J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 63 uitvoeringbesluiten 10 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1963/04/16/1963041602/justel

Titel
16 APRIL 1963. - Wet betreffende de sociale reclassering van de minder-validen.
(NOTA : Opgeheven voor de Vlaamse Gemeenschap met uitzondering van de artikelen 3, 2° en 3° en 4°, 18, 21, (26 en 27) en de artikelen 31, 32, 33, 34 en 35; door DVR 1990-06-27/33, art. 73, Inwerkingtreding : 01-07-1994, opgeheven met uizondering van artikel 21 door DVR 2004-05-07/62, art. 32, 1°, 009; Inwerkingtreding : onbepaald)
(NOTA : Opgeheven voor de Franse Gemeenschap met uitzondering van artikelen 3, 2°, 3° en 4°, 17, 18, 21, 28, 32 tot 35 en 39, door DFG 1991-07-03/32, art. 36, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1991)
(NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest met uitzondering van artikel 3, 2°, 3° en 4°, en de artikelen 17, 18, 24, 25, 26 en 27, bij DWG 1995-04-06/73 art. 74, Inwerkingtreding : 01-07-1995, opgeheven ook bij DWG 2011-12-01/06, art. 3, Inwerkingtreding : 31-12-2011)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 08-07-1989 en tekstbijwerking tot 26-09-2018)

Publicatie : 23-04-1963 nummer :   1963041602 bladzijde : 4266
Dossiernummer : 1963-04-16/01
Inwerkingtreding : 23-04-1963

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. De gerechtigden.
Art. 1
HOOFDSTUK II. Het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen.
Art. 2-4
HOOFDSTUK III. De beheersorganen.
Afdeling I. De raad van beheer en de technische comités.
Art. 5-10
Afdeling II. De gewestelijke technische commissies.
Art. 11
Afdeling III. De administrateur-directeur en de adjunct-administrateur-directeur.
Art. 12-15
Afdeling IV. Het personeel van het Rijksfonds.
Art. 16
HOOFDSTUK IV. De beroepsopleiding, omscholing en herscholing van de minder-validen.
Art. 17-19
HOOFDSTUK V. De plaatsing van de minder-validen.
Art. 20-23
HOOFDSTUK VI. De financiering en het gebruik der ontvangsten.
Art. 24-25
HOOFDSTUK VII. De betwistingen.
Art. 26-27
HOOFDSTUK VIII. Toezicht.
Art. 28-30
HOOFDSTUK IX. Strafbepalingen.
Art. 31-35
HOOFDSTUK X. Bijzondere bepalingen.
Art. 36-43
HOOFDSTUK XI. Opheffingsbepalingen.
Art. 44
HOOFDSTUK XII. Slotbepaling.
Art. 45

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. _ De gerechtigden.

  Artikel 1. <Zie nota onder titel> Genieten het voordeel van de bepalingen van deze wet, de personen van Belgische nationaliteit voor wie de mogelijkheden van tewerkstelling werkelijk beperkt zijn wegens een ontoereikendheid of een vermindering van hun lichamelijke geschiktheid met ten minste 30 t.h. of van hun geestelijke geschiktheid met ten minste 20 t.h.
  De Koning bepaalt de wijze waarop deze percentages van ontoereikendheid of vermindering worden vastgesteld.
  Hij kan bovendien deze percentages wijzigen onder de bij artikel 9 voorziene voorwaarden.
  De Koning kan de toepassing van de bepalingen van deze wet, onder de voorwaarden die Hij vaststelt, uitbreiden tot de personen van vreemde nationaliteit.

  HOOFDSTUK II. _ Het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen.

  Art. 2. <Zie nota onder titel> Bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid wordt een "Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen" opgericht. Dit Rijksfonds is een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid. Het staat onder de waarborg van het Rijk.
  De Koning regelt de inrichting en de werking van dit Rijksfonds en treft alle maatregelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn opdrachten.

  Art. 3. <Zie nota onder titel> Het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen heeft tot opdracht:
  1° de minder-validen op te sporen en in te schrijven. In de opsporing van de minder-validen wordt voorzien door het inrichten van een publiciteitssysteem dat erop gericht is bekendheid te geven aan het bestaan en aan de opdrachten van het Rijksfonds; de belanghebbenden blijven vrij zich te laten inschrijven of niet;
  2° er voor te waken dat de minder-validen het voordeel kunnen ontvangen van de beste medische of heelkundige behandeling ten einde een maximum van functionele recuperatie te bekomen en alzo de geschiktheid tot het uitoefenen van een arbeid tot stand te brengen of te verbeteren;
  eventueel ervoor te waken dat de nabestaanden van de minder-validen of, bij hun ontstentenis, de personen die in de minder-validen belang stellen hun het voordeel van een dergelijke behandeling kunnen laten ontvangen;
  3° de minder-validen, hun nabestaanden of, bij hun ontstentenis, de personen die in de minder-validen belang stellen van advies te dienen met het oog op de aanschaffing, de juiste aanpassing, het onderhoud en de vernieuwing van de prothese en orthopedische apparaten; zorg te dragen voor deze aanschaffing, deze aanpassing, dit onderhoud en deze vernieuwing, wanneer het Rijksfonds overeenkomstig de bepalingen van 4° tussenkomt in de kosten, eventueel na voorafgaand akkoord van de betrokkenen, in geval van gedeeltelijke tussenkomst.
  4° geheel of gedeeltelijk de kosten te dragen van de aan de minder-validen aangeraden behandeling voor zover deze last gerechtvaardigd is, eventueel met inachtneming van de op wettelijke of reglementaire basis verrichte tussenkomsten en van deze van de betrokken minder-validen of van hun familie;
  5° toelagen te verlenen voor de oprichting, de inrichting, de vergroting of het onderhoud van erkende centra of diensten voor revalidatie;
  6° de minder-validen, hun nabestaanden of, bij hun ontstentenis, de personen die in de minder-validen belang stellen van advies te dienen, met het oog op de schoolopleiding of de beroepsopleiding, de omscholing en de herscholing, de doeltreffendheid ervan na te gaan en ervoor te zorgen dat de minder-validen eventueel het voordeel genieten van een gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze;
  7° de voorlichting bij beroepskeuze, de beroepsopleiding, omscholing en herscholing van de minder-validen te bevorderen :
  a) door toelagen te verlenen voor de oprichting, inrichting, vergroting of het onderhoud van erkende centra of diensten voor gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze of door de oprichting van centra of diensten voor gespecialiseerde voorlichting bij beroepskeuze:
  b) door toelagen te verlenen voor de oprichting, de inrichting, de vergroting of het onderhoud van erkende centra voor beroepsopleiding of omscholing van minder-validen of door de oprichting, in samenwerking met de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, van centra voor beroepsopleiding of omscholing;
  8° aan de minder-validen tijdens de duur van hun beroepsopleiding, omscholing en herscholing, uitkeringen en aanvullend loon te verlenen ten einde hun een bezoldiging te verzekeren die overeenstemt met het bedrag van de vergoedingen en voordelen verleend aan de werknemers die cursussen volgen van versnelde beroepsopleiding voor volwassenen in de door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening opgerichte of gesubsidieerde centra.
  Voor de verlening van die uitkeringen en dit aanvullend loon wordt rekening gehouden met de andere gebeurlijke tussenkomsten waarvan de minder-valide het voordeel geniet.
  Die uitkeringen en dit aanvullend loon worden niet verleend aan de minder-validen die nog leerplichtig zijn. Zij worden toegekend voor een duur van hoogstens twaalf maanden, maar de toekenning ervan kan hernieuwd worden.
  Zij worden niet in aanmerking genomen voor de toekenning of de berekening van andere tussenkomsten verleend krachtens wettelijke of reglementaire bepalingen;
  9° geheel of gedeeltelijk, met inachtneming van de op wettelijke of reglementaire basis verrichte tussenkomsten, de lasten te dragen die voor de minder-validen voortvloeien uit de verplaatsing naar of het verblijf in de plaats van hun beroepsopleiding, omscholing of herscholing, en eventueel de plaats van hun schoolopleiding;
  10° de plaatsing van de minder-validen te organiseren in een passende arbeid, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk V;
  11° aan de minder-validen alle nodige hulp te verlenen vóór, tijdens en na de beroepsopleiding, omscholing en herscholing;
  12° toelagen te verlenen aan personen of instellingen opdat zij de ingeschreven minder-validen zouden te werk stellen;
  13° eventueel toelagen te verlenen aan de door het Speciaal Onderstandsfonds erkende instellingen;
  14° in samenwerking met de bevoegde ministeriële diensten toezicht uit te oefenen op de bij toepassing van artikel 21 verrichte aanwerving van minder-validen :
  15° alle documentatie te verzamelen en te verspreiden betreffende de lotsverbetering van de minder-validen.

  Art. 4. <Zie nota onder titel> Voor de gehele of gedeeltelijke uitvoering van de in artikel 3 bedoelde opdrachten, doet het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen beroep op de medewerking van officiële en vrije instellingen, mits deze op gelijke voet te stellen en de vrije keuze van de minder-validen te eerbiedigen.

  HOOFDSTUK III. _ De beheersorganen.

  Afdeling I. _ De raad van beheer en de technische comités.

  Art. 5. <Zie nota onder titel> Het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen wordt beheerd door een raad van beheer, samengesteld als volgt :
  1° een voorzitter;
  2° de voorzitters van de twee technische comités;
  3° elf leden, gekozen onder de vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de minder-validen, van de werkgevers en van de werknemers evenals onder de personen erkend om hun bevoegdheid op het gebied van de geneeskunde of van de orthopedische heelkunde.

  Art. 6. <Zie nota onder titel> De raad van beheer wordt bijgestaan door twee technische comités :
  1° een technisch-sociaal comité samengesteld uit een voorzitter en een aantal door de Koning te bepalen leden, gekozen onder de personen die bevoegd zijn op het gebied van de school- of vakopleiding, de voorlichting bij school- of beroepskeuze, de tewerkstelling van de minder-validen, en onder de vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de minder-validen, van de werkgevers en van de werknemers;
  2° een technisch-medisch comité, samengesteld uit een voorzitter en een aantal door de Koning te bepalen leden, gekozen onder de personen erkend om hun bevoegdheid op het gebied van de geneeskunde of de orthopedische heelkunde.
  De twee technische comités kunnen gezamenlijk zetelen voor het onderzoek van zaken die terzelfdertijd van medische en sociale aard zijn.
  Zij moeten gezamenlijk zetelen wanneer de raad van beheer erom verzoekt.

  Art. 7. <Zie nota onder titel> De Koning benoemt de voorzitters en de leden van de raad van beheer en van de technische comités.
  De voorzitters moeten :
  1° Belg zijn;
  2° ten minste 30 jaar oud zijn;
  3° onafhankelijk staan tegenover de organisaties die vertegenwoordigd zijn in de raad van beheer of in de technische comités;
  4° niet onder het hiërarchisch gezag staan van een Minister.

  Art. 8. <Zie nota onder titel> Het mandaat van de voorzitters en van de leden van de raad van beheer en van de technische comités duurt zes jaar.
  Het kan hernieuwd worden.
  Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van elk lid, dat opgehouden heeft van de raad van beheer of van een technisch comité deel uit te maken vóór de normale beëindiging van zijn mandaat. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.

  Art. 9. <Zie nota onder titel> De Minister van Tewerkstelling en Arbeid vraagt het advies van de raad van beheer over elk voorontwerp van wet of ontwerp van organiek of reglementair besluit dat ertoe strekt de wetgeving of de reglementering betreffende de sociale reclassering van de minder-validen te wijzigen, of dat er betrekking op heeft.
  De raad van beheer is verplicht zijn advies binnen een maand na de hem gedane aanvraag mede te delen. Na het verstrijken van deze termijn mag deze formaliteit als vervuld beschouwd worden.
  De raad van beheer legt aan de regering alle voorstellen voor welke hij nuttig acht.
  Het eensluidend advies van de raad van beheer, uitgebracht met een meerderheid van de twee derden der stemmen van de aanwezige leden is vereist voor de wijziging van de percentages bedoeld bij het eerste artikel, eerste lid.

  Art. 10. <Zie nota onder titel> De raad van beheer stelt zijn huishoudelijk reglementen dit van de technische comités op.

  Afdeling II. _ De gewestelijke technische commissies.

  Art. 11. <Zie nota onder titel> (Wanneer de tussenkomst van het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen ten opzichte van een ingeschreven minder-valide betrekking heeft op de functionele of geneeskundige revalidatie, de apparatuur, de schoolopleiding, de beroepsopleiding, de omscholing, de herscholing of de plaatsing en zij een wijziging van de vorige toestand van de minder-valide medebrengt, kan het Rijksfonds daaromtrent het advies van een gewestelijke technische commissie inwinnen.
  Het Fonds moet, in hetzelfde geval, dat advies vooraf inwinnen wanneer de betrokkene dit vraagt) <KB nr. 27, 29-6-1967, art. 1.>
  De Koning bepaalt het aantal, de zetel, de samenstelling en de werkwijze van deze commissies.
  In deze commissies moeten ten minste een doctor in de geneeskunde, een adviseur voor voorlichting bij beroepskeuze, een sociaal assistent evenals een specialist inzake arbeidsbemiddeling voor minder-validen zetelen.

  Afdeling III. _ De administrateur-directeur en de adjunct-administrateur-directeur.

  Art. 12. <Zie nota onder titel> Het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen staat onder de leiding van een administrateur-directeur, bijgestaan door een adjunct-administrateur-directeur, beiden behorende tot een verschillende taalgroep.
  Zij worden benoemd door de Koning, die hun statuut vaststelt.

  Art. 13. <Zie nota onder titel> De administrateur-directeur voert de beslissingen van de raad van beheer uit; hij geeft aan die raad alle inlichtingen en onderwerpt hem alle voorstellen, die voor de werking van het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen nuttig zijn.
  Hij woont de vergaderingen van de raad van beheer en van de technische comités bij.
  Hij leidt het personeel en zorgt, onder het gezag en de controle van de raad van beheer, voor de werking van het Rijksfonds.
  Hij oefent de bevoegdheden uit inzake het dagelijks beheer, die in het huishoudelijk reglement bepaald zijn.
  De administrateur-directeur vertegenwoordigt het Rijksfonds in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen en treedt geldig op in naam en voor rekening van het Rijksfonds, zonder dat hij zulks door een beslissing van de raad van beheer moet staven.
  Hij kan, met het akkoord van de raad van beheer, zijn bevoegdheid om de instelling te vertegenwoordigen voor de commissie van beroep, opgericht bij toepassing van artikel 26, aan één of meerdere leden van het personeel overdragen.

  Art. 14. <Zie nota onder titel> De adjunct-administrateur-directeur staat de administrateur-directeur bij in de uitvoering van alle hem opgedragen taken. Hij woont eveneens de vergaderingen van de raad van beheer en van de technische comités bij.

  Art. 15. <Zie nota onder titel> Ingeval de administrateur-directeur verhinderd is, worden zijn bevoegdheden uitgeoefend door de adjunct-administrateur-directeur en, bij diens ontstentenis, door een personeelslid van het Rijksfonds dat door de raad van beheer aangewezen wordt.

  Afdeling IV. _ Het personeel van het Rijksfonds.

  Art. 16. <Zie nota onder titel> Met uitzondering van de administrateur-directeur en van de adjunct-administrateur-directeur wordt het personeel benoemd, bevorderd en ontslagen door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, na advies van de raad van beheer en overeenkomstig de regelen van het statuut van het personeel.
  Het statuut is hetzelfde als dat welk ter uitvoering van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut vastgesteld werd voor de instellingen onder toezicht van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
  Bij de benoeming van het personeel wordt, zoals bepaald bij artikel 9, § 4, van de wet van 28 juni 1932 betreffende het gebruik der talen in bestuurszaken, een passend evenwicht in acht genomen bij het vaststellen van het getal der betrekkingen welke voor de kandidaten van elke taalgroep worden voorbehouden.

  HOOFDSTUK IV. _ De beroepsopleiding, omscholing en herscholing van de minder-validen.

  Art. 17. <Zie nota onder titel> <NOTA : Opgeheven voor de Franse Gemeenschapscommissie bij DEC 1999-03-04/41, art. 75, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1999> Gedurende hun beroepsopleiding; omscholing en herscholing kunnen de minder-validen door de personen die deze beroepsopleiding, omscholing en herscholing verzekeren slechts aangeworven worden krachtens;
  1° Een leerovereenkomst in de nijverheid, de ambachten en neringen, in de koopvaardij en de zeevisserij;
  2° Een speciale leerovereenkomst voor de omscholing van de minder-validen;
  3° Een overeenkomst voor beroepsopleiding of omscholing gesloten hetzij met een centrum voor versnelde beroepsopleiding voor volwassenen, opgericht door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening of erkend door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, hetzij met een centrum voor beroepsopleiding of omscholing bedoeld bij artikel 3, 7° b).
  De Koning bepaalt de clausules welke ieder onder 2° bedoelde leerovereenkomst of iedere overeenkomst voor beroepsopleiding of omscholing, gesloten bij toepassing van 3°, verplicht moet bevatten.
  <NOTA : 1° Voor de Franse Gemeenschap wordt 2° door de volgende bepaling vervangen: "2° een overeenkomst voor inschakeling in het arbeidsproces van de gehandicapten;" (DFG 1992-12-21/45, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1993)
  2° Voor de Franse Gemeenschap worden in lid 2 de woorden "leerovereenkomst" vervangen door de woorden "overeenkomst voor inschakeling in het arbeidsproces" (DFG 1992-12-21/45, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1993)>

  Art. 18. <NOTA : Opgeheven voor de Franse Gemeenschapscommissie bij DEC 1999-03-04/41, art. 75, 1°; Inwerkingtreding : 01-01-1999> § 1. De wetten (...) betreffende de vergoeding der schade voortspruitende uit arbeidsongevallen of uit beroepsziekten, de feestdagen, de arbeidsreglementering, de arbeidsbescherming en de betaling van de beloning, zijn toepasselijk op de minder-validen, hun werkgevers evenals op de centra die in het kader van de bepalingen genomen ter uitvoering van deze wet een leerovereenkomst hebben gesloten voor de omscholing van de minder-validen bedoeld bij artikel 17, eerste lid, 2°, of een overeenkomst voor beroepsopleiding of omscholing bedoeld bij artikel 17, eerste lid, 3°. <K.B. 28 november 1969, art. 64, 26°.>
  § 2. De Koning kan de bepalingen van deze wetten in overeenstemming brengen met deze van de eerste paragraaf.
  <NOTA : Voor de Franse Gemeenschap worden in § 1 de woorden "leerovereenkomst voor de omscholing van de minder-validen" vervangen door de woorden "overeenkomst voor inschakeling in het arbeidsproces van gehandicapten" (DFG 1992-12-21/45, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1993)>

  Art. 19. <Zie nota onder titel> De bij artikel 17 bedoelde overeenkomsten worden uitgevoerd onder de controle van het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen.

  HOOFDSTUK V. _ De plaatsing van de minder-validen.

  Art. 20. <Zie nota onder titel> De ingeschreven minder-validen worden geplaatst:
  1° in de particuliere ondernemingen, inzonderheid de nijverheids-, handels-, en landbouwondernemingen;
  2° (in de openbare besturen, de instellingen van openbaar nut en de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels;) <KB 1997-04-03/37, art. 35, 008; Inwerkingtreding : 10-05-1997>
  3° in de ambachten en in de zelfstandige beroepen;
  4° in de beschermde werkplaatsen.
  <NOTA : Voor de federale overheid wordt artikel 20, 2° opgeheven bij W 1999-03-22/47, art. 26; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 21. § 1. Zijn verplicht een bepaald aantal minder-validen in de zin van artikel 1 van deze wet tewerk te stellen:
  1° de particuliere ondernemingen en inzonderheid de nijverheids-, handels-, en landbouwondernemingen;
  2° (de openbare besturen, de door de Koning aangewezen instellingen van openbaar nut, met inbegrip van de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.) <KB 1997-04-03/37, art. 36, 008; Inwerkingtreding : 10-05-1997>
  De bij het voorgaande lid bedoelde ondernemingen of instellingen moeten minstens twintig personeelsleden tellen om aan deze verplichting onderworpen te zijn.
  § 2. Na advies van het bevoegd paritair comité en, voor de bedrijfstakken waarvoor geen paritair comité bestaat, na advies van de Nationale Arbeidsraad, bepaalt de Koning, voor iedere bedrijfstak, het aantal minder-validen die moeten tewerkgesteld worden.
  Dit aantal minder-validen wordt bepaald rekening houdend met de aard en het belang van de ondernemingen evenals met de verschillende graden van blijvende ongeschiktheid van de minder-validen.
  De Koning bepaalt de uitvoeringsregelen van deze paragraaf.
  § 3. (Wat betreft de openbare besturen, de instellingen van openbaar nut, met inbegrip van de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bepaalt de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit het aantal mindervaliden dat moet worden tewerkgesteld.) <KB 1997-04-03/37, art. 37, 008; Inwerkingtreding : 10-05-1997>
  § 4. De ondernemingsraad of, bij diens ontstentenis, de syndicale afvaardiging van het personeel, evenals de door de Koning aangewezen ambtenaren waken voor de uitvoering van de maatregelen voorzien onder § 2.
  <NOTA : Voor de federale overheid wordt artikel 21, § 1, eerste lid, 2° en § 3, opgeheven bij W 1999-03-22/47, art. 26; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 22. <Zie nota onder titel> De Rijksdienst voor arbeidsvoorziening is belast met de plaatsing van de particuliere ondernemingen van de ingeschreven minder-validen die eventueel hun beroepsopleiding, omscholing of herscholing hebben beëindigd en die geschikt zijn om te werken.
  Wanneer deze dienst aan de minder-validen arbeid aanbiedt, moet hij daarbij rekening houden met hun physische en beroepsgeschiktheden.
  Te dien einde vraagt het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen de inschrijving als werkzoekende van de minder-validen die geschikt zijn om te werken.

  Art. 23. <Zie nota onder titel> De minder-validen die wegens de aard of de ernst van hun gebrek onder de gewone arbeidsvoorwaarden voorlopig of definitief geen beroepsactiviteit kunnen uitoefenen, kunnen tewerkgesteld worden in een beschermde werkplaats, opgericht of gesubsidieerd door het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen.
  Toelagen worden verleend met het oog op de oprichting, de inrichting, de vergroting of het onderhoud van de beschermde werkplaats.
  De in de beschermde werkplaatsen tewerkgestelde minder-validen worden aangeworven, hetzij krachtens een bij artikel 17, 2° bedoelde leerovereenkomst, hetzij krachtens een arbeidsovereenkomst voor werklieden of voor bedienden. (Te dien einde kan de Koning afwijken van het bepaalde in de wet van 10 maart 1900 op de arbeidsovereenkomst en van de gecoordineerde wetten op het bediendencontract, welke betrekking hebben op de duur van de proeftijd.) <W 21-11-1969, art. 60>
  De beschermde werkplaats kan aan de minder-validen, die zich onmogelijk kunnen verplaatsen, huisarbeid verschaffen.
  In dit geval zijn zij aangeworven krachtens een arbeidsovereenkomst voor huisarbeiders.
  De Koning stelt het bedrag en de voorwaarden van toekenning van het loon van de minder-validen vast, die in de beschermde werkplaatsen zijn tewerkgesteld.

  HOOFDSTUK VI. _ De financiering en het gebruik der ontvangsten.

  Art. 24.<Zie nota onder titel> <KB14 23-10-1978, art. 1> (§ 1. [De lasten die voortvloeien uit de vervulling van de opdracht van het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen worden gedekt door:
  1° de opbrengst van een aanvullende premie of bijdrage geïnd door de verzekeraar of [1 door Fedris]1 inzake de verzekering tegen arbeidsongevallen; de aanvullende premie of bijdrage heeft eveneens betrekking op de bijdrageverhoging en verwijlintresten verschuldigd [1 aan Fedris]1;
  2° de opbrengst van een aanvullende premie of bijdrage geïnd door de verzekeraar inzake de verzekering van de risico's inherent aan het bezit of het gebruik van een motorrijtuig ander dan spoorwegmaterieel, met inbegrip van de burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering en van de verzekering tegen ongevallen van vervoerde personen; geen aanvullende premie of bijdrage wordt geïnd inzake de verzekering van de burgerlijke aansprakelijkheid van de vervoerder voor de vervoerde goederen;
  3° de opbrengst van een aanvullende premie of bijdrage geïnd door de verzekeraar inzake de verzekering tegen brandrisico's, met inbegrip van elk daarmee verbonden risico gedekt door uitbreiding, toevoeging of aanvulling binnen de verzekeringsovereenkomst;
  4° een bijdrage ten laste van de verzekeraars bedoeld bij 1° tot 3° van dit lid;
  5° bijdrage ten laste van de instellingen van openbaar nut die vrijgesteld zijn van de verplichting om een burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering aan te gaan voor hun motorrijtuigen;
  6° een rijkstoelage;
  7° schenkingen en legaten;
  8° de opbrengst van het patrimonium van het Rijksfonds en alle andere dan de sub 1° tot 7° hiervoren vermelde exploitatierecettes.
  De Koning bepaalt de uitvoeringsregelen van dit artikel.)
  ((In 1989 en 1990) wordt de opbrengst van de financiële middelen van het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen bedoeld in lid 1, 1° tot 5°, na aftrek van de middelen nodig voor de nationaal gebleven bevoegdheden, gestort op de rijksmiddelenbegroting van de Staat.) <W 1989-07-06/30, art. 45 en 46, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1988> <W 1990-07-16/30, art. 12, 004; Inwerkingtreding : 11-08-1990>
  (Voor de toepassing van § 1, eerste lid, 3°, wordt rekening gehouden met volgende bepalingen :
  1° met " elk daarmee verbonden risico " wordt bedoeld : blikseminslag, rook, ontploffing, implosie, elektrokutie van dieren, aanraking met rijtuigen, dieren, luchtvaart- en ruimtetuigen, elektrisch risico, storm, hagel, sneeuw, vorst, aardverschuiving, aardbeving, natuurrampen, waterschade, glasbreuk, diefstal, aanslagen, arbeidsconflicten, kernrisico's, burgerlijke aansprakelijkheid gebouwen, onrechtstreekse verliezen, onbruikbaarheid van onroerende goederen, bedrijfs- of handelsschade, exploitatieverliezen, alsmede alle andere gelijkaardige of aanverwante risico's;
  2° de aanvullende premie of bijdrage is verschuldigd, welke ook de benaming weze die de verzekeraar aan de polis geeft : polis brand, polis globale woning, gecombineerde ideale polis, combi globale of top globale polis, multirisicopolis, gecombineerde polis, gecombineerde polis woning, gegroepeerde polis, uitgebreide verzekering polis, polis compact, alle risico's polis, of welkdanige benaming.
  Binnen de perken van het toepassingsgebied van § 1, eerste lid, 3°, kunnen de bepalingen van onderhavige paragraaf door de Koning aan de technische evolutie van het verzekeringswezen aangepast worden.) <W 1989-07-06/30, art. 45, 002; Inwerkingtreding : 01-01-1988>
  ----------
  (1)<KB 2018-09-06/13, art. 11, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 25. <Zie nota onder titel> Het totaal jaarlijks bedrag van die toelagen verleend krachtens de bepalingen van artikel 3, 5° en 7°, en van artikel 23 en van de sommen door het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen besteed aan de oprichting van diensten, centra en werkplaatsen bedoeld in de artikelen 3, 7°, en 23 mag het derde van de jaarlijkse ramingen der inkomsten die voortvloeien uit de uitvoering der bepalingen van artikel 24 niet overschrijden.

  HOOFDSTUK VII. _ De betwistingen.

  Art. 26. <Zie nota onder titel> <W 10-11-1967, art. 3, art. 82, § 1 en 2> De betwistingen betreffende de beslissingen genomen door het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen en die betrekking hebben op de inschrijving of de toekenning van uitkeringen en verstrekkingen aan de minder-validen, behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank.
  De bestreden administratieve rechtshandelingen moeten, op straffe van verval, binnen een maand na de kennisgeving ervan aan de bevoegde arbeidsrechtbank voorgelegd worden.
  De vordering ingeleid voor de arbeidsrechtbank werkt schorsend. <W 10-11-1967, art. 3, art. 82, §1 en 2>

  Art. 27. <Zie nota onder titel> De arbeidsrechtbanken zijn bevoegd om kennis te nemen van de betwistingen in verband met de bij artikel 17, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde overeenkomsten.
  De vorderingen welke uit deze overeenkomsten ontstaan, verjaren een jaar na de beëindiging van deze overeenkomsten.

  HOOFDSTUK VIII. _ Toezicht.

  Art. 28. <Zie nota onder titel> <W 1989-12-22/31, art. 202, 003; Inwerkingtreding : 09-01-1990> Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Koning aangewezen ambtenaren toezicht op de naleving van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
  Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.

  Art. 29. <Zie nota onder titel> (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 202, 003; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 30. <Zie nota onder titel> (opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 202, 003; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  HOOFDSTUK IX. _ Strafbepalingen.

  Art. 31. <Zie nota onder titel> Onverminderd de toepassing van de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek, worden gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en met geldboete van 26 tot 200 frank of met één van die straffen alléén, de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, die zonder geldige redenen geweigerd hebben het overeenkomstig de bepalingen van artikel 21 door de Koning vastgesteld aantal minder-validen tewerk te stellen of die de bepalingen van de besluiten genomen in uitvoering van deze wet hebben overtreden of het krachtens deze wet of haar uitvoeringsbesluiten georganiseerde toezicht hebben verhinderd.

  Art. 32. In geval van herhaling binnen het jaar te rekenen vanaf de vorige veroordeling, kan de straf op het dubbel van het maximum worden gebracht.

  Art. 33. De werkgever is burgerlijk aansprakelijk voor de geldboeten die zijn aangestelden of lasthebbers worden opgelegd.

  Art. 34. De bepalingen van boek I van het strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn toepasselijk op de overtredingen van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan.

  Art. 35. De publieke vordering, die voortvloeit uit de overtreding van deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, verjaart na verloop van drie jaar te rekenen vanaf de dag waarop de overtreding werd begaan.

  HOOFDSTUK X. _ Bijzondere bepalingen.

  Art. 36. <Zie nota onder titel> Het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen wordt met het Rijk gelijkgesteld voor de toepassing van de wetten en reglementen betreffende de directe belastingen geheven ten behoeve van de provinciën en de gemeenten.

  Art. 37. <Zie nota onder titel> <wijzigingsbepaling>.

  Art. 38. <Zie nota onder titel> De Koning kan bij het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen twee regeringscommissarissen benoemen, die respectievelijk de Minister van Sociale Voorzorg en de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin vertegenwoordigen.

  Art. 39. <Zie nota onder titel> De openbare besturen en de instellingen van openbaar nut zijn verplicht zonder kosten aan het Rijksfonds alle inlichtingen te verschaffen welke nodig zijn met het oog op de toepassing van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten.

  Art. 40. <Zie nota onder titel> Het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen neemt de rechten en plichten, het actief en passief van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening over in verband met het Fonds voor scholing, omscholing en sociale herscholing van minder-validen, opgericht bij de wet van 28 april 1958 betreffende de scholing, de omscholing, de sociale herscholing van de minder-validen, ontbonden ter uitvoering van de bepalingen van artikel 12 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel.

  Art. 41. <Zie nota onder titel> De administrateur-directeur, de adjunct-administrateur-directeur en de andere personeelsleden van het Fonds voor scholing, omscholing en sociale herscholing van minder-validen, opgericht bij de wet van 28 april 1958 voornoemd, die benoemd werden vóór 1 maart 1961 en op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet behoren tot het personeel van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, worden overgeplaatst naar het Rijksfonds voor sociale reclassering van de minder-validen met behoud van hun graad, anciënniteit en wedde.

  Art. 42. <Zie nota onder titel> De aanvragen, ingediend vóór de inwerkingtreding van deze wet, om het voordeel te ontvangen van de bepalingen van de wet van 28 april 1958, voornoemd, blijven geldig.

  Art. 43. <Zie nota onder titel> De reglementaire bepalingen genomen inzake de financiering van het Fonds voor scholing, omscholing en sociale herscholing van minder-validen blijven van kracht tot op het ogenblik waarop de ter uitvoering van artikel 24 te nemen maatregelen uitwerking zullen hebben.

  HOOFDSTUK XI. _ Opheffingsbepalingen.

  Art. 44. <Zie nota onder titel> <opheffingsbepaling>.

  HOOFDSTUK XII. _ Slotbepaling.

  Art. 45. <Zie nota onder titel> Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, met uitzondering van artikel 9, dat in werking treedt vijftien dagen na de bekendmaking van het koninklijk besluit tot benoeming van de leden van de raad van beheer en van de technische comités.

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 06-09-2018 GEPUBL. OP 26-09-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 24)
  • originele versie
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 01-12-2011 GEPUBL. OP 21-12-2011
    (GEWIJZIGD ART. : OPHEFFING)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 07-05-2004 GEPUBL. OP 11-06-2004 Inwerkingtreding nader te bepalen
  • originele versie
  • WET VAN 22-03-1999 GEPUBL. OP 30-04-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 20; 21)
  • originele versie
  • DECREET (BRUSSEL) VAN 04-03-1999 GEPUBL. OP 03-04-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 17; 18)
  • 1997022273; 1997-04-30
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 03-04-1997 GEPUBL. OP 30-04-1997
    (GEWIJZIGDE ART. : 20; 21)
  • DECREET WAALSE GEWEST VAN 06-04-1995 GEPUBL. OP 25-05-1995
  • DECREET FRANSE GEMEENSCHAP VAN 21-12-1992 GEPUBL. OP 03-04-1993
    (GEWIJZIGDE ART. : 17; 18)
  • DECREET FRANSE GEMEENSCHAP VAN 03-07-1991 GEPUBL. OP 30-07-1991
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 27-06-1990 GEPUBL. OP 08-08-1990
    (GEWIJZIGDE ART. : 1-3; 4-17; 19-20; 22-30; 36-45)
  • WET VAN 16-07-1990 GEPUBL. OP 01-08-1990
    (GEWIJZIGD ART. : 24)
  • WET VAN 22-12-1989 GEPUBL. OP 30-12-1989
    (GEWIJZIGDE ART. : 28; 29; 30)
  • WET VAN 06-07-1989 GEPUBL. OP 08-07-1989
    (GEWIJZIGD ART. : 24)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zittijd 1961-1962. KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS. Parl. besch. _ Wetsontwerp, nr. 395-1, van 27-8-1962. _ Amendementen, nr. 395-2, van 9-7-1962, nr. 395-3 van 10-7-1962, nr. 395-4, van 11-7-1962. Zittijd 1962-1963. KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS. Parl. besch. _ Verslag, nr. 395-5, van 12-12-1962. _ Amendement, nr. 395-6, van 13-12-1962. Parl. Hand. _ Algemene bespreking en bespreking van de artikelen. Vergadering van 5-2-1963. _ Bespreking en stemming. Vergadering van 7-2-1963. SENAAT. Parl. besch. _ Wetsontwerp overgemaakt door de Kamer van Volksvertegenwoordigers, nr. 100, van 7-2-1963. _ Verslag, nr. 134, van 7-3-1963. Parl. Hand. _ Aanneming van de artikelen en stemming. Vergadering van 28-3-1963.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 63 uitvoeringbesluiten 10 gearchiveerde versies
    Franstalige versie