J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 1 gearchiveerde versie
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
16 SEPTEMBER 1963. - Vierde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, tot het waarborgen van bepaalde rechten en vrijheden, die niet reeds in het Verdrag en in het eerste Aanvullend Protocol daarbij zijn opgenomen. (Vertaling)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-01-1985 en tekstbijwerking tot 04-07-1997)

Bron : BUITENLANDSE ZAKEN.BUITENLANDSE HANDEL
Publicatie : 03-10-1970 nummer :   1963091651 bladzijde : 10068
Dossiernummer : 1963-09-16/30
Inwerkingtreding : 21-09-1970

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-7
BIJLAGEN.
Art. N1, N2, N3

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. (Verbod van vrijheidsbeneming wegens schulden). <V 1994-05-11/36, art. 2. 5, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd op de enkele grond, dat hij niet in staat is een contractuele verplichting na te komen.

  Art. 2. (Vrijheid van verplaatsing). <V 1994-05-11/36, art. 2. 5, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  1. Een ieder die zich wettig op het grondgebied van een Staat bevindt, heeft het recht zich daar vrij te verplaatsen en er in vrijheid woonplaats te kiezen.
  2. Een ieder is vrij welk land ook, met inbegrip van het zijne, te verlaten.
  3. De uitoefening van deze rechten mag aan geen andere beperkingen worden gebonden dan die welke bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's lands veiligheid of van de openbare veiligheid, ter handhaving van de openbare orde, ter voorkoming van strafbare handelingen, ter bescherming van de gezondheid of van de goede zeden of ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
  4. De in het eerste lid genoemde rechten kunnen ook in bepaaldelijk omschreven gebieden, worden gebonden aan bij de wet voorzienen beperkingen, welke gerechtvaardigd worden door het openbaar belang in een democratische samenleving.

  Art. 3. (Verbod van uitzetting van onderdanen). <V 1994-05-11/36, art. 2. 5, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  1. Niemand mag, bij wege van een maatregel van individuele of van collectieve aard, worden verwijderd van het grondgebied van de Staat, waarvan hij een onderdaan is.
  2. Aan niemand mag het recht ontnomen worden het grondgebied te betreden van de Staat, waarvan hij een onderdaan is.

  Art. 4. (Verbod van collectieve uitzetting van vreemdelingen). <V 1994-05-11/36, art. 2. 5, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  Collectieve uitzetting van vreemdelingen is verboden.

  Art. 5. (Territoriale werkingssfeer). <V 1994-05-11/36, art. 2. 5, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  1. Iedere Hoge Verdragsluitende Partij kan, ten tijde van de ondertekening of van de bekrachtiging van dit Protocol of op ieder tijdstip nadien, aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa een verklaring doen toekomen, waarin wordt medegedeeld in hoeverre zij zich verbindt de bepalingen van dit Protocol eveneens te doen gelden voor die in de verklaring genoemde gebieden voor welker internationale betrekkingen zij verantwoordelijk is.
  2. Iedere Hoge Verdragsluitende Partij, die krachtens het vorige lid een verklaring heeft overgelegd kan van tijd tot tijd verdere verklaringen overleggen, waarbij het in vorige verklaringen gestelde wordt gewijzigd of waarbij de toepassing van de bepalingen van dit Protocol met betrekking tot een bepaald gebied wordt beëindigd.
  3. Een verklaring afgelegd overeenkomstig dit artikel wordt geacht te zijn afgelegd overeenkomstig lid 1 (van artikel 56) van het Verdrag. <V 1994-05-11/36, art. 2. 5, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  4. Het gebied van een Staat waarvoor dit Protocol geldt krachtens bekrachtiging of aanvaarding door die Staat en ieder gebied waarvoor dit Protocol geldt krachtens een door die Staat ingevolge dit artikel afgelegde verklaring, worden voor de toepassing van de artikelen 2 en 3, in zover deze gewagen van het grondgebied van een Staat, als afzonderlijke grondgebieden aangemerkt.
  (5. Iedere Staat die een verklaring heeft afgelegd in overeenstemming met het eerste of tweede lid van dit artikel, kan te allen tijde daarna voor één of meer gebieden waarop de verklaring betrekking heeft, verklaren dat hij de bevoegdheid van het Hof aanvaardt om kennis te nemen van verzoekschriften van natuurlijke personen, niet-gouvernementele organisaties of groepen personen, bedoeld in artikel 34 van het Verdrag, ten aanzien van de artikelen 1 tot en met 4 van dit Protocol of één of meer van deze artikelen.) <V 1994-05-11/36, art. 2. 5, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 6. (Verhouding tot het Verdrag). <V 1994-05-11/36, art. 2. 5, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  1. De Hoge Verdragsluitende Partijen beschouwen de artikelen 1 tot en met 5 van dit Protocol als aanvullende artikelen van het Verdrag en alle bepalingen van het Verdrag zijn dienovereenkomstig van toepassing.
  2. (Lid 2 opgeheven) <V 1994-05-11/36, art. 2. 5, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 7. (Ondertekening en bekrachtiging) <V 1994-05-11/36, art. 2. 5, 002; Inwerkingtreding : onbepaald>
  1. Dit Protocol is opengesteld voor ondertekening door de Leden van de Raad van Europa die het Verdrag hebben ondertekend; het zal worden bekrachtigd tegelijkertijd met of na de bekrachtiging van het Verdrag. Het treedt in werking na de nederlegging van vijf akten van bekrachtiging. Met betrekking tot iedere ondertekenaar die het daarna bekrachtigt zal het Protocol in werking treden op de dag van de nederlegging van de akte van bekrachtiging.
  2. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, die aan alle Leden kennis zal geven van de namen van hen die het Protocol hebben bekrachtigd.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Voor de Regering van de Republiek Oostenrijk.
  Bij de ondertekening van dit Protocol heeft de ondergetekende, namens zijn Regering, de tekst van de volgende verklaring afgegeven :
  " Het Protocol nr. 4 wordt ondertekend onder voorbehoud dat artikel 3 niet toepasselijk is op de wet van 3 april 1919, St. GB1, nr. 209 betreffende de verbanningen, de verbeurdverklaring van de goederen van het Huis van Habsburg-Lorreinen vervat in de wet van 30 oktober 1919 St. GB1 nr. 501 van de Grondwettelijke Wet van 30 juli 1925, BGB1 nr. 292 van de Federale Grondwettelijke Wet van 26 januari 1928, BGB1 nr. 30 en met inachtneming van de Federale Grondwettelijke Wet van 4 juli 1963, BGB1, nr. 172. "

  Art. N2. Voor de Regering van Ierland :
  Bij de ondertekening van dit Protocol heeft de Ierse Regering de volgende verklaring afgelegd :
  " De verwijzing naar de uitlevering, vervat in lid 21 van het verslag van het Comité van Deskundigen over dit Protocol en waarin wordt gehandeld over het eerste lid van artikel 3 hiervan, is eveneens toepasselijk op de wetten tot regeling van de uitvoering, op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij, van bevelen tot aanhouding uitgevaardigd door de overheid van een andere Verdragsluitende Partij. "

  Art. N3. Lijst der gebonden Staten.

       LANDEN       BEKRACHTIGING    INWERKING-    PERIODE    ZIE CN-NUMMER
                                      TREDING
  ---------------------------------------------------------------------------
  BELGIE             21.09.1970    21.09.1970               %%1963-09-16/30%%
                                   29.06.1971      2 jaar   %%1963-09-16/33%%
                                   29.06.1973      2 jaar   %%1963-09-16/36%%
                                   29.06.1975      2 jaar   %%1963-09-16/39%%
                                   29.06.1977      5 jaar   %%1963-09-16/43%%
                                   29.06.1982      5 jaar   %%1963-09-16/48%%
                                   29.06.1987      5 jaar   %%1963-09-16/49%%
                                   29.06.1992(46)  5 jaar   %%1950-11-04/94%%
                                   30.06.1992(29)  5 jaar   %%1950-11-04/94%%
  DUITSLAND (1)(2)   01.06.1968    01.06.1968               %%1963-09-16/30%%
       
  DENEMARKEN (2)     30.09.1964    02.05.1968               %%1963-09-16/30%%
                                   07.04.1972      5 jaar   %%1963-09-16/35%%
                                   07.04.1977      5 jaar   %%1963-09-16/44%%
       
  FRANKRIJK          03.05.1974    03.05.1974               %%1963-09-16/38%%
                                   03.05.1977      3 jaar   %%1963-09-16/45%%
       
  IERLAND (2)        29.10.1968    29.10.1968               %%1963-09-16/30%%
       
  IJSLAND (2)        16.11.1967    02.05.1968               %%1963-09-16/30%%
       
  LUXEMBURG          02.05.1968    02.05.1968               %%1963-09-16/30%%
                                   28.04.1971      5 jaar   %%1963-09-16/34%%
                                   28.04.1968      5 jaar   %%1963-09-16/41%%
       
  NOORWEGEN (2)      12.06.1964    02.05.1968               %%1963-09-16/30%%
                                   29.06.1977      5 jaar   %%1963-09-16/46%%
       
  OOSTENRIJK (2)     18.09.1969    18.09.1969               %%1963-09-16/30%%
                                   03.09.1970      3 jaar   %%1963-09-16/31%%
                                   03.09.1973      3 jaar   %%1963-09-16/37%%
                                   03.09.1976      3 jaar   %%1963-09-16/42%%
       
  PORTUGAL           09.11.1978    09.11.1978               %%1963-09-16/47%%
       
  ZWEDEN (2)         13.06.1964    02.05.1968               %%1963-09-16/30%%
                                   13.05.1971      5 jaar   %%1963-09-16/32%%
                                   13.05.1976      5 jaar   %%1963-09-16/40%%
       
  (1) Met inbegrip Berlijn.
  (2) De verklaringen betreffende de artikelen 25 en 46 van het Verdrag,
      gelden eveneens voor de artikelen 1 en 4 van dit Protocol.


Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Regeringen welke dit Protocol hebben ondertekend, Leden van de Raad van Europa,
   Besloten, stappen te doen ten einde de collectieve handhaving te verzekeren van bepaalde rechten en vrijheden welke niet zijn genoemd in Titel I van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna te noemen " het Verdrag "), en in de artikelen 1 tot en met 3 van het eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag, ondertekend te Parijs op 20 maart 1952,
   .....

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
--OPGEHEVEN(NADER TE BEPALEN DATUM) DOOR--
1994051153; 1997-07-04
  • VERDRAG VAN 11-05-1994 GEPUBL. OP 04-07-1997

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie