J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 14 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers Senaat
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2013/07/17/2013011348/justel

Titel
17 JULI 2013. - Wet houdende de minimale nominale volumes duurzame biobrandstoffen die de volumes fossiele motorbrandstoffen, die jaarlijks tot verbruik worden uitgeslagen, moeten bevatten
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-07-2013 en tekstbijwerking tot 30-12-2015)

Bron : ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 26-07-2013 nummer :   2013011348 bladzijde : 47239       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2013-07-17/06
Inwerkingtreding : 30-06-2013

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen
Art. 2-3
HOOFDSTUK 3. - Classificatie van de duurzame biobrandstoffen
Art. 4-9
HOOFDSTUK 4. - Verplichtingen met betrekking tot informatie en administratie
Art. 10
HOOFDSTUK 5. - Toezicht en waarschuwingssysteem
Art. 11-13
HOOFDSTUK 6. - Administratieve boetes
Art. 14
HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen
Art. 15-17

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
  Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2009/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG met betrekking tot de specificatie van benzine, dieselbrandstof en gasolie en tot invoering van een mechanisme om de emissies van broeikasgassen te monitoren en te verminderen, tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad met betrekking tot de specificatie van door binnenschepen gebruikte brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 93/12/EEG en de richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG.

  HOOFDSTUK 2. - Algemene bepalingen

  Art. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  1° " Richtlijn 2009/30/EG " : Richtlijn 2009/30/EG van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG met betrekking tot de specificatie van benzine, dieselbrandstof en gasolie en tot invoering van een mechanisme om de emissies van broeikasgassen te monitoren en te verminderen, tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad met betrekking tot de specificatie van door binnenschepen gebruikte brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 93/12/EEG;
  2° " Richtlijn 2009/28/EG " : Richtlijn 2009/28/EG van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG;
  3° " koninklijk besluit van 26 november 2011 " : koninklijk besluit houdende bepaling van productnormen voor biobrandstoffen;
  4° " ministerieel besluit van 27 december 1978 " : het ministerieel besluit van 27 december 1978 betreffende de inschrijving van de personen die optreden in de bevoorradingsketen van het land en van de verbruikers in aardolie en aardolieproducten, gewijzigd door het ministerieel besluit van 1 december 2000 en door de wet van 26 januari 2006 betreffende de aanhouding van een verplichte voorraad aardolie en aardolieproducten en de oprichting van een agentschap voor het beheer van een deel van deze voorraad en tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop;
  5° " geregistreerde aardoliemaatschappij " : elke natuurlijke of rechtspersoon die geregistreerd is krachtens het ministerieel besluit van 27 december 1978 en die voor eigen rekening, voor rekening van derden of voor eigen behoeften, E5-benzine, E10-benzine en/of diesel tot verbruik uitslaat, hierna genoemd " maatschappij ";
  6° " uitslag tot verbruik " : de hoeveelheid aardolieproducten die wordt uitgeslagen tot verbruik overeenkomstig de artikelen 6, 35, 36 en 37 van de wet van 22 december 2009 houdende de algemene regeling inzake accijnzen;
  7° " benzine E5 " : ongelode benzine van de GN-codes 2710 11 49 met een laag zwavelgehalte en aromatische verbindingen en van de GN-codes 2710 11 41 en 2710 11 45 gebruikt als motorbrandstof die niet van accijnzen is vrijgesteld en maximaal 5 % v/v ethanol bevat en die beantwoordt aan de specificaties van de norm NBN-EN 228;
  8° " benzine E10 " : ongelode benzine van de GN-codes 2710 11 49 met een laag zwavelgehalte en aromatische verbindingen en van de GN-codes 2710 11 41 en 2710 11 45, gebruikt als motorbrandstof die niet van accijnzen is vrijgesteld en maximaal 10 % v/v ethanol bevat en die beantwoordt aan de specificaties van de norm NBN-EN 228;
  9° " diesel " : gasolie van de GN-code 2710 19 41 met een zwavelgehalte van niet meer dan 10 mg/kg, gebruikt als motorbrandstof die niet van accijnzen is vrijgesteld en beantwoordt aan de specificaties van de norm NBN-EN 590;
  10° " duurzame biobrandstoffen " : elk product opgenomen in de bijlage III bij Richtlijn 2009/28/EG en dat beantwoordt aan de duurzaamheidscriteria opgelegd bij het koninklijk besluit van 26 november 2011;
  11° " duurzame biobrandstof - categorie A " : duurzame biobrandstof waarvoor een Europese of Belgische norm bestaat;
  12° " duurzame biobrandstof - categorie B " : duurzame biobrandstof waarvoor nog geen Europese of Belgische norm bestaat maar waarvan het gebruik door de minister wordt toegestaan;
  13° " duurzame biobrandstof - Categorie C " : duurzame biobrandstof van categorie A of B en waarvan het reėle volume vermenigvuldigd mag worden met een correctiefactor FC, bepaald volgens de nadere regels vastgelegd door de minister, om het nominale volume ervan te berekenen;
  14° " reėel volume van een duurzame biobrandstof VR " : het werkelijke volume van duurzame biobrandstof gemeten in m3;
  15° " nominaal volume van een duurzame biobrandstof VN " : het werkelijke volume vermenigvuldigd met een correctiefactor FC.
  Voor de categorieėn A en B is die correctiefactor gelijk aan 1. Voor de categorie C is hij groter dan 1 en wordt hij individueel voor elke duurzame biobrandstof van deze categorie vastgelegd volgens de nadere regels bepaald door de minister;
  16° " nominaal volume van de duurzame biobrandstoffen " : het volume gelijk aan de som van het nominale volume van de duurzame biobrandstof - categorie A, B en C;
  17° " FAME " : methyl-ester van vetzuren van de GN-code 3824 90 99 en die beantwoordt aan de specificaties van de norm NBN-EN 14214;
  18° " bio-ethanol " : ethanol uit plantaardige biomassa, van GN-code 2207 10 00 met een alcoholvolumegehalte van ten minste 99 % vol die beantwoordt aan de specificaties van de standaard NBN EN 15376;
  19° " Bio-ETBE " : ethyl-tertiair-butylether van de GN-code 2909 19 00 die niet van synthetische oorsprong is, die in volume 47 % bio-ethanol bevat;
  20° " de minister " : de federale minister die bevoegd is voor energie;
  21° " Algemene Directie Energie " : de Algemene Directie Energie van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie;
  22° " FAPETRO " : het Fonds voor de analyse van aardolieproducten;
  23° " APETRA " : de naamloze vennootschap van publiek recht opgericht bij de wet van 26 januari 2006 betreffende de aanhouding van een verplichte voorraad aardolie en aardolieproducten en de oprichting van een agentschap voor het beheer van een deel van deze voorraad en tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop.

  Art. 3. De verwijzingen naar de codes van de gecombineerde nomenclatuur, opgenomen in deze wet, zijn die welke worden bedoeld in artikel 414, § 2, van de programmawet van 27 december 2004.
  De productnormen waarnaar wordt verwezen in deze wet zijn de laatste versies van de normen van het ECN (Europees Comité voor Normalisatie) en/of het NBN (Bureau voor Normalisatie).

  HOOFDSTUK 3. - Classificatie van de duurzame biobrandstoffen

  Art. 4. Om aan de bepalingen van deze wet te voldoen, moeten de biobrandstoffen duurzaam zijn door te voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1° geregistreerd zijn in de gegevensbank opgericht bij het koninklijk besluit van 26 november 2011;
  2° voldoen aan de voorschriften van het koninklijk besluit van 26 november 2011.

  Art. 5.De duurzame biobrandstoffen moeten bovendien behoren tot een van de volgende categorieėn :
  1° [1 categorie A : alle duurzame biobrandstoffen waarvoor Europese of Belgische normen bestaan]1;
  2° [1 categorie B : alle duurzame biobrandstoffen waarvoor geen Europese of Belgische normen bestaan. De duurzame biobrandstoffen van deze categorie worden aanvaard op voorwaarde dat een volledig technisch dossier, dat alle relevante gegevens bevat en dat aantoont dat ze conform zijn met de bepalingen van Richtlijn 2009/30/EG, op voorhand wordt bezorgd aan de Algemene Directie Energie en dat het goedgekeurd wordt door de minister]1;
  3° categorie C : aan biobrandstoffen van de categorieėn A en B kan een correctiefactor worden toegekend die het mogelijk maakt dat het nominaal volume ervan, tijdens een bepaalde en beperkte periode, hoger is dan hun werkelijke volume, op voorwaarde dat alle bewijzen en bewijsstukken voor die correctiefactor, volgens de bepalingen van Richtlijn 2009/30/EG, op voorhand worden bezorgd aan de Algemene Directie Energie en dat deze goedgekeurd worden door de minister.
  ----------
  (1)<W 2015-12-26/05, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 30-06-2013>

  Art. 6. De technische dossiers bedoeld in artikel 5, 2° en 3°, worden door FAPETRO geėvalueerd, die zich kan laten bijstaan door experts.
  De Koning kan de regels vastleggen met betrekking tot het technisch dossier, de evaluatie door FAPETRO en de benoeming en de specifieke opdrachten van de experts, evenals voor de publicatie van de lijst van de duurzame biobrandstoffen, de categorie waartoe ze behoren, de correctiefactor voor elke duurzame biobrandstof behorende tot de categorie C, evenals de periode gedurende welke deze correctiefactor mag toegepast worden.

  Art. 7.[1 § 1. Elke maatschappij die benzine E5, benzine E10 en/of diesel uitslaat tot verbruik, moet garanderen en bewijzen dat de volumes die in de loop van het kalenderjaar tot verbruik worden uitgeslagen ten minste een nominaal volume duurzame biobrandstoffen bevatten, zoals bepaald in de artikelen 4 en 5.
   § 2. Elke maatschappij dient te garanderen en te bewijzen dat het volume van elk type diesel dat jaarlijks wordt uitgeslagen voor verbruik, minstens een nominaal volume FAME bevat dat overeenkomt met een percentage dat gelijk is aan het maximale percentage vastgelegd in de norm NBN EN 590 min 1 (één) eenheid.
   § 3. Het jaarlijks nominaal volume FAME dat opgelegd wordt in § 2 moet minstens een werkelijk volume bevatten dat overeenkomt met een percentage FAME dat gelijk is aan het maximale percentage vastgelegd in de norm NBN EN 590 min 2 (twee) eenheden.
   § 4. Het jaarlijks nominaal volume FAME dat opgelegd wordt in § 2 kan gedeeltelijk of geheel worden vervangen door een duurzame biobrandstof van categorie A of B, op voorwaarde dat het vervangen volume minstens een energie-waarde heeft die gelijkwaardig is aan het volume vervangen FAME.
   § 5. In het geval dat FAME gedeeltelijk of geheel vervangen wordt door een duurzame biobrandstof van categorie A of B, moet het jaarlijks nominaal volume dat opgelegd wordt in § 4 minstens een werkelijk volume van deze duurzame biobrandstof bevatten met een energiewaarde die gelijkwaardig is aan een werkelijk volume vervangen FAME.
   § 6. Elke maatschappij dient te garanderen en te bewijzen dat het volume van elk type benzine dat jaarlijks wordt uitgeslagen voor verbruik, minstens een nominaal volume bio-ethanol, zuiver of in de vorm van bio-ETBE, bevat dat overeenkomt met een percentage dat gelijk is aan het maximale percentage vastgelegd in de norm NBN EN 228 min 1 (één) eenheid.
   § 7. Het jaarlijks nominaal volume bio-ethanol dat opgelegd wordt in § 6 moet minstens een werkelijk volume bevatten dat overeenkomt met een percentage bio-ethanol dat gelijk is aan het maximale percentage vastgelegd in de norm NBN EN 228 min 2 (twee) eenheden.
   § 8. Het jaarlijks nominaal volume bio-ethanol dat opgelegd wordt in § 6 kan gedeeltelijk of geheel worden vervangen door een duurzame biobrandstof van categorie A of B, op voorwaarde dat het vervangen volume minstens een energie-waarde heeft die gelijkwaardig is aan het volume vervangen bio-ethanol.
   § 9. In het geval dat bio-ethanol gedeeltelijk of geheel vervangen wordt door een duurzame biobrandstof van categorie A of B, moet het jaarlijks nominaal volume dat opgelegd wordt in § 8 minstens een werkelijk volume van deze duurzame biobrandstof bevatten met een energie-waarde die gelijkwaardig is aan een werkelijk volume vervangen bio-ethanol.
   § 10. De jaarlijkse nominale volumes die opgelegd worden in §§ 2 en 4 voor de verschillende types diesel en in §§ 6 en 8 voor de verschillende types benzine, kunnen gedeeltelijk vervangen worden door ten hoogste nominale volumes van een duurzame biobrandstof van categorie C die, na toepassing van de verdubbelingsfactor, gelijkwaardig zijn aan 1.5 % van een duurzame biobrandstof van categorie A of B, uitgedrukt in energie-waarde.
   § 11. De conversiefactoren van de percentages in volume en hun equivalenten in energie-waarde zijn deze die vervat staan in de bijlage III van Richtlijn 2009/28/EG.
   § 12. Wanneer een maatschappij die in Belgiė over een accijnsnummer beschikt, aan een andere maatschappij die over een Belgisch accijnsnummer beschikt, onder de accijnsschorsingsregeling, benzine en/of dieselproducten verkoopt, moet ze, op vraag van deze laatste, haar een verklaring bezorgen die de aanwezigheid van biobrandstof bevestigt, evenals de bewijzen in verband met de duurzaamheid zoals bedoeld in artikel 4.
   § 13. De hoeveelheden duurzame biobrandstof verkocht onder de accijnsschorsingsregeling, moeten worden in mindering gebracht in de aangifte van de verkoper en opgenomen worden in de aangifte van de koper, indien laatstgenoemde daadwerkelijk tot verbruik uitslaat.]1
  ----------
  (1)<W 2015-12-26/05, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 30-06-2013>

  Art. 8. In het kader van de occasionele verversing van haar voorraden kan APETRA vragen dat bepaalde hoeveelheden petroleumproducten, die haar eigendom zijn en die zich in Belgiė in depots bevinden die moeilijk toegankelijk zijn, bij de uitslag tot verbruik, niet de nominale volumes bepaald in artikel 7, §§ 2 en 4, dienen te bevatten.
  Deze uitzonderingen kunnen enkel gelden in zoverre het doel van deze wet, namelijk de bijmenging met duurzame biobrandstoffen in fossiele brandstoffen bestemd voor het wegvervoer, niet in het gedrang wordt gebracht en zij geen verstoring veroorzaken op de nationale of de lokale markt voor distributie van brandstoffen.

  Art. 9. De Koning stelt de nadere regels en voorwaarden vast met betrekking tot artikel 7, §§ 7 en 8, en artikel 8.

  HOOFDSTUK 4. - Verplichtingen met betrekking tot informatie en administratie

  Art. 10. § 1. De maatschappijen zijn verplicht om, uiterlijk op de laatste werkdag van de maand volgend op elk kwartaal, aan de Algemene Directie Energie de hoeveelheden benzine E5, benzine E10- en/of diesel die tot verbruik worden uitgeslagen mee te delen met vermelding van de hoeveelheden fossiele brandstoffen en de overeenkomende hoeveelheden duurzame biobrandstoffen die tot verbruik worden uitgeslagen.
  Deze gegevens kunnen ook elektronisch worden meegedeeld aan de Algemene Directie Energie.

  HOOFDSTUK 5. - Toezicht en waarschuwingssysteem

  Art. 11. § 1. Het toezicht betreffende de verplichtingen die voortvloeien uit deze wet en haar uitvoeringsbesluiten geschiedt door de daartoe door de minister gemachtigde ambtenaren van de Algemene Directie Energie en van de Algemene Directie Controle en bemiddeling van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, in samenwerking met de Algemene administratie van de Douane en Accijnzen van de FOD Financiėn.
  § 2. De gegevens met betrekking tot de uitslag tot verbruik die door de maatschappijen worden medegedeeld worden gecontroleerd met behulp van de gegevens die de Algemene administratie van de Douane en Accijnzen van de FOD Financiėn, uiterlijk op de laatste werkdag van de maand die volgt op elk kwartaal aan de Algemene Directie Energie meedeelt.
  Deze gegevens omvatten de hoeveelheden benzine- en/of dieselproducten die werden uitgeslagen tot verbruik in de loop van dat kwartaal.
  De gegevens in verband met het volume van duurzame biobrandstoffen die in verbruik worden gesteld, worden nagegaan aan de hand van de gegevens opgenomen in de gegevensbank van het koninklijk besluit van 26 november 2011.
  § 3. De Algemene Directie Energie heeft rechtstreeks toegang tot de individuele gegevens opgenomen in de gegevensbank van het koninklijk besluit van 26 november 2011.
  § 4. De Koning stelt de verdere regels met betrekking tot de informatie- en administratieverplichtingen vast.
  § 5. De Koning kan aan de voormelde maatschappijen de verplichting opleggen om een boekhouding te voeren volgens de modellen die Hij bepaalt.
  § 6. Elk kwartaal, na ontvangst van de gegevens bedoeld in artikel 10, §§ 1 en 2, verifieert de Algemene Directie Energie deze gegevens voor elke maatschappij die benzine E5, benzine E10 en/of diesel uitslaat tot verbruik.
  Indien de Algemene Directie Energie meent dat er aanwijzingen zijn dat de naleving van artikel 7 voor het betrokken jaar in gevaar komt, meldt zij dit bij een ter post aangetekende brief aan de betrokken maatschappij.
  § 7. De Koning stelt de nadere regels vast voor dit toezicht.

  Art. 12. § 1. Elke maatschappij moet in staat zijn om de attesten waarin het koninklijk besluit van 26 november 2011 houdende bepaling van productnormen voor biobrandstoffen voorziet, voor te leggen en op die manier te bewijzen dat de gebruikte biobrandstoffen in aanmerking genomen kunnen worden.
  § 2. De resultaten van de analyses uitgevoerd door FAPETRO kunnen gebruikt worden als waarschuwing die aangeeft dat de maatschappij niet in staat zou kunnen zijn om haar verplichtingen krachtens onderhavige wet na te komen.
  De analyseresultaten kunnen hiervoor een aanwijzing vormen indien :
  1° het gehalte aan biobrandstof lager is dan het gehalte dat maximaal is toegelaten door de norm min 2 (twee) eenheden;
  2° de nominale volumes biobrandstoffen die tot verbruik worden uitgeslagen en die op kwartaalbasis gemeld worden zoals bepaald in artikel 10, § 1, het gemeten gehalte aan biobrandstoffen overschrijden.

  Art. 13. § 1. Indien door de controles bedoeld in de artikelen 11 en 12 het te vrezen valt dat de petroleumproducten die door een maatschappij tot verbruik worden uitgeslagen, niet de bij deze wet opgelegde nominale volumes biobrandstoffen zullen bevatten, stuurt de Algemene Directie Energie haar een waarschuwingsbrief bij een ter post aangetekende brief.
  De maatschappij wordt uitgenodigd om zich binnen tien werkdagen na ontvangst van de waarschuwingsbrief te verdedigen door elk pertinent element aan te brengen dat aantoont dat ze in staat zal zijn om haar verplichtingen na te komen.
  Een tweede controle wordt vervolgens georganiseerd binnen een termijn van vier tot zes weken na de datum van de eerste controle.
  § 2. Indien de maatschappij in kwestie in gebreke blijft ten overstaan van artikel 7, §§ 3 en 5, stuurt de Algemene Directie Energie haar een tweede waarschuwingsbrief met een ter post aangetekende brief.
  Een derde controle wordt georganiseerd binnen een termijn van vier tot zes weken na de datum van de tweede controle.
  Indien, ondanks deze twee waarschuwingen, de maatschappij, bij de derde controle nog altijd in gebreke blijft ten opzichte van artikel 7, §§ 3 en 5, en indien overtuigende rechtvaardigende elementen hiervoor ontbreken, zal het verschil tussen de aangegeven nominale volumes biobrandstof meegedeeld voor het lopende kwartaal en de gemeten werkelijke volumes biobrandstof niet verrekend worden voor het bereiken van het nominale volume van het lopend kalenderjaar zoals bepaald in artikel 7, §§ 2 en 4.

  HOOFDSTUK 6. - Administratieve boetes

  Art. 14. § 1. Met een administratieve boete van honderd euro tot tienduizend euro, worden bestraft degenen die de verplichtingen bepaald in artikel 10, § 1, niet naleven of verhinderen.
  In geval van herhaling kan de geldboete worden verdubbeld.
  § 2. Elke naar behoren geļnformeerde maatschappij die het nominale volume zoals vastgelegd in artikel 7, §§ 2 en 4, niet naleeft wordt bestraft met een administratieve boete gelijk aan 900 euro per 1 000 liter bij 15° C aan ontbrekende biobrandstof, die niet bijgemengd werd bij de tot verbruik uitgeslagen jaarlijkse hoeveelheid benzine E5, benzine E10 of diesel.
  De Algemene Directie Energie baseert zich hiervoor op de gegevens die ze ontvangt van de Algemene Administratie der Douane en Accijnzen van de FOD Financiėn, op haar eigen gegevens met inbegrip van de informatiegegevens ingezameld bij FAPETRO en deze van de in gebreke gestelde maatschappijen.
  § 3. Op verzoek van de maatschappij of de Algemene Directie Energie, kan worden overgaan tot een hoorzitting waarvan het verslag wordt ondertekend door beide partijen, en bijgevoegd wordt bij het dossier.
  De Koning stelt de regels en voorwaarden vast waaronder deze hoorzitting wordt gehouden.
  § 4. De administratieve boete wordt geļnd ten gunste van de Schatkist door de Algemene Directie Energie.
  § 5. De Koning legt de regels voor de inning vast.
  § 6. De maatschappij waaraan een administratieve boete wordt opgelegd kan, binnen de termijn die door de Koning voor de betaling van de boete is bepaald, een beroep indienen bij de rechtbank van eerste aanleg van Brussel tegen de beslissing om een boete op te leggen.
  Het beroep wordt bij tegensprekelijk verzoekschrift ingediend op basis van de artikelen 1034bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
  Dit beroep schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing.

  HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen

  Art. 15. Rekening houdende met technologische ontwikkelingen van de biobrandstoffen en de evolutie van de Europese politiek terzake, kan de Koning de nominale bijmengingvolumes, gedefinieerd in artikel 7, wijzigen bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  De eerste evaluatie zal plaatsvinden ten vroegste de 12de maand en uiterlijk de 36ste maand na de datum van de bekendmaking van de huidige wet. Nadien zal om de twee jaar een evaluatie plaatsvinden.

  Art. 16. Deze wet is niet van toepassing op het Ministerie van Defensie en de op de autofabrikanten.

  Art. 17. Deze wet treedt in werking op 30 juni 2013.
  
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Brussel, 17 juli 2013.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Economie,
  J. VANDE LANOTTE
  De Minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen,
  Mevr. J. MILQUET
  De Minister van Landbouw,
  Mevr. S. LARUELLE
  De Minister van Financiėn,
  K. GEENS
  De Staatssecretaris voor Leefmilieu, Energie, en Mobiliteit,
  M. WATHELET
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  Mevr. A. TURTELBOOM

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 26-12-2015 GEPUBL. OP 30-12-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 7)
  • originele versie
  • ARREST GRONDWETTELIJK HOF VAN 07-05-2015 GEPUBL. OP 25-06-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 7)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
        Stukken van de Kamer van volksvertegenwoordigers : 53-2866 - 2012/2013 : Nr. 1 : Wetsvoorstel van de heren George en Clarinval, de dames Dierick en Emmery, de heer Schiltz en Mevr. Vanheste. Nr. 2 : Verslag. Nr. 3 : Tekst verbeterd door de commissie. Nr. 4 : Amendementen. Nr. 5 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat. Integraal Verslag : 19 en 20 juni 2013. Stukken van de Senaat : 5-2160 - 2012/2013 : Nr. 1 : Ontwerp geėvoceerd door de Senaat. Nr. 2 : Verslag. Nr. 3. : Beslissing om niet te amenderen. Handelingen van de Senaat : 27 juni 2013.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 14 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie