J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 2 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiŽlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
13 DECEMBER 1957. - Europees Verdrag betreffende uitlevering, lijst met de gebonden Staten, verklaringen en voorbehouden naar aanleiding van de bekrachtiging door BelgiŽ, opgemaakt te Parijs op 13 december 1957.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-11-1997 en tekstbijwerking tot 22-11-1997)

Bron : BUITENLANDSE ZAKEN.BUITENLANDSE HANDEL.ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
Publicatie : 22-11-1997 nummer :   1957121351 bladzijde : 31025
Dossiernummer : 1957-12-13/37
Inwerkingtreding : 27-11-1997

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-32, M1, M2
Bijlage.
Art. N1, N2

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. Verplichting tot uitlevering.
  De Verdragsluitende Partijen verbinden zich om, overeenkomstig de regels en onder de voorwaarden in de volgende artikelen bepaald, elkander de personen uit te leveren, die door de rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij vervolgd worden ter zake van een strafbaar feit of gezocht worden tot tenuitvoerlegging van een straf of maatregel.

  Art. 2. Feiten die tot uitlevering kunnen leiden.
  1. Tot uitlevering zullen kunnen leiden feiten die krachtens de wetten van de verzoekende Partij en van de aangezochte Partij strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt, met een maximum van ten minste een jaar of met een zwaardere straf. Wanneer er binnen het gebied van de verzoekende Partij een straf of een maatregel is opgelegd moet die straf of die maatregel ten minste de duur van vier maanden hebben.
  2. Indien het verzoek om uitlevering betrekking heeft op verscheidene, afzonderlijke feiten die alle krachtens de wet van de verzoekende en van de aangezochte Partij strafbaar zijn gesteld met vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt, maar waarvan sommige niet voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf, is de aangezochte Partij bevoegd de uitlevering eveneens voor deze laatste feiten toe te staan. (Deze bevoegdheid geldt ook met betrekking tot feiten die slechts met geldstraffen worden bedreigd.) <V 1978-03-17/30, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 16-02-1998>
  3. Iedere Verdragsluitende Partij wier wetgeving de uitlevering voor bepaalde in het eerste lid van dit artikel bedoelde strafbare feiten niet toestaat, kan - voor zover het haar betreft - deze strafbare feiten van de werking van dit Verdrag uitsluiten.
  4. Iedere Verdragsluitende Partij die van de mogelijkheid, voorzien in het derde lid van dit artikel, gebruik wil maken, doet bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging of toetreding aan de Secretaris-Generaal van de Raad een lijst van de strafbare feiten waarvoor uitlevering wordt toegestaan of een lijst van de strafbare feiten waarvoor uitlevering niet wordt toegestaan, toekomen, een en ander met vermelding van de wettelijke voorschriften die uitlevering toestaan dan wel uitsluiten. De Secretaris-Generaal van de Raad doet deze lijsten aan de andere ondertekenende regeringen toekomen.
  5. Indien later andere strafbare feiten door de wetgeving van een Verdragsluitende Partij van uitlevering worden uitgsloten, geeft die Partij hiervan kennis aan de Secretaris-Generaal van de Raad, die de andere ondertekenende regeringen ter zake inlicht. Deze kennisgeving heeft eerst gevolg na afloop van een termijn van drie maanden, te rekenen van de datum van ontvangst door de Secretaris-Generaal.
  6. Iedere Partij die van de in de beide voorgaande leden voorziene mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, kan te allen tijde strafbare feiten die van de werking van dit Verdrag waren uitgesloten, daaraan onderwerpen. Zij brengt deze wijzigingen ter kennis van de Secretaris-Generaal van de Raad, die deze aan de andere ondertekenende regeringen mededeelt.
  7. Iedere Partij kan het beginsel van wederkerigheid toepassen met betrekking tot strafbare feiten die krachtens dit artikel van de werking van dit Verdrag zijn uitgesloten.

  Art. 3. Politieke delicten.
  1. Uitlevering wordt niet toegestaan, indien het strafbare feit waarvoor zij wordt verzocht, door de aangezochte Partij als een politiek delict of als een met een dergelijk delict samenhangend feit wordt beschouwd.
  2. Hetzelfde geldt, indien de aangezochte Partij ernstige redenen heeft aan te nemen dat het verzoek tot uitlevering voor een niet-politiek delict is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit of politieke gezindheid, dan wel dat de positie van de betrokkene om een van deze redenen ongunstig dreigt te worden beÔnvloed.
  3. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt de aanslag op het leven van een Staatshoofd of van een zijner familieleden niet als politiek delict beschouwd.
  4. De toepassing van dit artikel tast de verplichtingen die de Partijen op zich hebben genomen of zullen nemen uit hoofde van andere internationale overeenkomsten van multilaterale aard niet aan.

  Art. 4. Militaire delicten.
  Dit Verdrag is niet van toepassing op uitlevering voor militaire delicten, die niet tevens strafbare feiten naar de gewone strafwet zijn.

  Art. 5. <V 1978-03-17/30, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 16-02-1998> Fiscale delicten.
  1. Inzake retributies, belastingen, douane en deviezen vindt uitlevering tussen de Verdragsluitende Partijen plaats in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag, indien het feit naar de wetgeving van de aangezochte Partij overeenkomt met een strafbaar feit van dezelfde aard.
  2. Uitlevering mag niet worden geweigerd op grond van het feit, dat naar de wetgeving van de aangezochte Partij niet dezelfde soort retributies of belastingen worden geheven, of die wetgeving niet dezelfde soort regeling op het gebied van retributies, belastingen, douane en deviezen bevat als de wetgeving van de verzoekende Partij.

  Art. 6. Uitlevering van onderdanen.
  1. (a) Iedere Verdragsluitende Partij is bevoegd de uitlevering van haar onderdanen te weigeren.
  (b) Iedere Verdragsluitende Partij kan in een verklaring afgelegd bij ondertekening of bij nederlegging van haar akte van bekrachtiging of toetreding, een definitie geven van de betekenis die de uitdrukking " onderdanen " in het onderhavige Verdrag voor haar heeft.
  (c) De hoedanigheid van onderdaan wordt beoordeeld naar de toestand op het ogenblik van de beslissing over de uitlevering. Niettemin kan de aangezochte Partij zich eveneens op het bepaalde onder (a) beroepen, indien de hoedaniheid van onderdaan eerst is toegekend tussen het tijdstip der beslissing en de voor de overlevering voorziene datum.
  2. Indien de aangezochte Partij haar onderdaan niet uitlevert, moet zij op verzoek van de andere Partij de zaak aan haar bevoegde autoriteiten voorleggen, opdat, indien daartoe aanleiding bestaat, een strafvervolging kan worden ingesteld. Te dien einde zullen de op het strafbare feit betrekking hebbende dossiers, inlichtingen en voorwerpen kosteloos worden toegezonden op de in het eerste lid van artikel 12 bepaalde wijze. De verzoekende Partij wordt van het gevolg dat aan haar verzoek is gegeven op de hoogte gesteld.

  Art. 7. Plaats waar het feit begaan is.
  1. De aangezochte Partij kan weigeren een persoon uit te leveren voor een strafbaar feit dat volgens de wetgeving van die Partij geheel of ten dele op haar grondgebied of op een daarmede gelijkgestelde plaats is gepleegd.
  2. Wanneer het strafbare feit dat aan het verzoek tot uitlevering ten grondslag ligt is begaan buiten het grondgebied van de verzoekende Partij, kan de uitlevering slechts geweigerd worden, indien de wet van de aangezochte Partij, hetzij vervolging van een dergelijk buiten haar grondgebied gepleegd strafbaar feit, hetzij uitlevering wegens het aan het verzoek ten grondslag liggende feit, niet toelaat.

  Art. 8. Vervolging ter zake van dezelfde feiten.
  Een aangezochte Partij kan weigeren een persoon wiens uitlevering is verzocht, uit te leveren, indien die persoon door haar wordt vervolgd ter zake van het feit of de feiten waarvoor uitlevering is verzocht.

  Art. 9. Non bis in idem.
  (1.) Uitlevering wordt niet toegestaan, wanneer de persoon wiens uitlevering is verzocht, ter zake van het feit of van de feiten waarop dit verzoek was gegrond, door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij onherroepelijk is berecht. Uitlevering kan worden geweigerd, indien de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij hebben besloten ter zake van hetzelfde feit of dezelfde feiten (geen vervolging in te stellen), dan wel een ingestelde vervolging te staken. <V 1975-10-15/30, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 16-02-1998> <Erratum, zie B.St. 24.12.1999, p. 49014>
  (2. De uitlevering van een persoon tegen wie in een derde Staat die Partij is bij het Verdrag een onherroepelijk vonnis is gewezen voor het feit of voor de feiten op grond waarvan de uitlevering werd verzocht, wordt niet toegestaan :
  a. wanneer de betrokken persoon bij dit vonnis is vrijgesproken;
  v. wanneer de vrijheidsstraf of de andere opgelegde maatregel :
  i) geheel is ondergaan;
  ii) geheel, of wat het nog niet ten uitvoer gelegde gedeelte betreft, bij wege van gratie of amnestie is kwijtgescholden;
  c. wanneer de rechter de dader van het strafbare feit heeft schuldig bevonden zonder oplegging van een sanctie.
  3. In de gevallen bedoeld in het tweede lid kan uitlevering wel worden toegestaan :
  a. indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het vonnis, is gepleegd tegen een tot de overheidsdienst van de verzoekende Staat behorende persoon, instelling of zaak;
  b. indien de persoon tegen wie het vonnis is gewezen, zelf tot de overheidsdienst van de verzoekende Staat behoort;
  c. indien het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het vonnis, geheel of gedeeltelijk is gepleegd op het grondgebied van de verzoekende Staat of op een plaats die met zijn grondgebied wordt gelijkgesteld.
  4. Het bepaalde in de leden 2 en 3 vormt geen beletsel voor de toepassing van ruimere nationale bepalingen waardoor aan buitenlandse rechterlijke beslissingen ne bis in idem werking wordt toegekend.) <V 1975-10-15/30, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 16-02-1998>

  Art. 10. Verjaring. Uitlevering wordt niet toegestaan, indien volgens de wet van de verzoekende Partij of die van de aangezochte Partij het recht tot strafvervolging of de straf is verjaard.

  Art. 11. Doodstraf. Indien op het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht, door de wet van de verzoekende Partij de doodstraf is gesteld en deze straf volgens de wet van de aangezochte Partij tegen dat feit niet wordt bedreigd of met betrekking tot dat feit door die Partij algemeen niet wordt toegepast, kan de inwilliging van het uitleveringsverzoek afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de verzoekende Partij ter beoordeling van de aangezochte Partij genoegzame waarborgen biedt dat de doodstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd.

  Art. 12. Verzoek en stukken ter ondersteuning daarvan.
  1. (Het verzoek wordt schriftelijk gedaan en wordt door het Ministerie van Justitie van de verzoekende Partij gericht tot het Ministerie van Justitie van de aangezochte Partij; niettemin kan het verzoek ook langs diplomatieke weg worden gedaan. Twee of meer Partijen kunnen onderling rechtstreeks andere wegen voor het uitwisselen van stukken overeenkomen.) <V 1978-03-17/30, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 16-02-1998>
  2. Tot staving van het verzoek dienen te worden overgelegd :
  (a) het origineel of een authentiek afschrift, hetzij van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling, hetzij van een bevel tot aanhouding of van een andere akte die dezelfde kracht heeft, opgemaakt in de vorm voorgeschreven door de wet van de verzoekende Partij;
  (b) een overzicht van de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht. De tijd en plaats, waarop de feiten begaan zijn, hun wettelijke omschrijving en de verwijzing naar de toepasselijke wetsbepalingen dienen zo nauwkeurig mogelijk te worden vermeld; en
  (c) een afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen of, indien zulks niet mogelijk is, een verklaring aangaande het toepasselijke recht, alsmede een zo nauwkeurig mogelijk signalement van de opgeŽiste persoon, en alle andere inlichtingen die van belang zijn om zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen.

  Art. 13. Aanvullende inlichtingen.
  Indien de door de verzoekende Partij verstrekte inlichtingen onvoldoende blijken te zijn om de aangezochte Partij in staat te stellen overeenkomstig dit Verdrag een beslissing te nemen, doet de laatstgenoemde Partij het verzoek de noodzakelijke aanvullingen op deze inlichtingen te mogen ontvangen en kan zij een termijn stellen waarbinnen deze ontvangen moeten zijn.

  Art. 14. Specialiteitsbeginsel.
  1. De uitgeleverde persoon wordt niet vervolgd, berecht of in hechtenis gesteld met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, noch aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid onderworpen, wegens enig ander voor de overlevering begaan feit dan dat hetwelk de reden tot uitlevering is geweest, behalve in de volgende gevallen :
  (a) wanneer de Partij die hem uitgeleverd heeft, erin toestemt. Daartoe moet een verzoek worden ingediend vergezeld van de in artikel 12 genoemde stukken en van een door een rechterlijk ambtenaar opgemaakt proces-verbaal, waarin de verklaringen van de uitgeleverde persoon zijn opgenomen. De toestemming wordt gegeven, indien het strafbare feit waarvoor zij verzocht wordt, op zichzelf de verplichting tot uitlevering krachtens dit Verdrag meebrengt;
  (b) wanneer de uitgeleverde persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen de 45 dagen die op zijn definitieve invrijheidstelling volgden, het grondgebied van de Partij aan welke hij was uitgeleverd, heeft verlaten of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarin is teruggekeerd.
  2. De verzoekende Partij kan echter de maatregelen nemen die nodig zijn voor een eventuele uitzetting uit haar grondgebied of voor een stuiting van de verjaring overeenkomstig haar wet, daaronder begrepen het instellen van een verstekprocedure.
  3. Wanneer de omschrijving van het te laste gelegde feit in de loop van de procedure wordt gewijzigd, wordt de uitgeleverde persoon slechts vervolgd of berecht voor zover de elementen van het opnieuw omschreven feit uitlevering zouden gedogen.

  Art. 15. Verderlevering aan een derde staat.
  Behoudens het in het geval bedoeld in het eerste lid onder (b) van artikel 14, heeft de verzoekende Partij de toestemming van de aangezochte Partij nodig om de persoon die aan haar overgeleverd is en die gezocht wordt door een andere Partij of door een derde staat die geen Partij bij dit Verdrag is, aan die andere Partij of aan die staat uit te leveren ter zake van strafbare feiten, gepleegd voor de overlevering. De aangezochte Partij kan overlegging van de in artikel 12, tweede lid, bedoelde stukken eisen.

  Art. 16. Voorlopige aanhouding.
  1. In geval van spoed kunnen de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Partij de voorlopige aanhouding van de gezochte persoon verzoeken; de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij beslissen overeenkomstig haar wet op dit verzoek.
  2. Het verzoek om voorlopige aanhouding dient te vermelden dat een van de in artikel 12, tweede lid, onder (a) bedoelde stukken aanwezig is en kennis te geven van het voornemen een uitleveringsverzoek te zenden; het vermeldt tevens het strafbare feit waarvoor uitlevering zal worden verzocht, de tijd waarop en de plaats waar het begaan is, alsmede voor zover mogelijk, het signalement van de gezochte persoon.
  3. Het verzoek om voorlopige aanhouding wordt aan de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij toegezonden, hetzij langs diplomatieke weg, hetzij rechtstreeks per post of telegram, hetzij via de Organisation internationale de Police criminelle - Interpol, hetzij op iedere ander wijze waarbij schriftelijk van het verzoek blijkt of die door de aangezochte Partij wordt toegelaten. De verzoekende autoriteit wordt onverwijld ingelicht omtrent het gevolg dat aan haar verzoek is gegeven.
  4. De voorlopige aanhouding kan worden beŽindigd, indien de aangezochte Partij niet binnen een termijn van 18 dagen na het begin van de aanhouding het uitleveringsverzoek en de in artikel 12 genoemde stukken ontvangen heeft; de voorlopige aanhouding mag in geen geval langer duren dan 40 dagen. Voorlopige invrijheidstelling is evenwel op ieder ogenblik mogelijk, met dien verstande dat de aangezochte Partij daarbij alle maatregelen dient te nemen, die zij noodzakelijk acht om de vlucht van de persoon wiens aanhouding is verzocht te voorkomen.
  5. De invrijheidstelling vormt geen beletsel voor een nieuwe aanhouding en voor uitlevering indien het uitleveringsverzoek alsnog wordt ontvangen.

  Art. 17. Samenloop van verzoeken.
  Indien de uitlevering van een persoon door verschillende staten wordt verzocht, hetzij voor hetzelfde feit, hetzij voor verschillende feiten, houdt de aangezochte Partij bij haar beslissing rekening met alle omstandigheden en met name met de ernst van de strafbare feiten, de plaats waar zij begaan zijn, de dagtekening van de onderscheiden verzoeken, de nationaliteit van de opgeŽiste persoon en de mogelijkheid van latere uitlevering aan een andere staat.

  Art. 18. Overlevering van de uitgeleverde.
  1. De aangezochte Partij brengt haar beslissing ten aanzien van de uitlevering op de in artikel 12, eerste lid, bedoelde wijze ter kennis van de verzoekende Partij.
  2. Iedere gehele of gedeeltelijke weigering dient met redenen te zijn omkleed.
  3. In geval van inwilliging van het verzoek dient de verzoekende Partij te worden ingelicht omtrent de plaats en de datum van overlevering, alsmede omtrent de duur van de door de opgeŽiste persoon met het oog op de uitlevering ondergange vrijheidsbeneming.
  4. Onverminderd het bepaalde in het vijfde lid van dit artikel kan de opgeŽiste persoon, indien hij niet op de vastgestelde datum is overgenomen, na afloop van een termijn van 15 dagen te rekenen van die datum, in vrijheid worden gesteld en hij wordt in elk geval in vrijheid gesteld na verloop van een termijn van 30 dagen; de aangezochte Partij kan weigeren om hem voor hetzelfde feit uit te leveren.
  5. In geval de overlevering of de overneming van de uit te leveren persoon door overmacht verhinderd wordt, stelt de belanghebbende Partij de andere Partij daarvan op de hoogte; de twee Partijen komen een nieuwe datum van overlevering overeen en de bepalingen van het vierde lid van dit artikel zijn van toepassing.

  Art. 19. Uitgestelde of voorwaardelijke overlevering.
  1. De aangezochte Partij kan, nadat zij een beslissing over het verzoek tot uitlevering genomen heeft, de overlevering van de opgeŽiste persoon uitstellen opdat hij door haar vervolgd kan worden of, indien hij reeds veroordeeld is, op haar grondgebied een straf kan ondergaan wegens een ander feit dan dat waarvoor de uitlevering is verzocht.
  2. In plaats van de overlevering uit te stellen kan de aangezochte Partij de opgeŽiste persoon tijdelijk aan de verzoekende Partij overleveren op door de beide Partijen in onderling overleg vast te stellen voorwaarden.

  Art. 20. Overdracht van voorwerpen.
  1. Op verzoek van de verzoekende Partij moet de aangezochte Partij, voor zover zulks krachtens haar wet is toegestaan, de voorwerpen in beslag nemen en overdragen :
  (a) die kunnen dienen als stukken van overtuiging, of
  (b) die afkomstig zijn van het strafbare feit en op het ogenblik van de aanhouding in het bezit van de opgeŽiste persoon zijn aangetroffen, dan wel later zijn ontdekt.
  2. De overdracht van de voorwerpen bedoeld in het eerste lid van dit artikel vindt ook plaats wanneer niet tot een reeds toegestane uitlevering wordt overgegaan in verband met de dood of de ontvluchting van de opgeŽiste persoon.
  3. Wanneer deze voorwerpen vatbaar zijn voor inbeslagneming of verbeurdverklaring op het grondgebied van de aangezochte Partij, kan laatstgenoemde deze met het oog op een aanhangige strafvervolging tijdelijk behouden of onder voorwaarde van teruggave overdragen.
  4. Eventuele door de aangezochte Partij of derden op deze voorwerpen verkregen rechten blijven onverlet. Indien dergelijke rechten bestaan, dienen de voorwerpen na beŽindiging van het rechtsgeding zo spoedig mogelijk en kosteloos aan de aangezochte Partij te worden teruggegeven.

  Art. 21. Doortocht. 1. De doortocht door het grondgebied van een van de Verdragsluitende Partijen wordt, na indiening van een verzoek gedaan op de in het eerste lid van artikel 12 bedoelde wijze, toegestaan op voorwaarde dat het niet gaat om een strafbaar feit dat door de Partij aan wie toestemming tot doortocht wordt verzocht op grond van de artikelen 3 en 4 van dit Verdrag wordt beschouwd als een politiek of een zuiver militair delict.
  2. De doortocht van een onderdaan, in de zin van artikel 6, van het land waaraan toestemming tot doortocht wordt verzocht, kan worden geweigerd.
  3. Onverminderd het bepaalde in het vierde lid van dit artikel is overlegging van de stukken bedoeld in het tweede lid van artikel 12 noodzakelijk.
  4. In geval het vervoer door de lucht plaatsvindt zijn de volgende bepalingen van toepassing :
  (a) Wanneer geen landing is voorzien geeft de verzoekende Partij de Partij over wier grondgebied zal worden gevlogen daarvan kennis en verklaart zij dat een van de stukken bedoeld in artikel 12, tweede lid, onder (a), bestaat. In geval van een onvoorziene landing heeft deze kennisgeving de rechtskracht van een verzoek om voorlopige aanhouding als bedoeld in artikel 16 en dient de verzoekende Partij een gewoon verzoek tot doortocht in;
  (b) Wanneer een landing is voorzien dient de verzoekende Partij een gewoon verzoek tot doortocht in.
  5. Iedere Partij kan evenwel bij de ondertekening van dit Verdrag of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging of van toetreding verklaren dat zij de doortocht van een persoon slechts zal toestaan op dezelfde voorwaarden als gelden voor uitlevering of op bepaalde van deze voorwaarden. In dat geval kan het beginsel van wederkerigheid worden toegepast.
  6. Een uitgeleverde persoon mag niet worden geleid over een grondgebied waarop, naar mag worden aangenomen, zijn leven (of) zijn vrijheid bedreigd zou kunnen worden uit hoofde van zijn ras, godsdienst, nationaliteit of politieke gezindheid. <Erratum, zie B.St. 24.12.1999, p. 49014>

  Art. 22. Procedure. Voorzover in dit Verdrag niet anders is bepaald, is uitsluitend de wet van de aangezochte Partij van toepassing op de procedure van uitlevering en van voorlopige aanhouding.

  Art. 23. Talen. De over te leggen stukken dienen te zijn gesteld in de taal van de verzoekende Partij of in die van de aangezochte Partij. Laatstgenoemde Partij kan een vertaling eisen in de door haar te kiezen officiŽle taal van de Raad van Europa.

  Art. 24. Kosten. 1. De uit hoofde van de uitlevering op het grondgebied van de aangezochte Partij gemaakte kosten komen ten laste van die Partij.
  2. De uit hoofde van de doortocht door het grondgebied van een Partij aan wie doortocht is verzocht gemaakte kosten komen ten laste van de verzoekende Partij.
  3. In geval van uitlevering vanuit een niet tot het moederland behorend gebied van de aangezochte Partij komen de uit hoofde van het vervoer tussen dit gebied en het moederland van de verzoekende Partij gemaakte kosten ten laste van deze laatste. Hetzelfde geldt ten aanzien van de uit hoofde van het vervoer tussen de overzeese gebiedsdelen van de aangezochte Partij en het moederland van die Partij gemaakte kosten.

  Art. 25. (Definitie van de term "maatregelen".) <Erratum, zie B.St. 24.12.1999, p. 49015>
  Voor de toepassing van dit Verdrag betekent de term " maatregelen " alle maatregelen die vrijheidsbeneming meebrengen en die bij vonnis van de strafrechter worden opgelegd naast of in plaats van een straf.

  Art. 26. Voorbehouden.
  1. Iedere Verdragsluitende Partij kan bij de ondertekening van dit Verdrag of bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging of van toetreding een voorbehoud maken met betrekking tot een of meer daarbij aangegeven bepalingen van dit Verdrag.
  2. Iedere Verdragsluitende Partij die een voorbehoud heeft gemaakt trekt dit, zodra de omstandigheden haar dit veroorloven, in. Een voorbehoud wordt ingetrokken door een mededeling gericht tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
  3. Een Verdragsluitende Partij die met betrekking tot een bepaling van dit Verdrag een voorbehoud heeft gemaakt kan de naleving van die bepaling van dit Verdrag door een andere Partij slechts verlangen voor zover zij die bepaling zelf heeft aanvaard.

  Art. 27. Territoriale toepasselijkheid.
  1. Dit Verdrag is van toepassing in het moederland van de Verdragsluitende Partijen.
  2. Het is tevens wat betreft Frankrijk van toepassing op Algerije en op de overzeese departementen en wat het Verenigd Koninkrijk van Groot-BrittanniŽ en Noord-Ierland betreft op de Kanaaleilanden en op het eiland Man.
  3. De Bondsrepubliek Duitsland kan door een verklaring gericht tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa de toepasselijkheid van dit Verdrag uitbreiden tot het " Land " Berlijn. De Secretaris-Generaal stelt de andere Partijen van deze verklaring in kennis.
  4. Bij rechtstreekse overeenkomst tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen kan de toepasselijkheid van dit Verdrag onder bij die overeenkomst te stellen voorwaarden worden uitgebreid tot elk grondgebied van een van die Partijen hetwelk niet behoort tot het grondgebied bedoeld in de voorgaande leden, voor zover de buitenlandse betrekkingen van die gebieden door een der Partijen worden behartigd.

  (Art. 28.) De verhouding (tussen) dit Verdrag en bilaterale overeenkomsten. <Erratum, zie B.St. 24.12.1999, p. 49014>
  1. Dit Verdrag doet wat betreft de gebieden waarop het van toepassing is, de bepalingen uit bilaterale verdragen, conventies of overeenkomsten vervallen, die de uitlevering tussen twee Verdragsluitende Partijen regelen.
  2. De Verdragsluitende Partijen kunnen met elkaar slechts bilaterale of multilaterale overeenkomsten sluiten, wanneer deze er toe strekken de bepalingen van dit Verdrag aan te vullen of de toepassing van de daarin vervatte beginselen te vergemakkelijken.
  3. Wanneer de uitlevering tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen plaatsvindt op grond van een eenvormige wet, zijn die Partijen bevoegd om hun betrekkingen op dit terrein te regelen uitsluitend op basis van dat stelsel, niettegenstaande de bepalingen van dit Verdrag. Hetzelfde geldt tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen, indien bij elk van die Partijen een wet geldt die het mogelijk maakt op het grondgebied van die Partij bevelen tot vrijheidsbeneming ten uitvoer te leggen, die op het grondgebied van de andere Partij of de andere Partijen zijn gegeven. De Verdragsluitende Partijen die in hun betrekkingen de toepassing van dit Verdrag van het begin af aan of nadien uitsluiten overeenkomstig de bepalingen van dit lid, dienen ter zake een mededeling te richten tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. Deze stelt de andere Partijen in kennis van elke mededeling die hij krachtens dit lid heeft ontvangen.

  Art. 29. Ondertekening, bekrachtiging inwerkingtreding.
  1. Dit Verdrag is voor ondertekening door de leden van de Raad van Europa opengesteld. Het dient te worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging dienen te worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
  2. Dit Verdrag treedt in werking 90 dagen na het tijdstip waarop de derde akte van bekrachtiging is nedergelegd.
  3. Voor iedere ondertekenende regering die het daarna bekrachtigt, treedt het in werking 90 dagen na de datum van nederlegging van haar akte van bekrachtiging.

  Art. 30. Toetreding.
  1. Het Comitť van Ministers van de Raad van Europa kan elke Staat die geen lid is van de Raad uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden, mits de resolutie betreffende deze uitnodiging eenstemmig wordt goedgekeurd door de leden van de Raad die dit Verdrag hebben bekrachtigd.
  2. De toetreding vindt plaats door nederlegging bij de Secretaris-Generaal van de Raad van een akte van toetreding. De toetreding treedt in werking 90 dagen na de nederlegging van de desbetreffende akte.

  Art. 31. Opzegging. Iedere Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag voor wat haar betreft opzeggen door een daartoe strekkende kennisgeving te richten tot de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa. De opzegging treedt in werking zes maanden na de datum waarop de kennisgeving door de Secretaris-Generaal van de Raad is ontvangen.

  Art. 32. Verklaringen.
  De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa geeft alle leden van de Raad en de regering van elke staat die tot het Verdrag is toegetreden, kennis van :
  (a) de nederlegging van elke akte van bekrachtiging of van toetreding;
  (b) de datum van inwerkingtreding;
  (c) elke verklaring afgelegd krachtens het eerste lid van artikel 6 en het vijfde lid van artikel 21;
  (d) elk voorbehoud gemaakt krachtens het eerste lid van artikel 26;
  (e) de intrekking an elk voorbehoud krachtens het tweede lid van artikel 26;
  (f) elke kennisgeving van opzegging ontvangen krachtens artikel 31 van dit Verdrag en de datum waarop deze in werking treedt.

  Art. M1. <Aanvulling aan het Verdrag bij V 1978-03-17/30, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 16-02-1998> Verstekvonissen.
  1. Wanneer een Verdragsluitende Partij een andere Verdragsluitende Partij om de uitlevering van een persoon verzoekt ten einde een strafvonnis of een bevel tot vrijheidsbeneming ten uitvoer te leggen dat bij verstek is gewezen, kan de aangezochte Partij weigeren hiertoe uit te leveren wanneer naar haar oordeel bij het strafproces de rechten van de verdediging niet in acht zijn genomen die tenminste aan een ieder, tegen wie een strafvervolging wordt ingesteld, behoren toe te komen. Niettemin dient uitlevering te worden toegestaan als de verzoekende Partij een verzekering geeft die voldoende wordt geacht om de opgeŽiste persoon het recht te waarborgen op een nieuw proces waarin de rechten van de verdediging worden gegarandeerd. Deze beslissing geeft de verzoekende Partij de bevoegdheid om hetzij het desbetreffende vonnis ten uitvoer te leggen indien de veroordeelde persoon geen verzet doet, hetzij een strafproces tegen de uitgeleverde persoon aan te vangen indien deze wel verzet doet.
  2. Wanneer de aangezochte Partij de persoon wiens uitlevering is verzocht, in kennis stelt van een tegen hem gewezen verstekvonnis mag de verzoekende Partij deze mededeling niet beschouwen als een betekening met het oog op de strafrechtelijke procedure in die Staat.

  Art. M2. <Aanvulling aan het Verdrag bij V 1978-03-17/30, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 16-02-1998> Amnestie.
  Uitlevering wordt niet toegestaan voor een strafbaar feit met betrekking waartoe amnestie is verleend in de aangezochte Staat en met betrekking waartoe die Staat krachtens haar eigen strafwetgeving bevoegd was een strafvervolging in te stellen.
  Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondertekend.
  Gedaan te Parijs, de 13e december 1957, in de Franse en de Engelse taal, zijnde beide teksten gelijkelijk authentiek, in ťťn enkel exemplaar, hetwelk zal worden nedergelegd in het archief van de Raad van Europa. De Secretaris-Generaal van de Raad doet een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift toekomen aan de regeringen van alle staten die het Verdrag hebben ondertekend.

  Bijlage.

  Art. N1. Bijlage 1. De lijst met de gebonden staten bij de Overeenkomst.

  Lijst van de staten           Datum van neerlegging   Datum van
                                 van de bekrachtigings-  inwerkingtreding
                                 of de
                                 toetredingsoorkonde
                                 (T)
  BELGIE                        29 augustus 1997        27 november 1997
  BULGARIJE                     17 juni 1994            15 september 1994
  CYPRUS                        22 januari 1971         22 april 1971
  DENEMARKEN                    13 september 1962       12 december 1962
  DUITSLAND                      2 oktober 1976          1 januari 1977
  ESTLAND                       28 april 1997           27 juli 1997
  FINLAND                       12 mei 1971 (T)         10 augustus 1971
  FRANKRIJK                     10 februari 1986        11 mei 1986
  GROOT-BRITTANNIE              13 februari 1991        14 mei 1991
  GRIEKENLAND                   29 mei 1961             27 augustus 1961
  HONGARIJE                     13 juli 1993            11 oktober 1993
  IERLAND                        2 mei 1966             31 juli 1966
  IJSLAND                       20 juni 1984            18 september 1984
  ISRAEL                        27 september 1967 (T)   26 december 1967
  ITALIE                         6 augustus 1963         4 november 1963
  KROATIE                       25 januari 1995 (T)     25 april 1995
  LETLAND                        2 mei 1997             31 juli 1997
  LIECHTENSTEIN                 28 oktober 1969 (T)     26 januari 1970
  LITOUWEN                      20 juni 1995            18 september 1995
  LUXEMBURG                     18 november 1976        16 februari 1977
  MALTA                         19 maart 1996           17 juni 1996
  NEDERLAND                     14 februari 1969        15 mei 1969
  NOORWEGEN                     19 januari 1960         18 april 1960
  OOSTENRIJK                    21 mei 1969             19 augustus 1969
  POLEN                         15 juni 1993            13 september 1993
  PORTUGAL                      25 januari 1990         25 april 1990
  SLOVAKIJE                     15 april 1992            1 januari 1993
  SLOVENIE                      16 februari 1995        17 mei 1995
  SPANJE                         7 mei 1982              5 augustus 1982
  TSJECHIE                      15 april 1992            1 januari 1993
  TURKIJE                        7 januari 1960         18 april 1960
  ZWEDEN                        22 januari 1959         18 april 1960
  ZWITSERLAND                   20 december 1966        20 maart 1967



  Art. N2. Bijlage 2. Verklaringen en voorbehouden naar aanleiding van de bekrachtiging van het Verdrag door BelgiŽ.
  I. VERKLARINGEN.
  Met betrekking tot artikel 1 :
  " De Belgische regering is van oordeel dat het door Portugal geformuleerde voorbehoud betreffende artikel ťťn, lid c, niet verenigbaar is met het voorwerp van het Verdrag. Zij vat dit voorbehoud op in die zin dat de uitlevering enkel wordt geweigerd, indien de tot levenslange vrijheidsbeneming veroordeelde persoon, overeenkomstig het recht van de verzoekende staat, niet in vrijheid gesteld kan worden na het verstrijken van een bepaalde tijd, tengevolge van een gerechtelijke of administratieve procedure. "
  Met betrekking tot artikel 14 :
  " BelgiŽ is van oordeel dat het specialiteitsbeginsel niet toepasselijk is, wanneer de betrokken persoon uitdrukkelijk toegestemd heeft om op om het even welke grond vervolgd en gestraft te worden door de gerechtelijke overheid van de aangezochte Staat, indien deze mogelijkheid voorzien is in het recht van de Staat. Indien daarentegen de uitlevering aan BelgiŽ gevraagd wordt, gaat BelgiŽ ervan uit dat, wanneer de uit te leveren persoon formeel afstand gedaan heeft van de formaliteiten en waarborgen van de uitlevering, het specialiteitenbeginsel niet meer toepasselijk is. "
  Met betrekking tot artikel 15 :
  " BelgiŽ is van oordeel dat de uitzondering, voorzien in artikel 15, zich uitstrekt tot het geval dat de persoon die aan BelgiŽ overgedragen is, formeel afstand gedaan heeft van het recht van de aangezochte Staat of de specialiteit van de uitlevering. "
  Met betrekking tot artikel 21 :
  " De Belgische regering staat de doortocht over haar grondgebied enkel toe, onder dezelfde voorwaarden als de uitlevering. "
  Met betrekking tot artikel 23 :
  " Indien het uitleveringsverzoek en de over te leggen stukken opgesteld zijn in de taal van de verzoekende Staat, en deze taal niet in het Nederlands, het Frans of het Duits is, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in het Frans. "
  II. VOORBEHOUDEN.
  Met betrekking tot artikel 1 :
  " BelgiŽ behoudt zich het recht voor om de uitlevering niet toe te staan, wanneer de betrokken persoon onderworpen zou kunnen worden aan een uitzonderingsrechtbank, of als de uitlevering gevraagd wordt met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf die door zo een rechtbank uitgesproken is. "
  " De uitlevering wordt niet toegestaan wanneer de overdracht uitzonderlijk ernstige gevolgen kan hebben voor de betrokken persoon, met name omwille van zijn leeftijd of gezondheidstoestand. "
  Met betrekking tot artikel 18 :
  " De verplichte invrijheidsstelling na het verstrijken van de termijn van 30 dagen, voorzien in paragraaf 4 van artikel 18, is niet van toepassing in het geval dat de betrokken persoon een rechtsmiddel aanwendt tegen de uitleveringsbeslissing of in verband met de wettelijkheid aan zijn hechtenis. "
  Met betrekking tot artikel 19 :
  " De Regering van het Koninkrijk BelgiŽ staat de tijdelijke uitlevering, bedoeld in artikel 19, ß 2, slechts toe indien het gaat om een persoon die op haar grondgebied een straf ondergaan en indien de omstandigheden zulks vereisen. "
  Met betrekking tot artikel 28 :
  " Omwille van het bijzonder regime tussen de Beneluxlanden, aanvaardt de Belgische regering de paragrafen 1 en 2 van artikel 28 die betrekking hebben op haar verhoudingen met het Koninkrijk der Nederlanden en het Groot Hertogdom Luxemburg niet. "
  " De Belgische regering behoudt zich de mogelijkheid voor om af te wijken van deze bepalingen voor wat haar verhoudingen aangaat met de andere Lidstaten van de Europese Gemeenschap. "

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Regeringen die dit Verdrag hebben ondertekend, leden van de Raad van Europa,
   Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden;
   Overwegende dat dit doel kan worden bereikt door het sluiten van overeenkomsten of door het volgen van een gemeenschappelijke gedragslijn op juridisch gebied;
   Overtuigd dat het aanvaarden van eenvormige regels op het gebied van uitlevering bevorderlijk is voor deze eenwording;
   Zijn als volgt overeengekomen :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
1978031750; 1997-11-22
  • VERDRAG VAN 17-03-1978 GEPUBL. OP 22-11-1997
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 5; 12)
  • 1975101550; 1997-11-22
  • VERDRAG VAN 15-10-1975 GEPUBL. OP 22-11-1997
    (GEWIJZIGD ART. : 9)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 2 gearchiveerde versies
    Franstalige versie