J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
5 MEI 1988. - Aanvullend Protocol bij het Europees Sociaal Handvest.

Bron :
BUITENLANDSE ZAKEN.BUITENLANDSE HANDEL.ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
Publicatie : 26-03-1997 nummer :   1988050550 bladzijde : 7125
Dossiernummer : 1988-05-05/32
Inwerkingtreding : 22-07-2003

Inhoudstafel Tekst Begin
DEEL I.
Art. M
DEEL II. - De Partijen verbinden zich, overeenkomstig het bepaalde in Deel III, zich gebonden te achten door de verplichtingen, vervat in de volgende artikelen :
Art. 1-4
DEEL III.
Art. 5
DEEL IV.
Art. 6
DEEL V.
Art. 7-13
BIJLAGEN.
Art. N1-N3

Tekst Inhoudstafel Begin
DEEL I.

  Artikel M. De Partijen aanvaarden als doel van hun beleid dat zij met alle passende middelen zullen nastreven, zowel op nationaal als internationaal terrein, het scheppen van voorwaarden waaronder de volgende rechten en beginselen doeltreffend kunnen worden verwezenlijkt :
  1. Alle werknemers hebben recht op gelijke kansen en gelijke behandeling ten aanzien van werkgelegenheid en beroepsuitoefening zonder discriminatie naar geslacht.
  2. Werknemers hebben recht op informatie en overleg binnen de onderneming.
  3. Werknemers hebben het recht deel te nemen aan de vaststelling en de verbetering van de werkomstandigheden en werkomgeving binnen de onderneming.
  4. Iedere oudere heeft recht op sociale bescherming.

  DEEL II. - De Partijen verbinden zich, overeenkomstig het bepaalde in Deel III, zich gebonden te achten door de verplichtingen, vervat in de volgende artikelen :

  Art. 1. Recht op gelijke kansen en gelijke behandeling ten aanzien van werkgelegenheid en beroepsuitoefening zonder discriminatie naar geslacht
  1. Ten einde de doeltreffende uitoefening te waarborgen van het recht op gelijke kansen en gelijke behandeling ten aanzien van werkgelegenheid en beroepsuitoefening zonder discriminatie naar geslacht verbinden de Partijen zich ertoe dat recht te erkennen en passende maatregelen te nemen om de toepassing ervan op de volgende gebieden te waarborgen of te bevorderen :
  - toegang tot de arbeidsmarkt, bescherming tegen ontslag, beroepsmatige herintreding;
  - beroepsvoorlichting en -opleiding, herscholing en heraanpassing;
  - arbeidsvoorwaarden en werkomstandigheden, met inbegrip van salariŽring;
  - loopbaanontwikkeling, met inbegrip van promotie.
  2. De bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw, met name wat betreft de zwangerschap, de bevalling en de postnatale periode, worden niet beschouwd als discriminatie in de zin van het eerste lid van dit artikel.
  3. Het eerste lid van dit artikel vormt geen beletsel voor het nemen van specifieke maatregelen om feitelijke ongelijkheden uit de weg te ruimen.
  4. Beroepsactiviteiten die vanwege hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden verricht, slechts kunnen worden toevertrouwd aan personen van een bepaald geslacht, kunnen worden uitgesloten van de werkingssfeer van dit artikel of van bepaalde bepalingen ervan.

  Art. 2. Recht op informatie en overleg.
  1. Ten einde de doeltreffende uitoefening te waarborgen van het recht van de werknemers op informatie en overleg binnen de onderneming verbinden de Partijen zich ertoe maatregelen te nemen of te bevorderen waardoor de werknemers of hun vertegenwoordigers, overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijk, in staat worden gesteld om :
  a) regelmatig of te gelegener tijd op een begrijpelijke wijze te worden geÔnformeerd over de economische en financiŽle toestand van de onderneming waarbij zij in dienst zijn, met dien verstande dat de openbaarmaking van bepaalde informatie, waardoor de onderneming zou kunnen worden benadeeld, kan worden geweigerd of dat er kan worden geŽist dat deze informatie vertrouwelijk wordt behandeld; en
  b) tijdig te worden geraadpleegd over voorgestelde beslissingen die de belangen van de werknemers aanzienlijk zouden kunnen beÔnvloeden en met name over beslissingen die grote gevolgen zouden kunnen hebben voor de werkgelegenheid binnen de onderneming.
  2. De Partijen kunnen van de werkingssfeer van het eerste lid van dit artikel die ondernemingen uitsluiten waar minder dan een bij de nationale wetgeving of praktijk bepaald aantal personen in dienst zijn.

  Art. 3. Recht deel te nemen aan de vaststelling en de verbetering van de werkomstandigheden en werkomgeving.
  1. Ten einde de doeltreffende uitoefening te waarborgen van het recht van de werknemers deel te nemen aan de vaststelling en de verbetering van de werkomstandigheden en werkomgeving binnen de onderneming, verbinden de Partijen zich ertoe maatregelen te nemen of te bevorderen waardoor de werknemers of hun vertegenwoordigers, overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijk, in staat worden gesteld bij te dragen aan :
  a) de vaststelling en de verbetering van de werkomstandigheden, de werkindeling en de werkomgeving;
  b) de bescherming van de gezondheid en de veiligheid binnen de onderneming;
  c) de organisatie van sociale en sociaal-culturele diensten en voorzieningen binnen de onderneming;
  d) toezicht op de naleving van de voorschriften op deze gebieden.
  2. De Partijen kunnen van de werkingssfeer van het eerste lid van dit artikel die ondernemingen uitsluiten die minder dan een bij de nationale wetgeving of praktijk bepaald aantal personeelsleden in dienst hebben.

  Art. 4. Recht van ouderen op sociale bescherming.
  Ten einde de doeltreffende uitoefening te waarborgen van het recht van ouderen op sociale bescherming, verbinden de Partijen zich ertoe, hetzij rechtstreeks, hetzij in samenwerking met openbare of particuliere instanties, passende maatregelen te nemen of te bevorderen die er met name op zijn gericht :
  1. Ouderen in staat te stellen zolang mogelijk volledig lid te blijven van de maatschappij, door middel van :
  a) voldoende middelen om hen in staat te stellen een fatsoenlijk bestaan te leiden en actief deel te nemen aan het openbare, maatschappelijke en culturele leven;
  b) verschaffing van informatie over de diensten en voorzieningen beschikbaar voor ouderen en de mogelijkheden voor hen om hiervan gebruik te maken;
  2. Ouderen in staat te stellen vrijelijk hun levensstijl te kiezen en een onafhankelijk bestaan te leiden in hun gewone omgeving zolang zij dit wensen en kunnen, door middel van :
  a) het beschikbaarstellen van huisvesting aangepast aan hun behoeften en hun gezondheidstoestand, dan wel van passende bijstand bij de aanpassing van hun woning;
  b) de gezondheidszorg en diensten die in verband met hun toestand nodig zijn;
  3. Ouderen die in tehuizen wonen passende hulp, met respect voor het privť-leven, en deelname aan de vaststelling van de leefomstandigheden in het tehuis te verzekeren.

  DEEL III.

  Art. 5. Verbintenissen.
  1. Ieder der Partijen verbindt zich ertoe :
  a) Deel I van dit Handvest te beschouwen als een verklaring van de doelstellingen die zij, overeenkomstig de inleidende alinea van dat Deel, met alle daarvoor in aanmerking komende middelen zal nastreven :
  b) zich gebonden te achten door een of meer artikelen van Deel II van dit Protocol.
  2. De overeenkomstig het bepaalde onder letter b) van het eerste lid van dit artikel gekozen artikel(en) worden aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa medegedeeld door de verdragsluitende Staat bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
  3. Ieder der Partijen kan op een later tijdstip door kennisgeving aan de Secretaris-Generaal verklaren dat zij zich gebonden acht door ieder ander artikel in Deel II van dit Protocol dat zij nog niet had aanvaard overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. Deze later aanvaarde verplichtingen worden geacht een integrerend deel van de bekrachtiging, de aanvaarding of de goedkeuring te zijn en hebben hetzelfde rechtsgevolg met ingang van de 30ste dag na de datum van kennisgeving.

  DEEL IV.

  Art. 6. Toezicht op de naleving van de aangegane verbintenissen.
  De Partijen leggen rapporten over omtrent de toepassing van de bepalingen in Deel II van dit Protocol die zij hebben aanvaard in de rapporten bedoeld in artikel 21 van het Handvest.

  DEEL V.

  Art. 7. Uitvoering van de aangegane verbintenissen.
  1. Aan de relevante bepalingen in de artikelen 1 tot en met 4 van Deel II van dit Protocol kan uitvoering worden gegeven door :
  a) wet- of regelgeving;
  b) overeenkomsten tussen werkgevers of werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties;
  c) een combinatie van deze twee methoden; of
  d) andere passende middelen.
  2. De verbintenissen voortvloeiend uit de artikelen 2 en 3 van Deel II van dit Protocol worden geacht te zijn nagekomen zodra deze bepalingen worden toegepast, overeenkomstig het eerste lid van dit artikel, op de absolute meerderheid van de betrokken werknemers.

  Art. 8. Betrekkingen tussen het Handvest en dit Protocol.
  1. De bepalingen van dit Protocol laten de bepalingen van het Handvest onverlet.
  2. De artikelen 22 tot en met 32 en 36 van het Handvest zijn mutatis mutandis van toepassing op dit Protocol.

  Art. 9. Territoriale toepassing.
  1. Dit Protocol is van toepassing op het grondgebied van het moederland van elke Partij. Elke Staat kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, het grondgebied dat voor de toepassing van dit Protocol als moederland dient te worden beschouwd nader aangeven in een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring.
  2. Iedere verdragsluitende Staat kan op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dit Protocol, of op elk ander tijdstip daarna, in een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving verklaren dat het Protocol, geheel of gedeeltelijk, van toepassing zal zijn op ťťn of meer in bedoelde verklaring aangegeven gebieden buiten het moederland, waarvan hij de internationale betrekkingen behartigt of waarvoor hij de internationale verantwoordelijkheid aanvaardt. Hij dient in deze verklaring aan te geven welke van de in Deel II van dit Protocol vervatte artikelen hij als bindend aanvaardt ten aanzien van de in de verklaring vermelde gebieden.
  3. Dit Protocol treedt in werking ten aanzien van het gebied of de gebieden vermeid in de in het vorige lid bedoelde verklaring op de dertigste dag na de datum waarop de Secretaris-Generaal de kennisgeving van deze verklaring heeft ontvangen.
  4. Elke Partij kan daarna te allen tijde in een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving verklaren dat zij, ten aanzien van ťťn of meer gebieden waarop dit Protocol krachtens het tweede lid van dit artikel van toepassing is, ieder artikel als bindend aanvaardt, dat zij nog niet ten aanzien van dat gebied of die gebieden had aanvaard. Deze nadere verbintenissen worden geacht een integrerend deel te vormen van de oorspronkelijke verklaring ten aanzien van het betrokken gebied en hebben hetzelfde rechtsgevolg vanaf de dertigste dag na de datum waarop de Secretaris-Generaal de kennisgeving van deze verklaring heeft ontvangen.

  Art. 10. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en inwerkingtreding.
  1. Dit Protocol staat open voor ondertekening door de Lidstaten van de Raad van Europa die het Handvest hebben ondertekend. Het dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. Een Lidstaat van de Raad van Europa kan dit Protocol niet bekrachtigen, aanvaarden of goedkeuren zonder gelijktijdige of voorafgaande bekrachtiging van het Handvest. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
  2. Dit Protocol treedt in werking op de dertigste dag na de datum van nederlegging van de derde akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
  3. Ten aanzien van iedere ondertekenende Staat die het later bekrachtigt, treedt dit Protocol in werking op de dertigste dag na de datum van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

  Art. 11. Opzegging.
  1. Een Partij kan dit Protocol slechts opzeggen aan het einde van een periode van vijf jaar na de datum waarop het Protocol voor haar in werking is getreden, of aan het einde van elke volgende periode van twee jaar en in elk van deze gevallen dient de opzegging met inachtneming van een termijn van zes maanden ter kennis te worden gebracht van de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. Deze opzegging tast de geldigheid van het Protocol niet aan ten opzichte van de andere Partijen, mits hun aantal nooit minder dan drie bedraagt.
  2. Iedere Partij kan overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid ieder door haar aanvaard artikel van Deel II van dit Protocol opzeggen, mits het aantal artikelen waaraan deze Partij gebonden is, nooit minder dan ťťn bedraagt.
  3. Iedere Partij kan dit Protocol of ieder artikel van Deel II van het Protocol overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid van dit artikel opzeggen ten aanzien van elk grondgebied waarop dit Protocol van toepassing is krachtens een overeenkomstig het tweede en vierde lid van artikel 9 afgelegde verklaring.
  4. Iedere door het Handvest en in dit Protocol gebonden Partij die het Handvest opzegt overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid van artikel 37 daarvan, wordt geacht ook het Protocol te hebben opgezegd.

  Art. 12. Kennisgevingen.
  De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de Lid-Staten van de Raad en de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau in kennis van :
  a) iedere ondertekening;
  b) de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring;
  c) iedere datum van inwerkingtreding van dit Protocol overeenkomstig de artikelen 9 en 10;
  d) iedere andere handeling, kennisgeving of mededeling met betrekking tot dit Protocol.

  Art. 13. Bijlage.
  De Bijlage bij dit Protocol vormt hiervan een integrerend deel.
  Ten blijke waarvan de daartoe behoorlijk gemachtigde ondergetekenden dit Protocol hebben ondertekend.
  Gedaan te Straatsburg op 5 mei 1988 in de Franse en de Engelse taal, waarbij beide teksten gelijkelijk gezaghebbend zijn, in een exemplaar, dat zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa zendt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift aan ieder van de lidstaten van de Raad van Europa.
  (Voor de Wet, zie %%1996-09-26/49%%).

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Werkingssfeer van het Protocol met betrekking tot de te beschermen personen.
  1. Onder de in de artikelen 1 tot en met 4 van dit protocol bedoelde personen vallen slechts buitenlanders voorzover zij onderdaan zijn van andere Partijen en legaal verblijven of werken op het grondgebied van de betrokken Partij, met dien verstande dat bovengenoemde artikelen dienen te worden uitgelegd in het licht van de bepalingen van de artikelen 18 en 19 van het Handvest.
  Deze uitlegging sluit een uitbreiding van overeenkomstige rechten tot andere personen door een der partijen niet uit.
  2. Elke Partij doet vluchtelingen als gedefinieerd in het Verdrag van GenŤve van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen en het protocol van 31 januari 1967, die legaal op haar grondgebied verblijven, een zo gunstig mogelijke behandeling toekomen en in elk geval een niet minder gunstige dan waartoe zij zich heeft verbonden krachtens genoemd verdrag en protocol, alsmede krachtens alle andere bestaande internationale overeenkomsten toepasselijk ten aanzien van deze vluchtelingen.
  3. Iedere partij doet staatlozen als gedťfinieerd in het verdrag van New York van 28 september 1954 betreffende de status van staatlozen, die legaal op haar grondgebied verblijven, een zo gunstig mogelijke behandeling toekomen en in elk geval een niet minder gunstige dan waartoe zij zich heeft verbonden krachtens genoemd verdrag, alsmede krachtens alle andere bestaande internationale overeenkomsten toepasselijk ten aanzien van deze staatlozen.
  * Artikel 1.
  Het is wel verstaan dat zaken betreffende de sociale zekerheid alsmede bepalingen betreffende werkloosheidsuitkeringen ouderdomsuitkeringen en uitkeringen aan nagelaten betrekkingen worden uitgesloten van de werkingssfeer van dit artikel.
  * Artikel 1, vierde lid.
  Deze bepaling mag niet zo worden uitgelegd dat de Partijen worden verplicht om in wet- of regelgeving een lijst met beroepen op te nemen die vanwege hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden verricht, kunnen worden voorbehouden aan werknemers van een bepaald geslacht.
  * Artikel. 2 en 3.
  1. Voor de toepassing van deze artikelen wordt verstaan onder " vertegenwoordigers van de werknemers " personen die als zodanig zijn erkend door de nationale wetgeving of praktijk.
  2. Onder " nationale wetgeving en praktijk " wordt, naar gelang van het geval, verstaan, behalve de wet- en regelgeving, de collectieve overeenkomsten, andere overeenkomsten tussen de werkgevers en de vertegenwoordigers van de werknemers, de gebruiken en relevante gerechtelijke beslissingen.
  3. Voor de toepassing van deze artikelen wordt onder " onderneming " verstaan een geheel van materiŽle en immateriŽle bestanddelen, met of zonder rechtspersoonlijkheid, bestemd voor het produceren van goederen of het leveren van diensten, met winstoogmerk, en met de bevoegdheid het eigen marktbeleid te bepalen.
  4. Het is wel verstaan dat religieuze gemeenschappen en hun instellingen kunnen worden uitgesloten van de toepassing van deze artikelen ook wanneer deze instellingen ondernemingen zijn in de zin van het derde lid. Instellingen die werkzaamheden verrichten geÔnspireerd door bepaalde idealen of geleid door bepaalde morele opvattingen, idealen en opvattingen die worden beschermd door de nationale wetgeving, kunnen worden uitgesloten van de toepassing van deze artikelen voor zover zulks noodzakelijk is om de gerichtheid van de onderneming te beschermen.
  5. Het is wel verstaan dat wanneer in een Staat de rechten bedoeld in de artikelen 2 en 3 worden uitgeoefend in de verschillende vestigingen van de onderneming, de betrokken partij moet worden geacht te voldoen aan de uit deze bepalingen voortvloeiende verplichtingen.
  * Artikel. 3.
  Deze bepaling tast noch de bevoegdheden en verplichtingen van de Staten met betrekking tot het aannemen van gezondheids- en veiligheidsvoorschriften met betrekking tot de werkplaatsen, noch de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid van de lichamen belast met het toezicht op de toepassing ervan aan.
  Onder " sociale en sociaal-culturele diensten en voorzieningen " wordt verstaan diensten en voorzieningen van sociale en/of culturele aard die door sommige ondernemingen aan werknemers worden geboden, zoals sociale hulpverlening, sportterreinen, ruimte voor zogende moeders, bibliotheken, vakantiekampen voor kinderen, enz.
  * Artikel. 4, eerste lid.
  Voor de toepassing van dit lid heeft de uitdrukking " zolang mogelijk " betrekking op de fysieke, psychische en intellectuele vermogens van de oudere.
  * Artikel. 7.
  Het is wel verstaan dat de werknemers die zijn uitgesloten overeenkomstig het tweede lid van artikel 2 en het tweede lid van artikel 3, niet worden medegeteld bij de vaststelling van het aantal betrokken werknemers.

  Art. N2. Aangezien BelgiŽ dit Protocol nog niet bekrachtigd heeft, is het nog niet inwerking getreden voor BelgiŽ. In een later bericht zal de datum van neerlegging van de bekrachtigingsoorkonde, de datum van de inwerkingtreding en de lijst met de gebonden Staten gepubliceerd worden.

  Art. N3. Lijst met de gebonden Staten. <ingevoegd bij Addendum, M.B. 18.11.2003, p. 55463-55464>

  LIJST VAN DE STATEN             DATUM VAN NEERLEGGING    DATUM VAN
                                   VAN DE                   INWERKINGTREDING
                                   BEKRACHTIGINGSOORKONDE
  BELGIE                          23 juni 2003             22 juli 2003
  DENEMARKEN                      27 augustus 1996         26 september 1996
  FINLAND                         29 april 1991             4 september 1992
  GRIEKENLAND                     18 juni 1998             17 juli 1998
  ITALIE                          26 mei 1994              25 juni 1994
  KROATIE                         26 februari 2003         28 maart 2003
  NEDERLAND                        5 augustus 1992          4 september 1992
  NOORWEGEN                       10 december 1993          9 januari 1994
  SLOVAKIJE                       22 juni 1998             21 juli 1998
  SPANJE                          24 januari 2000          23 februari 2000
  TSJECHIE                        17 november 1999         17 december 1999
  ZWEDEN                           5 mei 1989               4 september 1992


  (NOTA : BelgiŽ heeft volgende verklaring afgelegd : "Overeenkomstig artikel 5, ß 2, acht BelgiŽ zich niet gebonden door artikel 4").

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Protocol hebben ondertekend,
   Vastbesloten nieuwe maatregelen te nemen om de bescherming van de sociale en economische rechten, zoals die is gewaarborgd door het Europees Sociaal Handvest dat op 18 oktober 1961 te Turijn voor ondertekening is opengesteld (hierna te noemen " het Handvest "), uit te breiden,
   Zijn als volgt overeengekomen :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie