J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
29 APRIL 1958. - Verdrag inzake de volle zee.
(NOTA : de Nederlandstalige tekst die nu volgt is de officiŽle vertaling zoals die verscheen in het B.S. 1972-02-02, p. 1257.>

Publicatie : 02-02-1972 nummer :   1958042951 bladzijde : 88888
Dossiernummer : 1958-04-29/31
Inwerkingtreding : 05-02-1972

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-37

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Onder de uitdrukking " volle zee " wordt verstaan alle delen van de zee die niet behoren tot de territoriale zee of de binnenwateren van een Staat.

  Art. 2. Daar de volle zee voor alle naties open is, kan geen enkele Staat op wettige wijze enig deel van de volle zee aan zijn soevereiniteit onderwerpen. De vrijheid van de volle zee wordt uitgeoefend met inachtneming van de in deze artikelen en in de andere regelen van het volkenrecht neergelegde voorwaarden. Deze vrijheid houdt, voor kuststaten zowel als voor niet-kuststaten, onder andere het volgende in :
  ) Vrijheid van scheepvaart;
  2) Vrijheid van visserij;
  3) Vrijheid onderzeese kabels en pijpleidingen te leggen;
  4) Vrijheid over de volle zee te vliegen.
  Deze vrijheden, alsmede andere door de algemene beginselen van het volkenrecht erkende vrijheden, worden door alle Staten uitgeoefend met behoorlijke inachtneming van de belangen die andere Staten bij de uitoefening van de vrijheid van de volle zee hebben.

  Art. 3. Ten einde de vrijheid van de zee te kunnen genieten op gelijke voet met kuststaten dienen Staten die geen zeekust hebben, vrije toegang tot de zee te hebben. Te dien einde dienen Staten die gelegen zijn tussen de zee en een Staat die geen zeekust heeft, in gemeenschappelijk overleg met laatstbedoelde Staat en in overeenstemming met bestaande internationale verdragen :
  a) Aan de Staat die geen zeekust heeft, op basis van wederkerigheid, vrije doortocht en doorvoer over hun gebied te verlenen en
  b) Aan schepen die de vlag van die Staat voeren, een behandeling toe te kennen, welke gelijk is aan de behandeling toegekend aan hun eigen schepen of aan de schepen van enige andere Staat, wat betreft toegang tot zeehavens en het gebruik van zodanige havens.
  2. De Staten die gelegen zijn tussen de zee en een Staat die geen zeekust heeft, dienen in gemeenschappelijk overleg met laatstbedoelde Staat en rekening houdende met de rechten van de kuststaat of de Staat die doortocht en doorvoer verleent, en met de bijzondere omstandigheden van de Staat die geen zeekust heeft, alle kwesties te regelen die verband houden met de vrijheid van doortocht en doorvoer en met gelijke behandeling in de havens, indien die Staten niet reeds partij zijn bij bestaande internationale verdragen.

  Art. 4. Iedere Staat, ongeacht of hij kuststaat is of niet, heeft het recht schepen onder zijn eigen vlag op de volle zee te doen varen.

  Art. 5. Iedere Staat stelt de voorwaarden vast voor het verlenen van zijn nationaliteit aan schepen, voor de registratie van schepen op zijn grondgebied en voor het recht zijn vlag te voeren. Schepen hebben de nationaliteit van de Staat wiens vlag zij het recht hebben te voeren. Er moet een wezenlijke band bestaan tussen de Staat en het schip; in het bijzonder dient de Staat op administratief, technisch en sociaal gebied zijn rechtsmacht en toezicht op doeltreffende wijze uit te oefenen.
  2. Iedere Staat dient aan schepen aan wie hij het recht heeft verleend zijn vlag te voeren, documenten te verstrekken waaruit zulks blijkt.

  Art. 6. Een schip mag slechts onder de vlag van ťťn Staat varen en is, behalve in bijzondere gevallen waarin uitdrukkelijk is voorzien in internationale verdragen of in deze artikelen, op volle zee onderworpen aan de uitsluitende rechtsmacht van die Staat. Een schip mag gedurende een reis of tijdens het verblijf in een aanloophaven niet van vlag veranderen, behalve in het geval van een werkelijke overdracht van de eigendom of een wijziging in de registratie.
  2. Een schip dat vaart onder de vlag van twee of meer Staten en dat naar omstandigheden de ene of de andere vlag gebruikt, kan zich tegenover een derde Staat op de nationaliteit van geen van deze Staten beroepen en kan worden gelijkgesteld met een schip zonder nationaliteit.

  Art. 7. De bepalingen van de voorgaande artikelen hebben geen betrekking op het vraagstuk van schepen die officieel in dienst staan van een intergouvernementele organisatie en de vlag voeren van die organisatie.

  Art. 8. Oorlogsschepen in volle zee genieten volledige immuniteit van de rechtsmacht van iedere Staat die niet de vlaggestaat is.
  2. In deze artikelen wordt onder " oorlogsschip " verstaan een schip dat behoort tot de marinestrijdkrachten van een Staat en dat de uiterlijke onderscheidingstekenen draagt van oorlogsschepen van zijn nationaliteit. De commandant moet in staatsdienst zijn, zijn naam moet voorkomen in het Naamboek van Marine-Officieren, en de bemanning moet onderworpen zijn aan de regelen der krijgstucht.

  Art. 9. Schepen die het eigendom zijn van of geŽxploiteerd worden door een Staat en door die Staat slechts voor niet-commerciŽle overheidsdoeleinden worden gebruikt, genieten in volle zee volledige immuniteit van de rechtsmacht van iedere Staat die niet de vlaggestaat is.

  Art. 10. Iedere Staat neemt ten aanzien van de schepen die onder zijn vlag varen alle maatregelen welke nodig zijn om de veiligheid op zee te verzekeren, onder andere met betrekking tot :
  a) Het gebruik van signalen, het onderhouden van verbindingen en het voorkomen van aanvaringen;
  b) Het bemannen der schepen en de arbeidsvoorwaarden voor bemanningen, waarbij rekening wordt gehouden met de van toepassing zijnde internationale arbeidsverdragen;
  c) De bouw, uitrusting en zeewaardigheid der schepen.
  2. Bij het nemen van zodanige maatregelen dient iedere Staat zich te houden aan de algemeen aanvaarde internationale normen en alles in het werk te stellen dat nodig is om de inachtneming van die normen te verzekeren.

  Art. 11. Ingeval van een aanvaring of een ander voorval verband houdende met de navigatie van een schip in volle zee, waarvoor de kapitein of enige andere persoon in dienst van het schip strafrechtelijk of tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld, kan tegen een dergelijke persoon een strafvervolging of tuchtrechtelijke vervolging slechts worden ingesteld voor de rechterlijke of bestuurlijke autoriteiten van de vlaggestaat of van de Staat waarvan een dergelijke persoon onderdaan is.
  2. De Staat die een gezagvoerdersdiploma of ander diploma heeft uitgereikt is, in tuchtrechtelijke gevallen, bij uitsluiting bevoegd om, na een behoorlijke door het recht omschreven procedure, zulke diploma's in te trekken, ook indien de houder niet een onderdaan is van die Staat.
  3. Het aanhouden of vasthouden van een schip mag, zelfs voor maatregelen van onderzoek, alleen bevolen worden door de autoriteiten van de vlaggestaat.

  Art. 12. Iedere Staat dient de kapitein van een schip dat onder zijn vlag vaart, ertoe te verplichten dat hij, voor zover hij zulks kan doen zonder ernstig gevaar voor het schip, de bemanning of de passagiers :
  a) Hulp verleent aan een ieder die hij op zee in levensgevaar aantreft;
  b) Met de grootst mogelijke spoed personen die in nood verkeren te hulp komt, indien hem is medegedeeld dat zij hulp behoeven, voor zover een dergelijke handelwijze redelijkerwijze van hem verwacht kan worden;
  c) Na een aanvaring hulp verleent aan het andere schip, zijn bemanning en passagiers en, indien mogelijk, het andere schip de naam van zijn eigen schip, de haven waar het is geregistreerd en de dichtstbijzijnde haven waar het zal aanlopen, mededeelt.
  2. Iedere Staat bevordert de oprichting en het onderhoud van een voor zijn taak berekende en doeltreffende opsporings- en reddingsdienst ten behoeve van de veiligheid op en boven de zee en dient - waar de omstandigheden zulks nodig maken - hiertoe met zijn buurstaten regionale overeenkomsten voor wederzijdse samenwerking te sluiten.

  Art. 13. Iedere Staat neemt doeltreffende maatregelen om het vervoer van slaven in schepen die zijn vlag mogen voeren, te verhinderen en te bestraffen, alsmede om onrechtmatig gebruik van zijn vlag voor dat doel te verhinderen. Iedere slaaf die op enig schip, ongeacht de vlag die het voert, zijn toevlucht zoekt, krijgt door dit enkele feit zijn vrijheid.

  Art. 14. Alle Staten werken zo nauw mogelijk samen ter onderdrukking van de zeeroof op volle zee of op andere plaatsen die buiten de rechtsmacht van enige Staat vallen.

  Art. 15. Zeeroof is een der hiernavolgende handelingen :
  1. Iedere onwettige daad van geweld, aanhouding, alsmede iedere daad van plundering die door de bemanning of de passagiers van een particulier schip of een particulier luchtvaartuig voor persoonlijke doeleinden wordt gepleegd en die is gericht :
  a) In volle zee, tegen een ander schip of luchtvaartuig of tegen personen of eigendommen aan boord van een zodanig schip of luchtvaartuig;
  b) Tegen een schip, een luchtvaartuig, personen of eigendommen op een plaats die buiten de rechtsmacht van enige Staat valt;
  2. Iedere vrijwillige deelneming aan de exploitatie van een schip of luchtvaartuig met kennis van de feiten die het schip of luchtvaartuig tot zeeroversschip of zeeroversluchtvaartuig maken;
  3. Iedere opruiing tot of opzettelijke vergemakkelijking van een lid 1 of 2 van dit artikel omschreven handeling.

  Art. 16. De daden van zeeroof als omschreven in artikel 15, bedreven door een oorlogsschip, staatsschip of staatsluchtvaartuig waarvan de bemanning heeft gemuit en het beheer van het schip of luchtvaartuig heeft overgenomen, worden gelijkgesteld met daden bedreven door een particulier schip.

  Art. 17. Een schip of luchtvaartuig wordt als zeeroversschip of zeeroversluchtvaartuig beschouwd als het door de personen die de daadwerkelijke macht over het schip of luchtvaartuig uitoefenen, bestemd is om te worden gebruikt voor het bedrijven van een van de in artikel 15 genoemde handelingen. Hetzelfde geldt voor een schip of luchtvaartuig dat gebruikt is voor het plegen van een dergelijke handeling zo lang het in de macht blijft van de personen die zich aan die handeling hebben schuldig gemaakt.

  Art. 18. Een schip of luchtvaartuig kan zijn nationaliteit behouden ondanks het feit dat het een zeeroversschip of -luchtvaartuig is geworden. Het behoud of het verlies van de nationaliteit wordt bepaald door de wet van de Staat die deze nationaliteit heeft toegekend.

  Art. 19. In volle zee of op andere plaatsen die buiten de rechtsmacht van enige Staat zijn gelegen, mag iedere Staat een zeeroversschip of -luchtvaartuig of een schip dat door zeerovers is overmeesterd en zich in hun macht bevindt, in beslag nemen, de personen aan boord arresteren en de goederen aan boord in beslag nemen. De gerechten van de Staat die de inbeslagname heeft uitgevoerd, kunnen beslissen over de op te leggen straffen en kunnen tevens besluiten hoe gehandeld zal worden met de schepen, luchtvaartuigen of eigendommen, met inachtneming van de rechten van derden te goeder trouw.

  Art. 20. Indien een schip of luchtvaartuig zonder voldoende grond in beslag is genomen wegens verdenking van zeeroof, is de Staat die de inbeslagneming heeft verricht, tegenover de Staat welks nationaliteit het schip of het luchtvaartuig bezit, verantwoordelijk voor ieder verlies of iedere schade die tengevolge van de inbeslagneming is ontstaan.

  Art. 21. Inbeslagneming wegens zeeroof mag alleen geschieden door oorlogsschepen of militaire luchtvaartuigen of andere daartoe gemachtigde schepen of luchtvaartuigen in dienst van de regering.

  Art. 22. Behalve in gevallen waarin zulks is toegestaan uit hoofde van aan verdragen ontleende bevoegdheden, is een oorlogsschip dat in volle zee een buitenlands koopvaardijschip aantreft, niet gerechtigd het aa te houden, tenzij er gegronde reden bestaat aan te nemen :
  a) Dat het schip zich bezighoudt met zeeroof; of
  b) Dat het schip zich bezighoudt met de slavenhandel; of
  c) Dat het schip, hoewel het een vreemde vlag voert of weigert zijn vlag te tonen, in werkelijkheid van dezelfde nationaliteit is als het oorlogsschip.
  2. In de gevallen hierboven bedoeld sub a, b en c kan het oorlogsschip overgaan tot een onderzoek naar het recht van het schip tot het voeren van zijn vlag. Te dien einde kan het een boot naar het verdachte schip zenden onder bevel van een officier. Indien er na het onderzoek van de scheepspapieren verdenking blijft bestaan, kan het overgaan tot een nader onderzoek aan boord van het schip, welk onderzoek dient te geschieden zonder onnodige overlast te veroorzaken.
  3. Indien de verdenkingen ongegrond blijken te zijn en indien het aangehouden schip niets heeft gedaan om die verdenkingen te rechtvaardigen, wordt het schadeloos gesteld voor ieder verlies of iedere schade die het eventueel heeft geleden.

  Art. 23. Een vreemd schip kan worden achtervolgd als de bevoegde autoriteiten van de kuststaat goede redenen hebben om aan te nemen, dat het schip de wetten de voorschriften van die Staat heeft overtreden. Een dergelijke achtervolging dient aan te vangen wanneer het vreemde schip of een van zijn boten zich binnen de binnenwateren of de territoriale zee of de aansluitende zone van de achtervolgende Staat bevindt, en mag alleen buiten de territoriale zee of de aansluitende zone worden voortgezet, indien de achtervolging niet is onderbroken. Het is niet noodzakelijk dat, op het ogenblik waarop het vreemde schip binnen de territoriale zee of de aansluitende zone bevel krijgt te stoppen, het schip dat het bevel geeft zich eveneens binnen de territoriale zee of de aansluitende zone bevindt. Indien het vreemde schip zich bevindt binnen een aansluitende zone, als omschreven in artikel 24 van het Verdrag inzake de territoriale zee en de aansluitende zone, mag slechts tot achtervolging worden overgegaan, indien er een inbreuk heeft plaats gehad op de rechten voor welker bescherming de zone is ingesteld.
  2. Het achtervolgingsrecht houdt op zodra het achtervolgde schip de territoriale zee van zijn eigen land of van een derde Staat bereikt.
  3. De achtervolging wordt niet geacht te zijn begonnen voordat het achtervolgende schip zich er met behulp van de ter beschikking staande bruikbare middelen van overtuigd heeft, dat het achtervolgde schip of een van zijn boten of andere schepen die in ťťn verband werken en het achtervolgde schip als moederschip gebruiken, zich binnen de territoriale zee, onderscheidenlijk de aansluitende zone, bevinden. De achtervolging mag slechts worden begonnen nadat een zichtbaar of hoorbaar signaal tot stoppen is gegeven op een afstand die het voor het vreemde schip mogelijk maakt het signaal te zien of te horen.
  4. Het achtervolgingsrecht mag alleen worden uitgeoefend door oorlogsschepen of militaire luchtvaartuigen of andere schepen of luchtvaartuigen die in dienst zijn van de regering en die speciaal voor dat doel zijn gemachtigd.
  5. Indien de achtervolging wordt verricht door een luchtvaartuig :
  a) Zullen de bepalingen van de leden 1 tot en met 3 van dit artikel mutatis mutandis van toepassing zijn;
  b) Moet het luchtvaartuig dat het bevel tot stoppen geeft zelf het schip daadwerkelijk achtervolgen tot het ogenblik waarop een schip of luchtvaartuig van de kuststaat, dat door het luchtvaartuig is opgeroepen, ter plaatse verschijnt om de achtervolging over te nemen, tenzij het luchtvaartuig zelf in staat is het schip aan te houden. Het is geen voldoende rechtvaardiging voor een aanhouding in volle zee, dat het schip slechts door het luchtvaartuig is ontdekt als overtreder of als verdacht van een overtreding, indien het niet bevel heeft gekregen te stoppen, alsmede achtervolgd is door het luchtvaartuig zelf of door andere luchtvaartuigen of schepen die de achtervolging ononderbroken voortzetten.
  6. Het vrijgeven van een schip dat binnen de rechtsmacht van een Staat is aangehouden en dat naar een haven van die Staat is geŽscorteerd met de bedoeling dat daar een onderzoek zal worden ingesteld voor de bevoegde autoriteiten, kan niet worden geŽist alleen op grond van het feit dat het schip, tijdens zijn reis, gedurende een deel van zijn reis over de volle zee geŽscorteerd werd, indien de omstandigheden zulks noodzakelijk maakten.
  7. Indien een schip in volle zee tot stoppen is gedwongen of aangehouden onder omstandigheden die de uitoefening van het achtervolgingsrecht niet rechtvaardigen, dient het schip voor ieder verlies of iedere schade die het daardoor eventueel heeft geleden, schadeloos te worden gesteld.

  Art. 24. Iedere Staat dient regelen vast te stellen ter voorkoming van de verontreiniging van de zee door het verspreiden van olie door schepen of pijpleidingen of ten gevolge van de exploitatie en exploratie van de zeebedding en de ondergrond daarvan, waarbij rekening moet worden gehouden met de op dit punt bestaande verdragsbepalingen.

  Art. 25. Iedere Staat dient maatregelen te nemen ter voorkoming van de verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van radio-actieve afvalstoffen, waarbij rekening dient te worden gehouden met de normen en voorschriften welke eventueel door de bevoegde internationale organisaties zullen worden opgesteld.2. Alle Staten dienen met de bevoegde internationale organisaties samen te werken bij het nemen van maatregelen ter voorkoming van de verontreiniging van de zee of het luchtruim daarboven ten gevolge van handelingen met radioactieve of andere schadelijke stoffen.

  Art. 26. Alle Staten hebben het recht onderzeese kabels en pijpleidingen te leggen op de bedding van de volle zee.
  2. Onder voorbehoud van het recht redelijke maatregelen te nemen voor de exploratie van het continentale plateau en de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen daarvan, mag de kuststaat het leggen of het onderhoud van dergelijke kabels of pijpleidingen niet belemmeren.
  3. Bij het leggen van zodanige kabels of pijpleidingen dient de betrokken Staat rekening te houden met reeds op de zeebedding liggende kabels of pijpleidingen. Er zal in het bijzonder op moeten worden toegezien, dat de mogelijkheid tot het herstellen van bestaande kabels of pijpleidingen niet nadelig wordt beÔnvloed.

  Art. 27. Iedere Staat zal de wettelijke maatregelen nemen nodig om te bepalen, dat het strafbaar is het opzettelijk of ten gevolge van grove onachtzaamheid breken of beschadigen van een onderzeese kabel in volle zee door een schip dat zijn vlag voert, of door een persoon die is onderworpen aa zijn rechtsmacht, op een zodanige wijze, dat daardoor de telegraaf- of telefoonverbindingen kunnen worden onderbroken of bemoeilijkt, alsmede het breken of beschadigen van een onderzeese pijpleiding of een sterkstroomkabel. Deze bepaling is niet van toepassing op een breuk of beschadiging veroorzaakt door personen die slechts handelen met het gerechtvaardigde doel hun leven of hun schip te redden, nadat zij alle noodzakelijke voorzorgen hadden genomen om een dergelijke breuk of beschadiging te vermijden.

  Art. 28. Iedere Staat zal de wettelijke maatregelen nemen nodig om te bepalen dat, indien aan zijn rechtsmacht onderworpen personen die eigenaar zijn van een kabel of een pijpleiding in volle zee, bij het leggen of herstellen van die kabel of pijpleiding een breuk in of schade aan een andere kabel of pijpleiding veroorzaken, deze personen de kosten van het herstel zullen moeten betalen.

  Art. 29. Iedere Staat zal de wettelijke maatregelen nemen nodig om te verzekeren, dat eigenaars van schepen die kunnen bewijzen dat zij een anker, een net of ander visgerei hebben opgeofferd ten einde beschadiging van een onderzeese kabel of pijpleiding te voorkomen, schadeloos zullen worden gesteld door de eigenaar van de kabel of pijpleiding, onder voorwaarde dat de eigenaar van het schip van te voren alle redelijke voorzorgsmaatregelen heeft genomen.

  Art. 30. Aan reeks van kracht zijnde verdragen of andere internationale overeenkomsten wordt, voor zover betreft de Staten die daarbij partij zijn, geen afbreuk gedaan door de bepalingen van dit Verdrag.

  Art. 31. Dit Verdrag staat tot 31 oktober 1958 open ter ondertekening door alle Staten die Lid zijn van de Verenigde Naties of van een der Gespecialiseerde Organisaties, en door iedere andere Staat die door de Algemene Vergadering der Verenigde Naties wordt uitgenodigd partij te worden bij dit Verdrag.

  Art. 32. Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

  Art. 33. t Verdrag staat open voor toetreding door iedere Staat die tot een der in artikel 31 genoemde categorieŽn behoort. De akten van toetreding zullen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

  Art. 34. Dit Verdrag treedt in werking op de dertigste dag volgend op de datum van nederlegging van de tweeŽntwintigste akte van bekrachtiging of toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
  2. Ten aanzien van iedere Staat die het Verdrag bekrachtigt of ertoe toetreedt na de nederlegging van de tweeŽntwintigste akte van bekrachtiging of toetreding, treedt het Verdrag in werking op de dertigste dag na de nederlegging van de akte van bekrachtiging of toetreding door die Staat.

  Art. 35. Na het verstrijken van een tijdvak van vijf jaar te rekenen van de datum waarop dit Verdrag in werking treedt af, kan iedere Verdragsluitende Partij te allen tijde door middel van een schriftelijke, tot de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties gerichte mededeling om een herziening van dit Verdrag verzoeken.
  2. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties beslist over de eventueel te nemen stappen naar aanleiding van een dergelijk verzoek.

  Art. 36. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet aan alle Staten die Lid zijn van de Verenigde Naties en aan de andere in artikel 31 bedoelde Staten mededeling van :
  a) Ondertekeningen van dit Verdrag en van de nederlegging van akten van bekrachtiging of toetreding, overeenkomstig de artikelen 31, 32 en 33;
  b) De datum waarop dit Verdrag ingevolge artikel 34 in werking zal treden;
  c) Verzoeken om herziening overeenkomstig artikel 35.

  Art. 37. Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Chinese, Engelse, Franse, Russische en Spaanse teksten gelijkelijk authentiek zijn, zal worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die gewaarmerkte afschriften ervan zal doen toekomen aan alle in artikel 31 bedoelde Staten.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Staten die partij zijn bij dit Verdrag,
   Verlangend de regelen van het volkenrecht met betrekking tot de volle zee te codificeren,
   Erkennend, dat de van 24 februari tot 27 april 1958 te GenŤve gehouden Zeerechtconferentie van de Verenigde Naties de volgende bepalingen heeft aangenomen als algemene verklaring van vaststaande beginselen van het volkenrecht,
   Zijn het volgende overeengekomen :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie