J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 26 uitvoeringbesluiten 20 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/1948/08/23/1948082309/justel

Titel
23 AUGUSTUS 1948. - Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de [afdeling bestuursrechtspraak] van de Raad van State. <Opschrift gewijzigd door KB 2007-04-25/32, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-08-2000 en tekstbijwerking tot 03-05-2021)

Publicatie : 23-08-1948 nummer :   1948082309 bladzijde : 6821       PDF : geconsolideerde versie
Dossiernummer : 1948-08-23/30
Inwerkingtreding : 02-09-1948

Inhoudstafel Tekst Begin
PROCEDURE-REGELING.
TITEL I. - VERZOEKSCHRIFT EN ONDERZOEK.
Hoofdstuk I. - Het verzoekschrift.
Sectie I. - Het indienen van het verzoekschrift.
Art. 1-3, 3bis, 3ter, 3quater
Sectie 2. - Termijnen voor het indienen van het verzoekschrift.
Art. 4
Hoofdstuk II. - Het onderzoek.
Sectie I. - De voorafgaande maatregelen.
Art. 5-11
Sectie I/1. [1 - Bijzondere regels van toepassing op de procedure tot nietigverklaring ingeval van vordering tot schorsing.]1
Art. 11/1, 11/2, 11/3, 11/4
Sectie II. - (Het onderzoek door de afdeling bestuursrechtspraak.) <KB 2007-04-25/32, art. 11, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 12-14, 14bis, 14ter, 14quater, 14quinquies, 14sexies, 14septies, 15
Sectie III. - De maatregelen van onderzoek.
Art. 16-25
Hoofdstuk III. [1 - De schadevergoeding tot herstel.]1
Art. 25/1, 25/2, 25/3
TITEL II. - DE TERECHTZITTING EN DE VERWIJZING NAAR DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE AFDELING.
Hoofdstuk I. - De terechtzitting.
Art. 26-29
Hoofdstuk II. - De verwijzing naar de algemene vergadering van de afdeling.
Art. 30-32
TITEL III. - DE (...) ARRESTEN <KB 2007-04-25/32, art. 28, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 33-35
TITEL IV. - BETEKENING EN UITVOERING.
Art. 36-39
TITEL V. - (VERZET, DERDEN-VERZET EN BEROEP TOT HERZIENING). <KB 17-11-1955, art. 1>
Hoofdstuk I. - Het verzet.
Art. 40-46
Hoofdstuk II. - Het derden-verzet.
Art. 47-50
Hoofdstuk III. - (De beroepen tot herziening.) <Hoofdstuk ingevoegd bij KB 17-11-1955, art. 1>
Art. 50bis, 50ter, 50quater, 50quinquies, 50sexies
TITEL VI. - DE TUSSENGESCHILLEN.
Hoofdstuk I. - Inschrijving van valsheid.
Art. 51
Hoofdstuk II. - (De tussenkomst.) <KB 07-01-1991, art. 8>
Art. 52-54
Hoofdstuk III. - De hervatting van het rechtsgeding.
Art. 55-58
Hoofdstuk IV. - De afstand van het geding.
Art. 59
Hoofdstuk V. - De verknochtheid.
Art. 60
Hoofdstuk VI. - De wraking.
Art. 61-65
Hoofdstuk VII.
Art. 65/1
TITEL VII. - KOSTEN EN [1 rechtsbijstand]1.
Hoofdstuk I. - Kosten.
Art. 66-77
Hoofdstuk II. - [1 Rechtsbijstand]1.
Art. 78-83, 83bis
TITEL VIII. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 84, 84/1, 85, 85bis, 86-92
TITEL IX. (VORDERINGEN DIE DOELLOOS ZIJN OF DIE SLECHTS KORTE DEBATTEN VEREISEN). <KB 2007-04-25/32, art. 55, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
Art. 93-94
TITEL X. - (SLOTBEPALING.) <KB 07-01-1991, art. 10>
Art. 95

Tekst Inhoudstafel Begin
PROCEDURE-REGELING.

  TITEL I. - VERZOEKSCHRIFT EN ONDERZOEK.

  Hoofdstuk I. - Het verzoekschrift.

  Sectie I. - Het indienen van het verzoekschrift.

  Artikel 1.<KB 2007-04-25/32, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> De zaak wordt bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift ondertekend door de partij of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, [1 vierde lid]1, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, hierna " gecoördineerde wetten " genoemd.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 2. <KB 2007-04-25/32, art. 3, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> § 1. Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat :
  1° het opschrift " verzoekschrift tot nietigverklaring " in de gevallen bedoeld in artikel 14, §§ 1 en 3, van de gecoördineerde wetten, als het niet eveneens een vordering tot schorsing bevat;
  2° de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de verzoekende partij en overeenkomstig artikel 84, § 2, eerste lid, de gekozen woonplaats;
  3° het voorwerp van de eis, aanvraag of beroep en een uiteenzetting van de feiten en de middelen;
  4° de naam en het adres van de verwerende partij.
  § 2. Het verzoekschrift bevat bovendien :
  A. In het geval bedoeld in artikel 54 van de gecoördineerde wetten, één van de volgende vermeldingen, in de opgegeven volgorde :
  1° het eentalig gebied waarin de ambtenaar zijn ambt uitoefent;
  2° de taalrol waartoe hij behoort;
  3° de taal waarin hij zijn toelatingsexamen heeft afgelegd;
  4° de taal van het diploma of getuigschrift dat hij voor zijn benoeming heeft moeten overleggen;
  B. In het geval bedoeld in artikel 55 van de gecoördineerde wetten, de vermelding van het taalstatuut van de verzoekende magistraat;
  C. In het geval bedoeld in artikel 56 van de gecoördineerde wetten, de vermelding van de taal waarvan de verzoekende officier een grondige kennis bezit;
  D. In het geval bedoeld in artikel 57 van de gecoördineerde wetten, de taal van het diploma of getuigschrift dat de verzoeker heeft overgelegd met het oog op zijn aanvaarding als aspirant-hulpofficier of aspirant-hulponderofficier van de luchtmacht;
  E. In het geval bedoeld in artikel 58 van de gecoördineerde wetten, de taal waarin de verzoeker de opleidingscyclus heeft gevolgd die voorafging aan zijn benoeming tot de graad van reserve-onderluitenant bij de strijdkrachten;
  F. In het geval bedoeld in artikel 59 van de gecoördineerde wetten, de taal waarvan de verzoekende onderofficier de werkelijke kennis bezit.

  Art. 3.<KB 2007-04-25/32, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> De verzoekende partij voegt bij het verzoekschrift :
  1° in het geval bedoeld in artikel 11 van de gecoördineerde wetten, de beslissing waarbij de bevoegde overheid eventueel de eis heeft verworpen;
  2° in het geval bedoeld in artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten, een afschrift van de aanmaning;
  3° in de overige gevallen, een afschrift van de bestreden akten, reglementaire bepalingen of beslissingen;
  4° [1 indien zij een rechtspersoon is, een afschrift van haar gepubliceerde statuten en van haar gecoördineerde geldende statuten en, indien deze rechtspersoon niet door een advocaat wordt vertegenwoordigd, een afschrift van de akte van aanstelling van haar organen, alsmede het bewijs dat het daartoe bevoegde orgaan beslist heeft in rechte te treden.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-28/02, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 3bis. <Nieuw artikel ingevoegd bij KB 2007-04-25/32, art. 6; Inwerkingtreding : 01-06-2007> Het verzoekschrift wordt niet op de rol ingeschreven indien :
  1° uitgaande van een rechtspersoon, het niet vergezeld gaat van de stukken opgesomd in artikel 3, 4°;
  2° het niet is ondertekend of niet vergezeld gaat van het vereiste aantal eensluidend verklaarde afschriften;
  3° het geen woonplaatskeuze bevat, wanneer deze vereist is;
  4° (...) <KB 2007-07-19/32, art. 1, 009; Inwerkingtreding : 11-08-2007>
  5° het niet vergezeld gaat van een afschrift van de bestreden akten, reglementaire bepalingen of beslissingen, tenzij de verzoekende partij verklaart dat ze niet in het bezit is van een zodanig afschrift;
  6° er geen inventaris is bijgevoegd van de stukken, die alle overeenkomstig die inventaris genummerd moeten zijn.
  In geval van toepassing van het eerste lid, richt de hoofdgriffier aan de verzoekende partij een brief waarin meegedeeld wordt waarom het verzoekschrift niet is ingeschreven op de rol en waarbij die partij verzocht wordt binnen vijftien dagen haar verzoekschrift te regulariseren.
  De verzoekende partij die haar verzoekschrift regulariseert binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek bedoeld in het tweede lid, wordt geacht het te hebben ingediend op de datum van de eerste verzending ervan.
  Een verzoekschrift dat niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt geacht niet te zijn ingediend.

  Art. 3ter. (vroeger artikel 3bis) <ingevoegd bij KB 07-01-1991, art. 1> Op hetzelfde ogenblik als zij haar verzoekschrift indient, stuurt de verzoekende partij een kopie daarvan ter informatie aan de (verwerende partij). De overheid die deze kopie ontvangt, bezorgt ze desgevallend aan de bevoegde overheid. <KB 2007-04-25/32, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Het toesturen van een kopie van het verzoekschrift als bedoeld in het eerste lid, houdt geen definitieve aanwijzing van de (verwerende partij) in. Het stelt niet de termijnen in werking die de tegenpartij moet in acht nemen. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 3quater. <Ingevoegd bij KB 2007-04-25/32, art. 7; Inwerkingtreding : 01-06-2007> Wanneer bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring van een reglementaire akte aanhangig wordt gemaakt, laat de hoofdgriffier in het Belgisch Staatsblad in het Nederlands, het Frans en het Duits een bericht bekendmaken dat de identiteit van de verzoekende partij aangeeft, alsmede de akte waarvan de nietigverklaring gevorderd wordt.

  Sectie 2. - Termijnen voor het indienen van het verzoekschrift.

  Art. 4.[1 § 1.]1 (De eisen bedoeld in artikel 11 van de gecoördineerde wetten verjaren zestig dagen na de schriftelijke kennisgeving van de beslissing houdende afwijzing van het verzoekschrift tot vergoeding. Indien de administratieve overheid verzuimt een beslissing te nemen, bedraagt de termijn van verjaring drie jaar te rekenen van de datum van dat verzoekschrift.) <KB 2007-04-25/32, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Wanneer een rechtsvordering strekkende tot hetzelfde voorwerp is ingesteld binnen de termijnen voorzien bij de eerste alinea, gaan de termijnen van zestig dagen en van drie jaar slechts in met het einde van de rechtsgedingen.
  De beroepen bedoeld (in artikel 14, §§ 1 en 3, van de gecoördineerde wetten) verjaren zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad. <KB 2007-04-25/32, art. 8, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De overige aanvragen en beroepen moeten, op straffe van onontvankelijkheid, ingediend worden binnen de termijnen door de desbetreffende wettelijke en reglementaire bepalingen vastgesteld.
  [1 § 2. Wanneer de in paragraaf 1 genoemde kennisgeving geschiedt bij aangetekende brief met ontvangstmelding, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift die welke volgt op de ontvangst van de brief en is hij inbegrepen in de termijn.
   Indien de geadresseerde de brief weigert, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift die welke volgt op de dag van weigering van de brief en is hij inbegrepen in de termijn.
   Wanneer de in paragraaf 1 genoemde kennisgeving geschiedt bij gewone aangetekende brief, is de eerste dag van de termijn voor het indienen van het verzoekschrift de derde werkdag die volgt op de verzending van de brief, behoudens bewijs van het tegendeel door de geadresseerde, en is die dag inbegrepen in de termijn.
   Het postmerk geldt als bewijs, zowel voor de verzending als voor de ontvangst of de weigering.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-05-24/09, art. 1, 011; Inwerkingtreding : 25-06-2011>

  Hoofdstuk II. - Het onderzoek.

  Sectie I. - De voorafgaande maatregelen.

  Art. 5. (De korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt) wijst de zaak aan de bevoegde kamer toe. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Hij maakt kopie van het verzoekschrift over aan de auditeur-generaal die waakt over de uitvoering van de maatregelen die het onderzoek voorafgaan. De auditeur-generaal stelt te dien einde een lid van het auditoraat aan.

  Art. 6.<KB 2007-04-25/32, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> § 1. [2 Zodra het mogelijk is en nadat het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, overeenkomstig artikel 71 zijn betaald, stuurt de hoofdgriffier een kopie van het verzoekschrift aan de verwerende partij.]2
  § 2. Indien het administratief dossier in het bezit is van de verwerende partij, beschikt deze over een termijn van zestig dagen om aan de griffie een memorie van antwoord en het volledige administratief dossier toe te zenden.
  § 3. Indien het administratief dossier niet in het bezit is van de verwerende partij, geeft deze de griffie daarvan onverwijld en schriftelijk kennis en geeft ze aan waar het zich bij haar weten bevindt. De hoofdgriffier vordert op verzoek van de auditeur-verslaggever de mededeling ervan aan de overheid die het onder zich heeft. Zonder verwijl zendt deze het gevorderde dossier naar de griffie.
  In dit geval gaat de termijn van zestig dagen voor het toezenden van de memorie van antwoord in met de dag waarop de verwerende partij ervan in kennis is gesteld dat het dossier ter griffie is neergelegd.
  § 4. [2 Zodra het mogelijk is en nadat het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, overeenkomstig artikel 71 zijn betaald, brengt de hoofdgriffier, op basis van de aanwijzingen van de auditeur-generaal of het door hem aangewezen lid van het auditoraat, het verzoekschrift ter kennis van de personen die belang hebben bij het oplossen van de zaak, voor zover deze geďdentificeerd kunnen worden.]2
  ----------
  (1)<KB 2014-01-28/02, art. 2, 015; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<KB 2017-12-25/29, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 7. Een afschrift van de memorie van antwoord wordt aan de verzoekende partij overgemaakt door de griffier, die haar tevens van de neerlegging van het dossier ter griffie in kennis stelt. De verzoekende partij beschikt over (zestig dagen) om aan de griffie een memorie van wederantwoord te laten geworden. <KB 07-01-1991, art. 3>
  Een afschrift ervan wordt door de griffier aan de (verwerende partij) overgemaakt. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 8. Zo de (verwerende partij) verzuimt, binnen de bepaalde termijn een memorie van antwoord te laten geworden, wordt de verzoekende partij hiervan door de griffier in kennis gesteld en mag zij de memorie van wederantwoord door een toelichtende memorie vervangen. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 9. (...) <KB 07-01-1991, art. 4>.

  Art. 10. (...) <KB II 15-07-1956, art. 13>.

  Art. 11. De kamer bij dewelke de zaak aanhangig is kan (...), uitspraak doen bij verstek ten opzichte van de partijen die zich van alle verweer hebben onthouden. <KB 2007-04-25/32, art. 10, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Zo de zaak vervolgd wordt tegen meerdere partijen waarvan de ene haar verweermiddelen hebben voorgebracht en waarvan de andere verzuimden zulks te doen, doet de kamer uitspraak bij dezelfde beslissing ten opzichte van al de partijen.

  Sectie I/1. [1 - Bijzondere regels van toepassing op de procedure tot nietigverklaring ingeval van vordering tot schorsing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-28/02, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 11/1. [1 Het toesturen van een vordering tot schorsing stuit de termijnen waarin de artikelen 6 en 7 voorzien.
   Indien de schorsing bevolen wordt of de voorlopige schorsing bevestigd, loopt de onderbroken termijn opnieuw vanaf de kennisgeving van het arrest aan de verwerende partij en worden de in de artikelen 6 en 7 bedoelde termijnen die niet helemaal verlopen zijn, vastgesteld op dertig dagen. In dit geval, wordt het verslag over de zaak of de mededeling bedoeld bij artikel 11/4 aan de griffie overgemaakt die een afschrift naar de kamer stuurt, of, naargelang het geval, naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, binnen de dertig dagen na de ontvangst van de memorie van wederantwoord en het volledige dossier van de zaak.
   Wanneer het arrest de vordering tot schorsing verwerpt, begint de onderbroken termijn slechts te lopen vanaf de kennisgeving door de griffie van het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging dat door de verzoekende partij wordt ingediend.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-28/02, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 11/2. [1 § 1. Wanneer naar aanleiding van een arrest waarin de schorsing van de tenuitvoerlegging van een akte of reglement is bevolen of de voorlopige schorsing is bevestigd, de verwerende partij of degene die belang heeft bij de beslechting van de zaak, niet binnen de termijn bepaald in artikel 17, § 6, van de gecoördineerde wetten een verzoek tot voortzetting van de procedure indient, geeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, de partijen ervan kennis dat de kamer uitspraak zal doen over de vernietiging van de akte of het reglement waarvan de schorsing is bevolen. De partijen beschikken over een termijn van vijftien dagen, met ingang van de kennisgeving, om te vragen te worden gehoord.
   Indien geen van de partijen vraagt te worden gehoord, kan de kamer, in hun afwezigheid, de akte of het reglement vernietigen.
   Indien een partij vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter de partijen op om spoedig te verschijnen. Nadat ze de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat heeft gehoord, doet de kamer onverwijld uitspraak over de vernietiging.
   De partijen en hun advocaat kunnen ter griffie inzage nemen van het dossier, gedurende de tijd die wordt vastgesteld in de beschikking van de voorzitter.
   § 2. Wanneer de hoofdgriffier de partijen ervan kennis geeft dat de kamer uitspraak zal doen over de vernietiging van de akte of het reglement waarvan de schorsing is bevolen, maakt hij melding van de tekst van artikel 17, § 6, van de gecoördineerde wetten, alsmede van paragraaf 1 van dit artikel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-28/02, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 11/3. [1 § 1. Wanneer de verzoekende partij naar aanleiding van een arrest waarin een vordering tot schorsing van een akte of reglement is afgewezen, niet binnen de termijn vastgesteld in artikel 17, § 7, van de gecoördineerde wetten een verzoek tot voortzetting van de procedure indient, stelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, de verzoekende partij ervan in kennis dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij ze binnen een termijn van vijftien dagen vraagt te worden gehoord.
   Indien de verzoekende partij niet vraagt te worden gehoord, spreekt de kamer de afstand van geding uit.
   Indien de verzoekende partij vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter de partijen op om spoedig te verschijnen. Nadat de kamer de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat heeft gehoord, doet ze onverwijld uitspraak over de afstand van geding.
   De partijen en hun advocaat kunnen ter griffie inzage nemen in het dossier, gedurende de tijd die wordt vastgesteld in de beschikking van de voorzitter.
   Indien verscheidene verzoekers gemeenschappelijk een vordering tot schorsing en een verzoekschrift tot nietigverklaring hebben ingediend en een verzoek tot voortzetting van de procedure slechts door sommigen van hen wordt ingediend, worden de overigen geacht afstand te doen van geding en wordt in het arrest dat wordt gewezen over de vordering tot nietigverklaring ook uitspraak gedaan over de afstand van degenen die verzuimen een verzoek tot voortzetting van de procedure in te dienen.
   § 2. Wanneer de hoofdgriffier de verzoekende partij ervan in kennis stelt dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij deze partij vraagt te worden gehoord, maakt hij melding van artikel 17, § 7, van de gecoördineerde wetten alsmede van § 1 van dit artikel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-28/02, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 11/4. [1 Wanneer na de uitspraak van een arrest over de vordering tot schorsing en na de uitwisseling van de memories van antwoord en van wederantwoord of van de toelichtende memorie, de auditeurverslaggever vaststelt dat de partijen geen enkel nieuw gegeven aanvoeren sedert het arrest waarbij de tenuitvoerlegging van de akte of het reglement is geschorst, of waarin alle middelen als niet ernstig werden verworpen of waarin de vordering tot schorsing werd verworpen wegens niet ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring, kan hij het dossier toezenden aan de griffie met de vermelding dat hij geen nieuw verslag zal indienen over het beroep tot nietigverklaring.
   In de kennisgeving wordt gepreciseerd of wordt voorgesteld het beroep tot nietigverklaring te verwerpen dan wel de akte of het reglement te vernietigen, overeenkomstig het arrest waarbij uitspraak werd gedaan over de vordering tot schorsing.
   De artikelen 13, 14, 14quater tot 14sexies van de algemene procedureregeling zijn van toepassing.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-28/02, art. 3, 015; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Sectie II. - (Het onderzoek door de afdeling bestuursrechtspraak.) <KB 2007-04-25/32, art. 11, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 12.<KB 2007-04-25/32, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> Nadat de voorafgaande maatregelen zijn uitgevoerd, maakt het met toepassing van artikel 5 aangewezen lid van het auditoraat verslag op over de zaak.
  Met het oog op het opmaken van dat verslag voert de auditeur rechtstreeks briefwisseling met alle overheden en besturen en kan hij zowel aan hen als aan de partijen alle dienstige inlichtingen en documenten vragen.
  Hij kan de partijen een termijn opleggen voor het verstrekken van de gevraagde inlichtingen en documenten. Indien deze niet binnen de gestelde termijn zijn meegedeeld, stelt hij, hiermee rekening houdende, zijn verslag op.
  [1 Hij vermeldt in de conclusies van zijn verslag de volgorde waarin dit ter kennis wordt gebracht van de partijen.]1
  Het gedagtekende en ondertekende verslag wordt aan de griffie toegezonden.
  ----------
  (1)<KB 2012-12-10/18, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 14-02-2013>

  Art. 13. (Is de kamer van oordeel dat nieuwe verrichtingen moeten worden bevolen, dan wijst zij ter uitvoering daarvan een (staatsraad) of een lid van het auditoraat aan, die een aanvullend verslag opmaakt. Dit verslag wordt gedagtekend, ondertekend en (aan de griffie) bezorgd). <KB I 15-07-1956, art. 2> <KB 2007-04-25/32, art. 13 en 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 14.[1 De griffie brengt de mededelingen of verslagen bedoeld in de artikelen 11/4, 12 en 13 overeenkomstig de door de auditeur in zijn mededeling of verslag vermelde volgorde ter kennis van de partijen en deelt een exemplaar ervan mee aan de kamer belast met de zaak.
   Elk van de partijen beschikt over dertig dagen om een laatste memorie in te dienen met, in voorkomend geval, het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging.
   De vordering tot behoud van de gevolgen van de bestreden akte of het bestreden reglement, in toepassing van artikel 14ter van de gecoördineerde wetten, wordt uiterlijk in de laatste memorie geformuleerd en moet gemotiveerd worden. Wanneer de vordering voor de eerste keer in een laatste memorie ingediend wordt, kunnen de andere partijen hun schriftelijke opmerkingen doen gelden binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving van deze laatste memorie. Het aangewezen lid van het auditoraat stelt binnen de vijftien dagen een aanvullend verslag met betrekking tot dit onderwerp op. Dit verslag wordt bij de oproeping gevoegd.
   De vordering waarbij de afdeling bestuursrechtspraak wordt gevraagd de overheid te bevelen een beslissing te nemen binnen een bepaalde termijn, bedoeld in artikel 36, § 1, eerste lid, eerste zin, van de gecoördineerde wetten, of de vordering waarbij ze wordt gevraagd de overheid te verbieden een beslissing te nemen, bedoeld in artikel 36, § 1, derde lid, van dezelfde wetten, wordt uiterlijk in de laatste memorie geformuleerd.
   Bij het verstrijken van de in het tweede en derde lid bedoelde termijnen bepaalt de kamervoorzitter de datum waarop de zaak behandeld zal worden.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-28/02, art. 4, 015; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 14bis. <KB 2000-06-20/38, art. 1, Inwerkingtreding : 01-08-2000> § 1. Voor de toepassing van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, stelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, de partijen ervan in kennis dat de kamer uitspraak zal doen onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord.
  Indien geen van de partijen vraagt om te worden gehoord, doet de kamer uitspraak onder aanvoering dat het vereiste belang ontbreekt.
  Indien een partij vraagt om te worden gehoord, roept de voorzitter of de aangewezen staatsraad de partijen op om op korte termijn te verschijnen. Na de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat te hebben gehoord, doet de kamer onverwijld uitspraak over het ontbreken van het vereiste belang.
  § 2. Bij de kennisgeving van de memorie van antwoord aan de verzoekende partij of wanneer hij haar ervan in kennis stelt dat zo'n memorie niet binnen de voorgeschreven termijn is ingediend, maakt de hoofdgriffier melding van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten, alsmede van de eerste paragraaf van dit artikel.

  Art. 14ter. <ingevoegd bij KB 07-01-1991, art. 7> Bij het versturen van een kopie van het verzoekschrift aan de (verwerende partij) maakt de hoofdgriffier melding van artikel 21, derde tot vijfde lid, van de gecoördineerde wetten. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 14quater.<KB 2000-06-26/38, art. 2, Inwerkingtreding : 01-08-2000> (...) Het verzoek tot voortzetting van de procedure, bedoeld in artikel 21, [1 zevende lid]1, van de gecoördineerde wetten, wordt bij ter post aangetekende brief ingediend. <KB 2007-04-25/32, art. 15, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Wanneer binnen de termijn bepaald in artikel 21, [1 zevende lid]1, van de gecoördineerde wetten, geen verzoek wordt ingediend, stelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, de verzoekende partij ervan in kennis dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij de verzoekende partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord.
  Indien de verzoekende partij niet vraagt om te worden gehoord, spreekt de kamer de afstand van geding uit.
  Indien de verzoekende partij vraagt om te worden gehoord, roept de voorzitter of de aangewezen staatsraad de partijen op om op korte termijn te verschijnen. Na de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat te hebben gehoord, doet de kamer onverwijld uitspraak over de afstand van geding.
  (...) <KB 2007-04-25/32, art. 15, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 3, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 14quinquies. <Ingevoegd bij KB 2007-04-25/32, art. 16; Inwerkingtreding : 01-06-2007> Het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging bedoeld in artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten wordt ingediend bij een ter post aangetekende brief.
  Indien geen enkel verzoek is ingediend binnen de termijn gesteld in artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten, deelt de hoofdgriffier op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat aan de verwerende partij en aan de tussenkomende partij mee dat de kamer uitspraak zal doen over de nietigverklaring van de bestreden akte, tenzij één van hen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord.
  Indien geen enkele partij vraagt om te worden gehoord, kan de kamer de bestreden akte nietig verklaren.
  Indien een partij vraagt om te worden gehoord, roept de voorzitter of de aangewezen staatsraad de partijen op om op korte termijn te verschijnen. De kamer doet onverwijld uitspraak over het beroep tot nietigverklaring, de partijen en het aangewezen lid van het auditoraat in zijn advies gehoord.

  Art. 14sexies.<Ingevoegd bij KB 2007-04-25/32, art. 17; Inwerkingtreding : 01-06-2007> Bij de kennisgeving van het verslag aan de partijen maakt de hoofdgriffier melding van :
  - artikel 14;
  - artikel 21, [1 zevende lid]1, van de gecoördineerde wetten, alsmede van artikel 14quater ;
  - artikel 30, § 3, van de gecoördineerde wetten, alsmede van artikel 14quinquies.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 4, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 14septies. [1 In het geval bedoeld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten, wordt, indien de termijn die bij artikel 14 van de algemene procedureregeling wordt toegekend om een laatste memorie in te dienen niet is verstreken, in de beschikking tot vaststelling van de rechtsdag de termijn vastgesteld waarbinnen de partij die nog geen laatste memorie heeft ingediend, zulks moet doen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-28/02, art. 5, 015; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 15. <KB 07-01-1991, art. 6> Het arrest moet worden uitgesproken binnen twaalf maanden na de dag waarop met toepassing van artikel 12 of eventueel van artikel 13, verslag over de zaak werd uitgebracht.

  Sectie III. - De maatregelen van onderzoek.

  Art. 16. (De Staatsraad, de auditeur-generaal of het aangewezen lid van het auditoraat kan) rechtstreeks briefwisseling voeren met alle overheden en haar alle dienstige inlichtingen vragen. <KB 2007-04-25/32, art. 18 en 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Zij zijn er toe gerechtigd zich alle bescheiden te laten overleggen door de administratieve overheden.
  Zij kunnen (van de partijen en van hun advocaten) alle aanvullende ophelderingen vorderen. <KB 2007-04-25/32, art. 18, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 17. <KB 2007-04-25/32, art. 19 en 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> De Staatsraad, de auditeur-generaal of het aangewezen lid van het auditoraat kunnen de partijen en alle andere personen horen.
  De partijen en hun advocaten worden opgeroepen.
  Het proces-verbaal van verhoor wordt ondertekend door de Staatsraad, de auditeur-generaal of het aangewezen lid van het auditoraat, alsmede door de griffier en de gehoorde persoon.

  Art. 18. (Opgeheven) <KB 2007-04-25/32, art. 20, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 19. (De Staatsraad, de auditeur-generaal of het aangewezen lid van het auditoraat kan) ter plaatse overgaan tot alle vaststellingen. <KB 2007-04-25/32, art. 21, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De partijen en hun advocaten worden opgeroepen (...). <KB 2007-04-25/32, art. 21, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 20. (De Staatsraad, de auditeur-generaal of het aangewezen lid van het auditoraat kan) deskundigen aanstellen en hun opdracht bepalen. <KB 2007-04-25/32, art. 22 en 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De griffier betekent de beslissing aan de deskundigen en aan de partijen.
  Binnen acht dagen na deze betekening, stellen de deskundigen per ter post aangetekend schrijven, elke partij (...) in kennis van de plaats, de dag en het uur waar en waarop zij hun verrichtingen zullen aanvangen. <KB 2007-04-25/32, art. 22, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 21. De nodige stukken worden de deskundigen ter hand gesteld; de partijen kunnen zodanige voordrachten en vorderingen doen als zij het goedvinden; melding er van wordt gemaakt in het verslag, waarvan de inleidende gegevenen ter kennis worden gebracht van de partijen.

  Art. 22. Behoudens belet, dat door de griffier op het ogenblik van het verslag wordt vastgesteld, wordt het verslag getekend door al de deskundigen.
  (De handtekening van de deskundigen wordt voorafgegaan door de eed :
  " Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb. "
  of
  " Je jure avoir rempli ma mission en honneur et conscience avec exactitude et probité. "
  of
  " Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und ehrlich erfüllt habe. ") <KB 2007-04-25/32, art. 23, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De minuut van het verslag wordt ter griffie neergelegd. De partijen worden hiervan door de griffier in kennis gesteld.

  Art. 23. De kamer kan in de loop van de debatten en op de terechtzitting de deskundigen ter informatie horen. De deskundigen worden door de griffier opgeroepen.

  Art. 24. De kamer kan, om gewichtige redenen en bij gemotiveerde beslissing, een einde maken aan de zending van de deskundigen en in hun vervanging voorzien na hen te hebben gehoord.
  De griffier betekent de beslissing aan de deskundigen en aan de partijen.

  Art. 25. In geval van verhoor der getuigen ter terechtzitting worden de partijen en hun advokaten (...) opgeroepen. <KB 2007-04-25/32, art. 24, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (Tweede lid opgeheven) <KB 2007-04-25/32, art. 24, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Het proces-verbaal van verhoor wordt getekend door de voorzitter van de kamer, de griffier en de gehoorde persoon.

  Hoofdstuk III. [1 - De schadevergoeding tot herstel.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-04-25/99, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 25/1.[1 Het in artikel 11bis van de gecoördineerde wetten bedoelde verzoek tot schadevergoeding tot herstel kan geformuleerd worden:
   1° gelijktijdig met het beroep tot nietigverklaring;
   2° of tijdens de procedure tot nietigverklaring;
   3° of ten laatste binnen de zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid [2 ...]2 werd vastgesteld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-04-25/99, art. 2, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (2)<KB 2017-12-25/29, art. 5, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 25/2. [1 § 1. Wanneer het verzoek tot schadevergoeding tot herstel geformuleerd wordt in dezelfde akte als het beroep tot nietigverklaring, bevat de titel van het verzoekschrift bovendien de vermelding "verzoek tot schadevergoeding tot herstel". Het verzoekschrift bevat het bedrag van de gevraagde vergoeding en een uiteenzetting die aantoont welk nadeel geleden wordt door de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing.
   § 2. Wanneer het verzoek tot schadevergoeding tot herstel geformuleerd wordt bij een afzonderlijke akte van het verzoekschrift tot nietigverklaring, wordt deze akte gedateerd en ondertekend door de partij of een advocaat die beantwoordt aan de in artikel 19, vierde lid, van de gecoördineerde wetten vastgelegde bepalingen.
   In dit geval bevat het verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel bovendien:
   1° de titel "verzoek tot schadevergoeding tot herstel";
   2° het kenmerk van het beroep tot nietigverklaring of van het desbetreffende arrest;
   3° de naam, hoedanigheid en woonplaats of zetel van de partij die de schadevergoeding aanvraagt, evenals de gekozen woonplaats bedoeld in artikel 84, § 2, eerste lid;
   4° het bedrag van de gevraagde vergoeding en een uiteenzetting die aantoont welk nadeel geleden wordt door de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing.
   § 3. De stukken die het verzoek staven worden bijgevoegd bij het verzoekschrift, samen met een inventaris. Ze zijn alle overeenkomstig die inventaris genummerd.
   § 4. De artikelen 2, § 2, en 3, 4°, zijn van toepassing op het verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel.
   Bovendien, onverminderd de toepassing van artikel 3bis, wordt dit verzoekschrift niet op de rol ingeschreven indien de vermeldingen bedoeld in paragrafen 1 en 2 er niet hernomen worden of indien er geen inventaris bedoeld in paragraaf 3 is bijgevoegd.
   In geval van toepassing van het tweede lid, richt de hoofdgriffier aan de verzoekende partij een brief waarin meegedeeld wordt waarom het verzoekschrift niet is ingeschreven op de rol en waarbij die partij verzocht wordt binnen vijftien dagen haar verzoekschrift te regulariseren.
   De verzoekende partij die haar verzoekschrift regulariseert binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek bedoeld in het derde lid, wordt geacht het te hebben ingediend op de datum van de eerste verzending ervan.
   Een verzoekschrift dat niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt geacht niet te zijn ingediend.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-04-25/99, art. 3, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 25/3.[1 § 1. Wanneer het verzoek tot schadevergoeding tot herstel geformuleerd wordt op hetzelfde moment als het beroep tot nietigverklaring, kan dit verzoek gelijktijdig met het beroep onderzocht en beoordeeld worden als het aangewezen lid van het auditoraat van mening is dat hij over alle hiertoe nuttige gegevens beschikt.
   Als dit niet het geval is, wordt het onderzoek van dat verzoek uitgesteld tot aan het arrest waarbij definitief uitspraak wordt gedaan over dat beroep tot nietigverklaring. Indien het arrest een onwettigheid vaststelt, wordt gehandeld overeenkomstig paragraaf 4.
   § 2. Wanneer het verzoek tot schadevergoeding tot herstel geformuleerd wordt tijdens de procedure tot nietigverklaring, wordt het onderzoek ervan uitgesteld tot aan het arrest dat een definitieve uitspraak doet over het beroep tot nietigverklaring.
   § 3. Indien geen onwettigheid wordt vastgesteld, wijst het arrest dat de procedure tot nietigverklaring afsluit, eveneens het verzoek om schadevergoeding tot herstel af.
   § 4. Wanneer het verzoek tot schadevergoeding tot herstel geformuleerd wordt binnen de zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid [2 ...]2 werd vastgesteld, of als het onderzoek van dat verzoek uitgesteld is en het verzoek niet afgewezen is overeenkomstig paragraaf 3, stuurt de hoofdgriffier [2 , nadat het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, overeenkomstig artikel 71 zijn betaald,]2 een kopie van het verzoek naar de verwerende partij. De verwerende partij heeft zestig dagen om een memorie van antwoord te sturen naar de griffie. De hoofdgriffier stuurt een kopie van de memorie van antwoord naar de partij die de vergoeding aanvraagt of deelt mee dat er geen memorie van antwoord is. De partij die de vergoeding aanvraagt heeft zestig dagen om een memorie van wederantwoord of een toelichtende memorie aan de griffie te bezorgen. Een kopie hiervan zal door de hoofdgriffier naar de verwerende partij gestuurd worden.
   Er wordt vervolgens gehandeld overeenkomstig de artikelen 11, 12 tot 14bis, 14sexies, eerste en tweede streepje, 16, 17 en 19 tot 25. Het verslag over het verzoek tot schadevergoeding tot herstel wordt doorgestuurd naar de griffie binnen de maand van de dag waarop het aangewezen lid van het auditoraat in het bezit is van de memories en van het volledige dossier van de zaak. Het verzoek tot voortzetting van de procedure bedoeld in artikel 14 is niet van toepassing op de procedure van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. De laatste memorie die na de termijn van dertig dagen wordt ingediend wordt ambtshalve uit de debatten geweerd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-04-25/99, art. 4, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (2)<KB 2017-12-25/29, art. 6, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  TITEL II. - DE TERECHTZITTING EN DE VERWIJZING NAAR DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE AFDELING.

  Hoofdstuk I. - De terechtzitting.

  Art. 26.<KB 2007-04-25/32, art. 25, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> [1 § 1.]1 Binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn voor het indienen van de laatste memories kunnen de partijen, wanneer geen enkele laatste memorie werd ingediend, in een gezamenlijke verklaring, beslissen dat de zaak niet op een terechtzitting dient te worden behandeld, indien in het beroep tot nietigverklaring het verslag zonder voorbehoud tot verwerping of tot nietigverklaring besluit en indien in dat verslag evenmin verzocht wordt om nadere inlichtingen of uitleg.
  De kamer kan om mondelinge uitleg verzoeken omtrent de punten die ze aangeeft. Te dien einde stelt ze bij een beschikking, die de hoofdgriffier ter kennis brengt van de partijen en van de auditeur, de datum vast waarop de partijen en de auditeur zullen worden gehoord.
  [1 § 2. De kamer kan bij de ingereedheidbrenging van de zaak en behoudens bezwaar van het aangewezen lid van het auditoraat bij een beschikking aan de partijen voorstellen dat de zaak die in staat van wijzen is niet op een terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen om een behandeling op een terechtzitting verzoekt. Behoudens zulk verzoek wordt het debat gesloten en wordt de zaak in beraad genomen op de datum die de kamer in die beschikking bepaalt. Als binnen de gestelde termijn ten minste één van de partijen daarom verzoekt, worden de partijen gehoord op de terechtzitting. Een partij die geen verzoek daartoe indient, wordt verondersteld akkoord te gaan met het voorstel.
   De beschikking maakt melding van dit artikel en wijst uitdrukkelijk op de gevolgen bij stilzitten van de partijen.
   De kamer beslist ambtshalve, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat of van één van de partijen, dat de zaak toch ter terechtzitting wordt opgeroepen wanneer een nieuw en ter zake dienend gegeven een tegensprekelijk mondeling debat verantwoordt.]1
  ----------
  (1)<KB 2021-04-26/04, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 13-05-2021>

  Art. 27. De aanwezigen wonen de zitting bij met onbedekt hoofd, eerbiedig en in stilte; hetgeen de voorzitter met het oog op de handhaving van de orde beveelt, wordt stipt en terstond uitgevoerd.
  Hetzelfde voorschrift wordt nageleefd in de plaatsen waar, hetzij de (staatsraden), hetzij de leden van het auditoraat de functies van hun ambt waarnemen. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 28. <KB 2007-04-25/32, art. 26, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> De partijen en hun advocaten worden vijftien dagen vooraf in kennis gesteld van de datum van de terechtzitting.

  Art. 29. <KB I 15-07-1956, art. 5> Een andere (staatsraad) dan degene die eventueel het aanvullend verslag over de onderzoeksverrichtingen heeft opgemaakt, (zet de stand van de zaak uiteen). <KB 2007-04-25/32, art. 27 en 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (...), de partijen en hun advocaten kunnen mondelinge opmerkingen naar voren brengen. <KB 2007-04-25/32, art. 27, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Geen andere middelen mogen worden aangevoerd dan die welke in het verzoekschrift of in de memorie zijn uiteengezet.
  Aan het einde van de debatten, geeft het lid van het auditoraat (verslaggever) zijn advies over de zaak. <KB 2007-04-25/32, art. 27, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De voorzitter van de kamer verklaart daarna de debatten voor gesloten en houdt de zaak in beraad.

  Hoofdstuk II. - De verwijzing naar de algemene vergadering van de afdeling.

  Art. 30. Zo er grond bestaat tot verwijzing naar de algemene vergadering van de afdeling, wordt (de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt) hiervan door de kamer in kennis gesteld. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 31. Bij bevel gelast (de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt) een (staatsraad) verslag uit te brengen over de stand van de zaak. De aangewezen (staatsraad) kan zich door de leden van het auditoraat laten bijstaan. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 32. Door (de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt) wordt de algemene vergadering van de afdeling bijeengeroepen en voor het overige wordt gehandeld in overeenstemming met het bepaalde bij de artikelen 13 tot 29. De bij artikel 15 voorziene termijnen gaan evenwel slechts in met de dag waarop (de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt) een verslaggever heeft aangewezen. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  TITEL III. - DE (...) ARRESTEN <KB 2007-04-25/32, art. 28, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Artikel 33. (Opgeheven) <KB 2007-04-25/32, art. 29, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 34. <KB I 15-07-1956, art. 6> (Het arrest) bevat de gronden en het beschikkend gedeelte en vermeldt : <KB 2007-04-25/32, art. 30, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  1) (de namen, de woonplaats of de zetel van de partijen, de door hen gekozen woonplaats en, in voorkomend geval, de naam en de hoedanigheid van de persoon die deze vertegenwoordigt;) <KB 2007-04-25/32, art. 30, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  2) de bepalingen op het gebruik der talen, die zijn toegepast;
  3) de oproeping van partijen, van hun advocaten (...), alsmede hun eventuele aanwezigheid op de terechtzitting; <KB 2007-04-25/32, art. 30, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  4) (het feit dat het advies van het lid van het auditoraat al dan niet overeenstemt met het arrest;) <KB 2007-04-25/32, art. 30, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  5) de uitspraak in openbare terechtzitting, de datum daarvan en de namen der (staatsraden) die er over hebben beraadslaagd. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 35. De (...) arresten worden door de voorzitter en de griffier getekend. <KB 2007-04-25/32, art. 31, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  TITEL IV. - BETEKENING EN UITVOERING.

  Art. 36.<KB 2007-04-25/32, art. 32, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007> De arresten worden door de griffier ter kennis gebracht van de partijen.
  Evenwel wordt bij gewone brief een ongezegeld afschrift toegezonden van de arresten die besluiten tot uitdrukkelijke afstand of tot een vermoeden van afstand of die de afwezigheid van het vereiste belang vaststellen, met toepassing van de artikelen [1 17, § 7]1, en 21, [1 tweede en zevende lid]1, van de gecoördineerde wetten, van de arresten waarin een zaak van de rol wordt geschrapt, alsmede van de arresten waarin besloten wordt dat het beroep doelloos is.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 7, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 37. <KB 29-04-1959, art. 1> De arresten zijn van rechtswege uitvoerbaar. De Koning verzekert hun uitvoering. De griffier brengt op de uitgiften, na het beschikkend gedeelte, en naar gelang van het geval, een der hiernavolgende uitvoeringsformulieren aan :
  "De ministers en de administratieve overheden, wat hen aangaat, zijn gehouden te zorgen voor de uitvoering van dit arrest. De daartoe aangezochte (gerechtsdeurwaarders) zijn gehouden hiertoe hun medewerking te verlenen wat betreft de dwangmiddelen van gemeen recht. <W 05-07-1963, art. 48>
  Les ministres et les autorités administratives, en ce qui les concerne, sont tenus de pourvoir ŕ l'exécution du présent arręt. Les (huissiers de justice) ŕ ce requis ont ŕ y concourir en ce qui concerne les voies de droit commun. <W 05-07-1963, art. 48>
  Die Minister und die Verwaltungsbehörden haben, was sie anbetrifft, für die Vollstreckung dieses Beschlusses zu sorgen. Die dazu angeforderten Gerichtsvollzieher haben betreffs der gemeinrechtlichen Zwangsmittel ihren Beistand zu leisten".
  De uitgiften worden afgegeven door de griffier, die ze tekent en ze met het zegel van de Raad van State bekleedt.

  Art. 38. (Opgeheven) <KB 2006-11-30/31, art. 53, 005; Inwerkingtreding : 01-12-2006>

  Art. 39. In geval van vernietiging of van wijziging worden de arresten bekendgemaakt in dezelfde vormen als de akten, reglementen of beslissingen die vernietigd werden.
  De Raad van State beslist of het arrest geheel of gedeeltelijk dient bekendgemaakt.
  (Deze bekendmaking wordt onverwijld gedaan door de verwerende partij, op verzoek van de hoofdgriffier.) <KB 2007-04-25/32, art. 33, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  TITEL V. - (VERZET, DERDEN-VERZET EN BEROEP TOT HERZIENING). <KB 17-11-1955, art. 1>

  Hoofdstuk I. - Het verzet.

  Art. 40.Zijn alleen vatbaar voor verzet, de arresten gewezen op grond van (de artikelen [1 11bis,]1 14, §§ 1 en 3, en 16 van de gecoördineerde wetten) (...). <KB II 15-07-1956, art. 13> <KB 2007-04-25/32, art. 34, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Het verzet schorst de uitvoering niet, terzij er anders over beslist wordt, hetzij in het arrest, hetzij bij een later bevelschrift.
  [1 Het verzet wordt ambtshalve uitgebreid tot het arrest dat de verwerende partij veroordeelt tot de betaling van een schadevergoeding tot herstel, als dit arrest gebaseerd is op de onwettigheid die vastgesteld werd in het arrest waartegen het verzet gericht is.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/99, art. 5, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 41. Wordt geacht verstek te hebben laten gaan, de partij die zich (voor de afdeling bestuursrechtspraak) van alle verdediging onthield. <KB 2007-04-25/32, art. 35, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Het verzet is slechts ontvankelijk zo de eiser in verzet in de onmogelijkheid verkeerde zich te verdedigen.
  Het verzet tegen een arrest dat een eerste verzet heeft afgewezen, is onontvankelijk.
  Het verzet van de verzoekende of tussenkomende partij zal steeds onontvankelijk zijn.

  Art. 42. Het verzet is slechts ontvankelijk binnen dertig dagen na de betekening van het arrest.

  Art. 43. Het verzet wordt gedaan bij verzoekschrift, gesteld overeenkomstig de artikelen 1 en 2.
  In het verzoekschrift worden bovendien de omstandigheden uiteengezet waardoor hij die verzet doet in de onmogelijkheid werd gesteld zich te verdedigen.

  Art. 44.[1 Nadat het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, overeenkomstig artikel 71 zijn betaald, verzendt de hoofdgriffier een kopie van het verzoekschrift aan de verwerende partij.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 8, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 45. Binnen vijftien dagen, kan de (verwerende partij) ter griffie een memorie van antwoord laten geworden. Deze termijn kan niet verlengd worden. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Een afschrift van de memorie wordt door de griffier aan de eiser in verzet overgemaakt.

  Art. 46. Bij het verstrijken van de termijn voorgeschreven voor het overmaken van de memorie van antwoord, dient gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 12 en volgende.

  Hoofdstuk II. - Het derden-verzet.

  Art. 47.Zijn alleen vatbaar voor derden-verzet de arresten gewezen op grond van (de artikelen [1 11bis,]1 14, §§ 1 en 3, en 16 van de gecoördineerde wetten) (...). <KB II 15-07-1956, art. 13> <KB 2007-04-25/32, art. 36, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Het derden-verzet schorst de uitvoering niet tenzij anders beslist wordt bij bevel van de voorzitter der kamer bij dewelke de zaak aanhangig is.
  [1 Het derden-verzet wordt ambtshalve uitgebreid tot het arrest dat de verwerende partij veroordeelt tot de betaling van een schadevergoeding tot herstel, als dit arrest gebaseerd is op de onwettigheid die vastgesteld werd in het arrest waartegen het derden-verzet gericht is.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/99, art. 6, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 48. Kan derden-verzet doen om het even wie zich wil verzetten tegen een arrest dat zijn rechten benadeelt en waarbij noch hij, noch degenen die hij vertegenwoordigt, partij zijn geweest.
  Is niet ontvankelijk het derden-verzet van hem die verzuimd heeft vrijwillig tussen te komen in de zaak, wanneer hij er nochtans kennis van had.

  Art. 49. Het derden-verzet is slechts ontvankelijk binnen dertig dagen na de bekendmaking van het arrest en bij ontstentenis hiervan, binnen dertig dagen na de uitvoering.

  Art. 50.Het derden-verzet wordt gedaan bij verzoekschrift gesteld overeenkomstig de artikelen 1 en 2. Een afschrift er van wordt door de griffier aan de (verwerende partijen) overgemaakt [1 nadat het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, overeenkomstig artikel 71 zijn betaald]1. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Het derden-verzet wordt aanhangig gemaakt bij de kamer die het bestreden arrest heeft gewezen.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 9, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Hoofdstuk III. - (De beroepen tot herziening.) <Hoofdstuk ingevoegd bij KB 17-11-1955, art. 1>

  Art. 50bis.<KB 17-11-1955, art. 1> Zijn alleen vatbaar voor beroep tot herziening de arresten op tegenspraak gewezen op grond van (de artikelen [1 11bis,]1 14, §§ 1 en 3, en 16 van de gecoördineerde wetten) (...). <KB I 15-07-1956, art. 13> <KB 2007-04-25/32, art. 37, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Het beroep tot herziening schorst de uitvoering niet, tenzij er anders wordt over beschikt bij bevel van de voorzitter van de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is.
  [1 Het beroep tot herziening wordt ambsthalve uitgebreid tot het arrest dat de verwerende partij veroordeelt tot de betaling van een schadevergoeding tot herstel, als dit arrest gebaseerd is op de onwettigheid die vastgesteld werd in het arrest waartegen het beroep tot herziening gericht is.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/99, art. 7, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 50ter. <KB 17-11-1955, art. 1> Het beroep tot herziening kan alleen worden ingesteld door degenen die bij het bestreden arrest partij waren.

  Art. 50quater. <KB 17-11-1955, art. 1> Het beroep tot herziening is slechts ontvankelijk wanneer het ingesteld wordt binnen zestig dagen nadat ontdekt werd dat het stuk vals is of dat het achtergehouden stuk bestaat.

  Art. 50quinquies.<KB 17-11-1955, art. 1> Het beroep tot herziening wordt gedaan bij een overeenkomstig de artikelen 1 en 2 gesteld verzoekschrift. [1 Nadat het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, overeenkomstig artikel 71 zijn betaald, wordt een afschrift van het verzoekschrift door de hoofdgriffier gestuurd aan de andere partijen in het bestreden arrest.]1
  Het beroep tot herziening wordt aanhangig gemaakt bij de kamer die het bestreden arrest heeft gewezen.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 10, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 50sexies. <KB 17-11-1955, art. 1> Geen beroep tot herziening kan ingesteld worden tegen het arrest dat een zodanig beroep heeft verworpen, of tegen het arrest dat, na het beroep te hebben aangenomen, ten principale uitspraak zal hebben gedaan.
  Een zelfde partij mag geen tweede beroep tot herziening instellen tegen een arrest, waartegen zij reeds dat rechtsmiddel heeft aangewend.

  TITEL VI. - DE TUSSENGESCHILLEN.

  Hoofdstuk I. - Inschrijving van valsheid.

  Art. 51. Zo een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, wordt de partij die het stuk heeft overgelegd door de (staatsraad) of het lid van het auditoraat belast met het onderzoek, of door de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is, verzocht zonder verwijl te verklaren of zij volhardt in haar bedoeling er van gebruik te maken. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Zo de partij op deze vraag niet ingaat, of zo zij verklaart dat zij van het stuk geen gebruik wenst te maken, wordt het verworpen.
  Zo zij verklaart dat zij er gebruik wil van maken, wordt er zonder verwijl verslag over uitgebracht bij de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is.
  Wanneer deze oordeelt dat het van valsheid beticht stuk geen invloed heeft op haar eindbeslissing, wordt er geen rekening mede gehouden.
  Zo zij, integendeel, oordeelt dat het stuk van wezenlijk belang is voor de oplossing van het geschil, dan schorst zij het geding tot het bevoegd rechtscollege over de valsheid uitspraak heeft gedaan.

  Hoofdstuk II. - (De tussenkomst.) <KB 07-01-1991, art. 8>

  Art. 52,[1 § 1. Het verzoekschrift tot tussenkomst wordt ingediend uiterlijk binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de zending bedoeld in artikel 6, § 4, of de bekendmaking van het bericht bedoeld in artikel 3quater.
   Bij ontstentenis van kennisgeving of bekendmaking kan de met de zaak belaste kamer een latere tussenkomst toelaten, voor zover deze de procedure niet vertraagt.
   § 2. Het verzoekschrift tot tussenkomst wordt ondertekend door de verzoeker tot tussenkomst of door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, vierde lid, van de gecoördineerde wetten.
   § 3. Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat :
   1° het opschrift " verzoekschrift tot tussenkomst ";
   2° de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de verzoeker tot tussenkomst en de gekozen woonplaats;
   3° de vermelding van de zaak waarin tot tussenkomst verzocht wordt en het rolnummer waaronder de zaak ingeschreven is, als het gekend is;
   4° een uiteenzetting van het belang dat de verzoeker tot tussenkomst heeft bij de beslechting van de zaak.
   § 4. Artikel 2, § 2, artikel 3, 4°, en artikel 84, § 2, zijn van toepassing op het verzoekschrift tot tussenkomst.
   § 5. Elk verzoekschrift tot tussenkomst geldt zowel voor het beroep tot nietigverklaring als voor de eventuele vorderingen die er een accessorium van zijn.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-28/02, art. 6, 015; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 53.[1 Nadat het aan de tussenkomst verbonden rolrecht werd betaald, doet de voorzitter van de met de tussenkomst belaste kamer, of de door hem aangewezen staatsraad, onverwijld uitspraak over de ontvankelijkheid ervan.
   Indien de tussenkomst bij een beschikking toegelaten werd, beschikt de tussenkomende partij over een termijn van zestig dagen om een memorie in te dienen. Die termijn gaat in op het ogenblik van de kennisgeving van die beschikking.
   Indien de tussenkomst werd toegelaten in de procedure in kort geding, zijn de termijnen waarover de tussenkomende partij beschikt om een memorie in te dienen, dezelfde als de termijnen voor de verwerende partij.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 11, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 54. (...) <W 1990-10-17/37, art. 21, Inwerkingtreding : 13-11-1990>.

  Hoofdstuk III. - De hervatting van het rechtsgeding.

  Art. 55. Zo, vóór de sluiting der debatten, een der partijen komt te overlijden, bestaat er grond tot hervatting van het rechtsgeding.
  Behoudens spoedeisend geval, wordt de rechtspleging geschorst gedurende de termijn die aan de erfgenamen wordt toegekend om inventaris op te maken en te beraadslagen.

  Art. 56. De rechthebbenden van de overledene hervatten het recht sgeding bij een verzoekschrift dat, gesteld overeenkomstig artikel 1, ter griffie wordt ingediend.
  De griffier maakt een kopie van dit verzoekschrift over aan de partijen.

  Art. 57. Bij het verstrijken der termijnen voor het opmaken van inventaris en voor beraad wordt de rechtspleging geldig hervat tegen de rechthebbenden van de overledene, bij verzoekschrift gesteld overeenkomstig artikel 1.

  Art. 58. In de andere gevallen waarin grond bestaat tot hervatting van het rechtsgeding, geschiedt zulks door een verklaring ter griffie.

  Hoofdstuk IV. - De afstand van het geding.

  Art. 59. Wanneer uitdrukkelijk wordt afgezien van de vraag, doet de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is, zonder verwijl over de afstand uitspraak.

  Hoofdstuk V. - De verknochtheid.

  Art. 60. Zo er grond toe bestaat door eenzelfde arrest uitspraak te doen over meerdere zaken, die bij verschillende kamers aanhangig zijn, kan (de korpschef die de afdeling bestuursrechtspraak leidt), hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de auditeur-generaal, hetzij op verzoek van de partijen, bij bevel de kamer aanwijzen die van de zaken zal kennis nemen. <KB 2007-04-25/32, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  Dit bevelschrift wordt door de griffier aan de partijen betekend.
  Geldt het zaken die bij dezelfde kamer aanhangig zijn, kan de samenvoeging er van door deze kamer bevolen worden.

  Hoofdstuk VI. - De wraking.

  Art. 61. (Opgeheven) <KB 2007-04-25/32, art. 40, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 62. (De leden van de afdeling bestuursrechtspraak en van het auditoraat) kunnen gewraakt worden in het geval voorzien bij voorgaand artikel alsmede om de redenen die (luidens de artikelen 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek) tot wraking aanleiding geven. <KB 31-12-1968, art. 2> <KB 2007-04-25/32, art. 41, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (Ieder lid van de afdeling bestuursrechtspraak of van het auditoraat dat weet dat hem een grond van wraking treft, moet, naargelang van het geval de kamer of de auditeur-generaal daarvan verwittigen, die beslist of het lid van de bedoelde afdeling of van het auditoraat zich al dan niet moet onthouden.) <KB 2007-04-25/32, art. 41, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 63. Hij die wil wraken moet het doen zodra hij van de wrakingsgrond heeft kennis gehad.

  Art. 64. De wraking wordt, overeenkomstig artikel 1, bij gemotiveerd verzoekschrift gevraagd.

  Art. 65. Nadat de wrakende partij en het gewraakte lid zijn gehoord, wordt zonder verwijl over de wraking uitspraak gedaan.

  Hoofdstuk VII.
  <Opgeheven bij KB 2017-12-25/29, art. 12, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 65/1.
  <Opgeheven bij KB 2017-12-25/29, art. 12, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  TITEL VII. - KOSTEN EN [1 rechtsbijstand]1.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 13, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Hoofdstuk I. - Kosten.

  Art. 66. <KB I 15-07-1956, art. 8> De kosten omvatten :
  1) de [1 in artikel 70 bedoelde]1 rechten; <KB 2007-04-25/32, art. 42, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  2) de honoraria en verschotten van de deskundigen;
  3) het getuigengeld.
  [1 4° de verblijf- en de reiskosten veroorzaakt door onderzoeksdaden;]1
  [2 5° de rechtsplegingvergoeding bedoeld in artikel 67.]2
  [3 6° de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand."
   De bepaling ingevoegd door het vorige lid kan door de Koning worden opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen.]3
  ----------
  (1)<KB 2014-01-30/02, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<KB 2014-03-28/04, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 02-04-2014>
  (3)<W 2017-04-26/05, art. 3, 019; Inwerkingtreding : 01-03-2018>
  

  Art. 67.[1 § 1. Het basisbedrag van de rechtsplegingvergoeding bedraagt 700 euro, het minimumbedrag 140 euro en het maximumbedrag 1.400 euro.
   In afwijking van het voorgaande lid bedraagt het maximumbedrag 2.800 euro voor de geschillen betreffende de regelgeving inzake de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten.
   § 2. Het basis-, minimum- of maximumbedrag bedoeld in paragraaf 1 wordt verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met 20 procent van dit bedrag, als het beroep tot nietigverklaring gepaard gaat met een vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen, of als de vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend wordt en gepaard gaat met een beroep tot nietigverklaring.
   De bedragen van deze verhogingen worden gecumuleerd, maar de zo verhoogde rechtsplegingvergoeding mag niet meer bedragen dan 140 procent van het basis-, minimum- of maximumbedrag bedoeld in paragraaf 1.
   Er is geen verhoging verschuldigd, met name als de afdeling bestuursrechtspraak beslist dat het beroep tot nietigverklaring doelloos is of dat het slechts korte debatten vereist, of als de artikelen 11/2 tot 11/4 van dit besluit van toepassing zijn.
   § 3. De basis-, minimum- en maximumbedragen zijn verbonden aan de consumptieprijsindex die overeenstemt met 100,66 punten (basis 2013). Elke wijziging naar boven of naar beneden van 10 punten zal een vermeerdering of vermindering van 10 % van de in paragraaf 1 van dit artikel bedoelde bedragen met zich meebrengen.
   De nieuwe bedragen die voortvloeien uit die wijzigingen zijn van toepassing op de 1ste dag van de maand die volgt op de dag waarop de drempel van 10 % wordt bereikt.
   De minister van Binnenlandse Zaken is gemachtigd tot het aanpassen van de bedragen van dit besluit overeenkomstig de formule van het eerste lid.]1
  ----------
  (1)<Hersteld bij KB 2014-03-28/04, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 02-04-2014>

  Art. 68. ((Wanneer de Raad van State bij arrest uitspraak doet, worden de honoraria en voorschotten van de deskundigen evenals het getuigengeld door de verzoeker voorgeschoten; de Raad kan de consignatie van een voorschot gelasten.) <KB 2007-07-19/32, art. 2, 1°, 009; Inwerkingtreding : 11-08-2007>
  (Is de aanvraag of het beroep door een publiekrechtelijke rechtspersoon ingediend, dan worden de rechten bedoeld [1 in artikel 70 bedoelde ]1 [2 en de in artikel 66, 6°, bedoelde bijdrage]2 door de griffier van de Raad van State in debet begroot, en worden de honoraria en voorschotten der deskundigen alsmede het getuigengeld voorgeschoten door de Federale Overheidsdienst Financiën en als uitgaven in de rekeningen ten bezware der begroting van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken geboekt.) <KB 2007-04-25/32, art. 43, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  [1 De Raad van State begroot de in artikel 66 bedoelde uitgaven en doet uitspraak over de bijdrage in de betaling ervan.]1
  (Wanneer verzocht wordt om de schorsing van de uitvoering van de akte of het reglement van een administratieve overheid, worden in het arrest van de Raad van State terzelfdertijd de kosten van de vordering tot schorsing en deze van het verzoekschrift tot nietigverklaring begroot en wordt uitspraak gedaan over de bijdrage in de betaling ervan op het moment dat daarin uitspraak wordt gedaan over het verzoekschrift tot nietigverklaring.
  In ieder geval wordt het geheel van de kosten die zowel verband houden met de vordering tot schorsing als met het verzoekschrift tot nietigverklaring, ten laste gelegd van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt.
  Wanneer de vordering ot schorsing echter niet vergezeld of gevolgd wordt door een verzoekschrift tot nietigverklaring, worden in het arrest dat de schorsing opheft, de kosten begroot, waarbij zij ten laste gelegd worden [3 van de partij die geacht wordt in het ongelijk te zijn gesteld]3). <Toegevoegd bij KB 1997-02-17/36, art. 9, Inwerkingtreding : 01-04-1997>
  ----------
  (1)<KB 2014-01-30/02, art. 2, 016; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<W 2017-04-26/05, art. 4, 019; Inwerkingtreding : 01-03-2018>
  (3)<KB 2017-12-25/29, art. 14, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>
  

  Art. 69.<KB I 15-07-1956, art. 10> (De Federale Overheidsdienst Financiën doet invordering van de door de Raad van State in debet begrote rechten [1 , de in debet begrote bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°,]1 en van de andere kosten die dit bestuur heeft voorgeschoten.) <KB 2007-07-19/32, art. 3, 009; Inwerkingtreding : 11-08-2007>
  Te dien einde doet [1 de hoofdgriffier]1 aan [1 de bevoegde dienst van de FOD Financiën]1 een afschrift van (...) het eindarrest toekomen, samen met een omstandige opgave van de in te vorderen bedragen. <KB 2007-04-25/32, art. 44, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  ----------
  (1) niet in nederlands
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 15, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 70.[1 § 1. Geven aanleiding tot de betaling van een recht van 200 euro :
   1° de verzoekschriften die een aanvraag inleiden tot vergoeding voor een buitengewone schade veroorzaakt door een administratieve overheid;
   2° [3 de verzoekschriften waarbij een beroep tot nietigverklaring van akten of reglementen ingesteld wordt en de vorderingen tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen, onder de voorwaarden bepaald in het tweede lid, alsook de verzoekschriften waarbij een cassatieberoep ingesteld wordt en de verzoeken tot schadevergoeding tot herstel;]3
   3° de verzoekschriften tot verzet, tot derden-verzet of tot herziening.
   [3 Wanneer een administratief kort geding wordt ingesteld samen met een beroep tot nietigverklaring worden het recht, vastgesteld in het eerste lid, 2°, en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, enkel onmiddellijk betaald voor de vordering tot schorsing of voor de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen.]3 In dit geval is het recht voor het verzoekschrift tot nietigverklaring slechts verschuldigd bij het instellen van een vordering tot voortzetting van de procedure bedoeld bij artikel 17, § 6 of § 7, van de gecoördineerde wetten, en wordt het, naargelang van het geval, in debet ingeschreven of gekweten door de persoon of de personen die de voortzetting van de procedure vorderen, onverminderd § 2.
   Wanneer een vordering tot schorsing en een verzoekschrift tot nietigverklaring aanhangig gemaakt worden bij de afdeling bestuursrechtspraak, en wanneer deze afdeling met toepassing van artikel 93 van dit besluit van mening is dat de vordering doelloos is of slechts korte debatten vereist, geeft het verzoekschrift tot nietigverklaring geen aanleiding tot de betaling van het recht.
   In het geval van een collectief verzoekschrift tot nietigverklaring moeten de verzoekers die de schorsing niet gevorderd hebben, op straffe van niet-ontvankelijkheid, onmiddellijk het recht kwijten dat verschuldigd is voor het verzoekschrift tot nietigverklaring.
  [2 Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak het verzoek tot schadevergoeding tot herstel verwerpt bij een arrest dat wordt gewezen in toepassing van artikel 25/3, § 3, [3 zijn het daaraan verbonden recht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, niet verschuldigd]3.]2
   § 2. De verzoekschriften tot tussenkomst die ingediend worden ter zake van de geschillen bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, geven aanleiding tot de betaling van een recht van 150 euro.
   Indien een persoon die belang heeft bij de oplossing van het geschil in het raam van de schorsingsprocedure werd toegelaten als tussenkomende partij in de vordering tot schorsing, dan geeft het indienen door deze partij van een verzoek tot voortzetting van de procedure, bedoeld in artikel 17, § 6 of § 7, geen aanleiding tot het kwijten van een recht.
  [2 Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak het verzoek tot schadevergoeding tot herstel verwerpt bij een arrest dat wordt gewezen in toepassing van artikel 25/3, § 3, [3 is het aan die tussenkomst verbonden recht niet verschuldigd]3.]2
   § 3. Collectieve verzoekschriften geven aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er verzoekers zijn.
   § 4. Behoudens de kennisgevingen gedaan aan de partijen, geeft de afgifte door de griffier van een uitgifte, van een afschrift of van een uittreksel, ondertekend of niet, aanleiding tot de betaling van een recht van 50 cent per bladzijde, te berekenen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 273 en 274 van het Wetboek der registratie-, griffie- en hypotheekrechten.]1
  ----------
  (1)<hersteld bij KB 2014-01-30/02, art. 4, 016; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<KB 2014-04-25/99, art. 8, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  (3)<KB 2017-12-25/29, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 71.[1 [2 De rechten bedoeld in artikel 70 en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°,]2 worden gekweten door middel van een overschrijving of een storting op rekening IBAN nr. BE09-6792-0030-1057, geopend bij de dienst die binnen de Federale Overheidsdienst van Financiën is aangewezen als bevoegd om [2 de rechten en de bijdrage die betaald moeten worden in het kader van een voor de Raad van State ingediende procedure te innen]2.
   Zodra een recht [2 en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, verschuldigd zijn]2, zendt de hoofdgriffier aan de schuldenaar een overschrijvingsformulier dat een gestructureerde mededeling bevat die het mogelijk maakt om de te verrichten betaling in verband te brengen met de proceshandeling waarop ze betrekking heeft.
   Wanneer een vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen volgens de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid is ingesteld, wordt het overschrijvingsformulier bij de beschikking tot vaststelling van de rechtsdag gevoegd. Het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd, wordt op de terechtzitting overgelegd. [2 Indien dat bewijs niet is geleverd voor de sluiting van het debat, wordt de vordering verworpen.]2
   [2 Indien de in het eerste lid bedoelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, deelt de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de betrokken partij mee dat de kamer naargelang van het geval de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht zal beschouwen of van de rol zal schrappen, tenzij de betrokken partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord.
   Indien de betrokken partij niet vraagt te worden gehoord, doet de kamer onverwijld uitspraak waarbij ze de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht beschouwt of van de rol schrapt.
   Indien de betrokken partij vraagt te worden gehoord, roept de voorzitter of de door hem aangewezen staatsraad de partijen op om op korte termijn te verschijnen. Aan de verwerende partij en desgevallend de partij die is tussengekomen, wordt daarbij het verzoek om te worden gehoord meegedeeld.
   Nadat de kamer de partijen en het advies van het aangewezen lid van het auditoraat heeft gehoord, doet ze onverwijld uitspraak en beslist ze de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht te beschouwen of van de rol te schrappen, tenzij overmacht of onoverkomelijke dwaling is bewezen.]2
   De Raad van State kan op elk ogenblik de in het 1ste lid beoogde rekening raadplegen.]1
  ----------
  (1)<hersteld bij KB 2014-01-30/02, art. 5, 016; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<KB 2017-12-25/29, art. 17, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 72.[2 In toepassing van artikel 70, §§ 1, vijfde lid, en 2, derde lid, verzoekt de auteur van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel of van het verzoek tot tussenkomst in dit geschil, van de aangeduide dienst binnen de Federale Overheidsdienst Financiën, de terugbetaling van het verschuldigde recht op basis van de indiening van deze aanvraag of van dit verzoek.
   De hoofdgriffier informeert de betrokken partijen over de modaliteiten van de terugbetaling van dit recht bij de kennisgeving van het in het vorige lid bedoelde arrest.
   Elke aanvraag tot terugbetaling die gericht wordt aan de aangeduide dienst van de Federale Overheidsdienst Financiën bevat de vereiste gestructureerde mededeling bij de betaling van het recht.]2
  ----------
  (1)<KB 2014-01-30/02, art. 6, 016; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<KB 2014-04-25/99, art. 9, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 73. De personen die als deskundigen opgeroepen worden, hebben recht op de waarde van de verstrekte arbeid; zij maken, naar geweten, de staat op van hun ereloon.
  Het loon van hun medewerkers en de prijs van de werken en nodige leveringen worden door hen voorgeschoten.

  Art. 74. De deskundigen maken een staat op die, volgens datum, en voor elk van hen, de vervulde opdrachten, de verschotten en de afgelegde reizen vermeldt.
  Deze staat, die, in geval er meerdere deskundigen zijn voor één en dezelfde zaak, gemeenschappelijk is, duidt het globaal bedrag aan van het ereloon door elk van hen gevraagd alsmede het totaal der kosten van het deskundig onderzoek.

  Art. 75. De staat van de erelonen, verschotten en reiskosten wordt in tweevoud opgemaakt en samen met het verslag ter griffie neergelegd; hij wordt begroot door een lid van de kamer.

  Art. 76. De deskundigen kunnen, zowel als de partijen, tegen deze begroting verzet doen. Dit verzet wordt aangetekend door middel van een verzoekschrift, binnen vijftien dagen na de kennisgeving door de griffier aan de belanghebbenden. Het wordt aanhangig gemaakt bij de kamer die de deskundigen heeft aangesteld.
  De kamer verzoekt de deskundigen om schriftelijke ophelderingen; zo zij dit dienstig acht, hoort ze de deskundigen en de partijen in hun mondelinge verklaringen en stelt in laatste aanleg het bedrag der begroting vast.

  Art. 77. (De griffier vraagt aan iedere getuige, zelfs al verschijnt hij vrijwillig, of hij getuigengeld verlangt.
  De kosten voor het vervoer op de voordeligste wijze moeten in het getuigengeld begrepen zijn). <KB 31-12-1968, art. 5>
  Het getuigengeld wordt onderaan de oproepingsbrief begroot door een lid van de Raad van State dat van de zaak heeft kennis genomen; deze vaststelling geldt als executoirverklaring. Hiervan wordt in het proces-verbaal van het getuigenverhoor melding gemaakt.
  Zo de getuige zonder oproeping verschenen is, kan hij zich, ter zitting, kosteloos door de griffier een uittreksel laten afleveren van het proces-verbaal dat het getuigengeld vaststelt. Dit uittreksel geldt als executoirverklaring.

  Hoofdstuk II. - [1 Rechtsbijstand]1.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 18, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 78.<KB 31-12-1968, art. 7> De artikelen 667, 668 en 669 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de aanvragen en beroepen bedoeld ((in de artikelen 11, [1 11bis,]1 14, §§ 1 en 3, 17 en 18) van de gecoördineerde wetten en op de vorderingen tot tussenkomst), behoudens hetgeen hierna is bepaald. <KB 1997-02-17/36, art. 6, Inwerkingtreding : 01-04-1997>. <KB 2007-04-25/32, art. 48, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  ----------
  (1)<KB 2014-04-25/99, art. 10, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 79. <KB 31-12-1968, art. 8> Hij die rechtsbijstand vraagt, voegt bij zijn verzoekschrift de bescheiden voorgeschreven in de artikelen 676 en 677 van het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. 80.De voorzitter van de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is, doet zonder rechtspleging uitspraak over [1 het verzoek tot rechtsbijstand]1.
  Zo daartoe grond bestaat hoort hij de partijen.
  Zijn beslissing is niet vatbaar voor beroep.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 19, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 81.[1 [2 Indien de rechtsbijstand geweigerd wordt]2, zijn de artikelen 66 tot 77 van toepassing.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-30/02, art. 7, 016; Inwerkingtreding : 01-03-2014>
  (2)<KB 2017-12-25/29, art. 20, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 82.De voorzitter van de kamer bij wie de zaak aanhangig is, kan in de loop van het geding de [1 rechtsbijstand]1 toestaan voor al de door hem te bepalen akten en verrichtingen.
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 21, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 83.[1 Indien de rechtsbijstand toegestaan wordt, worden de rechten waarvan sprake is in artikel 66, 1°, door de hoofdgriffier in debet begroot en de kosten waarvan sprake is in artikel 66, 2° tot 4°, worden ten voordele van de aanvrager door de Federale Overheidsdienst Financiën voorgeschoten en als uitgaven in de rekeningen ten bezware van de begroting van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken geboekt.
   De beschikking waarbij de rechtsbijstand wordt toegestaan, geldt als betaling van het recht bedoeld in artikel 70, §§ 1 tot 3, wat betreft het verrichten van de proceshandelingen voor de Raad van State.
   Ingeval het verzoek tot rechtsbijstand afgewezen wordt, beschikt de aanvrager daarvan over een termijn van dertig dagen vanaf de ontvangst van de beschikking die het verzoek tot rechtsbijstand afwijst om het rolrecht en de bijdrage bedoeld in artikel 66, 6°, overeenkomstig artikel 71, te betalen, tenzij in het geval van een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid, waarbij artikel 71, derde lid, van toepassing is.]1
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 22, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  Art. 83bis.<ingevoegd bij KB I 15-07-1956, art. 12> Met het oog op de invordering van de in debet begrote rechten en van de andere kosten, doet (de hoofdgriffier) aan [1 de administratie van de FOD Financiën belast met de inning en invordering van de niet fiscale schuldvorderingen]1 een afschrift van (...) het eindarrest toekomen, samen met een omstandige opgave van de in te vorderen bedragen. <KB 2007-04-25/32, art. 50, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  ----------
  (1)<KB 2017-12-25/29, art. 23, 020; Inwerkingtreding : 01-03-2018>

  TITEL VIII. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 84. (§ 1.) (Alle processtukken worden aan de Raad van State toegezonden bij ter post aangetekende brief. <KB 2007-04-25/32, art. 51, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De processtukken, alsook de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen, worden door de Raad van State verzonden bij ter post aangetekende brief met ontvangstmelding; behoudens andersluidende bepaling van de wet mogen deze verzendingen echter bij gewone brief worden gedaan wanneer de ontvangst ervan geen termijn doet ingaan). <KB 28-07-1987, art. 1>
  De termijn waarover de partijen beschikken gaat in met de dag van ontvangst van het schrijven.
  Zo de geadresseerde het schrijven weigert gaat de termijn in met de dag van de weigering.
  De datum van het postmerk heeft bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst of voor de weigering.
  Zo de geadresseerde langs de post niet werd bereikt maakt de auditeur-generaal het schrijven over langs administratieve weg. De aangezochte burgemeester (...) treft de nodige maatregelen om het schrijven aan de geadresseerde te doen geworden en stelt de auditeur-generaal hiervan in kennis. <KB 2007-04-25/32, art. 51, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (§ 2. Met uitzondering van de Belgische administratieve overheden, kiest elke partij in een procedure in haar eerste processtuk woonplaats in België.
  Alle kennisgevingen, mededelingen en opmerkingen door de griffie worden rechtsgeldig op de gekozen woonplaats gedaan.
  Die woonplaatskeuze geldt voor alle daaropvolgende processtukken.
  Elke wijziging van de woonplaatskeuze wordt uitdrukkelijk geformuleerd en voor elk beroep afzonderlijk en bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de hoofdgriffier, met vermelding van het volledige rolnummer van het beroep waarop de wijziging betrekking heeft.
  Bij overlijden van een partij, en behalve bij hervatting van het geding, worden alle mededelingen en kennisgevingen van de Raad van State rechtsgeldig gedaan op de gekozen woonplaats van de overledene ter attentie van de gezamenlijke rechtverkrijgenden, zonder vermelding van de namen en hoedanigheden.) <KB 2007-04-25/32, art. 51, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 84/1.[1 Elk processtuk of elke nota tot vereffening van de kosten ingediend door tussenkomst van een advocaat, vermeldt het gevraagde bedrag van de in de artikelen 66 en 67 van dit besluit bedoelde rechtsplegingvergoeding. Dit bedrag mag gewijzigd worden door elk later processtuk of elke latere vereffeningsnota, in te dienen ten laatste vijf dagen vóór de zitting [2 of vóór het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 26, § 2, eerste lid]2, behalve in het geval van de vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregel, ingediend bij uiterst dringende noodzakelijkheid waarbij de rechtsplegingsvergoeding gevraagd kan worden tot aan de sluiting van de debatten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-03-28/04, art. 3, 017; Inwerkingtreding : 02-04-2014>
  (2)<KB 2021-04-26/04, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 13-05-2021>

  Art. 85. Bij ieder verzoekschrift of memorie dienen drie afschriften gevoegd voor eensluidend door de ondertekende gewaarmerkt. Dit getal wordt met zoveel exemplaren vermeerderd (als er andere bij de zaak betrokken partijen zijn). <KB 2007-04-25/32, art. 52, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  (In afwijking van het eerste lid worden bij het verzoekschrift tot nietigverklaring dat een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden akte bevat, negen door de ondertekenaar eensluidend verklaarde afschriften gevoegd.) <KB 2007-04-25/32, art. 52, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  De neerlegging van bijkomende afschriften kan bevolen worden.

  Art. 85bis. [1 § 1. De elektronische procesvoering wordt gebruikt in alle zaken waarin een partij daarop een beroep doet voor de processtukken die neergelegd worden voordat het dossier aan een lid van het auditoraat wordt bezorgd met het oog op het opmaken van het verslag.
   In afwijking van de artikelen 14quater en 14quinquies, 84, 85, 86 en 87, wordt overeenkomstig de bepalingen van dit artikel te werk gegaan wanneer gebruik gemaakt wordt van de elektronische procesvoering.
   § 2. Voor toepassing van dit besluit, verstaat men onder :
   1° gebruiker : iedere persoon die tussenkomt in een elektronische procesvoering;
   2° registratiehouder : iedere persoon die zich geregistreerd heeft op de website van de Raad van State;
   3° dossierbeheerder : de registratiehouder verantwoordelijk voor een bepaald dossier;
   4° gedelegeerde : de persoon aan wie de dossierbeheerder een machtiging heeft verleend om toegang te krijgen tot de dossiers die hij beheert en in voorkomend geval om er documenten in te voeren.
   § 3. Elektronische procesvoering vereist dat de gebruiker zich voorafgaandelijk registreert op de website van de Raad van State. Deze registratie is kosteloos.
   Voor de registratie en het gebruik van elektronische procesvoering dient men zich kenbaar te maken door middel van een in België afgegeven elektronische identiteitskaart en door zijn mailadres te vermelden. Bij zijn eerste bezoek vult de registratieaanvrager zijn profiel aan door het ad hoc formulier in te vullen.
   De registratiehouder kan derden een machtiging verlenen om toegang te krijgen tot de elektronische procesvoering waarin hij optreedt.
   Machtigingen kunnen te allen tijde door de dossierbeheerder worden gewijzigd of ingetrokken.
   Op de website wordt in detail aangegeven welke stappen moeten worden gevolgd om zich te registreren en om machtigingen toe te kennen, over te dragen, te wijzigen of in te trekken, om het profiel te actualiseren en de hoedanigheid van dossierbeheerder over te dragen.
   Elke dossierbeheerder kan die hoedanigheid overdragen aan een andere persoon die geregistreerd is overeenkomstig § 4, door de op de site vermelde richtlijnen te volgen. Indien de dossierbeheerder die deze hoedanigheid verliest, niet zelf kan zorgen voor de overdracht naar een andere persoon of indien hij weigert om daarvoor te zorgen, kan de griffie, op basis van een gemotiveerde aanvraag, deze overdracht op zich nemen; in geval van betwisting, doet de voorzitter van de desbetreffende kamer een uitspraak bij beschikking.
   § 4. De keuze voor elektronische procesvoering is in het kader van de betrokken zaak definitief voor een dossierbeheerder van zodra die een processtuk langs elektronische weg heeft gedeponeerd en deze beheerder kan de overige proceshandelingen dan alleen nog op diezelfde manier stellen.
   § 5. Elk processtuk dat op de website van de Raad van State wordt neergelegd, wordt geacht het origineel van dat stuk te zijn.
   Tenzij het elektronisch werd ondertekend, wordt elk processtuk geacht ondertekend te zijn overeenkomstig artikel 1 door de registratiehouder die het heeft neergelegd. Wanneer de handtekening van verscheidene fysieke personen noodzakelijk is, worden deze elektronisch aangebracht.
   Elke memorie of elk document betreffende een op de rol ingeschreven zaak kan neergelegd worden in het elektronisch dossier voor de verzoekende, verwerende en tussenkomende partijen, door het rolnummer van de zaak te vermelden.
   § 6. Het tijdstip waarop een processtuk als neergelegd wordt beschouwd, is het ogenblik waarop het wordt neergelegd op de website. De datum van de neerlegging wordt in het elektronisch dossier vermeld.
   § 7. Om een verzoekschrift neer te leggen waarbij een nieuw beroep wordt ingesteld, maakt de dossierbeheerder of zijn gedelegeerde verbinding met de website en volgt hij de daarop aangegeven aanduidingen. Hij vult in de daarvoor bestemde velden onder meer de aard en de taal van het hoofdberoep in en voegt het verzoekschrift en de eventuele bijlagen toe, dit alles in een van de formaten die de website vermeldt.
   De stukken die niet gemakkelijk in een van deze formaten converteerbaar zijn, worden bij ter post aangetekende brief verstuurd binnen drie werkdagen na de neerlegging van het verzoekschrift.
   Het verzoekschrift wordt neergelegd door het in te voeren op de website. Een tijdelijke identificatiecode wordt automatisch toegewezen en meegedeeld aan de dossierbeheerder.
   Zolang de beroepstermijn niet is verstreken en de zaak geen rolnummer heeft, kunnen het verzoekschrift en bijlagen worden toegevoegd of verwijderd.
   § 8. Indien het verzoekschrift niet op de rol wordt ingeschreven wordt de brief vermeld in artikel 3bis, tweede lid, per elektronische post aan de dossierbeheerder toegezonden.
   § 9. Na onderzoek van de voorwaarden bepaald in artikel 3bis, opent de griffie een elektronisch dossier op de website en kent ze het dossier een rolnummer toe waarmee de zaak in het vervolg wordt aangeduid. Vanaf dat ogenblik kan geen van de neergelegde stukken nog worden verwijderd of gewijzigd.
   § 10. Wanneer de griffie het verzoekschrift aan verwerende partijen en belanghebbende verstuurt, deelt zij eveneens een eenmalig bruikbare alfanumerieke sleutel mee die de toegang verleent tot het elektronisch dossier van de zaak.
   Wanneer de griffier de memorie van antwoord aan een verzoekende partij die haar verzoekschrift niet elektronisch heeft neergelegd per post verstuurt, deelt zij eveneens een eenmalig bruikbare alfanumerieke sleutel mee die de toegang verleent tot het elektronisch dossier van de zaak.
   Belanghebbenden die niet door de griffie werden aangeschreven en die wensen tussen te komen in een zaak, melden zich aan bij de griffie die hen een éénmalig bruikbare alfanumerieke sleutel meedeelt die de toegang verleent tot het elektronisch dossier van de zaak.
   Deze sleutel kan enkel worden gebruikt door een persoon die zich overeenkomstig § 4 geregistreerd heeft. De persoon die deze sleutel gebruikt, wordt daardoor voor de betrokken partij de dossierbeheerder. Deze hoedanigheid is geldig zolang een procedurestuk ingediend kan worden en blijft behouden wanneer dat procedurestuk elektronisch ingediend wordt.
   § 11. Ten aanzien van de partijen voor wie geen gebruik is gemaakt van elektronische procesvoering alsook voor de stukken die niet gemakkelijk in een elektronisch formaat converteerbaar zijn, geldt de regeling van artikel 84; bij de processtukken dienen geen afschriften te worden gevoegd. De stukken die gemakkelijk converteerbaar zijn in elektronische documenten, worden door de griffie geconverteerd en aan het elektronisch dossier toegevoegd. Deze stukken krijgen de datum van de verzending van de aangetekende zending.
   Op de lijst van de bijlagen bij een processtuk wordt vermeld of deze bijlagen bij het elektronisch dossier zijn gevoegd dan wel in een andere vorm aan de griffie zijn toegezonden.
   § 12. De partijen hebben toegang tot alle stukken neergelegd in het elektronisch dossier, behalve de stukken waarvoor met toepassing van artikel 87, § 2, de vertrouwelijke behandeling is gevraagd.
   Deze documenten kunnen alleen worden geraadpleegd door de partij die het stuk heeft neergelegd of die om de vertrouwelijke behandeling ervan heeft verzocht. Indien het verzoek om vertrouwelijke behandeling bij arrest wordt verworpen, wordt het stuk voor de andere partijen toegankelijk gemaakt.
   De stukken waarvoor de vertrouwelijke behandeling wordt gevraagd, kunnen steeds naar de griffie worden verstuurd in een niet elektronisch formaat. Zij worden nooit in een elektronisch formaat geconverteerd.
   § 13. De Raad van State deelt de processtukken, alsook de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen mee via neerlegging in het elektronisch dossier. Ten aanzien van de overige personen heeft de mededeling plaats overeenkomstig artikel 84.
   De dossierbeheerders en hun gedelegeerden worden per elektronisch bericht van deze neerlegging op de hoogte gebracht.
   Een elektronisch afschrift van de hun toegezonden berichten wordt op de website bewaard.
   De termijnen die deze berichten doen ingaan, nemen een aanvang wanneer de bestemmeling het stuk voor het eerst raadpleegt, ongeacht het de dossierbeheerder dan wel een van zijn gedelegeerden betreft. Wanneer een stuk door de bestemmeling ervan niet is geraadpleegd binnen drie werkdagen na het versturen van het bericht, wordt een elektronisch herinneringsbericht verstuurd. Wanneer het stuk niet is geraadpleegd, wordt het geacht ter kennis zijn gebracht bij het verstrijken van de derde werkdag nadat het elektronisch herinneringsbericht is verstuurd.
   De arresten worden voorzien van een elektronische handtekening van de kamervoorzitter en de griffier en worden betekend overeenkomstig artikel 36. De partijen kunnen de uitgiften ervan aanvragen bij de griffie overeenkomstig artikel 37.
   § 14. In het geval dat de website voor elektronische procesvoering van de Raad van State tijdelijk gedurende meer dan een uur onbeschikbaar is, wordt elke termijn die vervalt op de dag dat deze onbeschikbaarheid zich voordoet, van rechtswege verlengd tot het verstrijken van de werkdag volgend op de dag waarop een einde is gekomen aan de onbeschikbaarheid.
   De periode waarin de website onbeschikbaar is geweest, worden op de website vermeld.
   In het geval dat de informaticamiddelen van een partij die gebruik maakt van de elektronische procesvoering tijdelijk onbeschikbaar zijn, kan elk stuk met de post overeenkomstig artikel 84 of per faxbericht naar de Raad van State worden gestuurd; de verzoekschriften en memories dienen slechts in een exemplaar te worden neergelegd. In deze zending wordt melding gemaakt van de onbeschikbaarheid. De partij bij het geding voert de inhoud van de zending in op de website zodra dat mogelijk is.
   § 15. De elektronische dossiers zijn niet meer toegankelijk wanneer het dossier afgesloten en gearchiveerd is.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij KB 2014-01-13/03, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-02-2014>

  Art. 86.De tot de Raad van State gerichte verzoekschriften en memories bevatten een inventaris van de ter staving ingeroepen stukken.
  Het administratief dossier wordt overgemaakt met een inventaris van de stukken waaruit het samengesteld is. [1 Het kan verstuurd worden per drager tegen ontvangstmelding.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-28/02, art. 9, 015; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 87.[1 § 1. De partijen en hun raadslieden kunnen ter griffie van het dossier van de zaak kennis nemen.
   § 2. Wanneer een partij een stuk indient en vraagt het niet ter kennis te brengen van de overige partijen, moet ze dat afzonderlijk neerleggen. Ze moet de vertrouwelijkheid ervan uitdrukkelijk aangeven, de motieven van haar verzoek uiteenzetten in het processtuk waarbij het bewuste stuk wordt gevoegd en een inventaris opmaken waarin het stuk wordt vermeld waarvoor vertrouwelijke behandeling wordt gevraagd.
   Wanneer een partij of een verzoeker in tussenkomst om vertrouwelijke behandeling verzoekt van een stuk gevoegd bij het dossier ingediend door een andere partij of een andere verzoeker in tussenkomst, bezorgt diegene die om vertrouwelijke behandeling verzoekt aan de griffie een specifiek verzoek in die zin waarin duidelijk het stuk wordt vermeld waarvoor vertrouwelijke behandeling wordt gevraagd en de motieven van dat verzoek worden uiteengezet.
   Wanneer in toepassing van artikel 23 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een stuk door een overheid wordt neergelegd, kan deze vragen dat het niet ter kennis wordt gebracht aan de partijen overeenkomstig het eerste en het tweede lid van deze paragraaf.
   Wanneer niet voldaan wordt aan de voorwaarden van deze paragraaf, wordt het stuk niet vertrouwelijk behandeld.
   § 3. Wanneer het verzoek wordt ingediend overeenkomstig § 2, wordt het stuk waarvoor om vertrouwelijke behandeling wordt verzocht, voorlopig afzonderlijk in het dossier van de zaak opgenomen en mag het niet worden ingezien door de partijen behalve door die welke de vertrouwelijke behandeling heeft gevraagd of het genoemde stuk heeft ingediend.
   § 4. Als het verzoek om vertrouwelijke behandeling bij arrest wordt afgewezen, mogen de overige partijen van het stuk kennis nemen.]1
  ----------
  (1)<KB 2011-05-24/08, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 25-06-2011>

  Art. 88. De dag van de akte die het uitgangspunt is van de termijn wordt er niet in begrepen.
  De vervaldag wordt in de termijn gerekend.
  (Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag). <KB 31-12-1968, art. 9>

  Art. 89. De bij dit besluit bedoelde termijnen worden met dertig dagen verlengd ten behoeve van de personen die hun woonplaats hebben in een Europees land dat niet aan België grenst en met negentig dagen ten behoeve van hen die hun woonplaats buiten Europa hebben .
  (...) <KB II 15-07-1956, art. 13>.

  Art. 90. De bij dit besluit bedoelde termijnen lopen tegen de minderjarigen, de ontzette personen en andere onbekwamen. De Raad van State kan dezen nochtans van hun verval ontheffen wanneer het vaststaat dat hun vertegenwoordiging niet tijdig was verzekerd vóór het verstrijken der termijnen.

  Art. 91. In spoedeisende gevallen kan de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is, na advies van de auditeur-generaal, de inkorting bevelen van de termijnen voorzien voor de akten van de rechtspleging.
  (...) <Leden 2 en 3 opgeheven bij KB 07-01-1991, art. 11>.

  Art. 92. (Opgeheven) <KB 2007-04-25/32, art. 54, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  TITEL IX. (VORDERINGEN DIE DOELLOOS ZIJN OF DIE SLECHTS KORTE DEBATTEN VEREISEN). <KB 2007-04-25/32, art. 55, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  Art. 93.[1 Indien blijkt dat het beroep tot nietigverklaring doelloos is of dat het slechts korte debatten vereist, brengt het lid van het auditoraat daarvan onverwijld verslag uit aan de voorzitter van de kamer belast met de zaak. Zijn verslag wordt ter kennis van de partijen gebracht.
   Wanneer het aangewezen lid van het auditoraat, in zijn verslag, adviseert tot de nietigverklaring, kan de verwerende partij of een tussenkomende partij bij gemotiveerd verzoekschrift, binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van dit verslag, vragen om artikel 14ter van de gecoördineerde wetten toe te passen. Deze aanvraag wordt ter kennis van de andere partijen gebracht, die hun schriftelijke opmerkingen kunnen doen gelden binnen een termijn van vijftien dagen. Het aangewezen lid van het auditoraat stelt binnen de vijftien dagen een aanvullend verslag met betrekking tot dit onderwerp op. Dit verslag wordt bij de oproeping gevoegd.
   Binnen de vijftien dagen na de kennisgeving van het in lid 1 bedoelde verslag, kan de verzoekende partij of een tussenkomende partij bij gemotiveerd verzoekschrift vragen om artikel 35/1, artikel 36, § 1, eerste lid, eerste zin, of artikel 36, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten, toe te passen. Deze aanvraag wordt bij de oproeping gevoegd.
   Indien de kamervoorzitter het eens is met de conclusies van het verslag, wordt de zaak definitief beslecht.
   Indien hij van oordeel is dat de zaak niet gereed is om definitief te worden beslecht, verwijst hij deze naar de gewone rechtspleging.]1
  ----------
  (1)<KB 2014-01-28/02, art. 10, 015; Inwerkingtreding : 01-03-2014>

  Art. 94. (Opgeheven) <KB 2007-04-25/32, art. 55, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>

  TITEL X. - (SLOTBEPALING.) <KB 07-01-1991, art. 10>

  Art. 95.<KB 07-01-1991, art. 10> In aangelegenheden als bedoeld bij :
  1) (...) <KB 2007-04-25/32, art. 56, 008; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  2) (de artikelen 68bis en 76bis van de gemeentekieswet en artikel 37/4 van de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen); <KB 1994-10/28/30, art. 12, Inwerkingtreding : 09-12-1994>
  3) de artikelen 23 en 25ter van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  4) de artikelen 69 en 70 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  (5) artikel 7, eerste lid, van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringen); <KB 1992-09-30/39, art. 9, Inwerkingtreding : 20-11-1992>
  (6) artikel 68 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen); <KB 1992-09-30/39, art. 9, Inwerkingtreding : 20-11-1992>
  (7° artikel 122 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;) <KB 2003-05-15/60, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-06-2003>
  [1 artikel 36/22 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België.]1
  wordt de rechtspleging geregeld door de desbetreffende bijzondere bepalingen.
  ----------
  (1)<KB 2013-02-20/04, art. 6, 013; Inwerkingtreding : 14-03-2013>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Ciergnon, 23 augustus 1948.
CHARLES,
Vanwege de Regent :
De Minister van Binnenlandse Zaken,
P. VERMEYLEN.

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   KAREL, Prins van België,
   Regent van het Koninkrijk,
   Aan allen, tegenwoordigen en toekomenden, HEIL.
   Gelet op de wet van 23 december 1946 houdende instelling van een Raad van State;
   Op de voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en op advies van de in Raad vergaderde Ministers;
   Wij hebben besloten en Wij besluiten :
Erratum Tekst Begin

originele versie
1948082334
PUBLICATIE :
1948-11-21
bladzijde : 0

ERRATUM



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-04-2021 GEPUBL. OP 03-05-2021
    (GEWIJZIGDE ART. : 26; 84/1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-12-2017 GEPUBL. OP 26-01-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 6; 14quater; 14sexies; 25/1; 25/3; 36; 44; 50; 50quinquies; 53; 65/1; 68; 69; 70; 71; 80; 81; 82; 83; 83bis)
  • originele versie
  • WET VAN 26-04-2017 GEPUBL. OP 22-05-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 66; 68)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-04-2014 GEPUBL. OP 16-06-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 25/1; 25/2; 25/3; 40; 47; 50bis; 70; 72; 78)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-03-2014 GEPUBL. OP 02-04-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 66; 67; 84/1)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-01-2014 GEPUBL. OP 03-02-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 66; 68; 69; 70; 71; 72; 81; 83)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-01-2014 GEPUBL. OP 03-02-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 6; 11/1-11/4; 14; 14septies; 52; 53; 65/1; 86; 93)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-01-2014 GEPUBL. OP 16-01-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 85bis)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-02-2013 GEPUBL. OP 04-03-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 95)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-12-2012 GEPUBL. OP 04-02-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 12; 14)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-05-2011 GEPUBL. OP 15-06-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 4)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 24-05-2011 GEPUBL. OP 15-06-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 87)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-07-2007 GEPUBL. OP 01-08-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 3BIS; 68; 69; 71; 81)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 25-04-2007 GEPUBL. OP 30-04-2007
    (GEWIJZIGDE ART. : 17; 18; 19; 20; 22; 25; 26; 28; 29)
    (GEWIJZIGDE ART. : 33; 34; 35; 36; 39; 40; 41; 47; 50BI)
    (GEWIJZIGDE ART. : 52; 53; 61; 62; 66; 68; 69; 70; 72)
    (GEWIJZIGDE ART. : 78; 81; 83; 83BIS; 84; 85; 87; 92)
    (GEWIJZIGDE ART. : 93; 94; NL13; NL16; NL17; NL20)
    (GEWIJZIGDE ART. : 95; NL29; NL31; NL51; NL27; NL34)
    (GEWIJZIGDE ART. : NL3BIS; NL7; NL8; NL14TER; NL44)
    (GEWIJZIGDE ART. : NL45; NL52; NL50; 5; 30; 31; 32; 60)
    (GEWIJZIGDE ART. : OPSCHRIFT; 1; 2; 3; 3BIS-3QUA; 4; 6)
    (GEWIJZIGDE ART. : 11; 12; 13; 14; 14QUA-14SEX; 16)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-12-2006 GEPUBL. OP 29-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 71)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-11-2006 GEPUBL. OP 01-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 38)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 15-05-2003 GEPUBL. OP 10-06-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 95)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 10-11-2001 GEPUBL. OP 12-12-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 93; 94)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2000 GEPUBL. OP 30-08-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 70)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 26-06-2000 GEPUBL. OP 15-07-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 14BIS; 14QUA)
  • 1997000140; 1997-02-27
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 17-02-1997 GEPUBL. OP 27-02-1997
    (GEWIJZIGDE ART. : 36; 67; 68; 70; 71; 78)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-10-1994 GEPUBL. OP 09-11-1994
    (GEWIJZIGD ART. : 95)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-09-1992 GEPUBL. OP 10-11-1992
    (GEWIJZIGD ART. : 95)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-01-1991 GEPUBL. OP 16-01-1991
    (GEWIJZIGDE ART. : 3BIS; 6; 7; 9; 14; 14BIS; 14TER)
    (GEWIJZIGDE ART. : 14QUA; 15; 52; 91; 93; 94; 95)
  • WET VAN 17-10-1990 GEPUBL. OP 13-11-1990
    (GEWIJZIGDE ART. : 52; 53; 54)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 22-12-1988 GEPUBL. OP 29-12-1988
    (GEWIJZIGD ART. : 93)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 07-10-1987 GEPUBL. OP 23-10-1987
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 28-07-1987 GEPUBL. OP 15-08-1987

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 26 uitvoeringbesluiten 20 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie