J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel 14 uitvoeringbesluiten 20 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2013/12/20/2013036202/justel

Titel
20 DECEMBER 2013. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (aangehaald als : besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit van 20 december 2013)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-12-2013 en tekstbijwerking tot 27-05-2021)

Bron : VLAAMSE OVERHEID
Publicatie : 31-12-2013 nummer :   2013036202 bladzijde : 103805       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2013-12-20/09
Inwerkingtreding :
01-01-2014 (Art.1.1.0.0.1)     (Art.2.1.1.0.1-Art.2.6.7.0.4)     (Art.3.1.0.0.1-Art.3.19.0.0.1)     (Art.4.1.0.0.1-Art.4.1.0.0.4)     (Art.4.2.0.0.1)     (Art.4.2.0.0.1-Art.4.3.0.0.2)     (Art.4.2.0.0.2)     (Art.4.2.0.0.3)     (Art.4.2.0.0.4)     (Art.4.2.0.0.5)     (Art.4.2.0.0.6)     (Art.4.2.0.0.7)     (Art.4.2.0.0.8)     (Art.4.3.0.0.1)     (Art.4.3.0.0.2)     (Art.4.4.0.0.1)     (Art.5.0.0.0.1,1°)     (Art.5.0.0.0.1,2°)     (Art.5.0.0.0.1,2°-Art.5.0.0.0.1,3°)     (Art.5.0.0.0.1,3°)     (Art.5.0.0.0.1,4°)     (Art.5.0.0.0.1,4°-Art.5.0.0.0.1,7°)     (Art.5.0.0.0.1,5°)     (Art.5.0.0.0.1,6°)     (Art.5.0.0.0.1,7°)     (Art.5.0.0.0.1,8°)     (Art.5.0.0.0.1,9°)     (Art.6.0.0.0.1)


Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1995003015        1995003016        2003201042        2010204472        2011200480        2011201584        2001003656        1996035526        1993003537        1970071709        1970070811        1997036164       

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL 1. - Inleidende bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen en definities
Art. 1.1.0.0.1
TITEL 2. - Belastingheffing
HOOFDSTUK 1. - Onroerende voorheffing
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Art. 2.1.1.0.1
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Art. 2.1.2.0.1
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Art. 2.1.3.0.1
Afdeling 4. - Tarieven
Art. 2.1.4.0.1
Afdeling 5. - Verminderingen
Art. 2.1.5.0.1
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Art. 2.1.6.0.1-2.1.6.0.4
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Art. 2.1.7.0.1
HOOFDSTUK 2. - Verkeersbelasting
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Art. 2.2.1.0.1
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Art. 2.2.2.0.1
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Art. 2.2.3.0.1
Afdeling 4. - Tarieven
Art. 2.2.4.0.1
Afdeling 5. - Verminderingen
Art. 2.2.5.0.1
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Art. 2.2.6.0.1-2.2.6.0.4
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Art. 2.2.7.0.1
HOOFDSTUK 3. - Belasting op de inverkeerstelling
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Art. 2.3.1.0.1
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Art. 2.3.2.0.1
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Art. 2.3.3.0.1
Afdeling 4. - Tarieven
Art. 2.3.4.0.1
Afdeling 5. - Verminderingen
Art. 2.3.5.0.1
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Art. 2.3.6.0.1
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Art. 2.3.7.0.1
HOOFDSTUK 4. - Eurovignet
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Art. 2.4.1.0.1
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Art. 2.4.2.0.1
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Art. 2.4.3.0.1
Afdeling 4. - Tarieven
Art. 2.4.4.0.1
Afdeling 5. - Verminderingen
Art. 2.4.5.0.1
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Art. 2.4.6.0.1
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Art. 2.4.7.0.1
HOOFDSTUK 5. [1 - Heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]1
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Art. 2.5.1.0.1
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Art. 2.5.2.0.1
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Art. 2.5.3.0.1
Afdeling 4. - Tarieven
Art. 2.5.4.0.1
Afdeling 5. - Verminderingen
Art. 2.5.5.0.1
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Art. 2.5.6.0.1
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Art. 2.5.7.0.1
HOOFDSTUK 6. - Leegstandheffing bedrijfsruimten
Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp
Art. 2.6.1.0.1
Afdeling 2. - Belastingplichtigen
Art. 2.6.2.0.1
Afdeling 3. - Belastbare grondslag
Art. 2.6.3.0.1
Afdeling 4. - Tarieven
Art. 2.6.4.0.1
Afdeling 5. - Verminderingen
Art. 2.6.5.0.1
Afdeling 6. - Vrijstellingen
Art. 2.6.6.0.1
Afdeling 7. - Wijze van heffing
Art. 2.6.7.0.1-2.6.7.0.4
HOOFDSTUK 7. [1 Erfbelasting]1
Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
Art. 2.7.1.0.1
Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
Art. 2.7.2.0.1
Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
Art. 2.7.3.0.1
Afdeling 4. [1 Tarieven]1
Art. 2.7.4.0.1
Afdeling 5. [1 Verminderingen]1
Art. 2.7.5.0.1
Afdeling 6. [1 Vrijstellingen]1
Art. 2.7.6.0.1
Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
Art. 2.7.7.0.1
HOOFDSTUK 8. [1 Schenkbelasting]1
Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
Art. 2.8.1.0.1
Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
Art. 2.8.2.0.1
Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
Art. 2.8.3.0.1
Afdeling 4. [1 Tarieven]1
Art. 2.8.4.0.1
Afdeling 5. [1 Verminderingen]1
Art. 2.8.5.0.1
Afdeling 6. [1 Vrijstellingen]1
Art. 2.8.6.0.1
Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
Art. 2.8.7.0.1
HOOFDSTUK 9. [1 Verkooprecht]1
Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
Art. 2.9.1.0.1
Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
Art. 2.9.2.0.1
Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
Art. 2.9.3.0.1
Afdeling 4. [1 Tarieven]1
Art. 2.9.4.0.1-2.9.4.0.2
Afdeling 5. [1 Verminderingen]1
Art. 2.9.5.0.1
Afdeling 6. [1 Vrijstellingen.]1
Art. 2.9.6.0.1
Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
Art. 2.9.7.0.1
HOOFDSTUK 10. [1 Verdeelrecht]1
Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
Art. 2.10.1.0.1
Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
Art. 2.10.2.0.1
Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
Art. 2.10.3.0.1
Afdeling 4. [1 Tarieven]1
Art. 2.10.4.0.1
Afdeling 5. [1 Verminderingen]1
Art. 2.10.5.0.1
Afdeling 6. [1 Vrijstellingen]1
Art. 2.10.6.0.1
Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
Art. 2.10.7.0.1
HOOFDSTUK 11. [1 Recht op hypotheekvestiging]1
Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
Art. 2.11.1.0.1
Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
Art. 2.11.2.0.1
Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
Art. 2.11.3.0.1
Afdeling 4. [1 Tarieven]1
Art. 2.11.4.0.1
Afdeling 5. [1 Verminderingen]1
Art. 2.11.5.0.1
Afdeling 6. [1 Vrijstellingen]1
Art. 2.11.6.0.1
Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
Art. 2.11.7.0.1
HOOFDSTUK 12. [1 Belasting op de spelen en weddenschappen]1
Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
Art. 2.12.1.0.1
Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
Art. 2.12.2.0.1
Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
Art. 2.12.3.0.1
Afdeling 4. [1 Tarieven]1
Art. 2.12.4.0.1
Afdeling 5. [1 Verminderingen]1
Art. 2.12.5.0.1
Afdeling 6. [1 Vrijstellingen]1
Art. 2.12.6.0.1
Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
Art. 2.12.7.0.1
HOOFDSTUK 13. [1 Belasting op de automatische ontspanningstoestellen]1
Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
Art. 2.13.1.0.1
Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
Art. 2.13.2.0.1
Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
Art. 2.13.3.0.1
Afdeling 4. [1 Tarieven]1
Art. 2.13.4.0.1
Afdeling 5. [1 Verminderingen]1
Art. 2.13.5.0.1
Afdeling 6. [1 Vrijstellingen]1
Art. 2.13.6.0.1
Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
Art. 2.13.7.0.1
TITEL 3. - Inning en invordering
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen, opcentiemen, opdeciem en administratieve onkostenvergoedingen
Art. 3.1.0.0.1-3.1.0.0.5, 3.1.0.0.5/1, 3.1.0.0.6
HOOFDSTUK 2. - Inkohiering
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 3.2.1.0.1-3.2.1.0.3
Afdeling 2. - Uitvoerbaarverklaring
Art. 3.2.2.0.1
Afdeling 3. - Overledenen en onverdeeldheden
Art. 3.2.3.0.1
Afdeling 4. - Aanslag voor overnemende of verkrijgende vennootschap
Art. 3.2.4.0.1
Afdeling 5. - Berekening en afrondingswijze
Art. 3.2.5.0.1
HOOFDSTUK 3. - Aanslagprocedure
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 3.3.1.0.1-3.3.1.0.7
Afdeling 2. - Aanslagjaar en belastbaar tijdperk
Art. 3.3.2.0.1
Afdeling 3. - Aanslagtermijn
Art. 3.3.3.0.1
Afdeling 4. - Aanslagbiljet
Art. 3.3.4.0.1
Afdeling 5. - Verzending
Art. 3.3.5.0.1
HOOFDSTUK 4. - Betalingen
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 3.4.1.0.1
Afdeling 2. - Betaaltermijn
Art. 3.4.2.0.1
Afdeling 3. - Wijze van betaling
Art. 3.4.3.0.1-3.4.3.0.8
Afdeling 4. - Vermeldingen op het betaalformulier
Art. 3.4.4.0.1
Afdeling 5. - Bewijs van betaling
Art. 3.4.5.0.1
Afdeling 6. - Datum van uitwerking van betaling
Art. 3.4.6.0.1
Afdeling 7. - Wijze van aanrekening van betaling, aanwending en aanzuivering
Art. 3.4.7.0.1
Afdeling 8. - Betalingsfaciliteiten
Art. 3.4.8.0.1
HOOFDSTUK 5. - Bezwaar
Afdeling 1. - Ontvangstmelding
Art. 3.5.1.0.1
Afdeling 2. - Bezwaartermijn
Art. 3.5.2.0.1
Afdeling 3. - Natuurlijke personen en rechtspersonen die bezwaar kunnen indienen en de wijze waarop ze bezwaar kunnen indienen
Art. 3.5.3.0.1
Afdeling 4. - Onderzoeksbevoegdheden
Art. 3.5.4.0.1
Afdeling 5. - Behandeltijd
Art. 3.5.5.0.1
Afdeling 6. - Beslissingswijze voor bezwaar
Art. 3.5.6.0.1
Afdeling 7. - Collectieve beslissing
Art. 3.5.7.0.1
Afdeling 8. - Hoorzitting
Art. 3.5.8.0.1
Afdeling 9. - Kennisgeving
Art. 3.5.9.0.1
HOOFDSTUK 6. - Ambtshalve ontheffing
Art. 3.6.0.0.1
HOOFDSTUK 7. - Nietigverklaring
Art. 3.7.0.0.1
HOOFDSTUK 8. - Gerechtelijk beroep
Art. 3.8.0.0.1
HOOFDSTUK 9. - Interesten
Afdeling 1. - Nalatigheidinteresten
Art. 3.9.1.0.1
Afdeling 2. - Moratoriuminteresten
Art. 3.9.2.0.1
HOOFDSTUK 10. - Invordering
Afdeling 1. - Herinnering
Art. 3.10.1.0.1
Afdeling 2. - Laatste herinnering
Art. 3.10.2.0.1
Afdeling 3. - Vervolging
Onderafdeling 1. - Algemeen
Art. 3.10.3.1.1
Onderafdeling 2. - Rechtstreekse vervolging
Art. 3.10.3.2.1-3.10.3.2.7
Onderafdeling 3. - Onrechtstreekse vervolging
Art. 3.10.3.3.1-3.10.3.3.2
Onderafdeling 4. - Vervolgingskosten
Art. 3.10.3.4.1-3.10.3.4.3
Onderafdeling 5. - Met vervolging belaste personen
Art. 3.10.3.5.1
Afdeling 4. - Bijzondere gevallen
Onderafdeling 1. - Invordering bij echtgenoten of ex-echtgenoten en bij wettelijk samenwonenden of ex-wettelijk samenwonenden
Art. 3.10.4.1.1
Onderafdeling 2. - Invordering bij vennootschappen
Art. 3.10.4.2.1
Onderafdeling 3. - Invordering bij erfgenamen
Art. 3.10.4.3.1
Onderafdeling 4. - Invordering bij andere personen die gehouden zijn tot betaling van de schuld
Art. 3.10.4.4.1
Onderafdeling 5. - Invordering van het eurovignet bij andere belastingschuldigen dan de eigenaar
Art. 3.10.4.5.1
Onderafdeling 6. - Invordering van betwiste belastingen
Art. 3.10.4.6.1
Afdeling 5. - Zekerheden
Onderafdeling 1. - Waarborg
Art. 3.10.5.1.1-3.10.5.1.7
Onderafdeling 2. - Voorrecht
Art. 3.10.5.2.1
Onderafdeling 3. - Wettelijke hypotheek
Art. 3.10.5.3.1
HOOFDSTUK 11. - Wederzijdse internationale bijstand
Art. 3.11.0.0.1
HOOFDSTUK 12. - Verplichtingen van derden
Afdeling 1. - Notificatieverplichtingen van derden
Art. 3.12.1.0.1
Afdeling 2. - Verplichtingen van kredietinstellingen of -inrichtingen
Art. 3.12.2.0.1-3.12.2.0.4
Afdeling 3. [1 - Andere verplichtingen in het kader van de registratiebelasting]1
Art. 3.12.3.0.1
Afdeling 4. [1 Verplichtingen van derden in het kader van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen]1
Art. 3.12.4.0.1
HOOFDSTUK 13. - Onderzoek en controle
Afdeling 1. - Administratieve controle
Onderafdeling 1. - Algemeen
Art. 3.13.1.1.1
Onderafdeling 2. - Plichten van de belastingplichtige
Art. 3.13.1.2.1
Onderafdeling 3. - Plichten van derden
Art. 3.13.1.3.1
Onderafdeling 4. - Plichten van openbare instellingen
Art. 3.13.1.4.1
Afdeling 2. - Controle ter plaatse
Art. 3.13.2.0.1-3.13.2.0.4
HOOFDSTUK 14. - Verjaring
Afdeling 1. - Termijn
Art. 3.14.1.0.1
Afdeling 2. - Stuiting
Art. 3.14.2.0.1
Afdeling 3. - Schorsing
Art. 3.14.3.0.1
HOOFDSTUK 15. - Strafrechtelijke vervolging
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 3.15.1.0.1
Afdeling 2. - Opsporing van inbreuken
Art. 3.15.2.0.1
Afdeling 3. - Strafrechtelijke sancties
Art. 3.15.3.0.1
HOOFDSTUK 16. - Verval van het recht op vertegenwoordiging
Art. 3.16.0.0.1
HOOFDSTUK 17. - Bewijsmiddelen van de administratie
Art. 3.17.0.0.1
HOOFDSTUK 18. - Belastingverhogingen en administratieve geldboetes
Art. 3.18.0.0.1
HOOFDSTUK 19. - Beroepsgeheim
Art. 3.19.0.0.1
HOOFDSTUK 20. [1 - Voorafgaande attesten]1
Art. 3.20.0.0.1-3.20.0.0.5
TITEL 4. - Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
Art. 4.1.0.0.1, 4.1.0.0.1/1, 4.1.0.0.2-4.1.0.0.3, 4.1.0.0.3/1, 4.1.0.0.3/2, 4.1.0.0.4
Hoofdstuk 2. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen
Art. 4.2.0.0.1-4.2.0.0.8
Hoofdstuk 3. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten
Art. 4.3.0.0.1-4.3.0.0.2
HOOFDSTUK 4. - Kruisverwijzingen
Art. 4.4.0.0.1
TITEL 5. - Opheffingsbepalingen en overgangsmaatregelen
Art. 5.0.0.0.1
TITEL 6. - Citeertitel
Art. 6.0.0.0.1
TITEL 7. - Inwerkingtredings- en uitvoeringsbepalingen
Art. 7.0.0.0.1-7.0.0.0.2
BIJLAGEN.
Art. N1-N2

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL 1. - Inleidende bepalingen

  HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen en definities

  Artikel 1.1.0.0.1.[1 De begrippen, gehanteerd in titel 2, hoofdstuk 5, worden geļnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van [2 [3 boek 3 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021]3]2.
   De begrippen, gehanteerd in titel 2, hoofdstuk 6, worden geļnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten.
   In titel 3, hoofdstuk 4, afdeling 3, van dit besluit wordt verstaan onder : de bijzondere commissie : de bijzondere commissie, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
   In titel 3, hoofdstuk 20, van dit besluit wordt verstaan onder :
   1° het Agentschap : het Agentschap voor Natuur en Bos, vermeld in artikel 27, § 1, 2° van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
   2° uitgebreid beheerplan van bossen : het beheerplan dat de gegevens bevat, vermeld in bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juni 2003 betreffende de beheerplannen van bossen.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-12-19/87, art. 1, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<BVR 2017-09-15/19, art. 7, 010; Inwerkingtreding : 02-11-2017>
  (3)<BVR 2020-09-11/17, art. 7.6, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  TITEL 2. - Belastingheffing

  HOOFDSTUK 1. - Onroerende voorheffing

  Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp

  Art. 2.1.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 2. - Belastingplichtigen

  Art. 2.1.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 3. - Belastbare grondslag

  Art. 2.1.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 4. - Tarieven

  Art. 2.1.4.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 5. - Verminderingen

  Art. 2.1.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 6. - Vrijstellingen

  Art. 2.1.6.0.1.De aanvraag tot het verkrijgen van de vrijstelling van de onroerende voorheffing, vermeld in [1 artikel 2.1.6.0.2, eerste lid, 1°, 2° en 3°]1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wordt schriftelijk ingediend bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
  Op de aanvraag tot terugbetaling worden de volgende gegevens vermeld:
  1° naam van de belastingplichtige;
  2° adres van de belastingplichtige;
  3° de ligging van het onroerend goed.
  De aanvraag, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt door de belastingschuldige ondertekend.
  ----------
  (1)<BVR 2018-11-30/10, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 2.1.6.0.2.De aanvrager moet de volgende documenten bij zijn aanvraag voegen om de vrijstelling van de onroerende voorheffing, vermeld in artikel 2.1.6.0.2, eerste lid, 1° [2 en 2°]2, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, te verkrijgen:
  1° een afschrift van [2 ...]2 [1 omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen]1;
  2° een afschrift van de verbouwingsplannen, opgemaakt door de architect;
  3° een afschrift van het proces-verbaal van voorlopige oplevering van de verbouwingswerkzaamheden, opgemaakt tussen de bouwheer en de aannemer of architect.
  [2 4° een afschrift van de stedenbouwkundige verordening of het ruimtelijk uitvoeringsplan dat het kernwinkelgebied of het winkelarm gebied afbakent waarin het onroerend goed ligt.]2
  ----------
  (1)<BVR 2015-11-27/29, art. 754, 009; Inwerkingtreding : 23-02-2017>
  (2)<BVR 2018-11-30/10, art. 3, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 2.1.6.0.3.[1 De aanvrager voegt de volgende documenten bij zijn aanvraag om de vrijstelling van de onroerende voorheffing, vermeld in artikel 2.1.6.0.2, eerste lid, 3°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, te verkrijgen:
   1° een afschrift van de omgevingsvergunning of meldingsakte voor de sloopwerkzaamheden en de vervangbouw;
   2° een afschrift van het proces-verbaal van voorlopige oplevering van de vervangbouw dat is opgemaakt tussen de bouwheer en de aannemer of architect;
   3° een attest waaruit blijkt dat het onroerend goed waarvoor de vrijstelling van de onroerende voorheffing wordt aangevraagd, vanaf ten vroegste 1 januari 2018 is geschrapt uit een inventaris, vermeld in artikel 2.1.6.0.2, eerste lid, 3°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.]1
  ----------
  (1)<BVR 2018-11-30/10, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 2.1.6.0.4.
  <Opgeheven bij BVR 2018-11-30/10, art. 5, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Afdeling 7. - Wijze van heffing

  Art. 2.1.7.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  HOOFDSTUK 2. - Verkeersbelasting

  Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp

  Art. 2.2.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 2. - Belastingplichtigen

  Art. 2.2.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 3. - Belastbare grondslag

  Art. 2.2.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 4. - Tarieven

  Art. 2.2.4.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 5. - Verminderingen

  Art. 2.2.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 6. - Vrijstellingen

  Art. 2.2.6.0.1.Conform artikel 2.2.6.0.1, § 3, derde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 kunnen de vrijstellingen, vermeld in artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 13°, en artikel 2.2.6.0.1, § 2, 2°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, [1 voor de voertuigen die niet beschikken over een elektronische registratievoorziening als vermeld in artikel 3.3.1.0.13 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en die maximaal dertig dagen op de openbare weg worden gebruikt,]1 worden bewezen door het bijhouden van een rittenblad.
  Voor het rittenblad, vermeld in het eerste lid, gelden de volgende vormvoorschriften en verplichtingen:
  1° het rittenblad is een papieren document dat op uitdrukkelijk verzoek door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie aan de belastingplichtige wordt afgeleverd. Het rittenblad wordt door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie voorzien van een droogstempel en een geldigheidsperiode. Bij gebrek daaraan is het rittenblad niet geldig en kan het niet dienen als bewijs van de vrijstelling;
  2° het rittenblad bevat een tabel van dertig afzonderlijke vakken, genummerd van één tot en met dertig. Voor de aanvang van elke ritdag vermeldt de belastingplichtige in onuitwisbare inkt de datum van gebruik, voluit geschreven, in het eerste openstaande vak. Het wijzigen, overschrijven, aanvullen of schrappen van de ingeschreven datum en iedere handeling waardoor een vak voor verschillende dagen kan worden gebruikt, maken dat vak ongeldig;
  3° overeenkomstig artikel 2.2.6.0.1, § 3, derde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 moet het rittenblad zich steeds in het voertuig bevinden. Bij controle moet de gebruiker het volledig ingevulde rittenblad steeds kunnen voorleggen;
  4° de belastingplichtige die niet langer voldoet aan de voorwaarden van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 13°, en § 2, 2°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, en zoals bepaald in dit besluit, moet zijn vrijstelling uitdrukkelijk stopzetten bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie;
  5° het rittenblad kan niet worden vervangen en er kan evenmin een duplicaat worden afgeleverd. Bij verlies, vernietiging of diefstal is de belastingplichtige de belasting verschuldigd vanaf het begin van het belastbaar tijdperk.
  Voor het rittenblad, vermeld in het eerste lid, gelden de volgende bepalingen voor de aanvang en de geldigheidsduur:
  1° overeenkomstig artikel 2.2.6.0.1, § 3, vierde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 is de geldigheidsduur van een rittenblad beperkt tot maximaal twaalf opeenvolgende maanden, te rekenen vanaf de aanvangsdatum van het rittenblad. Als het belastbaar tijdperk minder dan twaalf maanden bedraagt, wordt de geldigheidsduur van het rittenblad overeenkomstig ingekort. Er kan maar één rittenblad verkregen worden voor hetzelfde voertuig door dezelfde belastingplichtige binnen een periode van twaalf maanden die volgt op de aanvangsdatum van het rittenblad. Deze voorwaarde geldt ook als het voertuig onder een andere nummerplaat wordt ingeschreven door dezelfde belastingplichtige binnen die periode van twaalf maanden;
  2° overeenkomstig artikel 2.2.6.0.1, § 3, vijfde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 kan de belastingplichtige die zijn aangifte of inschrijving stopzet en vervolgens opnieuw aangifte doet voor hetzelfde voertuig binnen een periode van twaalf maanden na de aanvangsdatum van het laatst geldige rittenblad, geen nieuw rittenblad aanvragen;
  3° de belastingplichtige die in de loop van het belastbaar tijdperk het rittenblad stopzet zonder zijn aangifte voor de verkeersbelasting gelijktijdig stop te zetten, is de belasting verschuldigd vanaf het begin van het belastbaar tijdperk;
  4° overeenkomstig artikel 2.2.6.0.1, § 3, vijfde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 kan de belastingplichtige die een rittenblad aanvraagt dat wordt geweigerd wegens laattijdige aanvraag, voor de periode van twaalf maanden die volgt op het begin van zijn lopende belastbaar tijdperk waarvoor de aanvraag van een rittenblad werd geweigerd, geen nieuw rittenblad aanvragen.
  In afwijking van het derde lid, 1°, kan voor de voertuigen, vermeld in artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 waarvoor het belastbaar tijdperk niet start op 1 januari maar in de loop van het kalenderjaar, tijdens dat kalenderjaar een rittenblad worden aangevraagd voor het daaropvolgende belastbaar tijdperk.
  Als een belastingplichtige het rittenblad, vermeld in het eerste lid, verkeerd gebruikt of er misbruik van maakt en niet voldoet aan de in dit besluit opgelegde vereisten, vervalt de vrijstelling voor het desbetreffende aanslagjaar en is de belasting verschuldigd voor het belastbaar tijdperk waarvoor het rittenblad werd aangevraagd.
  ----------
  (1)<BVR 2018-11-30/10, art. 6, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 2.2.6.0.2. De bestuurder moet op verzoek van het bevoegde personeelslid alle inlichtingen over het gebruik van het voertuig verstrekken.

  Art. 2.2.6.0.3.[1 § 1. De aanvraag tot terugbetaling gebeurt door het indienen van een formulier dat ter beschikking wordt gesteld door bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
   De belastingplichtige vermeldt de volgende gegevens op het formulier, vermeld in het eerste lid:
   1° de naam en het adres van de belastingplichtige die het verzoek om teruggave indient;
   2° het kenteken van het trekkend voertuig waarop het verzoek betrekking heeft, alsook van de oplegger of aanhangwagen die in samenstel met het trekkend voertuig voor het gecombineerd vervoer over de weg is gebruikt, of, in voorkomend geval, de identificatie van de wissellaadbak of de container van 20 voet en meer;
   3° het aantal overslagverrichtingen in gecombineerd vervoer dat in Belgiė plaatsvindt, alsook de datum waarop en de locatie waar de goederen worden overgeladen van de ene vervoersmodus naar de andere vervoersmodus;
   4° het rekeningnummer voor de terugbetaling.
   Het formulier, vermeld in het eerste lid, wordt door de belastingplichtige ondertekend en wordt op straffe van verval ingediend bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, op zijn vroegst de laatste dag van de belastbare periode en uiterlijk drie maanden na de laatste dag van de belastbare periode.
   [2 ...]2
   § 2. De vrachtbrieven en de andere documenten waaruit blijkt dat er een overslagverrichting heeft plaatsgevonden, worden gedurende vijf jaar bijgehouden door de belastingplichtige en worden op verzoek van het bevoegde personeelslid overgemaakt.]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-02-03/03, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<BVR 2018-11-30/10, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 2.2.6.0.4. [1 De voertuigen, vermeld in artikel 2.2.6.0.1, § 3, tweede lid, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, zijn de volgende:
   1° kermis- of circuswagens die dienen voor het vervoer van kermis- of circusmateriaal of -dieren en de bijbehorende woonwagens, en die uiterlijk als dusdanig herkenbaar zijn;
   2° opleidingsvoertuigen die ingeschreven zijn door een rijschool, het Sociaal Fonds voor Transport en Logistiek of een gewestelijke arbeidsbemiddelingsdienst en die uitsluitend gebruikt worden om te leren rijden;
   3° terminaltrekkers die specifiek zijn uitgerust voor de handling van containers die worden gebruikt voor logistieke opdrachten in havengebieden en in distributie- en overslagcentra en die niet worden ingezet voor transport op de openbare weg;
   4° marktwagens die op duurzame wijze zijn ingericht om als winkel te dienen en een toog of vaste kassa bevatten of worden gebruikt als toonzaal en de vrachtwagens en de trekkers die uitsluitend gebruikt worden in combinatie met een marktwagen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-11-30/10, art. 8, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 7. - Wijze van heffing

  Art. 2.2.7.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  HOOFDSTUK 3. - Belasting op de inverkeerstelling

  Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp

  Art. 2.3.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 2. - Belastingplichtigen

  Art. 2.3.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 3. - Belastbare grondslag

  Art. 2.3.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 4. - Tarieven

  Art. 2.3.4.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 5. - Verminderingen

  Art. 2.3.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 6. - Vrijstellingen

  Art. 2.3.6.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 7. - Wijze van heffing

  Art. 2.3.7.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  HOOFDSTUK 4. - Eurovignet

  Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp

  Art. 2.4.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 2. - Belastingplichtigen

  Art. 2.4.2.0.1. [1 Als conform artikel 2.4.2.0.1, § 2, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 een derde wordt aangewezen als houder van het voertuig, moet daarvan een schriftelijke verklaring worden voorgelegd aan de dienstverlener, vermeld in artikel 1.1.0.0.2, eerste lid, 7° /1, van dezelfde codex. De voormelde verklaring moet ondertekend zijn door de houder van het voertuig en door de derde die is aangewezen als houder van het voertuig.]1
  ----------
  (1)<BVR 2015-07-17/15, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-04-2016>

  Afdeling 3. - Belastbare grondslag

  Art. 2.4.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 4. - Tarieven

  Art. 2.4.4.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 5. - Verminderingen

  Art. 2.4.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 6. - Vrijstellingen

  Art. 2.4.6.0.1.
  <Opgeheven bij BVR 2018-06-01/02, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 25-06-2018>

  Afdeling 7. - Wijze van heffing

  Art. 2.4.7.0.1.
  <Opgeheven bij BVR 2018-06-01/02, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 25-06-2018>

  HOOFDSTUK 5. [1 - Heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-03-24/10, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp

  Art. 2.5.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 2. - Belastingplichtigen

  Art. 2.5.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 3. - Belastbare grondslag

  Art. 2.5.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 4. - Tarieven

  Art. 2.5.4.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 5. - Verminderingen

  Art. 2.5.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 6. - Vrijstellingen

  Art. 2.5.6.0.1.De houder van een zakelijk recht die meent in aanmerking te komen voor de vrijstelling van de heffing, vermeld in artikel 2.5.6.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, moet een verklaring op erewoord overleggen dat hij op het vermelde adres is ingeschreven en daar zijn hoofdverblijf heeft, en dat hij over geen andere woning beschikt.
  Die verklaring kan worden overgelegd tot uiterlijk het einde van de bezwaartermijn, vermeld in artikel 3.5.2.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013. De verklaring geldt totdat ze wordt herroepen door de houder van het zakelijk recht. De houder van het zakelijk recht moet zijn verklaring herroepen zodra hij niet langer voldoet aan de voorwaarden om de vrijstelling van de heffing te krijgen.
  Zolang de houder van het zakelijk recht geen aanslagbiljet heeft ontvangen, moet de verklaring worden overgelegd aan het agentschap [1 ...]1. Na de ontvangst van het aanslagbiljet moet de verklaring worden overgelegd aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
  Een onvolledige of onjuiste verklaring en een te late herroeping worden beschouwd als een ontduiking van de heffing.
  ----------
  (1)<BVR 2017-09-15/19, art. 8, 010; Inwerkingtreding : 02-11-2017>

  Afdeling 7. - Wijze van heffing

  Art. 2.5.7.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  HOOFDSTUK 6. - Leegstandheffing bedrijfsruimten

  Afdeling 1. - Belastbaar voorwerp

  Art. 2.6.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 2. - Belastingplichtigen

  Art. 2.6.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 3. - Belastbare grondslag

  Art. 2.6.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 4. - Tarieven

  Art. 2.6.4.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 5. - Verminderingen

  Art. 2.6.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 6. - Vrijstellingen

  Art. 2.6.6.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 7. - Wijze van heffing

  Art. 2.6.7.0.1.§ 1. De eigenaar stuurt het vernieuwingsvoorstel of het verzoek tot verlenging van de opschortingstermijn, vermeld in artikel 2.6.7.1.1 en artikel 2.6.7.1.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, met een aangetekende brief naar het departement.
  § 2. Het vernieuwingsvoorstel omvat de volgende documenten:
  1° een situatietekening die het mogelijk maakt de ligging van de bedrijfsruimte te bepalen ten opzichte van de omliggende bebouwing;
  2° een beschrijving van de aard en omvang van de geplande werkzaamheden die de reden van opname in de inventaris moeten opheffen, alsook een kostprijsraming;
  3° een summiere beschrijving van de beoogde (her)bestemmingswerkzaamheden;
  4° de geplande aanvangsdatum en de uitvoeringstermijn van de werkzaamheden;
  5° de [1 omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit of voor stedenbouwkundige handelingen]1, als die vereist zijn, volgens de aard van de werkzaamheden.
  De aanvraag tot opschorting van de heffing wordt eveneens bijgevoegd.
  § 3. Het verzoek tot verlenging van de opschortingstermijn wordt gestaafd door de nodige stukken die aantonen dat:
  1° de aanvraag voor subsidiėring krachtens artikel 42, § 1, van het decreet wegens budgettaire redenen niet werd ingewilligd;
  2° de aanvaarde vernieuwing dermate buitengewone werkzaamheden omvat dat ze niet kan worden voltooid binnen de opschortingstermijn, vermeld in artikel 2.6.7.1.1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
  3° de aanvaarde vernieuwing omwille van economische, ruimtelijke, juridische en/of (milieu)technische redenen dermate complex is dat ze niet kan worden voltooid binnen de opschortingstermijn, vermeld in artikel 2.6.7.1.1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
  De aanvraag tot verlenging van de opschorting van de heffing wordt eveneens bijgevoegd.
  § 4. Het departement onderzoekt of het vernieuwingsvoorstel of het verzoek tot verlenging van de opschorting volledig is, overeenkomstig paragraaf 2 en paragraaf 3.
  Als het voorstel of het verzoek tot verlenging van de opschorting onvolledig wordt bevonden, brengt het departement de aanvrager binnen vijftien kalenderdagen na de betekening van de indiening van het voorstel of van het verzoek tot verlenging van de opschortingstermijn per aangetekende zending hiervan op de hoogte, met vermelding van de ontbrekende gegevens.
  Als het voorstel of het verzoek tot verlenging van de opschorting volledig wordt bevonden, brengt het departement de indiener binnen vijftien kalenderdagen daarvan met een aangetekende brief op de hoogte.
  Als het departement binnen vijftien kalenderdagen geen beslissing heeft betekend, wordt het voorstel geacht volledig te zijn.
  § 5. Het departement betekent zijn beslissing over de al dan niet aanvaarding van het vernieuwingsvoorstel of van het verzoek tot verlenging van de opschortingstermijn, samen met de eventuele vermelding van de opschorting van de heffing, hetzij na de verzendingsdatum van het schrijven inzake de volledigheid van het voorstel tot vernieuwing, hetzij na de dag die volgt op het verstrijken van de termijn vermeld in paragraaf 4, derde lid, in het geval het departement geen schrijven inzake de volledigheid heeft betekend.
  § 6. Als het departement binnen de termijn van dertig kalenderdagen nog geen beslissing heeft betekend, wordt het voorstel of het verzoek tot verlenging van de opschorting geacht aanvaard te zijn. Het departement verleent de aanvrager in dat geval een opschorting.
  ----------
  (1)<BVR 2015-11-27/29, art. 756, 009; Inwerkingtreding : 23-02-2017>

  Art. 2.6.7.0.2. De eigenaar stuurt het verzoek tot opschorting voor bedrijfsruimten die het voorwerp uitmaken van een definitief gesloten brownfieldconvenant met een aangetekende brief naar het departement. De aanvraag tot opschorting moet worden gestaafd door een afschrift van het brownfieldconvenant, dat definitief werd gesloten met toepassing van hoofdstuk III van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten.
  Het departement betekent de al dan niet aanvaarding van het voorstel tot opschorting aan de indiener binnen dertig kalenderdagen na de verzendingsdatum van de aangetekende brief over de aanvraag tot opschorting voor bedrijfsruimten die het voorwerp uitmaken van een definitief gesloten brownfieldconvenant.
  Als het departement binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen beslissing heeft betekend, wordt het voorstel geacht aanvaard te zijn. Het departement verleent de aanvrager in dat geval een opschorting van de heffing.

  Art. 2.6.7.0.3. De eigenaar stuurt het verzoek tot opschorting voor bedrijfsruimten die het voorwerp uitmaken van een door de OVAM conform verklaard bodemsaneringsproject, met een aangetekende brief naar het departement. De aanvraag tot opschorting moet worden gestaafd door een afschrift van het door de OVAM conform verklaard bodemsaneringsproject, met toepassing van titel III, hoofdstuk V, van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.
  Het departement betekent de al dan niet aanvaarding van het voorstel tot opschorting aan de indiener binnen dertig kalenderdagen na de verzendingsdatum van de aangetekende brief over de aanvraag tot opschorting voor bedrijfsruimten die het voorwerp uitmaken van een door de OVAM conform verklaard bodemsaneringsproject.
  Als het departement binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen beslissing heeft betekend, wordt het voorstel geacht aanvaard te zijn. Het departement verleent de aanvrager in dat geval een opschorting van de heffing.

  Art. 2.6.7.0.4. De eigenaar stuurt het verzoek tot opschorting voor tijdelijk om bedrijfseconomische redenen leegstaande maar niet verwaarloosde bedrijfsruimten, met een aangetekende brief naar het departement. De aanvraag tot opschorting moet worden gestaafd door een verslag van de erkende provinciale ontwikkelingsmaatschappij van de provincie waarin de gemeente ligt.
  Het departement kan het verzoek tot opschorting aanvaarden als aan de hand van het verslag, opgemaakt door de erkende provinciale ontwikkelingsmaatschappij van de provincie waarin de gemeente ligt, blijkt dat de leegstaande bedrijfsruimte onmiddellijk kan worden hergebruikt.
  Het departement betekent de al dan niet aanvaarding van het voorstel tot opschorting aan de indiener binnen dertig kalenderdagen na de verzendingsdatum van de aangetekende brief over de aanvraag tot opschorting voor tijdelijk om bedrijfseconomische redenen leegstaande maar niet vervallen bedrijfsruimten.
  Als het departement binnen de termijn, vermeld in het derde lid, geen beslissing heeft betekend, wordt het voorstel geacht aanvaard te zijn. Het departement verleent de aanvrager in dat geval een opschorting.

  HOOFDSTUK 7. [1 Erfbelasting]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.1.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik..]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.2.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.3.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 4. [1 Tarieven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.4.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 5. [1 Verminderingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.5.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 6. [1 Vrijstellingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.6.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.7.7.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 28, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  HOOFDSTUK 8. [1 Schenkbelasting]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.1.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.2.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.3.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 4. [1 Tarieven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.4.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 5. [1 Verminderingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.5.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 6. [1 Vrijstellingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.6.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.8.7.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 29, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  HOOFDSTUK 9. [1 Verkooprecht]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.1.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.2.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.3.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 4. [1 Tarieven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.4.0.1. [1 In het geval, vermeld in artikel 3.6.0.0.6, § 6, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wordt het maximum inkomen van het gebouwd onroerend goed en van zijn aanhorigheden vastgesteld conform artikel 2.9.4.2.1, § 2, 2°, b) en c), van de voormelde codex en volgens het daarin gemaakte onderscheid, met dien verstande dat de datum waarop het kadastraal inkomen is vastgesteld na voltooiing van het gebouw, in de plaats komt van de datum van de akte van verkrijging.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.4.0.2.
  <Opgeheven bij DVR 2018-06-22/18, art. 20, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Afdeling 5. [1 Verminderingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.5.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 6. [1 Vrijstellingen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.6.0.1.
  <Opgeheven bij DVR 2018-06-22/18, art. 20, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.9.7.0.1.
  <Opgeheven bij DVR 2018-06-22/18, art. 20, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2018>

  HOOFDSTUK 10. [1 Verdeelrecht]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.1.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.2.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.3.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 4. [1 Tarieven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.4.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 5. [1 Verminderingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.5.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 6. [1 Vrijstellingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.6.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.10.7.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  HOOFDSTUK 11. [1 Recht op hypotheekvestiging]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.1.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.2.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.3.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 4. [1 Tarieven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.4.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 5. [1 Verminderingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.5.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 6. [1 Vrijstellingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.6.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 2.11.7.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  HOOFDSTUK 12. [1 Belasting op de spelen en weddenschappen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.12.1.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.12.2.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.12.3.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 4. [1 Tarieven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.12.4.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 5. [1 Verminderingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.12.5.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 6. [1 Vrijstellingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.12.6.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.12.7.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 1, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  HOOFDSTUK 13. [1 Belasting op de automatische ontspanningstoestellen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 1. [1 Belastbaar voorwerp]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.1.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 2. [1 Belastingplichtigen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.2.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 3. [1 Belastbare grondslag]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.3.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 4. [1 Tarieven]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.4.0.1. [1 Art. 2.13.4.0.1.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 5. [1 Verminderingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.5.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 6. [1 Vrijstellingen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.6.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Afdeling 7. [1 Wijze van heffing]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 2.13.7.0.1. [1 Voorbehouden voor toekomstig gebruik.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 2, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  TITEL 3. - Inning en invordering

  HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen, opcentiemen, opdeciem en administratieve onkostenvergoedingen

  Art. 3.1.0.0.1. Een bedrag van 20 % van de elk jaar geļnde leegstandsheffing bedrijfsruimten, met uitzondering van de gemeentelijke opcentiemen, de nalatigheidsinteresten, de administratieve geldboetes en de kosten, wordt aan de gemeenten doorgestort als vergoeding voor de administratiekosten die ze in het kader van die heffing moeten maken voor de bedrijfsruimten die op hun grondgebied liggen.
  Bij gehele of gedeeltelijke ontheffingen wordt het te veel uitbetaalde bedrag aan onkostenvergoedingen verrekend op de eerstvolgende uit te keren onkostenvergoedingen en opcentiemen.

  Art. 3.1.0.0.2.De gemeenten ontvangen voor de administratiekosten die ze ter uitvoering van de [1 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]1 moeten maken:
  1° een eenmalige vergoeding van 15 % van de opbrengst van de eerste belasting met betrekking tot de onroerende goederen die op het grondgebied van de gemeente liggen, met een maximum van 125 euro per belaste woning of gebouw, [2 voor elke woning waarvoor de gemeente conform [3 artikel 3.16, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021]3 het agentschap heeft ingelich]2;
  2° vanaf de eerste heffing, 6% van de jaarlijkse opbrengst van de belasting met betrekking tot de onroerende goederen die op het grondgebied van de gemeente liggen voor het beheer van de inventaris, inclusief de opsporings- en vaststellingskosten, [2 op voorwaarde dat de gemeente het agentschap over de woningen heeft ingelicht conform [3 artikel 3.16, tweede lid, van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021]3]2.
  De gemeentelijke opcentiemen, de nalatigheidsinteresten, de administratieve geldboetes en de kosten worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van de opbrengst van de belasting, vermeld in het vorige lid.
  De onkostenvergoeding wordt berekend op de geļnde heffingen.
  De vergoedingen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, worden toegekend ongeacht het tijdstip waarop de gegevens werden meegedeeld, op voorwaarde dat de belasting voor het jaar waarop de gegevens betrekking hebben, tijdig kon worden opgenomen in het kohier.
  Bij gehele of gedeeltelijke ontheffingen wordt het te veel uitbetaalde bedrag aan onkostenvergoedingen verrekend op de eerstvolgende uit te keren onkostenvergoedingen en opcentiemen.
  ----------
  (1)<BVR 2017-03-24/10, art. 4, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (2)<BVR 2017-09-15/19, art. 9, 010; Inwerkingtreding : 02-11-2017>
  (3)<BVR 2020-09-11/17, art. 7.7, 018; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Art. 3.1.0.0.3.[1 De vergoeding, vermeld in artikel 3.1.0.0.6 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wordt uiterlijk op 31 mei van het jaar dat volgt op het aanslagjaar in kwestie, berekend op basis van:
   1° de gegevens over de eigendommen van de erkende sociale verhuurkantoren voor de toepassing van artikel 2.1.4.0.1, § 2, eerste lid, 5°, van de voormelde codex;
   2° de meldingen, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 2, derde lid, van de voormelde codex, voor de toepassing van artikel 2.1.4.0.1, § 2, eerste lid, 7°, van de voormelde codex;
   3° de meldingen, vermeld in artikel 2.1.4.0.1, § 2/1, tweede lid, van de voormelde codex;
   4° de informatie over de energiezuinige woningen en gebouwen die het [2 Vlaams Energie- en Klimaatagentschap]2 aanlevert voor de toepassing van artikel 2.1.5.0.1, § 2, van de voormelde codex;
   5° de aanvragen, vermeld in artikel 2.1.6.0.2 van de voormelde codex;
   6° de aanvragen, vermeld in artikel 2.2.6.0.1, § 3, eerste lid, van de voormelde codex, voor de toepassing van artikel 2.2.6.0.1, § 2, 2°, van de voormelde codex.]1
  ----------
  (1)<BVR 2019-04-05/25, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 17-05-2019>
  (2)<BVR 2020-12-11/07, art. 184, 019; Inwerkingtreding : 01-01-2021>

  Art. 3.1.0.0.4. De vergoeding, vermeld in artikel 3.1.0.0.3, wordt uitbetaald, samen met het saldo van de opcentiemen, vermeld in artikel 3.1.0.0.4, § 5, 5°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, en wordt uiterlijk gestort op de laatste bankwerkdag van de maand juli van het jaar dat volgt op het aanslagjaar in kwestie.

  Art. 3.1.0.0.5. Gederfde opbrengsten die ontstaan na het tijdstip, vermeld in artikel 3.1.0.0.3, worden halfjaarlijks, uiterlijk op de laatste bankwerkdag van de maand december en de maand juni, doorgestort.

  Art. 3.1.0.0.5/1. [1 In afwijking van artikel 3.1.0.0.3 tot en met 3.1.0.0.5 worden de inkomsten die gederfd zijn met toepassing van artikel 2.2.6.0.1, § 3, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, doorgestort uiterlijk op de laatste bankwerkdag van de maand juli die volgt op het kalenderjaar waarin de vrijstelling, vermeld in artikel 2.2.6.0.1, § 2, 2°, van de voormelde codex, is toegekend.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-04-05/25, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 17-05-2019>
  

  Art. 3.1.0.0.6. [1 § 1. Het voorstel van een gemeenteraadsbesluit dat vrijstellingen, verminderingen of differentiėring van de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing vaststelt en de motiveringsnota, vermeld in artikel 41, derde lid, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, worden schriftelijk ingediend bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
   Bij de documenten, vermeld in het eerste lid, wordt een formulier gevoegd dat de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie ter beschikking stelt en dat de volgende gegevens bevat:
   1° de naam en het adres van een contactpersoon van de gemeente;
   2° een voorstel van criteria om vrijstellingen van, verminderingen op of een differentiėring van de gemeentelijke opcentiemen op de onroerende voorheffing toe te passen;
   3° de waarden van de criteria, vermeld in punt 2°, die de vrijstelling, vermindering of differentiėring bepalen en de toe te passen opcentiemen die daarmee overeenstemmen.
   De gemeente duidt op het formulier, vermeld in het tweede lid, aan welke toepassing zij verkiest:
   1° de toepassing van criteria die door de gemeente worden gekozen uit een lijst van criteria die de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie voorstelt op het formulier, vermeld in het tweede lid, en op basis waarvan de vrijstelling, vermindering of differentiėring met zekerheid kan worden toegepast;
   2° de toepassing van andere criteria, voorgesteld door de gemeente, waarvoor de gemeente door middel van een bijlage bij het formulier, vermeld in het tweede lid, een overzicht aanlevert van de perceelcodes van de onroerende goederen waarvoor de vrijstellingen, verminderingen of differentiėring zouden moeten worden toegepast. De lijst met perceelcodes en de toe te passen opcentiemen die daarmee overeenstemmen wordt door de gemeente op een gestandaardiseerde wijze per elektronische informatiedrager aangeleverd op een formulier dat de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie ter beschikking stelt;
   3° de toepassing van andere criteria, voorgesteld door de gemeente.
   In deze paragraaf wordt verstaan onder perceelcode: de code die de diensten van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie toekennen aan een perceel en die bestaat uit cijfers en letters die een afdeling, een sectie, een grondnummer, een letterexponent, een cijferexponent, een bisnummer en een partitienummer aanduiden.
   § 2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie onderzoekt of het voorstel en het dossier, vermeld in paragraaf 1, volledig en conform artikel 41, derde lid, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur zijn.
   Als het formulier, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, onvolledig of niet conform wordt bevonden of de gevraagde perceelgegevens, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 2°, niet in het juiste formaat worden aangeleverd, brengt ze de gemeente daarvan op de hoogte binnen de vijftien kalenderdagen na de ontvangst van het formulier, met vermelding van de ontbrekende of onjuiste gegevens.
   § 3. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgt het advies over de technische uitvoerbaarheid, vermeld in artikel 41, derde lid, 3°, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, aan de gemeente binnen de volgende termijn volgend op de ontvangst van het volledige en conforme dossier:
   1° een maand, als het voorstel van de gemeente beperkt is tot de mogelijkheden, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1° of 2° ;
   2° drie maanden, als het voorstel van de gemeente criteria bevat als vermeld in paragraaf 1, derde lid, 3°.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-11-30/10, art. 9, 013; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  HOOFDSTUK 2. - Inkohiering

  Afdeling 1. - Algemeen

  Art. 3.2.1.0.1. De kohieren worden opgemaakt hetzij per belasting afzonderlijk, hetzij gezamenlijk voor verschillende belastingen.

  Art. 3.2.1.0.2. Kohieren kunnen betrekking hebben op een of meer aanslagjaren. De tarieven en eventueel de opcentiemen en de opdeciem in verband met de respectieve aanslagjaren zijn van toepassing.

  Art. 3.2.1.0.3. De aanslagen worden op naam van de betrokken belastingplichtigen ingekohierd.

  Afdeling 2. - Uitvoerbaarverklaring

  Art. 3.2.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 3. - Overledenen en onverdeeldheden

  Art. 3.2.3.0.1. Aanslagen ten laste van overleden belastingplichtigen worden ingekohierd op hun naam, voorafgegaan van het woord "Nalatenschap".
  Als een onroerend goed in onverdeeldheid toebehoort aan meerdere belastingplichtigen, wordt de aanslag ingekohierd hetzij op naam van alle belastingplichtigen, hetzij op naam van een of meer van hen, gevolgd door de vermelding "en rechthebbenden".

  Afdeling 4. - Aanslag voor overnemende of verkrijgende vennootschap

  Art. 3.2.4.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 5. - Berekening en afrondingswijze

  Art. 3.2.5.0.1. De belastingen en toebehoren worden in elk stadium van de berekening in euro vastgesteld en afgerond op de cent.

  HOOFDSTUK 3. - Aanslagprocedure

  Afdeling 1. - Algemeen

  Art. 3.3.1.0.1. De aangifte van een voertuig, vermeld in artikel 3.3.1.0.1 of 3.3.1.0.3 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, geschiedt door middel van een formulier, afgeleverd door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
  De belastingplichtige dient de aangifte behoorlijk ingevuld en ondertekend in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

  Art. 3.3.1.0.2. De belastingplichtige geeft elke wijziging van de elementen van de aangifte aan voordat hij het voertuig in zijn gewijzigde toestand gebruikt.

  Art. 3.3.1.0.3. [1 De aangifte van nalatenschap, vermeld in artikel 3.3.1.0.5 of 3.3.1.0.6 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wordt gedaan door middel van een formulier, dat wordt afgeleverd door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie en dat de elementen bevat, vermeld in artikel 3.3.10.8, § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 33, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.3.1.0.4. [1 De dienstverlener geeft, waar nodig, conform artikel 3.3.1.0.13, § 4, derde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, instructies aan de bestuurder van het voertuig waarbij die laatste een van de twee volgende acties onderneemt :
   1° hij begeeft zich binnen drie uur na die instructie naar een dienstverleningspunt naar keuze;
   2° hij verschaft opnieuw een gegarandeerd betaalmiddel of laat het verschaffen door de houder van het voertuig.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2015-07-17/15, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-04-2016>

  Art. 3.3.1.0.5. [1 De voorafgaande aangifte van spelen en weddenschappen, vermeld in artikel 3.3.1.0.14 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, en de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.15, van hetzelfde decreet, worden gedaan door middel van digitale formulieren die de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie ter beschikking stelt.
   De belastingplichtige dient de voorafgaande aangifte en de aangifte, vermeld in het eerste lid, behoorlijk ingevuld en ondertekend in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 3.3.1.0.6. [1 De aangifte van een automatisch ontspanningstoestel, vermeld in artikel 3.3.1.0.16, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, de aangifte van een wijziging, vermeld in artikel 3.3.1.0.16, derde lid, van hetzelfde decreet, en de aanvraag van een teruggave, vermeld in artikel 3.4.7.0.7 van hetzelfde decreet, worden gedaan door middel van digitale formulieren die de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie ter beschikking stelt.
   De belastingplichtige dient de aangifte, de aangifte van wijziging en de aanvraag van een teruggave, vermeld in het eerste lid, behoorlijk ingevuld en ondertekend in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 3, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 3.3.1.0.7. [1 § 1. De schatting, vermeld in artikel 3.3.1.0.9 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wordt aangevraagd met een formulier, dat de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie aanlevert en dat al de volgende elementen bevat:
   1° de volgende gegevens over de aanvragers:
   a) de voornamen en de achternaam;
   b) het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
   c) het domicilie;
   d) in voorkomend geval de wettelijke vertegenwoordiger;
   e) de graad van verwantschap met de erflater en wat ieder van hen verkrijgt;
   f) de titel op basis waarvan ze tot de nalatenschap komen;
   2° de keuze van de woonplaats in Belgiė: het correspondentieadres van de aanvragers of van de correspondent waarnaar alle kennisgevingen aan en de communicatie met de schattingsaanvragers kunnen worden gestuurd;
   3° de identificatie van de erflater:
   a) de voornamen en de achternaam;
   b) het rijksregisternummer of het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
   c) het domicilie;
   d) de plaats en de datum van geboorte en overlijden van de erflater;
   4° de nauwkeurige aanduiding van elk onroerend goed afzonderlijk dat deel uitmaakt van het belastbare actief en waarvoor de schatting wordt gevraagd, met de vermelding van de kadastrale afdeling, het kadastrale perceel, de oppervlakte en de ligging;
   5° een overzicht van de stukken of elementen die nuttig zijn voor de schatting en die als bijlage bij het formulier worden gevoegd.
   De aanvragers ondertekenen de aanvraag van de schatting.
   § 2. Als de schattingsaanvraag onvolledig of onduidelijk is, vraagt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de nodige stukken op bij de schattingsaanvragers of de correspondent, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 2°.
   § 3. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie maakt een gemotiveerd schattingsverslag op dat de volgende informatie bevat:
   1° de datum van het schattingsverslag;
   2° de referentiedatum van de schatting;
   2° de identificatie en de beschrijving van het te schatten goed;
   3° de gebruikte vergelijkingspunten;
   4° de geschatte waarde.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2019-05-10/04, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 01-04-2019>
  

  Afdeling 2. - Aanslagjaar en belastbaar tijdperk

  Art. 3.3.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 3. - Aanslagtermijn

  Art. 3.3.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 4. - Aanslagbiljet

  Art. 3.3.4.0.1. Zodra de kohieren uitvoerbaar verklaard zijn, wordt aan de betrokken belastingschuldigen een aanslagbiljet gezonden.

  Afdeling 5. - Verzending

  Art. 3.3.5.0.1.[1 § 1. Als de persoon, vermeld in artikel 3.3.5.0.1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, uitdrukkelijk instemt met de elektronische uitwisseling van aanslagbiljetten of andere documenten over de belasting door de activatie van een elektronisch platform voor de uitwisseling van berichten via elektronische weg, vermeld in artikel II.22 en II.23 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 en artikel 3.3.5.0.1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, heeft dat uitdrukkelijk akkoord tot gevolg dat de documenten exclusief via deze elektronische uitwisseling van berichten worden aangeboden.
   § 2. De persoon, vermeld in paragraaf 1, ontvangt via het elektronisch platform, vermeld in paragraaf 1, een bericht als de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie hem op dat platform een document ter beschikking stelt.
   § 3. Het ter beschikking stellen van de documenten, vermeld in paragraaf 1, wordt beėindigd als de persoon, vermeld in paragaaf 1, zijn instemming met de uitwisseling van documenten via het elektronisch platform intrekt door die elektronische uitwisseling te desactiveren via het elektronisch platform. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan de uitwisseling van documenten via het elektronisch platform ook eenzijdig stopzetten. De desactivering is mogelijk op elk ogenblik en treedt onmiddellijk in werking.
   Vanaf het ogenblik van de desactivering, vermeld in het eerste lid, worden de documenten aan de belastingschuldige toegezonden conform artikel 3.3.5.0.1, eerste lid, van de Vlaams Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
   § 4. De documenten, vermeld in artikel 3.3.5.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, blijven beschikbaar op het elektronisch platform gedurende zes maanden.]1
  ----------
  (1)<BVR 2021-05-21/02, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 06-06-2021>

  HOOFDSTUK 4. - Betalingen

  Afdeling 1. - Algemeen

  Art. 3.4.1.0.1. De belastingen worden betaald aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
  De betaling van de belastingen mag alleen geėist worden ingeval ze verschuldigd zijn blijkens een aangifte of een uitvoerbaar verklaard kohier.

  Afdeling 2. - Betaaltermijn

  Art. 3.4.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 3. - Wijze van betaling

  Art. 3.4.3.0.1.[1 De belastingen en toebehoren worden betaald op een van de volgende wijzen :
   1° door storting of overschrijving op de rekening van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie;
   2° door een elektronische betaling met een debetkaart, verricht aan een betaalterminal in de kantoren van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die over een betaalterminal beschikken.
   In afwijking van het eerste lid moet de betaling van de niet-betaalde belasting en de boete samen met de interesten en kosten conform artikel 3.13.2.0.4, § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 op het ogenblik van de vaststelling van de overtreding worden betaald aan het bevoegde personeelslid door een elektronische betaling met een debetkaart.
   In het eerste en tweede lid wordt verstaan onder debetkaart : de door een financiėle instelling uitgegeven plastic kaart die het, aan de hand van de gegevens op de chip, mogelijk maakt via elektronische weg een betalingsverrichting ten gunste van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie uit te voeren.
   Het bevoegde personeelslid kan in bijzondere omstandigheden andere wijzen van betaling toestaan.]1
  ----------
  (1)<BVR 2015-07-17/15, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-04-2016>

  Art. 3.4.3.0.2. Belastingen waarvoor een gerechtsdeurwaarder in opdracht van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie vervolgingen instelt, kunnen in afwijking van artikel 3.4.1.0.1 en 3.4.3.0.1 betaald worden in handen van die gerechtsdeurwaarder.

  Art. 3.4.3.0.3. [1 § 1. Als de kunstwerken in hun geheel deel uitmaken van de nalatenschap of op de dag van het overlijden in hun geheel toebehoren aan de overledene en zijn overlevende echtgenoot, moet de schattingsaanvraag, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, zevende lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, worden ingediend voor het verstrijken van hetzij de normale termijn voor de indiening van de aangifte, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, van de voormelde codex, hetzij de termijn voor de aangifte die conform artikel 3.3.1.0.7 van de voormelde codex werd verlengd, als de verlenging van de termijn van indiening werd toegestaan op andere gronden dan de indiening van de schattingsaanvraag.
   Als datum van de schattingsaanvraag geldt de datum van de afgifte bij de post van de aangetekende brief.
   § 2. Als de kunstwerken op de dag van het overlijden in hun geheel toebehoren aan de overlevende echtgenoot of aan de erfgenamen, legatarissen of begiftigden, moet de schattingsaanvraag, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, zevende lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, worden ingediend voor het verstrijken van de betalingstermijn, vermeld in artikel 3.4.2.0.1, eerste lid, van de voormelde codex.
   Als datum van de schattingsaanvraag geldt de datum van de afgifte bij de post van de aangetekende brief.
   § 3. Zowel in het geval, vermeld in paragraaf 1, als in het geval, vermeld in paragraaf 2, geldt de schattingsaanvraag als aanbod tot inbetalinggeving.
   § 4. De schattingsaanvraag, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, zevende lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, vermeldt :
   1° de voornamen, de achternaam en de laatste fiscale woonplaats van de erflater en de plaats en de datum van zijn overlijden;
   2° de voornamen, de achternaam en de woonplaats van iedere schattingsaanvrager, de titel krachtens welke ze tot de nalatenschap komen en de vermelding of ze al dan niet gehouden zijn tot de indiening van de aangifte van nalatenschap;
   3° de keuze van de woonplaats in Belgiė van één van de schattingsaanvragers als plaats waar alle kennisgevingen aan de schattingsaanvragers naar kunnen worden gestuurd;
   4° een nauwkeurige beschrijving van ieder kunstwerk waarvan de schatting wordt gevraagd met vermelding van de auteurs ervan, de situering van de kunstwerken in het oeuvre van de auteurs, de plaatsen waar ze eventueel werden tentoongesteld, de staat waarin het kunstwerk verkeert en de plaats waar ze zich zullen bevinden gedurende de procedure van inbetalinggeving als het om moeilijk verplaatsbare kunstwerken gaat;
   5° of de kunstwerken al dan niet verzekerd zijn, en als de kunstwerken verzekerd zijn, de naam van de verzekeringsmaatschappijen, de datum en het nummer van de polissen en de verzekerde waarde per kunstwerk als ze afzonderlijk zijn verzekerd;
   6° de uitdrukkelijke bevestiging dat ieder kunstwerk waarvan de schatting wordt gevraagd voldoet aan de eigendomsvoorwaarde, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, tweede lid, van de voormelde codex, met specificatie van de wijze waarop de titel van eigendom van de schattingsaanvragers tot stand is gekomen.
   § 5. De schattingsaanvraag, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, zevende lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bevat ook een dossier met daarin :
   1° stukken en elementen die de eigendomstitels van de schattingsaanvragers staven;
   2° recente fotografische of andere afbeeldingen van de kunstwerken;
   3° in voorkomend geval, een kopie van de echtheidscertificaten die de aangevers bezitten;
   4° als de schattingsaanvragers daarover beschikken, alle stukken of elementen die een indicatie geven van de actuele waarde van de aangeboden kunstwerken;
   5° alle stukken of elementen waaruit blijkt dat de kunstwerken naar het oordeel van de schattingsaanvragers internationale faam hebben of waaruit blijkt dat de kunstwerken tot het roerend cultureel erfgoed van het land behoren;
   6° een afschrift van alle verzekeringscontracten die permanent of occasioneel voor de aangeboden kunstwerken werden gesloten, met de bijgevoegde expertiseverslagen die eventueel werden opgemaakt om de te verzekeren waarde te bepalen.
   § 6. De bijzondere commissie reikt een ontvangstbewijs van de schattingsaanvraag uit aan de schattingsaanvragers.
   § 7. Als de schattingsaanvraag of het dossier dat bij de aanvraag moet worden gevoegd onvolledig of onduidelijk is, vraagt de bijzondere commissie de nodige stukken of bewijzen op bij de schattingsaanvragers.
   § 8. De bijzondere commissie adviseert conform artikel 3.4.3.0.2, § 2, eerste lid, 2°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen tot de onontvankelijkheid van de schattingsaanvraag te beslissen als :
   1° de aanvraag niet voldoet aan de vereisten, vermeld in paragraaf 4;
   2° de schattingsaanvragers de stukken, vermeld in paragraaf 7, die de bijzondere commissie heeft opgevraagd niet leveren binnen een termijn van een maand;
   3° de schattingsaanvraag laattijdig werd ingediend.
   In het geval, vermeld in het eerste lid, neemt de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen de beslissing om het aanbod tot afgifte van kunstwerken te verwerpen. Hij stelt de bijzondere commissie in kennis van zijn beslissing om het aanbod tot afgifte van kunstwerken te verwerpen.
   De bijzondere commissie brengt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie op de hoogte van de beslissing van de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen, om het aanbod tot afgifte van kunstwerken te verwerpen. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie brengt vervolgens de schattingsaanvragers van deze beslissing op de hoogte.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 34, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.4.3.0.4. [1 § 1. De bijzondere commissie kan eisen dat de kunstwerken die ter betaling van de invorderbare erfbelasting worden aangeboden, worden getoond aan de bijzondere commissie of aan de experten of instellingen die ze heeft aangewezen.
  De bijzondere commissie kan ook eisen dat de kunstwerken aan de bijzondere commissie of aan de experten of instellingen die ze heeft aangewezen, in bruikleen gegeven worden voor nader onderzoek naar de echtheid en naar de kosten van restauratie of instandhouding ervan.
  De voorzitter van de bijzondere commissie bepaalt de datum en de plaats van de uitvoering van die verplichtingen in overleg met de schattingsaanvragers. Als een kunstwerk moeilijk te verplaatsen is, kunnen de schattingsaanvragers verzoeken zich van de hun opgelegde verplichtingen te kwijten door het kunstwerk op de dagen en uren die de voorzitter heeft bepaald, toegankelijk te maken voor de bijzondere commissie of voor de experten die de bijzondere commissie heeft aangewezen of de vertegenwoordigers van de instellingen die de bijzondere commissie heeft aangewezen. De plaats waar het kunstwerk toegankelijk wordt gemaakt, moet in Belgiė liggen.
  De kunstwerken worden getoond en het in bruikleen gegeven op risico van de schattingsaanvragers. Met uitzondering van artikel 1883, zijn artikel 1880 tot en met 1891 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
  § 2. Als de schattingsaanvragers zich niet kunnen of willen kwijten van de verplichtingen, vermeld in paragraaf 1, adviseert de bijzondere commissie conform artikel 3.4.3.0.2, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen, op grond daarvan tot de onontvankelijkheid van de schattingsaanvraag te beslissen.
  In het geval, vermeld in het eerste lid, neemt de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen de beslissing om het aanbod tot afgifte van kunstwerken te verwerpen. Hij stelt de bijzondere commissie in kennis van zijn beslissing om het aanbod tot afgifte van kunstwerken te verwerpen.
  De bijzondere commissie brengt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie op de hoogte van de beslissing van de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen, om het aanbod tot afgifte van kunstwerken te verwerpen. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie brengt vervolgens de schattingsaanvragers van deze beslissing op de hoogte.
  § 3. Als de bijzondere commissie vaststelt dat geen van de kunstwerken voldoet aan de kwalitatieve vereisten, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, geeft ze een negatief advies aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen conform artikel 3.4.3.0.2, § 2, eerste lid, van de voormelde codex.
  In het geval, vermeld in het eerste lid, neemt de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen de beslissing om het aanbod tot afgifte van kunstwerken te verwerpen. Hij stelt de bijzondere commissie in kennis van zijn beslissing om het aanbod tot afgifte van kunstwerken te verwerpen.
  De bijzondere commissie brengt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie op de hoogte van de beslissing van de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen, om het aanbod tot afgifte van kunstwerken te verwerpen. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie brengt vervolgens de schattingsaanvragers van deze beslissing op de hoogte.
  § 4. Als de bijzondere commissie oordeelt dat sommige van de kunstwerken wel en andere niet voldoen aan de kwalitatieve vereisten, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, brengt de voorzitter van de commissie de schattingsaanvragers daarvan op de hoogte.
  In het geval, vermeld in het eerste lid, hebben de schattingsaanvragers de mogelijkheid om hun aanvraag te beperken tot de kunstwerken die voldoen aan de kwalitatieve vereisten, vermeld in het eerste lid. Ze brengen de voorzitter van de bijzondere commissie daarvan op de hoogte binnen een maand, te rekenen vanaf de datum van de verzending van de kennisgeving, vermeld in het eerste lid.
  Bij gebrek aan een tijdige kennisgeving als vermeld in het tweede lid, geeft de bijzondere commissie een negatief advies aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen, conform artikel 3.4.3.0.2, § 2, eerste lid, van de voormelde codex, met betrekking tot de totaliteit van de kunstwerken. Er wordt dan verder gehandeld conform paragraaf 3, tweede lid.
  § 5. De bijzondere commissie stelt een verslag op van haar voorlopige bevindingen met betrekking tot de waarde van de kunstwerken die voldoen aan de kwalitatieve vereisten, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
  De bijzondere commissie brengt de schattingsaanvragers op de hoogte van het verslag, vermeld in het eerste lid. De schattingsaanvragers beschikken over een termijn van een maand, te rekenen vanaf de derde dag na de verzending van de voorlopige bevindingen, om hun opmerkingen kenbaar te maken.
  Na het verstrijken van de termijn, vermeld in het tweede lid, stelt de bijzondere commissie het definitieve schattingsverslag op. Dat verslag geldt als advies met betrekking tot de vastgestelde waarde van de kunstwerken.
  De bijzondere commissie brengt de schattingsaanvragers op de hoogte van het definitieve schattingsverslag, vermeld in het derde lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 34, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.4.3.0.5. [1 § 1. Binnen een termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van de beslissing van de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen, vermeld in artikel 3.4.3.0.3, § 8, tweede lid, artikel 3.4.3.0.4, § 2, tweede lid, § 3, tweede lid, en § 4, derde lid, dienen de schattingsaanvragers de aangifte van nalatenschap in als een verlenging van de indieningstermijn alleen voor de schattingsaanvraag werd toegestaan.
  Binnen een termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van de beslissing van de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen, vermeld artikel 3.4.3.0.3, § 8, tweede lid, artikel 3.4.3.0.4, § 2, tweede lid, en § 3, tweede lid, wordt een aanvullende aangifte ingediend als de kunstwerken waarvoor een schattingsaanvraag werd ingediend, in de aangifte zijn aangegeven met een "pro-memorie"- vermelding. Dat geldt ook voor de goederen die de schattingsaanvragers met toepassing van artikel 3.4.3.0.4, § 4, hebben teruggetrokken.
  § 2. Als op het tijdstip van de kennisgeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.4, § 5, vierde lid, de aangifte van nalatenschap al ingediend is, dan moet geen aanvullende aangifte worden ingediend. Als in de oorspronkelijke aangifte de waarde van de aangeboden kunstwerken niet als "pro memorie" werd aangegeven, wordt die waardering gelijkgesteld met een "pro memorie"-vermelding.
  Er moet evenmin een aanvullende aangifte worden ingediend als het een aangifte betreft waarvoor personen die niet tot indiening gehouden zijn, een ontvankelijke schattingsaanvraag hebben ingediend. In dat geval worden de waarden, vermeld in de oorspronkelijke aangifte, gelijkgesteld met een "pro memorie"-vermelding.
  In de gevallen, vermeld in het eerste en tweede lid, vormen de "pro memorie"-vermeldingen of de daarmee gelijkgestelde vermelding in de ingediende aangifte samen met de kennisgeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.4, § 5, vierde lid, de aangegeven waarde van de kunstwerken.
  § 3. Als de aangifte van nalatenschap nog niet ingediend is op het tijdstip van de kennisgeving, vermeld in artikel 3.4.3.0.4, § 5, vierde lid, en de schattingsaanvraag ingediend werd door een of meer personen die gehouden zijn tot de indiening van de aangifte van nalatenschap, dan geven de aangevers de door de bijzondere commissie geadviseerde waarde van de kunstwerken conform artikel 3.4.3.0.2, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 op in de aangifte van nalatenschap, met de vermelding dat die waarde conform artikel 3.4.3.0.2, § 2, eerste lid, van de voormelde codex,werd geadviseerd door de bijzondere commissie.
  § 4. Als de waarde van de aangeboden kunstwerken, geadviseerd door de bijzondere commissie conform artikel 3.4.3.0.2, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, lager is dan of gelijk is aan het gezamenlijke bedrag van de erfbelasting, verschuldigd door de schattingsaanvragers, kunnen de schattingsaanvragers het aanbod alsnog geheel of gedeeltelijk intrekken.
  Als de waarde van de aangeboden kunstwerken, geadviseerd door de bijzondere commissie conform artikel 3.4.3.0.2, § 2, eerste lid, van de voormelde codex, het bedrag van de erfbelasting dat gezamenlijk door de schattingsaanvragers verschuldigd, overtreft, hebben ze de keuze om het aanbod te bevestigen, het aanbod aan te passen door een of meer kunstwerken uit het aanbod terug te trekken zodat de waarde van de overblijvende kunstwerken minder bedraagt dan of gelijk is aan de verschuldigde erfbelasting, of het aanbod in te trekken. In geval van bevestiging van het aanbod zal, als de schattingsaanvragers daarvoor opteren, het saldo worden toegerekend op de erfbelasting, berekend ten laste van andere met name genoemde erfgenamen, legatarissen of begiftigden. Als er na die toerekening nog een saldo overblijft, zal dat worden toegerekend op na te vorderen erfbelasting ten laste van de schattingsaanvragers en, in voorkomend geval, op na te vorderen erfbelasting ten laste van de andere met name genoemde erfgenamen, legatarissen of begiftigden. De bevestiging van het aanbod levert geen recht op uitkering van het saldo op.
  In het geval, vermeld in artikel 3.4.3.0.3, § 1, blijft bij aanpassing of bij intrekking van het aanbod, vermeld in het tweede lid, de door de bijzondere commissie geadviseerde waarde van de kunstwerken conform artikel 3.4.3.0.2, § 2, eerste lid, van de voormelde codex, die afhangen van de nalatenschap, de waarde die in aanmerking wordt genomen voor de heffing van de erfbelasting.
  § 5. Binnen een maand na de verzending van het aanslagbiljet brengen de schattingsaanvragers :
  1° in geval van paragraaf 4, eerste lid, de bijzondere commissie op de hoogte van de intrekking van het aanbod of van de bedragen ten belope waarvan de erfbelasting, verschuldigd door de schattingsaanvragers, met de inbetalinggeving kan worden voldaan als het aanbod tot inbetalinggeving wordt aanvaard door de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen;
  2° in geval van paragraaf 4, tweede lid, de bijzondere commissie op de hoogte van de bevestiging, de aanpassing of de intrekking van het aanbod. Als het aanbod wordt aangepast vermelden de schattingsaanvragers de bedragen ten belope waarvan de erfbelasting, verschuldigd door de schattingsaanvragers, met de inbetalinggeving kan worden voldaan als het aanbod tot inbetalinggeving wordt aanvaard door de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen. Als het aanbod wordt bevestigd, vermelden ze in voorkomend geval de bedragen ten belope waarvan de erfbelasting, verschuldigd door de schattingsaanvragers en door de andere met naam genoemde erfgenamen, legatarissen of begiftigden, met de inbetalinggeving kan worden voldaan als het aanbod tot inbetalinggeving wordt aanvaard door de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen.
  Bij gebreke van de kennisgeving aan de bijzondere commissie, vermeld in het eerste lid, 1°, worden de schattingsaanvragers geacht het aanbod te hebben bevestigd en zal de erfbelasting, verschuldigd door de schattingsaanvragers, geacht worden te zijn voldaan naar evenredigheid van ieders aandeel in de gezamenlijk door hen verschuldigde belasting in het geval, vermeld in artikel 3.4.3.0.3, § 1 en naar evenredigheid van ieders aandeel in de eigendom van het kunstwerk in het geval, vermeld in artikel 3.4.3.0.3, § 2, als het aanbod tot inbetalinggeving wordt aanvaard door de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen.
  Bij gebreke van de kennisgeving van de bevestiging, aanpassing of intrekking van het aanbod tot inbetalinggeving aan de bijzondere commissie, vermeld in het eerste lid, 2°, worden de schattingsaanvragers geacht het aanbod te hebben bevestigd. In dat geval zal de erfbelasting, verschuldigd door de schattingsaanvragers, geacht worden te zijn voldaan, als het aanbod tot inbetalinggeving wordt aanvaard door de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen. Het saldo zal niet toegerekend worden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 34, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.4.3.0.6. [1 § 1. De voorzitter van de bijzondere commissie bezorgt het advies over de kwalitatieve vereisten, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, en over de vastgestelde waarde van de kunstwerken aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen.
  Bij het advies wordt een dossier gevoegd dat de volgende stukken bevat :
  1° de schattingsaanvraag, het dossier, vermeld in artikel 3.4.3.0.3, § 5, en alle stukken of bewijzen die de schattingsaanvragers met toepassing van artikel 3.4.3.0.3, § 7, hebben voorgelegd;
  2° de door de aanvrager gedane kennisgevingen ter uitvoering van artikel 3.4.3.0.5, § 5, eerste lid. Bij gebrek aan kennisgevingen vermeldt de voorzitter van de bijzondere commissie dat toepassing wordt gemaakt van artikel 3.4.3.0.5, § 5, tweede lid;
  3° in voorkomend geval, de door de bijzondere commissie opgemaakte lijst van de musea of de instellingen die belangstelling tonen om de kunstwerken in bruikleen te krijgen voor opneming in hun collecties;
  4° een gemotiveerd advies over de meest geschikte bestemming van de aangeboden kunstwerken.
  § 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen, brengt de voorzitter van de bijzondere commissie op de hoogte van zijn beslissing over het aanbod.
  Als de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen, niet alle aangeboden kunstwerken aanvaardt, worden de bedragen, die door de inbetalinggevers werden meegedeeld conform artikel 3.4.3.0.5, § 5, eerste lid, en ten belope waarvan ze de erfbelasting die ieder van hen verschuldigd is, met het aanbod willen voldoen, herleid naar evenredigheid van de waarde van de kunstwerken die de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen, heeft aanvaard.
  Voor de kunstwerken die de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen, aanvaardt, vermeldt hij in die kennisgeving de musea of de instellingen waaraan de kunstwerken moeten worden afgegeven.
  De voorzitter van de bijzondere commissie brengt de inbetalinggevers en de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie op de hoogte van de beslissing van de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen, met vermelding van de bedragen ten belope waarvan de door ieder van de inbetalinggevers verschuldigde erfbelasting door de afgifte van de kunstwerken geacht wordt te zijn voldaan en van de musea of instellingen waaraan de kunstwerken moeten worden afgegeven. De voorzitter van de bijzondere commissie brengt de musea of instellingen aan wie de kunstwerken in bruikleen worden gegeven op de hoogte van de uiterste datum waarop ze de kunstwerken in ontvangst moeten nemen.
  § 3. De inbetalinggevers moeten de kunstwerken op hun kosten aan de aangewezen musea of instellingen afgeven binnen twee maanden, te rekenen van de datum van de kennisgeving door de voorzitter van de bijzondere commissie, vermeld in paragraaf 2, vierde lid.
  De musea of instellingen bevestigen de afgifte van de kunstwerken binnen de gestelde termijn aan de hand van een ontvangstbewijs, opgemaakt in tweevoud. De inbetalinggevers sturen onmiddellijk een exemplaar van het ontvangstbewijs aan de voorzitter van de bijzondere commissie.
  Als de kunstwerken niet binnen de gestelde termijn zijn afgegeven, brengen de aangewezen musea of instellingen de voorzitter van de bijzondere commissie daarvan onmiddellijk op de hoogte. De voorzitter van de bijzondere commissie stelt de inbetalinggevers met een aangetekende brief in gebreke. Als de inbetalinggevers de kunstwerken niet binnen veertien dagen na de datum van de verzending van de ingebrekestelling hebben afgegeven, wordt de inbetalinggeving van rechtswege ontbonden, tenzij de voorzitter van de bijzondere commissie er de voorkeur aan geeft om de gedwongen tenuitvoerlegging van de verbintenis tot afgifte van de kunstwerken te eisen.
  § 4. Het risico van de kunstwerken blijft tot bij de afgifte van de kunstwerken bij de schattingsaanvragers.
  Elke wijziging, verandering of beschadiging van de kunstwerken tussen het tijdstip van de indiening van de schattingsaanvraag en het tijdstip van de afgifte brengt de ontbinding van rechtswege van de inbetalinggeving mee.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 34, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.4.3.0.7. [1 § 1. De erelonen en expertisevergoedingen en alle andere vergoedingen van kosten die de bijzondere commissie betaald heeft aan experten en instellingen waarop ze voor de vervulling van haar taken heeft beroep gedaan, de kosten verbonden aan de verplaatsingen die de leden van de bijzondere commissie hebben gedaan om moeilijk verplaatsbare kunstwerken te onderzoeken op de plaats waar ze door de schattingsaanvragers worden bewaard, en de kosten die verbonden zijn aan de kennisgevingen en ingebrekestellingen die de bijzondere commissie heeft gedaan, worden beschouwd als schattingskosten.
  § 2. De voorzitter van de bijzondere commissie brengt de schattingsaanvragers op de hoogte van het bedrag dat als voorschot op de schattingskosten bij de bevoegde eniteit van de Vlaamse administratie moet worden betaald. Binnen een termijn van twee weken, te rekenen van de kennisgeving, storten de schattingsaanvragers het bedrag van het voorschot op rekening van de bevoegde entiteit van de Vlaamse Administratie. Binnen vijf dagen na de storting zendt de bevoegde entiteit van de Vlaamse adminstratie een eensluidend verklaard afschrift van het ontvangstbewijs aan de voorzitter van de bijzondere commissie.
  Dat voorschot wordt bepaald op 250 euro per kunstwerk waarvoor een schattingsaanvraag wordt ingediend.
  De bijzondere commissie kan in de loop van haar werkzaamheden beslissen het als voorschot te betalen bedrag voor een of meer kunstwerken te verhogen als blijkt dat de kosten van schatting van de desbetreffende kunstwerken meer dan het dubbele van de geldsom, vermeld in het eerste lid, zullen bedragen.
  Bij laattijdige of onvolledige betaling van het voorschot of van de verhoging ervan, is artikel 3.4.3.0.3, § 8, van overeenkomstige toepassing.
  § 3. Nadat de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen, de inbetalinggeving geheel of gedeeltelijk aanvaard heeft en na de kennisname van het ontvangstbewijs, vermeld in artikel 3.4.3.0.6, § 3, tweede lid, zendt de voorzitter van de bijzondere commissie een attest aan de schattingsaanvragers waarin vermeld wordt dat de schattingskosten worden gedragen door het Vlaamse Gewest.
  Op zicht van dat attest betaalt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bedrag van het voorschot terug aan de schattingsaanvragers.
  § 4. Als goederen uit de schattingsaanvraag of het aanbod tot inbetalinggeving worden teruggetrokken, als de inbetalinggeving niet wordt aanvaard of als het ontvangstbewijs, vermeld in artikel 3.4.3.0.6, § 3, tweede lid, niet wordt afgeleverd, stelt de voorzitter van de bijzondere commissie een staat van de schattingskosten op. De schattingsaanvragers zijn hoofdelijk en ondeelbaar gehouden tot betaling van die kosten.
  Onderaan op de staat van schattingskosten wordt het bedrag van het voorschot toegerekend op het bedrag van de schattingskosten.
  Blijft er nog een saldo ten bate van de schattingsaanvragers over, dan zendt de voorzitter van de bijzondere commissie een eensluidend verklaard afschrift van de aangevulde staat van schattingskosten aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie en aan de schattingsaanvragers. De bevoegde entiteit van de Vlaamse adminstratie stort vervolgens het saldo van het voorschot terug aan de schattingsaanvragers.
  Als het voorschot niet volstaat voor de betaling van de schattingskosten, zendt de voorzitter van de bijzondere commissie de aangevulde staat van schattingskosten aan de schattingsaanvragers en een eensluidend verklaard afschrift ervan aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het bedrag van het saldo zoals dat blijkt uit de d aangevulde staat van schattingskosten, wordt door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie verder ingevorderd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 34, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.4.3.0.8. [1 § 1. De bijzondere commissie, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, § 2, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, is samengesteld uit :
  1° drie personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, onder wie de voorzitter en de secretaris van de commissie;
  2° twee personeelsleden van de Vlaamse administratie van het beleidsdomein Cultuur;
  3° vijf leden, vertegenwoordigers van de Raad voor het behoud van het roerend cultureel erfgoed, opgericht bij artikel 4 van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang.
  De effectieve leden van de bijzondere commissie, alsook hun plaatsvervangers, worden benoemd door de Vlaamse minister, bevoegd voor de fiscaliteit, de financiėn en de begrotingen.
  Het adres van de commissie wordt gevestigd op het adres van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
  § 2. De voorzitter van de bijzondere commissie stelt de plaats, de dag en het uur van de vergadering vast. Hij stelt eveneens de agenda vast.
  De commissieleden, of hun plaatsvervanger, kunnen een punt op de agenda laten inschrijven als ze daarvoor vooraf een verzoek aan de voorzitter hebben gericht.
  § 3. De voorzitter, of, in opdracht, een secretaris, roept de commissieleden op ten minste zeven dagen voor de datum van de vergadering. De oproeping vermeldt de agenda.
  Bij de oproeping wordt voor elke schattingsaanvraag, vermeld in artikel 3.4.3.0.3, § 1 en § 2, een afschrift van het aanvraagdossier gevoegd.
  § 4. Leden die de vergadering niet kunnen bijwonen, brengen het secretariaat van de bijzondere commissie daarvan op de hoogte, en verzoeken hun plaatsvervanger om hen op de vergadering te vertegenwoordigen.
  § 5. De voorzitter opent en sluit de vergaderingen. Hij leidt de besprekingen en organiseert de stemming als geen consensus wordt bereikt.
  § 6. De notulen van de vergaderingen van de bijzondere commissie maken een integrerend deel uit van het door de bijzondere commissie te verlenen advies. De notulen worden, samen met het ontwerp van advies, ter goedkeuring aan de commissieleden toegestuurd. De voorzitter van de bijzondere commissie ondertekent het goedgekeurde advies. Elk commissielid ontvangt een afschrift van het goedgekeurde en door de voorzitter ondertekende advies.
  § 7. De voorzitter beslist, op eigen initiatief of in voorkomend geval op vraag van de commissieleden, of en wanneer de eigenaar, de erfgenamen, legatarissen of begiftigden, of deskundigen in de vergadering worden uitgenodigd en toegelaten teneinde nadere inlichtingen over de kwalitatieve hoedanigheden, de toestand en de waarde van de te schatten werken te verstrekken.
  § 8. De commissieleden, de plaatsvervangers en de leden van het secretariaat zijn gehouden tot geheimhouding in verband met de besprekingen. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 34, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 4. - Vermeldingen op het betaalformulier

  Art. 3.4.4.0.1. De belastingschuldige moet bij de betaling de gestructureerde mededeling vermelden die de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie heeft opgegeven.

  Afdeling 5. - Bewijs van betaling

  Art. 3.4.5.0.1. Behoudens tegenbewijs gelden als bewijs van betaling:
  1° voor stortingen, de door de naamloze vennootschap van publiek recht bpost of door de financiėle instelling gedagtekende ontvangstbewijzen;
  2° voor overschrijvingen, cheques en elektronische betalingen met een debetkaart, verricht aan een betaalterminal in de kantoren van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, de rekeninguittreksels en erbij behorende stukken.

  Afdeling 6. - Datum van uitwerking van betaling

  Art. 3.4.6.0.1. Betalingen van belastingen en toebehoren hebben uitwerking:
  1° voor stortingen en voor overschrijvingen, op de datum waarop de rekening van het Vlaamse Gewest wordt gecrediteerd;
  2° voor betalingen met een gecertificeerde of gewaarborgde cheque, op de datum waarop de cheque door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie is ontvangen;
  3° voor de betalingen, vermeld in artikel 3.4.3.0.2, op de datum van de afgifte van de fondsen in handen van de gerechtsdeurwaarder;
  4° voor de elektronische betalingen met een debetkaart, verricht aan een betaalterminal in de kantoren van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de rekeninghouder zelf heeft uitgevoerd, op de werkelijke datum van de verrichting.

  Afdeling 7. - Wijze van aanrekening van betaling, aanwending en aanzuivering

  Art. 3.4.7.0.1. De aanvraag tot de evenredige teruggave van de belasting, vermeld in artikel 3.4.7.0.5, § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, moet gestaafd worden met documenten waaruit de inactiviteit van het voertuig op een rechtstreekse of onrechtstreekse manier blijkt.
  Documenten die de inactiviteit kunnen staven, zijn onder meer:
  1° documenten, uitgereikt in het kader van de arbeidsreglementering;
  2° documenten in het kader van de sociale wetgeving;
  3° documenten in het kader van de rij- en rusttijden;
  4° vrachtbrieven;
  5° documenten in verband met herstellingen aan het voertuig.

  Afdeling 8. - Betalingsfaciliteiten

  Art. 3.4.8.0.1.
  <Opgeheven bij DVR 2018-12-21/02, art. 57, 015; Inwerkingtreding : 07-01-2019>

  HOOFDSTUK 5. - Bezwaar

  Afdeling 1. - Ontvangstmelding

  Art. 3.5.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 2. - Bezwaartermijn

  Art. 3.5.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 3. - Natuurlijke personen en rechtspersonen die bezwaar kunnen indienen en de wijze waarop ze bezwaar kunnen indienen

  Art. 3.5.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 4. - Onderzoeksbevoegdheden

  Art. 3.5.4.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 5. - Behandeltijd

  Art. 3.5.5.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 6. - Beslissingswijze voor bezwaar

  Art. 3.5.6.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 7. - Collectieve beslissing

  Art. 3.5.7.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 8. - Hoorzitting

  Art. 3.5.8.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 9. - Kennisgeving

  Art. 3.5.9.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  HOOFDSTUK 6. - Ambtshalve ontheffing

  Art. 3.6.0.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  HOOFDSTUK 7. - Nietigverklaring

  Art. 3.7.0.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  HOOFDSTUK 8. - Gerechtelijk beroep

  Art. 3.8.0.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  HOOFDSTUK 9. - Interesten

  Afdeling 1. - Nalatigheidinteresten

  Art. 3.9.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 2. - Moratoriuminteresten

  Art. 3.9.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  HOOFDSTUK 10. - Invordering

  Afdeling 1. - Herinnering

  Art. 3.10.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 2. - Laatste herinnering

  Art. 3.10.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 3. - Vervolging

  Onderafdeling 1. - Algemeen

  Art. 3.10.3.1.1. De belastingen die niet binnen de wettelijke termijnen voldaan zijn, worden ingevorderd via rechtstreekse of onrechtstreekse vervolging.
  De rechtstreekse vervolging is gericht tegen de belastingschuldigen of hun vertegenwoordiger. De onrechtstreekse vervolging wordt tegen derden ingesteld. De vervolging waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bijstand vraagt van een gerechtsdeurwaarder, wordt ingesteld ingevolge persoonlijke of gemeenschappelijke dwangschriften, uitgevaardigd door de bevoegde personeelsleden die in het bezit zijn van de kohieren.

  Onderafdeling 2. - Rechtstreekse vervolging

  Art. 3.10.3.2.1. De rechtstreekse vervolgingen omvatten:
  1° het dwangbevel;
  2° het uitvoerend beslag op roerend goed;
  3° het beslag op tak- en wortelvaste vruchten;
  4° het uitvoerend beslag op zeeschepen en binnenschepen;
  5° het uitvoerend beslag op onroerend goed.

  Art. 3.10.3.2.2. Als de termijn, vermeld in artikel 3.10.3.2.1, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 verstreken is, kan overgegaan worden tot uitvoerend beslag op roerend goed.

  Art. 3.10.3.2.3. Uitvoerend beslag op roerend goed wordt gelegd niettegenstaande verzet tegen het dwangbevel, tenzij de gerechtsdeurwaarder het nuttig acht om daarover de mening van het bevoegde personeelslid in te winnen die, naargelang van het geval, de schorsing of de voortzetting van verdere vervolgingen gelast.
  Alleen verzet aangaande de vorm van de akten schorst de tenuitvoerlegging, met dien verstande dat de verkoop van de in beslag genomen voorwerpen pas kan geschieden na een gerechtelijke beslissing.

  Art. 3.10.3.2.4. Tegenover belastingschuldigen die door wegneming van roerende voorwerpen of anderszins pogen de waarborgen van de Schatkist te doen verdwijnen of gewoon te verminderen, kan het bevoegde personeelslid rechtstreeks uitvoerend beslag op roerend goed doen leggen zonder voorafgaande betekening van een dwangbevel.
  In dat geval behelst het exploot van inbeslagneming het dwangbevel vóór beslag en bevat het de diverse vermeldingen, vermeld in artikel 3.10.3.2.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, derde lid, alsook de gronden voor het niet vooraf betekenen van een dwangbevel.

  Art. 3.10.3.2.5. Het is de bevoegde personeelsleden verboden, rechtstreeks of onrechtstreeks, enig voorwerp waarvan ze de verkoop bewerkstelligen, te kopen of voor zich te doen kopen op straffe van nietigheid van de verkoop en met oplegging van de tuchtstraffen, bepaald in het Vlaams Personeelsstatuut.

  Art. 3.10.3.2.6. Als geen andere schuldeisers beslag of verzet hebben gedaan, wordt de bruto-opbrengst van de verkoop gestort in handen van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
  De gerechtsdeurwaarder trekt evenwel eerst de vervolgingskosten af die hem toekomen.
  Als andere schuldeisers beslag of verzet hebben gedaan, voert de gerechtsdeurwaarder de evenredige verdeling uit op de wijze, bepaald in artikel 1627 tot en met 1638 van het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. 3.10.3.2.7. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie rekent de hem gestorte sommen aan volgens de regels, vermeld in artikel 3.4.7.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, en betaalt de belastingschuldige het eventuele overschot terug.

  Onderafdeling 3. - Onrechtstreekse vervolging

  Art. 3.10.3.3.1.§ 1. Het bevoegde personeelslid kan met een aangetekende brief uitvoerend beslag onder derden leggen op de sommen en zaken die aan een belastingschuldige verschuldigd zijn of toebehoren, tot beloop van het bedrag, geheel of gedeeltelijk, dat door die laatste verschuldigd is uit hoofde van belastingen en toebehoren. [1 ...]1
  Dat beslag heeft uitwerking vanaf de overhandiging van het stuk aan de geadresseerde.
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  [1 § 1/1. Vanaf de datum van de inwerkingtreding van het akkoord dat daarvoor tussen de derde-beslagene en de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie wordt gesloten, kan het bevoegde personeelslid het beslag, vermeld in paragraaf 1, leggen door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt.
   Het akkoord blijft van toepassing zolang de derde-beslagene het niet uitdrukkelijk met een aangetekende brief heeft opgezegd. De opzegging gaat in vanaf de eerste dag van de derde maand die volgt op de maand waarin de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de kennisgeving ervan ontvangt.
   In de gevallen waarin wordt gebruikgemaakt van de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft het beslag uitwerking vanaf de datum van ontvangstmelding van het beslag door de derde-beslagene.
   Als hetzelfde beslag achtereenvolgens wordt gelegd op de wijze, respectievelijk vermeld in het eerste lid van deze paragraaf en in paragraaf 1, eerste lid, zal het beslag, gelegd conform paragraaf 1, eerste lid, alleen primeren als de overhandiging van het stuk aan de geadresseerde, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, de datum van ontvangstmelding van het beslag door de derde-beslagene, vermeld in het derde lid van deze paragraaf, voorafgaat.
   De informatie die is opgenomen in de kennisgeving van het beslag, vermeld in paragraaf 1 en 1/1, is dezelfde, ongeacht of ze wordt meegedeeld door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt of met een aangetekende brief.
   De oorsprong en de integriteit van de inhoud van de kennisgeving van het beslag, vermeld in paragraaf 1 en 1/1, moeten, in geval van verzending door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, worden verzekerd met aangepaste beveiligingstechnieken.
   Opdat de kennisgeving van het beslag op geldige wijze als beslag onder derden zou gelden, moet een digitaal certificaat worden gebruikt.
   Ongeacht de toegepaste techniek wordt er gegarandeerd dat alleen de gerechtigde personen toegang hebben tot de middelen waarmee het digitale certificaat wordt gecreėerd.
   De gevolgde procedures moeten toelaten dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de verzending, correct kan worden geļdentificeerd en dat het tijdstip van de verzending correct kan worden vastgesteld.
   Met als enig doel de bepalingen, vermeld in deze paragraaf, uit te voeren, wordt de beslagen belastingschuldige geļdentificeerd aan de hand van het identificatienummer, vermeld in artikel III.17 van het Wetboek van economisch recht, als het gaat om een rechtspersoon, en aan de hand van het rijksregisternummer of, bij gebrek daaraan, aan de hand van het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, als het gaat om een natuurlijke persoon.]1
  [1 § 1/2. Het beslag wordt met een aangetekende brief aan de belastingschuldige aangezegd. Als de belastingschuldige noch in Belgiė, noch in het buitenland een gekende woonplaats, verblijfplaats of gekozen verblijfplaats heeft, wordt het beslag aangezegd met aangetekende brief aan de met toepassing van artikel 40 van het Gerechtelijk Wetboek bevoegde procureur des Konings.
   De belastingschuldige kan met een aangetekende brief verzet aantekenen tegen het beslag bij het bevoegde personeelslid binnen vijftien dagen vanaf de derde werkdag die volgt op de datum van afgifte van de aanzegging van het beslag bij de aanbieder van de universele postdienst. De belastingschuldige moet binnen dezelfde termijn met een aangetekende brief de derde-beslagene inlichten.
   Als het beslag slaat op inkomsten als vermeld in artikel 1409, § 1 en § 1bis, en artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek, bevat de aanzegging, op straffe van nietigheid, het aangifteformulier voor kind ten laste conform het model, vermeld in artikel 1409ter, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.]1
  § 2. Het beslag, vermeld in paragraaf 1 [1 en 1/1]1, geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden door het bevoegde personeelslid dat met de invordering is belast, van een bericht van beslag als vermeld in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek.
  § 3. [1 Onder voorbehoud van paragraaf 1, 1/1 en 1/2, zijn op het beslag, vermeld in paragraaf 1 en 1/1, de bepalingen van artikel 1539, 1540, 1542, eerste lid, en artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing, met dien verstande dat:
   1° de derde-beslagene zijn verklaring van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag ook door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, aan het bevoegde personeelslid kan doen als het beslag op de wijze, vermeld in paragraaf 1/1, eerste lid, is gelegd. In dat geval is de datum van de verklaring van de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag, de datum van de ontvangstmelding die de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie verstuurt;
   2° de derde-beslagene er overeenkomstig artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek toe gehouden is, op overlegging van een afschrift van de aanzegging van het beslag, afgifte te doen van het bedrag van het beslag, vermeld in paragraaf 1/2, eerste lid. Als het beslag wordt gelegd op de wijze, vermeld in paragraaf 1/1, eerste lid, wordt de overlegging van een afschrift van de aanzegging van het beslag geacht te zijn vervuld door de mededeling aan de derde-beslagene van de datum van de afgifte van de aanzegging van het beslag bij de aanbieder van de universele postdienst. In dat geval wordt de mededeling ook gedaan door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt;
   3° het bedrag van het beslag wordt afgegeven aan het bevoegde personeelslid.
   Met als enig doel de bepalingen, vermeld in deze paragraaf, uit te voeren, wordt de beslagen belastingschuldige geļdentificeerd aan de hand van het identificatienummer, vermeld in artikel III.17 van het Wetboek van economisch recht, als het gaat om een rechtspersoon, en aan de hand van het rijksregisternummer of, bij gebrek daaraan, aan de hand van het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, als het gaat om een natuurlijke persoon.]1
  § 4. De kosten voor de aangetekende brieven, vermeld in paragraaf 1 [1 , 1/2]1 en 3, zijn ten laste van de belastingschuldige.
  § 5. De belastingschuldige wordt op de hoogte gebracht van de bestemming van de betalingen en van het saldo na de betalingen.
  ----------
  (1)<BVR 2017-03-24/10, art. 5, 008; Inwerkingtreding : 26-06-2017>

  Art. 3.10.3.3.2.Het uitvoerend beslag onder derden moet worden uitgevoerd door middel van een gerechtsdeurwaardersexploot op de wijze, bepaald in artikel 1539 tot 1544 van het Gerechtelijk Wetboek, als blijkt:
  1° dat de belastingschuldige zich verzet tegen het beslag, vermeld in [1 artikel 3.10.3.3.1, § 1 en § 1/1]1;
  2° dat de derde-beslagene zijn schuld tegenover de belastingschuldige betwist;
  3° dat de sommen en zaken het voorwerp zijn van een verzet of beslag onder derden vóór het beslag, vermeld in [1 artikel 3.10.3.3.1, § 1 en § 1/1]1, gedaan door andere schuldeisers;
  4° dat de zaken te gelde moeten worden gemaakt.
  [1 In de gevallen, vermeld in het eerste lid, blijft het beslag dat het bevoegde personeelslid conform artikel 3.10.3.3.1, § 1 en § 1/1, heeft gelegd, zijn bewarend effect behouden als een uitvoerend beslag onder derden bij gerechtsdeurwaardersexploot wordt gelegd als vermeld in artikel 1539 van het Gerechtelijk Wetboek, binnen een maand na:
   1° ofwel de afgifte bij de aanbieder van de universele postdienst van het verzet van de belastingschuldige, vermeld in artikel 3.10.3.3.1, § 1/2, tweede lid, of van de verklaring, vermeld in artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek;
   2° ofwel de ontvangstmelding van die verklaring als ze is verzonden door middel van een procedure waarbij informatietechnieken worden gebruikt als vermeld in artikel 3.10.3.3.1, § 3, eerste lid, 1°.]1
  ----------
  (1)<BVR 2017-03-24/10, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 26-06-2017>

  Onderafdeling 4. - Vervolgingskosten

  Art. 3.10.3.4.1. De vervolgingskosten worden bepaald volgens de regels die gelden voor de akten van de gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken.

  Art. 3.10.3.4.2. De vervolgingskosten vallen ten laste van de belastingschuldigen.

  Art. 3.10.3.4.3. De vervolgingskosten die niet bij de belastingschuldigen kunnen worden gerecupereerd, worden gedragen door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
  Volgende kosten kunnen noch bij de belastingschuldigen noch bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden gerecupereerd:
  1° kosten van akten die niet met de oorspronkelijke stukken kunnen worden gestaafd;
  2° kosten die het gevolg zijn van vervolgingen die willekeurig, zonder dwangschrift of in een met deze reglementering strijdige orde gedaan zijn;
  3° kosten, gedaan tegen kennelijk onvermogende belastingschuldigen.

  Onderafdeling 5. - Met vervolging belaste personen

  Art. 3.10.3.5.1. De vervolgingen worden ingesteld door gerechtsdeurwaarders die belast zijn met de betekening van de dwangbevelen en die de beslagleggingen en de verkopingen doen.
  De gerechtsdeurwaarders mogen voor die vervolgingen geen aanspraak maken op hogere of andere rechten of kosten dan die welke in artikel 3.10.3.4.1 vastgesteld zijn, op straffe van terugbetaling en schadevergoeding.

  Afdeling 4. - Bijzondere gevallen

  Onderafdeling 1. - Invordering bij echtgenoten of ex-echtgenoten en bij wettelijk samenwonenden of ex-wettelijk samenwonenden

  Art. 3.10.4.1.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Onderafdeling 2. - Invordering bij vennootschappen

  Art. 3.10.4.2.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Onderafdeling 3. - Invordering bij erfgenamen

  Art. 3.10.4.3.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Onderafdeling 4. - Invordering bij andere personen die gehouden zijn tot betaling van de schuld

  Art. 3.10.4.4.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Onderafdeling 5. - Invordering van het eurovignet bij andere belastingschuldigen dan de eigenaar

  Art. 3.10.4.5.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Onderafdeling 6. - Invordering van betwiste belastingen

  Art. 3.10.4.6.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 5. - Zekerheden

  Onderafdeling 1. - Waarborg

  Art. 3.10.5.1.1. De omvang van de waarborg, voorgeschreven in artikel 3.10.5.1.1, § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wordt bij beslissing van het bevoegde personeelslid vastgelegd. Ze moet gelijk zijn aan het vermoedelijke bedrag van de verplichtingen over een jaar die op grond van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 aan de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon kunnen worden opgelegd, na aftrek van de nettoverkoopwaarde van zijn goederen die het pand van het Vlaamse Gewest vormen en die liggen in Belgiė of in een land waarmee Belgiė een overeenkomst heeft gesloten tot regeling van de wederzijdse bijstand inzake de invordering van de belastingen waaraan de belanghebbende is onderworpen of in een land dat onder de toepassing valt van Richtlijn 2010/24/EU van de raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen.
  De waarborg mag evenwel in geen geval minder dan 750 euro bedragen.

  Art. 3.10.5.1.2. De te verstrekken waarborg bestaat hetzij uit een zakelijke zekerheid in de vorm van een hypotheekvestiging of van een borgtocht in geld, hetzij uit een persoonlijke borgstelling.
  Het bevoegde personeelslid mag andere wijzen van waarborgstelling aanvaarden.
  Indien nodig mogen de voormelde wijzen gelijktijdig worden aangewend om de totale zekerheid te verstrekken.

  Art. 3.10.5.1.3. De onroerende goederen die als hypothecaire waarborg worden aangeboden, moeten in Belgiė liggen.
  Als het om gebouwen gaat, dan wordt vóór de aanneming van de hypothecaire aanwending bewijs gegeven van voldoende verzekering tegen brand. In de akte moet worden vermeld dat de regelmatige betaling van de premie jaarlijks zal worden bewezen op straffe van verval van de aanneming.
  In alle gevallen wordt bewijs verstrekt van de eigendom en van de hypothecaire staat van het onroerend goed, en wordt de waarde daarvan op kosten van de belastingschuldige vastgelegd door alle middelen die voldoening schenken en onder meer door een schatting van een algemeen als bevoegd erkende deskundige, als dat door het bevoegde personeelslid geėist wordt.

  Art. 3.10.5.1.4. Borgtochten in geld worden gestort of overgeschreven op de rekening op naam van de Deposito- en Consignatiekas. In alles, en inzonderheid met betrekking tot de interest die aan de deponent verschuldigd is, worden ze met deposito's bij de Deposito- en Consignatiekas gelijkgesteld.

  Art. 3.10.5.1.5. De persoonlijke borg moet volgens de Belgische wet bekwaam zijn om verbintenissen aan te gaan en aangenomen worden door het bevoegde personeelslid.

  Art. 3.10.5.1.6. Als de zakelijke zekerheid of de gegoedheid van de persoonlijke borg wegens enige oorzaak zoals waardevermindering van de tot zekerheid dienende onroerende goederen of merkelijke vermindering van het fortuin van de borg onvoldoende wordt geacht, moet de belastingschuldige op het eerste verzoek van het bevoegde personeelslid een nieuwe zakelijke zekerheid of een nieuwe persoonlijke borg stellen.

  Art. 3.10.5.1.7. In de akten wordt de administratie vertegenwoordigd door het bevoegde personeelslid.
  Samen met de nodige inlichtingen en bewijsstukken en binnen de termijn, vastgesteld in artikel 3.10.5.1.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, overhandigt de belastingschuldige aan dat personeelslid hetzij het ontwerp van akte van hypotheekvestiging, van verpanding van een inschrijving op naam of van verbintenis van de persoonlijke borg, hetzij het stortingsbewijs of het bewijs van deponering voor borgtochten in geld.

  Onderafdeling 2. - Voorrecht

  Art. 3.10.5.2.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Onderafdeling 3. - Wettelijke hypotheek

  Art. 3.10.5.3.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  HOOFDSTUK 11. - Wederzijdse internationale bijstand

  Art. 3.11.0.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  HOOFDSTUK 12. - Verplichtingen van derden

  Afdeling 1. - Notificatieverplichtingen van derden

  Art. 3.12.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 2. - Verplichtingen van kredietinstellingen of -inrichtingen

  Art. 3.12.2.0.1. Het attest, vermeld in artikel 3.12.2.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wordt uitgereikt nadat de belanghebbende natuurlijke persoon of rechtspersoon een aanvraag heeft ingediend.
  Het attest wordt uitgereikt binnen acht dagen na de indiening van de aanvraag.

  Art. 3.12.2.0.2. Per krediet, lening of voorschot waarvoor een voordeel inzake economische expansie is aangevraagd, hoeven de kredietinstellingen en -inrichtingen, vermeld in artikel 3.12.2.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, in principe, in het bezit zijn van maar één attest.
  De datum van uitreiking van dat attest mag niet vroeger zijn dan één maand vóór de datum van de aanvraag tot verkrijging van het voordeel, en mag ook niet later zijn dan die datum.
  Er moet evenwel een nieuw attest worden voorgelegd als de beslissing tot toekenning van het voordeel niet is genomen binnen zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het attest.

  Art. 3.12.2.0.3. Een exemplaar van het attest, vermeld in artikel 3.12.2.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wordt door het bevoegde personeelslid gezonden aan de overheid, vermeld in de aanvraag van het attest.
  Als uit het attest blijkt dat een bedrag als belastingen of toebehoren verschuldigd is waarvoor de betalingstermijn verstreken is en dat gevestigd werd op naam van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een voordeel inzake economische expansie heeft aangevraagd, bepaalt de beslissing tot toekenning van het voordeel dat de kredietinstelling of -inrichting de fondsen niet geheel mag vrijgeven, tenzij de betrokkene zijn belastingschuld heeft betaald.

  Art. 3.12.2.0.4. § 1. Als uit het uitgereikte attest dat aan de kredietinstelling of -inrichting wordt overgelegd, blijkt dat een bedrag als belastingen of toebehoren verschuldigd is waarvoor de betalingstermijn verstreken is en dat gevestigd werd op naam van de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een krediet, lening of voorschot is verleend waarvoor een voordeel inzake economische expansie is aangevraagd, mogen de fondsen die afkomstig zijn van het krediet, de lening of het voorschot ten belope van dat bedrag niet worden vrijgegeven, tenzij de belanghebbende natuurlijke persoon of rechtspersoon een attest overlegt waarin het bevoegde personeelslid verklaart dat die belastingen en bijbehoren betaald zijn.
  Met instemming van de belastingschuldige mag de kredietinstelling of -inrichting die fondsen evenwel rechtstreeks overmaken aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
  § 2. In het geval, vermeld in artikel 3.12.2.0.2, derde lid, hoeft de kredietinstelling of -inrichting met de gegevens van het nieuwe attest alleen rekening te houden als de fondsen nog niet zijn vrijgegeven vóór het verstrijken van de in die bepaling vermelde termijn van zes maanden.

  Afdeling 3. [1 - Andere verplichtingen in het kader van de registratiebelasting]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 35, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.12.3.0.1. [1 De beroepsverklaring, vermeld in artikel 2.9.4.2.4, § 2, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, moet verzonden worden naar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.
   De beroepsverklaring, vermeld in het eerste lid, moet gedagtekend en ondertekend zijn, en vermeldt de volgende gegevens :
   1° de voornamen, de achternaam, het beroep en het domicilie van de verklaarder, en zijn geboorteplaats en -datum, als het een particulier betreft;
   2° de bedrijfsnaam, de bedrijvigheid, de maatschappelijke zetel, de datum van de oprichtingsakte en, in voorkomend geval, de openbare ambtenaar voor wie deze akte verleden werd, als het een vennootschap betreft;
   3° de vermelding dat de beroepsverklaring ter uitvoering van artikel 2.9.4.2.4, § 2, 1°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 gedaan wordt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 35, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Afdeling 4. [1 Verplichtingen van derden in het kader van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 4, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 3.12.4.0.1.[1 § 1. De invoerder, de fabrikant of al wie rechtstreeks of onrechtstreeks als dusdanig optreedt, dient de aangifte tot rangschikking, vermeld in artikel 3.12.4.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, volledig ingevuld en ondertekend in bij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie met een formulier dat die entiteit ter beschikking stelt.
   Het formulier, vermeld in het eerste lid, bevat identificatiegegevens van de aangever, fabrikant of invoerder en de gegevens van het model van automatisch ontspanningstoestel die nodig zijn voor de rangschikking, vermeld in artikel 2.13.3.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
   § 2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie onderzoekt de aangifte. Ze brengt de aangever binnen vijftien dagen na de dag waarop ze het formulier heeft ontvangen op de hoogte van ontbrekende of onduidelijke gegevens.
   De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie brengt de aangever schriftelijk op de hoogte van haar beslissing binnen dertig dagen na de dag waarop ze een volledige aangifte heeft ontvangen.
   § 3. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie houdt de rangschikking van automatische ontspanningstoestellen in de categorieėn, vermeld in artikel 2.13.3.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bij in een repertorium dat wordt gepubliceerd op haar website.]1
  ----------
  (1)<BVR 2021-05-21/02, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 06-06-2021>

  HOOFDSTUK 13. - Onderzoek en controle

  Afdeling 1. - Administratieve controle

  Onderafdeling 1. - Algemeen

  Art. 3.13.1.1.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Onderafdeling 2. - Plichten van de belastingplichtige

  Art. 3.13.1.2.1.[1 De erfgenamen of de begiftigden moeten, om een melding te doen overeenkomstig artikel 2.7.4.2.4, § 2, eerste lid, of artikel 2.8.6.0.7, § 2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie met het daarvoor bestemde formulier op de hoogte brengen van wijzigingen inzake de voorwaarden die gesteld worden om het verlaagde tarief of de vrijstelling te behouden.
   Voor het verlaagde tarief inzake de erfbelasting, moet in die kennisgeving het kohierartikel van het desbetreffende aanslagbiljet voor de erfbelasting worden opgenomen.
   Een afschrift van het rechtsgeldig aandelenregister dat ondertekend is door alle aandeelhouders of, bij gebreke daaraan, van de notulen van de algemene vergaderingen vanaf de datum van het overlijden van de erflater of vanaf de datum van de authentieke akte van schenking, alsook een afschrift van de stukken waaruit de wijziging blijkt, moeten bij de kennisgeving worden gevoegd.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-12-19/87, art. 36, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Onderafdeling 3. - Plichten van derden

  Art. 3.13.1.3.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Onderafdeling 4. - Plichten van openbare instellingen

  Art. 3.13.1.4.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 2. - Controle ter plaatse

  Art. 3.13.2.0.1.Onverminderd de bevoegdheden die toevertrouwd worden aan de andere officieren of agenten van gerechtelijke politie en aan de leden van het operationeel kader van de lokale en federale politie, aan ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen en de ambtenaren van het kadaster, zijn de bevoegde personeelsleden gemachtigd om over het grondgebied van het Vlaamse Gewest overtredingen op te sporen en [1 om de verslagen van vaststelling wegens schending van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 of processen-verbaal wegens strafrechtelijke misdrijven op te stellen]1, alsook om het ontdoken bedrag van de belasting, verhoogd met de administratieve geldboete, onmiddellijk te innen.
  ----------
  (1)<BVR 2018-12-14/06, art. 5, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 3.13.2.0.2. Het bevoegde personeelslid legitimeert zich met een legitimatiekaart die de leidend ambtenaar van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie heeft uitgereikt overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 betreffende de legitimatiekaarten van de personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid die belast zijn met de inspectie- of controlebevoegdheden.

  Art. 3.13.2.0.3. Zodra aan zijn aanwijzing een einde komt, bezorgt het bevoegde personeelslid de legitimatiekaart onmiddellijk terug aan de leidend ambtenaar van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Het bevoegde personeelslid moet het verlies van de legitimatiekaart onmiddellijk aan de leidend ambtenaar melden.

  Art. 3.13.2.0.4. Voor de toepassing van artikel 3.13.2.0.1, 3.13.2.0.2 en 3.13.2.0.4 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 dragen de bevoegde personeelsleden een uniform waarvan het model wordt bepaald door de leidend ambtenaar van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie.

  HOOFDSTUK 14. - Verjaring

  Afdeling 1. - Termijn

  Art. 3.14.1.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 2. - Stuiting

  Art. 3.14.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 3. - Schorsing

  Art. 3.14.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  HOOFDSTUK 15. - Strafrechtelijke vervolging

  Afdeling 1. - Algemene bepalingen

  Art. 3.15.1.0.1.[1 De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie wordt aangewezen als de dienst die bevoegd is om de aanwijzingen van fraude inzake directe en indirecte belastingen te ontvangen die aan het licht komen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek, vermeld in artikel 29bis van het Wetboek van Strafvordering.]1
  ----------
  (1)<BVR 2021-05-21/02, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 06-06-2021>

  Afdeling 2. - Opsporing van inbreuken

  Art. 3.15.2.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  Afdeling 3. - Strafrechtelijke sancties

  Art. 3.15.3.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  HOOFDSTUK 16. - Verval van het recht op vertegenwoordiging

  Art. 3.16.0.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  HOOFDSTUK 17. - Bewijsmiddelen van de administratie

  Art. 3.17.0.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  HOOFDSTUK 18. - Belastingverhogingen en administratieve geldboetes

  Art. 3.18.0.0.1. Overeenkomstig artikel 3.18.0.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 wordt de belastingverhoging die van toepassing is op de inbreuken tegen titel 2, hoofdstuk 4 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 of tegen dit besluit, geregeld volgens de schaal, opgenomen in de bijlage 1 die bij dit besluit is gevoegd.

  HOOFDSTUK 19. - Beroepsgeheim

  Art. 3.19.0.0.1. Voorbehouden voor toekomstig gebruik.

  HOOFDSTUK 20. [1 - Voorafgaande attesten]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 37, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.20.0.0.1. [1 De schriftelijke bevestiging van het Agentschap van de goedkeuring van het uitgebreid beheerplan van bossen geldt als attest tot vrijstelling van erfbelasting als vermeld in artikel 2.7.6.0.3 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 37, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.20.0.0.2. [1 Het bevoegde personeelslid van de Vlaamse administratie brengt het Agentschap op de hoogte van het genoten voordeel per erfgenaam. Die kennisgeving bevat de volgende informatie :
  1° de voornaam, achternaam en het rijksregisternummer van de erflater;
  2° de voornaam, achternaam en de woonplaats van alle erfgenamen, alsook hun graad van verwantschap;
  3° de ligging en het kadastraal perceelnummer van het onroerend goed in kwestie;
  4° het bedrag van het genoten voordeel per erfgenaam.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 37, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.20.0.0.3. [1 Overeenkomstig artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, vordert het Agentschap de subsidie, vermeld in artikel 13bis van het Bosdecreet van 13 juni 1990, terug.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 37, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 3.20.0.0.4.[1 Het attest tot het verkrijgen van kosteloze registratie in het kader van een brownfieldproject dat [2 het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een brownfieldconvenant]2 als vermeld in artikel 2.8.6.0.1, tweede lid, artikel 2.9.6.0.3, derde lid, en artikel 2.10.6.0.3, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, bevat de volgende gegevens :
  1° de vermelding dat toepassing wordt gemaakt van één van de volgende bepalingen :
  a) artikel 2.8.6.0.1, eerste lid, 4°, van de voormelde codex;
  b) artikel 2.9.6.0.3., eerste lid, 12°, van de voormelde codex;
  c) artikel 2.10.6.0.3 van de voormelde codex;
  2° de naam en het adres van hetzij de begiftigde, hetzij de verkrijger;
  3° het adres en het kadasternummer van het geschonken of overgedragen onroerend goed;
  4° de verklaring dat het onroerend goed in kwestie verkregen werd door hetzij een schenking onder de levenden, hetzij een aankoop of een ruil of een andere overeenkomst tot overdracht onder bezwarende titel van eigendom of vruchtgebruik, hetzij een gehele of gedeeltelijke verdeling of een afstand onder bezwarende titel, onder mede-eigenaars, van onverdeelde delen of een omzetting als vermeld in artikel 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek;
  5° de verklaring dat de overdracht van het onroerend goed plaats vond met het oog op de realisatie van een brownfieldproject dat [2 het voorwerp uitmaakt of zal uitmaken van een brownfieldconvenant]2 als vermeld in artikel 4 van het decreet van 30 maart 2007 betreffende de Brownfieldconvenanten;
  6° de verklaring dat het onroerend goed in kwestie deel uitmaakt van een brownfieldproject, met vermelding van de referentienummer en de projecthandelingen die ten aanzien van het onroerend goed in kwestie zullen worden gesteld;
  7° de datum en plaats van ondertekening van het attest.
  Het attest wordt door hetzij de begiftigde, hetzij de verkrijger ondertekend.
  Het bevoegde personeelslid van het [3 Agentschap Innoveren en Ondernemen]3 wordt belast met de opmaak en de verzending van de kennisgeving waarin staat dat de voorwaarden voor het behoud van de vrijstelling niet langer vervuld zijn. In die kennisgeving wordt de reden vermeld van het verval van de vrijstelling. De leidend ambtenaar van het Agentschap Ondernemen bepaalt de vorm van de kennisgeving.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 37, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<BVR 2015-09-18/13, art. 1, 005; Inwerkingtreding : 22-10-2015>
  (3)<BVR 2015-12-18/42, art. 75, 006; Inwerkingtreding : 31-12-2015>

  Art. 3.20.0.0.5. [1 De leidend ambtenaar van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie wordt gemachtigd om de vorm van de formulieren en attesten, vermeld in de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 en dit besluit, te bepalen en die formulieren en attesten aan te passen aan de decreet- en besluitwijzigingen. ]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2014-12-19/87, art. 37, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  TITEL 4. - Wijzigingsbepalingen

  HOOFDSTUK 1. - Wijziging van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen

  Art. 4.1.0.0.1. In titel I van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zoals van toepassing op de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling wat betreft het Vlaamse Gewest, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010, worden hoofdstuk I, dat bestaat uit artikel 1 tot en met 7, hoofdstuk II, dat bestaat uit artikel 8, 10 en 11, hoofdstuk III, dat bestaat uit artikel 12, en hoofdstuk IV, dat bestaat uit artikel 13, opgeheven.

  Art. 4.1.0.0.1/1. [1 In titel I van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zoals van toepassing op de belasting op de spelen en weddenschappen en de belasting op de automatische ontspanningstoestellen wat betreft het Vlaamse Gewest, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010, worden hoofdstuk I, dat bestaat uit artikel 1 tot en met 7, hoofdstuk II, dat bestaat uit artikel 8, 10 en 11, hoofdstuk III, dat bestaat uit artikel 12, hoofdstuk IV, dat bestaat uit artikel 13, en hoofdstuk V, dat bestaat uit artikel 14, opgeheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 6, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 4.1.0.0.2. Artikel 14/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010, wordt opgeheven.

  Art. 4.1.0.0.3. In titel II van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2012, worden hoofdstuk I, dat bestaat uit artikel 15 en 16, hoofdstuk II, dat bestaat uit artikel 17 tot en met 22, hoofdstuk III, dat bestaat uit artikel 23 en 24, hoofdstuk IV, dat bestaat uit artikel 25 en 26, en hoofdstuk VI, dat bestaat uit artikel 30, opgeheven.

  Art. 4.1.0.0.3/1. [1 In titel III van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2006, worden, wat betreft het Vlaamse Gewest, hoofdstuk II, dat bestaat uit artikel 36 tot en met 38, hoofdstuk IV, dat bestaat uit artikel 51 en 52, en hoofdstuk V, dat bestaat uit artikel 53 tot en met 55, opgeheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij BVR 2018-12-14/06, art. 7, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

  Art. 4.1.0.0.3/2. [1 In titel III van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2018, wordt, wat betreft het Vlaamse Gewest, hoofdstuk I, dat bestaat uit artikel 35bis, opgeheven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij DVR 2021-04-02/14, art. 81, 020; Inwerkingtreding : 25-04-2021>
  

  Art. 4.1.0.0.4. Titel V van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het Koninklijk besluit van 14 april 1993 en het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010, die bestaat uit artikel 58 en 58bis, wordt opgeheven.

  Hoofdstuk 2. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen

  Art. 4.2.0.0.1. In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998, 30 juni 2006, 10 juli 2009 en 20 mei 2011, wordt punt 1° vervangen door wat volgt :
  "1° decreet: titel 2, hoofdstuk 5, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.".

  Art. 4.2.0.0.2. Artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 juni 2006, wordt opgeheven.

  Art. 4.2.0.0.3. In hoofdstuk IV van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013, worden artikel 10, § 1, eerste en tweede lid, artikel 10, § 2, artikel 11 en artikel 12 opgeheven.

  Art. 4.2.0.0.4. Hoofdstuk V van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 juni 2006, dat bestaat uit artikel 13, wordt opgeheven.

  Art. 4.2.0.0.5. Hoofdstuk VI van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 juni 2006, dat bestaat uit artikel 14, wordt opgeheven.

  Art. 4.2.0.0.6. Hoofdstuk VII van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2009, dat bestaat uit artikel 15, 16 en 18, wordt opgeheven.

  Art. 4.2.0.0.7. Hoofdstuk VIII van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 juni 2006, dat bestaat uit artikel 19, wordt opgeheven.

  Art. 4.2.0.0.8. Artikel 19ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004, wordt opgeheven.

  Hoofdstuk 3. Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten

  Art. 4.3.0.0.1. Hoofdstuk 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 februari 2013, dat bestaat uit artikel 14, 15, 16, 18, 18bis, 18ter en 19, wordt opgeheven.

  Art. 4.3.0.0.2.In artikel 31, 1°, van hetzelfde besluit, wordt de zinsnede "artikel 18" vervangen door de zinsnede "artikel 2.6.7.0.1 van het besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit van [20 december 2013]". <Erratum, B.St. 27-01-2014,p. 6797>.

  HOOFDSTUK 4. - Kruisverwijzingen

  Art. 4.4.0.0.1. Kruisverwijzingen naar de bepalingen die naar aanleiding van deze codificatie zijn opgeheven, moeten worden gelezen overeenkomstig concordantietabel 1 van bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

  TITEL 5. - Opheffingsbepalingen en overgangsmaatregelen

  Art. 5.0.0.0.1.De volgende regelingen worden opgeheven :
  1° het Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing op de onroerende voorheffing voor wat betreft het Vlaamse Gewest, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013;
  2° het Koninklijk besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 en 7 december 2012;
  3° het Koninklijk besluit van 19 december 2001 ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011;
  [2 3° /1 het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2002 tot bepaling van de nadere regels inzake teruggave van de belasting op de automatische ontspanningstoestellen;]2
  4° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 tot regeling van de modaliteiten waaronder de in artikel 253, eerste lid, 7° en 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstellingen van de onroerende voorheffing worden aangevraagd, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006;
  5° het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen;
  6° het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 2010 houdende uitvoering van de compensatie voor de gederfde opbrengsten uit de gemeentelijke en de provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing op materieel en outillage en op energiezuinige gebouwen, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 15 maart 2013;
  7° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet;
  8° hoofdstuk I van het ministerieel besluit van 17 juli 1970 tot uitvoering van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen;
  [2 8° /1 hoofdstuk II, afdeling 1, dat bestaat uit artikel 3 tot en met 5, en afdeling 3, dat bestaat uit artikel 7bis tot en met 7quinquies, van het ministerieel besluit van 17 juli 1970 tot uitvoering van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, voor wat betreft het Vlaamse Gewest;]2
  9° het ministerieel besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, het laatst gewijzigd bij het ministerieel besluit van 20 december 2002.
  [1 10° het koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten, het laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, voor wat betreft het Vlaamse Gewest, met uitzondering van artikel 2, artikel 2bis, artikel 2ter, artikel 4, artikel 7, artikel 8ter, artikel 8quater, artikel 13 en 14, bijlage 1, B, bijlage 2, bijlage 3 en bijlage 4;
   11° het koninklijk besluit van 11 januari 1940 betreffende de uitvoering van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004, voor wat betreft het Vlaamse Gewest, met uitzondering van artikel 1, artikel 9/1, artikel 12, artikel 13, artikel 14 en artikel 15 en artikel 16 alsook van de bijlagen als die geen betrekking hebben op de registratiebelasting;
   12° het koninklijk besluit van 18 juli 1972 betreffende de uitvoering der artikelen 117 en 120 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 oktober 1985, voor wat betreft het Vlaamse Gewest, met uitzondering van artikel 3;
   13° artikel 1 van het het koninklijk besluit van 13 november 1978 tot uitvoering van de wet van 27 april 1978 tot bevordering van de bilaterale en multilaterale ruil van ongebouwde landeigendommen en bossen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 december 1979, voor wat betreft het Vlaamse Gewest;
   14° het koninklijk besluit van 26 november 1980 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van artikel 482 van het Wetboek der successierechten, voor wat betreft het Vlaamse Gewest;
   15° het koninklijk besluit van 19 april 1999 tot vaststelling van de modaliteiten van de aandeelhouderschapsovereenkomst bedoeld in artikel 140ter, 3°, van het Wetboek der registratie, hypotheek- en griffierechten, voor wat betreft het Vlaamse Gewest;
   16° het koninklijk besluit van 26 augustus 2003 houdende aanvullende regels betreffende de inbetalinggeving van kunstwerken ter voldoening van de successierechten, tot vaststelling van de nadere regels betreffende de betaling en de teruggave van de schattingskosten bedoeld in artikel 83-3 van het Wetboek der successierechten en in artikel 111, vijfde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van elk van de artikelen van de wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de gevolgen voor de inkomstenbelastingen van schenkingen aan de Staat en tot wijziging van de regeling voor de afgifte van kunstwerken ter betaling van successierechten, voor wat betreft het Vlaamse Gewest, met uitzondering van artikel 2, § 3, artikel 22, artikel 23, artikel 24, artikel 31, artikel 32 en met uitzondering van artikel 6, eerste lid, 4°, en artikel 8, tweede lid, voor zover die artikelen betrekking hebben op de inkomstenbelastingen;
   17° het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005 tot uitvoering van artikel 55ter en 55quater van het Wetboek der successierechten, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 juni 2006 en 14 juli 2006 en bij het ministerieel besluit van 21 december 2006;
   18° het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2007 betreffende de vorm van het attest tot het verkrijgen van kosteloze registratie in het kader van een Brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt van een Brownfieldconvenant;
   19° het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2012 tot uitvoering van de artikelen 140quinquies en 140sexies van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en de artikelen 60/4 en 60/5 van het Wetboek der successierechten;
   20° het ministerieel besluit van 9 maart 2000 betreffende de formulieren voor aangifte inzake successierechten, voor wat betreft het Vlaamse Gewest;
   21° het ministerieel besluit van 30 januari 2004 houdende de werkwijze en de organisatie van de bijzondere commissie, belast onder meer met de schatting van kunstwerken voor de toepassing van sommige fiscale wetten voor wat betreft het Vlaamse Gewest;
   22° het ministerieel besluit van 20 april 2006 tot benoeming van de leden van de bijzondere commissie belast onder meer met de schatting van kunstwerken voor de toepassing van sommige fiscale wetten;
   23° het ministerieel besluit van 25 april 2006 tot benoeming van de leden van de bijzondere commissie belast onder meer met de schatting van kunstwerken voor de toepassing van sommige fiscale wetten;
   24° het ministerieel besluit van 5 oktober 2006 tot benoeming van de leden van de bijzondere commissie belast onder meer met de schatting van kunstwerken voor de toepassing van sommige fiscale wetten.]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-12-19/87, art. 38, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<BVR 2018-12-14/06, art. 8, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  TITEL 6. - Citeertitel

  Art. 6.0.0.0.1. Dit besluit wordt aangehaald als: besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit van 20 december 2013.

  TITEL 7. - Inwerkingtredings- en uitvoeringsbepalingen

  Art. 7.0.0.0.1. Titel 1, 3, 4, 5, 6 en 7 van dit besluit treden in werking op 1 januari 2014, met uitzondering van titel 4, hoofdstuk 1 en artikel 5.0.0.0.1, 2°, 3° en 8° die in werking treden vanaf aanslagjaar 2014 voor wat betreft de bepalingen van de verkeersbelasting op de autovoertuigen, de belasting op de inverkeerstelling en het eurovignet die overeenkomstig de concordantietabel 1 uit bijlage 1 een corresponderende bepaling hebben in titel 2 van dit besluit.
  Titel 2 treedt in werking vanaf aanslagjaar 2014.

  Art. 7.0.0.0.2. De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiėn, is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1.
  <Opgeheven bij BVR 2018-06-01/02, art. 11, 011; Inwerkingtreding : 25-06-2018>

  Art. N2.[1 Bijlage 2. - Concordantietabellen
   Concordantietabel 1
   Tabel 1 : WIB 92
  

  
Bepaling WIB 92 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 300 Art. 3.2.1.0.1
Art. 300 Art. 3.2.1.0.2
Art. 300 Art. 3.2.3.0.1
Art. 300 Art. 3.2.5.0.1
Art. 300 Art. 3.4.1.0.1
Art. 300 Art. 3.4.3.0.1
Art. 300 Art. 3.4.3.0.2
Art. 300 Art. 3.4.4.0.1
Art. 300 Art. 3.4.5.0.1
Art. 300 Art. 3.4.6.0.1
Art. 300 Art. 3.10.3.1.1
Art. 300 Art. 3.10.3.2.1
Art. 300 Art. 3.10.3.2.2
Art. 300 Art. 3.10.3.2.3
Art. 300 Art. 3.10.3.2.4
Art. 300 Art. 3.10.3.2.5
Art. 300 Art. 3.10.3.2.6
Art. 300 Art. 3.10.3.2.7
Art. 300 Art. 3.10.3.3.1
Art. 300 Art. 3.10.3.3.2
Art. 300 Art. 3.10.3.4.1
Art. 300 Art. 3.10.3.4.2
Art. 300 Art. 3.10.3.4.3
Art. 300 Art. 3.10.3.5.1
Art. 300 Art. 3.10.5.1.1
Art. 300 Art. 3.10.5.1.2
Art. 300 Art. 3.10.5.1.3
Art. 300 Art. 3.10.5.1.4
Art. 300 Art. 3.10.5.1.5
Art. 300 Art. 3.10.5.1.6
Art. 300 Art. 3.10.5.1.7
Art. 300 Art. 3.12.2.0.1
Art. 300 Art. 3.12.2.0.2
Art. 300 Art. 3.12.2.0.3
Art. 300 Art. 3.12.2.0.4
Art. 300 Art. 3.13.2.0.1

Tabel 2 : Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 92)
  

  
Bepaling KB/WIB 92 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 128 Art. 3.2.1.0.1
Art. 129 Art. 3.2.1.0.2
Art. 130 Art. 3.2.1.0.2
Art. 133, § 1 Art. 3.2.1.0.3
Art. 133, § 2 Art. 3.2.3.0.1
Art. 133, § 3 Art. 3.2.3.0.1
Art. 134 Art. 3.2.5.0.1
Art. 135 Art. 3.2.5.0.1
Art. 136 Art. 3.3.4.0.1
Art. 137 Art. 3.4.1.0.1
Art. 138 Art. 3.4.1.0.1
Art. 139, § 1 Art. 3.4.3.0.1
Art. 139, § 2 Art. 3.4.4.0.1
Art. 139, § 3 Art. 3.4.5.0.1
Art. 141 Art. 3.4.3.0.2
Art. 142 Art. 3.4.6.0.1
Art. 146 Art. 3.10.3.1.1
Art. 147 Art. 3.10.3.1.1
Art. 148 Art. 3.10.3.2.1
Art. 151 Art. 3.10.3.2.2
Art. 153 Art. 3.10.3.2.3
Art. 154 Art. 3.10.3.2.4
Art. 161 Art. 3.10.3.2.5
Art. 162 Art. 3.10.3.2.6
Art. 163 Art. 3.10.3.2.7
Art. 164 Art. 3.10.3.3.1
Art. 165 Art. 3.10.3.3.2
Art. 167 Art. 3.10.3.5.1
Art. 172 Art. 3.10.3.4.1
Art. 173 Art. 3.10.3.4.2
Art. 174 Art. 3.10.3.4.3
Art. 176 Art. 3.13.2.0.1
Art. 211 Art. 3.10.5.1.1
Art. 213 Art. 3.10.5.1.2
Art. 214 Art. 3.10.5.1.3
Art. 215 Art. 3.10.5.1.4
Art. 217 Art. 3.10.5.1.5
Art. 218 Art. 3.10.5.1.6
Art. 219 Art. 3.10.5.1.7
Art. 221 Art. 3.12.2.0.1
Art. 222 Art. 3.12.2.0.2
Art. 223 Art. 3.12.2.0.3
Art. 224 Art. 3.12.2.0.4

Tabel 3 : Besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 tot regeling van de modaliteiten waaronder de in artikel 253, eerste lid, 7° en 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstellingen van de onroerende voorheffing worden aangevraagd
  

  
Bepaling besluit 18 juli 2003 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Art. 2.1.6.0.1
Art. 2 Art. 2.1.6.0.2
Art. 3 Art. 2.1.6.0.3
Art. 4 Art. 2.1.6.0.4

Tabel 4 : Besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 2010 houdende uitvoering van de compensatie voor de gederfde opbrengsten uit de gemeentelijke en de provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing op materieel en outillage en op energiezuinige gebouwen
  

  
Bepaling besluit 23 juli 2010 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Art. 3.1.0.0.3
Art. 2 Art. 3.1.0.0.4
Art. 4 Art. 3.1.0.0.5

Tabel 5 : Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (WIGB)
  

  
Bepaling WIGB Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 2 Art. 3.2.1.0.1
Art. 2 Art. 3.2.1.0.2
Art. 2 Art. 3.2.3.0.1
Art. 2 Art. 3.2.5.0.1
Art. 2 Art. 3.4.1.0.1
Art. 2 Art. 3.4.3.0.1
Art. 2 Art. 3.4.3.0.2
Art. 2 Art. 3.4.4.0.1
Art. 2 Art. 3.4.5.0.1
Art. 2 Art. 3.4.6.0.1
Art. 2 Art. 3.10.3.1.1
Art. 2 Art. 3.10.3.2.1
Art. 2 Art. 3.10.3.2.2
Art. 2 Art. 3.10.3.2.3
Art. 2 Art. 3.10.3.2.4
Art. 2 Art. 3.10.3.2.5
Art. 2 Art. 3.10.3.2.6
Art. 2 Art. 3.10.3.2.7
Art. 2 Art. 3.10.3.3.1
Art. 2 Art. 3.10.3.3.2
Art. 2 Art. 3.10.3.4.1
Art. 2 Art. 3.10.3.4.2
Art. 2 Art. 3.10.3.4.3
Art. 2 Art. 3.10.3.5.1
Art. 2 Art. 3.10.5.1.1
Art. 2 Art. 3.10.5.1.2
Art. 2 Art. 3.10.5.1.3
Art. 2 Art. 3.10.5.1.4
Art. 2 Art. 3.10.5.1.5
Art. 2 Art. 3.10.5.1.6
Art. 2 Art. 3.10.5.1.7
Art. 2 Art. 3.12.2.0.1
Art. 2 Art. 3.12.2.0.2
Art. 2 Art. 3.12.2.0.3
Art. 2 Art. 3.12.2.0.4
Art. 2 Art. 3.13.2.0.1

[3 Tabel 6: Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (KB/WIGB)
  

  
bepaling KB/WIGB bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 2 Art. 3.2.1.0.1
Art. 2 Art. 3.2.1.0.2
Art. 3, tweede zinsdeel Art. 3.2.1.0.2
Art. 5 Art. 3.2.3.0.1
Art. 6 Art. 3.2.5.0.1
Art. 7 Art. 3.3.4.0.1
Art. 10 Art. 3.4.3.0.1
Art. 10 Art. 3.4.3.0.2
Art. 10 Art. 3.4.4.0.1
Art. 10 Art. 3.4.5.0.1
Art. 10 Art. 3.4.6.0.1
Art. 11 Art. 3.4.4.0.1
Art. 13 Art. 3.10.3.1.1
Art. 14/1 Art. 3.13.2.0.1
Art. 15, § 3 Art. 2.2.6.0.1
Art. 16 Art. 2.2.6.0.2
Art. 25 Art. 3.3.1.0.1
Art. 26 Art. 3.3.1.0.2
Art. 30 Art. 2.2.6.0.3
Art. 53 Art. 3.20.0.0.5

]3Tabel 7 : Besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen
  

  
Bepaling besluit 10 december 2010 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Art. 3.13.2.0.1
Art. 2, eerste lid Art. 3.13.2.0.1
Art. 3 Art. 3.13.2.0.4
Art. 4 Art. 3.13.2.0.2
Art. 5 Art. 3.13.2.0.3

Tabel 8 : Wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 (Eurovignetwet)
  

  
Bepaling Eurovignetwet Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 2 Art. 3.2.1.0.1
Art. 2 Art. 3.2.1.0.2
Art. 2 Art. 3.2.3.0.1
Art. 2 Art. 3.2.5.0.1
Art. 2 Art. 3.4.1.0.1
Art. 2 Art. 3.4.3.0.1
Art. 2 Art. 3.4.3.0.2
Art. 2 Art. 3.4.4.0.1
Art. 2 Art. 3.4.5.0.1
Art. 2 Art. 3.4.6.0.1
Art. 2 Art. 3.10.3.1.1
Art. 2 Art. 3.10.3.2.1
Art. 2 Art. 3.10.3.2.2
Art. 2 Art. 3.10.3.2.3
Art. 2 Art. 3.10.3.2.4
Art. 2 Art. 3.10.3.2.5
Art. 2 Art. 3.10.3.2.6
Art. 2 Art. 3.10.3.2.7
Art. 2 Art. 3.10.3.3.1
Art. 2 Art. 3.10.3.3.2
Art. 2 Art. 3.10.3.4.1
Art. 2 Art. 3.10.3.4.2
Art. 2 Art. 3.10.3.4.3
Art. 2 Art. 3.10.3.5.1
Art. 2 Art. 3.10.5.1.1
Art. 2 Art. 3.10.5.1.2
Art. 2 Art. 3.10.5.1.3
Art. 2 Art. 3.10.5.1.4
Art. 2 Art. 3.10.5.1.5
Art. 2 Art. 3.10.5.1.6
Art. 2 Art. 3.10.5.1.7
Art. 2 Art. 3.12.2.0.1
Art. 2 Art. 3.12.2.0.2
Art. 2 Art. 3.12.2.0.3
Art. 2 Art. 3.12.2.0.4
Art. 2 Art. 3.13.2.0.1

Tabel 9 : Koninklijk besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993
  

  
Bepaling besluit 9 januari 1995 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Art. 3.13.2.0.1
Art. 2/1 Art. 2.4.6.0.1

Tabel 10 : Koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is
  

  
Bepaling besluit 8 september 1997 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Art. 2.4.7.0.1

Tabel 11 : Koninklijk besluit van 19 december 2001 ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993
  

  
Bepaling besluit 19 december 2001 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Art. 3.4.8.0.1
Art. 2 Art. 3.4.7.0.1

Tabel 12 : Besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet
  

  
Bepaling besluit 18 maart 2011 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 3 Art. 3.18.0.0.1
Bijlage Bijlage 1

Tabel 13 : Decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 (decreet [2 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]2)
  

  
Bepaling decreet [1 heffing ongeschikte en onbewoonbare woningen]1Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 40bisArt. 3.2.1.0.1
Art. 40bisArt. 3.2.1.0.2
Art. 40bisArt. 3.2.3.0.1
Art. 40bisArt. 3.2.5.0.1
Art. 40bisArt. 3.4.1.0.1
Art. 40bisArt. 3.4.3.0.1
Art. 40bisArt. 3.4.3.0.2
Art. 40bisArt. 3.4.4.0.1
Art. 40bisArt. 3.4.5.0.1
Art. 40bisArt. 3.4.6.0.1
Art. 40bisArt. 3.10.3.1.1
Art. 40bisArt. 3.10.3.2.1
Art. 40bisArt. 3.10.3.2.2
Art. 40bisArt. 3.10.3.2.3
Art. 40bisArt. 3.10.3.2.4
Art. 40bisArt. 3.10.3.2.5
Art. 40bisArt. 3.10.3.2.6
Art. 40bisArt. 3.10.3.2.7
Art. 40bisArt. 3.10.3.3.1
Art. 40bisArt. 3.10.3.3.2
Art. 40bisArt. 3.10.3.4.1
Art. 40bisArt. 3.10.3.4.2
Art. 40bisArt. 3.10.3.4.3
Art. 40bisArt. 3.10.3.5.1
Art. 40bisArt. 3.10.5.1.1
Art. 40bisArt. 3.10.5.1.2
Art. 40bisArt. 3.10.5.1.3
Art. 40bisArt. 3.10.5.1.4
Art. 40bisArt. 3.10.5.1.5
Art. 40bisArt. 3.10.5.1.6
Art. 40bisArt. 3.10.5.1.7
Art. 40bisArt. 3.12.2.0.1
Art. 40bisArt. 3.12.2.0.2
Art. 40bisArt. 3.12.2.0.3
Art. 40bisArt. 3.12.2.0.4
Art. 40bisArt. 3.13.2.0.1
(1)<BVR 2017-03-24/10, art. 7, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

Tabel 14 : Besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen
  

  
Bepaling besluit 2 april 1996 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 11, eerste lid Art. 3.3.4.0.1
Art. 12, § 1 Art. 3.2.5.0.1
Art. 12, § 2 Art. 3.10.3.4.2
Art. 15 Art. 2.5.6.0.1
Art. 19 Art. 3.1.0.0.2

Tabel 15 : Decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten (decreet leegstandsheffing bedrijfsruimten)
  

  
Bepaling decreet leegstandsheffing bedrijfsruimten Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 33 Art. 3.2.1.0.1
Art. 33 Art. 3.2.1.0.2
Art. 33 Art. 3.2.3.0.1
Art. 33 Art. 3.2.5.0.1
Art. 33 Art. 3.4.1.0.1
Art. 33 Art. 3.4.3.0.1
Art. 33 Art. 3.4.3.0.2
Art. 33 Art. 3.4.4.0.1
Art. 33 Art. 3.4.5.0.1
Art. 33 Art. 3.4.6.0.1
Art. 33 Art. 3.10.3.1.1
Art. 33 Art. 3.10.3.2.1
Art. 33 Art. 3.10.3.2.2
Art. 33 Art. 3.10.3.2.3
Art. 33 Art. 3.10.3.2.4
Art. 33 Art. 3.10.3.2.5
Art. 33 Art. 3.10.3.2.6
Art. 33 Art. 3.10.3.2.7
Art. 33 Art. 3.10.3.3.1
Art. 33 Art. 3.10.3.3.2
Art. 33 Art. 3.10.3.4.1
Art. 33 Art. 3.10.3.4.2
Art. 33 Art. 3.10.3.4.3
Art. 33 Art. 3.10.3.5.1
Art. 33 Art. 3.10.5.1.1
Art. 33 Art. 3.10.5.1.2
Art. 33 Art. 3.10.5.1.3
Art. 33 Art. 3.10.5.1.4
Art. 33 Art. 3.10.5.1.5
Art. 33 Art. 3.10.5.1.6
Art. 33 Art. 3.10.5.1.7
Art. 33 Art. 3.12.2.0.1
Art. 33 Art. 3.12.2.0.2
Art. 33 Art. 3.12.2.0.3
Art. 33 Art. 3.12.2.0.4
Art. 33 Art. 3.13.2.0.1

Tabel 16 : Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten
  

  
Bepaling besluit 1 juli 1997 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 14 Art. 3.1.0.0.1
Art. 18 Art. 2.6.7.0.1
Art. 18bis Art. 2.6.7.0.2
Art. 18ter Art. 2.6.7.0.3
Art. 19 Art. 2.6.7.0.4

Tabel 17 : Wetboek van 31 maart 1936 der successierechten
  

  
Bepaling W.Succ. Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 834, tweede lid en derde lid Art. 3.4.3.0.8, § 1, eerste en tweede lid

Tabel 18 : Koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten
  

  
Bepaling KB 31/03/1936 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Opgeheven
Art. 3 Opgeheven
Art. 5 Opgeheven
Art. 6 Opgeheven
Art. 8 Art. 3.4.3.0.1
Art. 8bis Art. 3.4.6.0.1
Art. 9 Opgeheven
Art. 10 Opgeheven
Art. 11 Opgeheven
Art. 12 Opgeheven
Bijlage 1A Opgeheven

Tabel 19 : Koninklijk besluit van 26 november 1980 tot regeling van de toepassingsmodaliteiten van artikel 48.2 van het Wetboek der Successierechten
  

  
Bepaling KB 26/11/1980 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Opgeheven
Art. 2 Opgeheven
Art. 3 Opgeheven
Art. 4 Opgeheven
Art. 5 Opgeheven
Art. 6 Opgeheven

Tabel 20 : Koninklijk besluit van 26 augustus 2003 houdende aanvullende regels betreffende de inbetalinggeving van kunstwerken ter voldoening van de successierechten, tot vaststelling van de nadere regels betreffende de betaling en de teruggave van de schattingskosten bedoeld in artikel 83-3 van het Wetboek der Successierechten en in artikel 111, vijfde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van elk van de artikelen van de wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de gevolgen voor de inkomstenbelastingen van schenkingen aan de Staat en tot wijziging van de regeling voor de afgifte van kunstwerken ter betaling van successierechten
  

  
Bepaling KB 26/08/2003 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1, § 1 Art. 3.4.3.0.3, § 1, tweede lid en § 2, tweede lid
Art. 1, § 2, 1°, eerste lid, a) Opgeheven
Art. 1, § 2, 1°, eerste lid, b) Art. 3.4.3.0.3, § 1, eerste lid
Art. 1, § 2, 1°, tweede lid Art. 3.4.3.0.3, § 1, tweede lid
Art. 1, § 2, 2°, eerste lid, a) Opgeheven
Art. 1, § 2, 2°, eerste lid, b) Art. 3.4.3.0.3, § 2, eerste lid
Art. 1, § 2, 2°, tweede lid Art. 3.4.3.0.3, § 2, tweede lid
Art. 1, § 2, 3° Art. 3.4.3.0.3, § 3
Art. 1, § 3 Opgeheven
Art. 2, § 1 en § 2, met uitzondering van punt 3° Art. 3.4.3.0.3, § 4
Art. 2, § 2, 3° Opgeheven
Art. 3, 1° tot en met 6° Art. 3.4.3.0.3, § 5
Art. 3, 7° Opgeheven
Art. 4 Art. 3.4.3.0.3, § 6
Art. 5 Art. 3.4.3.0.3, § 7
Art. 6, eerste lid, 1° tot en met 3° Art. 3.4.3.0.3, § 8, eerste lid
Art. 6, tweede lid Art. 3.4.3.0.3, § 8, tweede lid
Art. 6, derde en vierde lid Opgeheven
Art. 7 Art. 3.4.3.0.4, § 1
Art. 8, eerste en tweede lid Art. 3.4.3.0.4, § 2
Art. 8, derde en vierde lid Opgeheven
Art. 9, § 1, eerste en tweede lid Art. 3.4.3.0.4, § 3
Art. 9, § 1, derde en vierde lid Opgeheven
Art. 9, § 2, eerste, tweede lid en vierde lid Art. 3.4.3.0.4, § 4
Art. 9, § 2, derde lid Opgeheven
Art. 10 met uitzondering van § 1, eerste lid, laatste zinsnede en van § 1, tweede lid, 2° Art. 3.4.3.0.4, § 5
Art. 11 Art. 3.4.3.0.5, § 1
Art. 12 Art. 3.4.3.0.5, § 2
Art. 13 Art. 3.4.3.0.5, § 3
Art. 14 Art. 3.4.3.0.5, § 4
Art. 15 met uitzondering van § 2 Art. 3.4.3.0.5, § 5
Art. 16 Art. 3.4.3.0.5, § 4 en § 5, eerste lid
Art. 17 Art. 3.4.3.0.5, § 5, tweede en derde lid
Art. 18 Art. 3.4.3.0.6, § 1
Art. 19 Art. 3.4.3.0.6, § 2
Art. 20 Art. 3.4.3.0.6, § 3
Art. 21 Art. 3.4.3.0.6, § 4
Art. 25 Art. 3.4.3.0.7, § 1
Art. 26, eerste lid Art. 3.4.3.0.7, § 2, eerste lid, eerste zin
Art. 26, tweede en derde lid Art. 3.4.3.0.7, § 2, tweede en derde lid
Art. 27 Art. 3.4.3.0.7, § 2, eerste lid, tweede en derde zin
Art. 28 Art. 3.4.3.0.7, § 2, vierde lid
Art. 29 Art. 3.4.3.0.7, § 3
Art. 30 Art. 3.4.3.0.7, § 4
Art. 33 Opgeheven
Art. 34 Opgeheven

Tabel 21 : Besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005 tot uitvoering van artikel 55ter en 55quater van het Wetboek der Successierechten
  

  
Bepaling BVR 04/02/2005 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1, 2° en 6° Art. 1.1.0.0.1, derde lid
Art. 2 Art. 3.20.0.0.1
Art. 3 Art. 3.20.0.0.2
Art. 4 Art. 3.20.0.0.3
Art. 5 Opgeheven
Art. 6 Opgeheven
Art. 6bis Opgeheven
Art. 6ter Opgeheven
Art. 7 Opgeheven
Art. 8 Opgeheven
Bijlage Opgeheven

Tabel 22 : Besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2012 tot uitvoering van de artikelen 140quinquies en 140sexies van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en de artikelen 60/4 en 60/5 van het Wetboek der Successierechten
  

  
Bepaling BVR 02/03/2012 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Opgeheven
Art. 2 Art. 3.20.0.0.5
Art. 3 Opgeheven
Art. 4 Opgeheven
Art. 5, eerste en tweede lid Art. 3.13.1.2.1
Art. 5, derde en vierde lid Opgeheven
Art. 6 Opgeheven
Art. 7 Opgeheven

Tabel 23 : Ministerieel Besluit van 9 maart 2000 betreffende de formulieren voor aangifte inzake successierechten
  

  
Bepaling MB 09/03/2000 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1, eerste lid Art. 3.3.1.0.3
Art. 1, tweede en derde lid Opgeheven
Art. 2 Opgeheven
Art. 4 Opgeheven
Art. 5 Opgeheven
Art. 6 Opgeheven
Bijlagen Opgeheven

Tabel 24 : Ministerieel Besluit van 30 januari 2004 houdende de werkwijze en de organisatie van de bijzondere commissie, belast onder meer met de schatting van kunstwerken voor de toepassing van sommige fiscale wetten
  

  
Bepaling MB 30/01/2004 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Art. 3.4.3.0.8, § 2
Art. 2, eerste lid Opgeheven
Art. 2, tweede lid Art. 3.4.3.0.8, § 1, derde lid
Art. 3 Art. 3.4.3.0.8, § 3
Art. 4 Art. 3.4.3.0.8, § 4
Art. 5 Art. 3.4.3.0.8, § 5
Art. 6 Art. 3.4.3.0.8, § 6
Art. 7 Opgeheven
Art. 8 Art. 3.4.3.0.8, § 7
Art. 9 Art. 3.4.3.0.8, § 8

Tabel 25 : Koninklijk besluit van 11 januari 1940 betreffende de uitvoering van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
  

  
Bepaling KB 11/01/1940 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 2 Art. 3.4.3.0.1
Art. 2bis Art. 3.4.6.0.1
Art. 8 Art. 2.9.4.0.1
Art. 9 Art. 3.12.3.0.1
Art. 10 Opgeheven
Art. 11 Opgeheven
Art. 12 Opgeheven
Art. 13 Opgeheven
Art. 14 Opgeheven
Art. 15 Opgeheven

Tabel 26 : Koninklijk besluit van 18 juli 1972 betreffende de uitvoering der artikelen 117 en 120 van het Wetboek der registratie-, hypotheek en griffierechten
  

  
Bepaling KB 18/07/1972 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Opgeheven
Art. 2 Opgeheven

Tabel 27 : Koninklijk besluit van 13 november 1978 tot uitvoering van de wet van 27 april 1978 tot bevordering van de bilaterale en multilaterale ruil van ongebouwde landeigendommen en bossen
  

  
Bepaling KB 13/11/1978 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Art. 2.9.4.0.2, art. 2.9.6.0.1, art. 2.9.7.0.1

Tabel 28 : Koninklijk besluit van 19 april 1999 tot vaststelling van de modaliteiten van de aandeelhouderschapsovereenkomst bedoeld in artikel 140ter, 3°, van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
  

  
Bepaling KB 19/04/1999 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Opgeheven
Art. 2 Opgeheven
Art. 3 Opgeheven

Tabel 29 : Besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2007 betreffende de vorm van het attest tot het verkrijgen van kosteloze registratie in het kader van een Brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt van een Brownfieldconvenant
  

  
Bepaling BVR 09/11/2007 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Opgeheven
Art. 2 Opgeheven
Art. 3 Opgeheven
Bijlage Art. 3.20.0.0.4, eerste en tweede lid

Tabel 30 : Ministerieel besluit van 30 januari 2004 houdende de werkwijze en de organisatie van de bijzondere commissie, belast onder meer met de schatting van kunstwerken voor de toepassing van sommige fiscale wetten voor wat betreft het Vlaamse Gewest
  

  
Bepaling MB 30/01/2004 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Opgeheven
Art. 2 Opgeheven
Art. 3 Opgeheven
Art. 4 Opgeheven
Art. 5 Opgeheven
Art. 6 Opgeheven
Art. 7 Opgeheven
Art. 8 Opgeheven
Art. 9 Opgeheven

Tabel 31 : Ministerieel besluit van 20 april 2006 tot benoeming van de leden van de bijzondere commissie belast onder meer met de schatting van kunstwerken voor de toepassing van sommige fiscale wetten;
  

  
Bepaling MB 20/04/2006 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Opgeheven
Art. 2 Opgeheven

Tabel 32 : Ministerieel besluit van 25 april 2006 tot benoeming van de leden van de bijzondere commissie belast onder meer met de schatting van kunstwerken voor de toepassing van sommige fiscale wetten;
  

  
Bepaling MB 25/04/2006 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Opgeheven
Art. 2 Opgeheven
Art. 3 Opgeheven
Art. 4 Opgeheven

Tabel 33 : Ministerieel besluit van 5 oktober 2006 tot benoeming van de leden van de bijzondere commissie belast onder meer met de schatting van kunstwerken voor de toepassing van sommige fiscale wetten.
  

  
Bepaling MB 05/10/2006 Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit
Art. 1 Opgeheven
Art. 2 Opgeheven
Art. 3 Opgeheven
Art. 4 Opgeheven

Concordantietabel 2
   Tabel 1 : WIB 92
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling WIB 92
Art. 3.2.1.0.1 Art. 300
Art. 3.2.1.0.2 Art. 300
Art. 3.2.3.0.1 Art. 300
Art. 3.2.5.0.1 Art. 300
Art. 3.4.1.0.1 Art. 300
Art. 3.4.3.0.1 Art. 300
Art. 3.4.3.0.2 Art. 300
Art. 3.4.4.0.1 Art. 300
Art. 3.4.5.0.1 Art. 300
Art. 3.4.6.0.1 Art. 300
Art. 3.10.3.1.1 Art. 300
Art. 3.10.3.2.1 Art. 300
Art. 3.10.3.2.2 Art. 300
Art. 3.10.3.2.3 Art. 300
Art. 3.10.3.2.4 Art. 300
Art. 3.10.3.2.5 Art. 300
Art. 3.10.3.2.6 Art. 300
Art. 3.10.3.2.7 Art. 300
Art. 3.10.3.3.1 Art. 300
Art. 3.10.3.3.2 Art. 300
Art. 3.10.3.4.1 Art. 300
Art. 3.10.3.4.2 Art. 300
Art. 3.10.3.4.3 Art. 300
Art. 3.10.3.5.1 Art. 300
Art. 3.10.5.1.1 Art. 300
Art. 3.10.5.1.2 Art. 300
Art. 3.10.5.1.3 Art. 300
Art. 3.10.5.1.4 Art. 300
Art. 3.10.5.1.5 Art. 300
Art. 3.10.5.1.6 Art. 300
Art. 3.10.5.1.7 Art. 300
Art. 3.12.2.0.1 Art. 300
Art. 3.12.2.0.2 Art. 300
Art. 3.12.2.0.3 Art. 300
Art. 3.12.2.0.4 Art. 300
Art. 3.13.2.0.1 Art. 300

Tabel 2 : Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 92)
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling KB/WIB 92
Art. 3.2.1.0.1 Art. 128
Art. 3.2.1.0.2 Art. 129
Art. 3.2.1.0.2 Art. 130
Art. 3.2.1.0.3 Art. 133, § 1
Art. 3.2.3.0.1 Art. 133, § 2
Art. 3.2.3.0.1 Art. 133, § 3
Art. 3.2.5.0.1 Art. 134
Art. 3.2.5.0.1 Art. 135
Art. 3.3.4.0.1 Art. 136
Art. 3.4.1.0.1 Art. 137
Art. 3.4.1.0.1 Art. 138
Art. 3.4.3.0.1 Art. 139, § 1
Art. 3.4.3.0.2 Art. 141
Art. 3.4.4.0.1 Art. 139, § 2
Art. 3.4.5.0.1 Art. 139, § 3
Art. 3.4.6.0.1 Art. 142
Art. 3.10.3.1.1 Art. 146
Art. 3.10.3.1.1 Art. 147
Art. 3.10.3.2.1 Art. 148
Art. 3.10.3.2.2 Art. 151
Art. 3.10.3.2.3 Art. 153
Art. 3.10.3.2.4 Art. 154
Art. 3.10.3.2.5 Art. 161
Art. 3.10.3.2.6 Art. 162
Art. 3.10.3.2.7 Art. 163
Art. 3.10.3.3.1 Art. 164
Art. 3.10.3.3.2 Art. 165
Art. 3.10.3.4.1 Art. 172
Art. 3.10.3.4.2 Art. 173
Art. 3.10.3.4.3 Art. 174
Art. 3.10.3.5.1 Art. 167
Art. 3.10.5.1.1 Art. 211
Art. 3.10.5.1.2 Art. 213
Art. 3.10.5.1.3 Art. 214
Art. 3.10.5.1.4 Art. 215
Art. 3.10.5.1.5 Art. 217
Art. 3.10.5.1.6 Art. 218
Art. 3.10.5.1.7 Art. 219
Art. 3.12.2.0.1 Art. 221
Art. 3.12.2.0.2 Art. 222
Art. 3.12.2.0.3 Art. 223
Art. 3.12.2.0.4 Art. 224
Art. 3.13.2.0.1 Art. 176

Tabel 3 : Besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 tot regeling van de modaliteiten waaronder de in artikel 253, eerste lid, 7° en 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstellingen van de onroerende voorheffing worden aangevraagd
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling besluit 18 juli 2003
Art. 2.1.6.0.1 Art. 1
Art. 2.1.6.0.2 Art. 2
Art. 2.1.6.0.3 Art. 3
Art. 2.1.6.0.4 Art. 4

Tabel 4 : Besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 2010 houdende uitvoering van de compensatie voor de gederfde opbrengsten uit de gemeentelijke en de provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing op materieel en outillage en op energiezuinige gebouwen
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling besluit 23 juli 2010
Art. 3.1.0.0.3 Art. 1
Art. 3.1.0.0.4 Art. 2
Art. 3.1.0.0.5 Art. 4

Tabel 5 : Wetboek van 23 november 1965 van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (WIGB)
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling WIGB
Art. 3.2.1.0.1 Art. 2
Art. 3.2.1.0.2 Art. 2
Art. 3.2.3.0.1 Art. 2
Art. 3.2.5.0.1 Art. 2
Art. 3.4.1.0.1 Art. 2
Art. 3.4.3.0.1 Art. 2
Art. 3.4.3.0.2 Art. 2
Art. 3.4.4.0.1 Art. 2
Art. 3.4.5.0.1 Art. 2
Art. 3.4.6.0.1 Art. 2
Art. 3.10.3.1.1 Art. 2
Art. 3.10.3.2.1 Art. 2
Art. 3.10.3.2.2 Art. 2
Art. 3.10.3.2.3 Art. 2
Art. 3.10.3.2.4 Art. 2
Art. 3.10.3.2.5 Art. 2
Art. 3.10.3.2.6 Art. 2
Art. 3.10.3.2.7 Art. 2
Art. 3.10.3.3.1 Art. 2
Art. 3.10.3.3.2 Art. 2
Art. 3.10.3.4.1 Art. 2
Art. 3.10.3.4.2 Art. 2
Art. 3.10.3.4.3 Art. 2
Art. 3.10.3.5.1 Art. 2
Art. 3.10.5.1.1 Art. 2
Art. 3.10.5.1.2 Art. 2
Art. 3.10.5.1.3 Art. 2
Art. 3.10.5.1.4 Art. 2
Art. 3.10.5.1.5 Art. 2
Art. 3.10.5.1.6 Art. 2
Art. 3.10.5.1.7 Art. 2
Art. 3.12.2.0.1 Art. 2
Art. 3.12.2.0.2 Art. 2
Art. 3.12.2.0.3 Art. 2
Art. 3.12.2.0.4 Art. 2
Art. 3.13.2.0.1 Art. 2

[4 Tabel 6: Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen KB/WIGB)
  

  
bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit bepaling KB/WIGB
Art. 2.2.6.0.1 Art. 15, § 3
Art. 2.2.6.0.2 Art. 16
Art. 2.2.6.0.3 Art. 30
Art. 3.2.1.0.1 Art. 2
Art. 3.2.1.0.2 Art. 2
Art. 3.2.1.0.2 Art. 3, tweede zinsdeel
Art. 3.2.3.0.1 Art. 5
Art. 3.2.5.0.1 Art. 6
Art. 3.3.1.0.1 Art. 25
Art. 3.3.1.0.2 Art. 26
Art. 3.3.4.0.1 Art. 7
Art. 3.4.3.0.1 Art. 10
Art. 3.4.3.0.2 Art. 10
Art. 3.4.4.0.1 Art. 10
Art. 3.4.4.0.1 Art. 11
Art. 3.4.5.0.1 Art. 10
Art. 3.4.6.0.1 Art. 10
Art. 3.10.3.1.1 Art. 13
Art. 3.13.2.0.1 Art. 14/1
Art. 3.20.0.0.5 Art. 53

]4Tabel 7 : Besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling besluit 10 december 2010
Art. 3.13.2.0.1 Art. 1
Art. 3.13.2.0.1 Art. 2, eerste lid
Art. 3.13.2.0.2 Art. 4
Art. 3.13.2.0.3 Art. 5
Art. 3.13.2.0.4 Art. 3

Tabel 8 : Wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 (Eurovignetwet)
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling Eurovignetwet
Art. 3.2.1.0.1 Art. 2
Art. 3.2.1.0.2 Art. 2
Art. 3.2.3.0.1 Art. 2
Art. 3.2.5.0.1 Art. 2
Art. 3.4.1.0.1 Art. 2
Art. 3.4.3.0.1 Art. 2
Art. 3.4.3.0.2 Art. 2
Art. 3.4.4.0.1 Art. 2
Art. 3.4.5.0.1 Art. 2
Art. 3.4.6.0.1 Art. 2
Art. 3.10.3.1.1 Art. 2
Art. 3.10.3.2.1 Art. 2
Art. 3.10.3.2.2 Art. 2
Art. 3.10.3.2.3 Art. 2
Art. 3.10.3.2.4 Art. 2
Art. 3.10.3.2.5 Art. 2
Art. 3.10.3.2.6 Art. 2
Art. 3.10.3.2.7 Art. 2
Art. 3.10.3.3.1 Art. 2
Art. 3.10.3.3.2 Art. 2
Art. 3.10.3.4.1 Art. 2
Art. 3.10.3.4.2 Art. 2
Art. 3.10.3.4.3 Art. 2
Art. 3.10.3.5.1 Art. 2
Art. 3.10.5.1.1 Art. 2
Art. 3.10.5.1.2 Art. 2
Art. 3.10.5.1.3 Art. 2
Art. 3.10.5.1.4 Art. 2
Art. 3.10.5.1.5 Art. 2
Art. 3.10.5.1.6 Art. 2
Art. 3.10.5.1.7 Art. 2
Art. 3.12.2.0.1 Art. 2
Art. 3.12.2.0.2 Art. 2
Art. 3.12.2.0.3 Art. 2
Art. 3.12.2.0.4 Art. 2
Art. 3.13.2.0.1 Art. 2

Tabel 9 : Koninklijk besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling besluit 9 januari 1995
Art. 2.4.6.0.1 Art. 2/1
Art. 3.13.2.0.1 Art. 1

Tabel 10 : Koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling besluit 8 september 1997
Art. 2.4.7.0.1 Art.1

Tabel 11 : Koninklijk besluit van 19 december 2001 ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling besluit 19 december 2001
Art. 3.4.7.0.1 Art. 2
Art. 3.4.8.0.1 Art. 1

Tabel 12 : Besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling besluit 18 maart 2011
Art. 3.18.0.0.1 Art. 3
Bijlage 1 Bijlage

Tabel 13 : Decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 (decreet verkrottingsheffing woningen en gebouwen)
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling decreet verkrottingsheffing woningen en gebouwen
Art. 3.2.1.0.1 Art. 40bis
Art. 3.2.1.0.2 Art. 40bis
Art. 3.2.3.0.1 Art. 40bis
Art. 3.2.5.0.1 Art. 40bis
Art. 3.4.1.0.1 Art. 40bis
Art. 3.4.3.0.1 Art. 40bis
Art. 3.4.3.0.2 Art. 40bis
Art. 3.4.4.0.1 Art. 40bis
Art. 3.4.5.0.1 Art. 40bis
Art. 3.4.6.0.1 Art. 40bis
Art. 3.10.3.1.1 Art. 40bis
Art. 3.10.3.2.1 Art. 40bis
Art. 3.10.3.2.2 Art. 40bis
Art. 3.10.3.2.3 Art. 40bis
Art. 3.10.3.2.4 Art. 40bis
Art. 3.10.3.2.5 Art. 40bis
Art. 3.10.3.2.6 Art. 40bis
Art. 3.10.3.2.7 Art. 40bis
Art. 3.10.3.3.1 Art. 40bis
Art. 3.10.3.3.2 Art. 40bis
Art. 3.10.3.4.1 Art. 40bis
Art. 3.10.3.4.2 Art. 40bis
Art. 3.10.3.4.3 Art. 40bis
Art. 3.10.3.5.1 Art. 40bis
Art. 3.10.5.1.1 Art. 40bis
Art. 3.10.5.1.2 Art. 40bis
Art. 3.10.5.1.3 Art. 40bis
Art. 3.10.5.1.4 Art. 40bis
Art. 3.10.5.1.5 Art. 40bis
Art. 3.10.5.1.6 Art. 40bis
Art. 3.10.5.1.7 Art. 40bis
Art. 3.12.2.0.1 Art. 40bis
Art. 3.12.2.0.2 Art. 40bis
Art. 3.12.2.0.3 Art. 40bis
Art. 3.12.2.0.4 Art. 40bis
Art. 3.13.2.0.1 Art. 40bis

Tabel 14 : Besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling besluit 2 april 1996
Art. 2.5.6.0.1 Art. 15
Art. 3.1.0.0.2 Art. 19
Art. 3.2.5.0.1 Art. 12, § 1
Art. 3.3.4.0.1 Art. 11, eerste lid
Art. 3.10.3.4.2 Art. 12, § 2

Tabel 15 : Decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten (decreet leegstandsheffing bedrijfsruimten)
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling decreet leegstandsheffing bedrijfsruimten
Art. 3.2.1.0.1 Art. 33
Art. 3.2.1.0.2 Art. 33
Art. 3.2.3.0.1 Art. 33
Art. 3.2.5.0.1 Art. 33
Art. 3.4.1.0.1 Art. 33
Art. 3.4.3.0.1 Art. 33
Art. 3.4.3.0.2 Art. 33
Art. 3.4.4.0.1 Art. 33
Art. 3.4.5.0.1 Art. 33
Art. 3.4.6.0.1 Art. 33
Art. 3.10.3.1.1 Art. 33
Art. 3.10.3.2.1 Art. 33
Art. 3.10.3.2.2 Art. 33
Art. 3.10.3.2.3 Art. 33
Art. 3.10.3.2.4 Art. 33
Art. 3.10.3.2.5 Art. 33
Art. 3.10.3.2.6 Art. 33
Art. 3.10.3.2.7 Art. 33
Art. 3.10.3.3.1 Art. 33
Art. 3.10.3.3.2 Art. 33
Art. 3.10.3.4.1 Art. 33
Art. 3.10.3.4.2 Art. 33
Art. 3.10.3.4.3 Art. 33
Art. 3.10.3.5.1 Art. 33
Art. 3.10.5.1.1 Art. 33
Art. 3.10.5.1.2 Art. 33
Art. 3.10.5.1.3 Art. 33
Art. 3.10.5.1.4 Art. 33
Art. 3.10.5.1.5 Art. 33
Art. 3.10.5.1.6 Art. 33
Art. 3.10.5.1.7 Art. 33
Art. 3.12.2.0.1 Art. 33
Art. 3.12.2.0.2 Art. 33
Art. 3.12.2.0.3 Art. 33
Art. 3.12.2.0.4 Art. 33
Art. 3.13.2.0.1 Art. 33

Tabel 16 : Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling besluit 1 juli 1997
Art. 2.6.7.0.1 Art. 18
Art. 2.6.7.0.2 Art. 18bis
Art. 2.6.7.0.3 Art. 18ter
Art. 2.6.7.0.4 Art. 19
Art. 3.1.0.0.1 Art. 14

Tabel 17 : Wetboek van 31 maart 1936 der successierechten
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling W.Succ.
Art. 3.4.3.0.8, § 1, eerste en tweede lid Art. 834, tweede en derde lid

Tabel 18 : Koninklijk besluit van 31 maart 1936 houdende algemeen reglement van de successierechten
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling KB 31/03/1936
Art. 3.4.3.0.1 Art. 8
Art. 3.4.6.0.1 Art. 8bis

Tabel 19 : Koninklijk besluit van 26 augustus 2003 houdende aanvullende regels betreffende de inbetalinggeving van kunstwerken ter voldoening van de successierechten, tot vaststelling van de nadere regels betreffende de betaling en de teruggave van de schattingskosten bedoeld in artikel 83-3 van het Wetboek der Successierechten en in artikel 111, vijfde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van elk van de artikelen van de wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de gevolgen voor de inkomstenbelastingen van schenkingen aan de Staat en tot wijziging van de regeling voor de afgifte van kunstwerken ter betaling van successierechten
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling KB 26/08/2003
Art. 3.4.3.0.3, § 1, eerste lid Art. 1, § 2, 1°, eerste lid, b)
Art. 3.4.3.0.3, § 1, tweede lid Art. 1, § 2, 1°, tweede lid en art. 1, § 1
Art. 3.4.3.0.3, § 2, eerste lid Art. 1, § 2, 2°, eerste lid, b)
Art. 3.4.3.0.3, § 2, tweede lid Art. 1, § 2, 2°, tweede lid en art. 1, § 1
Art. 3.4.3.0.3, § 3 Art. 1, § 2, 3°
Art. 3.4.3.0.3, § 4 Art. 2 § 1 en § 2, met uitzondering van punt 3°
Art. 3.4.3.0.3, § 5 Art. 3, 1° tot en met 6°
Art. 3.4.3.0.3, § 6 Art. 4
Art. 3.4.3.0.3, § 7 Art. 5
Art. 3.4.3.0.3, § 8, eerste lid Art. 6, eerste lid, 1° tot en met 3°
Art. 3.4.3.0.3, § 8, tweede lid Art. 6, tweede lid
Art. 3.4.3.0.4, § 1 Art. 7
Art. 3.4.3.0.4, § 2 Art. 8, eerste lid en tweede lid voor zover dit geen bretkking heeft op de inkomstenbelastingen
Art. 3.4.3.0.4, § 3 Art. 9, § 1, eerste en tweede lid
Art. 3.4.3.0.4, § 4 Art. 9, § 2, eerste, tweede en vierde lid
Art. 3.4.3.0.4, § 5 Art. 10 met uitzondering van § 1, eerste lid, laatste zinsnede en van § 1, tweede lid, 2°
Art. 3.4.3.0.5, § 1 Art. 11
Art. 3.4.3.0.5, § 2 Art. 12
Art. 3.4.3.0.5, § 3 Art. 13
Art. 3.4.3.0.5, § 4 Art. 14 en art. 16
Art. 3.4.3.0.5, § 5, eerste lid Art. 15 en art. 16
Art. 3.4.3.0.5, § 5, tweede en derde lid Art. 15, § 3 en art. 17
Art. 3.4.3.0.6, § 1 Art. 18
Art. 3.4.3.0.6, § 2 Art. 19
Art. 3.4.3.0.6, § 3 Art. 20
Art. 3.4.3.0.6, § 4 Art. 21
Art. 3.4.3.0.7, § 1 Art. 25
Art. 3.4.3.0.7, § 2, eerste lid, eerste zin Art. 26, eerste lid
Art. 3.4.3.0.7, § 2, tweede en derde lid Art. 26, tweede en derde lid
Art. 3.4.3.0.7, § 2, eerste lid, tweede en derde zin Art. 27
Art. 3.4.3.0.7, § 2, vierde lid Art. 28
Art. 3.4.3.0.7, § 3 Art. 29
Art. 3.4.3.0.7, § 4 Art. 30

Tabel 20 : Besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005 tot uitvoering van artikel 55ter en 55quater van het Wetboek der Successierechten
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling BVR 04/02/2005
Art. 1.1.0.0.1, vierde lid Art. 1, 2° en 6°
Art. 3.20.0.0.1 Art. 2
Art. 3.20.0.0.2 Art. 3
Art. 3.20.0.0.3 Art. 4

Tabel 21 : Besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2012 tot uitvoering van de artikelen 140quinquies en 140sexies van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en de artikelen 60/4 en 60/5 van het Wetboek der Successierechten
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling BVR 02/03/2012
Art. 3.13.1.2.1 Art. 5, eerste en tweede lid
Art. 3.20.0.0.5 Art. 2

Tabel 22 : Ministerieel Besluit van 9 maart 2000 betreffende de formulieren voor aangifte inzake successierechten
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling MB 09/03/2000
Art. 3.3.1.0.3 Art. 1, eerste lid

Tabel 23 : Ministerieel Besluit van 30 januari 2004 houdende de werkwijze en de organisatie van de bijzondere commissie, belast onder meer met de schatting van kunstwerken voor de toepassing van sommige fiscale wetten
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling MB 30/01/2004
Art. 3.4.3.0.8, § 1, derde lid Art. 2, tweede lid
Art. 3.4.3.0.8, § 2 Art. 1
Art. 3.4.3.0.8, § 3 Art. 3
Art. 3.4.3.0.8, § 4 Art. 4
Art. 3.4.3.0.8, § 5 Art. 5
Art. 3.4.3.0.8, § 6 Art. 6
Art. 3.4.3.0.8, § 7 Art. 8
Art. 3.4.3.0.8, § 8 Art. 9

Tabel 24 : Koninklijk besluit van 11 januari 1940 betreffende de uitvoering van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling KB 11/01/1940
Art. 2.9.4.0.1 Art. 8
Art. 3.4.3.0.1 Art. 2
Art. 3.4.6.0.1 Art. 2bis
Art. 3.12.3.0.1 Art. 9

Tabel 25 : Koninklijk besluit van 13 november 1978 tot uitvoering van de wet van 27 april 1978 tot bevordering van de bilaterale en multilaterale ruil van ongebouwde landeigendommen en bossen
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling KB 13/11/1978
Art. 2.9.4.0.2 Art. 1
Art. 2.9.6.0.1 Art. 1
Art. 2.9.7.0.1 Art. 1

Tabel 26 : Besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2007 betreffende de vorm van het attest tot het verkrijgen van kosteloze registratie in het kader van een Brownfieldproject dat het voorwerp uitmaakt van een Brownfieldconvenant
  

  
Bepaling Besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit Bepaling BVR 09/11/2007
Art. 3.20.0.0.4, eerste en tweede lid Bijlage

]1
  ----------
  (1)<BVR 2014-12-19/87, art. 39, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2015>
  (2)<BVR 2017-03-24/10, art. 7, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2016>
  (3)<BVR 2018-12-14/06, art. 9, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  (4)<BVR 2018-12-14/06, art. 10, 014; Inwerkingtreding : 01-01-2019>
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   
Brussel, 20 december 2013.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Financiėn, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport,
Ph. MUYTERS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Vlaamse Regering,
   Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;
   Gelet op het decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit;
   Gelet op het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zoals van toepassing op de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling voor wat betreft het Vlaamse Gewest;
   Gelet op het Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, wat de onroerende voorheffing in het Vlaamse Gewest betreft;
   Gelet op het Koninklijk besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, voor wat betreft het Vlaamse Gewest;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen;
   Gelet op het besluit van 1 juli 1997 van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
   Gelet op het Koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is, voor wat betreft het Vlaamse Gewest;
   Gelet op het Koninklijk besluit van 19 december 2001 ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 tot regeling van de modaliteiten waaronder de in artikel 253, eerste lid, 7° en 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstellingen van de onroerende voorheffing worden aangevraagd;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 2010 houdende uitvoering van de compensatie voor de gederfde opbrengsten uit de gemeentelijke en de provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing op materieel en outillage en op energiezuinige gebouwen;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen;
   Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet;
   Gelet op het ministerieel besluit van 17 juli 1970 tot uitvoering van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen;
   Gelet op het ministerieel besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993;
   Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 3 oktober 2013;
   Gelet op advies 54.433/3 van de Raad van State, gegeven op 16 december 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op voorstel van de Vlaamse minister van Financiėn, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport;
   Na beraadslaging,
   Besluit :
Erratum Tekst Begin

originele versie
2014200577
PUBLICATIE :
2014-01-27
bladzijde : 6796

Erratum



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 21-05-2021 GEPUBL. OP 27-05-2021
    (GEWIJZIGDE ART. : 3.3.5.0.1; 3.12.4.0.1; 3.15.1.0.1)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 02-04-2021 GEPUBL. OP 15-04-2021
    (GEWIJZIGD ART. : 4.1.0.0.3/2)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 11-12-2020 GEPUBL. OP 17-12-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 3.1.0.0.3)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 11-09-2020 GEPUBL. OP 08-12-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 1.1.0.0.1; 3.1.0.0.2)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 10-05-2019 GEPUBL. OP 20-05-2019
    (GEWIJZIGD ART. : 3.3.1.0.7)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 05-04-2019 GEPUBL. OP 07-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 3.1.0.0.3; 3.1.0.0.5/1)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 21-12-2018 GEPUBL. OP 28-12-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 3.4.8.0.1)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 14-12-2018 GEPUBL. OP 28-12-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 2.12.1.0.1; 2.12.2.0.1; 2.12.3.0.1; 2.12.4.0.1; 2.12.5.0.1; 2.12.6.0.1; 2.12.7.0.1; 2.13.1.0.1; 2.13.2.0.1; 2.13.3.0.1; 2.13.4.0.1; 2.13.5.0.1; 2.13.6.0.1; 2.13.7.0.1; 3.3.1.0.5; 3.3.1.0.6; 3.12.4.0.1; 3.13.2.0.1; 4.1.0.0.1/1; 4.1.0.0.3/1; 5.0.0.0.1; N2)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 30-11-2018 GEPUBL. OP 19-12-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 2.1.6.0.1; 2.1.6.0.2; 2.1.6.0.3; 2.1.6.0.4; 2.2.6.0.1; 2.2.6.0.3; 2.2.6.0.4; 3.1.0.0.6)
  • originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 22-06-2018 GEPUBL. OP 24-07-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 2.9.4.0.2; 2.9.6.0.1; 2.9.7.0.1)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 01-06-2018 GEPUBL. OP 15-06-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 2.4.6.0.1; 2.4.7.0.1; N1)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 15-09-2017 GEPUBL. OP 23-10-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 1.1.0.0.1; 2.5.6.0.1; 3.1.0.0.2)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 24-03-2017 GEPUBL. OP 16-06-2017
    (GEWIJZIGDE ART. : 2.1.6.0.3; 2.1.6.0.4; 3.1.0.0.2; 3.10.3.3.1; 3.10.3.3.2; N2)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 03-02-2017 GEPUBL. OP 21-02-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 2.2.6.0.3)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 27-11-2015 GEPUBL. OP 23-02-2016
    (GEWIJZIGDE ART. : 2.1.6.0.2; 2.1.6.0.3; 2.6.7.0.1)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 18-12-2015 GEPUBL. OP 31-12-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 3.20.0.0.4)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 18-09-2015 GEPUBL. OP 12-10-2015
    (GEWIJZIGD ART. : 3.20.0.0.4)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 17-07-2015 GEPUBL. OP 10-08-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 2.4.2.0.1; 3.3.1.0.4; 3.4.3.0.1)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 19-12-2014 GEPUBL. OP 22-01-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 1.1.0.0.1; 2.7.1.0.1-2.7.7.0.1; 2.8.1.0.1-2.8.7.0.1; 2.9.1.0.1-2.9.7.0.1; 2.10.1.0.1-2.10.7.0.1; 2.11.1.0.1-2.11.7.0.1; 3.3.1.0.3; 3.4.3.0.3-3.4.3.0.8; 3.12.3.0.1; 3.13.1.2.1; 3.20.0.0.1-3.20.0.0.5; 5.0.0.0.1; N2)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 21-03-2014 GEPUBL. OP 18-08-2014
    (GEWIJZIGD ART. : 3.1.0.0.3)

  • Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
       VERSLAG AAN DE VLAAMSE REGERING
       I. ALGEMENE TOELICHTING
       De gefaseerde uitbreiding van de regionale fiscale bevoegdheden heeft ertoe geleid dat het Vlaamse landschap inzake fiscale regelgeving een amalgaam van naast mekaar bestaande teksten is geworden. Naast de zogenaamde oneigenlijke gewestbelastingen, zoals opgesomd in artikel 3 van de Bijzonder Financieringswet van 16 januari 1989 (waarvan de meest gekende de onroerende voorheffing, de registratie- en successierechten en de groep van verkeersbelastingen zijn), heeft de decreetgever immers ook van zijn autonome fiscale bevoegdheden (artikel 170, § 2, van de Grondwet) gebruik gemaakt om eigen belastingen of heffingen in te voeren. De meest gekende hiervan zijn de belasting op de afvalstoffen, de belasting ter bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, de heffing op leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten en de heffing ter bestrijding van de verkrotting van gebouwen en woningen.
       En hoewel elke belasting zijn eigen finaliteit en toepassingsgebied heeft, kan niet ontkend worden dat in steeds meer regelgevende teksten moet gezocht worden om iemands "Vlaamse fiscale positie" te kennen. En als men die al in kaart heeft kunnen brengen, moet men vaststellen dat die diverse belastingen dan nog eens volgens een gelijkaardige, maar net niet of zelfs helemaal niet gelijklopende procedure worden geļnd.
       De roep naar transparantie, eenvormigheid en vereenvoudiging van de Vlaamse fiscale regelgeving is met de loop der jaren dan ook groter geworden.
       De Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (VCF) heeft invulling gegeven aan deze nood en verwachtingen. De VCF kan evenwel maar volledig uitwerking krijgen door een besluit van de Vlaamse Regering dat verdere uitvoering geeft aan de uitgangspunten zoals opgenomen in die VCF.
       Het voorliggend ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (kortweg BVCF) is hiertoe de aanzet. Samen met de VCF zelf, geeft dit besluit uitvoering aan punt 2.1.3. van de beleidsnota Financiėn en Begroting 2009-2014, en aan de beleidsbrief Financiėn en Begroting 2012-2013 (p. 32 en p. 34).
       De overwegingen om tot een gemaakte regelgeving te komen, werden reeds uitvoerig besproken bij de goedkeuring van het ontwerp van decreet houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Deze blijven onverminderd gelden op het niveau van het uitvoeringsbesluit.
       Het BVCF zal in een eerste fase, net zoals de VCF, van toepassing zijn voor volgende door de Vlaamse Belastingdienst op dit ogenblik geļnde belastingen :
       - De onroerende voorheffing;
       - De (jaarlijkse) verkeersbelasting (zogeheten geautomatiseerde en niet-geautomatiseerde voertuigen);
       - De belasting op de inverkeerstelling (BIV);
       - Het eurovignet;
       - De verkrottingsheffing woningen en gebouwen;
       - De leegstandsheffing bedrijfsruimten.
       In overeenstemming met de benadering inzake de VCF, maken de uitvoeringsbepalingen van de planbatenheffing geen deel uit van het BVCF. Met het oog op de cohesie tussen de rechtsregels omtrent de planschade enerzijds en de planbatenheffing anderzijds, werd er namelijk voor geopteerd om de fiscale bepalingen inzake de planbatenheffing in de VCRO te laten.
       In een later stadium kan het BVCF uitgebreid worden met de regelgeving inzake successie- en registratierechten, en inzake de milieu gerelateerde belastingen. Het is zelfs aan te bevelen deze regelgeving in dezelfde teksten te verwerken. Om hierop te anticiperen werd in de voorliggende ontwerptekst ook niet gesproken van een welbepaalde dienst (zoals bijvoorbeeld de Vlaamse Belastingdienst), maar werd de tekst generiek gemaakt, en wordt er gesproken van de "bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie", gezien deze telkens via het instrumentarium van "Beter Bestuurlijk Beleid" eenduidig worden aangeduid in andere regelgeving.
       Het voorliggend ontwerp voorziet de codificatie en opheffing van volgende regelgevingen, van toepassing binnen het Vlaamse Gewest (chronologisch gerangschikt) :
       - het koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen;
       - het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing op de onroerende voorheffing voor wat betreft het Vlaamse Gewest;
       - het koninklijk besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993;
       - het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van verkrotting van gebouwen en/of woningen;
       - het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
       - het koninklijk besluit van 19 december 2001 ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993;
       - het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 tot regeling van de modaliteiten waaronder de in artikel 253, eerste lid, 7° en 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde vrijstellingen van de onroerende voorheffing worden aangevraagd;
       - het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen;
       - de artikelen van hoofdstuk I van het ministerieel besluit van 17 juli 1970 tot uitvoering van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen;
       - het ministerieel besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993.
       In de aanhef wordt de verwijzing naar artikel 5 van de bijzondere financieringswet geschrapt aangezien deze volgens de Raad van State geen rechtsgrond biedt voor de bepalingen van het ontwerp.
       Het voorliggend ontwerp van besluit is opgedeeld in 7 titels, en behoudt zo de structuur van de VCF zelf, zodat ook snel het geheel van de van toepassing zijnde rechtsregels kan teruggevonden worden.
       Titel 1 bevat inleidende bepalingen.
       Titel 2 bevat de materieelrechtelijke bepalingen, op uitvoeringsniveau uiteraard.
       Titel 3 bevat de procedurebepalingen, ook hier op het niveau van de uitvoerende macht.
       Net zoals op decretaal niveau en om tot een uniforme procedure te komen werd in de voorbereiding van voorliggend ontwerp van besluit gewerkt volgens een vast stramien : per item werd nagegaan welke bepalingen relevant waren, welke bepalingen dienden gemoderniseerd te worden, welke bepalingen gelijkaardig waren bij de diverse belastingen (maar anders geformuleerd) en welke bepalingen echt verschillen opleverden. Vervolgens werd onderzocht of die verschillen konden worden weggewerkt of eigen waren aan de aard van de belasting. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat voor heel wat bepalingen een uniforme tekst kan worden voorgesteld.
       Door de gebruikte techniek, en voor het verdere goed begrip van de lezer, zal in de artikelsgewijze toelichting gewerkt worden met diverse toelichtingsmethoden :
       - betreft het een nieuw artikel, dan wordt een omstandige toelichting gegeven;
       - betreft het de letterlijke overname van een bestaand artikel, dan wordt dit zo vermeld, evenwel zonder dat het huidige artikel geciteerd wordt;
       - is het artikel uit het BVCF gebaseerd op één of meerdere bestaande artikelen, maar worden er enkel tekstuele aanpassingen doorgevoerd in het licht van de beoogde doelstellingen (algemeen en toekomstig gebruik, vereenvoudiging, transparantie), dan worden enkel de aangebrachte wijzigingen geduid, zonder aanhaling van het huidige artikel;
       - is het artikel uit het BVCF gebaseerd op één of meerdere bestaande artikelen, maar worden er grondige wijzigingen doorgevoerd, dan wordt het huidige artikel, respectievelijk worden de huidige artikelen, expliciet geciteerd (cursief) en wordt verder in de toelichting geduid welke wijzigingen worden voorgesteld.
       In titel 3 werden ook stelselmatig volgende bewoordingen uit de huidige teksten vervangen :
       - het woord "ambtenaar" door het woord "personeelslid";
       - de woorden "de ambtenaar daartoe door de Vlaamse Regering gemachtigd" door de woorden "het bevoegde personeelslid";
       - de woorden "de Vlaamse Belastingdienst" door de woorden "de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie".
       Dit wordt bij de artikelsgewijze bespreking bijgevolg niet telkens herhaald.
       Volgens de Raad van State verdient het aanbeveling om ter wille van de rechtszekerheid voor elke belasting die door het ontworpen besluit geregeld wordt aan te geven welke de bevoegde entiteit is, namelijk de Vlaamse Belastingdienst. Die informatie zou bijvoorbeeld in een bijlage kunnen opgenomen worden.
       De decreetgever oordeelde eerder dat de VCF niet het geėigende instrument is om de taakverdeling binnen de administratie uit te werken. Net als de VCF is de BVCF hiervoor niet het geėigende instrument. Die taakverdeling wordt immers geregeld door de diverse oprichtingsbesluiten van de Vlaamse entiteiten en in die zin is de ontworpen bepaling dan ook sluitend. Aangezien voormelde oprichtingsbesluiten besluiten van de Vlaamse Regering zijn zou het toevoegen van een bijlage aan het BVCF met vermelding van de bevoegde entiteiten er op neerkomen dat de Vlaamse Regering opnieuw gaat beslissen wat ze in het verleden al beslist heeft. Bovendien zou het risico op tegenstrijdigheden in de regelgeving bij eventuele toekomstige herstructureringen de Vlaamse Overheid alleen maar verhogen. Tot slot dient er op gewezen te worden dat wanneer het er op aan komt de burger concreet te informeren bij welke dienst hij terecht moet ook de vermeldingen op de aanslagbiljetten, de briefwisseling en de website voldoende informatie verstrekken hieromtrent.
       Titel 4 bevat wijzigingsbepalingen.
       Titel 5 bevat opheffingsbepalingen en overgangsmaatregelen.
       Titel 6 regelt de citeertitel van het besluit.
       Titel 7 bevat de bepalingen rond de inwerkingtreding.
       De artikelstructuur van het besluit bestaat uit 5 posities. Dit heeft zijn redenen, en is voor een fiscaal instrumentarium - waaraan in functie van de globale beleidsvoering, of de gewijzigde economische context, toch bij regelmaat wijzigingen aan door te voeren zijn - bijna een noodzaak.
       Welke zijn die redenen?
       - Het is volledig transparant : men ziet meteen in welke onderafdeling men zit.
       - Het laat toe binnen een onderafdeling nadien onbeperkt artikelen toe te voegen, zonder te sleutelen aan de structuur of te werken met bis-artikelen....
       - Het sluit zo volledig aan bij de VCF zelf, zodat door samenlezing van de artikelen uit de betrokken afdeling van zowel VCF als BVCF de volledige rechtsregeling kan gevat worden.
       Het heeft anderzijds een neveneffect, namelijk dat de tekst artikelen kan bevatten die voorbehouden zijn voor later gebruik. Maar ook deze techniek is niet nieuw, en wordt frequent gebruikt in regelgeving in de Verenigde Staten van Amerika (men gebruikt daar de termen "reserved" of "reserved for later use").
       De Raad van State merkt in zijn advies op dat de BVCF dezelfde structuur heeft en op dezelfde - onorthodoxe - wijze is genummerd als de Codex. Doch anders dan de Codex die slechts een tiental "blanco artikelen" bevat - daarmee zijn artikelen bedoeld waarbij slechts de vermelding "Voorbehouden voor toekomstig gebruik" voorkomt - (zie de artikelen 2.3.5.0.1, 2.4.5.0.1, 2.4.6.0.1, enzovoort), komt die vermelding veel voor in het ontwerp, wat, aldus de Raad van State, verwarrend is voor de lezer en de vlotte raadpleging van de tekst aanzienlijk bemoeilijkt.
       De redenen voor deze structuur werden hierboven reeds aangehaald, maar een volledige symmetrie is niet mogelijk omdat momenteel niet altijd corresponderende uitvoeringsbepalingen voorhanden of nodig zijn.
       Met het oog op de verlaging van de administratieve lasten ten aanzien van de burger worden de opgelegde formaliteiten zoveel mogelijk afgebouwd. Zo wordt bijvoorbeeld in artikel 2.1.6.0.2 niet langer een uittreksel uit het bevolkings- of vreemdelingenregister gevraagd als bewijs van bewoning. De bewoningsvereiste kan immers door de administratie zelf nagekeken worden.
       Blijvende aandacht voor de kwaliteitsverbetering van formulieren is noodzakelijk, maar de opname van een formulier in regelgeving bemoeilijkt de kwaliteitsverbetering van het formulier. Om het formulier te wijzigen, moet immers ook de regelgeving aangepast worden en dat is een tijdrovend proces. Daarom zijn formulieren hier maximaal losgekoppeld van de betrokken regelgeving. Overeenkomstig artikel 13 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer met het oog op de toepassing van de regeling in kwestie werd de omschrijving van de te verstrekken gegevens opgenomen in de regelgeving.
       Het streven naar kwaliteitsverbetering vertaalt zich ook in het anticiperen op en remediėren aan interpretatieproblemen. Zo bestaat ingevolge het burgerlijk recht de mogelijkheid om via lastgeving op te treden. Aangezien het niet de bedoeling is hier van het gemeen recht af te wijken, werden alle verwijzingen naar het begrip gemachtigde geschrapt. Zo kunnen er geen interpretatieproblemen ontstaan.
       Het opstellen van een lijst met artikelen of onderdelen ervan uit het KB/WIB 92, zoals de Raad van State suggereert, lijkt niet zinvol.
       De door de Raad van State voorgestelde werkwijze zou de zaken nodeloos compliceren. Met de huidige bepaling is het voor de burger duidelijk dat hij niet meer dient te kijken naar het KB/WIB 92. Dit KB wordt vervangen door de BVCF.
       De door de Raad van State gesuggereerde werkwijze lost de eventuele onduidelijkheid ook niet op rond bepalingen uit het KB/WIB 92, waarvan men zou kunnen twijfelen of deze van toepassing zijn op de onroerende voorheffing als ze niet opgeheven worden. Indien immers alle op te heffen bepalingen zouden opgesomd worden, zou de burger, bij een artikel dat in die opsomming niet voorkomt, nog niet weten of het hier een bepaling is die moet blijven bestaan voor de onroerende voorheffing of een bepaling die eigenlijk geen betrekking had op de onroerende voorheffing (en daarom ook niet kan worden opgeheven). In dat opzicht is de werkwijze zoals voorgesteld door de Vlaamse Regering veel duidelijker : de burger vindt alle uitvoeringsbepalingen inzake onroerende voorheffing voortaan in de BVCF.
       Een gelijkaardige werkwijze werd trouwens ook door de decreetgever gevolgd bij de VCF.
       II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
       TITEL 1. - Inleidende bepalingen
       HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen en definities
       Het spreekt voor zich dat de begrippen, gehanteerd in dit uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Regering, moeten begrepen worden zoals ze gedefinieerd of gebruikt worden in de VCF zelf. Vandaar dat in dit besluit geen verdere nood bestaat aan een definitie-artikel.
       Art. 1.1.0.0.1. Sommige begrippen gebruikt voor de heffing van de verkrottingsheffing woningen en gebouwen en voor de leegstandsheffing bedrijfsruimten worden gedefinieerd in de respectievelijke uitvoeringsbesluiten waaruit de fiscale bepalingen worden gelicht naar aanleiding van deze codificatie. In dit verband is het belangrijk te benadrukken dat de begrippen gehanteerd voor de heffing van voormelde belastingen moeten worden geļnterpreteerd in overeenstemming met de bepalingen van de respectievelijke besluiten van de Vlaamse Regering.
       TITEL 2. - Belastingheffing
       De materieelrechtelijke uitvoeringsbepalingen worden samengebracht onder titel 2. Deze bepalingen hebben dezelfde draagwijdte als de draagwijdte gegeven aan de overeenkomstige bepalingen opgeheven naar aanleiding van deze codificatie (zie concordantietabel). De stroomlijning van het woordgebruik en taalgebruik van deze bepalingen beoogt niet de draagwijdte van de bepalingen te wijzigen.
       HOOFDSTUK 1. - Onroerende voorheffing
       Art. 2.1.6.0.1. Zoals vermeld in het advies van de Raad van State, moet in artikel 2.1.6.0.1, derde lid, BVCF daadwerkelijk de belastingschuldige vermeld worden, omdat hier (zoals in art. 2.1.6.0.2 VCF) wordt verwezen naar diegene bij wie de belasting wordt ingevorderd.
       HOOFDSTUK 2. - Verkeersbelasting
       Afdeling 6. - Vrijstellingen
       Art. 2.2.6.0.1. Deze bepaling is de overname van de derde paragraaf van artikel 15 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. De eerste en de tweede paragraaf van deze bepaling van het Koninklijk Besluit van 8 juli 1970 zijn opgenomen in de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, meer bepaald in de artikelen 2.2.6.0.1, § 1, eerste lid, 3° ; 2.2.6.0.1, § 1, tweede lid; 2.2.6.0.1, § 1, tweede lid en 2.2.6.0.1, § 1, derde lid.
       Artikel 2.2.6.0.2. In het advies van de Raad van State wordt gevraagd naar de toegevoegde waarde van artikel 2.2.6.0.2 in het licht van artikel 3.13.1.1.1 van de VCF. De toegevoegde waarde van artikel 2.2.6.0.2 van de VCF bestaat erin dat het zorgt voor een meer concrete en daarmee meer rechtszekere invulling van de plichten van de bestuurder. De bestuurder moet op verzoek van het bevoegde personeelslid namelijk alle inlichtingen over het gebruik van het voertuig verstrekken.
       Art. 2.2.6.0.3. Deze bepaling is de overname van artikel 30 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. Het artikel voorziet in verdere details betreffende de terugbetalingsregeling, vermeld in artikel 2.2.6.0.3 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
       In de eerste paragraaf van deze bepaling wordt nu de overeenstemming verzekerd van de verwijzingen in dit besluit met de hernummering van de bepalingen van het WIGB bij de hervorming door de Wet van 25 januari 1999. Zo wordt nu in de inleidende zin bij punt 1 en 2 van paragraaf 1 correct verwezen naar artikel 2.2.2.0.1, § 2, tweede lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013. De tweede paragraaf voorziet niet langer dat voor de aanvraag van terugbetaling het nodig is gebruik te maken van een formulier. De beweegreden hiertoe werd reeds toegelicht in de algemene toelichting.
       Het tweede lid geeft aan welke gegevens de belastingplichtige dient te verstrekken om een terugbetaling te kunnen bekomen. Zo moet Vlaamse Belastingdienst niet telkens een vraag om bijkomende inlichtingen stellen aan de belastingplichtige en kan die laatste ook volstaan met één schriftelijk contact met de Vlaamse Belastingdienst. Op die manier kunnen aanvragen tot terugbetaling efficiėnter behandeld worden, hetgeen zowel tot voordeel strekt van overheid als burger.
       HOOFDSTUK 4. - Eurovignet
       Afdeling 7. - Wijze van heffing
       Artikel 2.4.7.0.1. Overeenkomstig de bevoegdheidstechnische opmerkingen van de Raad van State wordt dit artikel aangepast. Dit gebeurt concreet door in artikel 2.4.7.0.1 onmiddellijk te verwijzen naar de bijlage bij het Koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is. Door die aanpassing kan artikel 2.4.7.0.2 van het ontwerp worden opgeheven. Ook de concordantietabel wordt overeenkomstig aangepast.
       HOOFDSTUK 6. - Leegstandheffing bedrijfsruimten
       Afdeling 7. - Wijze van heffing
       In het besluit van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten (hierna BVR leegstandsheffing bedrijfsruimten) worden meermaals de begrippen "het goed" en "onroerend goed" gebruikt, terwijl in het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten enkel de begrippen "bedrijfsruimte" en "bedrijfsgebouw" worden gedefinieerd. Uniformisering dringt zich dan ook op. De begrippen "het goed" en "onroerende goederen" worden respectievelijk vervangen door de begrippen "bedrijfsruimte" en "bedrijfsruimten".
       Art. 2.6.7.0.4. In artikel 19, § 2, van voormeld besluit wordt verwezen naar het begrip "bedrijfsgebouw". Hoewel dat begrip gedefinieerd is in het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing, wordt ervoor geopteerd om hier het begrip te vervangen door het begrip "bedrijfsruimte". Het is immers de bedrijfsruimte die wordt opgenomen in de inventaris en de opschortingen gelden voor de opgenomen bedrijfsruimte. Bovendien wordt zo ook uniformiteit nagestreefd met de terminologie gehanteerd in de VCF op dit punt.
       TITEL 3. - Inning en invordering
       HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen, opcentiemen, opdeciem en administratieve onkostenvergoedingen
       Art. 3.1.0.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 14 van het BVR leegstandheffing bedrijfsruimten.
       Naar analogie met de verkrottingsheffing woningen en gebouwen, wordt nu ook voor de leegstandheffing bedrijfsruimten expliciet bepaald dat bij gehele of gedeeltelijke ontheffingen het te veel uitbetaalde bedrag aan onkostenvergoedingen verrekend wordt op de eerstvolgende uit te keren onkostenvergoeding en opcentiemen.
       Het huidige artikel 16 van het BVR leegstandheffing bedrijfsruimten bepaalt dat het bedrag van de administratieve onkostenvergoeding door de Vlaamse Belastingdienst op rekening van de gemeenten zal worden gestort voor het einde van de tweede maand, volgend op de maand waarop de verschuldigde heffing dient te worden voldaan, en dit voor zover deze heffing is geļnd en definitief is verworven. Deze werkwijze is al geregeld in de Vlaamse Codex Fiscaliteit zelf (zie artikel 3.1.0.0.4, paragraaf 3 en 4), zodat dit artikel niet moet overgenomen worden.
       Art. 3.1.0.0.2. Dit artikel is gebaseerd op artikel 19 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen.
       Onder de geļnde heffingen worden ook de ingevorderde heffingen begrepen. Er wordt daarom niet langer uitdrukkelijk vermeld dat de onkostenvergoeding wordt berekend op de geļnde en ingevorderde heffingen. Het woord "verrekend" wordt vervangen door het woord "berekend", aangezien dit tot verwarring kan aanleiding geven; wel degelijk is bedoeld dat de percentages berekend worden op de bedragen die geļnd zijn (en niet bijvoorbeeld op de ingekohierde bedragen).
       Art. 3.1.0.0.3, 3.1.0.0.4 en 3.1.0.0.5. Deze artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 1, 2 en 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 2010 houdende uitvoering van de compensatie voor de gederfde opbrengsten uit de gemeentelijke en de provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing op materieel en outillage en op energiezuinige gebouwen.
       Wel werden de verwijzingen rechtgezet.
       HOOFDSTUK 2. - Inkohiering
       Afdeling 1. - Algemeen
       Art. 3.2.1.0.1. Dit artikel is gebaseerd op het artikel 128 van het Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (verder : KB/WIB) en de eerste alinea van het artikel 2 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (verder : KB/WIGB).
       Art. 3.2.1.0.2. Dit artikel is gebaseerd op de artikelen 129 en 130 KB/WIB en op artikel 2 en artikel 3 KB/WIGB.
       De voorwaarde van jaarlijkse uitvoerbaarverklaring, opgenomen in het huidige artikel 2 KB/WIGB wordt niet langer opgenomen. Dit maakt de procedure nodeloos ingewikkeld. Uitvoerbaarverklaringen voor toekomstige aanslagjaren gebeuren bovendien niet, zodat deze bepaling overbodig wordt.
       De niet fiscale bepaling uit artikel 130 KB/WIB en artikel 3 KB/WIGB (de koppeling van een kohier aan een begrotingsjaar) wordt geschrapt, gezien deze problematiek geregeld wordt in het rekendecreet (Decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof) en haar uitvoeringsbesluiten.
       Inzake op te heffen bepalingen :
       De huidige bepaling van artikel 131 KB/WIB en artikel 4 KB/WIGB wordt niet overgenomen, aangezien deze bepaling onnodige beperkingen oplegt aan de wijze van inkohiering. Bovendien verwijst deze bepaling naar de organisatie-opzet van de FOD Financiėn (indeling per ontvangkantoor).
       De huidige bepaling van artikel 132 KB/WIB en artikel 4 KB/WIGB heeft geen toegevoegde waarde, en wordt bijgevolg evenmin overgenomen. De inkohieringstermijn is immers decretaal bepaald en binnen deze termijn dient het bevoegde personeelslid de inkohiering te voltooien.
       Artikel 10, § 1, 1e en 2e lid, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen kan geschrapt worden. Er zijn geen bijzondere kohieren, en het spreekt voor zich dat aanslagen binnen de decretaal voorziene termijn aangemaakt worden op basis van de gegevens over de belastbare grondslag. Anderzijds zijn deze bepalingen reeds opgenomen in de VCF (artikel 3.2.1.0.1).
       Artikel 10, § 2, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen dient evenmin overgenomen te worden :
       - het eerste lid is geļntegreerd in de VCF (artikel 3.1.0.0.1, § 2);
       - het tweede lid heeft geen rechtsgrond meer : dit lid verwijst immers naar artikel 3, § 3 van hetzelfde BVR dat zelf geen decretale basis meer heeft (verwees naar artikel 38, 2e lid van het decreet, dat zelf werd opgeheven bij decreet van 24 december 2005).
       - het derde lid heeft geen toegevoegde waarde.
       Artikel 11, derde lid, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen kan geschrapt worden. Dit lid verwijst immers ook naar artikel 3, § 3, van hetzelfde BVR dat zelf geen decretale basis meer heeft.
       Art. 3.2.1.0.3. Dit artikel is gebaseerd op artikel 133, § 1, KB/WIB. Daarbij werd de terminologie gemoderniseerd.
       Afdeling 3. - Overledenen en onverdeeldheden
       Art. 3.2.3.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 133, § 2 en § 3, van het KB/WIB. Het nieuwe artikel geldt voor alle belastingen. Artikel 5 KB/WIGB dat nog gelijkaardig was aan het oude artikel 133 KB/WIB dient dus niet behouden te blijven.
       Afdeling 5. - Berekening en afrondingswijze
       Art. 3.2.5.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 135 KB/WIB en op artikel 12, § 1, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen.
       HOOFDSTUK 3. - Aanslagprocedure
       Afdeling 1. - Algemeen
       Art. 3.3.1.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 25 KB/WIGB.
       Art. 3.3.1.0.2. Dit artikel is gebaseerd op artikel 26 KB/WIGB.
       Afdeling 4. - Aanslagbiljet
       Art. 3.3.4.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 136 KB/WIB, artikel 7 KB/WIGB en op artikel 11, eerste lid van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen, doch het toepassingsgebied wordt uitgebreid naar alle belastingen.
       Dat het tweede lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen niet dient behouden te blijven werd reeds in de memorie van Toelichting bij de VCF (artikel 3.3.5.0.2) uitvoerig toegelicht.
       Het derde lid, de laatste zin van het vierde lid, het vijfde en achtste lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen hebben geen rechtsgrond meer (zie infra) en kunnen bijgevolg opgeheven worden.
       De eerste zin van het vierde lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen dient niet te worden overgenomen aangezien de vermeldingen die moeten worden voorzien op het aanslagbiljet reeds in de codex zijn vastgelegd.
       De tweede zin van het vierde lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen dient niet te worden overgenomen. Welke entiteit bevoegd is voor de invordering van belastingen blijkt immers uit de regels i.v.m. beter bestuurlijk beleid (waaronder de oprichtingsbesluiten van de diverse agentschappen en departementen).
       Het zesde en zevende lid van artikel 11 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen werden reeds geregeld in de VCF zelf (artikel 3.1.0.0.1), en kunnen bijgevolg eveneens opgeheven worden.
       HOOFDSTUK 4. - Betalingen
       Afdeling 1. - Algemeen
       Art. 3.4.1.0.1. Het eerste lid van dit artikel is gebaseerd op artikel 137 en 141 KB/WIB. De verwijzing in artikel 137 KB/WIB naar artikel 177 KB/WIB dient niet te worden overgenomen : Artikel 177 KB/WIB heeft betrekking op de vestiging en invordering, van de belasting van niet-inwoners op meerwaarden op onroerende goederen.
       Het tweede lid van dit artikel is gebaseerd op artikel 138 KB/WIB. Omwille van het eurovignet waar gewerkt wordt met uitnodigingen tot betaling dient de verwijzing naar het concept `aangifte' behouden te blijven.
       Omdat kantooruren eenvoudig moeten kunnen worden aangepast wordt artikel 144 KB/WIB niet opgenomen in dit besluit.
       Afdeling 3. - Wijze van betaling
       Art. 3.4.3.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 139, § 1, KB/WIB 92.
       Dit artikel bepaalt dat het bevoegde personeelslid, in bijzondere omstandigheden, andere wijzen van betaling kan toestaan. Hierbij kan dan worden gedacht aan de betaling in contanten of betaling via kredietkaart bij de controles ter plaatse. Het is evenwel niet wenselijk deze betalingsmogelijkheden als algemene regel in te voeren, doch in bepaalde situaties of wanneer de nodige terminals ter beschikking kunnen gesteld worden kan het wel wenselijk zijn dergelijke betalingswijzen te aanvaarden.
       Art. 3.4.3.0.2. Dit artikel is gebaseerd op artikel 141 KB/WIB 92.
       Afdeling 4. - Vermeldingen op het betaalformulier
       Art. 3.4.4.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 139, § 2, KB/WIB 92. Deze bepaling maakt tevens de overname van artikel 11 KB/WIGB overbodig. Dat artikel luidt momenteel als volgt : "Als de belastingschuldige een aanslagbiljet ontvangt van de belastingen, vermeld in artikel 3 of 94 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, moet hij de erbij gevoegde richtlijnen volgen en gebruik maken van het overschrijvingsformulier."
       Afdeling 5. - Bewijs van betaling
       Art. 3.4.5.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 139 § 3 KB/WIB 92.
       Afdeling 6. - Datum van uitwerking van betaling
       Art. 3.4.6.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 142, § 1, KB/WIB. Paragraaf 2 werd niet langer behouden gezien hier het gemeen recht (burgerlijk wetboek) kan gelden.
       Afdeling 7. - Wijze van aanrekening van betaling, aanwending en aanzuivering
       Art. 3.4.7.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 2 van het Koninklijk besluit van 19 december 2001 ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993.
       Artikel 4 van dit KB wordt niet overgenomen gelet op het feit dat dit verwijst naar het inmiddels opgeheven artikel 3 van hetzelfde KB, en enkel een overgangsmaatregel betrof in het kader van de invoering van de euro.
       Gevolg gevend aan de bemerking van de Raad van State wordt de verwijzing naar artikel 3.4.7.0.5 van de VCF in zijn geheel, vervangen door een verwijzing naar paragraaf 1 van dat artikel.
       Afdeling 8. - Betalingsfaciliteiten
       Art. 3.4.8.0.1. Dit artikel is gebaseerd op artikel 1 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993.
       Het artikel werd aangepast op het vlak van de verwijzing, en verder enkel terminologisch.
       Het geeft uitvoering aan artikel 3.4.8.0.1, § 2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
       HOOFDSTUK 10. - Invordering
       Afdeling 3. - Vervolging
       Onderafdeling 1. - Algemeen
       Art. 3.10.3.1.1. Op basis van het eerste lid van dit artikel kan de Vlaamse Belastingdienst of een andere bevoegde entiteit overgaan tot invordering van de heffingen die niet betaald werden binnen de uiterste betaaltermijn. Dit artikel is gebaseerd op het huidige artikel 146 KB/WIB en artikel 13 KB/WIGB, zij het dat er voor werd geopteerd de bewoording van de tekst te vereenvoudigen.
       Het tweede lid voorziet in de twee klassieke wijzen van invordering : rechtstreeks bij de belastingschuldigen of onrechtstreeks bij derden. Deze bepaling is geļnspireerd op het huidige artikel 147 KB/WIB. Bij de rechtstreekse vervolging geeft de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie door middel van persoonlijke of gemeenschappelijke dwangschriften opdracht aan een gerechtsdeurwaarder om deze vervolging in te stellen. Bij de onrechtstreekse vervolgingen wordt niet altijd beroep gedaan op een gerechtsdeurwaarder. Het vereenvoudigd fiscaal derdenbeslag waarbij uitvoerend beslag onder derden wordt gelegd door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie gebeurt via aangetekende brieven (cfr. artikel 3.10.3.3.1 BVCF). Bijgevolg wordt bij deze onrechtstreekse vervolging geen dwangschrift uitgevaardigd. Enkel in het geval het uitvoerend beslag onder derden bij deurwaardersexploot wordt gelegd, overeenkomstig artikel 3.10.3.3.2 BVCF en artikel 1539 tot en met 1544 Ger.W., wordt een persoonlijk of gemeenschappelijk dwangschrift overgemaakt aan een gerechtsdeurwaarder.
       De Raad van State merkt op dat het bevestigen bij besluit van de Vlaamse Regering van een federale wettelijke norm vanuit bevoegdheidsrechtelijk oogpunt niet kan worden aanvaard. Daarom worden in artikel 3.10.3.1.1 de woorden "krachtens het bij de wet toegestane verhaal" geschrapt.
       Gelet op voormeld standpunt van de Raad van State dient bovendien artikel 3.10.3.1.2 uit het ontwerp volledig te worden geschrapt.
       Onderafdeling 2. - Rechtstreekse vervolging
       Art. 3.10.3.2.1. Dit artikel is gebaseerd op de bepalingen zoals voorzien in artikel 148 KB/WIB. Het tweede lid ("Die vervolgingen zijn gerechtelijk en de geldigverklaring behoort tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken.") wordt niet overgenomen. Deze bepaling behoort niet tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest. Bovendien spreekt het voor zich dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn. In dezelfde zin werden evenmin de artikelen 157, 158 en 159 van het KB/WIB overgenomen.
       Art. 3.10.3.2.2. Dit artikel is gebaseerd op artikel 151 KB/WIB. Deze bepaling luidt als volgt :
       "Wanneer de termijn van het dwangbevel verstreken is, doet de ontvanger overgaan tot uitvoerend beslag op roerend goed, hetwelk geschiedt op de wijze bepaald in het Gerechtelijk Wetboek, behoudens de afwijkingen vastgesteld in de hierna volgende artikelen 152 tot 154."
       Het laatste luik van dit artikel, waarin verwezen wordt naar het Gerechtelijk Wetboek, werd niet overgenomen. De artikelen 3.10.3.2.3 en 3.10.3.2.4 blijven evenwel behouden als afwijking op het gemeen recht. Artikel 3.10.3.2.4 geeft bovendien uitvoering aan artikel 3.10.3.2.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
       Art. 3.10.3.2.3. Dit artikel is gebaseerd op artikel 153 KB/WIB.
       Art. 3.10.3.2.4. Dit artikel is gebaseerd op artikel 154 KB/WIB.
       Art. 3.10.3.2.5. Art. 161 KB/WIB bepaalt :
       "Het is de ontvangers en instrumenterende deurwaarders verboden, rechtstreeks of onrechtstreeks enig voorwerp, waarvan zij de verkoop bewerkstelligen, te kopen of voor zich te doen kopen op straffe van nietigheid van de verkoop en van ontzetting voor de deurwaarders van de directe belastingen of toepassing van de bij artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde tuchtstraffen voor de gerechtsdeurwaarders."
       De sanctie van de nietigheid van de verkoop bij aankoop door de gerechtsdeurwaarder is echter geregeld in artikel 1596 van het Burgerlijk Wetboek, de tuchtstraf is voorzien in artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek. Voor de gerechtsdeurwaarders vormt artikel 161 KB/WIB dus een overbodige herhaling
       Ten aanzien van de personeelsleden van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie blijft deze bepaling wel relevant en bijgevolg werd deze geactualiseerd.
       Art. 3.10.3.2.6. Dit artikel is gebaseerd op artikel 162 KB/WIB. Het artikel werd verduidelijkt door de toevoeging van de artikelen uit het Gerechtelijk Wetboek die hier van toepassing zijn.
       Een aantal bepalingen werden niet overgenomen :
       Artikel 152 KB/WIB bepaalt :
       "Vóór de inbeslagneming verzoekt de instrumenterende deurwaarder de belastingschuldige hem de kwitantie te vertonen van de op zijn aanslagen gestorte afkortingen en vermeldt dit verzoek in het proces-verbaal van beslag."
       Deze bepaling is achterhaald en wordt in de praktijk niet meer toegepast aangezien de gerechtsdeurwaarder steeds bij de administratie het openstaande saldo kan opvragen.
       Daarom wordt deze bepaling niet in het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Codex Fiscaliteit opgenomen.
       Art. 155 KB/WIB bepaalt :
       "Alvorens te verkopen, doet de instrumenterende deurwaarder daarvan aangifte ten kantore van de registratie. Hij vermeldt deze formaliteit in het proces-verbaal van verkoop."
       Aangezien deze bepaling een herhaling vormt van hetgeen geregeld is in de artikelen 77 en 227 van het Wetboek Registratierechten wordt deze niet terug opgenomen.
       Art. 156 KB/WIB bepaalt :
       "Zo geen koper opdaagt, wordt de verkoop verdaagd en worden de voorwerpen, krachtens een toestemming van de beslagrechter, naar de naburige markt of naar een andere, meer geschikte plaats gevoerd.
       De instrumenterende deurwaarder stelt proces-verbaal van niet-toewijzing op en gaat tot een nieuwe verkoop over."
       Deze bepaling werd niet overgenomen. Eerst en vooral dient de fiscale wetgeving geen specifieke bepalingen te voorzien die eigenlijk thuis horen in het Gerechtelijk Wetboek. Bovendien is deze bepaling verouderd. Goederen waarvoor geen koper wordt gevonden worden niet openbaar verkocht, niet opgeladen of vernietigd.
       Art. 3.10.3.2.7. Dit artikel is gebaseerd op artikel 163 KB/WIB :
       "De ontvanger rekent de hem gestorte sommen aan volgens de in artikel 143 gestelde regelen; hij geeft aan de belastingschuldige bij ter post aangetekende brief kennis van de aldus gedane aanrekeningen en betaalt hem het eventuele overschot terug."
       De bepaling dat `aan de belastingschuldige bij ter post aangetekende brief kennis van de aldus gedane aanrekeningen wordt gedaan' wordt evenwel niet overgenomen. Het is in de praktijk niet haalbaar, en bovendien niet zinvol, om telkens per aangetekende brief een kennisgeving van de aanrekening te doen. Dit gebeurt wel per gewone brief.
       Verder spreekt het voor zich dat eventuele overschotten worden terugbetaald, ook in geval van invordering via gerechtsdeurwaarder. Evenwel is pas sprake van een overschot indien alle openstaande schulden zijn betaald, dus ook diegene die niet in het dwangbevel werden opgenomen.
       Onderafdeling 3. - Onrechtstreekse vervolging
       Art. 3.10.3.3.1 en art. 3.10.3.3.2. Deze artikelen betreffen de regeling inzake het zogenaamde vereenvoudigd fiscaal derdenbeslag. Deze bepalingen zijn gebaseerd op het huidige artikel 164 en 165 KB/WIB (zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest). Er werden slechts enkele technische aanpassingen doorgevoerd :
       1° de ambtenaar daartoe door de Vlaamse Regering gemachtigd wordt vervangen door het bevoegde personeelslid;
       2° de boete wordt vervangen door de administratieve geldboete;
       3° voorheffingen worden geschrapt wegens niet van toepassing.
       Onderafdeling 4. - Vervolgingskosten
       Art. 3.10.3.4.1. Dit artikel is de letterlijke overname van artikel 172 KB/WIB.
       Art. 3.10.3.4.2. Dit artikel is gebaseerd op artikel 173 KB/WIB en artikel 12, § 2, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen.
       Artikel 173 KB/WIB luidt als volgt :
       "De vervolgingskosten vallen ten laste van de achterstallige belastingschuldigen.
       Die kosten komen volledig toe aan de instrumenterende deurwaarders die de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder hebben. Ze komen aan de Schatkist toe, voor vervolgingen die door deurwaarders van de directe belastingen zijn gedaan; de Minister van Financiėn is evenwel gemachtigd om een gedeelte daarvan aan die deurwaarders toe te kennen.
       In uitzonderlijke gevallen kan de ontvanger gemachtigd worden aan de instrumenterende deurwaarder de vervolgingskosten voor te schieten."
       Art. 12, § 2, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen luidt als volgt :
       "De invorderingskosten komen ten laste van de belastingplichtige. De kosten van invordering zijn de vervolgingskosten gemaakt met toepassing van artikel 40, § § 2 en 3 van het decreet."
       Er werden evenwel een aantal belangrijke aanpassingen doorgevoerd. Er wordt niet langer een onderscheid gemaakt tussen de `instrumenterende deurwaarders die de hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder' hebben en `deurwaarders van de directe belastingen' vermits de Vlaamse administratie enkel werkt met gerechtsdeurwaarders (en niet de figuur kennen van deurwaarders bij de directe belastingen). Er is dan ook niet langer voorzien dat de Vlaamse minister bevoegd voor de Financiėn een deel van de vervolgingskosten kan toekennen aan de deurwaarder. Bovendien worden aan de gerechtsdeurwaarder geen vervolgingskosten voorgeschoten.
       Art. 3.10.3.4.3. Dit artikel voorziet dat de door de gerechtsdeurwaarders gemaakte kosten die niet kunnen worden gerecupereerd worden betaald door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie. Evenwel worden een aantal kosten voorzien die niet worden aanvaard.
       De opsomming is gebaseerd op deze van artikel 174 KB/WIB.
       In het licht van de aanbeveling van de Raad van State wordt artikel 3.10.3.4.3 geherformuleerd en onderverdeeld in twee leden. In tegenstelling tot wat de Raad van State suggereert was het in de oorspronkelijk ontworpen bepaling niet alleen de bedoeling om aan te geven welke kosten niet bij de belastingschuldige kunnen worden gerecupereerd maar vooral ook welke kosten niet door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie worden terugbetaald (in geval van niet-recuperatie bij de belastingschuldige). Dit wordt op aangeven van de Raad van State verduidelijkt. Verder worden op aangeven van de Raad van State de woorden `onder meer' geschrapt.
       Onderafdeling 5. - Met vervolging belaste personen
       Art. 3.10.3.5.1. De bepalingen rond de met vervolging belaste personen worden geactualiseerd. Tot op heden was in de artikelen 168-171 KB/WIB sprake van `deurwaarders van de directe belastingen'. Belastingdeurwaarders bestaan al geruime tijd niet meer. Dat waren ambtenaren uit de schoot van het vroegere ministerie van financiėn die als deurwaarder optraden, maar dan specifiek voor de invordering van fiscale schulden.
       Binnen de Vlaamse Belastingdienst zijn er geen dergelijke deurwaarders. De Vlaamse Belastingdienst doet voor de gedwongen invordering immers beroep op de `gewone' gerechtsdeurwaarders (cf. Gerechtelijk Wetboek, Deel II, Boek IV - gerechtsdeurwaarders).
       Een en ander betekent dat de artikelen 168-171 KB/WIB eigenlijk niet meer relevant zijn en niet dienen te worden behouden in het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Voor het overige blijft artikel 167 KB/WIB relevant, zij het dat de toepassing ervan wordt beperkt tot de gerechtsdeurwaarders.
       De Raad van State merkt in zijn advies op dat de tuchtregeling van de gerechtsdeurwaarders een zaak is van de federale wetgever en dat de Vlaamse Regering zich in beginsel niet op dat terrein kan begeven. Daarom moet de zinsnede "en, desnoods, toepassing van de bij artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde tuchtstraffen" worden geschrapt.
       Afdeling 5. - Zekerheden
       Onderafdeling 1. - Waarborg
       Art. 3.10.5.1.1. tot en met 3.10.5.1.7. De tekst van deze artikelen is gebaseerd op art. 211, 213,214, 215, 217, 218 en 219 KB/WIB.
       In artikel 3.10.5.1.1 werd wel een actualisering doorgevoerd : waar in artikel 211 KB/WIB wordt verwezen naar goederen die het pand van het Vlaamse Gewest vormen en die gelegen zijn in Belgiė of in een land waarmede Belgiė een overeenkomst heeft gesloten tot regeling van de wederzijdse bijstand inzake de invordering van de belastingen waaraan de belanghebbende is onderworpen wordt nu ook verwezen naar die goederen gelegen in een land dat onder de toepassing valt van Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen.
       Artikel 212 KB/WIB wordt niet overgenomen want is gericht op inkomstenbelastingen.
       Artikel 216 KB/WIB wordt evenmin overgenomen. Het eerste lid heeft betrekking op aannemers. Een regeling betreffende het tweede en derde lid behoort niet de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest.
       HOOFDSTUK 12. - Verplichtingen van derden
       Afdeling 2. - Verplichtingen van kredietinstellingen of -inrichtingen
       Artikel 3.12.2.0.1 tot en met artikel 3.12.2.0.4. De artikelen 3.12.2.0.1 tot en met 3.12.2.0.4 bepalen de modaliteiten van de aanvraag van het attest en van het attest, vermeld in artikel 3.12.2.0.1. van de Vlaamse Codex Fiscaliteit.
       Artikel 3.12.2.0.1 is gebaseerd op artikel 221 KB/WIB en wordt van toepassing gemaakt voor alle belastingen. Er wordt evenwel niet langer vereist dat de aanvraag en het attest worden gesteld op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door de leidend ambtenaar van de bevoegde entiteit. Daarnaast worden de woorden "directeur-generaal van de directe belastingen" vervangen door de woorden "de leidend ambtenaar van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie".
       Artikel 3.12.2.0.2 is gebaseerd op artikel 222 KB/WIB en wordt van toepassing gemaakt voor alle belastingen. Er wordt enkel een legistieke aanpassing doorgevoerd.
       Artikel 3.12.2.0.3 is gebaseerd op artikel 223 KB/WIB en wordt van toepassing gemaakt voor alle belastingen. In het attest zullen enkel de ingekohierde en vervallen openstaande schulden worden opgenomen. Het begrip "eisbaar" wordt vervangen zodat ondubbelzinnig vaststaat dat enkel de ingekohierde belastingen waarvoor de betalingstermijn verstreken is kunnen worden vermeld in het attest. Daarnaast wordt ook een legistieke aanpassing doorgevoerd en worden de woorden "de in artikel 220 aangewezen ambtenaar" vervangen door de woorden "het bevoegde personeelslid".
       Artikel 3.12.2.0.4 is gebaseerd op artikel 224 KB/WIB en wordt van toepassing gemaakt voor alle belastingen. In het attest zullen enkel de ingekohierde en vervallen openstaande schulden worden opgenomen. Het begrip "eisbaar" wordt vervangen zodat ondubbelzinnig vaststaat dat enkel de ingekohierde belastingen waarvoor de betalingstermijn verstreken is kunnen worden vermeld in het attest. Er wordt een legistieke aanpassing doorgevoerd, de woorden "de in artikel 220 aangewezen ambtenaar" worden vervangen door de woorden "het bevoegde personeelslid" en de woorden "het bevoegde ontvangkantoor" worden vervangen door de woorden "de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie".
       De bepaling van artikel 220 KB/WIB is voor de Vlaamse administratie niet relevant, en kan derhalve geschrapt worden.
       Het bevoegde personeelslid is gedefinieerd in de codex zelf.
       HOOFDSTUK 13. - Onderzoek en controle
       Afdeling 2. - Controle ter plaatse
       Art. 3.13.2.0.1. Dit artikel verleent de bevoegdheid tot het opsporen van inbreuken en het vaststellen van processen-verbaal.
       Het artikel is gebaseerd op :
       1° Artikel 1 van het Koninklijk besluit van 9 januari 1995 ter uitvoering van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 :
       "De personeelsleden aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst, zijn bevoegd om over het grondgebied van het Vlaamse Gewest overtredingen op te sporen en om, zelfs alleen, de processen-verbaal over het eurovignet op te stellen, en om het ontdoken bedrag van het eurovignet, verhoogd met de administratieve boete, onmiddellijk te innen."
       2° Artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen.
       Art. 2 : "De controle op de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en hun uitvoeringsbesluiten wordt uitgeoefend door ambtenaren van de Vlaamse Belastingdienst die daartoe aangewezen worden door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst.
       De controleurs beschikken, tijdens opsporing van overtredingen, bij de afwikkeling ervan en bij het opstellen van processen-verbaal, over de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie."
       Artikel 2, 2e lid van dit laatst genoemde besluit wordt niet mee opgenomen gezien dit reeds werd overgenomen in artikel 3.13.2.0.3 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit.
       Art. 14/1, § 2 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen :
       "De personeelsleden, aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst, zijn bevoegd om over het grondgebied van het Vlaamse Gewest de overtredingen op te sporen en om, zelfs alleen, de processen-verbaal over de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen op te stellen.
       Die processen-verbaal, waarbij eventueel de schriftelijke uitleggingen van de overtreders worden gevoegd, worden opgesteld ten verzoeke van de Vlaamse minister bevoegd voor de financiėn, op vervolging en benaarstiging van het personeelslid aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst, domicilie kiezend in zijn kantoren, zij zijn vrijgesteld van bevestiging of visum en van betekening.
       De processen-verbaal worden toegezonden aan de personeelsleden die daartoe door de Vlaamse minister bevoegd voor de financiėn zijn aangewezen."
       Het tweede en derde lid van artikel 14/1, § 2 van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 houdende de algemene verordening betreffende de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen wordt geschrapt. Deze bepaling is niet langer relevant binnen de organisatie van de Vlaamse Belastingdienst, maar is toegespitst op de organisatie van de federale belastingadministratie. De opmaak van de processen-verbaal en de vormvereisten worden bepaald in artikel 3.13.2.0.4 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit.
       Art. 176 KB/WIB'92 "Onverminderd de bevoegdheden van de gerechtelijke officieren bij de parketten, zijn de ambtenaren van de administratie der directe belastingen, van de administratie der douane en accijnzen, van de administratie van het kadaster, de beėdigde gemeenteambtenaren, de rijkswacht, de gerechtelijke agenten bij de parketten, de speciale controleurs van de administratie van het vervoer en de leden van het toezichtspersoneel van het Hoog Comité van toezicht bevoegd om overtredingen op te sporen en om, zelfs alleen, processen-verbaal inzake directe belastingen op te stellen.
       Die processen-verbaal, waarbij eventueel de schriftelijke uitleg van de overtreders wordt gevoegd, worden opgesteld ten verzoeke van de Minister van Financiėn, op vervolging en benaarstiging van de directeur van de directe belastingen, domicilie kiezend in zijn kantoren; zij zijn van bevestiging of visum en van betekening vrijgesteld.
       De processen-verbaal worden toegezonden aan de ambtenaren die daartoe door de Minister van Financiėn zijn aangewezen."
       Het tweede en derde lid van artikel 176 KB/WIB'92 wordt geschrapt. Deze bepaling is niet langer relevant binnen de organisatie van de Vlaamse Belastingdienst, maar is toegespitst op de organisatie van de federale belastingadministratie. De opmaak van de processen-verbaal en de vormvereisten worden bepaald in artikel 3.13.2.0.4 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit.
       De verwijzing naar de andere categorieėn van personen die bevoegd zijn om op enige wijze controle op de naleving van de wetten uit te oefenen zoals aangeduid in het eerste lid, werd behouden. Evenwel werd de verwijzing naar deze categorieėn geactualiseerd. Zo spreken we niet meer over rijkswacht of de gerechtelijke agenten bij de parketten, maar wordt verwezen naar `andere officieren of agenten van gerechtelijke politie en aan de leden van het operationeel kader van de lokale en federale politie'. Daarnaast werden de categorieėn die niet langer in de praktijk enige controle uitoefenen geschrapt. Het betreft hier de ambtenaren van de administratie der directe belastingen, de beėdigde gemeenteambtenaren, de speciale controleurs van de administratie van het vervoer en de leden van het toezichtspersoneel van het Hoog Comité van toezicht.
       Bovenstaande artikelen werden samengevoegd tot één artikel gezien de gelijkaardige inhoud.
       De bevoegde personen om deze controletaken uit te oefenen worden aangeduid met de term `bevoegde personeelsleden'. Doorheen het WIB'92, het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en de uitvoeringsbesluiten worden verschillende termen door elkaar gebruikt om de persoon aan te duiden die bevoegd is om controle uit te oefenen op de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en het eurovignet (vb. verbalisant, controleur, agent van toezicht, personeelslid aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst). Teneinde dit te uniformiseren wordt voorgesteld om deze personen aan te duiden als zijnde `de bevoegde personeelsleden'.
       De Raad van State merkt op dat artikel 3.13.2.0.1 van de Codex op grond van de algemene uitvoeringsbevoegdheid van de Vlaamse Regering enkel nader kan worden uitgewerkt in zoverre de ontworpen bepaling betrekking heeft op de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling en het eurovignet.
       De ontworpen bepaling moet volgens de Raad van State daarom uitdrukkelijk worden beperkt tot die belastingen.
       Uit verder onderzoek is evenwel gebleken dat art. 3.17.0.0.1 VCF eveneens een rechtsgrond biedt aan de ontworpen bepalingen voor de overige belastingen. Teneinde ook op dit punt de nodige uniformiteit te behouden en gelet op het feit dat er in de VCF alsnog een rechtsgrond voor handen is, is het niet aangewezen de ontworpen bepaling te beperken tot de verkeersbelastingen in de ruime zin.
       Art. 3.13.2.0.2. Dit artikel betreft een uitvoeringsbepaling in toepassing van artikel 120 van het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. Dit artikel wordt verder uitgewerkt in het besluit van de administrateur-generaal van 24 november 2010 tot uitvoering van de oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen.
       Het toepassingsgebied van deze bepaling wordt uitgebreid naar alle belastingen gezien de bevoegde personeelsleden die specifieke controletaken uitoefenen steeds dienen te beschikken over de vereiste legitimatiekaart en dit ongeacht de aard van de belasting.
       Art. 3.13.2.0.3. Dit artikel is gebaseerd op artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen.
       De term `controleur' wordt vervangen door `het bevoegd personeelslid'. Doorheen het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en de uitvoeringsbesluiten worden verschillende termen door elkaar gebruikt om de persoon aan te duiden die bevoegd is om controle uit te oefenen op de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en het eurovignet (vb. verbalisant, controleur, agent van toezicht, personeelslid aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst). Teneinde dit te uniformiseren wordt voorgesteld om deze personen aan te duiden als zijnde `bevoegd personeelslid'.
       Daarnaast wordt de term `of diens aangestelde' uit de tekst geschrapt gezien de delegatie van bevoegdheden wordt geregeld bij een afzonderlijk delegatiebesluit.
       Ook het tweede lid van artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen wordt geschrapt. Een uitdrukkelijke verwijzing naar het delegatiebesluit is overbodig.
       Artikel 3.13.2.0.3. betreft een uitvoeringsbepaling in toepassing van artikel 120 van het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. Dit artikel wordt verder uitgewerkt in het besluit van de administrateur-generaal van 24 november 2010 tot uitvoering van de oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen.
       Deze bepaling wordt van toepassing gemaakt voor alle belastingen. De bevoegde personeelsleden die een bepaalde controletaak uitoefenen dienen steeds over een legitimatiekaart te beschikken en deze in de voorgeschreven gevallen onmiddellijk terug te bezorgen.
       Art. 3.13.2.0.4. Dit artikel is gebaseerd op artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2010 tot oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en houdende wijziging van diverse bepalingen.
       De term `controleurs' wordt vervangen door `bevoegde personeelsleden'. Doorheen het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en de uitvoeringsbesluiten worden verschillende termen door elkaar gebruikt om de persoon aan te duiden die bevoegd is om controle uit te oefenen op de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen en het eurovignet (vb. verbalisant, controleur, agent van toezicht, personeelslid aangewezen door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst). Teneinde dit te uniformiseren wordt voorgesteld om deze personen aan te duiden als zijnde `de bevoegde personeelsleden'.
       Ook de term `het intern verzelfstandigd agentschap de Vlaamse Belastingdienst' wordt vervangen door de term `de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie' teneinde doorheen de codex steeds dezelfde term te gebruiken om de belastingadministratie aan te duiden.
       Artikel 3.13.2.0.4. betreft een uitvoeringsbepaling in toepassing van artikel 120 van het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. Dit artikel wordt verder uitgewerkt in het besluit van de administrateur-generaal van 24 november 2010 tot uitvoering van de oprichting van een Vlaamse controle-instantie voor de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen.
       HOOFDSTUK 18. - Belastingverhogingen en administratieve geldboetes
       Art. 3.18.0.0.1. Dit artikel is gebaseerd op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet.
       De verwijzing naar de bepalingen van het wetboek van 23 november 1965 van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen werd vervangen door de overeenstemmende verwijzing naar de codex.
       Er werd echter nog een categorie D. toegevoegd. Daarbij wordt een boete opgelegd voor die gevallen waarbij het eurovignet minder dan een maand te laat wordt betaald. Zie infra bij de toelichting over de bijlage.
       Artikel 13 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen wordt niet overgenomen gezien artikel 40, § 1 van het decreet verkrottingsheffing woningen en gebouwen evenmin wordt overgenomen. Zodoende heeft het artikel niet langer rechtsgrond.
       TITEL 4. - Wijzigingsbepalingen
       Art. 4.1.0.0.1 tot en met 4.1.0.0.4. Het betreft de opheffing van de bepalingen uit het KB/WIGB die betrekking hebben op de inning van de verkeersbelasting en de belasting op de inverkeerstelling. Deze werden immers in dit besluit geļntegreerd. Op de suggestie van de Raad van State om de opheffing in te perken met de woorden "zoals van toepassing op de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling wat betreft het Vlaamse Gewest" wordt ingegaan.
       Artikel 14/1 van het KB/WIGB bepaalt de bevoegdheden inzake de controle op de naleving van de wetten op de verkeersbelastingen op het grondgebied van het Vlaamse Gewest. Daarnaast regelt artikel 14 van het KB/WIGB op welke wijze deze bevoegdheden buiten het grondgebied van het Vlaamse Gewest worden uitgeoefend.
       Dit heeft als gevolg dat een persoon die in Vlaanderen woont en die zich buiten het Vlaamse Gewest op het Belgisch grondgebied begeeft onderworpen kan worden aan een controle door de bevoegde instanties zoals opgesomd in artikel 14 van het KB/WIGB. Het Vlaamse Gewest heeft niet de bevoegdheid om de regels inzake de controle buiten haar grondgebied te regelen. Het betreft een federale bevoegdheid. Vandaar dat artikel 14 van het KB/WIGB dient behouden te blijven.
       Art. 4.2.0.0.1 tot en met 4.2.0.0.8. De definities uit artikel 1 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen blijven in dit BVR behouden, mits aanpassing van een kruisverwijzing naar de VCF.
       Ook artikel 2, 4, 5, 5bis, 6, 6bis, 7, 8, 9, 9bis, 9ter, 10, § 1, derde lid, 19bis en 20 blijven in het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen behouden omdat het niet-fiscale bepalingen betreft. Hetzelfde geldt voor de bijlagen van dat besluit.
       De problematiek, behandeld in artikel 3, § 1, § 2 en § 4, 12, § 3, 16, 18 eerste zin van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen, werd geļntegreerd in de VCF, zodat deze bepalingen niet langer in dit besluit moeten worden opgenomen.
       Artikel 3, § 3 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen wordt ook opgeheven omdat de rechtsgrond niet langer aanwezig is. Artikel 38 tweede lid van het oorspronkelijke leegstandsdecreet luidde als volgt : "De Vlaamse Regering, kan op aanvraag van de gemeente, de gemeenteontvanger en de gewestelijke ontvanger machtigen om, namens het Vlaamse Gewest, de heffing en de gemeentelijke opcentiemen te innen met betrekking tot de gebouwen en/of woningen die op het grondgebied van de gemeente zijn gelegen. In voorkomend geval dient de gemeenteontvanger of de gewestelijke ontvanger het bedrag van de heffing door te storten op de rekening van het Vlaamse Gewest ten laatste op het einde van de maand die volgt op de maand van de inning."
       Bij decreet van 24 december houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2005 (artikel 43) werd het tweede lid van artikel 38 evenwel opgeheven. Hierdoor zijn ook een aantal uitvoeringsbepalingen zonder voorwerp komen te vallen.
       Artikel 14 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen wordt niet overgenomen. De eerste zin van paragraaf 1 is decretaal geregeld; de tweede zin heeft geen toegevoegde waarde, want dit is een evidente mogelijkheid. Ook het eerste lid van paragraaf 2 kent reeds een decretale regeling en het tweede lid heeft geen rechtsgrond meer.
       Artikel 15 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen wordt opgeheven omdat deze bepaling integraal in dit besluit werd opgenomen.
       Artikel 18, tweede zin, van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen wordt opgeheven en niet overgenomen. De schorsing van de verjaringstermijn voor de duur van de opschorting van de heffing is niet zinvol omdat de betalingstermijn niet start wanneer een heffing is opgeschort, en bijgevolg ook niet de verjaring.
       De artikelen 19ter en 20 van het BVR verkrottingsheffing woningen en gebouwen worden evenmin overgenomen. Artikel 19ter geeft uitvoering aan artikel 44bis van het decreet verkrottingsheffing woningen en gebouwen, maar gezien dit artikel 44bis vernietigd werd door het Arbitragehof (bij arrest Arbitragehof nr. 180/2005, 7 december 2005 (B.S., 19 december 2005)), behoeft het geen uitvoering meer. Artikel 20 betrof een overgangsmaatregel en sloeg op een termijn die inmiddels reeds vele jaren voorbij is.
       Art. 4.3.0.0.1 en 4.3.0.0.2. Het betreft de opheffing van de in dit besluit geļntegreerde uitvoeringsbepalingen betreffende de leegstandheffing bedrijfsruimten.
       Artikel 1 t.e.m. 13 en 20 t.e.m. 31 blijven in het BVR leegstandsheffing bedrijfsruimten behouden omdat het niet-fiscale bepalingen betreft. Hetzelfde geldt voor de opheffings- en overgangsbepalingen.
       De problematiek, behandeld in artikel 15 van het BVR leegstandsheffing bedrijfsruimten, werd geļntegreerd in de VCF, zodat deze bepalingen niet in dit besluit moeten worden opgenomen.
       Artikel 18, 18bis, 18ter en 19 van dit besluit worden opgeheven omdat deze bepalingen integraal in dit besluit werden opgenomen.
       In artikel 31, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juli 1997 tot uitvoering van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, dient een verwijzing aangepast te worden aan de bepalingen van de VCF.
       Art. 4.4.0.0.1. Deze bepaling beoogt een oplossing te bieden voor kruisverwijzingen naar opgeheven bepalingen. Concordantietabel 1 van bijlage 2 geeft in deze gevallen aan op welke manier de opgeheven bepaling moet worden gelezen.
       Bepalingen uit vroegere regelgeving waarvoor geen corresponderende bepalingen bestaan in dit besluit worden niet in de concordantietabel vermeld. Hetzelfde geldt voor bepalingen in het besluit die geen corresponderende bepalingen kennen in de vroegere regelgeving.
       TITEL 7. - Inwerkingtredings- en uitvoeringsbepalingen
       Art. 7.0.0.0.1. Dit artikel regelt de inwerkingtreding, en is afgestemd op de inwerkingtreding van de VCF zelf.
       De Raad van State merkt op dat de inwerkingtreding van het te nemen besluit dient te worden afgestemd op de inwerkingtreding van de Codex. De inwerkingtredingsbepaling werd in die zin aangepast.
       Bijlage 1 - belastingverhogingen van toepassing inzake inbreuken tegen titel 2, hoofdstuk 4 met betrekking tot het eurovignet.
       De schaal van de belastingverhogingen is gebaseerd op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet. Evenwel werden enkele wijzigingen aangebracht :
       Boetecategorie A
       Schrapping van de soort overtreding `vervanging van een voertuig (onder een andere nummerplaat) zonder regularisatie van het eurovignet' onder boetecategorie A.
       Er wordt niet langer voorzien in deze specifieke overtreding. Deze bepaling kende amper toepassing omwille van de vele interpretatieproblemen. Zo is het voor een belastingplichtige met een groot wagenpark moeilijk om aan te tonen wanneer er sprake is van vervanging van een voertuig.
       Daarnaast is het ook niet te verantwoorden dat enkel in de gevallen van vervanging van een voertuig A door B waarbij een andere nummerplaat verkregen wordt een boete van eenmaal het niet betaalde bedrag wordt opgelegd wegens het niet hebben van een eurovignet.
       In geval van aankoop van een nieuw voertuig dat geen oud voertuig vervangt of in geval van vervanging van een voertuig waarbij eenzelfde nummerplaat behouden blijft wordt een boete van tweemaal het niet betaalde bedrag opgelegd wegens het niet hebben van een eurovignet. Dit verschil in behandeling wordt rechtgezet en er wordt een eenvormig systeem opgezet waarbij in alle bovenstaande situaties een boete wordt opgelegd wegens het niet hebben van een eurovignet.
       Invoeging van boetecategorie D
       - Eerste lid :
       Het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2011 tot vaststelling van de schalen van de administratieve boete inzake eurovignet voorziet niet in een boete voor de gevallen waarin een persoon minder dan een maand te laat heeft betaald.
       Voor de invoering van het besluit van de Vlaamse Regering voorzag artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 19 december 2001 ter uitvoering van de artikelen 8, 12 en 13, van de wet van 27 december 1994 tot goedkeuring van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de Regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet, overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993 in een boete van 250 euro wegens `andere inbreuken'.
       Deze boete werd toegepast indien een belastingplichtige zijn eurovignet minder dan een maand te laat had betaald (indien meer dan een maand te laat betaald werd in een zwaardere boete voorzien).
       Bij de invoering van het besluit van de Vlaamse Regering oordeelde de Raad van State dat de term `andere inbreuken' te algemeen was en niet mocht worden opgenomen in het boetebesluit van de Vlaamse Regering. Hierdoor is ongewild de bestraffing van de personen die minder dan een maand te laat hun eurovignet hebben betaald weggevallen.
       Via dit ontwerp van besluit wordt er aan de tabel tot vaststelling van de boeteschalen een categorie D. toegevoegd waarbij ten aanzien van belastingplichtigen wiens eurovignet minder dan een maand is vervallen een boete van 250 euro wordt opgelegd.
       - Tweede lid :
       In geval van diefstal, verlies of vervanging van een kentekenplaat zal de inschrijving in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid (hierna DIV) verbonden aan deze kentekenplaat worden geschrapt. Indien met betrekking tot datzelfde voertuig voor dezelfde belastingplichtige een nieuwe kentekenplaat wordt afgeleverd door de DIV, dan is de lopende aangifte eurovignet met betrekking tot de vorige kentekenplaat niet langer geldig. De belastingplichtige dient een nieuwe aangifte eurovignet te doen. Indien de belastingplichtige dit niet deed zal normaliter een boete worden opgelegd van categorie B wegens het niet hebben van een eurovignet. Gelet evenwel op de specifieke situatie (zoals bijvoorbeeld diefstal, verlies of vervanging van een kentekenplaat) zal een minder zware boete worden opgelegd mits de drie in het besluit opgesomde voorwaarden cumulatief zijn voldaan :
       - het gaat enkel om de gevallen waarbij de overtreding werd vastgesteld binnen de twee maanden volgend op de schrapping bij de DIV van de oude kentekenplaat. Ingevolge een schrapping van een kentekenplaat zal het eurovignet automatisch worden stopgezet.
       De belastingplichtige krijgt hiervan melding zodat hij weet dat zijn oude eurovignet niet langer geldig is en dat een nieuwe aangifte vereist is. De administratieve verwerking van de schrapping van het eurovignet naar aanleiding van de schrapping bij de DIV kan tot twee maanden in beslag nemen. In die tussentijd zal een mildere boete worden gehandhaafd.
       - deze boete wordt opgelegd voor zover de belastingplichtige ten tijde van de schrapping van de vorige kentekenplaat over een geldig eurovignet beschikte.
       - daarnaast is wel vereist dat de belastingplichtige zijn aangifte eurovignet binnen de 30 dagen volgend op de vaststelling van de overtreding op basis van de nieuwe kentekenplaat in orde brengt.
       
       RAAD VAN STATE
       Afdeling Wetgeving
       Advies 54.433/3 van 16 december 2013 over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering 'houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit'
       Op 6 november 2013 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vlaamse minister van Financiėn, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport verzocht binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot 16 december 2013, een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering 'houdende de uitvoering van de Vlaamse Codex Fiscaliteit'.
       Het ontwerp is door de derde kamer onderzocht op 3 december 2013.
       De kamer was samengesteld uit Jo BAERT, kamervoorzitter, Jan SMETS en Jeroen VAN NIEUWENHOVE staatsraden, Lieven DENYS en Johan PUT, assessoren, en Marleen VERSCHRAEGHEN, toegevoegd griffier.
       Het verslag is uitgebracht door Kristine Bams, eerste auditeur.
       Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 16 december 2013.
       1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan (1).
       STREKKING VAN HET ONTWERP
       2. Het om advies voorgelegde ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering strekt ertoe om de uitvoering te regelen van de "Vlaamse Codex Fiscaliteit" (hierna : Codex), die is vastgesteld bij het decreet `houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit'. (2) Het gaat in hoofdzaak om het in één corpus samenbrengen van de bepalingen van de besluiten die zullen worden opgeheven (artikel 5.0.0.0.1 van het ontwerp). Zowel voor de Codex als voor dit uitvoeringsbesluit - met als citeertitel : "besluit Vlaamse Codex Fiscaliteit", zie het artikel 6.0.0.0.1 van het ontwerp - gelden dezelfde uitgangspunten en doelstellingen, namelijk de Vlaamse fiscale regels samenbrengen, op mekaar afstemmen, ordenen en moderniseren.
       Net als de Codex zal het te nemen besluit in een eerste fase van toepassing zijn op de belastingen waarvan de Vlaamse Belastingdienst de inning reeds verzekert : de onroerende voorheffing, de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling, het eurovignet, de verkrottingsheffing woningen en gebouwen en de leegstandsheffing bedrijfsruimten. (3) Net als de Codex is ook het uitvoeringsbesluit zo geconcipieerd dat het later kan worden uitgebreid tot andere belastingen.
       3. Zoals de Codex is ook het voorliggende ontwerp opgedeeld in zeven titels. De eerste titel bevat de inleidende bepalingen, terwijl in titel 2 ("Belastingheffing") de materieelrechtelijke bepalingen zijn ondergebracht en in titel 3 ("Inning en invordering") de procedurebepalingen. De titels 4 en 5 groeperen respectievelijk de wijzigingsbepalingen en de opheffings- en overgangsbepalingen. Titel 6 legt de citeertitel van het uitvoeringsbesluit vast en titel 7 regelt de inwerkingtreding (titel 2 : vanaf het aanslagjaar 2014; de overige titels vanaf 1 januari 2014) en bevat de uitvoeringsbepaling.
       DRAAGWIJDTE VAN HET ONDERZOEK DOOR DE AFDELING WETGEVING
       4. Behoudens in geval van wijziging van de juridische context verleent de Raad van State, afdeling Wetgeving, in de regel geen nieuw advies over bepalingen die reeds eerder werden onderzocht of die zijn gewijzigd ten gevolge van in vroegere adviezen gemaakte opmerkingen. Met betrekking tot de desbetreffende bepalingen van het ontwerp waarvoor de context niet is gewijzigd, wordt in hoofdzaak verwezen naar de vroegere adviezen. Vooral de bepalingen die volledig nieuw zijn of die wijzigingen hebben ondergaan die niet het gevolg zijn van eerdere adviezen van de Raad van State, afdeling Wetgeving, zijn derhalve onderzocht en maken in de eerste plaats het voorwerp uit van dit advies.
       5. De concordantietabellen die als bijlage 2 bij het ontwerp zijn gevoegd, bevatten geen lijst van de bepalingen die niet in het uitvoeringsbesluit zijn opgenomen, zoals de wijzigingsbepalingen en de overgangsbepalingen die geen nut meer hebben, en evenmin worden de bepalingen opgelijst die geen pendant hebben in de huidige regelgeving. Dit maakt het zeer moeilijk om een volledig zicht te krijgen op alle rechtsgevolgen die het aannemen van het besluit zal hebben.
       ALGEMENE OPMERKINGEN
       6. Het ontwerp heeft dezelfde structuur en is op dezelfde - onorthodoxe - wijze genummerd als de Codex. Doch anders dan de Codex die slechts een tiental "blanco artikelen" bevat - daarmee zijn artikelen bedoeld waarbij slechts de vermelding "Voorbehouden voor toekomstig gebruik" voorkomt - (zie de artikelen 2.3.5.0.1, 2.4.5.0.1, 2.4.6.0.1, enzovoort), komt die vermelding veel voor in het ontwerp, wat verwarrend is voor de lezer en de vlotte raadpleging van de tekst aanzienlijk bemoeilijkt.
       7. In artikel 1.1.0.0.2, eerste lid, 8°, van de Codex wordt "entiteit van de Vlaamse administratie" omschreven als "een intern of extern verzelfstandigd agentschap of een departement als vermeld in het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003 en in de in uitvoering van dat decreet goedgekeurde oprichtingsbesluiten". Die definitie geldt automatisch ook voor het uitvoeringsbesluit.
       Het gegeven dat in het ontwerp telkens gewag wordt gemaakt van "de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie" (zie bv. het artikel 2.1.6.0.1, eerste lid, van het ontwerp), en niet wordt aangegeven om welke entiteit het precies gaat, komt de transparantie van de regelgeving niet ten goede.
       In het verslag aan de Vlaamse Regering wordt daarover gezegd dat de tekst bewust generiek is gemaakt met het oog op de uitbreiding van de ontworpen regeling met de regels inzake andere belastingen en dat "deze telkens via het instrumentarium van `Beter Bestuurlijk Beleid' eenduidig worden aangeduid in andere regelgeving".
       Het verdient echter aanbeveling om ter wille van de rechtszekerheid - de belastingplichtigen moeten bijvoorbeeld duidelijk weten welke ambtenaar of dienst bevoegdheid heeft om onderzoeksverrichtingen uit te voeren - voor elke belasting die door het ontworpen besluit geregeld wordt aan te geven welke de bevoegde entiteit is, namelijk de Vlaamse Belastingdienst. Die informatie zou bijvoorbeeld in een bijlage kunnen opgenomen worden.
       8. De gemachtigde heeft een aantal wijzigingen van de Codex aangekondigd. Enerzijds gaat het om een amendement op het programmadecreet 2014, neergelegd in de commissie voor Algemeen Beleid, Financiėn en Begroting van het Vlaams Parlement, en anderzijds om een ontwerpdecreet (4) uitgaande van de Vlaamse Regering, die beide zouden kunnen resulteren in een aanpassing van artikel 3.1.0.0.6 van de Codex, in welk geval artikel 3.1.0.0.3 van het ontwerp zal moeten worden bijgesteld. De afdeling Wetgeving van de Raad van State kan zich echter enkel uitspreken over de haar om advies voorgelegde tekst van artikel 3.1.0.0.3 van het ontworpen besluit en kan niet vooruitlopen op wat het Vlaams Parlement zal beslissen. Indien de betrokken bepaling van het ontwerp naar aanleiding van de wijziging van de Codex dient te worden aangepast, zal de ontworpen wijziging alsnog om advies moeten worden voorgelegd.
       BEVOEGDHEID
       9. De manier waarop in het ontwerp wordt verwezen naar federale regels (het woord "Overeenkomstig", gevolgd door het artikel waarnaar verwezen wordt) kan in beginsel worden aanvaard. De wijze waarop dit gebeurt in de artikelen 2.4.7.0.1 en 2.4.7.0.2 van het ontwerp, in verband met de wijze van heffing van het eurovignet, is echter in strijd met de bevoegdheidsverdeling.
       Terwijl er in artikel 2.4.7.0.1 aan wordt herinnerd dat de regels tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is, federaal zijn bepaald bij artikel 1 (5) van het Koninklijk besluit van 8 september 1997 `tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is', wordt in dat artikel ook verder gegaan, door te verwijzen naar artikel 2.4.7.0.2 en in dat laatste artikel die regels - trouwens ook die in verband met wegen die volledig buiten het Vlaamse Gewest vallen - opnieuw vast te stellen. Een dergelijke manier van werken kan niet worden aanvaard. Het artikel 2.4.7.0.2 van het ontwerp dient dan ook zonder meer weggelaten te worden.
       10. In het artikel 3.10.3.1.1 van het ontwerp wordt bepaald dat de onrechtstreekse vervolging "krachtens het bij de wet toegestane verhaal tegen derden [wordt] ingesteld" en in het artikel 3.10.3.1.2 van het ontwerp wordt gesteld dat de "wettelijke bepalingen betreffende de inhoud en de betekening van exploten (...) van toepassing zijn op de akten van gerechtelijke vervolgingen". Deze bepalingen behoren tot titel 3 ("Inning en invordering"), hoofdstuk 10 ("Invordering"), van het ontwerp.
       In het artikel 3.10.3.5.1, tweede lid, van het ontwerp wordt dan weer bepaald dat de gerechtsdeurwaarders voor de vervolgingen die zij op vraag van de belastingsadministratie doen, "geen aanspraak [mogen] maken op hogere of andere rechten of kosten dan die welke in artikel 3.10.3.4.1 vastgesteld zijn, op straffe van terugbetaling, schadevergoeding en, desnoods, toepassing van de bij artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde tuchtstraffen". Artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek handelt evenwel over specifieke tuchtstraffen ingeval een gerechtsdeurwaarder zichzelf rechtstreeks of onrechtstreeks de roerende goederen toewijst waarvan de verkoop hem is opgedragen : afzetting in geval van herhaling en voor de eerste overtreding schorsing gedurende drie maanden en een geldboete van "duizend frank" voor elk door hem gekocht voorwerp. (6)
       Het bevestigen bij besluit van de Vlaamse Regering van een federale wettelijke norm kan vanuit bevoegdheidsrechtelijk oogpunt niet worden aanvaard. (7) Bovendien lijkt het artikel 3.10.3.5.1, tweede lid, van het ontwerp ook in te houden dat de sancties bepaald bij artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek voor een specifiek geval, ook zouden gelden in het in de ontworpen bepaling geschetste geval. De tuchtregeling van de gerechtsdeurwaarders is evenwel zaak van de federale wetgever en op dat terrein kan de Vlaamse Regering zich in beginsel niet begeven.
       RECHTSGROND
       11. De rechtsgrond voor het ontworpen besluit wordt in hoofdzaak gevormd door tal van bepalingen van de Vlaamse Codex Fiscaliteit. Daarnaast wordt in de aanhef ook melding gemaakt van de algemene uitvoeringsbevoegdheid (artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 `tot hervorming der instellingen') en van artikel 5 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 `betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten' (hierna : bijzondere financieringswet).
       11.1. In artikel 5 van de bijzondere financieringswet kan geen rechtsgrond worden gevonden voor bepalingen van het ontwerp.
       11.2. Voor een aantal bepalingen van het ontwerp dient inderdaad een beroep te worden gedaan op artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, gelezen in samenhang met bepalingen van de Codex. Dat is het geval voor de artikelen 2.5.6.0.1, 3.3.1.0.2 en 3.13.2.0.2 en voor nog tal van andere bepalingen van het ontwerp.
       12. Voor artikel 3.13.2.0.1 van het ontwerp verwijst de gemachtigde naar de artikelen 3.13.2.0.1 en 3.1.0.0.1 van de Codex als rechtsgrond.
       Gelet op de redactie ervan kan artikel 3.13.2.0.1 van de Codex op grond van de algemene uitvoeringsbevoegdheid van de Vlaamse Regering evenwel enkel nader worden uitgewerkt in zoverre de ontworpen bepaling betrekking heeft op de verkeersbelasting, de belasting op de inverkeerstelling en het eurovignet.
       De gemachtigde heeft bevestigd dat in het artikel van het ontwerp enkel de verkeersbelastingen in de ruime zin van het woord zijn beoogd. Om dit tot uitdrukking te brengen wordt de ontworpen bepaling het best uitdrukkelijk beperkt tot die belastingen.
       ONDERZOEK VAN DE TEKST
       AANHEF
       13. Gelet op wat sub 11.1 is opgemerkt, dient het tweede lid van de aanhef te worden geschrapt.
       Artikel 2.1.6.0.1
       14. Op de vraag waarom hier "de belastingplichtige" wordt vermeld, terwijl in artikel 2.1.6.0.2 van de Codex gewag wordt gemaakt van "de belastingschuldige", antwoordde de gemachtigde het volgende :
       "In artikel 2.1.6.0.1, tweede lid van het BVCF wordt verwezen naar de identificatie van de `belastingplichtige' omdat dat diegene is op wiens naam de belasting is ingekohierd. In artikel 2.1.6.0.1, derde lid, BVCF moet daadwerkelijk de belastingschuldige vermeld worden, omdat hier (zoals in art. 2.1.6.0.2 VCF) wordt verwezen naar diegene bij wie de belasting wordt ingevorderd. In het derde lid moet de materiėle vergissing dus worden rechtgezet."
       Artikel 2.2.6.0.2
       15. In het licht van artikel 3.13.1.1.1 van de Codex, is niet duidelijk wat de toegevoegde waarde is van het bepaalde in artikel 2.2.6.0.2 van het ontwerp.
       Artikel 3.4.7.0.1
       16. Op de vraag of in artikel 3.4.7.0.1 van het ontwerp wordt verwezen naar artikel 3.4.7.0.5 van de Codex in zijn geheel, dan wel enkel naar paragraaf 1 ervan, antwoordde de gemachtigde het volgende :
       "Aangezien de op te heffen bepaling (art. 2 van het Koninklijk Besluit van 19 december 2001) verwijst naar artikel 12, § 2, van de EUV wet wordt hier enkel 3.4.7.0.5, § 1, bedoeld. Dit moet dan ook in die zin aangepast worden."
       Artikel 3.10.3.4.3
       17. In artikel 3.10.3.4.3 van het ontwerp wordt bepaald dat de vervolgingskosten die niet bij de belastingschuldigen kunnen worden gerecupereerd, gedragen worden door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie (lees : de Vlaamse Belastingdienst). Voorts bevat het artikel een opsomming van een aantal ("onder meer") kosten die "niet aanvaard" worden.
       De rechtszekerheid is niet gediend met het gebruik van de woorden "onder meer". Wellicht is het de bedoeling om eerst de algemene regel te formuleren (wat niet bij de belastingschuldigen gerecupereerd kan worden, wordt gedragen door de Vlaamse Belastingdienst) en in tweede instantie aan te geven welke kosten niet bij de belastingplichtigen gerecupereerd mogen worden. Indien dat effectief de bedoeling is, zou dit beter tot uiting moeten worden gebracht. Het verdient overigens aanbeveling om het artikel in twee leden onder te verdelen.
       Artikel 3.10.5.1.1
       18. Aan de gemachtigde is gevraagd of artikel 3.10.5.1.1 van het ontwerp in overeenstemming is met artikel 3.10.5.1.1 van de Codex, vermits in die bepaling van de Codex slechts melding wordt gemaakt van "goederen in Belgiė die het pand van het Vlaamse Gewest vormen", terwijl in de betrokken bepaling van het ontwerp in verband met de goederen die het pand van het Vlaamse Gewest vormen de voorwaarde voorkomt dat het moet gaan om goederen "die liggen in Belgiė of in een land waarmee Belgiė een overeenkomst heeft gesloten tot regeling van de wederzijdse bijstand inzake de invordering van de belastingen waaraan de belanghebbende is onderworpen of in een land dat onder de toepassing valt van Richtlijn 2010/24/EU".
       Daarover om toelichting verzocht, antwoordde de gemachtigde wat volgt :
       "Ons inziens is geen sprake van een tegenstrijdigheid. Eerst en vooral dient er op gewezen te worden dat ook in het huidige artikel 211 KB WIB (cf. art 3.10.5.1.1) goederen worden geviseerd die in het buitenland gelegen zijn, met name in landen waarmede Belgiė een overeenkomst heeft gesloten tot regeling van de wederzijdse bijstand inzake de invordering van de belastingen waaraan de belanghebbende is onderworpen. Aangezien er naast bilaterale verdragen nu ook een Europese Richtlijn is zou het onlogisch zijn daar niet naar te verwijzen.
       De mogelijkheid om een waarborg te nemen (WANNEER) hangt af van de venale waarde van de in Belgiė gelegen onroerende goederen die reeds het pand vormen van het Vlaamse Gewest (cf. art. 3.10.5.1.1 VCF).
       Bij de berekening van de waarborg (3.10.5.1.1 BVCF) (GROOTTE) dient wel rekening gehouden te worden met de nettoverkoopwaarde van de goederen die het pand van het Vlaamse Gewest vormen en die liggen in Belgiė of in een land waarmee Belgiė een overeenkomst heeft gesloten tot regeling van de wederzijdse bijstand inzake de invordering van de belastingen waaraan de belanghebbende is onderworpen of (in de ontworpen bepaling) in een land dat onder de toepassing valt van Richtlijn 2010/24/EU.
       Art. 3.10.5.1.3 BVCF bepaalt WELKE onroerende goederen als waarborg mogen worden gegeven. De onroerende goederen die als hypothecaire waarborg worden aangeboden, moeten in Belgiė liggen.
       Dat laatste sluit evenwel niet uit dat via de overeenkomst tot regeling van de wederzijdse bijstand of via de intussen omgezette Richtlijn 2010/24/EU wel reeds bv. een wettelijke hypotheek werd genomen in het buitenland."
       Met die zienswijze kan worden ingestemd.
       Artikelen 4.1.0.0.1 en 4.1.0.0.2
       19. Aan de gemachtigde is gevraagd voor welke belastingen de in de artikelen 4.1.0.0.1 en 4.1.0.0.2 van het ontwerp opgesomde bepalingen uit titel I ("Aan de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen gemene bepalingen") van het Koninklijk besluit van 8 juli 1970 worden opgeheven, gelet op het gegeven dat artikel 5.0.0.0.1, 2°, van de Codex enkel de opheffing van het Wetboek van de met de Inkomstenbelastingen Gelijkgestelde Belastingen betreft "zoals van toepassing op de verkeersbelasting op de autovoertuigen en de belasting op de inverkeerstelling wat betreft het Vlaamse Gewest".
       De gemachtigde antwoordde dat enkel de verkeersbelasting en de belasting op inverkeerstelling worden beoogd. Dat zou tot uiting moeten worden gebracht in de ontworpen opheffingsbepaling.
       Artikel 5.0.0.0.1
       20. Artikel 5.0.0.0.1, 1°, van het ontwerp strekt tot de opheffing van het Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 `tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992', "zoals van toepassing op de onroerende voorheffing voor wat betreft het Vlaamse Gewest".
       De artikelen of onderdelen ervan die worden opgeheven, zullen expliciet moeten worden opgesomd. Voor de burger is het, zeker in deze materie, immers moeilijk uit te maken voor welke van de bepalingen het Vlaamse Gewest bevoegd is en welke bepalingen dus worden opgeheven.
       Artikel 7.0.0.0.1
       21. De inwerkingtreding van het te nemen besluit dient te worden afgestemd op de inwerkingtreding van de Codex. Beide regelingen stemmen grotendeels overeen, maar er is geen rekening gehouden met de uitzonderingsregeling voor artikel 5.0.0.0.1, 2° en 3°, van de Codex die immers niet op 1 januari 2014 in werking treden.
       Bijlage 2
       22. De tweede bijlage die bij het ontwerp is gevoegd bevat twee concordantietabellen. Concordantietabel 1 geeft voor elk artikel van de oorspronkelijke teksten het daarmee overeenstemmende artikel van het ontwerp aan, terwijl in concordantietabel 2 kan worden nagekeken wat voor de verschillende artikels van het ontwerp het daarmee overeenstemmende artikel van de oorspronkelijke teksten is.
       In de concordantietabellen komen echter ook tabellen voor (namelijk de tabellen 1, 5, 8, 13, 15 in respectievelijk concordantietabel 1 en concordantietabel 2) waarin melding wordt gemaakt van wettelijke of decretale bepalingen. Het is niet duidelijk wat de bedoeling en het nut daarvan is.
       
       DE GRIFFIER
       M. VERSCHRAEGHEN.
       DE VOORZITTER,
       J. BAERT.
       
       ----------
       
       (1) Gelet op de toegemeten termijn (de adviesaanvraag dateert van 6 november 2013 en de adviestermijn is verlengd tot 16 december 2013, maar het Vlaams Parlement heeft de Vlaamse Codex Fiscaliteit pas op 4 december 2013 aangenomen) en op het gegeven dat nog tal van andere aan termijnen gebonden adviesaanvragen dienden te worden behandeld, heeft de Raad van State geen doorgedreven onderzoek van het ontwerp kunnen verrichten. Het advies dient met dit voorbehoud te worden gelezen.
       (2) Dit decreet is goedgekeurd door het Vlaams Parlement en ter bekrachtiging aan de Vlaamse Regering overgezonden, maar is op het moment dat dit advies wordt gegeven nog niet bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Voor zijn onderzoek heeft de afdeling Wetgeving zich gebaseerd op de ontwerptekst neergelegd door de Vlaamse Regering (Parl.St.Vl.Parl. 2013-14, nr. 2210/1, 279-366), die op 19 november 2013 ongewijzigd is aangenomen door de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement (Parl.St.Vl.Parl. 2013-14, nr. 2210/2, 7) en op 4 december 2013 door de plenaire vergadering (Hand. 4 december 2013; Parl.St.Vl.Parl. 2013-14, nr. 2210/3).
       (3) Uit het bij het ontwerp gevoegde verslag aan de Vlaamse Regering blijkt dat men er aan denkt om de regeling in een later stadium uit te breiden met de regelgeving inzake successie- en registratierechten en inzake de milieugerelateerde belastingen.
       (4) Voorontwerp van decreet `houdende invoering van een versnelde afbouw in de onroerende voorheffing van het belastbaar kadastraal inkomen van materieel en outillage ten gevolge van nieuwe investeringen', waarover de Raad van State, afdeling Wetgeving, op 28 oktober 2013 advies 54.211/3 heeft verstrekt (Parl.St.Vl.Parl. 2013-14, nr. 2296/1).
       (5) In het eerste artikel van het Koninklijk besluit van 8 september 1997 wordt verwezen naar de bijlage bij het besluit. Het is de lijst opgenomen in die bijlage, die wordt hernomen in het artikel 2.4.7.0.2 van het ontwerp.
       (6) In dit verband heeft de gemachtigde volgende toelichting verstrekt : "Het feit dat enkel verwezen wordt naar artikel 533 Ger.Wb. doet vanzelfsprekend geen afbreuk aan de toepasselijkheid van de overige tuchtsancties en de procedures dienaangaande. Bij wijze van voorbeeld werd er (ook reeds in het KB WIB) een verwijzing gemaakt naar artikel 533 W Ger. Wb., maar in feite zijn alle bepalingen van hoofdstuk VI van Boek IV het Gerechtelijk wetboek van toepassing. Het was geenszins de bedoeling, noch in het KB WIB, noch in de ontworpen bepaling van de BVCF, dat enkel de tuchtsanctie van artikel 533 Ger. Wb van toepassing zou zijn."
       (7) Nog afgezien van de vaststelling dat dit tot verwarring leidt met betrekking tot de precieze juridische aard van het voorschrift.
       

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Verslag aan de Koning Inhoudstafel 14 uitvoeringbesluiten 20 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie