J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 155 uitvoeringbesluiten 32 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1994/04/15/1994025189/justel

Titel
15 APRIL 1994. - Wet betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle
(NOTA : art. 67 gewijzigd met ingang in de toekomst bij W 2017-05-07/07, art. 13, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2021)
(NOTA : artikelen gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij W 2019-04-05/27, art. 2-4; Inwerkingtreding : onbepaald)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 07-09-1995 en tekstbijwerking tot 21-05-2019)

Bron : VOLKSGEZONDHEID EN LEEFMILIEU.TEWERKSTELLING EN ARBEID
Publicatie : 29-07-1994 nummer :   1994025189 bladzijde : 19537       PDF : geconsolideerde versie
Dossiernummer : 1994-04-15/36
Inwerkingtreding :
14-03-1997 (ART. 1 - ART. 2)     (ART. 35 - ART. 36)     (ART. 38)     (ART. 40)     (ART. 42)     (ART. 48)
02-11-1997 (ART. 3)     (ART. 49)
01-01-1998 (ART. 12)     (ART. 32 - ART. 34)     (ART. 39)     (ART. 41)     (ART. 43 - ART. 47)
onbepaald (ART. (54))


Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1978072008        1958032903       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 1, 1bis, 2, 2bis, 2ter
HOOFDSTUK II. - Bevoegde overheid.
Art. 3-9, 9bis, 10, 10bis, 10ter, 10quater, 10quinquies, 10sexies, 10septies, 11-13
HOOFDSTUK III. - Opdrachten van het agentschap.
Afdeling 1. - [1 Algemene opdrachtomschrijving]1
Art. 14, 14bis, 14ter, 14quater, 15, 15bis, 15ter
Afdeling 2. - [1 Bevoegdheid inzake de vergunning van inrichtingen]1
Art. 16, 16/1, 17
Afdeling 3. - [1 Bevoegdheid inzake fysieke beveiliging van kernmateriaal]1
Art. 17bis, 17ter
Afdeling 3bis. [1 - Bevoegdheid op het gebied van de beveiliging van de radioactieve stoffen met uitzondering van het kernmateriaal]1
Art. 17quater
Afdeling 3ter. [1 - Bevoegdheid inzake de beveiliging van toestellen of installaties die ioniserende straling uitzenden die niet van radioactieve stoffen afkomstig is]1
Art. 17quinquies
Afdeling 4 . - [1 Bevoegdheid inzake het vervoer van radioactieve stoffen]1
Art. 18
Afdeling 5. - [1 Bevoegdheid inzake toezicht op kernmateriaal, alsook documenten of gegevens die er betrekking op hebben]1
Art. 18bis, 18ter
Afdeling 6. - [1 Bevoegdheid inzake medische toepassingen, toezicht in de inrichtingen en voedingsmiddelen]1
Art. 19-20
Afdeling 7. - [1 Bevoegdheid inzake het toezicht op het grondgebied]1
Art. 21
Afdeling 8. - [1 Bevoegdheid inzake noodplanning]1
Art. 22
Afdeling 9. - [1 Bevoegdheid inzake documentatie, onderzoek en ontwikkeling]1
Art. 23
Afdeling 10. - [1 Initiatiefrecht inzake het voorstellen van maatregelen]1
Art. 24, 24bis
Afdeling 11. - [1 Bevoegdheid inzake toezicht op de opleiding, de informatie en de bescherming van de werknemers]1
Onderafdeling 1. - [1 Algemene bevoegdheid inzake toezicht op de opleiding, de informatie en de bescherming van de werknemers]1
Art. 25
Onderafdeling 2. - [1 Bevoegdheid inzake het dosimetrisch toezicht]1
Art. 25/1, 25/2, 25/3, 25/4, 25/5, 25/6, 25/7, 25/8, 25/9, 25/10, 25/11, 25/12, 25/13, 25/14, 25/15
Afdeling 12. - [1 Bevoegdheid inzake verspreiding van informatie]1
Art. 26
Afdeling 13. - [1 Bevoegdheid inzake arbitrage]1
Art. 27
Hoofdstuk IIIbis. [1 De organisatie van de dienst medische stralingsfysica]1
Art. 27bis, 27ter
HOOFDSTUK IIIter. [1 - Milieueffectbeoordeling.]1
Art. 27/3, 27/4, 27/5, 27/6, 27/7, 27/8, 27/9, 27/10
HOOFDSTUK IV. [1 - De organisatie van de fysische controle]1
Art. 28-29, 29bis, 30
HOOFDSTUK V. - Middelen, begroting, rekeningen.
Art. 30bis, 30bis/1, 30bis/2, 30bis/3, 30bis/4, 30ter, 30quater, 30quinquies, 31-34
HOOFDSTUK VI. - Bestuur van het Agentschap.
Art. 35-46, 46bis, 47-48
HOOFDSTUK VII. - Sancties. <Het hoofdstuk VII, bestaande uit de artikelen 49, 49bis en 50 wordt vervangen door een nieuw hoofdstuk VII, bestaande uit de nieuwe artikelen 49 tot 64, bij W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008>
Afdeling I. - Algemene bepaling. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008>
Art. 49
Afdeling II. - Strafsancties. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008>
Art. 50-52
Afdeling III. - Administratieve boetes. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008>
Onderafdeling I. - Administratieve procedure. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008>
Art. 53-61
Onderafdeling II. - Administratieve vereenvoudigde procedure. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008>
Art. 62-64
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen.
Art. 65-67
Art. 67 TOEKOMSTIG RECHT
Art. 68-69
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Artikel 1.Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsmaatregelen wordt verstaan onder :
  - ioniserende stralingen : stralingen samengesteld uit fotonen of deeltjes welke in staat zijn direct of indirect de vorming van ionen te veroorzaken;
  - radioactieve stof : elke stof [5 of elk materiaal die/dat]5 één of meer radionucliden bevat waarvan de activiteit of de concentratie om redenen van stralingsbescherming niet mag worden verwaarloosd;
  - bevoegde overheid : (de overheid aangewezen krachtens deze wet en krachtens haar uitvoeringsbesluiten); <W 2003-04-02/38, art. 2, 009; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
  - algemeen reglement : [4 - algemeen reglement : het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen;]4
  - [6 instelling voor fysische controle: instelling die krachtens artikel 29bis erkend is om opdrachten van de dienst voor fysische controle uit te voeren;]6
  - dienst voor fysische controle : [6 de dienst die krachtens artikel 28 belast is met de fysische controle;]6
  - het Agentschap : de openbare instelling opgericht door deze wet voor de nucleaire controle;
  [6 - handeling : menselijke verrichting die een bijkomende blootstelling van bepaalde personen aan ioniserende stralingen met zich mee kan brengen; deze kunnen afkomstig zijn van een kunstmatige of van een natuurlijke stralingsbron, wanneer de natuurlijke radionucliden worden bewerkt omwille van hun radioactieve, splijt- of kweekeigenschappen. Blootstelling bij een noodgeval is hier niet inbegrepen;]6
  [6 - fysische controle : het geheel van maatregelen, uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder, met als doel te verifiëren dat de bevolking, de werknemers en het leefmilieu op afdoende wijze worden beschermd tegen het gevaar van ioniserende stralingen en dat de veiligheidsrisico's op afdoende wijze worden beheerst, met uitzondering van :
   a) de maatregelen betreffende het gezondheidstoezicht op beroepshalve aan ioniserende straling blootgestelde personen;
   b) de maatregelen betreffende het toezicht op de medische blootstelling van personen;
   c) de fysieke beveiligingsmaatregelen;
   d) de beveiligingsmaatregelen voor radioactieve stoffen;]6
  [6 - gezondheidstoezicht op de werknemers : het toezicht op het geheel van maatregelen ter waarborging van de gezondheid van de werknemers, genomen met toepassing van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en genomen onder de verantwoordelijkheid van een krachtens deze wet erkende arts;]6
  [6 - vergunninghouder : houder van een vergunning afgeleverd met toepassing van artikel 16 of van een erkenning afgeleverd met toepassing van artikel 4;]6
  (- kernmateriaal : de volgende bijzondere splijtbare producten en kerngrondstoffen :
  a) de bijzondere splijtbare producten zijn plutonium 239, uranium 233, uranium verrijkt in uranium 235 of 233 : elk product dat één of meerdere van de hierboven vermelde isotopen bevat.
  Uranium verrijkt in uranium 235 of 233 is uranium dat hetzij uranium 235 bevat hetzij uranium 233, dan wel deze beide isotopen in een zodanige hoeveelheid dat de verhouding tussen de som van beide isotopen en de isotoop 238 groter is dan de verhouding tussen de isotoop 235 en de isotoop 238 in natuurlijk uranium;
  b) de kerngrondstoffen zijn het uranium dat een mengeling aan isotopen bevat die in de natuur voorkomen en uranium verarmd in uranium 235; thorium; de voornoemde materialen onder de vorm van metaal, legering, de chemische verbindingen of concentraten;
  - nationaal nucleair vervoer : het vervoer, met om het even welk vervoermiddel, van kernmateriaal dat geconditioneerd is met het oog op een zending, wanneer dit uitsluitend binnen Belgisch grondgebied plaatsvindt;
  - internationaal nucleair vervoer : het vervoer, met om het even welk vervoermiddel, van kernmateriaal, dat geconditioneerd is met het oog op een zending, dat de grenzen van het grondgebied moet overschrijden, te rekenen vanaf het vertrek uit de installatie van de expediteur in de Staat van oorsprong tot de aankomst in een installatie van de geadresseerde op het grondgebied van de Staat van eindbestemming;
  - fysieke beveiligingsmaatregelen : alle administratieve, organisatorische en technische maatregelen met als doel het beschermen van kernmateriaal tijdens de productie, het gebruik, de opslag of het vervoer tegen de risico's van ongeoorloofd bezit en diefstal en het beschermen van kernmateriaal tijdens de productie, het gebruik, de opslag alsook de nucleaire installaties, het nationaal en internationaal nucleair vervoer tegen de risico's van sabotage. De genoemde maatregelen hebben eveneens tot doel [1 de nucleaire documenten ]1 te beschermen tegen voornoemde handelingen;
  [5 - beveiligingsmaatregelen voor radioactieve stoffen: alle administratieve, organisatorische en technische maatregelen, met als doel:
   a) om de radioactieve stoffen, met uitzondering van het kernmateriaal, tijdens de productie, het gebruik, de opslag of het vervoer tegen de risico's van ongeoorloofd bezit en diefstal te beschermen;
   b) om wat volgt tegen de risico's van sabotage of elk kwaadwillig gebruik te beschermen:
   1) de radioactieve stoffen, met uitzondering van het kernmateriaal, tijdens de productie, het gebruik of de opslag ervan;
   2) de inrichtingen waar deze stoffen worden geproduceerd, vervaardigd, gehouden of gebruikt, alsook hun vervoer;]5
  [5 - beveiligingsmaatregelen voor toestellen of installaties die ioniserende straling uitzenden die niet van radioactieve stoffen afkomstig is: alle administratieve, organisatorische en technische maatregelen met als doel:
   a) om voormelde toestellen of installaties tegen de risico's van ongeoorloofd bezit en diefstal te beschermen;
   b) om wat volgt tegen de risico's van sabotage of elk kwaadwillig gebruik te beschermen:
   1) voornoemde toestellen of installaties, alsook het vervoer van deze toestellen of installaties;
   2) de inrichtingen waar deze toestellen of installaties zich bevinden.]5
  - sabotage : [5 alle opzettelijke handelingen:
   a) die zijn gericht tegen:
   1) kernmateriaal tijdens de productie, het gebruik, de opslag of het vervoer ervan;
   2) nucleaire installaties;
   3) het nationaal of internationaal nucleair vervoer;
   4) radioactieve stoffen, met uitzondering van het kernmateriaal, tijdens de productie, het gebruik, de opslag of het vervoer ervan;
   5) inrichtingen of delen van inrichtingen waar radioactieve stoffen worden geproduceerd, vervaardigd, gehouden of gebruikt;
   6) toestellen of installaties die ioniserende straling uitzenden die niet van radioactieve stoffen afkomstig is;
   7) het vervoer van toestellen of installaties die ioniserende straling uitzenden die niet van radioactieve stoffen afkomstig is;
   8) inrichtingen, delen van inrichtingen en plaatsen waar zich toestellen of installaties bevinden die ioniserende straling uitzenden die niet van radioactieve stoffen afkomstig is;
   en
   b) die op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze de gezondheid en veiligheid van het personeel, de bevolking en het milieu in gevaar kunnen brengen door een blootstelling aan straling, of de uitstoot van radioactieve stoffen]5;
  - [2 ...]2.
  [3 - vermogensreactor een kernreactor, ontworpen voor de productie van elektriciteit, die vergund is of werd als inrichting van klasse I met toepassing van de regelgeving inzake de bescherming tegen ioniserende stralingen en waarvoor nog geen ontmantelingsvergunning werd afgeleverd.]3
  [4 - beroepshalve blootgestelde persoon : iedere natuurlijke persoon die ingevolge zijn beroepsactiviteiten, een blootstelling aan ioniserende stralingen ondergaat die kan leiden tot de overschrijding van één van de dosislimieten vastgesteld voor de personen van het publiek;
   - aan dosimetrisch toezicht onderworpen persoon : iedere natuurlijke persoon die activiteiten van ongeacht welke aard uitvoert waarbij hij/zij een blootstelling aan ioniserende stralingen ondergaat die kan leiden tot de overschrijding van één van de dosislimieten vastgesteld voor de personen van het publiek;
   - exploitant : elke natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de inrichting onderhevig aan de vergunnings- of aangifteplicht overeenkomstig de bepalingen die voortvloeien uit artikel 17;
   - externe onderneming : elke natuurlijke of rechtspersoon, die activiteiten van om het even welke aard verricht in een inrichting onderhevig aan de vergunnings- of aangifteplicht overeenkomstig de bepalingen die voortvloeien uit artikel 17, waarbij één van de dosislimieten vastgesteld voor de personen van het publiek zou kunnen overschreden worden, met uitzondering van de exploitant van die inrichting, en zijn personeelsleden;
   - erkende geneesheer : de preventieadviseur-arbeidsgeneesheer werkzaam in een interne of externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, deskundig op gebied van arbeidsgeneeskunde overeenkomstig de bepalingen van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, en de uitvoeringsbesluiten ervan en die bovendien erkend is overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen genomen op grond van de artikelen 3 en 19;
   - externe werker : iedere aan dosimetrisch toezicht onderworpen persoon, die een opdracht met blootstellingsrisico uitvoert bij een exploitant, ongeacht of hij dit doet als tijdelijk of vast werknemer van een externe onderneming, of als zelfstandige;
   - opdracht met blootstellingsrisico : de activiteit van ongeacht welke aard, van een externe werker bij een exploitant, waarbij één van de dosislimieten vastgesteld voor de personen van het publiek zou kunnen overschreden worden;
   - blootstellingsregister : het gecentraliseerd registratiesysteem bedoeld in artikel 25/2, dat de dosimetriegegevens van aan dosimetrisch toezicht onderworpen personen bevat;
   - stralingspaspoort : het individueel document opgesteld voor externe werkers, dat toelaat om hun dosimetrisch toezicht te verzekeren tijdens de opdrachten met blootstellingsrisico uitgevoerd in het buitenland;
   - beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg : de beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg bedoeld in artikel 7, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, zoals aangesteld binnen het Agentschap. Zolang geen uitvoering wordt gegeven aan de voormelde bepaling van de wet van 8 december 1992, wordt begrepen onder 'beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg' : de persoon die houder is van het wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde;
   - consulent inzake informatieveiligheid en bescherming van de persoonlijke levenssfeer : de consulent bedoeld in artikel 4, § 5, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, zoals aangewezen binnen het Agentschap;
   - verantwoordelijke voor de verwerking : de persoon bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, in casu het Agentschap;
   - vestigingseenheid : een plaats die men geografisch gezien kan identificeren door een adres, waar ten minste een activiteit van de onderneming wordt uitgeoefend of waaruit de activiteit wordt uitgeoefend;
   - werknemer : de werknemer bedoeld in artikel 2, § 1, eerste en tweede lid, 1°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
   - werkgever : de werkgever bedoeld in artikel 2, § 1, eerste en tweede lid, 2°, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk;
   - dosimetrisch toezicht : het dosimetrisch toezicht zoals bedoeld in artikel 30.6 van het Algemeen reglement;
   - authentieke bronnen : het Rijksregister opgericht bij de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, de Kruispuntbank der ondernemingen opgericht bij wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, en de Registers van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (Bis-register en Register van de geschrapten) opgericht bij wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
   - anonieme gegevens : de gegevens die niet met een geïdentificeerd of identificeerbaar persoon in verband kunnen worden gebracht en derhalve geen persoonsgegevens zijn;]4
  [7 - "de wet van 7 april 2019": de wet van 7 april 2019 tot vaststelling van een kader voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen van algemeen belang voor de openbare veiligheid;]7
  [8 - 'functionaris voor gegevensbescherming' : de door het Agentschap aangewezen functionaris met toepassing van artikel 37,1, a) van verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van gegevensbescherming en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG.]8
  ----------
  (1)<W 2011-03-30/11, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-10-2011>
  (2)<W 2014-03-19/26, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>
  (3)<W 2014-05-15/59, art. 2, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (4)<W 2014-01-26/17, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  (5)<W 2017-12-13/15, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 08-01-2018>
  (6)<W 2017-05-07/07, art. 2, 025; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (7)<W 2019-04-07/15, art. 85, 029; Inwerkingtreding : 03-05-2019>
  (8)<W 2019-04-22/22, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 1bis.<Ingevoegd bij W 2003-04-02/38, art. 3; Inwerkingtreding : 01-06-2003> Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten wordt, inzake de fysieke beveiligingsmaatregelen verstaan onder :
  - nucleaire installaties : alle installaties waar kernmateriaal wordt geproduceerd, gebruikt en opgeslagen.
  [1 - Categorisering : toekenning van een fysieke beveiligingsgraad aan het kernmateriaal, de nucleaire documenten en de veiligheidszones.
   - Veiligheidsrang : fysieke beveiligingsgraad toegekend aan kernmateriaal, veiligheidszones en nucleaire documenten.
   - Nucleair document : elke geregistreerde informatie, ongeacht haar vorm, behandeling, juridische aard of fysische eigenschappen, waaraan een veiligheidsrang werd toegekend en die betrekking heeft op kernmateriaal dat geproduceerd, gebruikt, opgeslagen of vervoerd wordt, of op fysieke beveiligingsmaatregelen die werden opgesteld om het kernmateriaal en de kerninstallaties, evenals het vervoer van kernmateriaal te beschermen, met uitzondering van :
   a) de documenten die het nationaal of internationaal vervoer van kernmateriaal uit hoofde van de van kracht zijnde regelgeving moeten begeleiden;
   b) de geclassificeerde documenten overeenkomstig de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen;
   c) de documenten die tot stand kwamen in het kader van de fysieke beveiligingsmaatregelen en die andere persoonlijke gegevens bevatten dan de naam, voornaam van een persoon, de vermelding van het niveau van zijn veiligheidsmachtiging of de aanduiding van het gecategoriseerd kernmateriaal, de veiligheidszones en de nucleaire documenten waartoe hij uit hoofde van deze wet toegang heeft.
   - Veiligheidszone : elke plaats van een kerninstallatie of een nucleair vervoerbedrijf - met inbegrip van de nucleaire transportvoertuigen - waaraan een veiligheidsrang wordt toegekend, of waar zich het volgende bevindt :
   a) kernmateriaal waaraan een veiligheidsrang werd toegekend;
   of
   b) nucleaire documenten;
   of
   c) uitrustingen, systemen of voorzieningen of om het even welk ander element waarvan de sabotage een rechtstreekse of onrechtstreekse radiologische impact kan hebben die de internationaal erkende radiologische normen voor de werknemers, de bevolking of het leefmilieu overschrijdt.]1
  ----------
  (1)<W 2011-03-30/11, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 01-10-2011>

  Art. 2. Er wordt een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid opgericht " Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle ", afgekort F.A.N.C.
  De zetel ervan is gevestigd in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
  Onverminderd de bepalingen van de artikelen 32 tot 34 van deze wet, valt het Agentschap onder de toepassing van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op bepaalde instellingen van openbaar nut.
  In artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op bepaalde instellingen van openbaar nut, worden in de categorie C, op hun plaats in de alfabetische volgorde, ingevoegd de woorden : " Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle ".

  Art. 2bis.<Ingevoegd bij W 2003-04-02/38, art. 4; Inwerkingtreding : 01-06-2003> De wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur is niet van toepassing op kernmateriaal en alle daarop betrekking hebbende documenten en gegevens.
  ----------
  (1)<W 2011-03-30/11, art. 4, 017; Inwerkingtreding : 01-10-2011>

  Art. 2ter. [1 De regering keurt, op voorstel van het Agentschap, een nationale beleidsverklaring goed met betrekking tot nucleaire veiligheid, nucleaire beveiliging en stralingsbescherming, gebaseerd ten minste op de volgende algemene uitgangspunten :
   - het rechtvaardigingsprincipe en de prioriteit aan nucleaire veiligheid en beveiliging;
   - de permanente verbetering in een internationaal kader;
   - een transparante communicatie;
   - het veilig beheer van het radioactief afval;
   - de gelaagde bescherming;
   - de lange termijn visie.
   De regering zendt de in het eerste lid bedoelde verklaring over aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-05-07/07, art. 3, 025; Inwerkingtreding : 01-04-2018>
  

  HOOFDSTUK II. - Bevoegde overheid.

  Art. 3. (Nota : Inwerkintreding vastgesteld op 02-11-1997, enkel wat uitvoer betreft, door KB 1997-10-02/36, art. 1) De Koning kan, met uitsluiting van de gemeentelijke overheid, maatregelen nemen ter bescherming van de werknemers, de volksgezondheid of het leefmilieu.
  Deze maatregelen hebben betrekking op de voorwaarden verbonden aan het invoeren, het uitvoeren, het produceren, het vervaardigen, het bezit, (het vervoeren,) het doorvoeren, het te koop aanbieden, het verkopen, het afstand doen onder bezwarende titel of om niet, het verdelen en het gebruiken met commercieel, industrieel, wetenschappelijk, medisch of enig ander oogmerk, van apparaten, installaties of stoffen die ioniserende stralingen kunnen verspreiden. Deze voorwaarden, verbonden aan voormelde activiteiten kunnen ook slaan op de toebehoren van apparaten en installaties en op de software die dient om de veiligheid en de werking van deze apparaten en installaties te verzekeren. <W 2003-04-02/38, art. 5, 009; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
  De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de voorwaarden, de beperkingen en de nadere regelen volgens welke het Agentschap de opdrachten vervult bepaald in de artikelen 19 en 20.
  Hij kan eveneens de verwijdering en de ontruimng van radioactieve stoffen reglementeren.
  De Koning kan de nadere regelen bepalen volgens welke de gemeentelijke overheden worden geïnformeerd.

  Art. 4. Onverminderd de bepalingen van artikel 8 mogen de in artikel 3 genoemde apparaten en stoffen enkel vervoerd worden door personen daartoe erkend door het Agentschap. De Koning regelt, na advies van het Agentschap, de wijze van erkenning.

  Art. 5. De bevoegde overheid kan te allen tijde de beslissingen schorsen en vernietigen van gedecentraliseerde besturen die rechtstreeks of onrechtstreeks een invloed hebben op het vervoer van radioactieve stoffen of van apparaten die deze stoffen bevatten.

  Art. 6. Wanneer een onvoorziene gebeurtenis de volksgezondheid en het leefmilieu in gevaar brengt, is de Koning, met uitsluiting van de gemeentelijke overheid, gemachtigd tegenover de producenten, fabricanten, houders, vervoerders of gebruikers van apparaten of stoffen die ioniserende stralingen kunnen verspreiden, alle door de omstandigheden vereiste maatregelen te treffen, met het oog op de bescherming van de bevolking of het leefmilieu.
  In dezelfde omstandigheden en met hetzelfde doel is de Koning, met uitsluiting van de gemeentelijke overheid, eveneens gemachtigd alle passende maatregelen te nemen om de gevaren te weren, die kunnen ontstaan uit de toevallige besmetting van om het even welke omgevingen, stoffen of produkten door radioactieve stoffen.

  Art. 7.De Koning wijst de personen aan die belast zijn met het toezicht op de naleving van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten, wat betreft [1 het gezondheidstoezicht op de werknemers]1 en de arbeidshygiënische omstandigheden.
  ----------
  (1)<W 2014-01-26/17, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >

  Art. 8. De Koning wijst de personen aan die belast zijn met de opdrachten bedoeld in de artikelen 7 en 14 :
  1. (Op het militair domein, met dien verstande dat het Agentschap belast is met het toezicht en de controle op de naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten op de plaatsen waar personen die geen deel hebben aan de landsverdediging, noch behoren tot een vreemde Krijgsmacht, op regelmatige wijze aanwezig zijn); <W 2003-04-02/38, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
  2. op alle andere door Hem aangewezen plaatsen, waar apparaten of stoffen worden geproduceerd, vervaardigd, gehouden of gebruikt die ioniserende stralingen kunnen verspreiden en die voor de behoeften van de krijgsmacht moeten dienen;
  3. naar aanleiding van de door de minister van Landsverdediging bevolen of vergunde transporten van bovenvermelde apparaten en stoffen.

  Art. 9.[1 § 1. Onverminderd de ambtsbevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie bedoeld in artikel 8 van het Wetboek van strafvordering, zien de daartoe door de Koning aangewezen statutaire en contractuele personeelsleden van het Agentschap toe op de naleving van de verordeningen van de Europese Unie die behoren tot de bevoegdheden van het Agentschap, van de bepalingen van deze wet, van de uitvoeringsbesluiten ervan, alsook op de naleving van de voorwaarden opgenomen in de vergunningen, toelatingen of erkenningen in uitvoering van deze bepalingen, en worden zij belast met de begeleiding overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de wet van 20 juli 1978 houdende geëigende beschikkingen teneinde de Internationale Organisatie voor Atoomenergie toe te laten inspectie- en verificatiewerkzaamheden door te voeren op Belgisch grondgebied in uitvoering van het Internationaal Akkoord van 5 april 1973 bij toepassing der §§ 1 en 4 van artikel III van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens [2 en artikel 12, § 5, van de wet van 1 juni 2005 betreffende de toepassing van het Aanvullend Protocol van 22 september 1998 bij de Internationale Overeenkomst van 5 april 1973 ter uitvoering van artikel III, leden 1 en 4, van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens]2.
   § 2. De overeenkomstig § 1 aangewezen personeelsleden worden "nucleaire inspecteurs" genoemd.
   § 3. De overeenkomstig § 1 aangewezen personeelsleden leggen, voorafgaand aan de uitoefening van hun functie, de eed af, in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie, in handen van de minister die toezicht uitoefent op het Agentschap of van zijn afgevaardigde.
   § 4. De nucleaire inspecteurs kunnen hun bevoegdheden uitoefenen op het gehele Belgische grondgebied, doch slechts met het oog op het toezicht op de uitvoering van de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbepalingen ervan, alsook op de naleving van de voorwaarden opgenomen in de vergunningen, toelatingen of erkenningen in uitvoering van deze bepalingen, de wet van 20 juli 1978 houdende geëigende beschikkingen teneinde de Internationale Organisatie voor Atoomenergie toe te laten inspectie- en verificatiewerkzaamheden door te voeren op Belgisch grondgebied in uitvoering van het Internationaal Akkoord van 5 april 1973 bij toepassing der §§ 1 en 4 van artikel III van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens, de wet van 1 juni 2005 betreffende de toepassing van het Aanvullend Protocol van 22 september 1998 bij de Internationale Overeenkomst van 5 april 1973 ter uitvoering van artikel III, leden 1 en 4, van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens en de artikelen 477 tot en met 477sexies en 488bis [2 tot 488quinquies]2 van het Strafwetboek.
   § 5. Een geactualiseerde nominatieve lijst van de overeenkomstig § 1 aangewezen personeelsleden wordt ten minste om de twee jaar in de vorm van een ministerieel besluit bekendgemaakt.
   De overeenkomstig § 1 toegewezen bevoegdheden kunnen door de Koning worden ontnomen.]1
  ----------
  (1)<W 2014-03-19/26, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>
  (2)<W 2017-12-13/15, art. 3, 026; Inwerkingtreding : 08-01-2018>

  Art. 9bis. [1 § 1. In afwijking van de mogelijkheid tot toepassing van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, hebben de in artikel 9 bedoelde personeelsleden het recht waarschuwingen te geven en een termijn te bepalen waarbinnen de overtreder zich in regel moet stellen.
   Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden.
   Wanneer de dag waarop de termijn om zich in regel te stellen verstrijkt een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de vervaldag verschoven naar de eerstvolgende werkdag.
   § 2. De in artikel 9 bedoelde personeelsleden kunnen de inbreuken op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, alsook op de voorwaarden opgenomen in de vergunningen, toelatingen of erkenningen in uitvoering van deze bepalingen, vaststellen bij proces-verbaal dat geldt tot het tegendeel wordt bewezen voor zover een afschrift ervan ter kennis gebracht wordt van de vermoedelijke dader van de inbreuk, binnen een termijn van zestig dagen die aanvangt de dag na de vaststelling van de inbreuk. Indien deze termijn niet wordt gerespecteerd, dan geldt het proces-verbaal ten titel van inlichting.
   § 3. Bij het opmaken van de processen-verbaal kunnen de door hen verrichte materiële vaststellingen, met bewijskracht, gebruikt worden door andere nucleaire inspecteurs, andere inspectiediensten of door statutaire of contractuele personeelsleden belast met het toezicht op de naleving van andere wetgevingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-03-19/26, art. 4, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>

  Art. 10.[1 § 1. De in artikel 9 bedoelde personeelsleden, voorzien van bewijsstukken ter rechtvaardiging van hun ambt, beschikken over de hierna volgende toezichtbevoegdheden bij de uitoefening van hun opdracht, en dit zowel in het kader van de administratieve afhandelingsbevoegdheid als in het kader van de vaststelling van inbreuken bij proces-verbaal :
   1° zij hebben te allen tijde, zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang tot vervoermiddelen, fabrieken, opslagplaatsen, ziekenhuizen en, meer in het algemeen, alle inrichtingen waar toestellen of stoffen die ioniserende stralingen kunnen verspreiden, geproduceerd, vervaardigd, gehouden of gebruikt worden, evenals elke plaats waarvan zij redelijkerwijze kunnen vermoeden dat ofwel voormelde toestellen of stoffen, onderworpen aan de bepalingen van de wetgevingen waarop zij toezicht uitoefenen, aanwezig zijn ofwel bewijzen van het bestaan van een inbreuk kunnen aangetroffen worden. Tot bewoonde lokalen of andere ruimten en plaatsen die daadwerkelijk als woning zijn ingericht en als dusdanig worden gebruikt, hebben ze evenwel enkel toegang mits voorafgaande machtiging van de onderzoeksrechter. Een machtiging tot visitatie kan worden bekomen voor de toegang tot de bewoonde ruimten na 21 uur en voor 5 uur mits een met bijzondere redenen omkleed verzoek gericht aan de onderzoeksrechter;
   2° zij kunnen stoffen of een monster ervan aan een onderzoek of een analyse laten onderwerpen. De kosten zijn ten laste van de exploitant of houder van de stoffen, met toepassing van artikel 31, § 3;
   3° zij kunnen, onverminderd de toepassing van artikel 47bis van het Wetboek van strafvordering en van artikel 2bis, § 2, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, overgaan tot het ondervragen, hetzij alleen, hetzij in aanwezigheid van getuigen, van de exploitant of het ondernemingshoofd, zijn aangestelden of mandatarissen, de werknemers of de externe werknemers, evenals van alle personen van wie ze het verhoor noodzakelijk achten, over elke aangelegenheid waarvan de kennis nuttig is voor de uitoefening van het toezicht. Het verhoor wordt al naargelang het geval in een inspectieverslag dan wel in een proces-verbaal van verhoor opgetekend;
   4° zij kunnen de identiteit opnemen van de personen die zich bevinden op de plaatsen die aan hun controle onderworpen zijn en van wie ze redelijkerwijze kunnen vermoeden dat ze exploitanten, ondernemingshoofden, aangestelden of mandatarissen, werknemers of externe werknemers zijn, evenals van alle personen van wie ze het verhoor noodzakelijk achten voor het uitoefenen van het toezicht. Daartoe kunnen ze van deze personen de overlegging vorderen van officiële identiteitsdocumenten. Zij kunnen bovendien deze personen identificeren door middel van niet-officiële documenten die deze hen spontaan voorleggen wanneer deze personen niet bij machte zijn om officiële identiteitsdocumenten voor te leggen of wanneer de in artikel 9 bedoelde personeelsleden aan de authenticiteit ervan of aan de identiteit van deze personen twijfelen;
   5° zij kunnen zich ter plaatse alle inlichtingen doen verschaffen of op hun verzoek en zonder verplaatsing alle boeken, registers, documenten, schijven, magneetbanden of om het even welke andere informatiedrager die zij voor hun onderzoeken nuttig achten, laten voorleggen en er uittreksels, duplicata, afdrukken, uitdraaien, kopieën of fotokopieën van nemen of ze kosteloos laten bezorgen of, tegen ontvangstbewijs, beslag leggen op om het even welke voormelde informatiedrager. De originele drager van de informatie moet worden bewaard op het Agentschap totdat een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest is uitgesproken, het dossier is geseponeerd of de administratieve boete, opgelegd overeenkomstig de artikelen 53 tot 62, is betaald;
   6° zij kunnen alle voor hun onderzoek nuttige informatiedragers, die zich bevinden in de inrichtingen of op de andere plaatsen die aan hun toezicht onderworpen zijn, opsporen en onderzoeken;
   7° zij kunnen vaststellingen doen door het maken van foto's, afdrukken en film- of video-opnames, met uitsluiting van de vaststellingen die de vorm aannemen van observaties in de zin van artikel 47sexies en volgende van het Wetboek van strafvordering of van een telefoontap in de zin van artikel 90ter en volgende van het Wetboek van strafvordering.
   Zij kunnen eveneens beeldmateriaal afkomstig van derden gebruiken, voor zover deze personen dit beeldmateriaal rechtmatig hebben gemaakt of verkregen.
   De vaststellingen die de in artikel 9 bedoelde personeelsleden hebben gedaan door middel van het door hen gemaakte beeldmateriaal moeten de volgende gegevens bevatten :
   - de identiteit van de nucleaire inspecteur;
   - de bepaling waaraan de nucleaire inspecteur zijn bevoegdheid tot optreden ontleent;
   - de plaats en de datum van de inbreuk;
   - de identiteit van de vermoedelijke dader en van de betrokkenen;
   - de bepaling waarop inbreuk werd gepleegd;
   - een beknopt relaas van de feiten met betrekking tot de gepleegde inbreuken;
   - de dag, de datum, het uur waarop en de exacte beschrijving van de plaats waar het beeldmateriaal is gemaakt;
   - de volledige identificatie van het technisch hulpmiddel waarmee het beeldmateriaal is gemaakt;
   - een beschrijving van wat op dat beeldmateriaal te zien is, alsmede het verband met de vastgestelde inbreuk;
   - wanneer het gaat om een detailopname, een aanduiding op het beeldmateriaal waaruit de schaal blijkt;
   - wanneer er meerdere afdrukken of meerdere dragers zijn, een nummering van deze afdrukken of deze dragers.
   De originele drager van het beeldmateriaal wordt bewaard op het Agentschap totdat een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest is uitgesproken, het dossier is geseponeerd of de administratieve boete, opgelegd overeenkomstig de artikelen 53 tot 62, is betaald;
   8° zij kunnen rechtstreeks, kosteloos en op eenvoudig verzoek alle nuttige informatiedragers opvragen of opsporen en onderzoeken bij de dienst die de fysische controle uitoefent in de aan het onderzoek onderworpen inrichting, bij de dienst die hier toezicht op uitoefent of bij de in artikel 14bis bedoelde entiteiten, alsook bij de verkopers, leveranciers, fabrikanten en invoerders van bronnen van ioniserende stralingen en bij de deskundigen die werkzaamheden uitvoeren in de inrichtingen;
   9° zij kunnen bevelen dat de documenten die moeten worden aangeplakt ingevolge de wetgevingen waarop zij toezicht uitoefenen, daadwerkelijk aangeplakt worden en blijven, binnen een termijn die zij bepalen of onverwijld.
   § 2. De inbeslagname van medische dossiers kan enkel door de onderzoeksrechter worden bevolen.
   § 3. De in artikel 9 bedoelde personeelsleden kunnen, ingeval van verzet tegen de in het kader van § 1 bedoelde bevoegdheden, een proces-verbaal opstellen wegens verhindering van toezicht.
   Zij kunnen de bijstand vorderen van de federale of de lokale politiediensten.]1
  ----------
  (1)<W 2014-03-19/26, art. 5, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>

  Art. 10bis. [1 § 1. De in artikel 9 bedoelde personeelsleden waarborgen het vertrouwelijk karakter van de gegevens van vertrouwelijke aard of bedrijfsgeheimen waarvan ze kennis nemen in de uitoefening van hun opdracht en verzekeren zich ervan dat deze gegevens uitsluitend worden aangewend voor de uitoefening van hun toezichtsopdracht.
   De inlichtingen betreffende medische gegevens van persoonlijke aard mogen slechts worden meegedeeld of gebruikt met inachtneming van het medisch beroepsgeheim.
   Indien de in artikel 10, § 1, 5°, 6° en 7°, bedoelde informatiedragers persoonsgegevens bevatten die de gezondheid betreffen, dan gebeurt de toegang tot deze informatiedragers en de verwerking en bewaring van de erin vervatte inlichtingen door de in artikel 9 bedoelde personeelsleden die beschikken over een wettelijk diploma van doctor in de geneeskunde.
   § 2. De in artikel 9 bedoelde personeelsleden delen de nuttige inlichtingen die zij bij hun onderzoek hebben ingewonnen mee aan de personeelsleden belast met het toezicht op andere wetgevingen.
   De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken alsook van de ministers verantwoordelijk voor de in het eerste lid bedoelde inspectiediensten, de nadere regels van de gegevens-uitwisseling.
   Evenwel mogen de inlichtingen die werden ingewonnen naar aanleiding van de uitoefening van taken voorgeschreven door de rechterlijke overheid slechts worden medegedeeld mits toestemming van deze laatste en mogen de akten, stukken, registers, documenten of inlichtingen betreffende gerechtelijke procedures enkel worden medegedeeld met de uitdrukkelijke toestemming van de procureur-generaal.
   § 3. Alle overheidsdiensten die afhangen van de federale regering moeten, en de overige overheidsdiensten, hierin inbegrepen de parketten en de griffies van de hoven en rechtbanken, gemeenschappen, gewesten, provincies en agglomeraties, federaties van gemeenten, gemeenten, verenigingen waarvan deze deel uitmaken, overheidsinstellingen die ervan afhangen, kunnen aan de nucleaire inspecteurs, op hun verzoek, alle inlichtingen verstrekken, alsook hun alle boeken, registers, documenten, schijven, magneetbanden of om het even welke andere informatiedragers ter kennisneming voorleggen en hun de uittreksels, duplicata, afdrukken, uitdraaien, kopieën of fotokopieën die de nucleaire inspecteurs nuttig achten bij het toezicht op de naleving van de wet en haar uitvoeringsbesluiten waarmee zij zijn belast, overhandigen.
   Alle voornoemde diensten met uitzondering van de diensten van de gemeenschappen en de gewesten, zijn gehouden die inlichtingen, uittreksels, afschriften, afdrukken, uitdraaien, kopies of fotokopieën kosteloos te verstrekken.
   De vaststellingen, akten, stukken, registers, documenten of inlichtingen ingewonnen voor of naar aanleiding van de uitvoering van de taken opgelegd door de bevoegde rechterlijke overheid mogen evenwel enkel worden medegedeeld met de uitdrukkelijke toestemming van deze laatste.
   Een samenwerkingsakkoord tussen de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, gesloten met toepassing van artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, regelt de mededeling van inlichtingen door de diensten van de gemeenschappen en de gewesten, alsmede andere vormen van wederzijdse bijstand en samenwerking.
   § 4. Elke beslissing over de strafvordering uit hoofde van een inbreuk op de wetgevingen waarop zij toezicht uitoefenen, zal op hun verzoek ter kennis worden gebracht van de in artikel 9 bedoelde personeelsleden die proces-verbaal hebben opgemaakt.
   De mededeling van deze beslissing aan de in artikel 9 bedoelde personeelsleden, gebeurt door toedoen, naargelang van het geval, van het orgaan van het openbaar ministerie dat deze heeft genomen, van de griffier van de rechtbank van eerste aanleg die of van het hof van beroep dat ze heeft uitgesproken.
   § 5. Het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken waarbij een strafrechtelijke zaak aanhangig is en waarvan het onderzoek ernstige aanwijzingen aan het licht brengt inzake een inbreuk op de wet en haar uitvoeringsbesluiten, kan de directeur-generaal van het Agentschap hierover informeren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-03-19/26, art. 6, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>

  Art. 10ter. [1 De in artikel 9 bedoelde personeelsleden mogen geen enkel rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben in de inrichtingen of ondernemingen waarop zij toezicht dienen uit te oefenen en waardoor hun objectiviteit in opspraak zou kunnen worden gebracht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-03-19/26, art. 7, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>

  Art. 10quater.[1 § 1. Ten gevolge van de vaststelling van een inbreuk op de wet of haar uitvoeringsbesluiten of van de niet-naleving van de voorwaarden opgenomen in de in uitvoering van deze bepalingen verleende vergunningen, toelatingen en erkenningen, kunnen de in artikel 9 bedoelde personeelsleden bestuurlijke maatregelen opleggen aan de exploitant of het ondernemingshoofd.
   § 2. De bestuurlijke maatregelen kunnen de vorm aannemen van :
   1° een bevel aan de exploitant of het ondernemingshoofd om maatregelen te nemen om de inbreuk te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk te herstellen of herhaling ervan te voorkomen;
   2° een bevel aan de exploitant of het ondernemingshoofd om activiteiten, werkzaamheden, of het gebruik van zaken te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk te herstellen of herhaling ervan te voorkomen;
   3° een feitelijke handeling van de in artikel 9 bedoelde personeelsleden, op kosten van de exploitant of het ondernemingshoofd, om de inbreuk te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk te herstellen of herhaling ervan te voorkomen;
   4° een combinatie van de in 1°, 2° en 3°, bedoelde maatregelen;
   In de in § 2, 1° en 2°, bedoelde gevallen wordt aan de beslissing tot oplegging van een bestuurlijke maatregel een uitvoeringstermijn verbonden.
   In de in § 2, 1° en 2°, bedoelde gevallen worden desgevallend de voorwaarden die moeten zijn vervuld om de bestuurlijke maatregel op te heffen, omschreven in de beslissing tot oplegging van de bestuurlijke maatregel.
   § 3. De bestuurlijke maatregelen kunnen onder meer het volgende inhouden :
   1° de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten;
   2° het verbod op het gebruik of de verzegeling van gebouwen, installaties, machines, toestellen, transportmiddelen, colli en radioactieve stoffen;
   3° de volledige of gedeeltelijke sluiting van een inrichting;
   4° de afvoer van voorwerpen, machines, toestellen, colli en radioactieve stoffen;
   5° de opslag van voorwerpen, machines, toestellen, colli en radioactieve stoffen op een gepaste plaats.
   § 4. Voor de uitvoering van de in § 2, 3°, bedoelde bestuurlijke maatregelen kunnen de in artikel 9 bedoelde personeelsleden de toezichtbevoegdheden zoals deze worden omschreven in [2 artikel 10, § 1]2, aanwenden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-03-19/26, art. 8, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>
  (2)<W 2017-12-13/15, art. 4, 026; Inwerkingtreding : 08-01-2018>

  Art. 10quinquies. [1 § 1. De bestuurlijke maatregelen worden schriftelijk opgelegd. De beslissing houdende de oplegging van een bestuurlijke maatregel wordt ter kennis gebracht van de exploitant of het ondernemingshoofd bij aangetekende brief met ontvangstbewijs of bij afgifte tegen ontvangstbewijs.
   De beslissing vermeldt minstens :
   1° de bepaling(en) die niet werd(en) nageleefd;
   2° een overzicht van de vaststellingen met betrekking tot de inbreuk;
   3° de identiteit van de in artikel 9 bedoelde personeelsleden;
   4° een omschrijving van de opgelegde bestuurlijke maatregel en de uitvoeringstermijn ervan;
   5° in voorkomend geval, de voorwaarden waaronder de bestuurlijke maatregel die wordt omschreven in artikel 10quater, § 2, 1° en 2°, uitdooft;
   6° de mogelijkheid om bij de minister onder wie het Agentschap ressorteert beroep in te stellen tegen de beslissing tot oplegging van de bestuurlijke maatregel, en de geldende vormen en termijn.
   De bestuurlijke maatregelen worden, behoudens in dringende gevallen, opgelegd nadat de exploitant of het ondernemingshoofd werd gehoord.
   § 2. De in artikel 10quater, § 2, 1° en 2°, bedoelde bestuurlijke maatregelen kunnen, ambtshalve of op verzoek van de exploitant of het ondernemingshoofd, worden opgeheven hetzij wanneer de in de beslissing omschreven voorwaarden zijn vervuld hetzij wanneer uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen of de situatie evolueert.
   § 3. De exploitant of het ondernemingshoofd aan wie een in artikel 10quater, § 2, 1° of 2°, bedoelde bestuurlijke maatregel is opgelegd, kan de opheffing van die bestuurlijke maatregel vragen aan het in artikel 9 bedoelde personeelslid dat de maatregel heeft opgelegd.
   Het in artikel 9 bedoelde personeelslid dat de maatregel heeft opgelegd, beslist binnen een termijn van vijftien dagen na de kennisgeving van het verzoek ingediend bij aangetekende brief met ontvangstbewijs of bij afgifte tegen ontvangstbewijs.
   De beslissing wordt ter kennis gebracht van de exploitant of het ondernemingshoofd binnen een termijn van tien dagen die ingaat de dag volgend op de dag waarop de beslissing werd genomen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-03-19/26, art. 9, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>

  Art. 10sexies. [1 § 1. Samen met de in artikel 10quater, § 2, 1° en 2°, bedoelde bestuurlijke maatregelen kan een bestuurlijke dwangsom worden opgelegd, voor het geval het regularisatie- of stakingsbevel niet of niet volledig wordt uitgevoerd.
   In de beslissing tot oplegging van een in artikel 10quater, § 2, 1° en 2°, bedoelde bestuurlijke maatregel worden de hoogte van het bedrag van de dwangsom en de nadere regels bepaald.
   § 2. De dwangsom kan worden vastgesteld hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid of per overtreding. In de laatste twee gevallen kan eveneens een bedrag worden bepaald waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt.
   § 3. Op verzoek van de exploitant of het ondernemingshoofd kan de dwangsom worden opgeheven, kan de looptijd ervan worden geschorst voor een bepaalde termijn of kan het bedrag van de dwangsom worden verminderd, in geval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de exploitant of het ondernemingshoofd om aan zijn verplichtingen te voldoen.
   De opheffing van de bestuurlijke maatregel brengt automatisch de opheffing van de bestuurlijke dwangsom met zich mee.
   § 4. De dwangsom is van rechtswege opeisbaar als de uitvoeringstermijn van het regularisatie- of stakingsbevel is verstreken.
   De dwangsom verjaart na verloop van een termijn van zes maanden na de dag waarop ze is verbeurd.
   De bestuurlijke dwangsommen worden geïnd en ingevorderd overeenkomstig artikel 30bis, §§ 4 en 5, ten voordele van het Agentschap.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-03-19/26, art. 10, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>

  Art. 10septies. [1 § 1. De in artikel 9 bedoelde personeelsleden kunnen alle passende maatregelen, organisatorische maatregelen inbegrepen, treffen of opleggen die zij noodzakelijk achten voor de gezondheid en veiligheid van de werknemers en de bevolking en voor de bescherming van het leefmilieu op het vlak van de ioniserende stralingen, en dit zowel om gevaren te voorkomen als om de gebreken of vormen van hinder die zij vaststellen en als een gevaar beschouwen, te bestrijden of weg te werken.
   § 2. De veiligheidsmaatregelen worden schriftelijk opgelegd. De beslissing tot oplegging van een veiligheidsmaatregel wordt ter kennis gebracht van de verantwoordelijke persoon bij aangetekende brief met ontvangstbewijs of bij afgifte tegen ontvangstbewijs.
   De beslissing vermeldt minstens :
   1° een omschrijving van het gevaar voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, de bevolking en het leefmilieu;
   2° een omschrijving van de veiligheidsmaatregel en de eventuele uitvoeringstermijn;
   3° de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de beslissing tot oplegging van de veiligheidsmaatregel bij de minister onder wie het Agentschap ressorteert en de geldende vormen en termijn.
   Als een onmiddellijk optreden is vereist, kan een veiligheidsmaatregel ook mondeling worden opgelegd aan de verantwoordelijke persoon. Indien de verantwoordelijke persoon niet aanwezig is, wordt ter plaatse op een zichtbare plaats een schriftelijk bericht achtergelaten. De mondeling opgelegde veiligheidsmaatregel dient schriftelijk te worden bevestigd binnen vijf dagen.
   § 3. In geval de verantwoordelijke persoon geen uitvoering geeft of kan geven aan de opgelegde veiligheidsmaatregelen, kunnen de in artikel 9 bedoelde personeelsleden, op kosten van de verantwoordelijke persoon, bevelen de radioactieve stoffen die het voorwerp ervan uitmaken af te voeren en te behandelen als radioactief afval.
   De Koning stelt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels vast volgens dewelke de kosten die voortvloeien uit de uitvoering van de in het eerste lid bedoelde beslissing zijn gedekt.
   § 4. De veiligheidsmaatregelen kunnen, ambtshalve of op verzoek van de betrokkene, worden opgeheven als het gevaar in kwestie is vermeden, bestreden of weggewerkt.
   De betrokkene aan wie een veiligheidsmaatregel is opgelegd, kan de opheffing van die maatregel vragen aan de nucleaire inspecteur die de maatregel heeft opgelegd.
   Het in artikel 9 bedoelde personeelslid dat de maatregel heeft opgelegd, beslist binnen een termijn van vijftien dagen volgend op de kennisgeving van het verzoek ingediend bij aangetekende brief met ontvangstbewijs of bij afgifte tegen ontvangstbewijs.
   De beslissing wordt ter kennis gebracht van de betrokkene binnen een termijn van tien dagen die ingaat de dag na de dag waarop de beslissing werd genomen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-03-19/26, art. 11, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>

  Art. 11.[1 § 1. De verantwoordelijke persoon kan tegen de beslissing tot oplegging van een bestuurlijke maatregel, in voorkomend geval met een bestuurlijke dwangsom, tegen de beslissing houdende weigering tot opheffing van een bestuurlijke maatregel, tegen de beslissing tot oplegging van een veiligheidsmaatregel en tegen de beslissing houdende weigering tot opheffing van een veiligheidsmaatregel beroep instellen bij de minister onder wie het Agentschap ressorteert.
   § 2. Het beroep wordt, op straffe van onontvankelijkheid, ingesteld binnen een termijn van vijftien kalenderdagen vanaf de kennisgeving van de beslissing die het voorwerp van het beroep uitmaakt. Het beroep wordt ingesteld bij aangetekende brief, gericht aan de minister onder wie het Agentschap ressorteert.
   § 3. Het beroep schorst de uitvoering van de bestreden beslissing niet.
   § 4. Binnen een termijn van maximaal drie maanden na de instelling van het beroep wordt uitspraak gedaan. Indien de minister geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van maximaal drie maanden na de instelling van het beroep, wordt het beroep geacht gegrond te zijn. In dat geval zijn de maatregelen waartegen beroep werd ingesteld, van rechtswege opgeheven.
   § 5. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken de procedureregels die van toepassing zijn op het in deze bepaling bedoelde beroep.]1
  ----------
  (1)<W 2014-03-19/26, art. 12, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>

  Art. 12. (Opgeheven) <W 2008-12-22/32, art. 270, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2009>

  Art. 13.
   <Opgeheven door W 2011-03-30/11, art. 17, 2°, 017; Inwerkingtreding : 01-10-2012>

  HOOFDSTUK III. - Opdrachten van het agentschap.

  Afdeling 1. - [1 Algemene opdrachtomschrijving]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 14.[2 Onverminderd de bepalingen van Hoofdstuk IIIter en de artikelen 7 en 8]2, is het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle belast met de controle en het toezicht. [1 ...]1.
  ----------
  (1)<W 2017-12-13/15, art. 5, 026; Inwerkingtreding : 08-01-2018>
  (2)<W 2018-12-06/36, art. 3, 028; Inwerkingtreding : 16-01-2019>

  Art. 14bis. <Ingevoegd bij W 2008-12-22/33, art. 235; Inwerkingtreding : 01-01-2008> Het Agentschap kan alle daden en activiteiten verrichten die rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de verwezenlijking van de in deze wet bepaalde opdrachten. Het Agentschap kan ook zelf of samen met anderen juridische entiteiten oprichten die tot uitsluitend doel hebben bij te dragen tot de verwezenlijking van zijn opdrachten en erin participeren. Het Agentschap kan tevens participeren in andere juridische entiteiten die tot uitsluitend doel hebben bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdrachten van het Agentschap.

  Art. 14ter. [1 § 1. Het Agentschap kan, bij beslissing van haar raad van bestuur, haar toezichtsopdracht geheel of gedeeltelijk toevertrouwen aan een entiteit die het daartoe overeenkomstig artikel 14bis heeft opgericht. De Koning bepaalt bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad :
   1° de toezichtsopdrachten die kunnen worden toegewezen aan deze entiteit;
   2° op welke wijze de door de entiteit verrichte prestaties worden vergoed;
   3° op welke wijze het Agentschap toezicht houdt op de uitoefening van de opdrachten van de entiteit.
   § 2. Het personeel van de entiteit dat belast is met het toezicht op de fysische controle bij de vergunninghouders moet beschikken over een erkenning als deskundige in de fysische controle, verleend door het Agentschap, overeenkomstig artikel 30.
   De verleende erkenning geeft de deskundige vrije toegang tot de installaties voor de toezichtsopdrachten die door het Agentschap aan de entiteit worden toegewezen.
   § 3. Meer dan de helft van de leden van de raad van bestuur van de entiteit bestaat uit leden van de raad van bestuur van het Agentschap. Zij worden aangewezen uit hoofde van hun mandaat van lid van de raad van bestuur van het Agentschap en vertegenwoordigen het Agentschap. Indien er een einde wordt gemaakt aan hun mandaat in de raad van bestuur van het Agentschap, wordt er ook een einde gemaakt aan hun mandaat van lid van de raad van bestuur van de entiteit. Zij blijven dit mandaat desalniettemin uitoefenen tot hun vervanging is geregeld door de raad van bestuur van het Agentschap.
   § 4. De directeur-generaal van het Agentschap is voor de duur van zijn mandaat van rechtswege lid van de raad van bestuur van de entiteit.
   De directeur-generaal kan tevens, met raadgevende stem, de vergaderingen van het directiecomité van de entiteit bijwonen.
   De directeur-generaal beschikt over een termijn van acht werkdagen om beroep in te stellen tegen elke beslissing van het directiecomité van de entiteit die hij met de wet, met de statuten of met het algemeen belang strijdig acht. Het beroep wordt ingesteld bij de raad van bestuur van de entiteit en is opschortend. Deze termijn gaat in op de dag van de vergadering waarop de beslissing genomen werd, voor zover de directeur-generaal daarop regelmatig uitgenodigd werd, en, in het tegenovergestelde geval, op de dag waarop hij er kennis van heeft gekregen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-05-07/07, art. 4, 025; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  

  Art. 14quater. [1 Onverminderd de wet van 20 juli 1978 houdende geëigende beschikkingen teneinde de Internationale organisatie voor Atoomenergie toe te laten inspectie- en verificatiewerkzaamheden door te voeren op Belgisch grondgebied, in uitvoering van het Internationaal Akkoord van 5 april 1973 bij toepassing der § § 1 en 4 van artikel III van het Verdrag van 1 Juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens en de wet van 1 juni 2005 betreffende de toepassing van het Aanvullend Protocol van 22 september 1998 bij de Internationale Overeenkomst van 5 april 1973 ter uitvoering van artikel III, leden 1 en 4, van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens, is het Agentschap, in het kader van de verplichtingen die voor België voortvloeien uit de veiligheidscontrole, ingevoerd door hoofdstuk VII van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en krachtens de waarborgen in de zin van artikel III, paragrafen 1 en 4 van bovenvermeld Verdrag van 1 juli 1968, ermee belast:
   1° om met de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en met de Internationale organisatie voor Atoomenergie tot overeenstemming te komen over de praktische modaliteiten die verband houden met de toepassing, op Belgisch grondgebied, van het internationaal stelsel van de waarborgen;
   2° om te zorgen voor de begeleiding van de internationale inspecteurs, overeenkomstig artikel 10, tweede lid van bovenvermelde wet van 20 juli 1978 en artikel 12, § 5, van bovenvermelde wet van 1 juni 2005.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-12-13/15, art. 6, 026; Inwerkingtreding : 08-01-2018>
  

  Art. 15.[1 Algemeen gesteld omvat de opdracht van het Agentschap de onderzoekingen die dienstig zijn voor het omschrijven van alle exploitatievoorwaarden van de inrichtingen waarin ioniserende stralingen worden aangewend en tot het bestuderen van de veiligheid en de beveiliging van de inrichtingen waarin [2 kernmateriaal of radioactieve stoffen]2 worden aangewend of bewaard.]1
  Deze opdracht omvat ook het toezicht, de controles en de inspecties die eruit voortvloeien, de stralingsbescherming, de opleiding en de voorlichting, de contacten met de overheid en met de betrokken nationale instellingen en de interventies in noodgevallen. Het Agentschap verleent zijn technische medewerking aan de minister bevoegd voor Buitenlandse Zaken.
  (Onverminderd de toepassing van artikel 8 van deze wet is het Agentschap eveneens belast met de controle op de fysieke beveiligingsmaatregelen [2 , de beveiligingsmaatregelen voor radioactieve stoffen, met uitzondering van het kernmateriaal, opgesteld krachtens artikel 17quater en de beveiligingsmaatregelen voor toestellen of installaties die ioniserende straling uitzenden die niet van radioactieve stoffen afkomstig is, opgesteld krachtens artikel 17quinquies]2.) <W 2003-04-02/38, art. 11, 009; Inwerkingtreding : onbepaald>
  ----------
  (1)<W 2011-03-30/11, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 18-04-2011>
  (2)<W 2017-12-13/15, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 08-01-2018>

  Art. 15bis.[1 Overeenkomstig artikel 24 van de wet van 1 juli 2011 betreffende de beveiliging en de bescherming van de kritieke infrastructuren en de uitvoeringsbesluiten ervan, is het Agentschap belast met het controleren van de toepassing van de bepalingen van deze wet op een nucleaire installatie bestemd voor de industriële productie van elektriciteit, voor wat betreft de elementen die dienen voor de transmissie van de elektriciteit en die werden aangeduid als kritieke infrastructuur krachtens bovengenoemde wet van [2 1 juli 2011]2.
   De nadere regels van de controle worden door de Koning geregeld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-07-01/08, art. 30, 018; Inwerkingtreding : 15-07-2011>
  (2)<W 2018-07-15/08, art. 61, 027; Inwerkingtreding : 05-10-2018>

  Art. 15ter. [1 Het Agentschap wordt aangewezen als inspectiedienst, in de zin van artikel 42 van de wet van 7 april 2019, en is belast met het controleren van de toepassing van de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan door de aanbieders van essentiële diensten, die krachtens bovengenoemde wet geïdentificeerd zijn, wat betreft de elementen van een nucleaire installatie bestemd voor de industriële productie van elektriciteit die dienen voor de transmissie van de elektriciteit.
   De Koning bepaalt de praktische inspectiemodaliteiten, na advies van het Agentschap.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2019-04-07/15, art. 86, 029; Inwerkingtreding : 03-05-2019>
  

  Afdeling 2. - [1 Bevoegdheid inzake de vergunning van inrichtingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 5, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 16.§ 1. (Met uitzondering van de installaties voor industriële elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen die, overeenkomstig artikelen 3 en 4 van de wet van 31 januari 2003 houdende de geleidelijke uitstap uit kernenergie voor industriële elektriciteitsproductie, niet meer het voorwerp van vergunningen kunnen uitmaken, verleent of weigert de Koning) de oprichtings- en exploitatievergunning die de oprichting voorafgaat van elke inrichting waarin stoffen of apparaten die ioniserende stralingen kunnen uitzenden, aanwezig zijn. <W 2003-01-31/38, art. 5, 008; Inwerkingtreding : 10-03-2003>
  Het Agentschap onderzoekt de aanvragen tot het verkrijgen van de vergunning bedoeld in het eerste lid. Het Agentschap wint daarover het advies in van de Wetenschappelijke Raad waarvan sprake is in artikel 37.
  De vergunning bepaalt onder andere de regelen betreffende de periodieke beoordeling van de veiligheid van de installaties en het moment van de oplevering bedoeld in § 2.
  De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder de vergunning bedoeld in het eerste lid, wordt verleend. Hij kan die voorwaarden wijzigen gedurende de volledige levensduur van de inrichting, haar ontmanteling inbegrepen.
  § 2. De exploitatie van een inrichting bedoeld in § 1 mag niet starten vooraleer de Koning, vaststellend dat aan de vergunningsvoorwaarden is voldaan, de vergunning van deze inrichting heeft bevestigd. Deze bevestiging wordt door een gunstig opleveringsrapport, dat door het Agentschap is opgesteld, voorafgegaan. [1 De radioactieve stoffen die het voorwerp van de vergunning zijn, kunnen voorafgaand aan de oplevering in de installatie worden ingebracht, in het enkele geval dat dit noodzakelijk is voor het opstellen van het opleveringsrapport. Hiervan wordt melding gemaakt in het opleveringsrapport. De Koning kan de nadere regels hiervoor bepalen]1.
  § 3. Het Agentschap houdt toezicht op de naleving van de voorwaarden opgelegd door de oprichtings- en exploitatievergunning.
  De Koning kan de vergunning schorsen of intrekken op grond van een advies van het Agentschap.
  ----------
  (1)<W 2018-12-06/36, art. 4, 028; Inwerkingtreding : 16-01-2019>

  Art. 16/1. [1 § 1. De aanvrager kan ter voorbereiding van een vergunningsaanvraag zoals bedoeld in artikel 16, § 1, verzoeken een vooroverleg te organiseren met het Agentschap.
   Het vooroverleg beoogt de bespreking met de aanvrager van de eventueel nodig of nuttig geachte projectbijsturingen en indien aangewezen, de procedurele afstemming tussen het Agentschap en de andere betrokken overheden.
   Het Agentschap kan op eigen initiatief of op verzoek van de aanvrager, derde belanghebbenden betrekken bij het vooroverleg.
   De Koning kan de nadere regels van het vooroverleg bepalen en kan het toepassingsgebied ervan beperken.
   § 2. De Koning bepaalt welke vergoedingen de aanvrager dient te betalen om de kosten van de vereiste onderzoeken en de administratieve kosten ten gevolge van het vooroverleg te dekken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-12-06/36, art. 5, 028; Inwerkingtreding : 16-01-2019>
  

  Art. 17. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de nadere regelen voor de toepassing van artikel 16. Hij deelt de inrichtingen, bedoeld in artikel 16, § 1, in al naargelang het risico dat ze inhouden. Hij mag het verlenen van de vergunning aan inrichtingen, waarvan de indeling met het hoogste risico overeenstemt, niet delegeren.

  Afdeling 3. - [1 Bevoegdheid inzake fysieke beveiliging van kernmateriaal]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 6, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 17bis.<Ingevoegd bij W 2003-04-02/38, art. 12, 009; Inwerkingtreding : onbepaald> Op voorstel van het Agentschap :
  - stelt de Koning de fysieke beveiligingsmaatregelen vast die genomen moeten worden met betrekking tot de inrichting, de bewaking en het toezicht over de plaatsen en de voertuigen waarin kernmateriaal wordt opgeslagen;
  - [1 de Koning bepaalt het minimumbeveiligingsniveau voor elk van de categorieën van kernmateriaal, zoals ze gedefinieerd worden in artikel 17ter;]1
  [2 - bepaalt de Koning de erkenningsprocedure voor de fysieke beveiliging van de nucleaire installaties, de nucleaire vervoerbedrijven en het nucleair vervoer;]2
  - stelt de Koning de fysieke beveiligingsmaatregelen vast die genomen moeten worden ter bescherming van de kerntechnologie ontwikkeld door Belgische nucleaire instellingen.
  [2 Het Agentschap kan de in het eerste lid bedoelde erkenningen aan voorwaarden onderwerpen. Het Agentschap kan te allen tijde op gemotiveerde wijze deze erkenningen en de hierin opgelegde voorwaarden ambtshalve wijzigen of aanvullen, indien:
   a) deze wijzigingen of aanvullingen bedoeld zijn om de naleving te garanderen van de door of krachtens de wet voorziene eisen inzake de fysieke beveiliging;
   b) deze wijzigingen of aanvullingen kennelijk gepast, evenredig en billijk zijn.]2
  ----------
  (1)<W 2011-03-30/11, art. 6, 017; Inwerkingtreding : 01-10-2012>
  (2)<W 2017-12-13/15, art. 8, 026; Inwerkingtreding : 08-01-2018>

  Art. 17ter.[1 § 1. Het kernmateriaal wordt in drie categorieën onderverdeeld : I, II en III, overeenkomstig de tabel opgenomen als bijlage bij deze wet. De categorieën van het kernmateriaal worden bepaald op basis van hun type, hun gehalte aan splijtbare isotopen, hun hoeveelheid en de intensiteit van hun straling.
   § 2. Met elke categorie kernmateriaal stemt een categoriseringsniveau overeen : de veiligheidsrang. Er zijn drie veiligheidsrangen : " VERTROUWELIJK - NUC ", " GEHEIM - NUC ", " ZEER GEHEIM - NUC ".
   De veiligheidsrang " VERTROUWELIJK - NUC " wordt toegekend wanneer het oneigenlijk gebruik van kernmateriaal schade kan berokken aan personen, goederen of het leefmilieu, of wanneer het een risico op nucleaire proliferatie kan vormen, of wanneer het risico bestaat dat dit materiaal aantrekkelijk zou zijn met het oog op het plegen van criminele of terroristische daden.
   De veiligheidsrang " GEHEIM - NUC " wordt toegekend wanneer het oneigenlijk gebruik van kernmateriaal ernstige schade kan toebrengen aan personen, goederen of het leefmilieu, of wanneer het een belangrijk risico kan vormen op nucleaire proliferatie, of wanneer er een belangrijk risico bestaat dat dit materiaal aantrekkelijk zou zijn met het oog op het plegen van criminele of terroristische daden.
   De veiligheidsrang " ZEER GEHEIM - NUC " wordt toegekend wanneer het oneigenlijk gebruik van kernmateriaal zeer ernstige schade kan toebrengen aan personen, goederen of het leefmilieu, of wanneer het een zeer belangrijk risico kan vormen op nucleaire proliferatie, of wanneer er een zeer belangrijk risico bestaat dat dit materiaal aantrekkelijk zou zijn met het oog op het plegen van criminele of terroristische daden.
   § 3. De veiligheidsrang " GEHEIM - NUC " wordt toegekend aan kernmateriaal van categorie I en II.
   De veiligheidsrang " VERTROUWELIJK - NUC " wordt toegekend aan kernmateriaal van categorie III.
   De directeur-generaal van het Agentschap of zijn afgevaardigde, de verantwoordelijke van het departement dat bevoegd is voor de beveiliging, kan, in uitzonderlijke risicosituaties, of wanneer deze veiligheidsrang vereist wordt door de staat die dit kernmateriaal verstrekt heeft, aan bepaald kernmateriaal van categorie I de veiligheidsrang " ZEER GEHEIM - NUC " toekennen.
   § 4. De Koning bepaalt de maatregelen voor de categorisering van de veiligheidszones van de kerninstallatie of het nucleair vervoerbedrijf, rekening gehouden met de veiligheidsrang die werd toegekend aan het kernmateriaal dat ze bevatten, het radiologisch risico dat hun volledige of gedeeltelijke vernietiging zou kunnen inhouden, of hun rol in het kader van de fysieke beveiligingsmaatregelen van de kerninstallatie of het nucleair vervoerbedrijf.
   § 5. De Koning bepaalt de maatregelen voor de categorisering van de nucleaire documenten, rekening gehouden met de veiligheidsrang die werd toegekend aan het kernmateriaal waar ze betrekking op hebben of met het belang van de informatie die ze bevatten ten aanzien van de nucleaire non-proliferatie, het radiologisch risico of de fysieke beveiliging van het kernmateriaal, de nucleaire installaties of het nucleair vervoer.
   § 6. De Koning bepaalt de regels voor de decategorisering van het gecategoriseerd kernmateriaal, de veiligheidszones en de nucleaire documenten, rekening gehouden met de afname van de risico's op schade aan personen, goederen of het leefmilieu, op nucleaire proliferatie of m.b.t. de aantrekkelijkheid voor criminele of terroristische daden, zoals vermeld in §§ 2, 4 en 5.]1
  ----------
  (1)<W 2011-03-30/11, art. 7, 017; Inwerkingtreding : 01-10-2011>

  Afdeling 3bis. [1 - Bevoegdheid op het gebied van de beveiliging van de radioactieve stoffen met uitzondering van het kernmateriaal]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-12-13/15, art. 9, 026; Inwerkingtreding : 08-01-2018>
  

  Art. 17quater. [1 Op voorstel van het Agentschap:
   1° verdeelt de Koning de radioactieve stoffen, met uitzondering van het kernmateriaal, in categorieën, op basis van hun activiteit en het risico dat er aan verbonden is;
   2° bepaalt de Koning het beveiligingsniveau van de radioactieve stoffen, met uitzondering van het kernmateriaal, voor elk van deze categorieën;
   3° bepaalt de Koning de beveiligingsmaatregelen voor de radioactieve stoffen, met uitzondering van het kernmateriaal, die genomen moeten worden met betrekking tot de inrichting, de bewaking en het toezicht op de plaatsen waar zich de stoffen bevinden van de categorieën die met het hoogste risico overeenstemmen, alsook met betrekking tot hun vervoer;
   4° bepaalt de Koning de erkenningsprocedure van de beveiligingsmaatregelen voor de radioactieve stoffen met uitzondering van kernmateriaal, die genomen moeten worden met betrekking tot de inrichting, de bewaking en het toezicht op de plaatsen waar zich de stoffen bevinden van de categorieën die met het hoogste risico overeenstemmen, alsook met betrekking tot hun vervoer;
   5° de Koning kan de opleidingsvereisten vastleggen die de kennis op het vlak van de beveiliging tegen de gevaren van ioniserende stralingen moeten verbeteren.
   Het Agentschap bepaalt de principes voor de maatregelen inzake behoedzaam beheer voor de categorieën van radioactieve stoffen, met uitzondering van het kernmateriaal, die met het laagste risico overeenstemmen.
   Het Agentschap kan de in het eerste lid, 4°, bedoelde erkenningen aan voorwaarden onderwerpen. Het Agentschap kan te allen tijde op gemotiveerde wijze deze erkenningen en de hierin opgelegde voorwaarden ambtshalve wijzigen of aanvullen, indien:
   a) deze wijzigingen of aanvullingen bedoeld zijn om de naleving te garanderen van de door of krachtens de wet voorziene eisen inzake de beveiliging van radioactieve stoffen met uitzondering van het kernmateriaal;
   b) deze wijzigingen of aanvullingen kennelijk gepast, evenredig en billijk zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-12-13/15, art. 9, 026; Inwerkingtreding : 08-01-2018>
  

  Afdeling 3ter. [1 - Bevoegdheid inzake de beveiliging van toestellen of installaties die ioniserende straling uitzenden die niet van radioactieve stoffen afkomstig is]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-12-13/15, art. 10, 026; Inwerkingtreding : 08-01-2018>
  

  Art. 17quinquies. [1 Op voorstel van het Agentschap:
   1° bepaalt de Koning de beveiligingsmaatregelen voor de toestellen of installaties die ioniserende straling uitzenden die niet van radioactieve stoffen afkomstig is;
   2° bepaalt de Koning de erkenningsprocedure van de beveiligingsmaatregelen voor de toestellen of installaties die ioniserende straling uitzenden die niet van radioactieve stoffen afkomstig is.
   Het Agentschap kan de in het eerste lid, 2°, bedoelde erkenningen aan voorwaarden onderwerpen. Het Agentschap kan te allen tijde op gemotiveerde wijze deze erkenningen en de hierin opgelegde voorwaarden ambtshalve wijzigen of aanvullen, indien:
   a) deze wijzigingen of aanvullingen bedoeld zijn om de naleving te garanderen van de door of krachtens de wet voorziene eisen inzake de beveiliging van de toestellen of installaties die ioniserende straling uitzenden die niet van radioactieve stoffen afkomstig is;
   b) deze wijzigingen of aanvullingen kennelijk gepast, evenredig en billijk zijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-12-13/15, art. 10, 026; Inwerkingtreding : 08-01-2018>
  

  Afdeling 4 . - [1 Bevoegdheid inzake het vervoer van radioactieve stoffen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 7, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 18. Het Agentschap onderzoekt de dossiers inzake vervoer van radioactieve stoffen. Het houdt toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden opgelegd door de vergunnings- en erkenningsakten afgeleverd door de bevoegde overheid.

  Afdeling 5. - [1 Bevoegdheid inzake toezicht op kernmateriaal, alsook documenten of gegevens die er betrekking op hebben]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 8, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 18bis.<Ingevoegd bij W 2003-04-02/38, art. 14; Inwerkingtreding : 01-06-2003> § 1. Elke persoon die kernmateriaal bewaart, gebruikt of vervoert mag dit niet, zonder de goedkeuring van het Agentschap, doorgeven aan andere personen dan deze die de bevoegdheid hebben om het uit hoofde van hun functie te ontvangen.
  § 2. Elke persoon die over [1 nucleaire documenten]1, mag deze niet zonder de goedkeuring van het Agentschap, doorgeven aan andere personen dan deze die de bevoegdheid hebben om het uit hoofde van hun functie te ontvangen.
  ----------
  (1)<W 2011-03-30/11, art. 8, 017; Inwerkingtreding : 01-10-2012>

  Art. 18ter.
   <Opgeheven door W 2011-03-30/11, art. 17, 2°, 017; En vigueur : 01-10-2011>

  Afdeling 6. - [1 Bevoegdheid inzake medische toepassingen, toezicht in de inrichtingen en voedingsmiddelen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 9, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 19.[4 nder de voorwaarden, binnen de grenzen en volgens de nadere regels bepaald in artikel 3:
   1° houdt het Agentschap toezicht op de medisch-radiologische uitrustingen en de radiologische uitrustingen gebruikt in de diergeneeskunde;
   2° onderzoekt het Agentschap de erkenningsaanvragen en kent het de erkenningen toe aan de radiofarmaceuten, de geneesheren belast met het gezondheidstoezicht op de werknemers die beroepshalve zijn blootgesteld aan ioniserende stralingen, de deskundigen in de medische stralingsfysica, alsook de dosimetrische diensten. Het houdt toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden die het in de erkenningen kan opleggen;
   3° onderzoekt het Agentschap de vergunningsaanvragen en kent het de vergunningen toe voor het gebruik van toestellen en bronnen die ioniserende stralingen uitzenden in de humane geneeskunde, de tandheelkunde en de diergeneeskunde. Het houdt toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden die het in de vergunningen kan opleggen;
   4° onderzoekt het Agentschap de vergunningsaanvragen en kent het de vergunningen toe voor het ter beschikking stellen van radioactieve producten voor in vivo of in vitro gebruik in de humane geneeskunde of diergeneeskunde alsook het gebruik van radioactieve producten in een klinische proef of een klinisch onderzoek. Het houdt toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden die het in de vergunningen kan opleggen;
   5° verifieert het Agentschap of de opleidingsprogramma's van de gemachtigden voldoen aan de door de Koning bepaalde criteria;
   6° kan de Koning bepaalde soorten van handelingen, waardoor personen kunnen worden blootgesteld aan ioniserende stralingen, verbieden na het advies van, naargelang het geval, de Hoge Gezondheidsraad of van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk over de rechtvaardiging van de handelingen;
   7° kan de Koning bepaalde nieuwe of bestaande soorten van handelingen, waardoor personen kunnen worden blootgesteld aan ioniserende stralingen, aannemen voor veralgemeend gebruik, na advies van, naargelang het geval, de Hoge Gezondheidsraad of van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk.]4
  [1 Het Agentschap deelt aan de minister bevoegd voor de Volksgezondheid een kopie mee van de in het eerste lid bedoelde goedkeuringen, erkenningen en vergunningen.]1
  [4 Het Agentschap kan reglementen opstellen met betrekking tot:
   1° de criteria om te bepalen voor hoeveel uren permanente vormingsinitiatieven in aanmerking worden genomen voor de verlenging van de onder het eerste lid, 2°, bedoelde erkenningen en de onder het eerste lid, 3°, bedoelde vergunningen;
   2° de nadere regels en de frequentie van de klinische audits die uitgevoerd dienen te worden in de door haar aangewezen medisch-radiologische installaties;
   3° de bepaling of goedkeuring van de aanvaardbaarheidscriteria voor elk type medisch-radiologische uitrusting en voor elk type radiologische uitrusting gebruikt in de diergeneeskunde;
   4° de nadere regels voor de gegevensregistratie met betrekking tot de periodieke dosisstudies voor de patiënt en de nadere regels bepalen voor het gebruik en de verwerking van de gegevens;
   5° in het kader van rechtvaardiging van handelingen, dosisbeperkingen die kunnen worden opgelegd voor elke door de Koning bepaalde bron, handeling of taak, alsook dosisniveaus of afgeleide niveaus;
   6° in het kader van de rechtvaardiging van handelingen, het bepalen van het model en de nadere regels van de studie ter rechtvaardiging voor de nieuwe soorten handelingen.]4
  ----------
  (1)<W 2014-03-19/26, art. 13, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>
  (2)<W 2014-01-26/17, art. 10, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  (3)<W 2017-05-07/07, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  (4)<W 2018-04-19/24, art. 3, 032; Inwerkingtreding : 01-03-2020>

  Art. 20. Onder de voorwaarden, binnen de grenzen en volgens de nadere regelen bepaald in artikel 3, onderzoekt het Agentschap de vergunningsaanvragen en kent het de vergunningen toe voor het gebruik van ioniserende stralingen voor de sterilisatie van medische apparaten en de behandeling van voedingswaren. Het houdt toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden opgelegd door de vergunningsakten.
  (De controle op de behandeling van voedingsmiddelen gebeurt gezamenlijk met het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.) <KB 2001-02-22/33, art. 24, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>

  Afdeling 7. - [1 Bevoegdheid inzake het toezicht op het grondgebied]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 11, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 21. Het Agentschap houdt toezicht op de radioactiviteit over het gehele grondgebied zowel in normale omstandigheden als in noodgevallen. In normale omstandigheden bestaat die taak erin op geregelde tijdstippen de radioactiviteit van de lucht, het water, de bodem en de voedselketen te bepalen alsmede de door de bevolking opgelopen stralingsdosis te beoordelen en nauwlettend op te volgen.
  Daartoe kan het Agentschap een beroep doen op bevoegde openbare en partikuliere instellingen.

  Afdeling 8. - [1 Bevoegdheid inzake noodplanning]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 12, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 22. Het Agentschap verleent technische hulp bij de uitwerking van de noodplannen die de minister van Binnenlandse Zaken beslist. Het organiseert een interventiecel voor de noodgevallen.

  Afdeling 9. - [1 Bevoegdheid inzake documentatie, onderzoek en ontwikkeling]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 13, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 23. Het Agentschap is ermee belast een wetenschappelijke en technische documentatie op het gebied van de nucleaire veiligheid samen te stellen. Het Agentschap kan alle documenten, in om het even welke vorm, opvragen bij de instellingen en bedrijven waar het de controle uitoefent.
  Het bevordert en coördineert de onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden. Het knoopt bevoorrechte betrekkingen aan met de openbare instellingen die in het nucleaire domein werkzaam zijn, met de kringen van het wetenschappelijk onderzoek alsook met de betrokken internationale organisaties.

  Afdeling 10. - [1 Initiatiefrecht inzake het voorstellen van maatregelen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 14, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 24. Het Agentschap doet voorstellen aan de ministers onder wie het ressorteert aangaande maatregelen die de Koning krachtens deze wet oplegt.

  Art. 24bis. [1 De Koning kan de gevallen bepalen waarin het Agentschap reglementen met een technische en niet-beleidsmatige draagwijdte moet opstellen voor de uitvoering van de besluiten genomen in uitvoering van deze wet. Deze reglementen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-05-07/07, art. 6, 025; Inwerkingtreding : 30-10-2017>
  

  Afdeling 11. - [1 Bevoegdheid inzake toezicht op de opleiding, de informatie en de bescherming van de werknemers]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 15, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Onderafdeling 1. - [1 Algemene bevoegdheid inzake toezicht op de opleiding, de informatie en de bescherming van de werknemers]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 16, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 25. Binnen de grenzen van zijn bevoegdheid controleert het Agentschap de naleving door de exploitanten van hun verplichtingen inzake opleiding, informatie en bescherming van de werknemers.

  Onderafdeling 2. - [1 Bevoegdheid inzake het dosimetrisch toezicht]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 17, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 25/1. [1 In het kader van het dosimetrisch toezicht, beoogt deze onderafdeling :
   1° de opdrachten inzake het dosimetrisch toezicht, welke initieel waren toevertrouwd aan de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, over te dragen aan het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
   2° de Koning de nodige bevoegdheid toe te kennen teneinde de nadere regels te bepalen volgens welke het Agentschap het dosimetrisch toezicht zal waarnemen;
   3° een optimale bescherming te bieden voor aan dosimetrisch toezicht onderworpen personen, ondermeer door middel van de registratie van gegevens betreffende het dosimetrisch toezicht, het gezondheidstoezicht, de informatie en de opleiding van de betrokkenen;
   4° de Koning de nodige bevoegdheid toe te kennen teneinde de nadere regels te bepalen betreffende de werking en het gebruik van het blootstellingsregister;
   5° de overdracht aan het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle te regelen van de gegevens inzake het dosimetrisch toezicht van werknemers die beroepshalve worden of kunnen worden blootgesteld aan een uit ioniserende straling voortkomend risico, waarover de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg beschikt op het moment van de overheveling van de opdrachten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 18, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 25/2. [1 § 1. Het Agentschap wordt belast met de uitbouw en het beheer van een blootstellingregister.
   De Koning bepaalt de voorwaarden, de beperkingen en de nadere regels volgens dewelke het Agentschap deze opdracht vervult.
   § 2. De Koning bepaalt de vorm van het in § 1, eerste lid, bedoelde blootstellingregister en bepaalt tevens de voorwaarden en de nadere regels aangaande de uitbouw, het gebruik en de werking ervan. Hij stelt inzonderheid de regels vast aangaande de verplichtingen van de partijen die betrokken zijn bij de werking en het gebruik van het blootstellingsregister.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 19, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 25/3. [1 Het in artikel 25/2, § 1, eerste lid, bedoelde blootstellingsregister is van toepassing op :
   1° de werknemers tewerkgesteld in een inrichting die onderhevig is aan een vergunnings- of aangifteplicht overeenkomstig de bepalingen die voortvloeien uit artikel 17 en gelegen in België;
   2° de werknemers die tewerkgesteld zijn in een Belgische vestigingseenheid van een externe onderneming en die opdrachten met blootstellingsrisico uitvoeren, in België of in het buitenland;
   3° de zelfstandigen die verantwoordelijk zijn voor een inrichting die onderhevig is aan een vergunnings- of aangifteplicht overeenkomstig de bepalingen die voortvloeien uit artikel 17, gelegen is in België en die als aan dosimetrisch toezicht onderworpen personen worden beschouwd;
   4° de zelfstandige externe werkers die onderworpen zijn aan de Belgische sociale zekerheid en in België of in het buitenland opdrachten met blootstellingsrisico uitvoeren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 20, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 25/4. [1 De gegevens van het in artikel 25/2, § 1, eerste lid, bedoelde blootstellingsregister zijn afkomstig van :
   1° de authentieke bronnen;
   2° de diensten voor fysische controle;
   3° de dosimetrische diensten;
   4° de exploitanten;
   5° de externe ondernemingen;
   6° de erkende geneesheren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 21, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 25/5.[1 De gegevens opgenomen in het blootstellingsregister worden bewaard tot vijftig jaar na de professionele activiteiten die een blootstelling aan ioniserende stralingen hebben meegebracht en tot dertig jaar na het overlijden van de aan dosimetrisch toezicht onderworpen persoon.
  [2 De gegevens opgenomen in het blootstellingsregister mogen gebruikt worden voor statistische doeleinden.]2
   Na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijnen, worden de in het blootstellingsregister opgenomen gegevens verder bewaard onder de vorm van anonieme gegevens, met het oog op een latere verwerking ervan zoals bedoeld in de uitvoeringsmaatregelen genomen met toepassing van artikel 4 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens en met het oog op statistisch en/ of beleidsonderzoek inzake beroepsziekten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 22, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  (2)<W 2019-04-22/22, art. 3, 031; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 25/6.[1 Het in artikel 25/2, § 1, eerste lid, bedoelde blootstellingsregister bevat de volgende gegevens :
   1° voor elke aan dosimetrisch toezicht onderworpen persoon, elke externe onderneming en elke exploitant bevat het blootstellingsregister de relevante gegevens betreffende de identiteit, de woonplaats of in voorkomend geval de vestigingseenheid, [2 ...]2 en de taalrol van de betrokken rechtspersoon of natuurlijke persoon;
   2° voor elke externe onderneming en exploitant bevat het blootstellingsregister :
   a) de gegevens van de contactperso(o)n(en);
   b) indien het gaat om exploitanten, hun activiteitensector(en) volgens de keuzelijst bepaald door de Koning;
   c) de aangeduide dienst(en) voor fysische controle, indien van toepassing;
   d) de erkende geneeshe(e)r(en) of de externe dienst(en) voor preventie en bescherming op het werk;
   e) de aangeduide dosimetrische dienst(en), indien van toepassing;
   3° voor elke aan dosimetrisch toezicht onderworpen persoon bevat het blootstellingsregister de gegevens betreffende diens arbeidsrelatie tot de exploitant en / of de externe onderneming zoals bepaald door de Koning, dewelke noodzakelijk zijn om een adequaat dosimetrisch toezicht te garanderen;
   4° voor iedere dosis van een aan dosimetrisch toezicht onderworpen persoon, bevat het blootstellingsregister de dosisgegevens evenals de gerelateerde gegevens zoals bepaald door de Koning, die toelaten om een schatting te maken van de opgelopen dosis, en die onmisbaar zijn om een adequaat dosimetrisch toezicht te garanderen;
   5° voor elk medisch onderzoek in het kader van het gezondheidstoezicht bedoeld in het koninklijk besluit van 28 mei 2003 betreffende het gezondheidstoezicht op de werknemers, bevat het blootstellingsregister de door de Koning bepaalde informatie, die toelaat te oordelen over de medische geschiktheid van de aan dosimetrisch toezicht onderworpen persoon om de betrokken beroepsactiviteiten uit te voeren;
   6° voor elke gevolgde algemene vorming inzake stralingsbescherming zoals bedoeld door de Koning, alsook voor elke specifieke vorming inzake stralingsbescherming gericht op een werkpost of een taak, bevat het blootstellingsregister de informatie die door de Koning onmisbaar wordt beschouwd om te oordelen over de kennis inzake stralingsbescherming die noodzakelijk is om de betrokken beroepsactiviteiten te kunnen uitoefenen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 23, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  (2)<W 2019-04-22/22, art. 4, 031; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 25/7.[1 Hebben toegang tot het in artikel 25/2, § 1, eerste lid, bedoelde blootstellingsregister :
   1° de personeelsleden aangewezen door de overheidsdiensten belast met het toezicht op de naleving van de regels betreffende het gezondheidstoezicht bedoeld in de uitvoeringsmaatregelen genomen met toepassing van artikel 4, § 1, van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, van de aan dosimetrisch toezicht onderworpen personen;
   2° het Agentschap;
   3° de beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg aangewezen door de verantwoordelijke voor de verwerking;
   4° de [2 functionaris voor gegevensbescherming]2 aangewezen door het Agentschap;
   5° de exploitanten gevestigd in België voor wat betreft :
   a) de in artikel 25/6, 1° en 2°, bedoelde basisgegevens die op henzelf betrekking hebben;
   b) de in artikel 25/6 bedoelde gegevens die betrekking hebben op hun eigen werknemers;
   c) de in artikel 25/6 bedoelde gegevens die betrekking hebben op de externe werkers die in hun inrichting, die onderhevig is aan een vergunnings- of aangifteplicht overeenkomstig de bepalingen die voortvloeien uit artikel 17, een opdracht met blootstellingsrisico uitvoeren met inbegrip van de gegevens betreffende de verhouding tot hun externe onderneming of in voorkomend geval de modaliteiten van tewerkstelling bij hun externe onderneming;
   d) de in artikel 25/6, 1° en 2°, bedoelde basisgegevens van de externe onderneming die externe werkers tewerkstelt in de eigen inrichting die onderhevig is aan een vergunnings- of aangifteplicht overeenkomstig de bepalingen die voortvloeien uit artikel 17;
   6° de externe ondernemingen die aan dosimetrisch toezicht onderworpen personen tewerkstellen, voor wat betreft :
   a) de in artikel 25/6, 1° en 2°, bedoelde basisgegevens die op henzelf betrekking hebben;
   b) de in artikel 25/6 bedoelde die betrekking hebben op hun werknemers;
   7° de diensten voor fysische controle ingericht of aangewezen door de exploitanten bedoeld in het punt 5° van dit artikel, voor wat betreft de gegevens bedoeld in artikel 25/6 van de aan dosimetrisch toezicht onderworpen personen die zij voor deze exploitanten opvolgen;
   8° de erkende geneesheren voor wat betreft de gegevens bedoeld in artikel 25/6 van de aan dosimetrisch toezicht onderworpen personen waarop zij het gezondheidstoezicht uitoefenen;
   9° de erkende dosimetrische diensten voor wat betreft de door hen aangeleverde gegevens bedoeld in artikel 25/6, 4°;
   10° de aan dosimetrisch toezicht onderworpen personen voor wat betreft de gegevens bedoeld in artikel 25/6 die op hen betrekking hebben;
   11° het Fonds der Beroepsziekten wat de in artikel 25/6, 1° tot 5°, bedoelde persoonsgegevens betreft. De Koning kan de toegang tot het register uitbreiden naar andere categorieën van gebruikers voor zover zij noodzakelijkerwijze over de gegevens dienen te beschikken voor het uitvoeren van hun opdracht. Hij bepaalt tevens de nadere regels voor het invoeren en het raadplegen van de gegevens evenals de rechten en plichten van de gebruikers.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 24, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  (2)<W 2019-04-22/22, art. 5, 031; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 25/8. [1 Het Agentschap wordt tevens belast met het aanmaken en afleveren van de stralingspaspoorten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 25, 023; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 25/9. [1 § 1. Voorafgaandelijk aan de uitvoering in het buitenland van een opdracht met blootstellingsrisico wordt een stralingspaspoort afgeleverd aan een externe werker die tewerkgesteld is in een Belgische vestigingseenheid van een externe onderneming.
   § 2. Overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels, sluit de externe onderneming een overeenkomst af met de betrokken exploitant, teneinde de externe werker een equivalente bescherming te garanderen als die waarover de werknemers van de exploitant beschikken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 26, 023; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 25/10. [1 Het stralingspaspoort bevat enerzijds gegevens die afkomstig zijn van het blootstellingsregister en anderzijds de dosisgegevens betreffende de dosissen die werden opgelopen bij het uitvoeren van opdrachten met blootstellingsrisico in het buitenland.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 27, 023; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 25/11. [1 De Koning bepaalt de voorwaarden, de beperkingen en de nadere regels volgens dewelke het Agentschap de in het artikel 25/8 bedoelde opdracht vervult.
   Hij bepaalt de vorm en de inhoud evenals de wijze van bijwerking van het stralingspaspoort.
   Hij stelt tevens de te respecteren regels vast betreffende de werking en het gebruik van het stralingspaspoort.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 28, 023; Inwerkingtreding : 29-08-2020>

  Art. 25/12.[1 De toepassing van deze onderafdeling en haar uitvoeringsbesluiten doet geen afbreuk aan de toepassing van [2 de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens]2, noch aan de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de uitoefening van de geneeskunde.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 29, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  (2)<W 2019-04-22/22, art. 6, 031; Inwerkingtreding : 31-05-2019>

  Art. 25/13. [1 De Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en het Agentschap sluiten een samenwerkingsovereenkomst betreffende de uitwisseling van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun respectievelijke toezichts-en controleopdrachten in het kader van het dosimetrisch toezicht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 30, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 25/14. [1 De koninklijke besluiten die in uitvoering van deze afdeling worden genomen, worden vooraf ter advies voorgelegd aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en aan de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 31, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 25/15. [1 Het Agentschap doet jaarlijks verslag aan de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk over de activiteiten en de bevindingen in het kader van het dosimetrisch toezicht zoals beschreven in deze onderafdeling. Dit verslag wordt gevoegd bij het jaarlijks activiteitenverslag van het Agentschap bedoeld in artikel 26, tweede lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 32, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Afdeling 12. - [1 Bevoegdheid inzake verspreiding van informatie]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 33, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 26. Het Agentschap is belast met de verspreiding van neutrale en objectieve informatie op nucleair gebied. Het zorgt voor het overbrengen van technische informatie inzake stralingsbescherming en nucleaire veiligheid. Het werkt, op initiatief van de minister van Binnenlandse Zaken, mee aan de informatieverstrekking aangaande de noodplannen die deze minister opstelt.
  Het stelt een jaarlijks activiteitenverslag op dat voorgelegd wordt aan de toezichthoudende overheden en bestemd is voor de Wetgevende Kamers.

  Afdeling 13. - [1 Bevoegdheid inzake arbitrage]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-26/17, art. 34, 023; Inwerkingtreding : 01-04-2017 (KB 2017-03-06/03, art. 1) >
  

  Art. 27. In afwijking van artikel 1676 van het Gerechtelijk Wetboek is het Agentschap bevoegd elk geschil bij overeenkomst aan arbitrage te onderwerpen.

  Hoofdstuk IIIbis. [1 De organisatie van de dienst medische stralingsfysica]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-04-19/24, art. 4, 032; Inwerkingtreding : 01-03-2020>
  

  Art. 27bis. [1 § 1. De vergunninghouder van een inrichting met medisch-radiologische installaties moet een dienst voor medische stralingsfysica oprichten, belast met de organisatie van de medische stralingsfysica binnen de inrichting, met inbegrip van de identificatie van de middelen, noodzakelijk om te voldoen aan de door de Koning bepaalde reglementaire eisen en aan de doelstellingen van de inrichting in het domein van de medische stralingsfysica.
   § 2. Tenzij ze beschikken over een toestel voor computertomografie of een toestel voor interventionele radiologie is de verplichting onder paragraaf 1 niet van toepassing op de inrichtingen van klasse III.
   De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bijkomende types van inrichtingen ontheffen van de in paragraaf 1 bedoelde verplichting.
   § 3. De Koning bepaalt de voorwaarden en de regels volgens welke aan meerdere vergunninghouders toegestaan kan worden een gemeenschappelijke dienst voor medische stralingsfysica op te richten, mits voorafgaande goedkeuring van het Agentschap.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-04-19/24, art. 5, 032; Inwerkingtreding : 01-03-2020>
  

  Art. 27ter.[1 § 1. De organisatie en de middelen van de dienst voor medische stralingsfysica zijn afhankelijk van de specifieke activiteitsdomeinen, van de technische uitrustingen en hun complexiteit, van het aantal behandelingen en onderzoeken en hun complexiteit, van activiteiten inzake patiëntveiligheid, kwaliteit en risicobeheer, en van, in voorkomend geval, onderwijs- en navorsingsactiviteiten in de inrichting. Het Agentschap houdt hierop toezicht.
   § 2. De Koning bepaalt:
   - de regels betreffende de opdrachten, de werking, de organisatie en de samenstelling van de dienst medische stralingsfysica alsook de vereiste bekwaamheden en opleidingen van de leden die er deel van uitmaken;
   - de regels betreffende de middelen waarover de dienst voor medische stralingsfysica moet beschikken voor de uitvoering van zijn opdracht;
   - de voorwaarden waaraan de persoon die de functie van hoofd van de dienst medische stralingsfysica uitoefent, moet voldoen, alsook:
   1° de bijzondere beschermingsmaatregelen die op hem/haar van toepassing zijn teneinde de onafhankelijkheid ten opzichte van de vergunninghouder te vrijwaren, in het kader van de uitoefening van zijn/haar functie;
   2° de nadere regels waaronder een einde kan gesteld worden aan zijn/haar functie.
   § 3. De Koning bepaalt de aard van de opdrachten van medische stralingsfysica waarvoor de tussenkomst van een krachtens artikel 19 erkende deskundige in de medische stralingsfysica vereist is.
   § 4. In de gevallen en volgens de door de Koning bepaalde nadere regels, kan het hoofd van de dienst medische stralingsfysica, voor de uitvoering van alle of een deel van de in paragraaf 3 bedoelde opdrachten, beroep doen op een externe erkende deskundige in de medische stralingsfysica.
   § 5. Het Agentschap houdt toezicht op de wijze waarop de dienst voor medische stralingsfysica zijn opdracht uitvoert.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-04-19/24, art. 6, 032; Inwerkingtreding : 01-03-2020>
  

  HOOFDSTUK IIIter. [1 - Milieueffectbeoordeling.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-12-06/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 16-01-2019>
  

  Art. 27/3. [1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
   - project:
   a) de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken;
   b) andere ingrepen in natuurlijk milieu of landschap;
   - vergunning: het besluit van de bevoegde overheid waardoor de opdrachtgever het recht verkrijgt om het project uit te voeren;
   - opdrachtgever: de aanvrager van een vergunning voor een particulier project of de overheidsinstantie die het initiatief tot een project neemt;
   - milieueffectbeoordeling: een proces bestaande uit:
   a) het opstellen van een milieueffectbeoordelingsrapport door de opdrachtgever;
   b) de uitvoering van de raadplegingen zoals bedoeld in artikel 27/5, §§ 6 tot 8 en artikel 27/6, § 5;
   c) het onderzoek van de in het milieueffectbeoordelingsrapport voorgestelde informatie en, in voorkomend geval, van alle aanvullende informatie die de persoon bedoeld in artikel 27/9, § 1, of de opdrachtgever verstrekt overeenkomstig artikel 27/9, § 4 en van alle relevante informatie verkregen in het kader van de raadplegingen bedoeld in artikel 27/5, § § 6 tot 8 en artikel 27/6, § 5;
   d) de gemotiveerde conclusie inzake de aanzienlijke effecten van het project op het milieu, waarbij rekening wordt gehouden met de resultaten van het onderzoek als bedoeld onder c) en, indien van toepassing, het eigen aanvullend onderzoek in de zin van artikel 27/9, § 4, en
   e) de integratie van de gemotiveerde conclusie, bedoeld in d), in de vergunning.
   - betrokken publiek: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de milieueffectbesluitvormingsprocedure;
   - milieueffectbeoordelingsrapport: een document dat, van een voorgenomen project en van de redelijkerwijze in beschouwing te nemen alternatieven, de te verwachten directe en indirecte gevolgen voor mens en milieu op het vlak van ioniserende stralingen analyseert en evalueert, en aangeeft hoe de aanzienlijke milieueffecten vermeden, beperkt, verholpen of gecompenseerd kunnen worden;
   - scopingadvies: een advies over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de door de opdrachtgever in het milieueffectbeoordelingsrapport op te nemen milieu-informatie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-12-06/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 16-01-2019>
  

  Art. 27/4. [1 § 1. Projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, worden, alvorens een vergunning wordt verleend en onder toezicht van het Agentschap, onderworpen aan een milieueffectbeoordeling inzake ioniserende stralingen.
   De milieueffectbeoordeling identificeert, beschrijft en beoordeelt de effecten inzake ioniserende stralingen geval per geval op de volgende factoren:
   a) de bevolking en de menselijke gezondheid;
   b) de biodiversiteit, met bijzondere aandacht voor de door de Europese regelgeving beschermde soorten en habitats;
   c) land, bodem, water, lucht en klimaat;
   d) materiële goederen, het cultureel erfgoed en het landschap;
   e) de samenhang tussen de in de bepalingen onder a) tot d) bedoelde factoren.
   Deze beoordeling omvat tevens de effecten, die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project voor relevante risico's op zware ongevallen en/of rampen.
   § 2. De Koning bepaalt welke projecten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordelingsrapport en de projecten voor dewelke de opmaak van een screeningsnota is vereist. De screeningsnota wordt opgesteld overeenkomstig een door de Koning vastgesteld modelformulier.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-12-06/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 16-01-2019>
  

  Art. 27/5. [1 § 1. De opdrachtgever voegt voor een project dat door de Koning overeenkomstig artikel 27/4, § 2, is aangewezen als onderworpen aan een milieueffectbeoordelingsrapport, op straffe van onvolledigheid van zijn vergunningsaanvraag, aan zijn vergunningsaanvraag toe:
   - hetzij een ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport indien toepassing wordt gemaakt van de procedure, zoals bedoeld in § 8;
   - hetzij een reeds door het Agentschap goedgekeurd milieueffectbeoordelingsrapport indien de aanvrager gebruik maakt van de keuzemogelijkheid die is vervat in artikel 27/6, § 1.
   In voorkomend geval beschikt de opdrachtgever over een termijn van 30 dagen te rekenen vanaf de mededeling dat de aanvraag onvolledig is, om zijn aanvraag te vervolledigen, bij gebreke waarvan de aanvraag onontvankelijk wordt verklaard.
   § 2. De opdrachtgever voegt voor elk project dat door de Koning overeenkomstig artikel 27/4, § 2, onderworpen is aan de opmaak van een screeningsnota, op straffe van onvolledigheid van zijn vergunningsaanvraag, een screeningsnota toe aan zijn vergunningsaanvraag.
   In voorkomend geval beschikt de opdrachtgever over een termijn van 30 dagen om zijn aanvraag te vervolledigen, bij gebreke waarvan de aanvraag onontvankelijk wordt verklaard.
   § 3. Het milieueffectbeoordelingsrapport wordt opgesteld op initiatief en op kosten van de opdrachtgever, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels en bevat minstens de informatie bepaald door de Koning.
   § 4. Indien de opdrachtgever hierom verzoekt, brengt het Agentschap, voorafgaand aan de opmaak van het milieueffectbeoordelingsrapport, een scopingadvies uit. Het verzoek van de opdrachtgever vermeldt minstens de specifieke kenmerken van het project en de te verwachten milieueffecten ervan.
   § 5. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de inhoud van het scopingadvies en de doorwerking ervan in het kader van de verdere procedure.
   § 6. Indien het Agentschap van oordeel is dat een project mogelijks aanzienlijke effecten inzake ioniserende stralingen kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie en/of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband ondertekend te Espoo op 25 februari 1991 en/of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten daarom verzoeken, bezorgt het Agentschap aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten naar gelang het geval de volgende informatie:
   a) een afschrift van het gemotiveerd verzoek bedoeld in § 4;
   b) het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport, bedoeld in § 8 en artikel 27/6, § 1.
   In elk geval bevat deze de informatie over de aard van het project waarvoor de vergunning wordt aangevraagd.
   Het Agentschap vermeldt steeds de termijn waarbinnen de bevoegde autoriteiten hun bezwaren en opmerkingen aan het Agentschap kunnen meedelen. Deze termijn bedraagt ten minste dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de ontvangst van het afschrift van het verzoek. Indien het Agentschap binnen de door haar verleende termijn geen bezwaren en/of opmerkingen ontvangt van de betrokken autoriteiten, mag aan de vereiste van inspraak van het publiek voorbij worden gegaan.
   Het Agentschap houdt rekening met de resultaten van deze inspraak van het publiek wanneer zij het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport beoordeelt overeenkomstig § 9 en artikel 27/6, § 2.
   De Koning stelt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels vast betreffende de wijze waarop de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, bedoeld in het eerste lid, hun bezwaren en opmerkingen op het goedgekeurde of ontwerp milieueffectbeoordelingsrapport en het voorgenomen project kunnen meedelen en betreffende de wijze waarop hierover overleg wordt gepleegd.
   § 7. Het Agentschap verzoekt de betrokken overheden en instanties om een advies te verlenen over de inhoud van het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport in het kader van het scopingadvies, bedoeld in § 4 en in het kader van het openbaar onderzoek, bedoeld in § 8 en artikel 27/6, § 1.
   Het Agentschap houdt rekening met de resultaten van deze advisering wanneer zij het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport beoordeelt overeenkomstig § 9 en artikel 27/6, § 2.
   De Koning stelt de lijst van de te raadplegen overheden en instanties evenals de nadere procedureregels voor deze advisering vast.
   § 8. De opdrachtgever dient desgevallend zijn vergunningsaanvraag, met inbegrip van een ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport, in bij het Agentschap met het oog op de behandeling ervan. De Koning bepaalt de nadere regels van deze indiening.
   Het Agentschap onderwerpt de vergunningsaanvraag, met inbegrip van het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport, aan een openbaar onderzoek. Tijdens het openbaar onderzoek kan het betrokken publiek schriftelijk bezwaren en opmerkingen formuleren.
   Onverminderd de toepassing van artikel 2bis wordt in het kader van het openbaar onderzoek de informatie bedoeld in § 1 ter beschikking gesteld van het publiek. Tevens wordt het publiek ervan in kennis gesteld of de procedure bedoeld in § 6 al dan niet van toepassing is.
   De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de organisatie van het openbaar onderzoek.
   § 9. Het Agentschap bezorgt haar beslissing betreffende de goed- of afkeuring van het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport binnen een termijn van 60 dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de resultaten van het openbaar onderzoek, aan:
   a) de opdrachtgever, door betekening;
   b) de betrokken overheden en instanties bedoeld in § 7;
   c) in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten, bedoeld in § 6;
   d) de overheid die een beslissing over de vergunningsaanvraag voor het project zal nemen.
   Het Agentschap keurt het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport af indien de bevraging, bedoeld in §§ 6 en 7 of de opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend nopen tot een essentiële wijziging van het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport.
   Als het Agentschap het milieueffectbeoordelingsrapport afkeurt, wordt de vergunningsprocedure van rechtswege stopgezet.
   De in het eerste lid bedoelde termijn kan door het Agentschap eenmalig worden verlengd met maximaal 60 dagen indien uitzonderlijke omstandigheden dit noodzaken, bijvoorbeeld afhankelijk van de aard, de complexiteit, de locatie of de omvang van het project. Het Agentschap stelt de opdrachtgever in kennis van de verlenging en maakt melding van de bijkomende termijn.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-12-06/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 16-01-2019>
  

  Art. 27/6. [1 § 1. In afwijking op hetgeen is bepaald in artikel 27/5 § 8, beschikt de opdrachtgever over de mogelijkheid om, voorafgaand aan zijn vergunningsaanvraag, de organisatie van een openbaar onderzoek betreffende het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport te verzoeken. Deze mogelijkheid geldt enkel voor vergunningsaanvragen voor projecten die door de Koning zijn aangeduid als een vergunningsplichtige inrichting klasse 1.
   Indien hij toepassing wenst te maken van deze keuzemogelijkheid, dient de opdrachtgever het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport in bij het Agentschap met het oog op de goedkeuring ervan. De nadere regels van deze indiening worden door de Koning bepaald.
   Het Agentschap onderwerpt dit ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport aan een openbaar onderzoek vooraleer zij het ontwerp beoordeelt overeenkomstig § 2. Tijdens het openbaar onderzoek kan het betrokken publiek schriftelijk bezwaren en opmerkingen formuleren.
   Onverminderd de toepassing van artikel 2bis wordt in het kader van het openbaar onderzoek de informatie bedoeld in artikel 27/5, § 1 ter beschikking gesteld aan het publiek. Tevens wordt het publiek ervan in kennis gesteld of de procedure bedoeld in artikel 27/5, § 6 al dan niet van toepassing is.
   De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de organisatie van het openbaar onderzoek.
   § 2. Het Agentschap bezorgt haar beslissing betreffende de goed- of afkeuring van het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport binnen een termijn van 60 dagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de resultaten van het openbaar onderzoek, aan:
   a) de opdrachtgever, door betekening;
   b) de betrokken overheden en instanties bedoeld in artikel 27/5, § 7;
   c) in voorkomend geval de bevoegde autoriteiten, bedoeld in artikel 27/5, § 6.
   Het Agentschap keurt het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport af indien de bevraging, bedoeld in artikel 27/5, § § 6 en 7 of de opmerkingen en bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn ingediend nopen tot een essentiële wijziging van het ontwerp van milieueffectbeoordelingsrapport.
   De in het eerste lid bedoelde termijn kan door het Agentschap eenmalig worden verlengd met maximaal 60 dagen indien uitzonderlijke omstandigheden dit noodzaken, bijvoorbeeld afhankelijk van de aard, de complexiteit, de locatie of de omvang van het project. Het Agentschap stelt de opdrachtgever in kennis van de verlenging en maakt melding van de bijkomende termijn.
   § 3. De Koning stelt nadere regels vast betreffende de wijze waarop de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen en/of gewesten, bedoeld in artikel 27/5, § 6, hun bezwaren en opmerkingen op het goedgekeurde milieueffectbeoordelingsrapport en het voorgenomen project kunnen meedelen en betreffende de wijze waarop hierover overleg wordt gepleegd.
   § 4. Vanaf de betekening van de goedkeuringsbeslissing, bedoeld in § 2, en onverminderd artikel 2bis, liggen het milieueffectbeoordelingsrapport en de goedkeuringsbeslissing ter inzage bij het Agentschap.
   § 5. In het kader van de vergunningsprocedure ziet het Agentschap toe op de organisatie van een openbaar onderzoek betreffende de vergunningsaanvraag. Het openbaar onderzoek heeft in elk geval betrekking op het goedgekeurd milieueffectbeoordelingsrapport, bedoeld in § 1, en/of de screeningsnota, bedoeld in artikel 27/4, § 2.
   Tijdens het openbaar onderzoek kan het betrokken publiek schriftelijk bezwaren en opmerkingen formuleren. Deze bezwaren en opmerkingen kunnen evenwel geen betrekking hebben op de inhoudsafbakening, de inhoud en de detaillering van een reeds definitief goedgekeurd milieueffectbeoordelingsrapport voor zover een openbaar onderzoek plaatsvond, zoals bedoeld in § 1.
   In het kader van het openbaar onderzoek wordt onverminderd de toepassing van artikel 2bis de informatie bedoeld in artikel 27/5, § 1, ter beschikking gesteld van het publiek. Tevens wordt het publiek ervan in kennis gesteld of de procedure bedoeld in artikel 27/5, § 6 al dan niet van toepassing is.
   In geval van toepassing van artikel 27/5, § 6 worden de hierin bedoelde overheden en instanties op de hoogte gebracht van dit openbaar onderzoek.
   De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de organisatie van het openbaar onderzoek.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-12-06/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 16-01-2019>
  

  Art. 27/7. [1 § 1. De bevoegde overheid voor het verlenen van vergunningen, houdt op met redenen omklede wijze rekening met de resultaten van de milieueffectenbeoordeling, de aanvullende informatie bedoeld in artikel 27/9, § 4 evenals met de resultaten van de onder dit hoofdstuk voorziene advisering en openbare onderzoek(en). De bevoegde overheid wint in het kader van de vergunningsprocedure alleszins het advies in van de betrokken overheden en instanties, bedoeld in artikel 27/5, § 7.
   § 2. De betrokken overheden en instanties, bedoeld in artikel 27/5, § 7, verlenen in het kader van de vergunningsprocedure een advies over de vergunningsaanvraag in zijn geheel, met inbegrip van het milieueffectbeoordelingsrapport. Zij verlenen hun advies binnen een termijn die niet korter mag zijn dan de duurtijd van het openbaar onderzoek. Bij gebrek aan een advies binnen deze termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
   De Koning bepaalt de nadere regels inzake de advisering, bedoeld in het eerste lid.
   § 3. De vergunning vermeldt desgevallend de in acht te nemen monitoringsmaatregelen.
   De Koning bepaalt de nadere regels inzake monitoring.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-12-06/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 16-01-2019>
  

  Art. 27/8. [1 § 1. Het Agentschap kan in uitzonderlijke gevallen en op met redenen omkleed verzoek van de opdrachtgever voor een bepaald project een vrijstelling verlenen van de bepalingen inzake de milieueffectbeoordeling indien de toepassing van deze bepalingen negatieve gevolgen zou hebben voor het doel van het project, mits aan de doelstellingen van de milieueffectbeoordeling wordt voldaan. In dit geval:
   a) gaat het Agentschap na of er geen andere vorm van beoordeling geschikt is;
   b) stelt het Agentschap, onverminderd artikel 2bis, de gegevens die zijn verzameld door andere vormen van beoordeling zoals bedoeld onder a), alsmede de gegevens over en de redenen van de vrijstelling ter beschikking van het publiek.
   De Koning bepaalt de inhoud van het met redenen omklede verzoek, bedoeld in het eerste lid.
   § 2. In andere gevallen dan dewelke bedoeld in § 1, kan het Agentschap een project of een onderdeel ervan, op met redenen omkleed verzoek van de opdrachtgever, vrijstellen van de bepalingen inzake de milieueffectbeoordeling op voorwaarde dat dit project of de onderdelen ervan uitsluitend de respons op civiele noodsituaties of defensie tot doel hebben en het Agentschap oordeelt dat de toepassing van de bepalingen inzake de milieueffectbeoordeling nadelige gevolgen zou hebben voor het doel van het project.
   De Koning bepaalt de inhoud van het met redenen omklede verzoek, bedoeld in het eerste lid.
   § 3. De vrijstelling, bedoeld in §§ 1 en 2, wordt verleend voor een beperkte duur. Zij vervalt als het project niet wordt aangevangen binnen de termijn. Die termijn mag in geen geval langer zijn dan vier jaar.
   § 4. Het Agentschap kan aan de vrijstellingen, bedoeld in dit artikel, tevens voorwaarden verbinden. De vrijstellingsbeslissing wordt bekendgemaakt, ter inzage gelegd bij het Agentschap en aan de opdrachtgever betekend.
   De opdrachtgever die een vrijstelling, bedoeld in dit artikel, bekomt, voegt de vrijstellingsbeslissing bij zijn vergunningsaanvraag.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-12-06/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 16-01-2019>
  

  Art. 27/9. [1 § 1. Het milieueffectbeoordelingsrapport, wordt opgemaakt door de personen die daartoe werden erkend door het Agentschap.
   § 2. De Koning stelt de criteria voor de erkenning vast.
   De Koning regelt bij koninklijk besluit, na advies van het Agentschap, de procedure tot toekenning en intrekking van deze erkenningen en de regels die ertoe strekken om de objectiviteit te verzekeren van de erkende personen bij het vervullen van hun taken. De erkende personen mogen geen belang hebben bij het voorgenomen project of de alternatieven, noch betrokken worden bij de latere uitvoering van het project. Ze voeren hun opdracht volledig onafhankelijk uit.
   Iedere erkenning wordt verleend voor een duur van 5 jaar, die telkens hernieuwbaar is voor een maximum termijn van 5 jaar.
   § 3. Tijdens het opstellen van het milieueffectbeoordelingsrapport overleggen de personen bedoeld in § 1 met het Agentschap.
   § 4. Het Agentschap kan zowel de personen bedoeld in § 1 als de opdrachtgever verzoeken om aanvullende informatie die rechtstreeks ter zake doend is om te komen tot een gemotiveerde conclusie inzake de mogelijke aanzienlijke effecten van het project.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-12-06/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 16-01-2019>
  

  Art. 27/10. [1 § 1. De Koning stelt de nadere regels vast in verband met de procedure, de inhoud, de voorwaarden en de vorm waaraan de in dit hoofdstuk bedoelde milieueffectbeoordelingsrapport en milieueffectbeoordeling dienen te voldoen.
   § 2. De Koning bepaalt welke vergoedingen de opdrachtgever dient te betalen om de kosten van de in dit hoofdstuk vereiste onderzoeken en de administratieve kosten te dekken.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-12-06/36, art. 6, 028; Inwerkingtreding : 16-01-2019>
  

  HOOFDSTUK IV. [1 - De organisatie van de fysische controle]1
  ----------
  (1)<W 2017-05-07/07, art. 7, 025; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 28.[1 § 1. De vergunninghouder is onder alle omstandigheden verantwoordelijk voor de bescherming van de werknemers, de bevolking en het leefmilieu tegen de gevaren of gezondheidsnadelen die kunnen voortvloeien uit de uitoefening van zijn handeling. Deze verantwoordelijkheid kan niet worden gedelegeerd.
   § 2. Iedere vergunninghouder moet een dienst voor fysische controle aanstellen voor de handeling waarvoor hij verantwoordelijk is.
   De opdrachten toegewezen aan de dienst voor fysische controle doen geen afbreuk aan het gezag en de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder.
   § 3. De Koning bepaalt de voorwaarden en de regels volgens welke aan meerdere vergunninghouders toegestaan kan worden een gemeenschappelijke dienst voor fysische controle op te richten.]1
  ----------
  (1)<W 2017-05-07/07, art. 8, 025; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 29.[1 § 1. De Koning bepaalt :
   - de regels betreffende de opdrachten, de werking, de organisatie en de samenstelling van de dienst voor fysische controle alsook de vereiste bekwaamheden en opleidingen van de leden die er deel van uitmaken;
   - de regels betreffende de minimale werkingsmiddelen waarover de dienst voor fysische controle moet beschikken;
   - de voorwaarden waaraan de persoon die de functie van hoofd van de dienst fysische controle uitoefent, moet voldoen, alsook :
   1° de bijzondere beschermingsmaatregelen die op hem/haar van toepassing zijn teneinde de onafhankelijkheid ten opzichte van de werkgever en de werknemers te vrijwaren, in het kader van de uitoefening van zijn/haar functie;
   2°de nadere regels waaronder een einde kan gesteld worden aan zijn/haar functie.
   § 2. De Koning bepaalt de aard van de opdrachten van fysische controle waarvoor de tussenkomst van een krachtens artikel 30 erkende deskundige vereist is.
   § 3. Voor sommige handelingen met een beperkt veiligheidsrisico die door de Koning worden bepaald, kan de vergunninghouder, onder zijn verantwoordelijkheid, de uitvoering van de in § 2 bedoelde opdrachten voor fysische controle, toevertrouwen aan een deskundige van een instelling voor fysische controle, die daartoe krachtens artikel 29bis is erkend.
   § 4. De vergunninghouder verzekert de coördinatie tussen de dienst voor fysische controle en de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, opgericht krachtens de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Het hoofd van de dienst voor fysische controle coördineert zijn optreden met de bevoegde preventieadviseur en de erkende arbeidsgeneesheer van de vergunninghouder. De Koning kan maatregelen vaststellen om de samenwerking tussen alle betrokkenen te bevorderen.
   § 5. Het Agentschap houdt toezicht op de wijze waarop de dienst voor fysische controle zijn opdracht uitvoert. Het keurt de beslissingen van de dienst voor fysische controle goed in de door de Koning bepaalde gevallen.]1
  ----------
  (1)<W 2017-05-07/07, art. 9, 025; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 29bis. [1 § 1. De instellingen voor fysische controle worden erkend door het Agentschap. Iedere eerste erkenning wordt toegekend voor een duur van maximum zes jaar. Deze kan verlengd worden voor perioden van maximum zes jaar. De erkenning kan beperkt zijn tot bepaalde handelingen.
   De erkenning kan worden geschorst, opgeheven of ingetrokken door het Agentschap.
   § 2. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder en de nadere regels volgens dewelke de in paragraaf 1 bedoelde erkenning wordt verleend, geschorst, opgeheven of ingetrokken.
   De Koning bepaalt tevens de verplichtingen en de onverenigbaarheden waaraan de instellingen voor fysische controle zijn onderworpen, alsook de werking ervan.
   § 3. Het Agentschap houdt toezicht op de werking van de instellingen voor fysische controle. De Koning bepaalt de nadere regels van dit toezicht.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-05-07/07, art. 10, 025; Inwerkingtreding : 31-12-2018>
  

  Art. 30.[1 § 1. De deskundige in de fysische controle wordt erkend door het Agentschap. Iedere eerste erkenning wordt toegekend voor een duur van maximum zes jaar. Deze kan verlengd worden voor perioden van maximum zes jaar. De erkenning kan beperkt zijn tot bepaalde handelingen.
   De erkenning kan worden geschorst, opgeheven of ingetrokken door het Agentschap.
   § 2. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder en de nadere regels volgens dewelke de in paragraaf 1 bedoelde erkenning wordt verleend, geschorst, opgeheven of ingetrokken.]1
  ----------
  (1)<W 2017-05-07/07, art. 11, 025; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  HOOFDSTUK V. - Middelen, begroting, rekeningen.

  Art. 30bis. <Ingevoegd bij W 2007-05-15/41, art. 3; Inwerkingtreding : 01-09-2001> § 1. De bedragen van de jaarlijkse heffingen, die ten bate van het Agentschap worden geheven ten laste van houders van vergunningen en erkenningen, worden als volgt vastgesteld :
  (Tabel niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 08-06-2007, p. 31208-31209).
  § 2. Deze heffingen zijn verschuldigd door elke inrichting die op 1 januari van het begrotingsjaar vergund is, voor elke handeling die op 1 januari van dit jaar het voorwerp uitmaakt van een vergunning met een geldigheidstermijn van één jaar of meer en voor elke persoon of inrichting die op 1 januari van dit jaar is erkend voor een periode van één jaar of meer.
  § 3. In de loop van het eerste kwartaal van ieder begrotingsjaar verstuurt het Agentschap een betalingsbevel aan elke heffingsplichtige, dat het te betalen bedrag van de heffing vermeldt. Het jaarlijks te betalen bedrag van de heffing moet worden betaald op het in het betalingsbevel vermelde rekeningnummer van het Agentschap binnen twee maanden na de ontvangstdatum.
  Heffingen die niet zijn betaald binnen de in het eerste lid bepaalde termijn worden ambtshalve met 25 % verhoogd. De heffingsplichtigen ontvangen hiertoe een aanmaning van het Agentschap.
  Heffingen die niet zijn betaald binnen de vier maanden na de ontvangst van het betalingsbevel bedoeld in het eerste lid, worden ambtshalve met 50 % verhoogd. De heffingsplichtigen ontvangen hiertoe een tweede aanmaning van het Agentschap.
  § 4. De heffingen verschuldigd bij deze wet kunnen bij dwangbevel worden ingevorderd. De dwangbevelen worden bij deurwaardersexploot betekend.
  § 5. De Koning wijst de personen aan die de dwangbevelen uitsturen, uitvaardigen en uitvoerbaar maken.

  Art. 30bis/1.<ingevoegd bij W 2008-12-22/32, art. 271; Inwerkingtreding : 01-01-2009> § 1. De bedragen van de jaarlijkse heffingen, die ten bate van het Agentschap worden geheven ten laste van houders van vergunningen en erkenningen en geregistreerden, worden als volgt vastgesteld :
  

  
Omschrijving van deJaarJaarJaarJaarJaarvanaf het heffingsjaar
vergunde inrichting,200920102011201220132014
de vergunde of    [1 ....]1[1 ....]1
geregistreerde      
activiteit of de      
erkende persoon of      
diensten      
Kernreactoren voor2 5612 6122 6642 717  
elektriciteits-      
productie, per      
megawatt      
geinstalleerd      
vermogen      
Kernreactoren voor5 0005 1005 2025 306  
onderzoek met een      
thermisch vermogen      
van maximaal      
5 megawatt      
Inrichtingen van25 60526 11726 64027 172  
klasse 1, andere      
dan kernreactoren      
voor      
elektriciteits-      
productie en      
onderzoeksreactoren      
Kernreactoren voor25 60526 11726 64027 172  
onderzoek met een      
thermisch vermogen      
groter dan      
5 megawatt      
Ontmanteling van300 000306 000312 120318 362  
kernreactoren voor      
elektriciteits-      
productie      
Ontmanteling van12 80313 05913 32013 586  
kernreactoren voor      
onderzoek met een      
vermogen groter      
dan 5 megawatt.      
Ontmanteling van12 80313 05913 32013 586  
inrichtingen van      
klasse 1, andere      
dan kernreactoren      
voor      
elektriciteits-      
productie en      
onderzoeksreactoren      
Ontmanteling van2 5002 5502 6012 653  
kernreactoren voor      
onderzoek met een      
vermogen van      
maximaal 5 megawatt      
Inrichtingen voor10 00010 20010 40410 612  
het winnen en de      
conditionering van      
isotopen uit      
bestraalde      
splijtstof, voor      
zover zij niet      
onder klasse 1      
vallen      
Ontmanteling van de5 0005 1005 2025 306  
inrichtingen voor      
het winnen en de      
conditionering van      
isotopen uit      
bestraalde      
splijtstof, voor      
zover zij niet      
onder klasse 1      
vallen.      
Inrichtingen met een5 0005 1005 2025 306  
of meerdere      
deeltjesversnellers      
met uitzondering      
van versnellers      
voor de      
rechtstreekse      
behandeling van      
patienten      
Ontmanteling van2 5002 5502 6012 653  
inrichtingen met      
een of meerdere      
deeltjesversnellers      
met uitzondering      
van versnellers      
voor de      
rechtstreekse      
behandeling van      
patienten      
Inrichting met een5 0005 1005 2025 306  
vergunde activiteit      
van hoger dan      
1 000 TBq      
Ontmanteling van een2 5002 5502 6012 653  
inrichting met een      
vergunde activiteit      
van hoger dan      
1 000 TBq      
Inrichting van1 6001 6321 6651 698  
klasse 2 bestaande      
uit een of meerdere      
deeltjesversnellers      
voor de      
rechtstreekse      
bestraling van      
patienten      
Inrichtingen van1 6001 6321 6651 698  
klasse 2, andere      
dan deze bestaande      
uit een of meerdere      
deeltjesversnellers      
voor de      
rechtstreekse      
bestraling van      
patienten      
Inrichtingen van949698100  
klasse 3 bestaande      
uit een of meerdere      
RX-toestellen      
Inrichtingen van189193196200  
klasse 3, andere      
dan inrichtingen met      
een of meerdere      
RX-toestellen      
Beroepsactiviteiten604653666679  
waarbij natuurlijke      
stralingsbronnen      
aangewend worden en      
die door het      
Agentschap vergund      
zijn.      
Gebruik, buiten een200204208212  
vergunde      
inrichting, van      
bronnen van      
ioniserende      
stralingen die geen      
radioactieve      
stoffen bevatten.      
Geregistreerde480490499509  
invoerders die      
enkel radioactieve      
stoffen invoeren      
bestemd voor eigen      
gebruik      
Geregistreerde9609799991 019  
invoerders die      
radioactieve      
stoffen invoeren      
bestemd voor      
verdere verdeling      
Vervoerders van1 9201 9591 9982 038  
radioactieve      
stoffen, houders      
van een of meerdere      
algemene      
vervoervergunningen      
(het specifieke      
vervoer van      
ontmantelde      
bliksemafleiders      
uitgezonderd)      
Vervoerders van1 2801 3061 3321 359  
radioactieve      
stoffen, voor elke      
speciale      
vervoervergunning      
Houders van een3 2013 2653 3303 397  
vergunning voor      
het in de handel      
brengen van      
radioactieve      
producten bestemd      
voor in vivo      
gebruik of voor      
therapie in de      
geneeskunde of      
de diergeneeskunde      
Houders van een1 0671 0881 1101 132  
vergunning voor het      
in de handel      
brengen van      
radioactieve      
producten bestemd      
voor in vitro      
gebruik in de      
geneeskunde of de      
diergeneeskunde      
Voertuigen en32 00732 64733 30033 966  
vaartuigen met      
kernaandrijving      
(1)<Geschrapt door W 2012-03-29/08, art. 33, 019; Inwerkingtreding : 01-04-2012>


  § 2. De heffingen bedoeld in § 1 [3 en artikel 30bis/2]3 zijn verschuldigd door elke inrichting die op 1 januari van het begrotingsjaar vergund is, voor elke handeling die op 1 januari van dit jaar het voorwerp uitmaakt van een vergunning met een geldigheidstermijn van één jaar of meer en voor elke persoon of inrichting die op 1 januari van dit jaar is erkend of geregistreerd voor een periode van één jaar of meer.
  § 3. De bedragen van de jaarlijkse heffingen, die ten bate van het Agentschap worden geheven ten laste van de Nationale instelling voor radioactief afval en verrijkte splijtstoffen (NIRAS), worden als volgt vastgesteld :
  

  
InstellingProjectJaarJaarJaar
  200920102011
NIRASBerging van het afval1 150 0001 173 0001 196 460
 categorie A   
NIRASOnderzoeks- en1 020 0001 040 4001 061 208
 ontwikkelingsprogramma   
 met het oog op de   
 berging van afval van   
 de categorieen B en C.  



  
InstellingProjectJaarJaarBedrag van
  20122013toepassing
    vanaf het
    heffingsjaar
    2014.
NIRASBerging van het afval1 220 3891 244 7971 269 693
 categorie A   
NIRASOnderzoeks- en1 082 4321 104 0811 126 162
 ontwikkelingsprogramma   
 met het oog op de   
 berging van afval van   
 de categorieen B en C.  


  [2 § 3bis. De bedragen van de jaarlijkse heffingen die ten bate van het Agentschap worden geheven ten laste van het Studiecentrum voor Kernenergie, onverminderd de bedragen die deze exploitant verschuldigd is overeenkomstig § 1 en de artikelen 30bis/2 en 30bis/3 worden als volgt vastgesteld :
  

  
InstellingProjectJaar 2013Jaar 2014Jaar 2015
-----
EtablissementProjetAnnée 2013Année 2014Année 2015
Studiecentrum voor Kernenergie    
- Myrrha704 975719 075733 456
Centre d'Etude de l'Energie nucléaire   


  Deze bedragen zijn bestemd voor de diensten die het Agentschap moet leveren in het kader van het in het eerste lid vernoemde project Myrrha voor het Studiecentrum voor Kernenergie.
   Zodra de Koning overeenkomstig artikel 16, § 2, de vergunning die werd verleend aan het Studiecentrum voor Kernenergie of diens gemachtigde voor de inrichting die het voorwerp uitmaakt van dit project bevestigt, is de in deze paragraaf voor het desbetreffende project vermelde heffing niet langer verschuldigd. Het Studiecentrum voor Kernenergie of diens gemachtigde is het voorwerp van een gedeeltelijke ontheffing en wordt ambtshalve terugbetaald pro rata temporis, voor wat betreft het gedeelte van het begrotingsjaar dat nog niet verlopen is op het ogenblik van de inwerkingtreding van de bevestiging.]2
  Deze bedragen zijn bestemd voor de diensten die het Agentschap moet leveren [1 in het kader van de in het eerste lid bedoelde projecten]1 in opdracht van NIRAS.
  Zodra NIRAS of diens gemachtigde een vergunning ontvangt, is de in deze paragraaf voor het desbetreffende project vermelde heffing niet langer verschuldigd. Ze zijn het voorwerp van een gedeeltelijke ontheffing en worden ambtshalve terugbetaald pro rata temporis, voor wat betreft het gedeelte van het begrotingsjaar dat nog niet verlopen is op het ogenblik van het uitreiken van de vergunning.
  De Koning kan, eens de vergunning is uitgereikt, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad en te bekrachtigen bij wet binnen het jaar, bepalen dat een nieuw type vergunde inrichting, zijnde een bergingsinstallatie voor radioactief afval, wordt bijgevoegd aan artikel 30bis/1, § 1, met een jaarlijkse heffing te bepalen in datzelfde besluit.
  § 4. [5 Om geheel of gedeeltelijk de bestuurs-, werkings-, studie- en investeringskosten te dekken, voortvloeiend uit het nucleair en radiologisch noodplan voor het Belgisch grondgebied, wordt ten bate van de Staat een jaarlijkse heffing vastgesteld ten laste van de exploitanten van vermogensreactoren waarvan het bedrag voor het begrotingsjaar 2017 wordt vastgesteld als volgt :
  

  
Réacteur de puissance Vermogensreactor
Doel 1 302 109,48 € Doel 1 302 109,48 €
Doel 2 302 109,48 € Doel 2 302 109,48 €
Doel 3 701 898,70 € Doel 3 701 898,70 €
Doel 4 724 923,21 € Doel 4 724 923,21 €
Tihange 1 671 199,35 € Tihange 1 671 199,35 €
Tihange 2 703 294,12 € Tihange 2 703 294,12 €
Tihange 3 729 667,65 € Tihange 3 729 667,65 €

Vanaf het begrotingsjaar 2018 wordt, jaarlijks, in de loop van de maand mei, het bedrag van de heffing ten laste van de exploitanten van vermogensreactoren automatisch herzien op basis van de schommelingen van de gezondheidsindex volgens volgende formule :
   Heffing jaar X = [Heffing begrotingsjaar 2017 x gezondheidsindex januari X]/basisindex.
   De basisindex is de gezondheidsindex van toepassing voor de maand januari 2017 en de nieuwe index is de gezondheidsindex van toepassing in de loop van de maand januari die voorafgaat aan de herziening van het bedrag van de heffing.
   Deze heffing is verschuldigd vanaf het begrotingsjaar 2017 en wordt eenmaal per jaar geheven, in de loop van de maand mei.
   Deze heffing is niet langer verschuldigd voor een kernreactor voor elektriciteitsproductie waarvoor een vergunning tot ontmanteling is afgeleverd.
   Er wordt ten bate van de Staat een jaarlijkse heffing vastgesteld ten laste van exploitanten van kernreactoren voor elektriciteitsproductie waarvoor een vergunning tot ontmanteling is afgeleverd, tot de voltooiing van de ontmanteling van de betrokken reactoren.
   Het bedrag van deze heffing is gelijk aan dat van de heffing op vermogensreactoren, bepaald in het eerste lid. Eveneens is dezelfde indexatieformule van toepassing.
   De in het zesde lid bepaalde heffing is verschuldigd vanaf het jaar volgend op het afleveren van de vergunning tot ontmanteling.
   De heffing wordt vastgesteld in functie van de situatie tijdens het voorgaande jaar.
   Deze heffingen ten bate van de Staat worden gestort aan het Fonds voor de risico's van nucleaire ongevallen van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken.]5
  § 5. In de loop van het eerste kwartaal van ieder begrotingsjaar verstuurt het Agentschap een betalingsverzoek aan de heffingsplichtigen bedoeld in de §§ 1 en 3. Het betalingsverzoek vermeldt het te betalen bedrag van de heffing. Het jaarlijks te betalen bedrag van de heffing moet worden betaald op het in het betalingsverzoek vermelde rekeningnummer van het Agentschap.
  Voor de heffingen die niet zijn betaald voor het einde van de maand volgend op de maand waarin het betalingsverzoek werd verstuurd zendt het Agentschap een aanmaning per aangetekende brief. Indien aan deze aanmaning geen gevolg wordt gegeven binnen een periode van 14 kalenderdagen na ontvangst, wordt de heffing ambtshalve met 25 % verhoogd.
  Voor de heffing voorzien in § 4 verstuurt de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken een betalingsverzoek aan de heffingsplichtige. Het betalingsverzoek vermeldt het te betalen bedrag van de heffing. Het jaarlijks te betalen bedrag van de heffing moet worden betaald op het in het betalingsverzoek vermelde rekeningnummer.
  ----------
  (1)<W 2011-03-30/11, art. 9, 017; Inwerkingtreding : 18-04-2011>
  (2)<W 2012-03-29/08, art. 33, 019; Inwerkingtreding : 01-04-2012>
  (3)<W 2014-05-15/59, art. 3,1°, 022; Inwerkingtreding : 01-04-2012>
  (4)<W 2014-05-15/59, art. 3,2°, 022; Inwerkingtreding : 28-07-2014>
  (5)<W 2017-04-07/01, art. 2, 024; Inwerkingtreding : 12-04-2017>

  Art. 30bis/2.[1 De bedragen van de jaarlijkse heffingen, die ten bate van het Agentschap worden geheven ten laste van houders van vergunningen en erkenningen en van geregistreerden, worden als volgt vastgesteld :
  

  
Jaar 2013Jaar 2014Jaar 2015[1 Jaar 2016]1Omschrijving van de vergunde inrichting, de vergunde of geregistreerde activiteit of de erkende persoon of diensten
    REACTOREN
3.1093.172--Kernreactoren voor elektriciteitsproductie, per megawatt geïnstalleerd vermogen
--1.636. 9341.669.673Vermogensreactor Doel 1
--1.636. 9341.669.673Vermogensreactor Doel 2
--3.273. 8683.339.346Vermogensreactor Doel 3
--3.273. 8683.339.346Vermogensreactor Doel 4
--3.273. 8683.339.346Vermogensreactor Tihange 1
--3.273. 8683.339.346Vermogensreactor Tihange 2
--3.273. 8683.339.346Vermogensreactor Tihange 3
6.0726.1936.4716.600Kernreactoren voor onderzoek met een thermisch vermogen van maximaal 5 megawatt
31.09431.71633.13933.801Kernreactoren voor onderzoek met een thermisch vermogen groter dan 5 megawatt
364.304371.590388.256396.022Ontmanteling van kernreactoren voor elektriciteitsproductie
15.54715.85816.56916.901Ontmanteling van kernreactoren voor onderzoek met een thermisch vermogen groter dan 5 megawatt
3.0363.0973.2363.301Ontmanteling van kernreactoren voor onderzoek met een thermisch vermogen van maximaal 5 megawatt
    INRICHTINGEN VAN KLASSE I
31.09431.71633.13933.801Inrichtingen van klasse I, andere dan kernreactoren voor elektriciteitsproductie en onderzoeksreactoren
15.54715.85816.56916.901Ontmanteling van inrichtingen van klasse I, andere dan kernreactoren voor elektriciteitsproductie en onderzoeksreactoren
    INRICHTINGEN VAN KLASSE II
11.36111.58812.10812.350Inrichtingen van klasse II waar radioactieve stoffen worden gewonnen uit bestraalde splijtstoffen en waar deze worden geconditioneerd voor de verkoop.
5.6805.7946.0546.175Ontmanteling van de inrichtingen van klasse II waar radioactieve stoffen worden gewonnen uit bestraalde splijtstoffen en waar deze worden geconditioneerd voor de verkoop
5.6805.7946.0546.175Inrichtingen van klasse II met een of meerdere deeltjesversnellers die gebruikt worden voor onderzoek of voor de productie van radionucliden (met uitzondering van elektronische microscopen) alsook de inrichtingen waar deze deeltjesversnellers worden vervaardigd en/of getest
1.8181.8551.9381.977Inrichtingen van klasse II met een of meerdere deeltjesversnellers voor de rechtstreekse behandeling van patiënten
5.6805.7946.0546.175Andere inrichtingen van klasse II met een of meerdere deeltjesversnellers
2.8402.8973.0273.087Ontmanteling van inrichtingen van klasse II met een of meerdere deeltjesversnellers
5.6805.7946.0546.175Inrichting van klasse II waar zich bestralingsinstallaties bevinden met een bron waarvan de activiteit gelijk is aan of hoger ligt dan 100 TBq, met uitzondering van bestralingseenheden voor de behandeling van patiënten en met uitzondering van bronnen die in alle omstandigheden in hun afscherming blijven
5.6805.7946.0546.175Inrichtingen van klasse II waar radioactieve stoffen worden verpakt voor verkoop in industriële hoeveelheden
1.8181.8551.9381.977Andere inrichtingen van klasse II, dan deze reeds vermeld in deze tabel
    INRICHTINGEN VAN KLASSE III
107109114116Inrichtingen van klasse III bestaande uit een of meerdere RX - toestellen
214218228232Inrichtingen van klasse III, andere dan inrichtingen met een of meerdere RX - toestellen
    MOBIELE INSTALLATIES
36.36337.09038.75439.529Voertuigen en vaartuigen met kernaandrijving
227232242247De mobiele installaties en de tijdelijke of bij gelegenheid uitgevoerde werkzaamheden, uitgezonderd de mobiele toestellen uitsluitend gebruikt in het kader van de humane of diergeneeskunde, die röntgenstralen voortbrengen waarbij de nominale piekspanning 200 kV niet overschrijdt
227232242247Mobiele toestellen uitsluitend gebruikt in het kader van de humane of diergeneeskunde, die röntgenstralen voortbrengen waarbij de nominale piekspanning 200 kV niet overschrijdt.
    ACTIVITEITEN
727742775791Beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen aangewend worden en die door het Agentschap vergund zijn
545556581593Geregistreerde invoerders die enkel radioactieve stoffen invoeren bestemd voor eigen gebruik
1.0911.1131.1631.186Geregistreerde invoerders die radioactieve stoffen invoeren bestemd voor verdere verdeling
2.1822.2252.3252.371Vervoerders van radioactieve stoffen, houders van één of meerdere algemene vervoervergunningen (het specifieke vervoer van ontmantelde bliksemafleiders uitgezonderd)
1.4551.4841.5511.582Vervoerders van radioactieve stoffen, voor elke speciale vervoervergunning
3.6363.7093.8753.953Houders van een vergunning voor het in de handel brengen van radioactieve producten bestemd voor in vivo gebruik of voor therapie in de geneeskunde of de diergeneeskunde
1.2121.2361.2911.317Houders van een vergunning voor het in de handel brengen van radioactieve producten bestemd voor in vitro gebruik in de geneeskunde of de diergeneeskunde
(1)<W 2017-12-13/15, art. 11, 026; Inwerkingtreding : 08-01-2018>

]1
  ----------
  (1)<W 2014-05-15/59, art. 4, 022; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 30bis/3. [1 § 1. Een aanvullende heffing wordt voor het begrotingsjaar 2012 ten bate van het Agentschap geheven ten laste van de houders van vergunningen en erkenningen. De bedragen van deze aanvullende heffing, worden als volgt vastgesteld :
  

  
Omschrijving van de vergunde inrichting, de vergunde
   of geregistreerde activiteit of de erkende persoon of diensten
 
-Jaar/Année 2012
Description de l'établissement autorisé, de l'activité
   autorisée ou enregistrée ou des personnes ou services agréés
 
REACTOREN/REACTEURS
Kernreactoren voor elektriciteitsproductie, per megawatt geïnstalleerd vermogen 
- 331
Réacteurs nucléaires destinés à la production d'énergie électrique, par mégawatt de puissance installée 
Kernreactoren voor onderzoek met een thermisch vermogen van maximaal 5 megawatt 
- 647
Réacteurs nucléaires destinés à la recherche dont la puissance thermique ne dépasse pas 5 mégawatt 
Kernreactoren voor onderzoek met een thermisch vermogen groter dan 5 megawatt 
- 3 312
Réacteurs nucléaires destinés à la recherche dont la puissance thermique dépasse 5 mégawatt 
Ontmanteling van kernreactoren voor elektriciteitsproductie 
- 38 798
Démantèlement des réacteurs nucléaires destinés à la production d'énergie électrique 
Ontmanteling van kernreactoren voor onderzoek met een thermisch vermogen groter dan 5 megawatt 
- 1 656
Démantèlement des réacteurs nucléaires destinés à la recherche dont la puissance thermique dépasse 5 mégawatt 
Ontmanteling van kernreactoren voor onderzoek met een thermisch vermogen van maximaal 5 megawatt 
- 323
Démantèlement des réacteurs nucléaires destinés à la recherche dont la puissance thermique ne dépasse pas 5 mégawatt 
INRICHTINGEN VAN KLASSE I/ETABLISSEMENTS DE CLASSE I
Inrichtingen van klasse I, andere dan kernreactoren voor elektriciteitsproductie en onderzoeksreactoren 
- 3 312
Etablissements de classe I, autres que les réacteurs nucléaires destinés à la production d'énergie électrique et à la recherche 
Ontmanteling van inrichtingen van klasse I, andere dan kernreactoren voor elektriciteitsproductie en onderzoeksreactoren 
- 1 656
Démantèlement des établissements de classe I, autres que les réacteurs nucléaires destinés à la production d'énergie électrique et à la recherche

§ 2. De aanvullende heffingen bedoeld in § 1 zijn verschuldigd door elke inrichting die op 1 april van het begrotingsjaar 2012 vergund is, voor elke handeling die op 1 april 2012 het voorwerp uitmaakt van een vergunning waarvan de geldigheidstermijn minstens nog tot 31 december 2012 loopt en voor elke persoon of inrichting die op 1 april 2012 is erkend of geregistreerd voor een periode die minstens nog tot 31 december 2012 loopt.
   § 3. Er wordt voor het begrotingsjaar 2012 een bijkomende heffing ten bate van het Agentschap geheven ten laste van het Studiecentrum voor Kernenergie. Het bedrag van deze bijkomende heffing die wordt geheven onverminderd de bedragen die deze exploitant verschuldigd is overeenkomstig artikel 30bis /1, 30bis/2 of 30bis/3, § 1, wordt als volgt vastgesteld :
  

  
InstellingProjectJaar 2012
---
EtablissementProjetAnnée 2012
Studiecentrum voor Kernenergie  
- Myrrha691 152
Centre d'Etude de l'Energie nucléaire 

Deze bedragen zijn bestemd voor de diensten die het Agentschap moet leveren gedurende het begrotingsjaar 2012 in het kader van het in het eerste lid vernoemde project Myrrha voor het Studiecentrum voor Kernenergie.
   Zodra de Koning overeenkomstig artikel 16, § 2, de vergunning bevestigt die werd verleend aan het Studiecentrum voor Kernenergie of diens gemachtigde voor de inrichting die het voorwerp uitmaakt van dit project, is de in deze paragraaf voor het desbetreffende project vermelde heffing niet langer verschuldigd. Het Studiecentrum voor Kernenergie of diens gemachtigde is het voorwerp van een gedeeltelijke ontheffing en wordt ambtshalve terugbetaald pro rata temporis, voor wat betreft het gedeelte van het begrotingsjaar dat nog niet verlopen is op het ogenblik van de inwerkingtreding van de bevestiging.
   § 4. In de loop van het tweede begrotingskwartaal van het begrotingsjaar 2012 verstuurt het Agentschap een betalingsverzoek aan de heffingsplichtigen bedoeld in §§ 1 en 3. Het betalingsverzoek vermeldt het te betalen bedrag van de heffing. Het te betalen bedrag van de heffing moet worden betaald op het in het betalingsverzoek vermelde rekeningnummer van het Agentschap.
   Voor de heffingen die niet zijn betaald voor het einde van de maand volgend op de maand waarin het betalingsverzoek werd verstuurd zendt het Agentschap een aanmaning per aangetekende brief. Indien aan deze aanmaning geen gevolg wordt gegeven binnen een periode van 14 kalenderdagen na ontvangst, wordt de heffing ambtshalve met 25 % verhoogd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-03-29/08, art. 35, 019; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 30bis/4. [1 De bedragen van de jaarlijkse heffingen, die ten bate van het Agentschap worden geheven ten laste van houders van vergunningen en erkenningen en geregistreerden, worden als volgt vastgesteld:
  

  
Omschrijving van de vergunde inrichting, de vergunde, geregistreerde of erkende activiteit of de erkende personen of diensten
  
Bedrag van toepassing vanaf het heffingsjaar 2017
Vermogensreactor Doel 1
  
1 669 673
Vermogensreactor Doel 2
  
1 669 673
Vermogensreactor Doel 3
  
3 339 346
Vermogensreactor Doel 4
  
3 339 346
Vermogensreactor Tihange 1
  
3 339 346
Vermogensreactor Tihange 2
  
3 339 346
Vermogensreactor Tihange 3
  
3 339 346
Kernreactoren voor onderzoek met een thermisch vermogen van maximaal 5 megawatt
  
6 600
Kernreactoren voor onderzoek met een thermisch vermogen groter dan 5 megawatt
  
33 801
Ontmanteling van kernreactoren voor elektriciteitsproductie
  
396 022
Ontmanteling van kernreactoren voor onderzoek met een thermisch vermogen groter dan 5 megawatt
  
16 901
Ontmanteling van kernreactoren voor onderzoek met een thermisch vermogen van maximaal 5 megawatt
  
3 301
Inrichtingen van klasse I, andere dan kernreactoren voor elektriciteitsproductie en onderzoeksreactoren
  
33 801
Ontmanteling van inrichtingen van klasse I, andere dan kernreactoren voor elektriciteitsproductie en onderzoeksreactoren
  
16 901
Inrichtingen van klasse II waar radioactieve stoffen worden gewonnen uit bestraalde splijtstoffen en waar deze worden geconditioneerd voor de verkoop.
  
12 350
Ontmanteling van de inrichtingen van klasse II waar radioactieve stoffen worden gewonnen uit bestraalde splijtstoffen en waar deze worden geconditioneerd voor de verkoop
  
6 175
Inrichtingen van klasse II met een of meerdere deeltjesversnellers die gebruikt worden voor onderzoek of voor de productie van radionucliden (met uitzondering van elektronische microscopen) alsook de inrichtingen waar deze deeltjesversnellers worden vervaardigd en/of getest
  
6 175
Inrichtingen van klasse II met een of meerdere deeltjesversnellers voor de rechtstreekse behandeling van patiënten
  
1 977
Andere inrichtingen van klasse II met een of meerdere deeltjesversnellers
  
6 175
Ontmanteling van inrichtingen van klasse II met een of meerdere deeltjesversnellers
  
3 087
Inrichting van klasse II waar zich bestralingsinstallaties bevinden met een bron waarvan de activiteit gelijk is aan of hoger ligt dan 100 TBq, met uitzondering van bestralingseenheden voor de behandeling van patiënten en met uitzondering van bronnen die in alle omstandigheden in hun afscherming blijven
  
6 175
Inrichtingen van klasse II waar radioactieve stoffen worden verpakt voor verkoop in industriële hoeveelheden
  
6 175
Andere inrichtingen van klasse II, dan deze reeds vermeld in deze tabel
  
1 977
Inrichtingen van klasse III bestaande uit een of meerdere RX - toestellen
  
116
Inrichtingen van klasse III, andere dan inrichtingen met een of meerdere RX - toestellen
  
232
Voertuigen en vaartuigen met kernaandrijving
  
39 529
De mobiele installaties en de tijdelijke of bij gelegenheid uitgevoerde werkzaamheden, uitgezonderd de mobiele toestellen uitsluitend gebruikt in het kader van de humane of diergeneeskunde, die röntgenstralen voortbrengen waarbij de nominale piekspanning 200 kV niet overschrijdt
  
247
Mobiele toestellen uitsluitend gebruikt in het kader van de humane of diergeneeskunde, die röntgenstralen voortbrengen waarbij de nominale piekspanning 200 kV niet overschrijdt.
  
247
Beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen aangewend worden en die door het Agentschap vergund zijn
  
791
Geregistreerde invoerders die enkel radioactieve stoffen invoeren bestemd voor eigen gebruik
  
593
Geregistreerde invoerders die radioactieve stoffen invoeren bestemd voor verdere verdeling 1 186
Vervoerders van radioactieve stoffen, houders van één of meerdere algemene vervoervergunningen (het specifieke vervoer van ontmantelde bliksemafleiders uitgezonderd) 2 371
Vervoerders van radioactieve stoffen, voor elke speciale vervoervergunning 1 582
Vervoerder UN groep 1- over de weg
  
655
Vervoerder UN groep 1 - anders dan over de weg
  
655
Vervoerder UN groep 1 - over de weg- met onderaannemers
  
1 435
Vervoerder UN groep 1 - anders dan over de weg- met onderaannemers
  
1 435
Vervoerder UN groep 2 - over de weg
  
4 395
Vervoerder UN groep 2 - anders dan over de weg
  
2 135
Vervoerder UN groep 2 - over de weg - met onderaannemers
  
7 405
Vervoerder UN groep 2 - anders dan over de weg - met onderaannemers 3 990
Vervoerder UN groep 3 - over de weg
  
12 220
Vervoerder UN groep 3 - anders dan over de weg
  
4 410
Vervoerder UN groep 3 - over de weg- met onderaannemers
  
17 252
Vervoerder UN groep 3 - anders dan over de weg- met onderaannemers
  
6 615
Vervoerder UN groep 4 - over de weg
  
13 212
Vervoerder UN groep 4 - anders dan over de weg
  
5 215
Vervoerder UN groep 4 - over de weg - met onderaannemers
  
17 777
Vervoerder UN groep 4 - anders dan over de weg - met onderaannemers
  
6 615
Exploitant van een onderbrekingssite
  
11 027
Afhandelaar luchthaven
  
2 345
Havenskaai uitbater 2 345
Houders van vervoervergunningen waarbij de geldigheidsduur van de vergunning of de vergunningen langer is dan een jaar
  
2 450
Houders van een vergunning voor het in de handel brengen van radioactieve producten bestemd voor in vivo gebruik of voor therapie in de geneeskunde of de diergeneeskunde
  
3 953
Houders van een vergunning voor het in de handel brengen van radioactieve producten bestemd voor in vitro gebruik in de geneeskunde of de diergeneeskunde 1 317

Met ingang van 2018, worden de in euro uitgedrukte bedragen, bepaald in het eerste lid, gedurende een periode van vijf jaar, jaarlijks geïndexeerd met 2 %.
   Elk jaar publiceert het Agentschap een bericht in het Belgisch Staatsblad met de geïndexeerde bedragen van de jaarlijkse heffingen die van toepassing zijn in het lopende heffingsjaar.
   Na vijf jaar evalueert het Agentschap het forfaitaire indexcijfer.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2017-12-13/15, art. 12, 026; Inwerkingtreding : 08-01-2018>
  

  Art. 30ter. <Ingevoegd bij W 2007-05-15/41, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-2001> § 1. Voor de jaren 2001 tot 2006 worden de betalingsbevelen, die het Agentschap en het Fonds voor de risico's van nucleaire ongevallen in deze periode aan elke heffingsplichtige hebben gericht op basis van het koninklijk besluit van 24 augustus 2001 tot bepaling van de bedragen en de betalingswijze van de retributies geheven met toepassing van de reglementering betreffende de ioniserende stralingen, geacht betalingsbevelen te zijn in de zin van deze wet.
  § 2. Een vrijstelling van heffing, bedoeld in deze wet, wordt verleend aan de heffingsplichtigen die voor de jaren 2001 tot 2006 een jaarlijkse retributie hebben betaald op basis van het koninklijk besluit van 24 augustus 2001 tot bepaling van de bedragen en de betalingswijze van de retributies geheven met toepassing van de reglementering betreffende de ioniserende stralingen.

  Art. 30quater. <ingevoegd bij W 2008-12-22/32, art. 272; Inwerkingtreding : 01-01-2009> De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen dat retributies worden geheven :
  1° ten bate van het Agentschap ter gelegenheid van het indienen van een aangifte, van een aanvraag tot het bekomen van een vergunning, een toelating, een erkenning of een registratie en ten laste van de aanvrager of indiener;
  2° ten bate van de vennootschappen, verenigingen, samenwerkingsverbanden en andere juridische entiteiten, al dan niet bekleed met rechtspersoonlijkheid, opgericht door het Agentschap of optredend onder het toezicht en onder de verantwoordelijkheid ervan, om de kosten te dekken die voortvloeien uit de uitvoering van de controleopdrachten zoals omschreven in artikel 15.

  Art. 30quinquies.<ingevoegd bij W 2008-12-22/32, art. 273; Inwerkingtreding : 01-01-2009> [1 De heffingen, de bijkomende heffingen, de aanvullende heffingen en de retributies]1 verschuldigd krachtens deze wet kunnen door de Directeur-generaal van het Agentschap bij dwangbevel worden ingevorderd. De dwangbevelen worden betekend bij deurwaardersexploot.
  Het dwangbevel bevat een bevel om te betalen binnen de dertig kalenderdagen op straffe van tenuitvoerlegging door beslag, alsook een verantwoording van de gevorderde bedragen en een afschrift van de uitvoerbaarverklaring.
  De heffings- en retributieplichtige kan tegen het dwangbevel verzet aantekenen voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.
  Het verzet is, op straffe van nietigheid, met redenen omkleed; het dient gedaan te worden door middel van een dagvaarding aan het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle bij deurwaardersexploot betekend binnen de dertig kalenderdagen vanaf de betekening van het dwangbevel.
  Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel niet.
  De betekeningskosten van het dwangbevel evenals de kosten van tenuitvoerlegging of van bewarende maatregelen zijn ten laste van de schuldenaar, behoudens indien het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard in welk geval ze ten laste zijn van het Agentschap. De betekeningskosten worden bepaald volgens de regelen in acht te nemen voor de akten van de gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken.
  ----------
  (1)<W 2012-03-29/08, art. 36, 019; Inwerkingtreding : 01-04-2012>

  Art. 31.<L 2008-12-22/32, art. 274, 016; Inwerkingtreding : 01-01-2009> § 1. Het Agentschap wordt gefinancierd door :
  1° [1 de heffingen, bijkomende heffingen en aanvullende heffingen bedoeld in de artikelen 30bis, 30bis/1, 30bis/2, 30bis/3 [2 , 30bis/4]2 en 30ter;]1
  2° de retributies bedoeld in artikel 30quater § 1, 1°;
  3° de administratieve geldboetes zoals bedoeld in de artikelen 53 tot 64;
  4° de vergoedingen voor de bijkomende buitengewone prestaties, gevoegd bij de vergoedingen betaald door de natuurlijke en rechtspersonen bedoeld in artikel 30quater en vereist voor de uitoefening van zijn opdracht bedoeld in § 3;
  5° schenkingen en legaten;
  6° dotaties;
  [3 7° de vergoedingen bedoeld in artikel 16/1, § 2; 8° de vergoedingen bedoeld in artikel 27/10, § 2.]3
  De opbrengst van de retributies, geheven met toepassing van artikel 3bis van de wet van 29 maart 1958 betreffende de bescherming van de bevolking tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren, toegekend aan de diensten bevoegd op nucleair gebied die verbonden zijn aan het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en aan het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, wordt overgedragen naar de rekening van het Agentschap, volgens een kalender die wordt vastgesteld in akkoord tussen de Minister van Begroting en de Voogdijminister van het Agentschap.
  De middelen die tijdens het lopende begrotingsjaar uitgetrokken zijn op de begroting van deze diensten, worden opgevoerd op de begroting van het Agentschap.
  Onverminderd de bepalingen van artikel 45, § 1, neemt het Agentschap het geheel van de goederen, rechten en verplichtingen over, die werden verworven of aangegaan door de Staat middels de financiële middelen verworven krachtens artikel 3bis, § 1,1°, van voornoemde wet van 29 maart 1958. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de modaliteiten van de eigendomsoverdracht van de bezittingen van deze diensten. De archieven van de federale en provinciale diensten waarvan de bevoegdheden overgedragen worden aan het Agentschap overeenkomstig, hetzij de artikelen 14 en 51, hetzij artikel 16, komen toe aan het Agentschap.
  § 2. Alle kosten en investeringen verbonden aan de activiteiten van het Agentschap komen ten laste van de maatschappijen, instellingen of personen waarvoor prestaties worden verricht, binnen de grenzen bepaald in [1 de artikelen 30bis, 30bis/1, 30bis/2, 30bis/3, [2 30bis/4,]2 30ter, 30quater en 31, §§ 3 en 4]1.
  § 3. In voorkomend geval, voegt het Agentschap bij de vergoedingen betaald door de natuurlijke personen of rechtspersonen bedoeld in artikel 30quater, de kosten van bijkomende buitengewone prestaties vereist voor de uitoefening van zijn opdracht.
  De Koning legt, na advies van de Raad van Bestuur van het Agentschap, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het uurtarief vast voor de bijkomende buitengewone prestaties door of in opdracht van het Agentschap.
  § 4. Indien het Agentschap interventies verricht of doet verrichten naar aanleiding van de vrijwaring van terreinen, gronden of gebouwen van radiologische verontreiniging of naar aanleiding van de langdurige blootstelling van personen aan ioniserende stralingen ten gevolge van de nawerking van radiologische noodsituaties, de uitoefening van beroeps- of enige andere activiteiten en/of handelingen, verhaalt het Agentschap de kosten ervan op de ondernemingen die de radiologische verontreiniging of de langdurige blootstelling hebben veroorzaakt.
  De Koning legt, na advies van de Raad van Bestuur van het Agentschap, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het uurtarief vast voor in het eerste lid bedoelde interventies.
  § 5. Het Agentschap moet zijn financieel evenwicht naleven.
  ----------
  (1)<W 2012-03-29/08, art. 37, 019; Inwerkingtreding : 01-04-2012>
  (2)<W 2017-12-13/15, art. 13, 026; Inwerkingtreding : 08-01-2018>
  (3)<W 2018-12-06/36, art. 7, 028; Inwerkingtreding : 16-01-2019>

  Art. 32. De boekhouding van het Agentschap wordt gehouden volgens de methoden gebruikt in de handelssector. De regels bepaald door de wet van 17 juli 1975 betreffende de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen en door de uitvoeringsbesluiten ervan, worden in acht genomen.
  De raad van bestuur van het Agentschap wijst een revisor aan, gekozen onder de leden van het Instituut van Bedrijfsrevisoren.

  Art. 33. De revisor stuurt ten minste éénmaal per jaar ter gelegenheid van het opmaken van de balans en van de verlies- en winstrekening of van de jaarrekening, een verslag over het actief en het passief, alsmede over de bedrijfsresultaten aan de ministers onder wier bevoegdheid het Agentschap ressorteert en aan de raad van bestuur. Hij wijst hen onverwijld op elk verzuim, op elke onregelmatigheid en, in het algemeen, op elke toestand die het financiële evenwicht van het Agentschap in het gedrang kan brengen.

  Art. 34.De raad van bestuur van het Agentschap stelt elk jaar vóór [1 15 oktober]1 de begroting vast van het volgend dienstjaar en keurt (vóór 1 juni) de rekeningen van het voorbije dienstjaar goed. De door het Agentschap vastgestelde rekeningen worden toegezonden aan de ministers onder wie het ressorteert en aan de minister van Financiën. Laatstgenoemde zendt ze aan het Rekenhof over voor nazicht. <W 2003-12-22/42, art. 417, 010; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  ----------
  (1)<W 2017-12-13/15, art. 14, 026; Inwerkingtreding : 08-01-2018>

  HOOFDSTUK VI. - Bestuur van het Agentschap.

  Art. 35.Het Agentschap wordt bestuurd door een raad van bestuur bestaande uit een voorzitter en dertien leden, allen stemgerechtigd en door de Koning aangewezen bij een in Ministerraad overlegd besluit op voorstel van de ministers onder wier bevoegdheid het Agentschap valt. Deze aanwijzing geschiedt op basis van hun bijzondere wetenschappelijke of professionele kwaliteiten vermeld in het aanwijzingsbesluit, op het vlak van de bescherming van de bevolking en het leefmilieu tegen de gevaren van ioniserende stralingen.
  De raad van bestuur bestaat uit evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden. Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter of diens plaatsvervanger doorslaggevend.
  (De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, nadere regels bepalen omtrent de samenstelling en de werking van de bestuurs- en adviesorganen van het Agentschap.) <W 1999-01-15/30, art. 3, 004; Inwerkingtreding : onbepaald>
  [1 De voorzitter en de leden van de raad van bestuur vertegenwoordigen de Staat. ]1
  ----------
  (1)<W 2011-03-30/11, art. 10, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2005>

  Art. 36.De voorzitter en de leden van de raad van bestuur worden door de Koning aangewezen, voor een termijn van zes jaar. Hun mandaat is vernieuwbaar volgens de regels bepaald voor de benoeming. Het mandaat eindigt van rechtswege wanneer de titularis de leeftijd van [1 70 jaar]1 bereikt.
  In afwijking van het eerste lid, eindigt het mandaat van de helft van de leden die deel uitmaken van de eerste raad van bestuur na een termijn van drie jaar.
  Op gemotiveerd eensluidend advies van de raad van bestuur, goedgekeurd met tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen, kunnen de bestuurders van het Agentschap worden ontslagen door een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
  ----------
  (1)<W 2011-03-30/11, art. 11, 017; Inwerkingtreding : 18-04-2011>

  Art. 37. Er wordt een Wetenschappelijke Raad ingesteld die tot taak heeft het Agentschap te adviseren over het toezichtsbeleid en meer bepaald, overeenkomstig artikel 16, vooraf advies uit te brengen voor het afgeven van vergunningen voor nieuwe nucleaire installaties of bij het hernieuwen van de vergunningen. De Koning regelt de samenstelling en de bevoegdheden van de Wetenschappelijke Raad, die bestaat uit specialisten op het gebied van de kernenergie en van de veiligheid.
  De raad van bestuur staat in voor het overleg tussen het Agentschap en de geïnteresseerde kringen en meer bepaald de exploitanten van de nucleaire installaties.

  Art. 38.[1 Zonder afbreuk te doen aan de andere beperkingen door of krachtens een wet, is de uitoefening van het mandaat van voorzitter of bestuurder bij het Agentschap, of bij elke andere instelling of entiteit waarop het Agentschap beroep doet op grond [2 van de artikelen 14ter en 29bis]2, onverenigbaar met het mandaat of de functies van :]1
  1° lid van het Europees Parlement;
  2° lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers of van de Senaat;
  3° lid van de federale regering;
  4° (lid van een Gemeenschaps- of Gewestparlement of van een gemeenschaps- of gewestregering); <W 2006-03-27/35, art. 27, 013; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  5° provinciegouverneur of lid van de bestendige deputatie van een provincieraad;
  6° lid van een college van burgemeester en schepenen of voorzitter van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
  7° personeelslid van het Agentschap of van een persoon of instelling die ofwel rechtstreeks ofwel onrechtstreeks door bemiddeling van een erkende instelling onder het toezicht van het Agentschap staat, met uitzondering van personeelsleden van universiteiten en hogescholen die geen rechtstreeks belang hebben bij de opdrachten van het Agentschap;
  [1 8° voorzitter of lid van de raad van bestuur bij een instelling die aan het toezicht van het Agentschap wordt onderworpen, met uitzondering van de universiteiten en hogescholen die geen rechtstreeks belang hebben bij de opdrachten van het Agentschap en met uitzondering van de juridische entiteiten die het Agentschap speciaal heeft opgericht op grond [2 van de artikelen 14ter en 29bis]2.]1
  [1 Een personeelslid van het Agentschap kan geen lid van de raad van bestuur zijn van een instelling die onder het toezicht van het Agentschap staat.]1
  Deze onverenigbaarheden blijven gelden tot na het verstrijken van het jaar volgend op het beëindigen van het mandaat of de functie.
  Wanneer een bestuurder bovenvermelde bepalingen overtreedt moet hij de betrokken mandaten of functies neerleggen. Indien hij nalaat dit te doen wordt hij van rechtswege geacht zijn mandaat in het Agentschap te hebben neergelegd.
  ----------
  (1)<W 2013-12-21/22, art. 131, 020; Inwerkingtreding : 10-01-2014>
  (2)<W 2017-05-07/07, art. 12, 025; Inwerkingtreding : 31-12-2018>

  Art. 39. De raad van bestuur vertegenwoordigt het Agentschap in gerechtelijke procedures.
  De raad van bestuur kan, op eigen verantwoordelijkheid, een gedeelte van zijn bevoegdheden overdragen aan de directeur-generaal. De bevoegdheidsoverdrachten kunnen alleen geschieden krachtens bijzondere beslissingen van de raad van bestuur die het voorwerp en de omvang van elke overgedragen bevoegdheid bepaalt. De voorzitter en de directeur-generaal vertegenwoordigen het Agentschap in authentieke en onderhandse akten.

  Art. 40. De Koning bepaalt het bedrag van de vergoedingen die aan de leden van de raad van bestuur kunnen worden toegekend. Hij bepaalt het bedrag van de vergoedingen voor reis- en verblijfkosten.

  Art. 41. Het dagelijks bestuur van het Agentschap, zijn vertegenwoordiging voor wat betreft het beheer en de uitvoering van de beslissingen van de raad van bestuur, worden toevertrouwd aan de directeur-generaal, die voor een vernieuwbare termijn van zes jaar, door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, wordt aangewezen. Hij kan alleen worden afgezet bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, op eensluidend gemotiveerd advies van twee derden van de leden van de raad van bestuur.
  De voorzitter en de directeur-generaal behoren tot een verschillende taalrol.
  De wederzijdse rechten en plichten van de directeur-generaal en van het Agentschap worden geregeld in een arbeidsovereenkomst opgesteld overeenkomstig de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Tijdens de onderhandelingen over deze overeenkomst wordt het Agentschap vertegenwoordigd door de raad van bestuur.
  De directeur-generaal die zich, op het ogenblik van zijn benoeming, in een statutaire band bevindt met de Staat of met enige andere publiekrechtelijke rechtspersoon die onder de Staat ressorteert, wordt van rechtswege ter beschikking gesteld overeenkomstig de nadere regelen van het betrokken statuut voor de gehele duur van zijn mandaat. Gedurende deze periode behoudt hij evenwel zijn rechten op bevordering en op weddeverhoging.
  Indien de directeur-generaal, op het ogenblik van zijn benoeming, contractueel verbonden is met de Staat of met enige andere publiekrechtelijke rechtspersoon die onder de Staat ressorteert, wordt de betrokken overeenkomst van rechtswege geschorst voor de gehele duur van zijn mandaat. Gedurende deze periode behoudt hij evenwel zijn rechten op bevordering en op weddeverhoging.

  Art. 42. Het Agentschap is onderworpen aan de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.

  Art. 43. Het Agentschap wordt derwijze georganiseerd dat de reglementerende functie en de toezichtsfunctie onafhankelijk van elkaar worden uitgeoefend.

  Art. 44.Onverminderd de bepalingen van artikel 46, wordt het personeel van het Agentschap aangeworven door middel van een arbeidsovereenkomst, opgesteld overeenkomstig de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en dit in afwijking van artikel 8, § 2 en § 3, van het koninklijk besluit nr 56 van 16 juli 1982 betreffende de werving in sommige overheidsdiensten.
  Op de voordracht van de directeur-generaal en met de goedkeuring van de ministers tot wier bevoegdheid het Agentschap behoort, bepaalt de raad van bestuur :
  1° de personeelsformatie;
  2° de regeling inzake aanwerving, loopbaan, bezoldiging en sociale voordelen van het personeel;
  [1 3° een eventuele bijkomende premie voor de leden van het statutair personeel ter beschikking gesteld van het Agentschap krachtens het artikel 46bis.]1
  De arbeidsvoorwaarden van het personeel zijn ten minste gelijkwaardig aan die bepaald bij de wet van 20 februari 1990 betreffende de ambtenaren van de administraties en van sommige instellingen van openbaar nut.
  Het Agentschap moet op permanente wijze de opleiding van zijn personeelsleden verzekeren op internationaal niveau, in functie van de aan hen toevertrouwde opdrachten.
  (Lid 5 opgeheven) <W 1997-12-12/32, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 28-12-1997>
  ----------
  (1)<W 2014-03-19/26, art. 14, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>

  Art. 45.<W 1997-12-12/32, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 28-12-1997> § 1. De statutaire en contractuele personeelsleden van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, het Ministerie van Binnenlandse Zaken, het Ministerie van Buitenlandse Zaken, het Ministerie van Economische Zaken, en het Ministerie van Justitie, verbonden aan de diensten bevoegd voor de nucleaire sector, [2 ...]2, met opdrachten in de nucleaire sector, kunnen naar het Agentschap overgeplaatst worden, na selectie door zijn Raad van bestuur. Deze overplaatsing gebeurt minstens met behoud van hun arbeidsvoorwaarden.
  [1 De overgeplaatste personeelsleden die de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie verliezen deze hoedanigheid van rechtswege bij hun overplaatsing naar het Agentschap.]1
  § 2. De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de modaliteiten van de overdracht aan het Agentschap van personeelsleden van instellingen van openbaar nut met opdrachten in de nucleaire sector.
  § 3. Het Agentschap kan het geldelijk en administratief statuut van de overgedragen personeelsleden aanpassen, ter harmonisering van de verschillende statuten van toepassing op het personeel van het Agentschap, overeenkomstig de bepalingen van artikel 44.
  ----------
  (1)<W 2014-03-19/26, art. 15, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>
  (2)<W 2018-02-25/02, art. 65, 030; Inwerkingtreding : 01-04-2018>

  Art. 46.
  <Opgeheven bij W 2014-03-19/26, art. 16, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>

  Art. 46bis.<Ingevoegd bij W 1999-05-03/31, art. 42; Inwerkingtreding : 01-01-1998> § 1. In afwijking van de artikelen 45, § 1, en 46, worden de statutaire personeelsleden van de overheidsdiensten vermeld in artikel 45, § 1, die geselecteerd werden door de raad van bestuur, na een oproep in het Belgisch Staatsblad, ter beschikking gesteld van het Agentschap.
  § 2. De ter beschikking gestelde personeelsleden bedoeld in § 1, blijven onderworpen aan het administratief en geldelijk statuut en aan de pensioenregeling die in hun dienst van oorsprong van kracht zijn. Zij behouden in hun dienst van oorsprong hun aanspraken op bevordering.
  § 3. De duur van de terbeschikkingstelling bij het Agentschap wordt beschouwd als een periode van dienstactiviteit.
  § 4. De ter beschikking gestelde personeelsleden zijn onderworpen aan het gezag van de directeur-generaal van het Agentschap.
  § 5. [1 De ter beschikking gestelde personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Justitie die de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie behouden deze hoedanigheid uiterlijk tot 1 januari 2015.
   In afwijking van artikel 9, kunnen de personeelsleden van de andere overheidsdiensten bedoeld in artikel 45, § 1, tijdens de terbeschikkingstelling door de Koning bekleed worden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie. Zij behouden deze hoedanigheid uiterlijk tot 1 januari 2015.
   De Koning kan voor het verlies van de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie een datum vooropstellen voorafgaand aan deze vermeld in het eerste en tweede lid.]1
  § 6. Tijdens zijn terbeschikkingstelling kan de betrekking die het statutair personeelslid heeft achtergelaten op geen enkele wijze toegewezen worden.
  § 7. De bezoldiging van het ter beschikking gestelde personeelslid is deze waarop het recht heeft in zijn dienst van oorsprong, met inbegrip van de eventuele toelagen en vergoedingen. Zij wordt uitbetaald door het Agentschap. Daartoe geeft de dienst van oorsprong alle nuttige inlichtingen aan het Agentschap.
  Nochtans mag de dienst van oorsprong de uitbetaling van de bezoldiging van het terbeschikkinggestelde personeelslid voortzetten. In dit geval vraagt hij de terugbetaling van de vereffende bedragen door middel van een driemaandelijkse staat van verzoek tot terugbetaling.
  Het Agentschap betaalt de totale budgettaire last terug. De werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid, de kinderbijslag, het vakantiegeld en de eindejaarstoelage zijn in ieder geval in de totale budgettaire last inbegrepen.
  § 8. Het ter beschikking gestelde personeelslid kan vragen dat aan zijn terbeschikkingstelling een einde wordt gemaakt, mits een vooropzeg van één maand.
  De raad van bestuur van het Agentschap kan aan de terbeschikkingstelling een einde stellen mits een vooropzeg van drie maanden. Hij brengt de dienst van oorsprong van het ter beschikking gestelde personeelslid hiervan op de hoogte.
  § 9. Het personeelslid wiens terbeschikkingstelling wordt beëindigd, stelt zich ter beschikking van de Minister of van de overheid waaronder hij ressorteert. Indien het zonder geldige reden weigert of verwaarloost dit te doen, wordt het na een afwezigheid van tien dagen als ontslaggevend beschouwd.
  ----------
  (1)<W 2014-03-19/26, art. 17, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>

  Art. 47. Het personeel van het Agentschap neemt de nodige maatregelen om het vertrouwelijk karakter te bewaren van de gegevens waarvan het kennis heeft. Het zal deze gegevens enkel aanwenden in het kader van de uitoefening van zijn toezichtsopdracht.

  Art. 48.Het Agentschap staat onder het [1 ...]1 toezicht van (de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken). <KB 1995-08-07/43, art. 2, § 2, 002; Inwerkingtreding : 23-06-1995>
  Het in vorige lid bedoelde toezicht [1 ...]1 wordt uitgeoefend door bemiddeling van één regeringscommissaris, door de Koning benoemd bij een in Ministerraad overlegd besluit. Deze commissaris vervult eveneens de functie van gemachtigde van de minister van Financiën, zoals bepaald in artikel 9, § 4, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.
  ----------
  (1)<W 2017-12-13/15, art. 15, 026; Inwerkingtreding : 08-01-2018>

  HOOFDSTUK VII. - Sancties. <Het hoofdstuk VII, bestaande uit de artikelen 49, 49bis en 50 wordt vervangen door een nieuw hoofdstuk VII, bestaande uit de nieuwe artikelen 49 tot 64, bij W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008>

  Afdeling I. - Algemene bepaling. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008>

  Art. 49. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> De inbreuken op de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten kunnen het voorwerp uitmaken van strafsancties of administratieve sancties.

  Afdeling II. - Strafsancties. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008>

  Art. 50. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008>De inbreuken op de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten worden gestraft met een geldboete van 1 000 euro tot 1 000 000 euro en met een gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar of met één van deze straffen alleen.
  Worden met dezelfde straffen gestraft, zij die de in artikel 9 bedoelde personen bij de uitoefening van hun opdracht belemmeren of die hun medewerking weigeren te verlenen.

  Art. 51. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> Indien de in artikel 50 bedoelde inbreuken worden gepleegd in oorlogstijd, worden ze gestraft met een geldboete van 2 000 euro tot 2 000 000 euro en met opsluiting van vijf tot tien jaar, of met één van deze straffen alleen.

  Art. 52. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn toepasselijk op de bij deze wet of haar uitvoeringsbesluiten omschreven inbreuken.

  Afdeling III. - Administratieve boetes. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008>

  Onderafdeling I. - Administratieve procedure. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008>

  Art. 53. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> § 1. Bij het vaststellen van inbreuken op deze wet of haar uitvoeringsbesluiten kan de overtreder bestraft worden met een administratieve geldboete van 500 euro tot 100 000 euro per inbreuk.
  § 2. Bovendien komen de expertisekosten verbonden aan de in § 1 bedoelde inbreuken ten laste van de overtreder.
  § 3. De natuurlijke of rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboetes en de kosten waartoe hun organen, bestuurders, leidende en uitvoerende personeelsleden, aangestelden en lasthebbers worden veroordeeld.

  Art. 54.<W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> De bij artikel 49 bestrafte feiten worden door [1 de in artikel 9 bedoelde personeelsleden]1 in een proces-verbaal vastgesteld.
  Het origineel van het proces-verbaal wordt aan de procureur des Konings verstuurd.
  Een afschrift van het proces-verbaal wordt tegelijkertijd verstuurd aan de in artikel 56 aangeduide persoon.
  ----------
  (1)<W 2014-03-19/26, art. 18, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>

  Art. 55. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> De procureur des Konings beschikt over een termijn van zes maanden, te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal, om de in artikel 56 bedoelde persoon erover in te lichten dat er een strafrechtelijke vervolging is ingeleid.
  De in artikel 56 bedoelde persoon kan op basis van artikel 53 geen administratieve geldboete opleggen vóór de termijn van zes maanden verstreken is, behalve indien de procureur des Konings daarvóór meedeelt dat hij het feit geen verder gevolg geeft.
  In het geval de procureur des Konings verzuimt binnen de gestelde termijn van zijn beslissing kennis te geven of van strafvervolging afziet, kan de in artikel 56 bedoelde persoon beslissen de administratieve procedure in te zetten.

  Art. 56. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> De administratieve geldboete wordt door de door de Koning aangeduide persoon opgelegd.
  De Koning bepaalt de procedureregels, met inbegrip van de uitoefening van de rechten van de verdediging.

  Art. 57. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> § 1. De beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete wordt gemotiveerd. Het bedrag van de administratieve geldboete en de bepalingen van artikel 58, derde lid, worden eveneens vermeld.
  § 2. De administratieve geldboete staat in verhouding tot de ernst van de feiten die eraan ten grondslag liggen, en tot een eventuele herhaling.
  § 3. De persoon bedoeld in artikel 56 kan, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, een administratieve geldboete onder de in artikel 53 vermelde minimumbedragen opleggen zonder dat de geldboete evenwel lager mag zijn dan 80 % van het minimum van het in voornoemde artikel bepaald bedrag.
  § 4. De samenloop van meerdere inbreuken kan aanleiding geven tot een enkele administratieve geldboete die in verhouding staat tot de ernst van het geheel van de feiten.

  Art. 58. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> De beslissing wordt bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis gebracht aan de overtreder en aan de natuurlijke of rechtspersoon die burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de betaling van de administratieve geldboete.
  De beslissing wordt eveneens ter kennis gebracht aan de procureur des Konings.
  Een verzoek tot betaling van de geldboete, binnen de termijn en volgens de modaliteiten die door de Koning gesteld werden, wordt eraan toegevoegd.

  Art. 59. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> De overtreder of de natuurlijke of rechtspersoon die burgerrechtelijk aansprakelijk is voor de betaling van de administratieve geldboete, die de beslissing van de in artikel 56 bedoelde persoon betwist, kan op straffe van verval binnen een termijn van één maand te rekenen van de kennisgeving van de beslissing bij verzoekschrift beroep instellen bij de bevoegde rechtbank.
  In geval van beroep tegen de beslissing van de door de Koning aangeduide persoon kan de bevoegde rechtbank, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, het bedrag van een opgelegde administratieve geldboete verminderen tot een bedrag lager dan het in artikel 53 vermelde minimumbedrag, zonder dat de geldboete evenwel lager mag zijn dan 80 % van het minimum van het in voormeld artikel bepaalde bedrag.
  Dit beroep schorst de uitvoering van de beslissing.

  Art. 60. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> Als de overtreder of de burgerlijk aansprakelijke persoon in gebreke blijft de administratieve geldboete te betalen binnen de vastgestelde termijn en als de in artikel 59 bepaalde beroepsmogelijkheid uitgeput is, is de beslissing om een administratieve geldboete op te leggen rechtstreeks uitvoerbaar en kan de in artikel 56 bedoelde persoon een dwangbevel uitvaardigen overeenkomstig de modaliteiten bepaald door de Koning.

  Art. 61. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> De in artikel 56 bedoelde persoon kan geen administratieve geldboete opleggen als de termijn van één jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de feiten vastgesteld worden, verstreken is.
  De betaling overeenkomstig de administratieve procedure dooft eveneens de mogelijkheid om een strafrechtelijke vervolging in te zetten voor de bedoelde feiten.

  Onderafdeling II. - Administratieve vereenvoudigde procedure. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008>

  Art. 62.<W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> § 1. Bij de vaststelling van één of meerdere door de Koning bepaalde inbreuken kan, indien het feit geen schade aan derden heeft veroorzaakt en met instemming van de overtreder, een administratieve geldboete van een bedrag van 125 euro tot 500 euro per inbreuk geïnd worden overeenkomstig de vereenvoudigde procedure.
  De betaling van de administratieve geldboete binnen de door de Koning vooropgestelde termijn impliceert de instemming van de overtreder met de toepassing van de vereenvoudigde procedure.
  Het bedrag van de geldboete voor elke inbreuk die door de Koning bepaald wordt, en de inningsmodaliteiten worden door de Koning vastgelegd.
  De vereenvoudigde procedure kan door [1 de in artikel 9 bedoelde personeelsleden]1 voorgesteld worden.
  § 2. De natuurlijke of rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de administratieve geldboetes die aan hun organen, bestuurders, leidende en uitvoerende personeelsleden, ondergeschikten en lasthebbers worden voorgesteld en dit overeenkomstig de vereenvoudigde procedure.
  ----------
  (1)<W 2014-03-19/26, art. 19, 021; Inwerkingtreding : 16-06-2014>

  Art. 63. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> De betaling overeenkomstig de vereenvoudigde procedure ontneemt de mogelijkheid om een administratieve geldboete op te leggen aan de overtreder voor de bedoelde feiten overeenkomstig de administratieve procedure zoals bepaald in de artikelen 53 tot 61.

  Art. 64. <W 2005-07-20/41, art. 13, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> De betaling overeenkomstig de vereenvoudigde procedure dooft eveneens de mogelijkheid om een strafrechtelijke vervolging in te zetten voor de bedoelde feiten.

  HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen.

  Art. 65. (oud art. 51) <W 2005-07-20/41, art. 14, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> Artikel 10, tweede lid, van de wet van 20 juli 1978 betreffende bijzondere bepalingen om het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie toe te laten inspectie- en verificatiewerkzaamheden door te voeren op Belgisch grondgebied, in uitvoering van het Internationaal Akkoord van 5 april 1973 ter uitvoering van de §§ 1 en 4 van artikel III van het Verdrag van 1 juli 1968 inzake de niet-verspreiding van kernwapens wordt vervangen door de volgende bepalingen :
  " Ambtenaren van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle opgericht door de wet van 15 april 1994, bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hebben het recht de inspecteurs te vergezellen tijdens hun inspectieopdrachten bedoeld in deze wet. "

  Art. 66. (oud art. 52) <W 2005-07-20/41, art. 14, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> De wet van 29 maart 1958 betreffende de bescherming van de bevolking tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren, gewijzigd door de wetten van 29 mei 1963, 3 december 1969, 14 juli 1983, 22 december 1989 en 26 juni 1992 wordt opgeheven.
  De koninklijke besluiten genomen krachtens voormelde wet blijven van toepassing zolang zij niet gewijzigd of opgeheven worden krachtens deze wet.

  Art. 67. (oud art. 52bis) <W 2005-07-20/41, art. 14, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> <Ingevoegd bij W 2000-02-10/50, art. 2; Inwerkingtreding : 16-04-2000; NOTA : het KB 2001-07-20/44, art. 1, beschikt dat de artikelen 50 tot 53 op 01-09-2001 in werking treden.> § 1. (Tot op het ogenblik dat de in artikel 28, lid 2 bedoelde opdrachten worden overgenomen, hetzij door het Agentschap zelf, overeenkomstig de artikelen 15 en 16, hetzij door een erkende instelling, hetzij door een speciaal daartoe door het Agentschap gecreëerde entiteit overeenkomstig de artikelen 28 en 30, blijven de exploitanten van nucleaire inrichtingen gehouden voornoemde opdrachten toe te vertrouwen aan organismen die bij toepassing van de wet van 29 maart 1958 betreffende de bescherming van de bevolking tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren, voor onbepaalde duur werden erkend.) <W 2008-12-22/33, art. 238, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  § 2. (De erkende organismen zijn gehouden de hen tot op heden toevertrouwde opdrachten op onafhankelijke wijze uit te voeren en verder te blijven uitoefenen tot op het ogenblik dat die opdrachten worden overgenomen, hetzij door het Agentschap zelf, overeenkomstig de artikelen 15 en 16, hetzij door een erkende instelling, hetzij door een speciaal daartoe door het Agentschap gecreëerde entiteit overeenkomstig de artikelen 28 en 30.
  Daartoe behouden zij tijdelijk hun bestaande erkenning. Onverminderd artikel 29, worden hun erkenning en opdrachten van rechtswege beëindigd op het ogenblik dat een aanvang wordt genomen met de in artikel 28, tweede lid bedoelde opdrachten hetzij door het Agentschap zelf, overeenkomstig de artikelen 15 en 16, hetzij door een erkende instelling, hetzij door een speciaal daartoe door het Agentschap gecreëerde entiteit overeenkomstig de artikelen 28 en 30.) <W 2008-12-22/33, art. 238, 015; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  § 3. De overgangsregeling ingevoerd middels dit artikel geldt voor een maximale duur van twee jaar. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit de voorwaarden en de nadere regelen bepalen betreffende de overdracht van de specifieke controleopdrachten. Hij kan op dezelfde wijze de termijn van deze overgangsregeling met telkens maximaal één jaar verlengen.) <Erratum, zie B.St. 16.06.2000, p. 21357>
  (NOTA : overgangsregeling verlengd met een periode van één jaar met uitwerking vanaf 16-04-2002; KB 2002-05-30/36, art. 1)
  (NOTA : overgangsregeling verlengd met een periode van één jaar, tot 31-08-2005; KB 2004-08-23/32, art. 1)
  (NOTA : overgangsregeling verlengd met een periode van één jaar, tot 31-08-2006; KB 2005-09-17/36, art. 1)
  (NOTA : overgangsregeling verlengd met een periode van één jaar, tot 31-08-2007; KB 2006-11-10/45, art. 1)
  (NOTA : overgangsregeling verlengd tot 31-12-2007; KB 2007-10-26/34, art. 1)
  (NOTA : overgangsregeling verlengd tot 31-03-2008; KB 2008-02-26/32, art. 1)

  Art. 67 TOEKOMSTIG RECHT.


  [1 De organismen die met toepassing van de wet van 29 maart 1958 betreffende de bescherming van de bevolking tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren, voor onbepaalde duur zijn erkend, verliezen van rechtswege hun erkenning.]1

----------
  (1)<W 2017-05-07/07, art. 13, 025; Inwerkingtreding : 01-01-2021>
  

  Art. 68. (oud art. 53) <W 2005-07-20/41, art. 14, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> De Koning kan bestaande wetsbepalingen wijzigen om ze aan te passen aan de bepalingen van deze wet.

  Art. 69. (oud art. 54) <W 2005-07-20/41, art. 14, 012; Inwerkingtreding : 03-02-2008> De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van deze wet.
  (NOTA 1 : artikelen 3 en 49 treden op 02-11-1997 in werking wat uitvoer betreft; KB 1997-10-02/36, art. 1. Wat andere aangelegenheden betreft treden ze in werking op 01-09-2001)
  (NOTA 1bis : artikel 3 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2001, voorzover het betrekking heeft op de uitvoer bij KB 2010-02-08/04, art. 1)
  (NOTA 2 : Inwerkingtreding van artikelen 12, 32 tot 34, 39, 41, 43 tot 47 vastgesteld op 01-01-1998 door KB 1998-03-13/38, art. 1)
  (NOTA 3 : de artikelen 4 tot 11 , 13 tot 30, 31, eerste en derde tot zevende lid, zoals gewijzigd bij de wet van 15 januari 1999, 37 en 50 tot 53 treden in werking op 01-09-2001; KB 2001-07-20/44, art. 1.)
  (NOTA 4 : artikel 35, derde lid, zoals gewijzigd bij de wet van 15 januari 1999, heeft uitwerking met ingang van 14 juni 1999; KB 2001-07-20/44, art. 1.)

  BIJLAGE.

  Art. N.[1 Bijlage. TABEL : CATEGORIEEN VAN KERNMATERIAAL.
  

  
MateriaalCategorie
   IIIIII (c)
1.Plutonium (a)Niet-bestraald (b)2 kg of meerMinder dan 2 kg, maar meer dan 500 g500 g of minder, maar meer dan 15 g
2.Uranium-235.Niet-bestraald (b)   
  - uranium, verrijkt tot 20 % 235U of meer5 kg of meerMinder dan 5 kg maar meer dan 1 kg1 kg of minder, maar meer dan 15 g
  
  - uranium, verrijkt tot 10% of meer, maar minder dan 20 % 235U-10 kg of meerMinder dan 10 kg, maar meer dan 1 kg
  
  - uranium, verrijkt tot minder dan 10 % 235U--10 kg of meer
  
3.Uranium-233.Niet-bestraald (b)2 kg of meerMinder dan 2 kg, maar meer dan 500 g.500 g of minder, maar meer dan 15 g.
  
4.Bestraalde splijtstof  Verarmd of natuurlijk uranium, thorium of laagverrijkte splijtstof (gehalte aan splijtbare materie lager dan 10 %) (d tot f )


   a) Alle plutonium, uitgezonderd dit waarvan de isotopenconcentratie in plutonium-238 80 % overschrijdt.
   b) Niet bestraald materiaal in een reactor of materiaal bestraald in een reactor, maar met een stralingsniveau gelijk aan of minder dan 1 Gy/u. op één meter afstand, onafgeschermd.
   c) De hoeveelheden die niet onder categorie III vallen en natuurlijk uranium, verarmd uranium en thorium moeten beveiligd worden overeenkomstig de gebruiken die van toepassing zijn bij voorzichtig beheer.
   d) De andere splijtstoffen die, uit hoofde van hun oorspronkelijk gehalte aan splijtbare materie, vóór bestraling, in categorie I of in categorie II ondergebracht worden, mogen bij de onmiddellijk lager gelegen categorie worden ingedeeld indien de stralingsintensiteit van de splijtstof 1 Gy/u. overschrijdt op één meter afstand, onafgeschermd.
   e) De bestraalde splijtstof die in kleine hoeveelheden aanwezig is, kan in categorie III worden ondergebracht en dit zowel voor het vervoer als voor het gebruik en de opslag ervan, indien geacht wordt dat deze minder dan 2 kilo plutonium bevat of minder dan 5 kilo hoogverrijkt uranium en indien de stralingsintensiteit 1 Gy/u. overschrijdt op één meter afstand, onafgeschermd.
   f) Onverminderd de uitzondering vermeld in e), worden de splijtstoffen, die uit hoofde van hun oorspronkelijk gehalte aan splijtbare materie, vóór bestraling, in categorie II of in categorie III worden ondergebracht, na bestraling, in categorie II ondergebracht, indien ze nationaal of internationaal worden vervoerd en indien de stralingsintensiteit van de splijtstof 1 Gy/u. overschrijdt op één meter afstand, onafgeschermd. Ze worden in categorie III ondergebracht, indien ze worden gebruikt of opgeslagen en indien de stralingsintensiteit van de splijtstof 1 Gy/u. overschrijdt op één meter afstand, onafgeschermd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2011-03-30/11, art. 12, 017; Inwerkingtreding : 01-10-2012>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 15 april 1994.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
Mevr. M. SMET
De Minister van Maatschappelijke Integratie, Volksgezondheid en Leefmilieu,
J. SANTKIN
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. WATHELET

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 22-04-2019 GEPUBL. OP 21-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 25/5; 25/6; 25/7; 25/12)
  • originele versie
  • WET VAN 13-04-2019 GEPUBL. OP 14-05-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 39)
  • originele versie
  • WET VAN 05-04-2019 GEPUBL. OP 10-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 15; 17sexies) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • WET VAN 07-04-2019 GEPUBL. OP 03-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 15ter)
  • originele versie
  • WET VAN 06-12-2018 GEPUBL. OP 16-01-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 16; 16/1; 27/3-27/10; 31)
  • originele versie
  • WET VAN 15-07-2018 GEPUBL. OP 25-09-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 15bis)
  • originele versie
  • WET VAN 19-04-2018 GEPUBL. OP 17-05-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 19; 27bis; 27ter)
  • originele versie
  • WET VAN 25-02-2018 GEPUBL. OP 21-03-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 45)
  • originele versie
  • WET VAN 13-12-2017 GEPUBL. OP 29-12-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 9; 10quater; 14; 14quater; 15; 17bis; 17quater; 17quinquies; 30bis/2; 30bis/4; 31; 34; 48)
  • originele versie
  • WET VAN 07-05-2017 GEPUBL. OP 29-05-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2ter; 14ter; 19; 24bis; 28; 29; 29bis; 30; 38; 67)
  • originele versie
  • WET VAN 07-04-2017 GEPUBL. OP 12-04-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 30bis/1)
  • originele versie
  • WET VAN 15-05-2014 GEPUBL. OP 18-07-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 30bis/1; 30bis/2)
  • originele versie
  • WET VAN 19-03-2014 GEPUBL. OP 06-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 9; 9bis; 10; 10bis -10septies; 11; 19; 44; 45; 46; 46bis; 54; 62)
  • originele versie
  • WET VAN 26-01-2014 GEPUBL. OP 10-03-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 7; 19; 25/1-25/7; 25/12-25/15)
  • originele versie
  • WET VAN 26-01-2014 GEPUBL. OP 10-03-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 25/8-25/11) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • WET VAN 21-12-2013 GEPUBL. OP 31-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 38)
  • originele versie
  • WET VAN 29-03-2012 GEPUBL. OP 06-04-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 30bis/1; 30bis/2; 30bis/3; 30quinquies; 31)
  • originele versie
  • WET VAN 01-07-2011 GEPUBL. OP 15-07-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 15bis)
  • originele versie
  • WET VAN 30-03-2011 GEPUBL. OP 18-04-2011
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 1bis; 2bis; 15; 17bis; 17ter; 18bis; 30bis/1; 35; 36; N)
    (GEWIJZIGDE ART. : 13; 18ter)
  • originele versie
  • WET VAN 22-12-2008 GEPUBL. OP 29-12-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 12; 30BIS/1; 30QUA; 30QUI; 31)
  • originele versie
  • WET VAN 22-12-2008 GEPUBL. OP 29-12-2008
    (GEWIJZIGDE ART. : 14BIS; 28; 30; 67)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-02-2008 GEPUBL. OP 11-03-2008
    (GEWIJZIGD ART. : VERLENG.67)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-10-2007 GEPUBL. OP 09-11-2007
    (GEWIJZIGD ART. : VERLENG.52BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 15-05-2007 GEPUBL. OP 08-06-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 12; 30BIS; 30TER; 31; )
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-11-2006 GEPUBL. OP 27-11-2006
    (GEWIJZIGD ART. : VERLENG.52BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 27-03-2006 GEPUBL. OP 11-04-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 38)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-09-2005 GEPUBL. OP 27-09-2005
    (GEWIJZIGD ART. : VERLENG.52BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 20-07-2005 GEPUBL. OP 29-07-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 31; 49-64; 65-69) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-08-2004 GEPUBL. OP 27-08-2004
    (GEWIJZIGD ART. : VERLENG.52BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 22-12-2003 GEPUBL. OP 31-12-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 34)
  • originele versie
  • WET VAN 02-04-2003 GEPUBL. OP 02-05-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 1BIS; 2BIS; 3; 8; 9; 10; 11; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 18BIS; 28)
  • originele versie
  • WET VAN 02-04-2003 GEPUBL. OP 02-05-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 13; 15; 17BIS; 17TER; 18TER; )
    (GEWIJZIGD ART. : 49BIS) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • WET VAN 31-01-2003 GEPUBL. OP 28-02-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 16)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-05-2002 GEPUBL. OP 11-06-2002
    (GEWIJZIGD ART. : VERLENG.52BIS)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-02-2001 GEPUBL. OP 28-02-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 20)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-02-2001 GEPUBL. OP 28-02-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 12) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • WET VAN 10-02-2000 GEPUBL. OP 06-04-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 52BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 03-05-1999 GEPUBL. OP 04-05-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 12; 46BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 15-01-1999 GEPUBL. OP 26-01-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 31; 35) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • WET VAN 12-12-1997 GEPUBL. OP 18-12-1997
    (GEWIJZIGDE ART. : 31; 44; 45)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-08-1995 GEPUBL. OP 07-09-1995
    (GEWIJZIGD ART. : 48)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Buitengewone zitting 1991-1992. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Wetsvoorstellen nr. 80-1 van 30 januari 1992 en nr. 106-1 van 6 februari 1992 door de heer Poncelet. Gewone zitting 1992-1993. Senaat. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp van wet nr. 610-1 van 22 januari 1993. - Verslag nr. 610-2 van 27 mei 1993 door de heer Pataer. - Amendementen nr. 610-3. - Aanvullend verslag nr. 610-4 van 16 juni 1993 door de heer Pataer. - Amendementen nr. 610-5. Parlementaire Handelingen. - Bespreking. Vergadering van 15 en 30 juni 1993. - Aanneming. Vergadering van 13 juli 1993. Gewone zitting 1993-1994. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp overgezonden door de senaat nr. 1124-1. - Amendementen nr. 1124-2 tot 4. - Verslag nr. 1124-5 van 27 januari 1994 door de heren Swennen en Brouns. Parlementaire Handelingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers. - Bespreking. Vergadering van 1 en 2 februari 1994. - Aanneming. Vergadering van 3 februari 1994. Senaat. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp geamendeerd door de Kamer van volksvertegenwoordigers nr. 610-6 van 2 februari 1994. - Verslag nr. 610-7 van 10 februari 1994 door de heer Pataer. - Besprekingen en aanneming. Vergadering van 3 april 1994.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 155 uitvoeringbesluiten 32 gearchiveerde versies
    Franstalige versie