J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 18 uitvoeringbesluiten 5 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1974/07/22/1974072201/justel

Titel
22 JULI 1974. - Wet op de giftige afval.
(NOTA : voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden de bepalingen betreffende een vergunningsstelsel voor de vestiging of de exploitatie van opslagplaatsen en inrichtingen voor de vernietiging, de neutralisering of de wegwerking van giftig afval opgeheven, behalve indien de uitvoering van deze ordonnantie die toepassing noodzakelijk maakt, door ORD 1992-07-30/34, art. 77, 6°, 005; Inwerkingtreding : onbepaald)
(NOTA : Voor het Vlaamse Gewest wordt de wet opgeheven, met uitzondering evenwel van de artikelen 1 en 7; DVR 1994-04-20/31, art. 13; Inwerkingtreding : 07-05-1994; Artikel 1 en 7 opgeheven bij DVR 2011-12-23/33, art. 81, 006; Inwerkingtreding : 01-06-2012 (zie BVR 2012-02-17/18, art. 12.3))
(NOTA : Voor het Waalse Gewest wordt de wet opgeheven, met uitzondering evenwel van de artikelen 1 en 7; (DWG 1996-06-27/44, art. 64; Inwerkingtreding : 02-08-1996)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-1989 en tekstbijwerking tot 28-02-2012)

Publicatie : 01-03-1975 nummer :   1974072201 bladzijde : 2365
Dossiernummer : 1974-07-22/01
Inwerkingtreding : 11-03-1975

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen.
Art. 1-6, 6bis, 7-19
HOOFDSTUK II. Toezicht.
Art. 20-24
HOOFDSTUK III. Strafbepalingen.
Art. 25-30
HOOFDSTUK IV. Slotbepalingen.
Art. 31-35

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. _ Algemene bepalingen.

  Artikel 1. <Zie nota onder TITEL> Voor de toepassing van deze wet wordt onder giftige afval verstaan niet gebruikte of onbruikbare produkten en bijprodukten, overschotten en afval die voorkomen van een nijverheids-, handels-, ambachtelijke, landbouw- of wetenschappelijke activiteit en die een vergiftigingsgevaar kunnen inhouden voor de levende wezens of de natuur.
  De Koning stelt de lijst vast van de giftige afvalstoffen, bepaaldelijk onder verwijzing naar de giftige bestanddelen die zij bevatten, naar de hoeveelheid en de concentratie van deze stoffen en desgevallend ook naar de activiteit waaruit zij ontstaan.

  Art. 2. <Zie nota onder TITEL> Het achterlaten van giftige afval is verboden. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 3. <Zie nota onder TITEL> De verkoop en het te koop stellen, de verwerving en de afstand, onder bezwarende of kosteloze titel, het voorhanden houden, het opslaan, de transformatie, de vernietiging, de neutralisering en de wegwerking van giftige afval evenals alle andere daarmede gepaard gaande activiteiten zijn, behoudens vergunning of aangifte, verboden. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 4. <Zie nota onder TITEL> De Koning regelt het vervoer, de invoer, de uitvoer en de doorvoer van de giftige afval.
  Hij kan die verrichtingen aan vergunning onderwerpen. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 5. <Zie nota onder TITEL> De Koning bepaalt de technische en financiële voorwaarden waaronder de centra voor vernietiging, neutralisering of wegwerking van giftige afval worden opgericht of waaronder deze vernietiging, neutralisering of wegwerking bij de voortbrenger mag of moet gebeuren. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 6. <Zie nota onder TITEL> De Koning wijst de overheden aan die bevoegd zijn om de in de artikelen 3 en 4 bedoelde vergunningen af te leveren. Hij bepaalt de procedureregels welke bij het aanvragen en het verlenen van die vergunningen moeten worden nageleefd en de algemene voorwaarden waaronder de vergunningen worden toegekend.
  De overheid die bevoegd is de vergunning af te leveren kan bijzondere voorwaarden opleggen. Zij kan steeds de verleende vergunning intrekken of schorsen, de opgelegde voorwaarden wijzigen of er nieuwe aan toe te voegen.
  De Koning bepaalt de gevallen waarin de in artikel 3 bedoelde vergunning vervangen wordt door een aangifte. Hij wijst de overheden aan die bevoegd zijn om die aangifte te ontvangen en stelt de wijze vast waarop zij gedaan moet worden.
  De Koning mag retributies ten bate van het Rijk of van de door Hem erkende controleinstellingen vaststellen ter gehele of gedeeltelijke dekking van de administratie- of controlekosten die voortkomen uit de toepassing van de artikelen 3 tot 6 of van de krachtens die artikelen getroffen voorzieningen.
  <NOTA 1 : lid 4 opgeheven voor het Vlaamse Gewest bij DVR 1989-12-20/30, art. 4, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1990>
  <NOTA 2 : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 6bis. <Zie nota onder TITEL> <Ingevoegd bij DVR 1990-12-12/39, art. 55, 003; Inwerkingtreding : 5555-55-55> In afwijking van de bepalingen van artikel 6 van deze wet wordt de in artikel 3 van deze wet bedoelde vergunning, met uitsluiting van degene die betrekking heeft op de verkoop en het te koop stellen, de verwerving en de afstand onder bezwarende of kosteloze titel en het voorhanden houden van giftige afval verleend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en zijn uitvoeringsbesluiten. De inbreuken met betrekking tot deze vergunning worden opgespoord, vervolgd en bestraft overeenkomstig de bepalingen van voornoemd decreet van (28 juni 1985). <Erratum : zie B.St. 15-02-1991, p. 3008> <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 7. <Zie nota onder TITEL> Wanneer een nijverheids-, handels-, landbouw-, ambachtelijke of wetenschappelijke activiteit tot gevolg heeft dat giftige afval wordt voortgebracht, is de persoon die deze activiteit uitoefent ertoe gehouden op zijn kosten de vernietiging, de neutralisering of de wegwerking ervan te verzekeren.
  Die persoon blijft aansprakelijk voor de kosten van vernietiging, neutralisering of wegwerking van die giftige afval, ongeacht de aansprakelijkheid van degenen die hij met die verrichtingen heeft belast.
  Daarenboven is deze persoon aansprakelijk voor alle schade, van welke aard ook, die zou kunnen veroorzaakt worden door de giftige afval, inzonderheid tijdens de hele duur van het vervoer, bij de vernietiging, neutralisering of wegwerking ervan, zelfs indien deze persoon niet zelf tot bedoelde verrichtingen overgaat.

  Art. 8. <Zie nota onder TITEL> Wanneer de vernietiging, de neutralisering of de wegwerking van de giftige afval in België geschiedt, moet zij plaats hebben hetzij bij de voortbrenger, hetzij in een door de Koning erkend centrum. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 9. <Zie nota onder TITEL> De Staat is gemachtigd deel te nemen aan de oprichting van een publiekrechtelijke maatschappij met rechtspersoonlijkheid, genaamd "Waarborgfonds voor de vernietiging van de giftige afval" waarvan de statuten door de wet zullen worden vastgelegd.

  Art. 10. <Zie nota onder TITEL> Het commercieel en industrieel doel van het Waarborgfonds is de oprichting, de reorganisatie of de uitbreiding te bevorderen of het beheer op zich te nemen van ondernemingen voor de vernietiging, de neutralisering of de wegwerking van de giftige afval, waarvan de maatschappelijke zetel en de exploitatievestiging in België gelegen zijn.
  Om dat doel te bereiken, kan het Waarborgfonds:
  1° deel uitmaken van verenigingen of groepen voor onderzoek of studie, die gevormd zijn met het oog op de oprichting of de reorganisatie van dergelijke ondernemingen;
  2° een gedeelte van het kapitaal inbrengen bij de oprichting van een vennootschap of deelnemen aan een kapitaalsverhoging;
  3° een participatie in het kapitaal op een andere wijze verkrijgen;
  4° inschrijven op in aandelen converteerbare obligaties.
  5° de verrichtingen uitvoeren welke op de voormelde opdrachten betrekking hebben of welke aan de bescherming van haar patrimoniale belangen beantwoorden;
  6° met eigen middelen ondernemingen voor vernietiging of neutralisering van de giftige afval oprichten;
  7° met vergunning van de Koning en overeenkomstig de wetten op de onteigeningen voor rekening van de Staat, de onteigening ten algemene nutte te vorderen van de onroerende goederen die onontbeerlijk zijn voor de verwezenlijking van de bij deze wet bepaalde doeleinden.
  Deze onteigeningen kunnen geschieden door toedoen van de Comités voor aankoop van onroerende goederen voor rekening van de Staat, waarvan de ambtenaren bevoegd zullen zijn om in naam van het Waarborgfonds akten te verlijden, alsook rechtsvervolgingen en onteigeningsprocedures in te stellen.
  De voorzitters van die comités zullen bevoegd zijn om het Fonds in rechte te vertegenwoordigen voor deze procedures.
  De Koning kan ten opzichte van derden en onder de door Hem gestelde voorwaarden, de waarborg van de Staat verlenen aan de rente en de aflossing van de door het Waarborgfonds uit te geven obligaties. Ingeval de opbrengst der verrichtingen de terugbetaling van de obligaties alsmede de volledige betaling van genoemde renten niet mogelijk maakt, verschaft de Staat aan het Waarborgfonds de nodige sommen ter aanvulling van het verschil.

  Art. 11. <Zie nota onder TITEL> Benevens zijn commercieel en industrieel doel heeft het Waarborgfonds eveneens tot taak te voorzien, in geval van faling of onvermogen van de in de artikelen 7, 16 en 18 bedoelde aansprakelijke personen, in de tenuitvoerlegging van de op die personen krachtens diezelfde artikelen rustende verplichtingen. De Raad van beheer van het Fonds kan die verplichtingen doen uitvoeren in al de gevallen waarin die personen de krachtens de genoemde artikelen op hen rustende verplichtingen niet of slechts gedeeltelijk naleven.

  Art. 12. <Zie nota onder TITEL> Om de in de artikelen 10 en 11 bepaalde taken uit te voeren beschikt het Waarborgfonds over de bijdragen, de bijdrageopslagen en de achterstallige renten, die door de Koning opgelegd worden aan de personen op wie de bepalingen van de artikelen 3, 4 en 7 van toepassing zijn alsmede over de opbrengst van de terugbetalingen uitgevoerd krachtens artikel 15.

  Art. 13. <Zie nota onder TITEL> Na advies van de raad van beheer van het Waarborgfonds wijst de Koning de personen aan die aan het Fonds bijdrageplichtig zijn; Hij stelt het bedrag van de bijdrage of de berekeningsgrondslagen voor dat bedrag vast en bepaalt de betalingsregelen en -termijnen.
  De personen die de door hen verschuldigde bijdragen niet binnen de door de Koning gestelde termijn hebben gestort, zijn aan het Fonds een opslag en achterstallige renten verschuldigd, waarvan het bedrag en de regelen van inning eveneens door de Koning worden bepaald.

  Art. 14. <Zie nota onder TITEL> De invordering, van de sommen welke die personen aan het Waarborgfonds zijn verschuldigd, mag aan de Administratie van de B.T.W., registratie en domeinen, worden toevertrouwd die de invordering van gezegde sommen ten voordele van het Fonds zal vervolgen overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949.

  Art. 15. <Zie nota onder TITEL> Wanneer het Waarborgfonds overeenkomstig de bepalingen van artikel 11 verplichtingen van de ingevolge de artikelen 7, 16 en 18 aansprakelijke personen heeft uitgevoerd, kan het Fonds de kosten welke het in hun plaats heeft gedragen, op die personen verhalen.

  Art. 16. <Zie nota onder TITEL> De gouverneur van de provincies waar achtergelaten giftige afval wordt aangetroffen, mag deze doen verpakken, in beslag nemen of doen overgaan tot vernietiging, neutralisering of wegwerking ervan.
  Hij kan dezelfde maatregelen nemen ten opzichte van de giftige afval die het voorwerp heeft uitgemaakt van één der in de artikelen 2 en 3 bedoelde verrichtingen, zonder vergunning of zonder inachtneming der voorwaarden opgelegd in de vergunning of die vervoerd, ingevoerd, uitgevoerd of doorgevoerd worden zonder inachtneming van de regeling of van de vergunning getroffen ter uitvoering van artikel 4.
  De kosten van vernietiging, neutralisering of wegwerking met inbegrip van de eventuele identificatie-, verpakkings- en vervoerkosten, zijn ten laste van de aansprakelijke persoon. Deze persoon is ertoe gehouden de kosten te vergoeden op vertoon van een staat begroot en invorderbaar verklaard door de beslagrechter. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 17. <Zie nota onder TITEL> De gouverneur van de provincie kan in de bij artikel 16 bedoelde gevallen overgaan tot opeising van de installaties die nodig zijn om de wegwerking van de giftige afval te verzekeren.
  Wanneer deze installaties in een andere provincie gelegen zijn, richt de gouverneur van de provincie waar de giftige afval wordt aangetroffen zich tot zijn ambtgenoot van de provincie waar die installaties gelegen zijn, met het verzoek deze laatste op te eisen. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 18. <Zie nota onder TITEL> De gouverneur van de provincie en de burgemeester van de gemeente waar de giftige afval wordt aangetroffen die een ernstige bedreiging vormt, kunnen de overbrenging ervan bevelen naar een door hen of door de Minister tot wiens bevoegdheid de Arbeid behoort aangewezen plaats.
  Daartoe kunnen zij de nodige voertuigen evenals de bestuurders ervan opeisen.
  Dezelfde overheden kunnen een beroep doen op het leger, op de rijkswacht en op de diensten van de civiele bescherming om de verwijdering en het vervoer van de giftige afval, evenals de veiligheid van die verrichtingen te verzekeren; in dit geval richten zij de vraag daartoe aan de Minister van Landsverdediging en aan de Minister van Binnenlandse Zaken, die onverwijld de nodige maatregelen nemen.
  De hoofden van de hulpbiedende eenheden zijn ertoe gehouden zich naar de bevelen van de gouverneur en van de burgemeester te schikken.
  De overbrengingskosten zijn ten laste van degenen die in het bezit zijn van de giftige afval. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 19. <Zie nota onder TITEL> De Koning stelt de wijze van betaling van de in de artikelen 17 en 18 omschreven opeisingen vast. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  HOOFDSTUK II. _ Toezicht.

  Art. 20. <Zie nota onder TITEL> § 1. De verrichtingen voor de vernietiging, de neutralisering of de wegwerking van de giftige afval zijn onder het gezag geplaatst van een door de werkgever aangestelde verantwoordelijke persoon.
  § 2. Deze persoon moet zijn erkend door de Minister tot wiens bevoegdheid de Arbeid behoort.
  § 3. Hij heeft als opdracht te waken over de naleving van de reglementen en de voorwaarden van de machtiging, opgelegd krachtens deze wet. Hij geeft opdracht tot en oefent toezicht uit over het uitvoeren van al de maatregelen die nodig worden geacht om de veiligheid van de werknemers, van de werkzaamheden en van het milieu te verzekeren.
  § 4. Deze persoon kan niet worden ontheven van de opdracht die ingevolge dit artikel op hem rust, zolang de erkenning die hem krachtens § 2, is verleend, hem niet is ontnomen.
  § 5. Deze persoon kan alleen om een dringende reden of om economische dan wel technische redenen, die vooraf zijn erkend door het bevoegde paritair comité, worden ontslagen.
  Het paritair comité moet zich uitspreken over het al dan niet bestaan van economische of technische redenen binnen twee maanden vanaf de datum van de aanvraag die het van de werkgever kreeg.
  Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als ontslag beschouwd:
  1° elke beëindiging van de overeenkomst door de werkgever, ongeacht of zij geschiedt met of zonder opzeggingsvergoeding, met of zonder een opzegging die ter kennis wordt gebracht in de periode vastgesteld in § 6;
  2° elke beëindiging van de overeenkomst door de werknemer wegens feiten die voor deze een reden vormen die de beëindiging zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn rechtvaardigt.
  § 6. Deze persoon geniet de voordelen van de bepalingen van § 5, vanaf de dag der in § 2 bedoelde erkenning tot bij het verstrijken van een periode die volgt op de intrekking van zijn erkenning en waarvan de duur is vastgesteld op:
  - 2 jaar, zo hij minder dan 10 jaar dienst telt;
  - 3 jaar, zo hij 10 toch minder dan 20 jaar dienst telt;
  - 4 jaar, zo hij 20 of meer jaar dienst in de onderneming telt.
  Het voordeel van de bepalingen van deze paragraaf wordt niet meer verleend wanneer de persoon de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, tenzij de onderneming de gewoonte heeft de categorie van werknemers waartoe hij behoort, in dienst te houden.
  § 7. Als de werkgever de voorschriften van de §§ 5 en 6 niet naleeft, is hij ertoe gehouden de ontslagen persoon, onverminderd het recht op hogere vergoedingen betaald op grond van de overeenkomst of van de gebruiken of op enige andere schadevergoeding wegens materiële of morele schade, een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopende loon overeenstemmende met de duur van de periode die is vastgesteld in § 6. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 21. <Zie nota onder TITEL> Onverminderd de aan de officieren van gerechtelijke politie opgedragen plichten, houden de ambtenaren en beambten, die de Koning aanwijst, toezicht op de uitvoering van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 22. <Zie nota onder TITEL> De in artikel 21 bedoelde ambtenaren en beambten mogen bij de uitoefening van hun opdracht:
  1° op elk ogenblik van de dag of van de nacht, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnengaan in alle inrichtingen, gedeelten van inrichtingen, lokalen of andere plaatsen waar giftige afval aanwezig is; tot de bewoonde lokalen hebben zij evenwel enkel toegang, wanneer de rechter in de politierechtbank vooraf toestemming heeft verleend;
  2° tussen 5 en 21 uur, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in al de lokalen waarvan zij redelijkerwijze kunnen vermoeden dat er giftige afval aanwezig is; in de bewoonde lokalen mogen zij echter alleen met de voorafgaande toestemming van de rechter in de politierechtbank binnentreden;
  3° tussen 21 en 5 uur, met de voorafgaande toestemming van de rechter in de politierechtbank, binnentreden in de in 2° bedoelde lokalen, voor zover er redenen voorhanden zijn om te geloven dat er inbreuken gepleegd worden op deze wet of op haar uitvoeringsbesluiten;
  4° elk onderzoek, elke controle en enquête instellen alsook alle inlichtingen inwinnen die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen dat de wets- en reglementsbepalingen werkelijk worden nageleefd, met name:
  a) hetzij alleen, hetzij samen, de houders, depothouders, fabrikanten, gebruikers, ondernemingshoofden, werkgevers, hun aangestelden of lasthebbers ondervragen over alle feiten waarvan de kennis dienstig is voor de uitoefening van het toezicht;
  b) zich zonder verplaatsing, alle documenten, stukken of bescheiden, die nuttig zijn voor het vervullen van hun opdracht, doen overleggen of opzoeken; van die documenten kennis en afschrift nemen ofwel er fotografisch of anders afschrift van doen nemen, ze tegen ontvangstbewijs in beslag nemen;
  c) de inventaris opmaken van de giftige afval, zonder kosten de nodige monsters nemen voor het bepalen van de samenstelling van alle afval, in voorkomend geval van de houders van die zaken de nodige verpakkingen eisen voor het vervoer en het bewaren van de monsters. De Koning kan de wijze waarop en de voorwaarden waaronder monsters worden genomen alsmede de organisatie en de werking van de voor de analyse ervan erkende laboratoria bepalen. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 23. <Zie nota onder TITEL> De in artikel 21 bedoelde ambtenaren en beambten hebben het recht:
  1° waarschuwingen te geven;
  2° ten behoeve van de overtreder een termijn te bepalen om het hem mogelijk te maken zich in orde te stellen;
  3° in geval van overtreding de giftige afval, alsmede de vervoermiddelen die voor het plegen van de overtreding worden gebruikt, zelfs indien de houder niet de eigenaar is, te verzegelen of in beslag te nemen;
  4° in geval van overtreding processen-verbaal op te maken die bewijskracht hebben tot het tegendeel is bewezen.
  Op straffe van nietigheid moet een afschrift van het proces-verbaal ter kennis van de overtreder worden gebracht binnen een termijn van veertien dagen na de vaststelling van de overtreding. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/30, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 24. <Zie nota onder TITEL> De gouverneur van de provincie en de burgemeester van de gemeente waar de giftige afval wordt aangetroffen en de in artikel 21 bedoelde ambtenaren en beambten kunnen, in de uitoefening van hun ambt, de bijstand van de gemeentepolitie en van de rijkswacht vorderen. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/30, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  HOOFDSTUK III. _ Strafbepalingen.

  Art. 25. <Zie nota onder TITEL> Onverminderd de bepalingen van de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek, worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met een geldboete van 100 frank tot 100 000 frank, of met een van die straffen alleen:
  1° degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan overtreding van de bepalingen van de artikelen 2, 3 of 8, of van de bepalingen van de krachtens de artikelen 4, 5 of 6 getroffen besluiten of verleende vergunningen;
  2° degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan overtreding van de maatregelen door de gouverneur van de provincie of de burgemeester genomen ter uitvoering van de artikelen 17 of 18;
  3° al wie het krachtens deze wet geregelde toezicht verhindert. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/30, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 26. <Zie nota onder TITEL> Bij herhaling binnen drie jaar na een vorige veroordeling, kan de straf op het dubbel van het maximum worden gebracht.
  Bovendien kan de rechtbank de tijdelijke of definitieve sluiting van de onderneming bevelen. Deze maatregel laat de rechten van derden, in het bijzonder van de werknemers van de onderneming, onaangetast. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 27. <Zie nota onder TITEL> De kosten van de krachtens artikel 22, 4°, c, verrichte identificatie en analyse zijn ten laste van de veroordeelde. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 28. <Zie nota onder TITEL> De werkgever is burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de boeten waartoe zijn aangestelden of lasthebbers zijn veroordeeld, evenals van de identificatie- en analysekosten die krachtens artikel 27 te hunnen laste werden gelegd. De werkgever is eveneens burgerlijk aansprakelijk voor de betaling van de gerechtskosten. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 29. <Zie nota onder TITEL> Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, uitgezonderd hoofdstuk V, maar met inbegrip van hoofdstuk VII, en van artikel 85, zijn van toepassing op de bij deze wet bepaalde misdrijven. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 30. <Zie nota onder TITEL> De giftige afval en de vervoermiddelen, die gediend hebben om de door deze wet gesanctioneerde overtredingen te plegen, kunnen verbeurd verklaard worden, zelfs wanneer ze niet aan de overtreder toebehoren. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/30, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  HOOFDSTUK IV. _ Slotbepalingen.

  Art. 31. <Zie nota onder TITEL> <Wijzigingsbepaling> <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/30, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 32. <Zie nota onder TITEL> <Wijzigingsbepaling> <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 33. <Zie nota onder TITEL> De wet van 26 december 1876 waarbij de Regering wordt gemachtigd, de invoer, de doorvoer evenals de overlading in een Belgische haven van bepaalde giftige stoffen te verbieden, gewijzigd bij de wet van 20 december 1897, wordt opgeheven. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 34. <Zie nota onder TITEL> <Wijzigingsbepaling> <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

  Art. 35. <Zie nota onder TITEL> De Koning oefent de Hem krachtens de bepalingen van deze wet toegekende machten uit op voorstel van de Minister tot wiens bevoegdheid de Arbeid behoort.
  Wanneer maatregelen te nemen ter uitvoering van deze wet, gebieden betreffen die gereglementeerd zijn of kunnen worden op initiatief van andere Ministers dan die tot wiens bevoegdheid de Arbeid behoort, vermeldt de aanhef van deze maatregelen het akkoord van de betrokken Ministers. Die maatregelen worden desgevallend gezamelijk door de betrokken Ministers voorgesteld en door hen, ieder wat hem betreft, in gemeen overleg uitgevoerd. <NOTA : Opgeheven voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bij ORD 1991-03-07/36, art. 30, 004; Inwerkingtreding : 03-05-1991>

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 23-12-2011 GEPUBL. OP 28-02-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 7)
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 27-06-1996 GEPUBL. OP 02-08-1996
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 20-04-1994 GEPUBL. OP 29-04-1994
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 30-07-1992 GEPUBL. OP 29-08-1992
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 07-03-1991 GEPUBL. OP 23-04-1991
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 12-12-1990 GEPUBL. OP 21-12-1990
    (GEWIJZIGD ART. : 6BIS)
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 20-12-1989 GEPUBL. OP 30-12-1989
    (GEWIJZIGD ART. : 6)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zittijd 1973-1974. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Wetsontwerp nr. 684-1. - Amendementen nrs. 684-2 en 684.3. - Verslag nr. 684-4. - Amendementen nrs. 684.5 en 684.6. Parlementaire Handelingen. - Vergaderingen van 21 en 22 november 1973. Senaat. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp overgezonden door de Kamer nr. 75. - Verslag nr. 134. Buitengewone zitting 1974. Senaat. Parlementaire bescheiden. Wetsontwerp nr. 228-1. - Aanvullend verslag nr. 228-2. - Amendementen nrs. 228-3. 228-4 en 228.5. Parlementaire Handelingen. - Vergaderingen van 9 en 10 juli 1974. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp gewijzigd door de Senaat nr. 188-1. - Amendementen nr. 188-2. - Verslag nr. 188-3. - Amendement nr. 188-4. Parlementaire Handelingen. - Vergaderingen van 17 en 18 juli 1974. |

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 18 uitvoeringbesluiten 5 gearchiveerde versies
    Franstalige versie