J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 5 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
8 MAART 1994. - Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, met betrekking tot de vertegenwoordiging van het Koninkrijk BelgiŽ in de Ministerraad van de Europese Unie.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 25-02-2003 en tekstbijwerking tot 04-03-2010)

Bron : BUITENLANDSE ZAKEN.VLAAMSE GEMEENSCHAP.FRANSE GEMEENSCHAP.DUITSTALIGE GEMEENSCHAP.WAALSE GEWEST.BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
Publicatie : 17-11-1994 nummer :   1994021312 bladzijde : 28209
Dossiernummer : 1994-03-08/36
Inwerkingtreding : 27-11-1994

Inhoudstafel Tekst Begin
I. MACHTIGING.
Art. 1
II. COORDINATIE.
Art. 2-6
III. VERTEGENWOORDIGING.
Art. 7-10
IV. VOORZITTERSCHAP.
Art. 11
V. SLOTBEPALINGEN.
Art. 12-14
Bijlagen.
Art. N1-N4

Tekst Inhoudstafel Begin
I. MACHTIGING.

  Artikel 1. Ten einde in optimale voorwaarden de vertegenwoordiging van het Koninkrijk BelgiŽ te verzekeren binnen de Ministerraad van de Europese Unie en in het kader van de machtiging gegeven door artikel 81, ß 6, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd door de bijzondere wet van 5 mei 1993 betreffende de Internationale Betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten, geeft het huidig samenwerkingsakkoord hierna nauwkeurig de regels aan inzake coŲrdinatie en vertegenwoordiging.

  II. COORDINATIE.

  Art. 2. 1. De coŲrdinatie met het oog op het bepalen van het Belgisch standpunt, zowel algemeen als voor elk punt van de dagorde van de Raden van de Europese Unie, wordt verzekerd in het kader van de " Bestuursdirectie Europese Zaken " van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, die het Voorzitterschap en het secretariaat van de vergaderingen waarneemt.
  2. Deze coŲrdinatie gebeurt vůůr elke zitting van de Raad op systematische en horizontale wijze, welke ook het betrokken bevoegdheidsdomein weze. Daartoe worden tot alle coŲrdinatievergaderingen uitgenodigd, de vertegenwoordigers van de Eerste Minister, van de Vice-Eerste Ministers, van de Minister van Europese Zaken, van de Voorzitters van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen, van de leden van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen bevoegd op het vlak van de internationale betrekkingen en van de Permanente Vertegenwoordiging bij de Europese Gemeenschappen, evenals de attachťs van de Gemeenschappen en Gewesten.
  De bevoegde federale, communautaire en regionale departementen evenals vertegenwoordigers van de functioneel bevoegde federale, communautaire en regionale Ministers worden uitgenodigd naargelang de dagorde van de vergaderingen.
  3. Met het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zal een afzonderlijk Samenwerkingsakkoord worden afgesloten over de betrokkenheid van deze laatste bij de coŲrdinatieprocedures en bij de voorbereiding van de Belgische onderhandelingspositie.
  4. Er wordt een proces-verbaal opgemaakt van elke coŲrdinatievergadering, dat de namen van de deelnemers vermeldt. Dit proces-verbaal zal ambtshalve overgemaakt worden aan elk van de leden van de InterministeriŽle Conferentie voor het Buitenlands Beleid.
  5. De verantwoordelijke van de Belgische zetel in de Ministerraad neemt alleen standpunten in over aangelegenheden waarover een voorgaandelijke coŲrdinatie, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel heeft plaatsgevonden.

  Art. 3. Voor technische materies kunnen ad hoc coŲrdinaties georganiseerd worden. Deze coŲrdinaties gebeuren onverminderd de bevoegdheden van de coŲrdinatie binnen de " Bestuursdirectie Europese Zaken ". Er dient te worden gerapporteerd aan deze Bestuursdirectie en zodra de problemen een politieke dimensie inhouden, moeten zij bij deze Bestuursdirectie aanhangig gemaakt worden.

  Art. 4. In geval van blijvend gebrek aan overeenstemming binnen de coŲrdinatie georganiseerd door de Bestuursdirectie Europese Zaken, zal deze laatste binnen een termijn van maximum drie dagen het probleem bij het Secretariaat van de InterministeriŽle Conferentie van het Buitenlands Beleid aanhangig maken. In dit geval, zal deze met spoed vergaderen op het initiatief van haar Voorzitter.

  Art. 5. Van zodra het Belgisch standpunt bepaald is binnen de coŲrdinatie georganiseerd door de Bestuursdirectie Europese Zaken of eventueel krachtens artikel 4 binnen de InterministeriŽle Conferentie voor het Buitenlands Beleid, zendt de Minister van Buitenlandse Zaken de instructies naar de Permanente Vertegenwoordiging bij de Europese Gemeenschappen, met kopie aan de betrokken Federale, Gemeenschaps- of Gewestministers.

  Art. 6. 1. Als, ter zitting van de Raad of van het Comitť van Permanente Vertegenwoordigers (COREPER), het Belgisch standpunt, vastgesteld volgens de procedures ingesteld door dit Akkoord, dringend aangepast moet worden teneinde zinvol deel te nemen aan de besluitvorming in deze instanties, dan neemt de verantwoordelijke van de Belgische zetel de nodige contacten daartoe.
  2. Als bij gebrek aan tijd of ingeval van blijvend gebrek aan overeenstemming deze verantwoordelijke zich moet uitspreken zonder de gelegenheid te hebben gehad om de nodige contacten te nemen, kan hij zich, uitzonderlijk " ad referendum " aansluiten bij het standpunt dat het best aansluit bij het algemeen belang. Het definitieve standpunt van BelgiŽ zal aan het Voorzitterschap kenbaar gemaakt worden binnen een termijn van maximaal drie dagen na regeling van het probleem op intern niveau.

  III. VERTEGENWOORDIGING.

  Art. 7. 1. De InterministeriŽle Conferentie voor het Buitenlands Beleid beslist eveneens over de verdeling tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten van de vertegenwoordiging van het Koninkrijk in de Raad, naargelang de configuratie van deze laatste. Deze beslissing is opgenomen in bijlage I van dit akkoord. Zij kan naderhand aangepast of herzien worden.
  2. Als de Gemeenschappen en/of Gewesten voor BelgiŽ moeten zetelen in de Raad van de Europese Unie, wordt een rotatiesysteem vastgesteld, rekening houdend met het werktempo van de Europese Gemeenschappen.
  Het rotatiesysteem afgesproken tussen de Gemeenschappen of Gewesten wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de InterministeriŽle Conferentie voor het Buitenlands Beleid en is opgenomen in bijlage II van dit akkoord. Het kan naderhand aangepast of herzien worden.
  (3. Voor de Raad Landbouw en de Raad Visserij geldt geen rotatiesysteem.) <NO 2003-02-13/34, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 07-03-2003>

  Art. 8. De InterministeriŽle Conferentie voor het Buitenlands Beleid stelt de lijst op van de Ministers van elk van de entiteiten van het Koninkrijk die kunnen zetelen voor BelgiŽ in de Raden van de Europese Unie.
  Deze lijst wordt opgesteld telkens de samenstelling van de Regeringen van het Koninkrijk wordt gewijzigd of vernieuwd, en wordt ter kennis gebracht van het Secretariaat-Generaal van de Raden van de Europese Unie door de Minister van Buitenlandse Zaken.

  Art. 9. De aanduiding van de Minister die gelast wordt BelgiŽ te vertegenwoordigen in de Raad, wordt geformaliseerd in het kader van de coŲrdinatie Europese Zaken of eventueel krachtens artikel 4 binnen de InterministeriŽle Conferentie voor het Buitenlands Beleid, vůůr elke Raad, en genotificeerd door de Minister van Buitenlandse Zaken, via de Permanente Vertegenwoordiging, aan het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Unie.

  Art. 10. 1. De vertegenwoordiging van BelgiŽ wordt tijdens de volledige duur van de zitting van de Raad door ťťn enkele Minister waargenomen, namelijk de zetelende Minister.
  Deze zal tevens de enige woordvoerder van de delegatie zijn bevoegd om BelgiŽ bij de stemmingen te verbinden.
  Bij afwezigheid van voornoemd zetelende Minister, wordt de Belgische zetel bezet door de Permanente Vertegenwoordiger van BelgiŽ bij de Europese Gemeenschappen of door zijn adjunct.
  2. Overeenkomstig het vertegenwoordigingssysteem waarvan sprake in bijlage I, mag de zetelende Minister worden bijgestaan door een Minister-assessor.

  IV. VOORZITTERSCHAP.

  Art. 11. Op basis van de hierboven vernoemde beginselen zullen de partijen, vůůr elk Voorzitterschap, een voorstel doen met specifieke modaliteiten. Dit voorstel zal in een bijkomend protocol opgenomen worden.

  V. SLOTBEPALINGEN.

  Art. 12. Het onderhavig samenwerkingsakkoord wordt voor onbepaalde duur gesloten.

  Art. 13. De toelichting maakt integraal deel uit van het samenwerkingsakkoord.

  Art. 14. De bepalingen van onderhavig samenwerkingsakkoord kunnen op verzoek van elke partij worden herzien. Een verzoek tot herziening wordt binnen de drie maanden onderzocht in de " ICBB ".
  Gedaan te Brussel, op 8 maart 1994, in zes originelen, in de Nederlandse, Franse en Duitse taal.
  Voor de Federale Regering :
  De Minister van Buitenlandse Zaken,
  W. CLAES
  Voor de Waalse Gewestregering :
  Le Ministre-Prťsident du Gouvernement wallon, chargť de l'Economie, des PME, des Relations extťrieures et du Tourisme,
  R. COLLIGNON
  Voor de Vlaamse Regering :
  De Minister-President en Vlaamse Minister van Economie, KMO, Wetenschapsbeleid, Energie en Externe Betrekkingen,
  L. VAN DEN BRANDE
  Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap :
  Der Minister-Pr›sident und Minister fŁr Finanzien, Volksgesundheit, Familie und Senioren, Sport, Tourismus, internationale Beziehungen und fŁr Denkmler und Landschaften,
  J. MARAITE
  Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering :
  De Minister van FinanciŽn, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
  J. CHABERT
  Voor de Regering van de Franse Gemeenschap :
  Le Ministre de l'Enseignement supťrieur, de la Recherche scientifique et des Relations internationales,
  M. LEBRUN

  Bijlagen.

  Art. N1.Bijlage 1. Vertegenwoordiging in de Raad.
  De organisatie van de Belgische vertegenwoordiging in de Raad steunt, volgens artikel 146 van het Verdrag van Rome, zoals gewijzigd door het Verdrag van Maastricht, op twee fundamentele elementen :
  a) enerzijds, de materies die behandeld worden binnen de Raad van de Europese Unie;
  b) anderzijds, de verdeling van de bevoegdheden tussen de verschillende onderdelen van het Koninkrijk BelgiŽ, zoals bepaald door de Staatshervorming.
  Een noodzakelijke structurering van deze twee elementen diende als basis voor onze werkhypothese.
  1. De materies die behandeld worden binnen de Raad van de Europese Unie.
  De naam " Raad " wordt in het enkelvoud gebruikt voor ťťn van de vijf basisinstellingen van de Unie. Oorspronkelijk was er trouwens alleen een Raad " Algemene Zaken ".
  De specialisering van de taken en de uitbreiding van de bevoegdheden van de Unie hebben geleid tot de vermenigvuldiging van de diverse configuraties van de Raad : Interne Markt, Leefmilieu, Landbouw, enz.
  Elke configuratie behandelt welbepaalde thema's, heeft een eigen dagorde en is door verschillende Ministers samengesteld, die elk bevoegd zijn voor de materies die aan de orde zijn. Het zijn de dagorders van de verschillende configuraties, bestudeerd over een periode van drie jaar, die het mogelijk gemaakt hebben de lijst op te stellen van de verschillende materies die behandeld worden in het kader van de Raad.
  2. Verdeling van de bevoegdheden.
  Vier verschillende categorieŽn kunnen aldus worden bepaald :
  CategorieŽn waarvoor een federale vertegenwoordiging wordt overwogen :
  I. exclusieve federale vertegenwoordiging,
  II. federale vertegenwoordiging met assessor van de gefedereerde entiteiten.
  CategorieŽn die betrekking hebben op de bevoegdheden van gefedereerde entiteiten :
  III. machtiging van de gefedereerde entiteiten met federale assessor,
  IV. exclusieve machtiging van de gefedereerde entiteiten.
  [V. exclusieve machtiging van ťťn enkel Gewest of Gemeenschap.
  VI. federale vertegenwoordiging, bijgestaan door gefedereerde entiteiten, waarbij het rotatiesysteem niet van toepassing is.] <NO 2003-02-13/34, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 07-03-2003>
  De machtiging is ingeschreven in artikel 146 van het Verdrag en wordt beschreven in artikel 1 van dit akkoord.
  3. De functie van assessor.
  Volgens artikel 10 van dit akkoord en conform artikel 146 zoals gewijzigd door het Verdrag betreffende de Europese Unie, weet men dat de vertegenwoordiging van BelgiŽ verzekerd wordt gedurende de volledige zitting door ťťn enkele zetelende Minister, die over het stemrecht beschikt en de enige bevoegde woordvoerder is.
  In de Raden van categorieŽn II en III, kan een Minister-assessor de zetelende Minister bijstaan.
  Deze assessor, die de rang van Minister heeft en in het eerste geval tot de gefedereerde entiteiten (categorie II) en in het andere geval tot de federale entiteit (categorie III) behoort, kan actief bijdragen tot de werkzaamheden binnen het kader van de Raad.
  Zijn rol bestaat er o.a. uit :
  - de zetelende Minister bij te staan, krachtens artikel 10, ß 1, van het Akkoord, voor de materies die onder de bevoegdheid vallen van zijn regeringsniveau;
  - het woord te voeren, in overleg met de zetelende Minister, over deze materies;
  - in functie van het verloop van de onderhandelingen, wanneer zij een actualisering van het in te nemen Belgische standpunt vereisen, zoals in gevallen voorzien in artikel 6, contact opnemen met zijn betrokken collega's op hetzelfde regeringsniveau.
  4. [Concrete verdeling van de Raden :
  De Raden worden onderverdeeld in zes categorieŽn :
  I. Algemene zaken
  Ecofin
  Budget
  Justitie
  Telecommunicatie
  Consumenten
  Ontwikkelingssamenwerking
  Burgerbescherming] <NO 2003-02-13/34, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 07-03-2003>
  [1 II. Interne Markt
   Volksgezondheid
   Energie
   Transport
   Sociale Zaken
  III. Industrie
   Onderzoek
   Leefmilieu]1
  [IV. Cultuur
  Onderwijs
  Toerisme
  Jeugd
  Huisvesting en Ruimtelijke Ordening
  V. Visserij
  (exclusieve bevoegdheid van het Vlaams Gewest)
  VI. Landbouw
  (de federale zetelende Minister wordt bijgestaan door de bevoegde Ministers van het Vlaams Gewest en van het Waals Gewest)] <NO 2003-02-13/34, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 07-03-2003>
  ----------
  (1)<NO 2004-06-07/42, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  

  Art. N2. Bijlage 2. Rotatiesysteem.
  1. Het rotatiesysteem zoals voorzien in artikel 7 steunt op een aantal basisprincipes waarover overeenstemming werd bereikt in de ICBB van 25 januari 1993.
  Deze principes zijn de volgende :
  - het beurtrolsysteem wordt per semester (is equivalent van periode van Voorzitterschap) georganiseerd;
  - het wordt zodanig georganiseerd dat een evenwicht ontstaat tussen de vertegenwoordigers van Gemeenschappen en Gewesten naargelang zij als Minister-assessor of gemachtigde Minister optreden;
  - voor sommige Raden zullen meerdere Raadsbijeenkomsten per semester georganiseerd worden. De per beurtrol aangeduide overheid zal voor de verschillende Raadsbijeenkomsten tijdens dit semester gehabiliteerd worden;
  - voor andere Raden zullen slechts sporadisch Raadsbijeenkomsten georganiseerd worden. De per beurtrol aangeduide overheid zal, indien geen zitting georganiseerd wordt tijdens het semester, automatisch voor de eerstvolgende zitting gehabiliteerd worden.
  2. Vanaf 1 januari 1994 zal een definitieve regeling van kracht worden. Hiertoe zullen overeenkomstig artikel 7 de nodige onderhandelingen worden gevoerd en afgesloten tegen uiterlijk 31 december 1993.
  3. De Bestuursdirectie Europese Zaken van het Ministerie van Buitenlandse Zaken wordt gelast met het bijhouden van de beurtrol.

  Art. N3. Bijlage 3. Afspraken betreffende de vertegenwoordiging in de " Informele Raden ".
  1. Aangezien informele " Raden " in het Gemeenschapsrecht geen wettelijke basis vinden en dus in rechte niet bestaan, gaat het in wezen om bijeenkomsten van Ministers die op informele wijze van gedachten wisselen over thema's van algemene aard, die al dan niet het voorwerp kunnen uitmaken van communautaire besluitvorming in een formeel kader. Daarom wordt het Belgisch standpunt voor de informele bijeenkomsten niet voorbereid in een coŲrdinatievergadering van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Dergelijke ministerbijeenkomsten nemen overigens ook wel de vorm aan van seminaries en colloquia.
  De Raadsconclusies van 20 december 1988 (doc. 10446/88) bevatten terzake enkele grondbeginselen.
  2. In principe kunnen informele ministerbijeenkomsten worden gehouden voor alle sectoren waar formele Raadsconfiguraties zijn voorzien. Aangezien zij geen wettelijke basis hebben is deze lijst echter per se niet beperkend. (In het verleden werden dergelijke bijeenkomsten ook georganiseerd onder Ministers van de Europese Unie die in geen formele raadsformaties zetelen.) <NO 2003-02-13/34, art. 6, 002; Inwerkingtreding : 07-03-2003>
  Aan informele bijeenkomsten neemt slechts de zetelende minister deel tenzij het uitnodigende Voorzitterschap de deelname van meerdere ministers per Lidstaat toelaat.
  3. Voor informele bijeenkomsten waar Gemeenschappen of Gewesten in de formele raadsconfiguratie gemachtigd zijn om de Lidstaat te vertegenwoordigen, zal de rotatie onder deze instanties het patroon volgen van de formele Raden. Aangezien op informele bijeenkomsten de formele zittingen vaak worden voorbereid en rekening houdend met de gewenste continuÔteit in de verdediging van de Belgische standpunten is het immers logisch dat tijdens hetzelfde Voorzitterschap dezelfde Minister deelneemt aan de formele en informele Raadsbijeenkomsten in een bepaalde sector.
  Voor de overige informele zittingen, deze waarvoor geen formele Raadsconfiguratie bestaat (b.v. Handelsbeleid, Regionaal beleid en Ruimtelijke Ordening...) zal de rotatie op een ad hoc basis per Voorzitterschapsperiode moeten gebeuren, aangezien de selectie van de informele bijeenkomsten door en vůůr elk Voorzitterschap wordt uitgevoerd.

  Art. N4. Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, met betrekking tot de vertegenwoordiging van het Koninkrijk BelgiŽ in de Ministerraad van de Europese Unie. Toelichting.
  1. Het Verdrag van Maastricht heeft het stelsel gewijzigd, dat de vertegenwoordiging regelt van de Lidstaten in de Raad van de Europese Unie. Het Verdrag van Rome voorziet dat de Raad samengesteld wordt door de vertegenwoordigers van de Lidstaten. Elke regering vaardigt ťťn van haar leden naar de Raad af.
  Volgens de bepalingen van artikel 146 van het Europese Unieverdrag, zal de Raad samengesteld zijn uit een vertegenwoordiger van elke Lidstaat, op ministerieel niveau, gemachtigd om de regering van deze Lidstaat te verbinden.
  Deze nieuwe bewoording van het Europese Unieverdrag biedt de Lidstaten dus de mogelijkheid zich in de Raad geldig te laten vertegenwoordigen door een Minister die geen deel uitmaakt van de nationale regering.
  De bijzondere wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten voorziet dat het nodig is interne regels op te stellen om het Koninkrijk BelgiŽ, Lidstaat van de Europese Unie, de mogelijkheid te bieden geldig deel te nemen aan de werkzaamheden van de Raad, rekening houdend met de bevoegdheden die aan de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten zijn toegekend. Dit is het doel van het Samenwerkingsakkoord.
  2. Hoofddoel van dit Akkoord is het kader en de gepaste regelingen op te stellen, om de samenwerking tussen de Federale, Gemeenschaps- en Gewestelijke overheden te bevorderen, in functie van hun respectievelijke bevoegdheden, teneinde de belangen van BelgiŽ te vertegenwoordigen in het kader van de Europese Unie, en de Europese uitbouw vooruit te laten gaan.
  Het is tevens de bedoeling om de kwestie van de vertegenwoordiging trapsgewijs op te lossen. Ten eerste door een verdeling van de vertegenwoordiging tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en Gewesten, in functie van de samenstellingen van de Raad, zoals opgenomen in bijlage I van het Akkoord. Vervolgens door het invoeren van een rotatiesysteem voor de vertegenwoordiging, overeen te komen tussen de Gemeenschappen en/of Gewesten onderling, in functie van de samenstellingen van de Raad die aangelegenheden behandelen die subsidiair, hoofdzakelijk of uitsluitend betrekking hebben op hun bevoegdheden. Dit rotatiesysteem wordt in bijlage II van het Akkoord opgenomen.
  3. Het Akkoord omvat, naast de machtigings- en vertegenwoordigingsregelingen, tevens procedure-elementen die onontbeerlijk zijn voor de juiste werking van de interne besluitvorming die eruit voortvloeit met name de coŲrdinatie met het oog op de bepaling van het Belgische standpunt in de verschillende samenstellingen van de Raad.
  4. Aangelegenheden die behandeld worden in het kader van de Europese constructie komen vaak niet overeen met de strikte grenzen van de bevoegdheden van elk van de partijen bij dit Akkoord. De partijen die de Belgische belangen in de verschillende samenstellingen van de Raad vertegenwoordigen zullen bijgevolg de hieronder vermelde beginselen moeten eerbiedigen :
  - in de Raden waar aangelegenheden worden behandeld, die hoofdzakelijk onder de bevoegdheid vallen van de federale Staat, zal deze laatste rekening houden met het standpunt van de Gemeenschappen en Gewesten, wanneer hun belangen betrokken zijn. In dezelfde Raden, zal de federale overheid bij haar beslissing in het bijzonder rekening houden met de weerslag op en de verplichtingen voor de Gemeenschappen en Gewesten, indien hun bevoegdheden, hun wetgevende en administratieve structuren of procedures beÔnvloed worden;
  - in de Raden waar aangelegenheden worden behandeld, die hoofdzakelijk onder de bevoegdheid vallen van de Gemeenschappen en Gewesten zal de vertegenwoordiging van de rechten waarover de federale overheid beschikt als Lidstaat van de Europese Unie in de betrokken Raden, overgedragen worden aan de vertegenwoordiger van de Gemeenschappen of Gewesten op de wijze die in het Akkoord en zijn bijlagen wordt vermeld;
  (- Meer in het bijzonder wat de landbouw betreft, zal het Belgische standpunt worden voorbereid door de drie Gewesten en worden verdedigd door de zetelende Minister, die daartoe zal beschikken over een cel in de Directie-Generaal Europa van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. In zoverre er geen eensgezindheid tussen de Gewesten kan tot stand komen, dient de zetelende Minister in de Ministerraad van de Europese Unie zich te onthouden.) <NO 2003-02-13/34, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 07-03-2003>
  De overdracht gebeurt met de goedkeuring van de federale overheid, waarvan de algemene verantwoordelijkheid geŽerbiedigd moet worden. Dit geldt in het bijzonder voor domeinen die betrekking hebben op de uitgaven en de inkomsten van de federale overheid en voor andere aspecten van horizontale aard, die betrekking hebben op het Europees beleid van BelgiŽ.
  5. De bepaling van het Belgisch standpunt en het coŲrdinatiemechanisme.
  De Bestuursdirectie Europese Zaken wordt, zoals in het verleden, gelast met de dagelijkse coŲrdinatie ter voorbereiding van het Belgisch standpunt.
  Deze coŲrdinatie strekt er hoofdzakelijk toe het standpunt te bepalen, dat door BelgiŽ verdedigd zal worden binnen de Europese Unie, en het respect te waarborgen van de beginselen en de coherentie van ons Europese beleid, evenals de budgettaire aspecten ervan.
  In elk geval zal vůůr elke zitting van een Raad een horizontale coŲrdinatievergadering georganiseerd worden door de Bestuursdirectie Europese Zaken, ongeacht het betrokken domein. Dit sluit de organisatie van gedecentraliseerde of ad hoc coŲrdinatie niet uit, hetzij op initiatief van de voornoemde Directie Europese Zaken, hetzij door andere instanties of in het kader van sectoriŽle interministeriŽle conferenties. Zij zullen gehouden zijn de horizontale coŲrdinatie van de Bestuursdirectie Europese Zaken in te lichten en zich tot deze te wenden wanneer problemen rijp zijn of elementen van politieke aard bevatten.
  De te verdedigen standpunten zullen met consensus bepaald worden in het kader van de coŲrdinatievergaderingen.
  Er moet rekening gehouden worden met het feit dat onthouding in de Raad niet neutraal is. Wanneer de beslissing eenparig moet worden genomen komt een onthouding overeen met een positieve stem, wanneer de beslissing een gekwalificeerde meerderheid vereist komt de onthouding overeen met een negatieve stem. Daardoor wordt de coŲrdinatie als het ware verplicht tot het bereiken van een resultaat om een standpunt te bepalen teneinde zinvol deel te nemen aan de onderhandelingen binnen de Raad.
  Bij gebrek aan consensus op het niveau van de voornoemde coŲrdinatie, zal de zaak aanhangig gemaakt worden bij de InterministeriŽle Conferentie voor het Buitenlands Beleid om een arbitrage op ministerieel niveau mogelijk te maken. Aangezien de InterministeriŽle Conferentie geen beslissingen kan opleggen, zouden de conflicten, veroorzaakt door de bepalingen van het Akkoord, in beroep geregeld moeten worden door het Overlegcomitť Federale Regering - Gemeenschaps- en Gewestregeringen.
  Om doeltreffend te zijn, moet deze arbitrage snel kunnen gebeuren, aangezien de onderhandelingen verder evolueren tot de dag vůůr de zitting van de Raad.
  De coŲrdinatievergaderingen zullen het kader bieden voor de aanduiding van de Minister die gelast wordt BelgiŽ te vertegenwoordigen tijdens de zittingen van de Raad. De Minister van Buitenlandse Zaken maakt de naam van de aldus aangewezen Minister bekend aan het Secretariaat-Generaal van de Raad, en dit uitsluitend via de Permanente Vertegenwoordiging van BelgiŽ bij de Raad.
  6. De vertegenwoordiging van BelgiŽ in de Raad van de Europese Unie.
  De vertegenwoordiging van BelgiŽ in de Raad moet worden verankerd in de configuratie van de verschillende samenstellingen van de Raad. Sommige zijn eerder gericht op materies die hoofdzakelijk behoren tot de bevoegdheden van de Gemeenschappen en Gewesten. Andere richten zich tot materies die hoofdzakelijk behoren tot de bevoegdheid van de Staat.
  De vertegenwoordiging moet tijdens de volledige duur van de zitting van de Raad door ťťn enkele Minister waargenomen worden. Deze zal tevens de enige woordvoerder van de delegatie zijn, bevoegd om BelgiŽ bij de stemmingen te verbinden. Dit sluit niet uit dat een andere Minister, die bevoegd is voor de behandelde materie, de Raad kan bijwonen in hoedanigheid van Minister-assessor.
  De InterministeriŽle Conferentie voor het Buitenlands Beleid zal de lijst opstellen van de Federale, Gemeenschaps- en de Gewestministers, die aangeduid worden om de Belgische zetel te bezetten. Deze lijst zal aangepast of vernieuwd worden, telkens de samenstelling van de betrokken regeringen zich wijzigt.
  De organisatie van de Belgische vertegenwoordiging wordt voorgesteld in Bijlage I van het Akkoord. Zij steunt op een verdeling in vier categorieŽn waarvan twee de Federale Vertegenwoordiging (hetzij exclusief of met assessor) en twee andere de habilitatie van de Gemeenschappen en Gewesten (exclusief of met federale assessor) veronderstellen.
  Het rotatiesysteem (bijlage II) voor de vertegenwoordiging in de Raad, afgesproken tussen de Gemeenschappen en Gewesten, houdt rekening met de noodzakelijke geloofwaardigheid en de doeltreffendheid van de vertegenwoordiging van de Belgische belangen. Dit betekent dat deze rotatie inspeelt op het werktempo van de Raden, met name omdat de besluitvorming voor de dossiers gewoonlijk over verschillende zittingen loopt. Enerzijds wordt aldus een te snelle rotatie van de Ministers vermeden, om het Belgisch standpunt doorlopend en consequent te kunnen verdedigen, maar anderzijds ook een te trage rotatie, die de initiatieven van de andere bestanddelen van het Koninkrijk zou kunnen ontkrachten.
  Opgemerkt moet worden dat, in beginsel, bepalingen van het Samenwerkingsakkoord en zijn bijlagen niet van toepassing zouden moeten zijn op de vraag van de vertegenwoordiging en de voorbereiding van de informele Ministerraden. Immers, juridisch gezien bestaan de zogeheten informele Raden niet en ze horen dus niet tot het toepassingsveld van artikel 146 van het Verdrag.
  Toch bleek het nuttig om in bijlage III van het akkoord een aantal algemene afspraken te formuleren betreffende de vertegenwoordiging in de " informele raden ".
  Het Koninkrijk BelgiŽ wordt in het Comitť van de Permanente Vertegenwoordigers (COREPER I en II) vertegenwoordigd door de Permanente Vertegenwoordiger of zijn adjunct. Zij alleen kunnen het woord nemen.
  Het COREPER wordt bijgestaan bij de voorbereiding van de werkzaamheden van de verschillende raden door werkgroepen die het zelf opricht. (Inzake het bevoegdheidsdomein Landbouw echter dient de Permanente Vertegenwoordiging zich steeds te laten bijstaan door de bij de Permanente Vertegenwoordiging ingestelde dienst van de door de Gewesten gedetacheerde ambtenaren.) <NO 2003-02-13/34, art. 5, 002; Inwerkingtreding : 07-03-2003>
  De Permanente Vertegenwoordiger oordeelt zelf of hij zich in het COREPER al dan niet laat bijstaan door de Belgische woordvoerder in de werkgroep of door andere medewerkers, met inbegrip van vertegenwoordigers van de Gemeenschappen en van de Gewesten.
  Met het oog op coherentie, opvolging en doeltreffendheid en ten einde te voldoen aan de voorschriften van artikel 19 van het intern reglement van de Raad, wordt de Belgische delegatie in de werkgroepen rond het COREPER, in algemene regel geleid door een lid van de Permanente Vertegenwoordiging, door de Ambassadeur aangeduid.
  Deze regel die eveneens kan toegepast worden op de Vertegenwoordigers van Gemeenschappen en Gewesten in de Permanente Vertegenwoordiging, sluit niet uit dat ambtenaren van de op technisch vlak bevoegde Federale, Gewest- of Gemeenschapsdepartementen deel zouden uitmaken van de delegatie.
  7. Het Belgisch Voorzitterschap.
  BelgiŽ moet om de zes jaar het Voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie waarnemen.
  Alhoewel dezelfde beginselen als in het Samenwerkingsakkoord ook toegepast kunnen worden om in te spelen op de eisen van de vertegenwoordiging en de bepaling van het Belgisch standpunt in de instanties van de Raad, moeten specifieke bepalingen worden voorzien voor elk Voorzitterschap.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Gelet op artikelen 1, 2, 3, 33, 34, 35, 39, 127-130, 167, 168 van de Grondwet;
   Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd door de wet van 8 augustus 1988, de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, de bijzondere wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten en de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, inzonderheid de artikelen 4, 5, 6, 6bis, 81, ß 6, 92bis, ß 1 en ß 4bis;
   Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, gewijzigd door de bijzondere wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten en de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale Staatsstructuur, inzonderheid de artikelen 4, 42, 60;
   Gelet op de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, gewijzigd door de wet van 18 juli 1990 en de wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten, inzonderheid de artikelen 4, 6, 55bis;
   Overwegende de artikelen 146 EEG, 27 EGKS en 116 EGA van de Verdragen van Parijs en Rome ter oprichting der Europese Gemeenschappen, zoals gewijzigd door de artikelen G, H en I van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ondertekend te Maastricht op 7 februari 1992;
   Overwegende dat, in het kader van de Europese Unie, de federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten naargelang hun respectievelijke bevoegdheden samenwerken ten einde er de belangen van BelgiŽ te vertegenwoordigen en de Europese constructie verder te zetten;
   Overwegende dat het noodzakelijk is regels vast te stellen in de interne rechtsorde waardoor het Koninkrijk BelgiŽ als Lidstaat van de Europese Unie geldig kan deelnemen aan de werkzaamheden van de Ministerraad van die Unie;
   Overwegende de machtiging geschonken aan de gemeenschappelijke en gewestelijke regeringen om de Staat te binden binnen de Ministerraad van de Europese Unie, volgens in een samenwerkingsakkoord vast te leggen modaliteiten;
   De Staat, vertegenwoordigd door de heer W. Claes, Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken,
   Het Waals Gewest, vertegenwoordigd door de heer R. Collignon, Minister-President, belast met de Economie, KMO's, Toerisme, Externe Betrekkingen, Buitenlandse Handel, Patrimonium,
   De Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de heer L. Van Den Brande, Minister-President en Vlaams Minister van Economie, KMO, Wetenschapsbeleid, Energie en Externe Betrekkingen,
   De Duitstalige Gemeenschap, vertegenwoordigd door de heer J. Maraite, Minister-President, Minister van FinanciŽn, Volksgezondheid, Gezin en Bejaarden, Sport, Toerisme, Internationale Betrekkingen en Monumenten en Landschappen,
   Het Brussels Hoofdstedelijk Ge(BR)west, vertegenwoordigd door de heer J. Chabert, Minister van FinanciŽn, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
   De Franse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de heer M. Lebrun, Minister van Hoger Onderwijs, Wetenschappelijk Onderzoek en Internationale Betrekkingen,
   kwamen het volgende overeen :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • SAMENWERKINGSAKKOORD (NATIONAAL) VAN 07-06-2004 GEPUBL. OP 04-03-2010
    (GEWIJZIGD ART. : N1)
  • originele versie
  • SAMENWERKINGSAKKOORD (NATIONAAL) VAN 13-02-2003 GEPUBL. OP 25-02-2003
    (GEWIJZIGDE ART. : 7; N1; N3; N4)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 5 uitvoeringbesluiten 2 gearchiveerde versies
    Franstalige versie