschappen.
Art. 40
HOOFDSTUK IX. - Wijzigingen in de wet van 22 juli 1991 betreffende de thesauriebewijzen en de depositobewijzen.
Art. 41-45
HOOFDSTUK X. - Wijziging in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen.
Art. 46
HOOFDSTUK XI. - Wijzigingen in de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten.
Art. 47-48
HOOFDSTUK XII.
Art. 49-58, 58bis, 59-62, 62bis, 63

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Fiscale bepalingen.

  HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen.

  Artikel 1. (Artikel 1261) van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, gewijzigd bij de wetten van 13 augustus 1947, 4 december 1990, 2 januari 1991, 22 juli 1991, 22 juli 1993, 6 augustus 1993, 24 december 1993 en 30 maart 1994, wordt aangevuld als volgt : (Erratum, zie B.St. 01-07-1995, p. 18652)
  "13° de verrichtingen met als voorwerp kortlopende schuldbewijzen van de Nationale Bank van Belgiė;
  14° de verrichtingen die het Herdiscontering- en Waarborginstituut of het Interventiefonds van de beursvennootschappen doen uitvoeren in het kader van het beheer van de beleggers- of depositobeschermingsregelingen die zij hebben ingesteld of beheren;
  15° de leningen van effecten."

  Art. 2. Artikel 139 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 13 augustus 1947 en 4 december 1990, wordt aangevuld met het volgende lid :
  "De taks is evenwel niet verschuldigd door het Herdiscontering- en Waarborginstituut of het Interventiefonds van de beursvennootschappen voor de reportverrichtingen die zij doen uitvoeren in het kader van de beleggers- of depositobeschermingsregelingen die zij hebben ingesteld of beheren."

  Art. 3. Artikel 139bis van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 6 augustus 1993, wordt aangevuld als volgt :
  "4° kortlopende schuldbewijzen van de Nationale Bank van Belgiė;
  5° aan de cessies-retrocessies van effecten."

  HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

  Art. 4. In artikel 206 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen door artikel 1 van de wet van 6 augustus 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1, tweede lid, wordt opgeheven;
  2° het artikel wordt aangevuld met een als volgt luidende § 3 :
  "§ 3. In afwijking van de §§ 1 en 2, mogen de vorige beroepsverliezen in geen geval worden afgetrokken van de winst van het belastbare tijdperk, noch van enig ander later belastbaar tijdperk, wanneer het gemiddelde van de omzet en de financiėle opbrengsten die zijn geboekt tijdens de boekjaren welke verbonden zijn met de drie vorige belastbare tijdperken, minder bedraagt dan 5 pct. van het gemiddelde van het totaal bedrag van de activa, zoals dat voorkomt in de jaarrekeningen van die boekjaren.
  Voor de toepassing van het eerste lid wordt, in plaats van de omzet en de financiėle opbrengsten, in aanmerking genomen :
  1° wanneer het vennootschappen betreft onderworpen aan de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, het totale bedrag van de rente-opbrengsten en soortgelijke opbrengsten, de opbrengsten van niet-vastrentende effecten, de ontvangen provisies en de overige bedrijfsopbrengsten;
  2° wanneer het in artikel 56, § 2, 2°, h, vermelde verzekeringsondernemingen betreft, het totale bedrag van de brutopremies en de opbrengsten van beleggingen."
  (NOTA : Bij arrest nr 70/96 van 11 december 1996 (B.St. 19-12-1996) heeft het Arbitragehof artikel 4, 2° vernietigd; Opheffing : 01-01-1996)

  Art. 5. Artikel 261 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een als volgt luidend 3° :
  "3° door beheersvennootschappen, die zijn erkend door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen om één of meerdere in artikel 119quater van de wet van 4 december 1990 op de financiėle transacties en de financiėle markten vermelde fondsen voor belegging in schuldvorderingen te beheren, voor de door deze fondsen voor belegging in schuldvorderingen toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten."

  Art. 6. Artikel 263, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, wordt aangevuld met de volgende woorden ", alsook op in artikel 267, vierde lid, vermelde inkomsten".

  Art. 7. Artikel 265 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 265. Evenmin is roerende voorheffing verschuldigd op inkomsten die zijn verleend of toegekend :
  1° aan de Staat uit hoofde van financiėle beheersverrichtingen verwezenlijkt in het algemeen belang van de Schatkist of voortvloeiend uit de vorming van onmiddellijk beschikbare gelden om het hoofd te bieden aan de kastekorten, wegens de onmogelijkheid toegang te verkrijgen tot de geldmarkt door middel van dagelijkse uitgiften van schatkistcertificaten;
  2° aan de vennootschappen bedoeld in artikel 261, 3°, wegens de schuldvorderingen die behoren tot de beleggingsfondsen waarvan zij het beheer verzorgen."

  Art. 8. In de inleidende zin van artikel 266 van hetzelfde Wetboek, worden tussen de woorden "verkrijgers betreft van wie de identiteit kan worden vastgesteld" en de woorden "of effecten aan toonder" de woorden "of door collectieve beleggingsinstellingen naar buitenlands recht die een onverdeeld vermogen zijn dat wordt beheerd door een beheersvennootschap voor rekening van deelnemers, wanneer hun aandelen in Belgiė niet openbaar worden uitgegeven en niet in Belgiė worden verhandeld".

  Art. 9. In artikel 267 van hetzelfde Wetboek, wordt tussen het derde lid en het vierde lid het volgende lid ingevoegd :
  "De toekenning of de betaalbaarstelling van inkomsten door een in artikel 265, 2°, vermeld fonds voor belegging in schuldvorderingen, brengt eveneens het verschuldigd zijn van de roerende voorheffing mede, voor zover die inkomsten voortkomen uit inkomsten als vermeld in artikel 17."

  Art. 10. Artikel 4, 1°, treedt in werking vanaf het aanslagjaar 1998.
  Voor het aanslagjaar 1997 wordt de beperking van de aftrek van vorige verliezen als vermeld in artikel 206, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, niet toegepast op de verliezen geleden in de loop van de boekjaren verbonden aan het aanslagjaar 1996.
  Artikel 4, 2°, treedt in werking vanaf het aanslagjaar 1996.
  (NOTA : Bij arrest nr 70/96 van 11 december 1996 (B.St. 19-12-1996) heeft het Arbitragehof artikel 10, lid 3 vernietigd; Opheffing : 02-06-1995)

  HOOFDSTUK III. - Wijziging in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.

  Art. 11. In artikel 161, 3°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, gewijzigd bij de wet van 9 februari 1981, worden de woorden "Nationale Investeringsmaatschappij" vervangen door de woorden "Federale Investeringsmaatschappij".

  HOOFDSTUK IV. - Wijziging in het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, met betrekking tot de uitgifte van obligatieleningen.

  Art. 12. Artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, ingevoegd bij artikel 41 van de wet van 4 augustus 1986, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK V. - Wijzigingen in de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur.

  Art. 13. In de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, zoals gewijzigd door de wet van 3 juni 1994 en door de wet van 9 februari 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° In artikel 373bis, eerste lid, worden de woorden "30 juni 1995" vervangen door de woorden "31 december 1995".
  2° Artikel 401, punt 1, tweede gedachtenstreepje, wordt vervangen door wat volgt : "P.V.C.-verpakkingen : datum vast te stellen bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit en uiterlijk op 1 januari 1996" 3° Artikel 401, punt 3, wordt vervangen door wat volgt :
  "3. Op de batterijen : op 1 juli 1995, bij ontstentenis van een andersluidend advies van de Opvolgingscommissie. In de mate dat de Opvolgingscommissie tegen uiterlijk 30 juni 1995 een advies uitbrengt over de milieutaks op de batterijen, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, deze datum uitstellen tot uiterlijk 1 januari 1996."

  HOOFDSTUK VI.- Wijziging in de wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiėle bepalingen.

  Art. 14. In artikel 85 van de wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiėle bepalingen, wordt het tweede lid vervangen door de volgende bepaling :
  "De artikelen 39 tot 44 treden in werking op 26 juli 1993.
  Artikel 73 treedt in werking op 1 juli 1993."

  HOOFDSTUK VII. - Bekrachtiging van koninklijke besluiten.

  Art. 15. (Met uitwerking) op de data van hun respectieve inwerking- treding, zijn bekrachtigd : (Erratum, zie B.St. 01-07-1995, p. 18652)
  1. het koninklijk besluit van 30 juli 1994 tot wijziging, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing, van het K.B./W.I.B. 92;
  2. het koninklijk besluit van (21) december 1994 tot wijziging van het K.B./W.I.B. 92, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing. (Erratum, zie B.St. 01-07-1995, p. 18652)

  Art. 16. Met uitwerking op de data van hun respectieve inwerking- treding, zijn bekrachtigd :
  1. het koninklijk besluit van 7 maart 1994 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde;
  2. het koninklijk besluit van 20 juni 1994 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

  TITEL II. - Financiėle bepalingen.

  HOOFDSTUK I. - Wijzigingen in de wet van 12 juni 1930 tot oprichting van een Muntfonds.

  Art. 17. Artikel 3 van de wet van 12 juni, 1930 tot oprichting van een Muntfonds, opgeheven door de wet van 3 maart 1953, wordt hersteld in de volgende lezing :
  "Art. 3. Een Muntfonds wordt opgericht in de vorm van een Staatsdienst met afzonderlijk beheer. De nadere regels voor de uitvoering worden gegeven door de Koning op voordracht van de minister van Financiėn en van de minister van Begroting.
  Het Muntfonds heeft tot taak de financiering en het waarborgen van de deelmunten die worden uitgegeven krachtens artikel 1 en de financiering van de Koninklijke Munt van Belgiė, Staatsbedrijf dat werd opgericht door de wet van 4 april 1995 houdende fiscale en financiėle bepalingen, door middel van voorschotten en leningen."

  Art. 18. Artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 23 december 1988 en 28 december 1990, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 4. De ontvangsten van het Muntfonds bestaan uit :
  1° het bedrag van de uitgiften van de deelmunten;
  2° de opbrengst van de verkoop van de metalen van de definitief uit de omloop genomen deelmunten;
  3° de rente van de leningen en voorschotten toegekend aan de Koninklijke Munt van Belgiė krachtens artikel 59 van de wet van 4 april 1995 houdende fiscale en financiėle bepalingen;
  4° het saldo van de nettowinst bepaald in artikel 62 van de wet van 4 april 1995 houdende fiscale en financiėle bepalingen;
  5° de terugbetaling van de inbrengen in de Koninklijke Munt van Belgiė;
  6° de terugbetaling van de hoofdsom van de leningen en voorschotten toegekend aan de Koninklijke Munt van Belgiė;
  7° de inkomsten uit beleggingen die gedaan zijn krachtens artikel 6;
  8° de sommen ontvangen bij de terugbetaling of de aflossing van de effecten die verkregen zijn krachtens artikel 6.
  De uitgaven van het Muntfonds bestaan uit :
  1° de prijs voor het slaan van nationale deelmunten die wordt aangerekend door de Koninklijke Munt van Belgiė;
  2° het bedrag van de gedemonetiseerde en niet binnengekomen deelmunten, na aftrek van de metaalwaarde;
  3° het bedrag van de gedemonetiseerde deelmunten die zijn binnengekomen;
  4° de werkingskosten van het Fonds;
  5° de kosten voor de activiteiten vermeld in artikel 51, eerste lid, 5°, van de wet van 4 april 1995 houdende fiscale en financiėle bepalingen;
  6° de uitgaven voor beleggingen die gedaan zijn krachtens artikel 6;
  7° de sommen aangewend voor de terugbetaling of de aflossing van de effecten die verkregen zijn krachtens artikel 6.
  In het vermogen van het Muntfonds wordt gestort :
  1° de portefeuille van obligaties en aandelen bedoeld in artikel 6, eerste lid;
  2° het saldo dat het fonds "70. 01 Muntfonds" van de afzonderlijke sectie van de begroting vertoont de dag waarop artikel 18 van de wet van 4 april 1995 houdende fiscale en financiėle bepalingen in werking treedt;
  3° het metaal vervat in de deelmunten in omloop, bedoeld in artikel 1.
  De jaarlijkse inkomsten die de lasten van het Muntfonds overtreffen worden toegekend aan de Schatkist.
  De beleggingen worden verricht door bemiddeling van de Amortisatiekas."

  Art. 19. Artikel 5 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 21 mei 1973, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 5. Het Muntfonds verleent, tot beloop van het bedrag dat is opgenomen in de algemene uitgavenbegroting, leningen aan de Koninklijke Munt van Belgiė, voor de financiering van haar activiteiten."

  Art. 20. Artikel 6 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 23 december 1988, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 6. Het vermogen van het Muntfonds wordt belegd in obligaties van de Staatsschuld en andere door de Staat gewaarborgde effecten, uitgegeven krachtens een wet, zodat het actief van het Muntfonds gelijk is aan de uitgifte van deelmunten voorgeschreven bij artikel 1, eerste lid."

  Art. 21. In artikel 7 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 2 augustus 1955 en 23 december 1988, worden de woorden "de directeurgeneraal van de Thesaurie en van Staatsschuld" vervangen door de woorden "de Administrateur-generaal der Thesaurie".

  Art. 22. De Koning bepaalt de datum waarop dit hoofdstuk in werking treedt.
  (Nota : Inwerkingtreding vastgesteld op 01-01-1997 door art. 19, KB 1997-08-08/62)

  HOOFDSTUK II. - Wijzigingen in de wet van 2 augustus (1955) houdende opheffing van het Fonds tot delging der Staatsschuld. (Erratum, zie B.St. 01-07-1995, p. 18652)

  Art. 23. Artikel 1 van de wet van 2 augustus 1955 houdende opheffing van het Fonds tot delging der Staatsschuld, gewijzigd bij de wet van 28 juli 1992, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 1. Onder de benaming van "Amortisatiekas" wordt bij het ministerie van Financiėn een administratie ingesteld, die belast is met de inontvangstneming en de aanwending van de dotaties bestemd om, overeenkomstig de wetten en leningsovereenkomsten, de Staatsschuld af te kopen of terug te betalen.
  In het kader van de beheersverrichtingen van de Staatsschuld die een afkoop of omruiling van effecten meebrengen, wordt het aan de Amortisatiekas eveneens toegestaan om voorafgaand aan de datum van de terugbetaling van de leningen, bepaald door de wetten en leningsovereenkomsten, de dotaties in ontvangst te nemen en aan te wenden, verhoogd met de opgelopen intresten op de afgekochte of omgeruilde kapitalen wanneer deze intresten niet gekapitaliseerd zijn, bestemd voor die terugbetalingen en opgenomen of op te nemen op de Rijksschuldbegroting.
  De verrichtingen van de Amortisatiekas worden op de rekeningen voor orde van de Thesaurie geboekt en jaarlijks ter controle aan het Rekenhof voorgelegd."

  Art. 24. In dezelfde wet wordt een artikel 1bis ingevoegd, luidende : "Art. 1bis. Voor wat de gedematerialiseerde effecten betreft die uitsluitend op rekening zijn geboekt, kan de Koning, op de voorwaarden die Hij bepaalt, zo voordelig mogelijk voor de Schatkist en met eerbiediging van de eisen van de liquiditeit van de markt, de Amortisatiekas belasten met de rechtstreekse terugkoop van die effecten op de markten."

  Art. 25. Artikel 5 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 2 januari 1991 en 28 juli 1992, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 5. De geldmiddelen van de Amortisatiekas bestaan uit de dotaties, vermeerderd met de intresten der afgeschreven kapitalen, zoals zij jaarlijks in de Rijksschuldbegroting opgenomen worden, ter voldoening aan de wetten en leningsovereenkomsten.
  Indien de beheersverrichtingen een afkoop of omruiling van effecten van de Staatsschuld meebrengen in de loop van een jaar voorafgaand aan het jaar van terugbetaling bepaald door de wetten en leningsovereenkomsten, worden de aflossingsdotaties bestemd voor die verrichtingen opgenomen in de Rijksschuldbegroting als aflossingslasten, voortvloeiend uit beheersverrichtingen.
  In zover zij niet gekapitaliseerd zijn, worden de opgelopen intresten op de afgekochte of omgeruilde kapitalen opgenomen op bedoelde begroting ten laste van :
  1° de basisallocatie die betrekking heeft op de intrestuitgaven voortvloeiend uit beheersverrichtingen van de Staatsschuld en die geopend wordt in het kader van het organiek fonds "voorafneming op leningsopbrengsten bestemd om de uitgaven te dekken verricht in het kader van het beheer van de Staatsschuld", als de afkoop of de omruiling na de intrestvervaldag van de afgekochte of omgeruilde effecten gebeurt;
  2° een andere basisallocatie van intrest, in zover de verrichting van afkoop of van omruiling voor de intrestvervaldag van de afgekochte of omgeruilde effecten gebeurt.
  Indien de opgelopen intresten op de afgekochte of omgeruilde kapitalen gekapitaliseerd zijn, worden zij niet op de begroting aangerekend op het ogenblik van de verrichting van afkoop of van omruiling. Deze intrestuitgaven worden op de Rijksschuldbegroting geboekt ten laste van een basisallocatie van aflossing bij de terugbetaling van de leningen uitgegeven om deze verrichtingen uit te voeren of bij een latere terugkoop of omruiling van deze leningen."

  Art. 26. In dezelfde wet wordt een artikel 5bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 5bis. De verrichtingen van rechtstreekse terugkoop op de markten van gedematerialiseerde effecten die uitsluitend op rekening zijn geboekt, worden gelijkgesteld met beheersverrichtingen waarvan sprake in artikel 5, tweede lid."

  Art. 27. Artikel 6 van dezelfde wet wordt door de volgende bepaling vervangen :
  "Art. 6. De afkopen van de Amortisatiekas kunnen obligaties aan toonder, effecten aan order, gedematerialiseerde obligaties of inschrijvingen op naam betreffen.
  Zij kan de afgekochte effecten aan toonder bij de Rijkskassier in stand houden, opdat hij ze, zo nodig, tot de omzetting van inschrijvingen op naam bestemt.
  De effecten aan toonder worden vernietigd binnen de bij koninklijk besluit bepaalde termijnen in aanwezigheid van de beheerder van de Amortisatiekas of van zijn gemachtigde, van een gemachtigde van de commissie van toezicht en van een gemachtigde van het Rekenhof.
  Een proces-verbaal van de vernietiging wordt opgemaakt en een uittreksel ervan in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt."

  Art. 28. De artikelen 9, 11 en 12, tweede lid van dezelfde wet worden opgeheven.

  HOOFDSTUK III. - Wijziging in de wet van 10 juni 1964 op het openbaar aantrekken van spaargelden.

  Art. 29. Artikel 22, § 1, tweede lid van de wet van 10 juni 1964 op het openbaar aantrekken van spaargelden, gewijzigd bij de wet van 9 maart 1989, wordt door de volgende tekst vervangen :
  "Titel II van hetzelfde koninklijk besluit is evenwel niet van toepassing op het publiek te koop stellen, te koop aanbieden en verkopen van aandelen in coöperatieve vennootschappen die zijn erkend krachtens artikel 5 van de wet van 20 juli 1955, in zover deze aandelen voor de houder gelden als vereiste voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op de dienstverlening van deze coöperatieve vennootschappen. Deze uitzondering geldt ook voor het publiek te koop stellen, te koop bieden en verkopen van effecten van obligatieleningen uitgegeven door verenigingen zonder winstoogmerk en door instellingen van openbaar nut, in zover deze verrichtingen zijn bedoeld om hun de nodige middelen te verstrekken voor de verwezenlijking van hun onbaatzuchtige doeleinden. Dit lid is niet van toepassing op de opnemingen in de eerste markt van een Effectenbeurs."

  HOOFDSTUK IV. - Wijziging in de wet van 11 augustus 1987 houdende waarborg van werken uit edele metalen.

  Art. 30. Artikel 19, § 2, van de wet van 11 augustus 1987 houdende waarborg van werken uit edele metalen wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "§ 2. Met de benaming goud mogen slechts worden aangeduid de legeringen van dit metaal waarvan het gehalte hoger is dan 333 duizendsten.
  Met de benaming zilver of platina mogen slechts worden aangeduid de legeringen van die metalen waarvan het gehalte hoger is dan 500 duizendsten."

  HOOFDSTUK V. - Wijzigingen in de wet van 4 december 1990 op de financiėle transacties en de financiėle markten.

  Art. 31. Artikel 5, § 1, eerste lid, van de wet van 4 december 1990 op de financiėle transacties en de financiėle markten wordt vervangen door het volgende lid :
  "Een Effectenbeurs is een effectenmarkt voor openbare transacties, waar een ieder door bemiddeling van een tot de beurs toegelaten bemiddelaar, effecten bedoeld in artikel 1, § 1, die in deze markt zijn opgenomen, kan kopen of verkopen, met uitzondering van de effecten bedoeld in artikel 1, § 1, 5°, waarvoor andere markten zijn opgericht of ingericht ter uitvoering van artikel 67. Laatstgenoemde effecten mogen in afwijking van artikel 32 alleen in de notering van een effectenbeurs worden opgenomen op verzoek van de instellingen die belast zijn met het bestuur van de andere markten nadat het advies van de emittent omtrent de opneming ervan is ingewonnen."

  Art. 32. In artikel 39, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 28 juli 1992, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
  "De titel van effectenmakelaar wordt verleend aan alle kandidaten die onderdaan zijn van een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap volgens de voorwaarden bepaald in het reglement van de Beurs, overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn 89/48/E.E.G. van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, aangevuld met de richtlijn 92/51/E.E.G. van de wet van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen.

  Art. 33. Artikel 119ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 5 augustus 1992 en gewijzigd bij de wet van 6 juli 1994, wordt aangevuld met het volgende lid :
  "Als schuldvorderingen worden overgedragen aan een instelling voor belegging in schuldvorderingen in de zin van deze wet, dan verkrijgt deze instelling door de loutere naleving van de voorschriften van artikel 1690 Burgerlijk Wetboek alle rechten in verzekeringsovereenkomsten die aan de overdrager waren verleend als waarborg voor de overgedragen schuldvordering."

  Art. 34. In artikel 146, § 2, van dezelfde wet, worden tussen de woorden "in § 1 bedoeld beleggingsfonds" en de woorden "wordt de roerende voorheffing" de woorden ", niet zijnde een fonds voor belegging in schuldvorderingen," ingevoegd.

  Art. 35. Artikel 195 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 11 januari 1993, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 195. De Koning bepaalt :
  1° de regels betreffende de registratie van de in Belgiė gevestigde personen die beroepshalve verrichtingen uitvoeren als bedoeld in artikel 194, tweede lid, alsook de regelgeving en de controle die op hen toepasselijk zijn;
  2° de regels waaraan de in artikel 194 bedoelde deviezenverrichtingen zijn onderworpen.
  De personen bedoeld in het eerste lid, 1°, dienen over de noodzakelijke professionele betrouwbaarheid en de passende ervaring te beschikken voor de uitoefening van de activiteiten omschreven in artikel 194, tweede lid. Zij mogen zich niet in één van de gevallen bevinden als beschreven in artikel 19 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen.
  Wanneer het een vennootschap betreft, gelden de voornoemde voorwaarden voor de personen die de feitelijke leiding hebben.
  De registratie van de vennootschap wordt geweigerd indien de personen die, rechtstreeks of onrechtstreeks, een al dan niet stemrechtverlenende deelneming hebben van tenminste vijf percent in het kapitaal van de vennootschap niet geschikt zijn, gelet op een gezond en voorzichtig beleid.
  De Koning kan bepalen dat de registratie wordt geweigerd, herroepen of geschorst wanneer de personen als bedoeld in het eerste lid, 1°, niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden of de andere voorwaarden die Hij bepaalt.
  De Koning regelt de procedure van registratie, alsook van schorsing en herroeping van de registratie. Hij regelt het beroep bij de minister van Financiėn tegen een weigering van registratie en een schorsing of herroeping van de registratie. Het beroep schorst de beslissing tenzij deze, om ernstige redenen, uitvoerbaar is verklaard niettegenstaande elk beroep.
  De instelling belast met het toezicht op de personen bedoeld in het eerste lid, 1°, kan aan de instellingen bedoeld in artikel 194, eerste lid, 1° en 2°, vragen haar inlichtingen te verstrekken, binnen de termijn die zij vaststelt, betreffende de door die instellingen met deze personen verrichte transacties."

  HOOFDSTUK VI. - Wijziging in de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen.

  Art. 36. In het deel "51 - RIJKSSCHULD" van de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, gewijzigd bij de wetten van 6 augustus en 24 december 1993, wordt het 3° vervangen als volgt :
  "3° de betalingen als gevolg van wisselkoersschommelingen."

  HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen in de wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetair beleidsinstrumentarium.

  Art. 37. artikel 4, derde lid, van de wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetair beleidsinstrumentarium, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "2° bijzondere regels vaststellen voor het aanhouden op rekening, die gelden voor de instelling die rekeningen bijhoudt in verband met het beheer van een effectenclearingstelsel, en die betrekking hebben op het bijhouden op rekening van effecten bijeen andere gelijkaardige instelling, teneinde de overdracht van effecten tussen die effectenclearingstelsels te vergemakkelijken;"

  Art. 38. Het zevende en het achtste lid van artikel 10 van de wet van 4 december 1990 op de financiėle transacties en de financiėle markten, ingevoegd bij de wet van 6 augustus 1993 vormen het tweede en het derde lid van artikel 10 van de wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetair beleidsinstrumentarium.

  Art. 39. Artikel 12bis van de wet van 4 december 1990 op de financiėle transacties en de financiėle markten, ingevoegd bij de wet van 6 augustus 1993, vormt artikel 12bis van de wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetair beleidsinstrumentarium.

  HOOFDSTUK VIII. - Wijziging in de wet van 17 juni 1991 tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare sector in bepaalde privaatrechtelijke financiėle vennootschappen.

  Art. 40. In artikel 202, § 1, 2°, van de wet van 17 juni 1991 tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare sector in bepaalde privaatrechtelijke financiėle vennootschappen, worden de woorden ", met uitzondering van het mandaat van censor," ingevoegd tussen de woorden "van de Nationale Bank van Belgiė" en "en van de Nationale Delcrederedienst".

  HOOFDSTUK IX. - Wijzigingen in de wet van 22 juli 1991 betreffende de thesauriebewijzen en de depositobewijzen.

  Art. 41. In artikel 1 van de wet van 22 juli 1991 betreffende de thesauriebewijzen en de depositobewijzen, gewijzigd bij de wetten van 22 maart 1993 en 6 augustus 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "en de fondsen voor belegging in schuldvorderingen" ingevoegd na de woorden "hebben aangenomen" en worden de woorden ", die ten minste twee jaar bestaan," geschrapt;
  2° § 1, tweede lid, wordt aangevuld met de woorden "alsook de kredietinstellingen die onder een Lid-Staat van de Europese Gemeenschap ressorteren en op grond van hun nationaal recht depositobewijzen mogen uitgeven in hun land van herkomst en die in Belgiė hun werkzaamheden uitoefenen conform artikel 66 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen.";
  3° in § 1, derde lid, worden de woorden "die kleiner is dan acht jaar" geschrapt;
  4° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "§ 2. De Koning bepaalt de minimale financiėle vereisten waaraan de emittenten van thesauriebewijzen moeten voldoen."

  Art. 42. In artikel 2 van dezelfde wet worden de woorden "ten minste" ingevoegd tussen de woorden "moeten" en "elk semester".

  Art. 43. Artikel 3 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "Art. 3. De Belgische Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de gemeenten, de buitenlandse Staten en hun territoriale publiekrechtelijke lichamen alsook de internationale publiekrechtelijke instellingen mogen eveneens thesauriebewijzen uitgeven onder de voorwaarden bepaald bij deze wet. Artikel 1, § 2, artikel 2 en artikel 5 zijn op hen niet op van toepassing."

  Art. 44. Artikel 4, eerste lid, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt : "of overeenkomstig een gelijkwaardige wet in een andere LidStaat van de Europese Gemeenschap".

  Art. 45. In artikel 5 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, derde lid, worden de woorden "de overeenkomst van uitgifte" vervangen door de woorden "de algemene voorwaarden van het programma";
  2° § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "§ 2. Elk nieuw betekenisvol feit dat een invloed kan hebben op de beoordeling door de inschrijvers of de verkrijgers en zich voordoet in de loop van het uitgifteprogramma, moet in een aanvulling bij het prospectus worden meegedeeld. De aanvulling wordt ter controle en goedkeuring voorgelegd aan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen alvorens te worden verspreid.
  De volgende stukken worden als bijlage bij het prospectus gevoegd :
  1° het jaarverslag en de jaarrekening van de emittent over het laatste boekjaar;
  2° als ze recenter is, de halfjaarlijkse informatie bedoeld in artikel 2.";
  3° in § 4 worden de woorden "de overeenkomst van uitgifte" vervangen door de woorden "de algemene voorwaarden van het programma" en de woorden "dat de overeenkomst tot uitgifte tegenstelbaar wordt" door de woorden "dat ze kunnen worden tegengeworpen".

  HOOFDSTUK X. - Wijziging in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen.

  Art. 46. Artikel 40 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK XI. - Wijzigingen in de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten.

  Art. 47. In de Nederlandse tekst van artikel 4 van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in lid 1, 1°, wordt tussen de woorden "laste" en "de deelnemer" het woord "van" ingevoegd;
  2° in lid 1, 2°, worden de woorden "dag van de terugtrekking" vervangen door het woord "valutadag".

  Art. 48. In de Franse tekst van artikel 5, 2° van dezelfde wet worden de woorden "le précompte mobilier" vervangen door de woorden "la bonification égale au précompte mobilier".

  HOOFDSTUK XII.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 49.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 50.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 51.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 52.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 53.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 54.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 55.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 56.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 57.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 58.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 58bis.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 59.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 60.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 61.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 62.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 62bis.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Art. 63.
  <Opgeheven bij W 2017-07-31/11, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 4 april 1995.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Begroting,
H. VAN ROMPUY
De Minister van Financiėn,
Ph. MAYSTADT
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. WATHELET

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Erratum Tekst Begin

originele versie
1995003450
PUBLICATIE :
1995-07-01
bladzijde : 18651

Errata



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 31-07-2017 GEPUBL. OP 11-08-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 49-63)
  • originele versie
  • WET VAN 02-05-2002 GEPUBL. OP 11-12-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 58) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • WET VAN 10-12-2001 GEPUBL. OP 20-12-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 50; 51; 55; 57; 58)
  • originele versie
  • WET VAN 26-06-2000 GEPUBL. OP 20-09-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 58BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2000 GEPUBL. OP 30-08-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 61)
  • originele versie
  • WET VAN 04-02-1999 GEPUBL. OP 06-04-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 62BIS)
  • ARREST ARBITRAGEHOF VAN 11-12-1996 GEPUBL. OP 19-12-1996
    (GEWIJZIGDE ART. : 4; 10)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 1994-1995. Senaat. Parlementaire stukken. - Ontwerp van wet, nr. 1304/1. - Verslag, nr. 1304/2. - Amendementen, nrs. 1304/3 tot 7. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. - Vergaderingen van 8 en 14 maart 1995. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire stukken. - Ontwerp overgezonden door de Senaat, nr. 1747/1. - Verslag, nr. 1747/3. - Amendementen, nrs. 1747/2 en 4. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. - Vergadering van 28 maart 1995.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 11 uitvoeringbesluiten 4 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie