J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving

Titel
30 DECEMBER 1809. - Keizerlijk Decreet op de kerkfabrieken.
(NOTA 1 : voor het Brusselse Gewest, zie 1809-12-30/02)
(NOTA 2 : voor het Vlaamse Gewest, zie 1809-12-30/04)
(NOTA 3 : voor de Duitstalige Gemeenschap, zie 1809-12-30/03)
(NOTA 4 : voor het Waalse Gewest, zie 1809-12-30/05)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-03-2001 en tekstbijwerking tot 06-09-2004). Zie wijziging(en)

Bron : JUSTITIE
Publicatie : 30-12-1809 nummer :   1809123050 bladzijde : 99999
Dossiernummer : 1809-12-30/01
Inwerkingtreding : 30-12-1809

Inhoudstafel Tekst Begin
Hoofdstuk 1. De kerkbesturen.
Art. 1-2
Afdeling 1. De Raad.
§ 1. Samenstelling van de raad.
Art. 3-9
§ 2. Zittingen van de raad.
Art. 10
§ 3. Opdracht van de raad
Art. 11-12
Afdeling 2. Het bureau der kerkmeesters.
§ 1. Samenstelling van het bureau der kerkmeesters.
Art. 13-21
§ 2. Zittingen van het kerkmeesterbureau.
Art. 22-23
§ 3. Bevoegdheid van het bureau.
Art. 24-35
Hoofdstuk II. Inkomsten en lasten van de begroting van het kerkbestuur.
Afdeling 1. Inkomsten van het kerkbestuur.
Art. 36
Afdeling 2. Lasten van het kerkbestuur.
§ 1. Algemene lasten.
Art. 37
§ 2. Aanstelling en bezoldiging van de onderpastoors.
Art. 38-40
§ 3. Herstellingswerken.
Art. 41-44
Afdeling 3. De begroting van het kerkbestuur.
Art. 45-49
Hoofdstuk III.
Afdeling 1. Beheer van de goederen van het kerkbestuur.
Art. 50-81
Afdeling 2. Rekeningen.
Art. 82-91
Hoofdstuk IV. Lasten van de gemeenten in zaken van eredienst.
Art. 92-103
Hoofdstuk V. Kathedrale kerken, bisschoppelijke paleizen en seminaries.
Art. 104-113

Tekst Inhoudstafel Begin
Hoofdstuk 1. De kerkbesturen.

  Artikel 1. De kerkbesturen opgericht bij het artikel 76 van de wet van 18 germinal jaar X, worden belast met het onderhoud en het behoud van de kerken; met het beheer van de aalmoezen en de goederen; van de bij de wetten en de verordeningen toegelaten renten en ontvangsten, de toelage door de gemeenten verschaft, en over het algemeen al de fondsen die aangewend worden voor de uitoefening van de eredienst; zij worden er ten slotte mede belast die uitoefening en het hooghouden van de waardigheid er van te verzekeren in de kerken waaraan zij gehecht zijn hetzij door de ervoor nodige uitgaven te kwijten, hetzij door de middelen om er in te voorzien te verzekeren.

  Art. 2. Ieder kerkbestuur zal samengesteld zijn uit een raad en uit een bureau van de kerkmeesters.

  Afdeling 1. De Raad.

  § 1. Samenstelling van de raad.

  Art. 3. In de parochies waar de bevolking vijf duizend en meer zielen zal belopen, zal de raad samengesteld zijn uit negen raadsleden van het kerkbestuur; in al de andere parochies zal hij uit vijf leden bestaan; zij zullen genomen worden onder de vooraanstaande burgers; zij zullen katholiek moeten zijn en de parochie bewonen.

  Art. 4. Daarenboven, zijn van rechtswege lid van de raad:
  1° de pastoor of de bedienaar, die er de eerste plaats zal innemen, en zich door een van zijn onderpastoors kan laten vervangen;
  2° de burgemeester van de gemeente van de hoofdplaats der pastorij of der hulpkerk; hij kan zich laten vervangen door een van de schepenen; is de burgemeester niet katholiek, dan moet hij in zijn plaats een katholiek schepen aanstellen, of, zo er geen is, een katholiek lid van de gemeenteraad.
  De burgemeester zit links van de pastoor en rechts van de voorzitter.

  Art. 5. In de steden waar meerdere parochies of hulpkerken zijn, is de burgemeester van rechtswege lid van de raad van ieder kerkbestuur, hij kan zich laten vervangen zoals bij het vorig artikel bepaald.

  Art. 6. In de parochies of hulpkerken alwaar de kerkbestuursraad bestaat uit negen leden, de leden van rechtswege niet medegeteld, worden de eerste maal, vijf leden door de bisschop en vier door de gouverneur benoemd, daar waar hij slechts uit vijf leden bestaat benoemt de bisschop er drie en de gouverneur twee.

  Art. 7. De kerkbestuursraad wordt bij gedeelten om de drie jaar vernieuwd namelijk, na de eerste drie jaar in de parochies waar hij, ongeacht de leden van rechtswege, uit negen leden bestaat, door het uittreden van vijf leden die, voor de eerste vernieuwing, door het lot zullen aangewezen worden, en van de vier overige na het verstrijken van zes jaar, daar waar hij uit vijf leden samengesteld is, ongeacht de leden van rechtswege, wordt hij vernieuwd door het uittreden van drie door het lot aan te wijzen leden, na de eerste drie jaar, en van de twee overige na het verloop van zes jaar. In het vervolg moeten immer de oudst in dienst zijnde leden uittreden.

  Art. 8. De raadsleden, die de uittredende leden moeten vervangen, worden door de overige leden verkozen.
  Zo de vervanging niet op de gestelde tijd gebeurd is, beveelt de bisschop er binnen een maand toe over te gaan; eens die tijd voorbij is, voorziet hij zelf in vervanging, doch enkel voor dit maal.
  De uittredende leden zijn opnieuw verkiesbaar.

  Art. 9. De raad verkiest zijn secretaris en zijn voorzitter: zij worden vervangen op de eerste zondag in april van elk jaar, en kunnen opnieuw verkozen worden. Bij staking van stemmen is 's voorzitters stem doorslaand. De raad kan niet beraadslagen dan wanneer meer dan de helft van de leden ter vergadering aanwezig zijn; en al de aanwezige leden zullen de notulen ondertekenen die bij meerderheid van stemmen zullen vastgesteld worden.

  § 2. Zittingen van de raad.

  Art. 10. De raad vergadert op de eerste zondag in de maand april, juli, oktober en januari, na de hoogmis of na de vespers, in de kerk, of in een aan de kerk palende plaats of in de pastorij.
  Het houden van ieder van deze zittingen wordt, de zondag van te voren, tijdens de hoogmis, op de preekstoel bekend gemaakt.
  De raad kan daarenboven buiten deze tijden vergaderen mits de toestemming van de bisschop of van de gouverneur, als een dringende aangelegenheid of een onvoorziene uitgave het vereist.

  § 3. Opdracht van de raad

  Art. 11. Zohaast de raad aangesteld is, verkiest hij, onder zijn leden, degene die, als kerkmeesters, het bureau zullen samenstellen; en, in de toekomst, bij het verstrijken van de termijn door het huidige reglement vastgesteld voor het uitoefenen van het kerkmeesterambt, zal de raad ook dat lid verkiezen dat de uittredende kerkmeester moet vervangen.

  Art. 12. Worden onderworpen aan beraadslaging door de raad:
  1° de begroting van het kerkbestuur;
  2° de jaarrekening van zijn schatbewaarder;
  3° het gebruik van de fondsen voortkomende van de giften en schenkingen die overblijven en de belegging van de teruggestorte kapitalen;
  4° al de buitengewone uitgaven hoger dan vijftig frank in de parochies met meer dan duizend zielen, en de honderd frank in de parochies met een groter inwonertal;
  5° de gedingen als aanlegger en als verweerder, de erf- of langdurige pachten, de vervreemdingen of de ruilingen, en over het algemeen de zaken die het gewone beheer van de goederen der minderjarigen te buiten gaan.

  Afdeling 2. Het bureau der kerkmeesters.

  § 1. Samenstelling van het bureau der kerkmeesters.

  Art. 13. Het bureau der kerkmeesters omvat:
  1° de pastoor of de bedienaar van de parochie of van de hulpkerk die er van rechtswege en voortdurend deel van zal uitmaken;
  2° drie leden van de kerkraad.
  De pastoor of de bedienaar zal de eerste plaats innemen en kan door een van zijn onderpastoors vervangen worden.

  Art. 14. Kunnen niet tegelijkertijd van het bureau deel uitmaken de bloed- of aanverwanten tot en met de graad van oom en neef.

  Art. 15. Telken jare, op de eerste zondag in april, zal een van de kerkmeesters uit het bureau treden en moeten vervangen worden.

  Art. 16. Onder de drie kerkmeesters, voor de eerste maal door de raad benoemd, zullen er achtereenvolgens twee, door het lot aangeduid, uittreden, bij het verstrijken van het eerste en van het tweede jaar en de derde zal ambtshalve bij het verstrijken van het derde jaar uittreden.

  Art. 17. In de toekomst moeten altijd de langst in dienst zijnde kerkmeesters uittreden.

  Art. 18. Gebeurt de verkiezing niet op de gestelde tijd, dan zal de bisschop er in voorzien.

  Art. 19. Zij benoemen onder hen een voorzitter, een secretaris en een schatbewaarder.

  Art. 20. Om te beraadslagen, moeten de leden van het bureau ten minste met drieën zijn.
  Bij staking van stemmen, is 's voorzitters stem doorslaand.
  Al de notulen moeten door de aanwezige leden ondertekend worden.

  Art. 21. In de parochies waar er gewoonlijk ere-kerkmeesters waren, mogen er twee door de raad verkozen worden onder de voornaamste op de parochie wonende ambtenaren. Deze kerkmeesters en al de andere leden van de raad hebben in de kerk een uitgelezen plaats: de kerkmeestersbank: zoveel mogelijk zal zij vóór de preekstoel geplaatst worden. Op deze bank komt de eerste plaats de pastoor of de bedienaar toe, telkens wanneer hij daar tijdens de preek plaats neemt.

  § 2. Zittingen van het kerkmeesterbureau.

  Art. 22. Het bureau vergadert elke maand, na de hoogmis, op de voor de zittingen van de raad aangeduide plaats.

  Art. 23. In de buitengewone gevallen wordt het bureau bijeengeroepen, hetzij ambtshalve door de voorzitter, hetzij op het verzoek van de pastoor of van de bedienaar.

  § 3. Bevoegdheid van het bureau.

  Art. 24. Het kerkmeestersbureau stelt de begroting van het kerkbestuur op, en onderzoekt de zaken die voor de raad dienen gebracht; hij is belast met het uitvoeren van de beslissingen van de raad en met het dagelijks bestuur van het tijdelijke van de parochie.

  Art. 25. De schatbewaarder zorgt voor het innen van al de aan het kerkbestuur verschuldigde bedragen of ze behoren tot het jaarlijks inkomen, dan wel om enige andere reden.

  Art. 26. De kerkmeesters moeten ervoor zorgen dat alle stichtingen trouw vereffend en uitgevoerd worden naar het inzicht van de stichters, zonder dat het geld voor andere lasten moge gebezigd worden.
  Een uittreksel uit het register der titels van stichtingen die, in de loop van een trimester, moeten uitgevoerd worden, zal in het begin van ieder kwartaal in de sacristij uitgehangen worden, met de namen van de stichters en van de geestelijke die iedere stichting zal uitvoeren.
  Bij het einde van elk kwartaal zal door de pastoor of door de bedienaar, aan het kerkmeestersbureau verantwoording gegeven worden van de tijdens het kwartaal uitgevoerde stichtingen.

  Art. 27. De kerkmeesters leveren de olie, het brood, de wijn, de wierook, het was, en over het algemeen alle voor de eredienst nodige gebruiksvoorwerpen; zij dienen ook te zorgen voor het herstel en de aankoop van gewaden, meubelen en benodigdheden voor kerk en sacristij.

  Art. 28. Alle kopen worden door het kerkmeestersbureau vastgesteld en door de voorzitter ondertekend; evenzo, de betalingsbevelen.

  Art. 29. De pastoor of de bedienaar zal zich naar de verordeningen van de bisschop richten in al wat de goddelijke dienst, de gebeden en de onderrichtingen en het kwijten van de door de weldoeners opgelegde vrome lasten betreft, behoudens de vermindering ervan die door de bisschop, ingevolge het kerkelijk recht, zou opgelegd worden, als de onevenwichtigheid tussen de schenkingen en de lasten het zou vereisen.

  Art. 30. De pastoor of de bedienaar aanvaardt de priesters-habituanten en wijst ze hun bediening aan.
  In de parochies waar er voorkomen, zal de pastoor de priester-koster, de priester-cantor en de koorknapen aanduiden.
  Banken en stoelen mogen in de kerk alleen met toestemming van de pastoor of van de bedienaar geplaatst worden, behoudens beroep bij de bisschop.

  Art. 31. De jaargetijden waarbij de stichters een ereloon hebben gevoegd, en over het algemeen al de jaargetijden die om het even welk ereloon meebrengen, worden bij voorkeur aan de onderpastoors toevertrouwd en mogen slechts bij deze ontstentenis door de habituanten of door andere geestelijken uitgevoerd worden, tenzij de stichters het anders zouden geschikt hebben.

  Art. 32. De predikanten worden, bij meerderheid van stemmen en op voordracht van de pastoor of van de bedienaar, benoemd, en met opdracht voor deze predikanten de vergunning van de bisschop te bekomen.

  Art. 33. De benoeming en de afstelling van de orgelist, de klokluiders, de baljuw, de kerkpolitie en de andere kerkbedienden, komt de kerkmeesters toe, op de voordracht van de pastoor of van de bedienaar.

  Art. 34. De schatbewaarder moet, om de drie maanden, bij het kerkmeestersbureau een opgave indienen, door hem ondertekend en voor echt verklaard omtrent de activa en de passiva van de fabriek tijdens de verlopen drie maanden: deze opgave zal ondertekend worden door hen die de vergadering bijgewoond hebben en neergelegd in de kas of in de kast van de fabriek, om bij het indienen van de jaarrekening te worden voortgebracht.
  Het bureau, zal tijdens dezelfde zitting, het voor het volgend kwartaal nodige bedrag vaststellen.

  Art. 35. Alle uitgaven voor de kerk en de sacristijkosten worden door de schatbewaarder verricht; dientengevolge, wordt niets geleverd door een handelaar of door een ambachtsman dan op een bevel van de schatbewaarder, onderaan dit bevel zal de koster, of ieder ander tot de ontvangst van de levering bevoegd persoon, vermelden dat aan de inhoud van dit bevel werd voldaan.

  Hoofdstuk II. Inkomsten en lasten van de begroting van het kerkbestuur.

  Afdeling 1. Inkomsten van het kerkbestuur.

  Art. 36. De inkomsten van elk kerkbestuur bestaan uit:
  1° de opbrengst van de aan het kerkbestuur teruggeschonken goederen en renten de goederen der broederschappen en over het algemeen van al wat door onze verschillende decreten aan fabrieken werd toegekend;
  2° de opbrengst van de goederen, renten en stichting waarvan de aanvaarding door ons gemachtigd werd en zal gemachtigd worden;
  3° de opbrengst van de aan het domein verheelde goederen en renten waarvan de inbezitneming door ons werd gemachtigd of zal gemachtigd worden;
  4° de opbrengst van de gewassen op de als kerkhof gebezigde gronden;
  5° de opbrengst van de verhuring der stoelen;
  6° de vergunning van de in de kerken geplaatste banken;
  7° de omhalingen voor de eredienstkosten;
  8° de opbrengst van wat in de tot hetzelfde doel geplaatste offerblokken aangetroffen wordt;
  9° de aan het kerkbestuur geschonken giften;
  10° de rechten die, ingevolge de door ons goedgekeurde bisschoppelijke verordeningen, de kerkbesturen, heffen en diegene die hun toekomen op de opbrengst van de begrafeniskosten;
  11° de in voorkomend geval door de gemeente bijgelegde som.

  Afdeling 2. Lasten van het kerkbestuur.

  § 1. Algemene lasten.

  Art. 37. De lasten van het kerkbestuur bestaan uit:
  1° het bijdragen tot de voor de eredienst nodige onkosten, namelijk, de paramenten, de gewijde vaten, het linnen, het licht, het brood, de wijn, de wierook, de betaling van de wedde van de onderpastoors, de kosters, zangers, orgelisten, klokluiders, kerkpolitie, baljuw en andere ten dienste van de kerk staande bedienden, al naar gelang de plaats, gepast en noodzakelijk is;
  2° het kwijten van het ereloon voor de predikanten tijdens het advent, de vasten en op andere plechtigheden;
  3° het versieren en de inwendige verbetering van de kerk;
  4° het onderhouden van de kerken, pastorijen en kerkhoven; in geval van onvoldoende inkomsten van het kerkbestuur is deze er mede belast al het nodige te verrichten tot het uitvoeren van de herstellingen en de wederopbouw, zoals zulks bij § 3 geregeld wordt.

  § 2. Aanstelling en bezoldiging van de onderpastoors.

  Art. 38. Het aantal voor iedere kerk bestemde priesters en onderpastoors wordt door de bisschop bepaald, na beraadslaging door de kerkmeesters en advies van de raad van de gemeente.

  Art. 39. (...) <Impliciet opgeheven bij W 09-01-1837>

  Art. 40. (...) <Impliciet opgeheven bij W 09-01-1837>

  § 3. Herstellingswerken.

  Art. 41. De kerkmeesters, en de schatbewaarder in het bijzonder, moeten ervoor waken dat alle herstellingen deugdelijk en snel uitgevoerd worden. Bij de aanvang van de lente en van de herfst onderzoeken zij, samen met vaklieden, de gebouwen.
  Zij voeren zonder verwijl en zuinig de gewone herstellingen uit of de andere die het bedrag bepaald bij artikel 12 niet te buiten gaan, ongeminderd nochtans de voor de erediensten geregelde uitgaven.

  Art. 42. Overtreffen de uitgaven het bovenvermeld bedrag, dan brengt het bureau daaromtrent verslag uit bij de raad, die alle herstellingen kan gelasten die honderd frank niet te boven gaan in de gemeenten met min dan duizend zielen, en tweehonderd frank in de meer bevolkte.
  (...) <W 1976-07-14/30, art. 31, 4°>

  Art. 43. Als de gewone uitgave, in de begroting voorzien, geen of niet voldoende vrije gelden ter beschikking overlaat voor de herstellingen, brengt het bureau daaromtrent bij de raad verslag uit en zal deze een beslissing treffen om daarin te voorzien op de wijze voorgeschreven bij hoofdstuk IV van deze vordering; deze beraadslaging zal door de voorzitter aan de gouverneur overgemaakt worden.

  Art. 44. Bij de aanstelling van elke pastoor of bedienaar, zal op kosten van de gemeente en op de benaarstiging van de burgemeester een staat van beschrijving van de pastorij en van haar aanhorigheden opgemaakt worden. De pastoor of de bedienaar is enkel verplicht tot de gewone herstellingen en de schade veroorzaakt door zijn schuld. De uittredende pastoor of bedienaar, of zijn erfgenamen of zijn rechthebbenden, zijn gehouden tot gezegde gewone herstellingen en schade.

  Afdeling 3. De begroting van het kerkbestuur.

  Art. 45. Er zal, telken jare, door de pastoor of de bedienaar, bij het bureau een overzichtelijke opgave ingediend worden omtrent de uitgaven vereist voor de uitoefening van de eredienst, zowel voor de gebruiksvoorwerpen als voor de herstelling en onderhoud van de gewaden en kerkmeubelen en -benodigdheden.
  Deze staat, na artikelsgewijs door het bureau te zijn goedgekeurd, zal als een enkele post onder de titel uitgaven van inwendige aard in de algemene begroting opgenomen worden; de verdeling van deze uitgaven zal als bijlage bij het ontwerp van begroting gaan.

  Art. 46. De begroting zal de ontvangsten en de uitgaven van de kerk omvatten.
  De uitgaveposten zullen naar de volgende orde worden ingelast:
  1° de gewone kosten voor het vieren van de eredienst;
  2° de herstellingskosten van de kerkgewaden, -meubelen en -benodigdheden;
  3° de lonen van de kerkbedienden;
  4° de kosten van de gewone onderhoudsherstellingen.
  Wat van de inkomsten overblijft na het kwijten van deze uitgave wordt gebruikt voor de wedde van de wettelijk aangestelde onderpastoors, en het overschot, als er een is, zal dienen voor de zware herstellingen van de voor de eredienst bestemde gebouwen.

  Art. 47. De begroting zal, ter zitting in de maand april van ieder jaar, aan de kerkbestuursraad voorgelegd worden; zij zal, samen met de uitgaven voor het vieren van de erediensten naar de bisschop gezonden worden om in haar geheel goedgekeurd te worden.

  Art. 48. (...) <impliciet opgeheven bij W 04-03-1870, BS 09-03-1870>

  Art. 49. Volstaan de inkomsten niet om de hetzij voor de eredienst onontbeerlijke onkosten, hetzij voor het ophouden van zijn waardigheid nodige uitgaven, hetzij lonen van de kerkbedienden, hetzij herstellingen van de gebouwen, of het verlenen van onderhoudsgeld aan niet door de Staat bezoldigde bedienaars van de eredienst, te dekken, dan moet de begroting een overzicht bevatten van de fondsen die van de parochianen dienen geëist om erin te voorzien, zoals bepaald wordt in hoofdstuk IV.

  Hoofdstuk III.

  Afdeling 1. Beheer van de goederen van het kerkbestuur.

  Art. 50. Ieder kerkbestuur zal over een kas of over een kist beschikken, met drie sleutels gesloten; een ervan berust bij de schatbewaarder, een tweede bij de pastoor of de bedienaar en de derde bij de voorzitter van het bureau.

  Art. 51. In deze kas worden alle aan het kerkbestuur behorende penningen neergelegd, evenals de sleutels van de offerblokken in de kerken.

  Art. 52. Geen enkel bedrag mag uit de kist weggenomen worden zonder de toelating van het bureau en enkel tegen een ontvangstbewijs dat aldaar neergelegd wordt.

  Art. 53. Beschikt de schatbewaarder niet over de door het bureau voor ieder kwartaal, tot het dekken van de lopende uitgave vastgesteld bedrag, dan zal het ontbrekende uit de kas genomen worden; evenzo, zal al wat hij aan overschot mocht bezitten, in deze kas gestort worden.

  Art. 54. Worden eveneens in een kas of in een kist bewaard de stukken, titels en bescheiden omtrent de inkomsten en de aangelegenheden van het kerkbestuur en namelijk de rekeningen met de bewijsstukken, de notulenboeken, buiten het lopende boek, het summier boek der titels en de inventarissen of nazichtsopgaven waarover in de twee volgende artikelen gehandeld wordt.

  Art. 55. Er zullen, kosteloos, twee boedelbeschrijvingen aangelegd worden: de ene van de gewaden, het linnen, de gewijde vaten, het zilverwerk, de benodigdheden en over het algemeen van gans het kerkmobilier; de andere van de titels, de stukken en de inlichtingen, vermeldend, omtrent elke titel, de opgebrachte inkomsten, de stichting tot het dekken waarvan de goederen aan het kerkbestuur geschonken werden. Een tweede afschrift van de inventaris zal de pastoor of de bedienaar ter hand gesteld worden.
  Telken jare zullen deze inventarissen nagezien worden om er de nodige aanvullingen, schrappingen en andere wijzigingen op aan te brengen; deze inventarissen en deze nazichtsopgaven worden ondertekend door de pastoor of de bedienaar, en door de voorzitter van het bureau.

  Art. 56. De secretaris van het bureau schrijft volgens nummer en datum in een summierboek in:
  1° de stichtingsakten en, over het algemeen al de eigendomtitels;
  2° de huur- of pachtcelen.
  De inschrijving geschiedt over twee kolommen bestemd, de ene voor de inkomsten, de andere voor de lasten.
  Elk stuk wordt ondertekend en voor eensluidend met het oorspronkelijke verklaard door de pastoor of door de bedienaar, en door de voorzitter van het bureau.

  Art. 57. Geen enkel titel of stuk mag uit de kas weggenomen worden als er geen ontvangstbewijs voor in de plaats gelegd wordt; dit ontvangstbewijs vermeldt het uitgetrokken stuk, de beslissing van het bureau waarbij het uittreksel werd toegelaten, de aanduiding van hem die daarmee belast werd en het ontvangstbewijs ondertekend heeft, de reden waarom het stuk uitgetrokken werd; en zo het een geding betreft, de rechtbank en de naam van de pleitbezorger. Dit bewijs, evenals de ontlasting bij de teruggave worden in het summierregister of in het register der titels aangetekend.

  Art. 58. De notaris voor wie een akte verleden werd houdende schenking onder levenden of een laatste wilsbeschikking ten voordele van een fabriek, zal daarover de pastoor of de bedienaar berichten.

  Art. 59. Iedere akte houdende giften of schenkingen ten voordele van een kerkbestuur wordt de schatbewaarder ter hand gesteld, die daaromtrent op de volgende zitting van het bureau verslag zal uitbrengen. Deze akte zal vervolgens, met de opmerkingen van het bureau, aan de aartsbisschop of aan de bisschop overgemaakt worden, opdat deze zijn advies omtrent het wel dan niet aanvaarden er van zou uitbrengen.
  Het geheel zal (, indien het bedrag van de giften of schenkingen (10.000 EUR) overschrijdt,) aan de Minister van Justitie overgemaakt worden, op wiens verslag de fabriek gebeurlijk tot aanvaarding gemachtigd zal worden; de aanvaardingsakte, waarin de machtiging zal vermeld zijn, zal namens het kerkbestuur door de schatbewaarder ondertekend worden. <W 1999-03-10/43, art. 10> <AR 2000-07-20/50, art. 7, Inwerkingtreding : 01-01-2002> (NOTA : vroeger 400.000 BEF)

  Art. 60. De aan het kerkbestuur behorende huizen en plattelandsgoederen worden door het kerkmeestersbureau verpacht, beheerd en bestuurd, op de voor de gemeentegoederen geldende wijze.

  Art. 61. Geen enkel lid van het kerkmeestersbureau mag als aanbesteder of als vennoot van de aanbesteder optreden bij verkoop, aanbesteding van herstellings-, bouw- of wederopbouwwerken, of bij verpachting van de goederen van het kerkbestuur.

  Art. 62. Onroerende kerkgoederen mogen niet verkocht, vervreemd, geruild of zelfs voor langer dan negen jaar verhuurd worden
  dan na een besluit van de raad, het advies van de bisschop en met onze machtiging (, indien het bedrag (10.000 EUR) overschrijdt). <W 1999-03-10/43, art. 11> <AR 2000-07-20/50, art. 7, Inwerkingtreding : 01-01-2002> (NOTA : vroeger 400.000 BEF).

  Art. 63. Gelden die voortkomen van schenkingen of legaten waarvan de bestemming niet door de stichting is bepaald, terugbetaalde renten, verkoopprijzen of opleg bij ruilingen, inkomsten die de uitgaven voor gewone lasten te boven gaan, worden belegd in de vormen, bepaald in het advies van de Conseil d'Etat dat door Ons op 21 december 1808 is goedgekeurd.
  Is het bedrag ontoereikend, dan blijft het in kas, indien wordt voorzien dat beschikbare gelden binnen zes maanden zullen binnenkomen ter aanvulling van het bedrag dat voor dit soort van belegging nodig is; anders beraadslaagt de raad over de belegging en beveelt de gouverneur die welke het voordeligst lijkt.

  Art. 64. Het stoelgeld wordt, voor de verschillende diensten, bepaald door een beraadslaging van het bureau; deze beslissing wordt in de kerk uitgehangen.

  Art. 65. Het wordt uitdrukkelijk verboden, om het even welke reden, iets te ontvangen voor de toegang tot de kerk, noch, in de kerk iets meer te ontvangen dan het stoelgeld. Meer nog, er wordt in alle kerken een plaats voorzien van waarop de gevolgen die noch stoelen noch banken huren, gemakkelijk de goddelijke dienst kunnen bijwonen en de onderrichtingen aanhoren.

  Art. 66. Het kerkmeestersbureau kan door de raad er toe gemachtigd worden de verhuring van de banken en van de stoelen in eigen beheer te verrichten ofwel ze te verpachten.

  Art. 67. Als de verhuring der stoelen verpacht wordt, heeft de aanbesteding plaats na drie aanplakkingen met telkens acht dagen tussenruimte; de aanbiedingen worden op het bureau der fabriek bij inschrijving, ontvangen en, in het bijzijn van de kerkmeesters wordt de aanbesteding aan de meest biedende toegekend; dit alles wordt in het pachtceel vermeld en de beraadslaging waarbij het bedrag van het stoelgeld werd vastgesteld, wordt er bij gevoegd.

  Art. 68. Geen banken - of plaatsvergunning in de kerk, hetzij bij huurceel, mits een jaarlijkse bijdrage, hetzij mits de opbrengst van een kapitaal of van een onroerend goed, hetzij voor een termijn die de levensduur van hen die ze bekomen hebben, mag verleend worden, buiten de hiernavermelde uitzondering.

  Art. 69. De aanvraag om een concessie wordt aan het bureau voorgelegd, dat ze gedurende drie zondagen zal bekendmaken en gedurende een maand op de kerkdeur aanplakken, opdat elkeen in de gelegenheid gesteld weze door een voordeliger aanbod de voorkeur te genieten.
  Gaat het om een concessie van een onroerend goed, dan laat het bureau het schatten naar kapitaal en inkomen om deze schatting op te nemen in de plakbrieven en de bekendmakingen.

  Art. 70. Eens deze vereisten vervuld, brengt het bureau verslag uit bij de raad.
  Gaat het om een concessie van huur tegen een jaarlijkse vergoeding, wanneer de raad het orbaar acht daarop in te gaan, zal zijn beraadslaging daartoe volstaan.

  Art. 71. Gaat het om een concessie van een onroerend goed, dan dient op de beraadslaging onze machtiging verleend op dezelfde wijze als voor giften en schenkingen. Moest het een roerende waarde gelden, dan is onze machtiging vereist, als het bedrag hetzelfde is als datgene waarvoor de gemeenten en de godshuizen ze moeten bekomen.

  Art. 72. Wie volledig een kerk bouwt kan voor zichzelf en voor zijn familie, zolang zij bestaat, het eigendom van een gestoelte of van een kapel weerhouden.
  Ieder begiftiger of weldoener van een kerk kan dezelfde concessie bekomen, op het advies van de fabrieksraad, goedgekeurd door de bisschop en door de Minister van Justitie.

  Art. 73. Geen praalgraf, geen opschriften, geen graf- of andere gedenktekenen, eender dewelke, mogen in de kerken aangebracht worden, dan op de voordracht van de bisschop en mits de toelating van onze Minister van Justitie.

  Art. 74. Het bedrag van om het even welke reden voor de rekening van het kerkbestuur ontvangen gelden, wordt naar mate zij inkomen, naar dag en maand ingeschreven in een gequoteerd en geparafeerd register dat onder de schatbewaarder berust.

  Art. 75. Alles wat verband houdt met de omhalingen in de kerken, wordt, op verslag van de kerkmeesters, door de bisschop geregeld, ongeacht de omhalingen ten bate van de behoeftigen die immer in de kerken moeten gebeuren telkens de weldadigheidsburelen het geraden zullen achten.

  Art. 76. De schatbewaarder zal bij de ontvangsten in waren de kaarsen rekenen geofferd bij het gewijde brood of geleverd bij de jaargetijden, en diegene, die bij de uitvaarten en lijkdiensten, aan het kerkbestuur behoren.

  Art. 77. De kerkmeesters mogen geen enkel geding inspannen, noch als verweerders optreden, zonder de toelating van de Bestendige Deputatie, tot wie de beraadslaging, te dien einde door de raad verenigd met het bureau genomen, gericht wordt.

  Art. 78. Nochtans moet de schatbewaarder alle daden van enkel behoud stellen om de rechten van het kerkbestuur te vrijwaren en de nodige benaarstigingen vervullen tot het innen van haar inkomsten.

  Art. 79. De gedingen worden gevoerd namens het kerkbestuur en de benaarstigingen vervuld op het verzoek van de schatbewaarder, die het bureau omtrent deze rechtsplegingen zal berichten.

  Art. 80. Alle betwisting omtrent het eigendom van de goederen en alle vervolging tot inning der inkomsten worden voor de gewone rechter gebracht.

  Art. 81. (...) <opgeheven W 30-08-1913, art. 61, 1°, BS 05-09-1913>

  Afdeling 2. Rekeningen.

  Art. 82. De telken jare door de schatbewaarder te verschaffen rekening wordt in twee hoofdstukken gesplitst: het ene voor ontvangst, het andere voor uitgave.
  Het hoofdstuk voor ontvangst wordt in drie afdelingen ingedeeld: een eerste voor gewone ontvangst; een tweede voor buitengewone ontvangst en het derde voor dat gedeelte van de gewone of de buitengewone inningen die nog niet geschied zijn.
  Het overschot van de ene rekening zal altijd het eerste artikel uitmaken van de volgende rekening. Ook het hoofdstuk der uitgaven wordt ingedeeld in gewone uitgaven, in buitengewone uitgaven en in gewone en buitengewone uitgaven die nog niet gekweten werden.

  Art. 83. Bij iedere ontvangstpost, hetzij van renten, van huur of van andere ontvangsten, zal de naam vermeld worden van de schuldenaren, de pachters of huurders, de naam en de ligging van het huis of van het erf, de aard van de grondrente of van de gevestigde rente, de datum van de jongste titel of van de jongste huurceel en naam van de notarissen voor wie zij werden verleden; het geheel van de stichting waarvoor de rente dient, zo deze gekend is.

  Art. 84. Wanneer, tengevolge van het overlijden van de schuldenaar of van het verdelen van het met een rente belaste huis of erf, deze rente door meerdere schuldenaren verschuldigd is, zal er niettemin slechts een enkele post in de uitgaven vermeld worden, in welke post alle schuldenaren vermeld worden en behoudens de uitoefening van de hoofdelijke vordering zo daartoe grond bestaat.

  Art. 85. De schatbewaarder moet ter zitting op de eerste zondag in de maand maart aan het kerkmeestersbureau zijn jaarrekening overleggen.
  Tegen een door een onder hen afgeleverd ontvangstbewijs wordt de rekening, samen met de stukken tot staving, hun medegedeeld. Zij zullen ter zitting op de eerste zondag in de maand april, bij de raad verslag omtrent de rekening uitbrengen; tijdens deze zitting wordt ze onderzocht en afgesloten; desnoods wordt deze zitting de volgende zondag voortgezet.

  Art. 86. Ontstaat er betwisting omtrent een of meer posten uit de rekening, dan wordt de rekening niettemin afgesloten, mits voorbehoud omtrent de betwiste posten.

  Art. 87. De bisschop kan een commissaris aanduiden om, uit zijn naam, bij de jaarrekening aanwezig te zijn; doch als deze commissaris geen grootvicaris is, is hij er niet toe bevoegd iets omtrent de rekening te bevelen, doch kan enkel een proces-verbaal opmaken omtrent de toestand van de fabriek en omtrent de leveringen en de aan de kerk te verrichten herstellingen.
  De aartsbisschoppen en bisschoppen, of hun vicarissen-generaal, mogen zich steeds, bij hun bezoeken, rekeningen, registers en inventarissen doen voorleggen en de kas nazien.

  Art. 88. Als de rekening afgesloten is, wordt het overschot aan de in dienst zijnde schatbewaarder ter hand gesteld, die het als ontvangst boekt. Terzelfdertijd wordt hem een opgave in de hand gesteld van wat de fabriek wegens huurcelen te ontvangen heeft, een afschrift van de toevallige rechten, een tabel van de geraamde ontvangsten, een voor de te verrichten terugnemingen en een van de niet gekweten lasten en leveringen.
  Terzelfde zitting, wordt in het notulenboek melding van deze afgifte van stukken gemaakt; en, in behoorlijke vorm, wordt aan de uittredende schatbewaarder daarvan een afschrift afgeleverd om hem te dienen tot ontlasting.

  Art. 89. De jaarrekening wordt dubbel opgemaakt, waarvan een afschrift in de kas of in de kist met drie sleutels zal neergelegd worden en het andere op het gemeentehuis.

  Art. 90. (...) <impliciet opgeheven bij W 04-03-1870, art. 12, BS 09-03-1870>

  Art. 91. (...) <impliciet opgeheven bij W 04-03-1870, art. 15, BS 09-03-1870>

  Hoofdstuk IV. Lasten van de gemeenten in zaken van eredienst.

  Art. 92. De lasten van de gemeenten in zaken van eredienst zijn:
  1° bijdragen, bij onvoldoende inkomsten van het kerkbestuur, tot de lasten voorzien bij artikel 37;
  2° de pastoor of de bedienaar een pastorij bezorgen, of, bij gebrek aan een pastorij, en woning, of, bij gebrek én aan een pastorij én aan een woning een vergoeding in geld;
  3° bijdragen tot de grove herstellingen van de tot de eredienst bestemde gebouwen.

  Art. 93. (...) <impliciet opgeheven bij W 04-03-1870, BS 09-03-1870>

  Art. 94. Geldt het herstellingen van gebouwen van om het even welke aard, en laat voor deze herstelling de door de begroting vastgestelde gewone ontvangst geen, of slechts onvoldoende gelden beschikbaar, dan zal het bureau daaromtrent de raad berichten en deze laatste zal bij de beraadslaging voorstellen dat de gemeente daarin zou voorzien: deze beraadslaging zal door de schatbewaarder aan de gouverneur overgemaakt worden.

  Art. 95. De gouverneur stelt deskundigen aan die, ten overstaan van een lid van de gemeenteraad en van een der kerkmeesters, zo vlug mogelijk, een raming van de herstellingen zullen opmaken. De gouverneur legt deze raming de gemeenteraad voor, en op diens advies, beveelt hij, gebeurlijk, deze herstellingen op gemeentekosten uit te voeren en doet dientengevolge de gemeenteraad een aanbesteding door de laagste aanbieder uitschrijven.

  Art. 96. Meent de gemeenteraad een vermindering te moeten aanvragen op enige uitgaveposten voor het vieren van de eredienst, en erkent hij de noodwendigheid niet van de aanstelling van een onderpastoor, dan moet zijn beraadslaging daaromtrent de gronden voor aangeven. Al de stukken worden de bisschop toegezonden die beslist.

  Art. 97. (...) <impliciet opgeheven bij W 04-03-1870, BS 09-03-1870>

  Art. 98. Geldt het uitgaven wegens volgens artikel 95 vastgestelde herstellingswerken of wederopbouwwerken, dan beveelt de gouverneur dat deze herstellingen op de gemeente inkomsten betaald worden, en dienvolgens, dat de gemeente op de gewone wijze tot de aanbesteding bij het laagste aanbod overga.

  Art. 99. Indien de inkomsten der gemeente ontoereikend zijn, beslist de raad omtrent de middelen om deze uitgave te dekken, dit volgens de regels door de wet voorgeschreven.

  Art. 100. In het geval nochtans dat mocht blijken dat de inwoners van een parochie niet bij machte zijn, zelfs door een buitengewone belastingheffing, tot de herstellingen bij te dragen, dan dient beroep gedaan op onze Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, op wier verslag aan deze parochie een door hen te bepalen toelage zal worden verleend en zal voorafgenomen worden op het bij de wet van 25 september 1807 op de Staatsbegroting, voorzien gemeenzaam fonds.

  Art. 101. In alle gevallen waarin een kerkbestuur beroep doet op een gemeente, onderzoekt de gouverneur opnieuw de begroting van die gemeente en beslist of en in welke mate de voor de eredienst aangevraagde uitgave op de inkomsten van deze gemeente kan voorafgenomen worden, behoudens onze goedkeuring wat de gemeenten betreft, waarvan de inkomsten twintig duizend frank te boven gaan.

  Art. 102. Zo de gemeenteraad dient bijeengeroepen en zo het grondgebied van de parochie meerdere gemeenten omvat, wordt ieder gemeenteraad samen geroepen en beraadslaagt afzonderlijk.

  Art. 103. Een buitengewone belasting voor de kosten van de eredienst kan ingevoerd worden enkel naar het voorafgaandelijk vervullen van de bij de wet voorgeschreven vormen.

  Hoofdstuk V. Kathedrale kerken, bisschoppelijke paleizen en seminaries.

  Art. 104. De besturen van de metropolitane en van de kathedrale kerken blijven verder samengesteld en bestuurd volgens de door ons uitgevaardigde bisschoppelijke verordeningen.

  Art. 105. Alle beschikkingen omtrent de parochiale kerkbesturen zijn toepasselijk wat hun inwendig beheer aangaat op de kathedrale kerkbesturen.

  Art. 106. De in een bisdom opgenomen provinciën zijn tot hetzelfde verplicht als de gemeenten tegenover haar parochiale kerkbesturen.

  Art. 107. Wanneer er grove herstellingen dienen uitgevoerd aan de kathedrale kerken, aan de bisschoppelijke paleizen en seminaries, bericht de bisschop zulks aan de gouverneur van de provincie waarin de zetel van het bisdom gelegen is; hij legt terzelfdertijd een beknopte opgave voor van de inkomsten en van de uitgaven van zijn kerkbestuur en vermeldt de inkomsten die na het kwijten van de gewone uitgaven voor het vieren van de eredienst overblijven.

  Art. 108. De gouverneur beveelt dat, naar de voor de openbare werken voorgeschreven wijze ten overstaan van iemand daartoe door de bisschop aangesteld, een raming van de uit te voeren werken worde opgemaakt.

  Art. 109. Dit rapport wordt de bisschop medegedeeld die het, met zijn opmerkingen, naar de gouverneur overzendt.
  Deze stukken worden, samen met zijn advies, door de gouverneur aan onze Minister van Binnenlandse Zaken overgemaakt; hij brengt het ter kennis van de Minister van Justitie.

  Art. 110. Zijn herstellingen zowel noodzakelijk als dringend, dan verordent onze Minister van Binnenlandse Zaken ze voorlopig uit te voeren op de eerste fondsen waarover de gouverneurs kunnen beschikken, behoudens de terugbetaling uit de fondsen die door de provinciale raad tot dat doel zullen uitgetrokken worden; deze raad ontvangt mededeling van de begroting der fabriek van de kathedraal en kan gebruik maken van het recht dat bij artikel 96 aan de gemeenteraden werd toegekend.

  Art. 111. Bestaat het bisdom uit verschillende provincies, dan wordt de omslag naar de gewone verhouding verricht, doch de provincie waar de zetel van het bisdom is gelegen, wordt voor een tiende meer aangeslagen.

  Art. 112. In de provincies waar de kathedralen over kerkbesturen beschikken die een inkomen bezitten, waarvan een gedeelte voor herstellingswerken bestemd is, blijft die bestemming bestaan; voor het overschot gebeuren die werken zoals hoger beschikt.

  Art. 113. De bisschop aanvaardt de giften of schenkingen aan de kathedrale kerken en aan de seminaries; behoudens onze toestemming op voordracht van onze Minister van Justitie verleend.

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • DECREET DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 19-05-2008 GEPUBL. OP 01-09-2008
  • originele versie
  • DECREET DUITSTALIGE GEMEENSCHAP VAN 20-12-2004 GEPUBL. OP 18-03-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 6; 10; 43; 63; 77; 94; 95; 98; 100; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 101; 108; 109; 107; 110; 97)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 07-05-2004 GEPUBL. OP 06-09-2004
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 19-02-2004 GEPUBL. OP 18-03-2004
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 4; 7; 9-12; 14; 24-28; 33-34; 37)
    (GEWIJZIGDE ART. : 38; 41; 43-45; 50; 52-53; 56-57; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 59; 61-62; 65; 68; 73; 75; 78; 82; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 85; 89; 94; 95; 97; 103; 2; 5-6; 8; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 13; 15-17; 19-23; 32; 42; 51; 54; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 60; 63; 64; 66; 67; 69-72; 76; 77; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 79; 80; 98; 100; 101; 114)
  • originele versie
  • ORDONNANTIE (BRUSSEL) VAN 18-07-2002 GEPUBL. OP 07-08-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 43; 63; 94; 95; 98; 101; 107; 108)
    (GEWIJZIGDE ART. : 109; 110)
  • originele versie
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 20-07-2000 GEPUBL. OP 30-08-2000
    (GEWIJZIGDE ART. : 59; 62)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit
    Franstalige versie