J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
17 MAART 1978. - Aanvullend protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken.

Bron :
BUITENLANDSE ZAKEN.BUITENLANDSE HANDEL.INTERNATIONALE SAMENWERKING
Publicatie : 01-06-2002 nummer :   2002A15022 bladzijde : 24279       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 1978-03-17/31
Inwerkingtreding : 29-05-2002

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :1959042060       

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I.
Art. 1-2
HOOFDSTUK II.
Art. 3
HOOFDSTUK III.
Art. 4
HOOFDSTUK IV.
Art. 5-12
BIJLAGE.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I.

  Artikel 1. Het recht bedoeld in artikel 2, letter a, van het Verdrag om rechtshulp te weigeren, wordt door de Verdragsluitende Partijen niet uitgeoefend louter omdat het verzoek betrekking heeft op een strafbaar feit dat door de aangezochte Partij als een fiscaal delict wordt beschouwd.

  Art. 2. 1. Indien de Verdragsluitende Partij zich het recht heeft voorbehouden de uitvoering van ambtelijke opdrachten strekkende tot huiszoeking of inbeslagneming afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat het delict dat tot de ambtelijke opdrachten aanleiding geeft, zowel volgens de wetgeving van de verzoekende Partij als volgens die van de aangezochte Partij een strafbaar feit is, dan is, wat de fiscale delicten betreft, aan deze voorwaarde voldaan indien het feit strafbaar is volgens de wetgeving van de verzoekende Partij en overeenkomt met een strafbaar feit van dezelfde aard volgens de wetgeving van de aangezochte Partij.
  2. Het verzoek mag niet worden afgewezen op grond van het feit dat naar de wetgeving van de aangezochte Partij niet dezelfde soort heffingen of belastingen worden opgelegd of die wetgeving niet dezelfde soort regeling op het gebied van heffingen, belastingen, douane en deviezen bevat als de wetgeving van de verzoekende Partij.

  HOOFDSTUK II.

  Art. 3. Het Verdrag is eveneens van toepassing op :
  a) de betekening van stukken betreffende de tenuitvoerlegging van een straf, de inning van een boete of betaling van proceskosten;
  b) maatregelen betreffende het opschorten van een te wijzen vonnis, of van een tenuitvoerlegging daarvan, de voorwaardelijke invrijheidstelling, het uitstel van het begin van de tenuitvoerlegging van een straf of de onderbreking van de tenuitvoerlegging daarvan.

  HOOFDSTUK III.

  Art. 4. Artikel 22 van het Verdrag wordt aangevuld met de volgende tekst, waarbij de oorspronkelijke tekst van artikel 22 van het Verdrag het eerste lid wordt en de onderstaande bepaling het tweede lid :
  " 2. Bovendien zendt iedere Verdragsluitende Partij die bovenbedoelde mededelingen heeft gedaan, aan de betrokken Partij, op haar verzoek en in bijzondere gevallen, afschriften van de desbetreffende vonnissen en maatregelen, alsmede iedere andere daarop betrekking hebbende inlichting, ten einde haar in staat te stellen na te gaan of in verband hiermee interne maatregelen moeten worden genomen. Deze uitwisseling van stukken geschiedt tussen de betrokken Ministeries van Justitie. "

  HOOFDSTUK IV.

  Art. 5. 1. Dit Protocol staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de Raad van Europa die het Verdrag hebben ondertekend. Het dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
  2. Het Protocol treedt in werking 90 dagen na de datum van nederlegging van de derde akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
  3. Ten aanzien van iedere ondertekenende Staat die het daarna bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt, treedt het in werking 90 dagen na de datum van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
  4. Een Lid-Staat van de Raad van Europa kan dit Protocol niet bekrachtigen, aanvaarden of goedkeuren zonder tegelijkertijd of eerder het Verdrag te hebben bekrachtigd.

  Art. 6. 1. Iedere Staat die tot het Verdrag is toegetreden kan tot dit Protocol toetreden nadat dit in werking is getreden.
  2. De toetreding geschiedt door nederlegging bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa van een akte van toetreding, die van kracht wordt 90 dagen na de datum van nederlegging.

  Art. 7. 1. Iedere Staat kan bij ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding het grondgebied of de grondgebieden aanwijzen waarop dit Protocol van toepassing zal zijn.
  2. Iedere Staat kan bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, of op ieder tijdstip daarna, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring, de toepassing van dit Protocol uitbreiden tot ieder ander in de verklaring aangewezen grondgebied voor de internationale betrekkingen waarvan hij verantwoordelijk is, of waarvoor hij bevoegd is verbintenissen aan te gaan.
  3. Iedere verklaring afgelegd krachtens het voorgaande lid kan, wat betreft ieder in die verklaring aangewezen grondgebied, worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.

  Art. 8. 1. De voorbehouden door een Verdragsluitende Partij gemaakt ten aanzien van een bepaling van het Verdrag, zijn eveneens van toepassing op dit Protocol, tenzij die Partij bij de ondertekening of bij de nederlegging van haar akte zijn bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding het tegendeel verklaart. Dit geldt ook voor de verklaringen gedaan krachtens artikel 24 van het Verdrag.
  2. Iedere Staat kan bij de ondertekening, of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, verklaren dat hij zich het recht voorbehoudt :
  a) Hoofdstuk I niet te aanvaarden, of dit slechts te aanvaarden voor zover het zekere in artikel 1 bedoelde strafbare feiten of categorieŽn strafbare feiten betreft, of rogatoire commissies strekkende tot huiszoeking of inbeslagneming niet uit te voeren bij fiscale delicten;
  b) Hoofdstuk II niet te aanvaarden;
  c) Hoofdstuk III niet te aanvaarden.
  3. Iedere Verdragsluitende Partij kan een voorbehoud dat zij heeft gemaakt krachtens het voorgaande lid, intrekken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring die van kracht wordt op de datum van ontvangst daarvan.
  4. Een Verdragsluitende Partij die op dit Protocol een voorbehoud heeft toegepast dat is gemaakt ten aanzien van een bepaling van het Verdrag of die een voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van een bepaling van dit Protocol, kan de toepassing van deze bepaling door een andere Verdragsluitende Partij niet verlangen; zij kan echter indien haar voorbehoud gedeeltelijk of voorwaardelijk is de toepassing van die bepaling verlangen voor zover zij haar zelf heeft aanvaard.
  5. Op de bepalingen van dit Protocol is geen ander voorbehoud toegestaan.

  Art. 9. De bepalingen van dit Protocol vormen geen belemmering voor de meer uitgewerkte voorschriften vervat in de bilaterale of multilaterale overeenkomsten die zijn of worden gesloten tussen de Verdragsluitende Partijen bij toepassing van artikel 26, derde lid, van het Verdrag.

  Art. 10. De Europese Commissie voor Strafrechtelijke Vraagstukken van de Raad van Europa wordt op de hoogte gehouden van de toepassing van dit Protocol en vergemakkelijkt voor zover nodig een minnelijke schikking van elke moeilijkheid die ten gevolge van de toepassing van dit Protocol mocht ontstaan.

  Art. 11. 1. Iedere Verdragsluitende Partij kan dit Protocol, wat haar betreft, opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
  2. De opzegging wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
  3. Opzegging van het Verdrag heeft automatisch de opzegging van dit Protocol ten gevolge.

  Art. 12. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft alle Lid-Staten van de Raad en iedere Staat die tot het Verdrag is toegetreden, kennis van :
  a) iedere ondertekening van dit Protocol;
  b) de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
  c) iedere datum van inwerkingtreding van dit Protocol overeenkomstig artikelen 5 en 6 van het Protocol;
  d) iedere verklaring ontvangen krachtens de bepalingen van het tweede en derde lid van artikel 7;
  e) iedere verklaring ontvangen krachtens de bepalingen van het eerste lid van artikel 8;
  f) ieder voorbehoud gemaakt krachtens de bepalingen van het tweede lid van artikel 8;
  g) de intrekking van ieder voorbehoud verricht krachtens die bepalingen van het derde lid van artikel 8;
  h) iedere kennisgeving ontvangen krachtens de bepalingen van artikel 11 en de datum waarop de opzegging van kracht wordt.
  TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.
  GEDAAN te Straatsburg, op 17 maart 1978, in de Engelse en de Franse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in een enkel exemplaar, dat zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa doet een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift toekomen aan alle Staten die het Protocol hebben ondertekend en daartoe zijn toegetreden.

  BIJLAGE.

  Art. N. LIJST MET DE GEBONDEN STATEN.

    STATEN            ONDERTEKENING      BEKRACHTIGING     INWERKINGTREDING
                                         TOETREDING (T)
  ALBANIE            19 mei 1998         4 april 2000       3 juli 2000
  ANDORRA
  ARMENIE             8 november 2001
  AZERBEIDZJAN        7 november 2001
  BELGIE             11 juli 1978       28 februari 2002   29 mei 2002
  BULGARIJE          30 september 1993  17 juni 1994       15 september 1994
  CYPRUS             27 maart 1996      24 februari 2000   24 mei 2000
  DENEMARKEN         25 oktober 1982     7 maart 1983       5 juni 1983
  DUITSLAND           8 november 1985    8 maart 1991       6 juni 1991
  ESTLAND             3 mei 1996        28 april 1997      27 juli 1997
  FINLAND                               30 januari 1985    30 april 1985
                                         (T)
  FRANKRIJK          28 maart 1990       1 februari 1991    2 mei 1991
  GEORGIE             7 november 2001
  GRIEKENLAND        18 juni 1980       24 juli 1981       12 april 1982
  HONGARIJE          19 november 1991   13 juli 1993       11 oktober 1993
  IERLAND            28 november 1996   28 november 1996   26 februari 1997
  IJSLAND            27 september 1982  20 juni 1984       18 september 1984
  ITALIE             30 oktober 1980    26 november 1985   24 februari 1986
  KROATIE            15 september 1999  15 september 1999  14 december 1999
  LETLAND            30 oktober 1996     2 juni 1997       31 augustus 1997
  LIECHTENSTEIN
  LITOUWEN            9 november 1994   17 april 1997      16 juli 1997
  LUXEMBURG           9 december 1994    2 oktober 2000    31 december 2000
  MACEDONIE          28 juli 1999       28 juli 1999       26 oktober 1999
   (voormalige
   Joegoslavische
   Rep. )
  MALTA              20 november 2000
  MOLDOVA            26 juni 1998       27 juni 2001       25 september 2001
  NEDERLAND          13 juli 1979       12 januari 1982    12 april 1982
  NOORWEGEN          11 december 1986   11 december 1986   11 maart 1987
  OEKRAINE           29 mei 1997        11 maart 1998       9 juni 1998
  OOSTENRIJK         17 maart 1978       2 mei 1983        31 juli 1983
  POLEN               9 mei 1994        19 maart 1996      17 juni 1996
  PORTUGAL           12 augustus 1980   27 januari 1995    27 april 1995
  ROEMENIE           15 februari 1996   17 maart 1999      15 juni 1999
  RUSLAND             7 november 1996   10 december 1999    9 maart 2000
  SAN MARINO
  SLOVAKIJE          14 februari 1996   23 september 1996  22 december 1996
  SLOVENIE            4 maart 1999      19 juli 2001       17 oktober 2001
  SPANJE             12 april 1985      13 juni 1991       11 september 1991
  TSJECHISCHE REP.   18 december 1995   19 november 1996   17 februari 1997
  TURKIJE            29 mei 1997        11 maart 1998       9 juni 1998
  VERENIGD           21 juni 1991       29 augustus 1991   27 november 1991
   KONINKRIJK
  ZWEDEN              6 april 1979      13 juni 1979       12 april 1982
  ZWITSERLAND        17 november 1981


Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Lid-Staten van de Raad van Europa die dit Protocol hebben ondertekend,
   Verlangende de toepassing van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, opengesteld voor ondertekening te Straatsburg op 20 april 1959 (hierna te noemen " het Verdrag ") te vergemakkelijken op het gebied van fiscale delicten;
   Overwegende dat het eveneens wenselijk is bedoeld Verdrag ook in bepaalde andere opzichten aan te vullen,
   Zijn als volgt overeengekomen :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie