J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
27 JUNI 1962. - Verdrag aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk BelgiŽ, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-01-1990 en tekstbijwerking tot 28-01-1995)

Publicatie : 24-10-1967 nummer :   1962062750 bladzijde : 11097
Dossiernummer : 1962-06-27/30
Inwerkingtreding : 11-12-1967

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK I. - DE UITLEVERING.
Art. 1-21
HOOFDSTUK II. - DE RECHTSHULP IN STRAFZAKEN.
ß 1. Algemene bepaling.
Art. 22
ß 2. Rogatoire commissies.
Art. 23-25, 25bis, 26-29
ß 3. Mededeling van processtukken en rechterlijke beslissingen.
Art. 30
ß 4. Verschijning van getuigen, deskundigen en verdachten. <V 1974-05-11/32, art. 2; Inwerkingtreding : 01-03-1982>
Art. 31-35
ß 5. Strafregister.
Art. 36
ß 6. Procedure.
Art. 37-41
ß 7. Aangifte tot het uitlokken van een strafvervolging.
Art. 42
ß 8. Uitwisseling van mededelingen omtrent veroordelingen.
Art. 43
HOOFDSTUK III. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 44-50
Bijlage.
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK I. - DE UITLEVERING.

  Artikel 1. Verplichting tot uitlevering.
  De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich om, overeenkomstig de regels en onder de voorwaarden in de volgende artikelen bepaald, elkander wederzijds de personen uit te leveren, die door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij vervolgd worden ter zake van een strafbaar feit of gezocht worden tot tenuitvoerlegging van een straf of maatregel.

  Art. 2. Feiten die tot uitlevering kunnen leiden.
  1. Tot uitlevering zullen kunnen leiden de feiten, die krachtens de wetten van de verzoekende Partij en van de aangezochte Partij strafbaar zijn gesteld, met een vrijheidsstraf of met een maatregel, welke vrijheidsbeneming medebrengt, met een maximum van ten minste zes maanden, danwel met een zwaardere straf of maatregel. Wanneer er binnen het gebied van de verzoekende Partij een straf of een maatregel is opgelegd, moet die straf of die maatregel ten minste de duur van drie maanden hebben.
  2. Indien het verzoek om uitlevering betrekking heeft op verscheidene afzonderlijke feiten, die alle krachtens de wet van de verzoekende en van de aangezochte Partij strafbaar zijn gesteld met vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt, maar waarvan sommige niet voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf, is de aangezochte Partij bevoegd de uitlevering eveneens ter zake van deze laatste feiten toe te staan.

  Art. 3. Politieke misdrijven.
  1. De uitlevering zal niet worden toegestaan indien het strafbare feit, waarvoor zij wordt verzocht, door de aangezochte Partij als een politiek misdrijf of als een met een dergelijk misdrijf samenhangend feit wordt beschouwd.
  2. Voor de toepassing van het onderhavige Verdrag zullen niet worden beschouwd als politiek misdrijf :
  a) de aanslag tegen het leven of de vrijheid van een Staatshoofd of van een lid van het regerende Huis;
  b) de desertie.
  3. De toepassing van dit artikel heeft geen invloed op de verplichtingen, die de Hoge Verdragsluitende Partijen op zich hebben genomen of zullen nemen uit hoofde van andere internationale overeenkomsten van multilaterale aard.

  Art. 4. Fiscale delicten.
  Inzake retributies, belastingen, douane, deviezen, invoer, uitvoer en doorvoer, zal uitlevering onder de in dit Verdrag voorziene voorwaarden slechts worden toegestaan, indien ten aanzien van elk delict of elke groep van delicten tussen de Regeringen van de Hoge Verdragsluitende Partijen daartoe is besloten.

  Art. 5. Uitleveringen van onderdanen.
  1. De Hoge Verdragsluitende Partijen leveren hun onderdanen niet uit.
  2. De hoedanigheid van onderdanen zal worden beoordeeld naar de toestand op het tijdstip van de overlevering.

  Art. 6. Plaats waar het feit is begaan.
  1. De aangezochte Partij zal kunnen weigeren om een persoon uit te leveren ter zake van een strafbaar feit dat volgens de wetgeving van die Partij geheel of ten dele op haar grondgebied of op een daarmee gelijk gestelde plaats is gepleegd.
  2. Wanneer het strafbare feit, dat aan het verzoek tot uitlevering ten grondslag ligt, is begaan buiten het grondgebied van de verzoekende Partij, zal de uitlevering slechts geweigerd kunnen worden indien de wet van de aangezochte Partij de vervolging van een dergelijk, buiten haar grondgebied gepleegd, strafbaar feit niet toelaat.

  Art. 7. Vervolging ingesteld ter zake van dezelfde feiten.
  Een aangezochte Partij zal kunnen weigeren een persoon, wiens uitlevering is verzocht, uit te leveren, indien die persoon door haar wordt vervolgd ter zake van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht.

  Art. 8. Non bis in idem.
  De uitlevering zal niet worden toegestaan wanneer de persoon, wiens uitlevering is verzocht, ter zake van de feiten, waarop dit verzoek was gegrond, door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij onherroepelijk is berecht. De uitlevering zal kunnen worden geweigerd, indien de bevoegde autoriteit van de aangezochte Partij heeft besloten ter zake van dezelfde feiten geen vervolging in te stellen danwel een ingestelde vervolging te staken.

  Art. 9. Verjaring.
  De uitlevering zal niet worden toegestaan indien het recht tot strafvervolging danwel de straf volgens de wet van de aangezochte Partij is verjaard op het tijdstip, waarop de overlevering plaats moet vinden.

  Art. 10. Doodstraf. Indien op het feit, ter zake waarvan de uitlevering wordt verzocht, door de wet van de verzoekende Partij de doodstraf is gesteld en deze straf volgens de wet van de aangezochte Partij tegen dat feit niet wordt bedreigd of met betrekking tot dat feit door die Partij algemeen niet wordt toegepast, kan de aangezochte Partij de uitlevering toestaan op voorwaarde dat de verzoekende Partij zich verbindt het Staatshoofd aan te bevelen, de doodstraf in een andere straf om te zetten.

  Art. 11. Verzoek en stukken ter ondersteuning daarvan.
  1. Het verzoek tot uitlevering zal door de Minister van Justitie van de verzoekende Partij, schriftelijk worden gericht tot de Minister van Justitie van de aangezochte Partij.
  2. Bij het verzoek zullen worden overgelegd :
  a) het origineel of een authentiek afschrift, hetzij van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling, hetzij van een bevel tot aanhouding of van iedere andere akte, die dezelfde kracht heeft, een en ander opgemaakt in de vorm voorgeschreven door de wet van de verzoekende Partij;
  b) een overzicht van de feiten, waarvoor de uitlevering wordt verzocht. De tijd en plaats, waarop de feiten zijn begaan, hun wettelijke omschrijving en de verwijzing naar de toepasselijke wetsbepalingen, zullen zo nauwkeurig mogelijk worden vermeld;
  c) een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen, alsmede een zo nauwkeurig mogelijk signalement van de verzochte persoon en alle andere inlichtingen, welke van belang zijn om zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen.

  Art. 12. Aanvullende inlichtingen.
  Indien de door de verzoekende Partij verstrekte inlichtingen onvoldoende blijken te zijn om de aangezochte Partij in staat te stellen een beslissing overeenkomstig dit Verdrag te nemen, zal deze laatste Partij de noodzakelijke aanvulling op de gegeven inlichtingen vragen en een termijn kunnen stellen, binnen welke deze verkregen moeten zijn.

  Art. 13. Specialiteitsbeginsel.
  1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2, lid 2, zal de uitgeleverde persoon niet worden vervolgd, berecht of in hechtenis gesteld met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, noch ook aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid worden blootgesteld, wegens enig ander vůůr de overlevering begaan feit dan dat, hetwelk de reden tot uitlevering is geweest, behalve in de volgende gevallen :
  a) wanneer de Partij, die hem heeft uitgeleverd erin toestemt. Daartoe moet een verzoek worden aangeboden, vergezeld van de in artikel 11 bedoelde stukken. De toestemming zal worden gegeven indien het strafbare feit, waarvoor zij verzocht wordt, op zichzelf de verplichting tot uitlevering krachtens dit Verdrag meebrengt. De toestemming kan worden gegeven indien het strafbare feit, gezien de hoogte van de daartegen bedreigde straf of maatregel deze verplichting niet meebrengt;
  b) wanneer de uitgeleverde persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen de vijftien dagen, die op zijn definitieve invrijheidstelling volgden het grondgebied van de Partij, aan welke hij was uitgeleverd, heeft verlaten of indien hij, na dit gebied verlaten te hebben, daarin is teruggekeerd;
  c) wanneer de uitgeleverde persoon, hetzij vůůr zijn uitlevering ten overstaan van een rechterlijke autoriteit van de aangezochte Partij, hetzij na zijn uitlevering voor een rechterlijke autoriteit van de verzoekende Partij, er uitdrukkelijk in heeft toegestemd om te worden vervolgd en gestraft ter zake van enig feit, welk dan ook.
  2. De verzoekende Partij kan echter de nodige maatregelen nemen met het oog op een uitzetting uit zijn grondgebied of met het oog op een stuiting van de verjaring overeenkomstig haar wet, daaronder begrepen het instellen van een verstekprocedure.
  3. Wanneer de omschrijving, die aan het te laste gelegde feit is gegeven, in de loop van de procedure wordt gewijzigd, zal de uitgeleverde persoon slechts worden vervolgd of berecht, voor zover de elementen van het op andere wijze omschreven strafbare feit uitlevering zouden gedogen.

  Art. 14. Verderlevering aan een derde Staat.
  1. Behoudens in de gevallen, bedoeld in lid 1, onder b en c, van artikel 13, heeft de verzoekende Partij de toestemming van de aangezochte Partij nodig om de persoon, die haar overgedragen is, en die gezocht wordt door een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag ter zake van strafbare feiten gepleegd vůůr de overdracht, aan die Staat uit te leveren. De aangezochte Partij zal de overlegging van de stukken, bedoeld in artikel 11, lid 2, kunnen eisen.
  2. Indien het gaat om een andere Hoge Verdragsluitende Partij is die toestemming niet vereist.

  Art. 15. Voorlopige aanhouding.
  1. In geval van spoed kunnen de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij met het oog op een uitlevering de voorlopige aanhouding van de gezochte persoon verzoeken.
  2. Het verzoek om voorlopige aanhouding zal melding maken van het strafbare feit dat werd begaan, van de duur van de straf of de maatregel die tegen het feit wordt bedreigd of die ter zake van het feit werd opgelegd, van de tijd en plaats waarop het feit werd begaan, alsmede, voor zover mogelijk, van het signalement van de gezochte persoon.
  3. Het verzoek zal aan de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij worden overgebracht, hetzij rechtstreeks, hetzij door het centrale nationale bureau van de Internationale Politie Organisatie (Interpol). De rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij zullen onverwijld worden ingelicht over het gevolg dat aan hun verzoek is gegeven.
  4. Indien het verzoek op regelmatige wijze blijkt te zijn gedaan, zal daaraan door de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij overeenkomstig de wetgeving van die Partij gevolg worden gegeven.
  5. De voorlopige aanhouding zal een einde nemen indien de aangezochte Partij niet binnen een termijn van achttien dagen na de aanhouding, het uitleveringsverzoek en de in artikel 11 bedoelde stukken ontvangen heeft, tenzij de aanhouding op een andere grond moet worden voortgezet. Op ieder ogenblik is echter voorlopige invrijheidstelling mogelijk, met dien verstande dat de aangezochte Partij daarbij elke maatregel dient te nemen die zij noodzakelijk acht om vlucht van de gevorderde persoon te voorkomen.
  5. De invrijheidstelling verhindert een nieuwe aanhouding en uitlevering niet indien het uitleveringsverzoek alsnog binnenkomt.

  Art. 16. Samenloop van verzoeken.
  Indien de uitlevering door verschillende Staten tegelijkertijd verzocht wordt, hetzij voor hetzelfde feit, hetzij voor verschillende feiten, zal de aangezochte Partij bij haar beslissing rekening houden met alle omstandigheden, zoals de ernst en de plaats van de strafbare feiten, de dagtekening van de onderscheiden verzoeken, de nationaliteit van de opgeŽiste persoon en de mogelijkheid van een latere uitlevering aan een andere Staat.

  Art. 17. Overlevering van de uitgeleverde.
  1. De aangezochte Partij zal haar beslissing over de uitlevering langs de in artikel 11, lid 1, bedoelde wet ter kennis van de verzoekende Partij brengen.
  2. Iedere totale of gedeeltelijke weigering zal met redenen worden omkleed.
  3. In geval van inwilliging van het verzoek zal de verzoekende Partij worden ingelicht omtrent de plaats en de datum van de overlevering, alsmede omtrent de duur van de door de opgeŽiste persoon met het oog op de uitlevering ondergane vrijheidsbeneming.
  4. Onverminderd het bepaalde in lid 5 van dit artikel zal de opgeŽiste persoon, indien hij niet op de vastgestelde datum is overgenomen, na afloop van een termijn van vijftien dagen te rekenen van die datum in vrijheid kunnen worden gesteld en zal hij in elk geval in vrijheid worden gesteld na ommekomst van een termijn van dertig dagen; de aangezochte Partij zal kunnen weigeren om hem voor hetzelfde feit uit te leveren.
  5. Ingeval de overdracht of de overneming van de uit te leveren persoon door overmacht verhinderd wordt, zal de belanghebbende Partij de andere Partij daarvan op de hoogte stellen; de twee Partijen zullen een nieuwe datum van overdracht overeenkomen en de bepalingen van het vierde lid van dit artikel zullen van toepassing zijn.

  Art. 18. Uitgestelde of voorwaardelijke overlevering.
  1. De aangezochte Partij kan, nadat zij een beslissing over het verzoek tot uitlevering genomen heeft, de overlevering van de opgeŽiste persoon uitstellen opdat hij door haar vervolgd kan worden of, indien hij bereids veroordeeld is op haar grondgebied een straf kan ondergaan, wegens een ander feit dan dat waarvoor de uitlevering is verzocht.
  2. Indien het uitleveringsverzoek betrekking heeft op een persoon die op het grondgebied van de aangezochte Partij een straf ondergaat, kan die Partij, indien bijzondere omstandigheden dit vereisen, die persoon tijdelijk aan de verzoekende Partij overleveren op in onderling overleg vast te stellen voorwaarden.
  3. De vrijheidsbeneming, die de betrokkene na deze overlevering op het grondgebied van de verzoekende Partij ondergaat, zal worden afgetrokken van de duur van de straf die hij moet ondergaan op het grondgebied van de aangezochte Partij.

  Art. 19. Verkorte procedure.
  1. In het geval bedoeld in artikel 15 kunnen de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij de onmiddellijke overlevering van de uit te leveren persoon verzoeken.
  2. Deze overlevering kan slechts plaatsvinden indien de aangehouden persoon daarmede uitdrukkelijk instemt ten overstaan van een ambtenaar van het openbaar ministerie van de aangezochte Partij en indien ook deze ambtenaar daartoe zijn toestemming geeft. De aangehoudene heeft het recht zich door een raadsman te doen bijstaan. Deze overlevering geschiedt zonder andere formaliteiten en zal moeten hebben plaatsgevonden binnen achttien dagen na de voorlopige aanhouding.
  3. In geval de overlevering niet binnen vijf dagen na deze aanhouding heeft plaatsgevonden zullen de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij daarvan in kennis stellen en hen, indien daartoe aanleiding bestaat, uitnodigen verder te handelen overeenkomstig de bepalingen van artikel 11.
  4. De overlevering brengt voor de betrokkene de gevolgen mede welke zijn verbonden aan de verklaring bedoeld in artikel 13, lid 1, onder c.

  Art. 20. Overdracht van voorwerpen.
  1. Op verzoek van de verzoekende Partij zal de aangezochte Partij, voor zover zulks krachtens haar wetgeving is toegestaan, de voorwerpen in beslag nemen :
  a) die kunnen dienen als stukken van overtuiging;
  b) die afkomstig zijn van het strafbare feit en hetzij vůůr, hetzij na de overlevering van de aangehouden persoon worden gevonden; en deze overdragen.
  2. De overdracht is onderworpen aan de goedkeuring van de Raadkamer van de rechtbank van de plaats waar de huiszoeking en inbeslagneming hebben plaatsgevonden. De Raadkamer beslist of de in beslag genomen voorwerpen geheel of gedeeltelijk aan de verzoekende Partij worden overgedragen. Zij kan de teruggave bevelen van voorwerpen die niet rechtstreeks betrekking hebben op het feit dat de verdachte wordt te laste gelegd, en beslist in voorkomend geval op bezwaren van derden, die houder waren van het voorwerp, of van andere rechthebbenden.
  3. De overdracht van de voorwerpen bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan zelfs plaatsvinden wanneer niet tot een reeds toegestane uitlevering wordt overgegaan in verband met het overlijden of de ontvluchting van de opgeŽiste persoon.

  Art. 21. Transit. 1. De doortocht door het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen zal, op een verzoek gedaan volgens de in artikel 11, lid 1, bedoelde weg, worden toegestaan op voorwaarde dat het niet gaat om een strafbaar feit dat door de Partij, aan wie toestemming tot doortocht wordt verzocht, wordt beschouwd van politieke aard te zijn, noch om een onderdaan van het land, waaraan toestemming tot doortocht wordt verzocht.
  2. Onverminderd het bepaalde in lid 3 van dit artikel is overlegging van de stukken bedoeld in artikel 11, lid 2, onder a, noodzakelijk.
  3. Wanneer het transport door de lucht plaatsvindt, zullen de volgende regels toepassing vinden :
  a) Wanneer geen landing is voorzien, zal de verzoekende Partij de Partij over wier grondgebied zal worden gevlogen daarvan kennis geven en berichten dat een van de stukken bedoeld in artikel 11, lid 2, onder a, bestaat.
  In geval van een onvoorziene landing zal deze kennisgeving de rechtskracht hebben van het verzoek om voorlopige aanhouding, bedoeld in artikel 15, en zal de verzoekende Partij een normaal verzoek tot doortocht indienen;
  b) Wanneer een landing is voorzien zal de verzoekende Partij een normaal verzoek tot doortocht indienen.

  HOOFDSTUK II. - DE RECHTSHULP IN STRAFZAKEN.

  ß 1. Algemene bepaling.

  Art. 22. 1. De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich om, overeenkomstig de regels van dit Verdrag, elkander wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp te verlenen in elke procedure die betrekking heeft op strafbare feiten, waarvan de bestraffing, op het tijdstip waarop de rechtshulp wordt gevraagd, tot de bevoegdheid behoort van de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij.
  2. De rechtshulp kan worden geweigerd :
  a) indien het verzoek betrekking heeft op strafbare feiten die door de aangezochte Partij als een politiek misdrijf of een met een dergelijk misdrijf samenhangend feit worden beschouwd;
  b) indien de aangezochte Partij van mening is dat uitvoering van het verzoek zou kunnen leiden tot een aantasting van de veiligheid, de openbare orde of andere wezenlijke belangen van haar land of indien de betrokken persoon voor dezelfde feiten reeds vervolgd wordt danwel ter zake van die feiten reeds onherroepelijk is berecht.

  ß 2. Rogatoire commissies.

  Art. 23. 1. De aangezochte Partij zal gevolg geven aan de rogatoire commissies aangaande een strafzaak, die tot haar worden gericht door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij en die tot doel hebben het verrichten van handelingen van onderzoek of de toezending van stukken van overtuiging, van dossiers of van documenten.
  2. Indien de verzoekende Partij het wenselijk acht dat getuigen of deskundigen hun verklaring onder ede afleggen, zal zij hierom uitdrukkelijk verzoeken en de aangezochte Partij zal aan een dergelijk verzoek gevolg geven, indien de wet van haar land zich daartegen niet verzet.
  3. De aangezochte Partij zal kunnen volstaan met de toezending van gewaarmerkte afschriften of fotocopieŽn van de dossiers of documenten waarom wordt verzocht. Indien de verzoekende Partij uitdrukkelijk vraagt om toezending van het origineel zal zoveel mogelijk aan een dergelijk verzoek gevolg worden gegeven.

  Art. 24. 1. De rogatoire commissies worden door de bevoegde rechterlijke autoriteit van de aangezochte Partij uitgevoerd alsof het ging om rogatoire commissies uitgaande van nationale rechterlijke autoriteiten.
  2. Rogatoire commissies echter, die strekken tot een huiszoeking of een inbeslagneming, zullen slechts worden uitgevoerd voor feiten, welke op grond van dit Verdrag aanleiding kunnen geven tot uitlevering, en onder het voorbehoud uitgedrukt in artikel 20, lid 2.

  Art. 25. De aangezochte Partij zal de verzoekende Partij, indien zij daarom uitdrukkelijk vraagt, inlichten aangaande de datum en de plaats waarop de rogatoire commissie zal worden uitgevoerd. De autoriteiten van de verzoekende Partij en de betrokkenen zullen bij die uitvoering aanwezig kunnen zijn indien de aangezochte Partij daarin toestemt.

  Art. 25bis. <Ingevoegd bij V 1974-05-11/32 art. 2; Inwerkingtreding : 01-03-1982> 1. De verzoekende Partij kan vragen dat een persoon, die op haar grondgebied rechtens van zijn vrijheid is beroofd, tijdelijk wordt overgebracht naar het grondgebied van de aangezochte Partij, ten einde daar bij de uitvoering van de rogatoire commissie aanwezig te zijn.
  2. De overgebrachte persoon zal op het grondgebied van de aangezochte Partij in hechtenis blijvan, tenzij de verzoekende Partij met zijn invrijheidstelling instemt.
  3. De hechtenis op het grondgebied van de aangezochte Partij komt in mindering op de duur van de vrijheidsbeneming die de overgebrachte persoon moet ondergaan op het grondgebied van de verzoekende Partij.
  4. Nadat de rogatoire commissie is uitgevoerd, wordt de overgebrachte persoon, ongeacht zijn nationaliteit, onverwijld teruggebracht naar het grondgebied van de verzoekende Partij.
  5. In geval van vlucht van de overgebrachte persoon neemt de aangezochte Partij alle maatregelen die tot zijn aanhouding kunnen leiden.
  6. De persoon die tijdelijk is overgebracht naar het grondgebied van de aangezochte Partij, kan, ongeacht zijn nationaliteit, aldaar noch worden vervolgd, noch in hechtenis gehouden, noch aan enige andere vrijheidsbeperking worden onderworpen voor feiten of veroordelingen welke voorafgingen aan zijn vertrek van het grondgebied van de verzoekende Partij; behoudens het bepaalde in lid 2.
  7. Op aanvraag van de verzoekende Partij zal de doortocht van een persoon, bedoeld in lid 1, over het grondgebied van een der Partijen worden toegestaan, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten. De Partij die de doortocht heeft toegestaan wordt voor de toepassing van de leden 2 - 6 met de aangezochte Partij gelijkgesteld.

  Art. 26. 1. Ambtenaren van een Partij, die bevoegd zijn tot het opsporen en constateren van strafbare feiten, zullen door de rechterlijke autoriteiten van de Partij waartoe zij behoren, kunnen worden afgevaardigd ten einde op het grondgebied van een andere Partij, met toestemming van de bevoegde ambtenaar van het openbaar ministerie van die Partij, behulpzaam te zijn bij het opsporen en constateren van strafbare feiten, waarvan de vervolging tot de competentie behoort van de eerdergenoemde rechterlijke autoriteiten. Te dien einde zullen die ambtenaren voorzien worden van een rogatoire commissie, waarin wordt aangegeven wat moet worden verricht.
  2. De bedoelde ambtenaren zullen alle inlichtingen en adviezen verschaffen welke zij nuttig achten om de verstrekte opdracht tot een goed einde te voeren; op hun verzoek verkrijgen zij een gewaarmerkt afschrift van alle processen-verbaal en andere stukken welke worden opgemaakt.

  Art. 27. 1. De ambtenaren van een Partij, die in hun eigen land een persoon achtervolgen die verdacht wordt van een feit dat aanleiding kan geven tot uitlevering, zijn bevoegd bij die achtervolging het grondgebied van een andere Partij te betreden. Zij zullen onmiddellijk een beroep moeten doen op de bevoegde ambtenaren van de Partij, waarvan zij het grondgebied hebben betreden; deze zullen op hun verzoek de achtervolgde persoon staande houden om zijn identiteit vast te stellen of zijn aanhouding te bewerkstelligen. In dit laatste geval zal worden gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, behalve wanneer het gaat om een onderdaan van de Partij op wiens grondgebied de betrokkene is staande gehouden.
  2. Indien de achtervolging echter niet onderbroken is en het spoedeisend karakter van hun optreden het onmogelijk maakt een beroep te doen op de plaatselijke autoriteiten, zullen de ambtenaren van de andere Partij, binnen een zone van tien kilometer van de grens, zelf de achtervolgende persoon kunnen staande houden en hem met het in het vorige lid vermelde doel voor de plaatselijke openbare macht kunnen geleiden.
  3. Voor het overige zal, indien daartoe aanleiding bestaat, worden gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 26, zelfs wanneer de daar bedoelde rogatoire commissie niet aanwezig is.
  4. De ambtenaren bedoeld in de voorgaande leden zijn :
  voor wat betreft BelgiŽ en Luxemburg, de leden van de gerechtelijke politie bij de parketten en van de rijkswacht;
  (voor wat betreft Nederland, de ambtenaren, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak;
  voor BelgiŽ en Luxemburg, de leden van de gemeentepolitie behorende tot gemeenten waarvan het grondgebied zich op een afstand van minder dan tien kilometer van de grens bevindt.) <V 1962-06-27/32, art. M, 002; Inwerkingtreding : 01-04-1994>

  Art. 28. 1. Tijdens een optreden als bedoeld in de artikelen 26 en 27 zullen de ambtenaren, die een taak vervullen op het grondgebied van een andere Partij, gelijk gesteld zijn met de ambtenaren van die Partij, voor wat betreft de strafbare feiten waarvan zij het slachtoffer zouden worden of die door hen zouden worden begaan.
  2. Zij zullen in staat moeten zijn op elk ogenblik hun officiŽle functie aan te tonen.
  3. Tijdens een optreden als bedoeld in artikel 27 zullen de daar bedoelde ambtenaren hun uniform mogen dragen en in het bezit mogen zijn van de wapens die overeenkomstig de voor hen geldende voorschriften tot hun uitrusting behoren.
  4. In geval van nood zullen zij bevoegd zijn van dwangmiddelen en middelen tot verdediging gebruik te maken, onder dezelfde voorwaarden als de ambtenaren van de Partij op het grondgebied waarvan zij optreden.

  Art. 29. 1. De aangezochte Partij kan de overgave van voorwerpen, dossiers en documenten waarvan de overdracht is gevraagd, uitstellen wanneer zij deze nodig heeft voor een strafrechtelijke procedure.
  2. De voorwerpen en de originele dossiers en documenten die ter uitvoering van een rogatoire commissie zijn overgegeven, zullen zo spoedig mogelijk door de verzoekende Partij aan de aangezochte Partij worden teruggegeven, tenzij deze er afstand van doet.

  ß 3. Mededeling van processtukken en rechterlijke beslissingen.

  Art. 30. 1. De processtukken en de rechterlijke beslissingen, die moeten worden medegedeeld aan personen die zich op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij bevinden, worden hun toegezonden, hetzij rechtstreeks bij aangetekend schrijven door de bevoegde autoriteiten of deurwaarders, hetzij door bemiddeling van het bevoegde parket van de aangezochte Partij.
  2. Voor zover niet wordt verzocht om de mededeling te doen op een van de wijzen door de wetgeving van de aangezochte Partij voor soortgelijke betekeningen voorzien, zal het aangezochte parket het gerechtelijke stuk of de beslissing zonder meer aan degene voor wie het bestemd is doen toekomen.
  3. Het aangezochte parket licht de verzoeker in omtrent het gevolg dat aan het verzoek tot mededeling is gegeven.

  ß 4. Verschijning van getuigen, deskundigen en verdachten. <V 1974-05-11/32, art. 2; Inwerkingtreding : 01-03-1982>

  Art. 31. <V 1974-05-11/32, art. 2; Inwerkingtreding : 01-03-1982> 1. Indien een rechterlijke autoriteit van een van de Partijen in een strafzaak de verschijning in persoon van een verdachte, een getuige of een deskundige, die zich op het grondgebied van een andere Partij bevindt, nodig oordeelt, zal die verdachte, getuige of deskundige door bemiddeling van het openbaar ministerie van de plaats, waar de betrokkene zijn woon- of verblijfplaats heeft, worden gedagvaard om te verschijnen.
  2. Indien de dagvaarding een getuige of deskundige betreft, wordt daarin bij benadering het bedrag van de schadeloosstelling en van de te vergoeden reis- en verblijfkosten vermeld.

  Art. 32. <V 1974-05-11/32, art. 2; Inwerkingtreding : 01-03-1982> 1. De schadeloosstelling en de vergoeding voor reis- en verblijfkosten, die aan de getuige of deskundige door de verzoekende Partij worden toegekend, zullen worden berekend vanaf de plaats, waar hij verblijft, en zullen dienen te worden berekend volgens tarieven die ten minste gelijk zijn aan die voorzien in de regeling, van kracht in het land waar het verhoor plaats moet vinden.
  Zijn echter de tarieven in het land waarin de getuige of deskundige zijn woon- of verblijfplaats heeft, in hun geheel genomen, voor hem gunstiger, dan worden ten minste die tarieven toegepast. Het openbaar ministerie van de aangezochte Partij draagt zorg dat aan de dagvaarding die aan de getuige of deskundige wordt uitgereikt, de inlichtingen worden toegevoegd die noodzakelijk zijn om het bedrag te bepalen van de schadeloosstelling en de vergoeding, toe te kennen volgens het tarief van dat land.
  2. De aangezochte Partij kan, indien dit aan haar wordt verzocht, aan de getuige of de deskundige een voorschot toekennen. Het bedrag van dit voorschot zal op de dagvaarding worden vermeld en terugbetaald worden door de verzoekende Partij.

  Art. 33. <V 1974-05-11/32, art. 2; Inwerkingtreding : 01-03-1982> 1. Wanneer een rechterlijke autoriteit van een van de landen verzoekt dat iemand die rechtens van zijn vrijheid is beroofd, in persoon op haar grondgebied verschijnt ten behoeve van een confrontatie of een reconstructie van de feiten, dan wel om als getuige een verklaring af te leggen of om als verdachte te worden gehoord, kan deze, ongeacht zijn nationaliteit, daartoe tijdelijk worden overgebracht naar dat grondgebied, mits bijzondere omstandigheden zich daartegen niet verzetten en op voorwaarde dat hij binnen de termijn door de aangezochte Partij vastgesteld zal worden teruggezonden.
  2. De overgebrachte persoon zal op het grondgebied van de verzoekende Partij in hechtenis blijven, tenzij de aangezochte Partij met zijn invrijheidstelling instemt.
  3. De hechtenis op het grondgebied van de verzoekende Partij komt in mindering op de duur van de vrijheidsbeneming die de overgebrachte persoon moet ondergaan op het grondgebied van de aangezochte Partij.
  4. In geval van vlucht van de overgebrachte persoon neemt de verzoekende Partij alle maatregelen die tot zijn aanhouding kunnen leiden.
  5. Op aanvraag van de verzoekende Partij zal de doortocht van een persoon, bedoeld in lid 1, over het grondgebied van een der Partijen worden toegestaan, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten. De Partij die de doortocht heeft toegestaan wordt voor de toepassing van de leden 2 - 4 met de verzoekende Partij gelijkgesteld.

  Art. 34. <V 1974-05-11/32, art. 2; Inwerkingtreding : 01-03-1982> De getuige die zonder geldige reden niet voldoet aan de verplichtingen welke op grond van een dagvaarding als bedoeld in artikel 31 op hem rusten, zal in het aangezochte land onder de strafbepalingen vallen welke de wetgeving van dat land voorziet tegen getuigen die niet aan hun verplichtingen voldoen.

  Art. 35. <V 1974-05-11/32, art. 2; Inwerkingtreding : 01-03-1982> 1. Geen getuige of deskundige, van welke nationaliteit ook, die na gedagvaard te zijn voor de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij verschijnt, kan op het grondgebied van die Partij worden vervolgd, in hechtenis genomen, of aan enige andere vrijheidsbeperking worden onderworpen voor feiten of veroordelingen, die voorafgingen aan zijn vertrek van het grondgebied van de aangezochte Partij.
  2. Geen verdachte, van welke nationaliteit ook, die gedagvaard is om voor de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij te verschijnen, kan op het grondgebied van die Partij worden vervolgd, in hechtenis genomen, of aan enige andere vrijheidsbeperking worden onderworpen voor feiten of veroordelingen welke voorafgingen aan zijn vertrek van het grondgebied van de aangezochte Partij, voor zover die niet in de dagvaarding zijn vermeld.
  3. De in dit artikel bedoelde immuniteit neemt een einde wanneer de getuige, de deskundige of de verdachte, hoewel hij gedurende vijftien achtereenvolgende dagen na het tijdstip, waarop zijn aanwezigheid niet meer door de rechterlijke autoriteit werd vereist, de mogelijkheid had het grondgebied van de verzoekende Partij te verlaten, daar desalniettemin is gebleven of op dat grondgebied is teruggekeerd na het te hebben verlaten.
  4. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op een persoon die tijdelijk is overgebracht dan wel vrijwillig is verschenen, zowel op het grondgebied van de Partij die de doortocht heeft toegestaan als op dat van de verzoekende Partij; behoudens het bepaalde in artikel 33, leden 2 en 5.

  ß 5. Strafregister.

  Art. 36. 1. De uittreksels uit het strafregister en alle inlichtingen welke op het strafregister betrekking hebben, die door de rechterlijke autoriteiten van een Partij in verband met een strafzaak worden gevraagd, zullen door de aangezochte Partij aan die autoriteiten verstrekt worden, voor zover haar eigen rechterlijke autoriteiten deze in overeenkomstige gevallen kunnen verkrijgen.
  2. In andere gevallen dan die bedoeld in het eerste lid van dit artikel zal aan een dergelijk verzoek gevolg worden gegeven overeenkomstig hetgeen is voorzien in de wetgeving, de regelingen of de algemeen gevolgde gedragslijn van de aangezochte Partij.

  ß 6. Procedure.

  Art. 37. 1. Voor zover in dit hoofdstuk niet anders wordt bepaald zullen verzoeken tot rechtshulp de volgende gegevens moeten bevatten :
  a) de autoriteit waarvan het verzoek uitgaat;
  b) het onderwerp van en de grond voor het verzoek;
  c) voor zover mogelijk de identiteit en de nationaliteit van de betrokken persoon;
  d) zo nodig, de naam en het adres van degene voor wie het bestemd is.
  2. De rogatoire commissies bedoeld in de artikelen 23, 24 en 25, dienen bovendien de tenlastelegging te vermelden en dienen een kort overzicht van de feiten te bevatten.

  Art. 38. 1. Voor zover in dit hoofdstuk niet anders wordt bepaald kunnen de rogatoire commissies en andere verzoeken om rechtshulp door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij rechtstreeks worden gericht tot de rechterlijke autoriteiten van de aangezochte Partij. Zij zullen, vergezeld van de documenten die op hun uitvoering betrekking hebben, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de Ministers van Justitie worden teruggezonden.
  2. De verzoeken bedoeld in artikel 36, lid 1, kunnen door de rechterlijke autoriteiten rechtstreeks worden gericht tot de betrokken dienst van de aangezochte Partij en de antwoorden kunnen door die dienst rechtstreeks worden teruggezonden. De verzoeken bedoeld in artikel 36, tweede lid, zullen door de Minister van Justitie van de verzoekende Partij tot de Minister van Justitie van de aangezochte Partij worden gericht.
  3. De verzoeken bedoeld in artikel 33 zullen door de Ministers van Justitie tot elkaar worden gericht.
  4. In de gevallen, waarin het onderhavige hoofdstuk rechtstreekse toezending toestaat kan deze geschieden via het centrale nationale bureau van de Internationale Politie Organisatie (Interpol).

  Art. 39. De stukken en documenten welke krachtens dit Verdrag worden overgedragen zijn vrijgesteld van alle formaliteiten van legalisatie.

  Art. 40. Indien een autoriteit die een verzoek om rechtshulp ontvangt onbevoegd is om daaraan gevolg te geven, zal zij dit verzoek ambtshalve overdragen aan de bevoegde autoriteit van haar land en zal zij de verzoekende Partij daarvan in kennis stellen.

  Art. 41. Elke weigering van rechtshulp zal met redenen worden omkleed.

  ß 7. Aangifte tot het uitlokken van een strafvervolging.

  Art. 42. 1. Indien de rechterlijke autoriteiten van een Partij het wenselijk achten dat door de rechterlijke autoriteiten van een andere Partij een strafvervolging wordt ingesteld, doen zij het dossier door bemiddeling van de Ministers van Justitie aan laatstbedoelde autoriteiten toekomen. Deze zullen onderzoeken welk gevolg aan dit verzoek kan worden gegeven; de verzoekende autoriteiten zullen langs dezelfde weg daarvan op de hoogte worden gebracht.
  2. De processen-verbaal van ambtenaren en beambten van de verzoekende Partij en de ambtshandelingen van zijn rechterlijke autoriteiten stuiten in het andere land de verjaring van het recht tot strafvervolging indien in het betrokken land aan overeenkomstige processen-verbaal en overeenkomstige ambtshandelingen dergelijk gevolg is verbonden.

  ß 8. Uitwisseling van mededelingen omtrent veroordelingen.

  Art. 43. Elk der Partijen geeft aan de betrokken Partij kennis van strafvonnissen en voor zoveel mogelijk ook van naderhand met betrekking tot die vonnissen genomen maatregelen, die betrekking hebben op onderdanen van die Partij en in het strafregister zijn vermeld. De Ministers van Justitie zullen deze mededelingen ten minste eenmaal per jaar uitwisselen.

  HOOFDSTUK III. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 44. Voor zover in dit Verdrag niet anders is bepaald, is op de uitleveringsprocedure en op die betreffende de voorlopige aanhouding en de uitvoering van verzoeken om rechtshulp, uitsluitend de wet van de aangezochte Partij van toepassing.

  Art. 45. De over te leggen stukken zullen zijn gesteld hetzij in de taal of de talen van de verzoekende Partij, hetzij in die van de aangezochte Partij.

  Art. 46. De Partijen doen over en weer afstand van iedere aanspraak op terugbetaling van de kosten welke uit de toepassing van dit Verdrag voortvloeien.

  Art. 47. Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de uitdrukking " maatregelen " alle maatregelen die vrijheidsbeneming meebrengen en die bij vonnis van de strafrechter worden opgelegd naast of in plaats van een straf.

  Art. 48. 1. Dit Verdrag is slechts van toepassing op het Europese grondgebied van de Hoge Verdragsluitende Partijen.
  2. De toepassing van dit Verdrag kan bij overeenkomst tussen de Regeringen van de Hoge Verdragsluitende Partijen worden uitgebreid tot buiten Europa gelegen delen van het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden. Een dergelijke overeenkomst kan afwijkende bepalingen bevatten.

  Art. 49. 1. Dit Verdrag zal worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen worden neergelegd bij de Belgische Regering.
  2. Het Verdrag zal in werking treden twee maanden na de nederlegging van de laatste akte van bekrachtiging.
  3. Elk van de Hoge Verdragsluitende Partijen kan dit Verdrag te allen tijde opzeggen.
  4. De opzegging geschiedt door daarvan mededeling te doen aan de twee andere Hoge Verdragsluitende Partijen. Zij krijgt rechtskracht zes maanden nadat zij is medegedeeld.
  5. De opzegging heeft slechts rechtskracht voor wat betreft de Partij die haar heeft gedaan. Het Verdrag blijft in werking tussen de twee andere Partijen.
  6. De opzegging kan beperkt zijn tot alle of tot bepaalde delen van het gebied bedoeld in artikel 48, lid 2.

  Art. 50. Voor zover de betrokken Partijen niet anders verklaren vervallen de verdragen en overeenkomsten betreffende de uitlevering, welke tussen bedoelde Partijen van kracht zijn, bij de inwerkingtreding van dit Verdrag.

  Bijlage.

  Art. N. Neerlegging van de bekrachtigingsoorkonden :
  BelgiŽ : 30 juli 1964.
  Luxemburg : 23 augustus 1965.
  Nederland : 11 oktober 1967.
  Overeenkomstig artikel 49 (2) van het Verdrag treden deze akten in werking op 11 december 1967.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Zijne Majesteit de Koning der Belgen,
   Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg,
   Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,
   Van mening, dat het gezien de nauwe band waardoor Hun landen verenigd zijn en met name ten gevolge van de afschaffing van de personencontrole aan de binnengrenzen, noodzakelijk is om de mogelijkheid tot uitlevering van misdadigers uit te breiden tot een groter aantal strafbare feiten, de daaraan verbonden formaliteiten te vereenvoudigen en rechtshulp in strafzaken op uitgebreidere schaal mogelijk te maken dan de bestaande verdragen toelaten;
   Uitgaande van de beginselen vervat in de Europese overeenkomsten aangaande de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken;
   Hebben besloten een verdrag te sluiten tussen het Koninkrijk BelgiŽ, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden tot regeling van de uitlevering van misdadigers en de rechtshulp in strafzaken en hebben als Gevolmachtigden aangewezen :
   Zijne Majesteit de Koning der Belgen :
   Zijne Excellentie de heer H. Fayat, Minister, Adjunct voor Buitenlandse Zaken;
   Hare Koninklijke Hoogheid de Groothertogin van Luxemburg :
   Zijne Excellentie de heer N. Hommel, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur te Brussel;
   Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden :
   Zijne Excellentie Jonckheer E. Teixeira de Mattos, buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur te Brussel;
   Die, na elkander hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten te hebben overgelegd, zijn overeengekomen als volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
  • VERDRAG VAN 27-06-1962 GEPUBL. OP 28-01-1995
    (GEWIJZIGD ART. : 27)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie