21 DECEMBER 2022. - Wet houdende diverse fiscale bepalingen (1)
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamer van volksvertegenwoordigers
heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : TITEL 1. - ALGEMENE BEPALING Artikel
1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet. TITEL 2 - WIJZIGINGEN
BETREFFENDE DE INKOMSTENBELASTINGEN HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
1992 Art. 2. In artikel 7, § 1, 2°, bbis), van het Wetboek van de inkomstenbelasting
1992, vervangen bij de wet van 17 februari 2021, worden de woorden "of een gewestelijke huisvestingsmaatschappij
of een door haar of door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij
voor sociale huisvesting" ingevoegd tussen de woorden "rechtspersoon die geen vennootschap is" en de
woorden ", met het oog op het ter beschikking stellen ervan". Art. 3. In artikel 32/1 van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2021 en gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022, worden de
volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, worden de woorden "een
binnenlandse vennootschap, door een Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap of door een
in artikel 1:6, § 2, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde vereniging
met rechtspersoonlijkheid" vervangen door de woorden "een onderneming of vestiging van een onderneming
ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen"; 2° in paragraaf 2, eerste lid, 2°, worden
de woorden "van één of meer binnenlandse vennootschappen, van één of meer Belgische inrichtingen van
een buitenlandse vennootschap die tot dezelfde multinationale groep behoren, of van een in artikel 1:6,
§ 2, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde vereniging met rechtspersoonlijkheid"
vervangen door de woorden "aan één of meer ondernemingen of vestigingen van een onderneming ingeschreven
in de Kruispuntbank van Ondernemingen"; 3° paragraaf 3, eerste lid, 2°, wordt vervangen als
volgt: "2° van de paragraaf 2, eerste lid, 1° of 2°, bedoelde werkgever of vennootschap een
in België belastbare bezoldiging ontvangen hebben van meer dan 75.000 euro per kalenderjaar voor de prestaties
die de ingekomen belastingplichtige ten behoeve van de in paragraaf 2, eerste lid, 1° of 2°, bedoelde
werkgever of vennootschap levert en op de resultaten van die werkgever of vennootschap worden aangerekend,
met uitsluiting van de inkomsten die in aanmerking komen voor de in de artikelen 155 en 156 bedoelde
vermindering voor buitenlandse inkomsten;". Art. 4. In artikel 32/2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd
bij de wet van 27 december 2021 en gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022, worden de volgende wijzigingen
aangebracht: 1° in paragraaf 2, eerste lid, 1°, worden de woorden "binnenlandse vennootschap,
door een Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap of door een in artikel 1:6, §
2, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde vereniging met rechtspersoonlijkheid"
vervangen door de woorden "onderneming of vestiging van een onderneming ingeschreven in de Kruispuntbank
van Ondernemingen"; 2° in paragraaf 2, eerste lid, 2°, worden de woorden "van één of meerdere
binnenlandse vennootschappen, van één of meerdere Belgische inrichtingen van een buitenlandse vennootschap
die tot dezelfde multinationale groep behoren of van een in artikel 1:6, § 2, van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen bedoelde vereniging met rechtspersoonlijkheid" vervangen door de
woorden "aan één of meerdere ondernemingen of vestigingen van een onderneming ingeschreven in de Kruispuntbank
van Ondernemingen"; 3° in paragraaf 2, derde lid, 1°, worden de woorden "dat of een onderneming
die" vervangen door de woorden "of een bedrijfstak zoals bedoeld in artikel 12:11 van het Wetboek van
vennootschappen en verenigingen, van een onderneming waarvan sprake in het eerste lid, 1° en 2°, van
deze paragraaf, die in hoofdzaak". 4° in paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden "in België
geleverde prestaties" vervangen door de woorden "prestaties die de ingekomen onderzoeker ten behoeve
van de in paragraaf 2, eerste lid, 1° of 2°, bedoelde werkgever of vennootschap levert en op de resultaten
van die werkgever of vennootschap worden aangerekend, met uitsluiting van de inkomsten die in aan-merking
komen voor de in de artikelen 155 en 156 bedoelde vermindering voor buitenlandse inkomsten". Art.
5. In artikel 38, § 1, eerste lid, 13°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet
van 22 december 2003, worden de woorden "4,10 euro" vervangen door de woorden "6 euro". Art.
6. In artikel 38/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 2009 en laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 25 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 2
wordt aangevuld met een lid, luidende: "Onverminderd het eerste lid, 4°, kan de werknemer of
de bedrijfsleider die een elektronische maaltijdcheque heeft verkregen binnen de drie maanden na de vervaldatum
van de elektronische maaltijdcheque bij de uitgever ervan een eenmalige aanvraag doen tot reactivering
van de cheque. De gereactiveerde elektronische maaltijdcheque heeft een geldigheidsduur van drie maanden."; 2°
paragraaf 4 wordt aangevuld met een lid, luidende: "Onverminderd het eerste lid, 4°, kan de
werknemer of de bedrijfsleider die een eco-cheque heeft verkregen binnen de drie maanden na de vervaldatum
van de eco-cheque bij de uitgever ervan een eenmalige aanvraag doen tot reactivering van de cheque. De
gereactiveerde eco-cheque heeft een geldigheidsduur van drie maanden.". Art. 7. In artikel 46,
§ 1, tweede lid, van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 januari 2022,
worden de woorden "of een Europese langetermijnbeleggingsinstelling" vervangen door de worden ", een
Europese langetermijnbeleggingsinstelling of een bij de FOD Financiën op de lijst van de gespecialiseerde
vastgoedbeleggingsfondsen ingeschreven vennootschap". Art. 8. In artikel 47, § 7, van
hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 januari 2022, worden de woorden "door de Autoriteit
voor financiële Diensten en Markten erkende" ingevoegd tussen de woorden "waaraan een" en het woord "beleggingsvennootschap"
en worden de woorden "of een Europese langetermijnbeleggingsinstelling deelneemt" vervangen door de woorden
", een Europese langetermijnbeleggingsinstelling of een bij de FOD Financiën op de lijst van de gespecialiseerde
vastgoedbeleggingsfondsen ingeschreven vennootschap deelneemt". Art. 9. In artikel 57, van hetzelfde
wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 januari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1°
in het eerste lid worden de woorden "en een samenvattende opgave" opgeheven; 2° in het tweede
lid worden de woorden "en een samenvattende opgave" opgeheven; 3° in het vierde lid worden
de woorden "en een samenvattende opgave" opgeheven. Art. 10. In artikel 64quater, tweede lid,
vierde streepje, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 november 2021, worden de woorden
", eerste streepje," opgeheven. Art. 11. In artikel 90, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 26 april 2022, worden in de bepaling onder 1° ter de woorden "zoals gewijzigd
door het koninklijk besluit van 31 augustus 2022 tot wijziging van artikel 17 van het koninklijk besluit
van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van
28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders," ingevoegd tussen de woorden
"datzelfde artikel 17" en de woorden "geen sociale bijdragen verschuldigd zijn". Art. 12. In
artikel 134, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 13 december 2012 en gewijzigd bij de wetten
van 27 december 2012, 26 december 2015, 30 juni 2017, 25 december 2017 en 26 maart 2018, worden de volgende
wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 3, eerste lid, wordt de zin "Dit belastingkrediet
kan niet meer bedragen dan 250 euro per kind ten laste." opgeheven; 2° in paragraaf 3 worden
tussen het eerste en het tweede lid, dat het vierde lid wordt, twee leden ingevoegd, luidende: "Het
in het eerste lid bedoelde belastingkrediet kan niet meer bedragen dan: - 250 euro per kind
ten laste voor wie artikel 132bis niet wordt toegepast; - de helft van het in het eerste streepje
vermelde bedrag per kind voor wie artikel 132bis wordt toegepast. Voor de toepassing van het
tweede lid worden als gehandicapt aangemerkte kinderen voor twee gerekend."; 3° in paragraaf
4, eerste lid, worden in de bepaling onder 6° de woorden "250 euro per kind ten laste" vervangen door
de woorden "het overeenkomstig paragraaf 3, tweede en derde lid, bepaalde maximumbedrag"; 4°
in de Franse tekst van paragraaf 4, eerste lid, wordt in de bepaling onder 6° het woord "en-semble"
vervangen door het woord "ensemble"; 5° in paragraaf 4, tweede lid, worden in de bepaling onder
1° de woorden "de artikelen 132, eerste lid, 7° en 8°, en 133" vervangen door de woorden "artikel
132, eerste lid, 7° en 8° "; 6° in paragraaf 4, tweede lid, worden in de bepaling onder 2°
de woorden "per kind ten laste" opgeheven. Art. 13. In artikel 174/1, eerste lid, van hetzelfde
Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 25 december 2017 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5
juli 2022, worden de woorden "134, § 3, eerste lid, en § 4, eerste lid, 6°, " vervangen
door de woorden "134, § 3, tweede lid,". Art. 14. Artikel 180, eerste lid, 5° bis, van
hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014, wordt vervangen als volgt: "5°
bis het Participatiefonds - Vlaanderen, het Participatiefonds - Wallonië en het Participatiefonds - Brussel;". Art.
15. In artikel 185, § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet
van 27 juni 2021, worden in de Franstalige tekst de woorden "sont réduits" vervangen door de woorden
"est réduit". Art. 16. In artikel 194quater/1, § 2, 1°, van hetzelde wetboek, ingevoegd
bij de wet van 19 november 2020, worden de woorden "de Europese langetermijnbeleggingsinstellingen,"
ingevoegd tussen de woorden "de gereglementeerde vastgoedvennootschappen," en de woorden "alsmede de
organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende
het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.". Art. 17. In artikel 194septies/1,
§ 3, tweede lid, 1°, van hetzelde wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 juni 2020 en gewijzigd
bij de wet van 15 juli 2020, worden de woorden "de Europese langetermijnbeleggingsinstellingen," ingevoegd
tussen de woorden "de gereglementeerde vastgoedvennootschappen," en de woorden "alsmede de organismen
voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het
toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.". Art. 18. In artikel 203, §
2, zesde lid, inleidende zin, van hetzelde wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 december 2017 en gewijzigd
bij de wet van 21 januari 2022, worden de woorden "de door een Europese langetermijnbeleggingsinstelling
verleende of toegekende inkomsten" vervangen door de woorden "de door een bij de FOD Financiën op de
lijst van de gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen ingeschreven vennootschap of een door de Autoriteit
voor financiële Diensten en Markten erkende Europese langetermijnbeleggingsinstelling verleende of toegekende
inkomsten". Art. 19. In artikel 205, § 3, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden "artikel 207, vierde en vijfde lid," vervangen door
de woorden "artikel 207, negende en tiende lid,". Art. 20. In artikel 205octies, 3°, van hetzelfde
Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 januari 2022, worden de woorden "de beleggingsvennootschappen
met vast kapitaal (BEVAK) bedoeld in de artikelen 195 en 288 van de genoemde wet" vervangen door de woorden
"de beleggingsvennootschappen met vast kapitaal (BEVAK) bedoeld in de artikelen 195, 288 en 298 van de
genoemde wet van 19 april 2014". Art. 21. In artikel 206/1, tweede lid, 1°, van hetzelfde Wetboek,
ingevoegd bij de wet van 21 januari 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in
de bepaling onder c) worden de woorden "de artikelen 192 en 521" vervangen door de woorden "artikel 192"; 2°
de bepalingen onder m) en o) worden opgeheven. Art. 22. In artikel 215, derde lid, 6°, van
hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 januari 2022, worden de woorden "op de beleggingsvennootschappen
bedoeld in de artikelen 6 en 271/5 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve
belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor be-legging
inschuldvorderingen, de beleggingsvennootschappen bedoeld in de artikelen 181 en 282 van de wet van 19
april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders" vervangen
door de woorden "op de beleggingsvennootschappen bedoeld in de artikelen 6, 271/5 en 281/10 van de wet
van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden
van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging inschuldvorderingen, de beleggingsvennootschappen
bedoeld in de artikelen 181, 282, 288 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve
instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders". Art. 23. In artikel 216, 2°, b),
eerste streepje, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 januari 2022, worden
de woorden "of andere gewestelijke huisvestingsmaatschappijen," ingevoegd tussen de woorden "Vlaamse
Landmaatschappij" en de woorden "en de door hen of". Art. 24. In artikel 217, eerste lid, 1°,
tweede streepje, van hetzelfde Wetboek, laatstelijke gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de
woorden "door de Autoriteit voor financiële Diensten en Markten erkende" ingevoegd tussen de woorden
"in een" en het woord "beleggingsvennootschap" en worden de woorden "of in een gereglementeerde vastgoedvennootschap"
vervangen door de woorden ", gereglementeerde vastgoedvennootschap, Europese langetermijnbeleggingsinstelling
of in een bij de FOD Financiën op de lijst van de gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen ingeschreven
vennootschap". Art. 25. In artikel 219, eerste lid, van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 21 januari 2022, worden de woorden "en een samenvattende opgave" opgeheven. Art.
26. In artikel 223, eerste lid, 1°, van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 januari
2022, worden de woorden "en een samenvattende opgave" opgeheven. Art. 27. In artikel 234, eerste
lid, 4°, van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 januari 2022, worden de woorden
"en een samenvattende opgave" opgeheven. Art. 28. In artikel 242, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° er wordt
een paragraaf 1/1 ingevoegd, luidende: " § 1/1. De in artikel 104 vermelde bestedingen
zijn eveneens aftrekbaar van het totale bedrag van de in artikel 232 vermelde netto-inkomsten voor zover
en in de mate dat de belastingplichtige aan de hand van een inkomensverklaring van de belastingautoriteit
van zijn woonstaat aantoont dat hij en, desgevallend, de echtgenoot van de belastingplichtige die aftrek
in de woonstaat niet kan/kunnen genieten omwille van de geringe omvang van zijn, desgevallend hun, in
die staat belastbare inkomsten en die aftrek niet kan worden overgedragen naar een volgend belastbaar
tijdperk. De in het eerste lid bedoelde aftrek wordt enkel toegepast indien ook aan alle onderstaande
voorwaarden is voldaan: 1° de belastingplichtige is een inwoner van een lidstaat van de Europese
Economische Ruimte; 2° de in artikel 232 vermelde netto-inkomsten van de belastingplichtige
omvatten beroepsinkomsten; 3° de belastingplichtige behaalt niet het geheel of nagenoeg het
geheel van zijn beroepsinkomsten in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte. De
Koning legt de inhoud en de vorm van de in het eerste lid bedoelde inkomensverklaring vast."; 2°
in paragraaf 2, enig lid, worden de woorden "in § 1" vervangen door de woorden "in de paragrafen
1 en 1/1". Art. 29. In artikel 246, tweede lid, tweede streepje, van hetzelfde Wetboek, vervangen
bij de wet van 3 augustus 2016, worden de woorden "door de Autoriteit voor financiële Diensten en Markten
erkende" ingevoegd tussen de woorden "in een" en het woord "beleggingsvennootschap" en worden de woorden
"of in een gereglementeerde vastgoedvennootschap" vervangen door de woorden ", gereglementeerde vastgoedvennootschap,
Europese langetermijnbeleggingsinstelling of in een bij de FOD Financiën op de lijst van de gespecialiseerde
vastgoedbeleggingsfondsen ingeschreven vennootschap". Art. 30. In artikel 2755
van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 maart 2022, worden de volgende wijzigingen
aangebracht: 1° in paragraaf 1, achtste lid, worden de woorden "op voorwaarde dat zij het akkoord
hebben gekregen" vervangen door de woorden "op voorwaarde dat zij op de door de Koning bepaalde wijze
het akkoord hebben gekregen"; 2° in paragraaf 2, zevende lid, worden de woorden "op voorwaarde
dat zij het akkoord hebben gekregen" vervangen door de woorden "op voorwaarde dat zij op de door de Koning
bepaalde wijze het akkoord hebben gekregen"; 3° in paragraaf 4, zesde lid, worden de woorden
"op voorwaarde dat zij het akkoord hebben gekregen" vervangen door de woorden "op voorwaarde dat zij
op de door de Koning bepaalde wijze het akkoord hebben gekregen"; 4° in paragraaf 5, zesde
lid, worden de woorden "op voorwaarde dat zij het akkoord hebben gekregen" vervangen door de woorden
"op voorwaarde dat zij op de door de Koning bepaalde wijze het akkoord hebben gekregen". Art.
31. In artikel 289ter/1, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 29 juni 2011 en laatstelijk
gewijzigd bij de wet van 5 juli 2022, worden de woorden "530 euro" vervangen door de woorden "540 euro". Art.
32. In de wet van 27 juni 2021 houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18
september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking
van het gebruik van contanten, wordt artikel 86 vervangen als volgt: "Art. 86. In artikel 302,
van hetzelfde Wetboek, wordt het tweede lid, ingevoegd bij de wet van 17 juni 2013, vervangen als volgt: "In
afwijking van het vorige lid kan de belastingplichtige, mits hij een uitdrukkelijke verklaring in die
zin aflegt, er evenwel voor opteren om de aanslagbiljetten en de voorstellen van vereenvoudigde aangifte,
uitsluitend door middel van een procedure waarbij informaticatechnieken worden gebruikt, te ontvangen.
In dit geval geldt de aanbieding via dergelijke procedure als rechtsgeldige kennisgeving van het aanslagbiljet
en van het voorstel van vereenvoudigde aangifte. Wanneer het aanslagbiljet en het voorstel van vereenvoudigde
aangifte betrekking hebben op een gemeenschappelijke aanslag als bedoeld in artikel 126, § 1,
moeten beide belastingplichtigen zich uitdrukkelijk akkoord hebben verklaard.".". Art. 33. Artikel
521 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 december
2012, wordt opgeheven. Art. 34. In artikel 536 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd
bij de wet van 2 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het tweede lid
worden de woorden "tot 205/4" vervangen door de woorden "tot 205/5"; 2° in het vierde lid worden
de woorden "artikel 207, vierde en vijfde lid," vervangen door de woorden "artikel 207, negende en tiende
lid,". HOOFDSTUK 2. - Wijziging van artikel 44 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het
Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen Art. 35. In artikel
44, eerste lid, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid
1998 en houdende diverse bepalingen, worden de woorden "en samenvattende opgaven" opgeheven. HOOFDSTUK
3. - Wijziging van artikel 28 van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het
kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers Art.
36. In artikel 28, eerst lid, b), van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in
het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers, woorden
"en een samenvattende opgave opgeheven. HOOFDSTUK 4. - Wijziging van artikel 7 van de wet van
15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie (CORONA
III) Art. 37. Artikel 7 van de wet van 15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen
ten gevolge van de COVID-19-pandemie (CORONA III), gewijzigd bij de wet van 20 december 2020, wordt aangevuld
met een lid, luidende: "De werknemer kan binnen de drie maanden na de vervaldatum van de consumptiecheque
bij de uitgever ervan een eenmalige aanvraag doen tot reactivering van de cheque. De gereactiveerde consumptiecheque
heeft een geldigheidsduur van drie maanden. Aan de voorwaarden voor de vrijstelling van inkomstenbelastingen
van de consumptiecheque blijft in dat geval voldaan.". HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de artikelen
5 en 5/1 van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van
de COVID-19-pandemie Art. 38. In artikel 5 van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke
ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, gewijzigd bij de wet van 21 januari 2022,
wordt tussen het derde en het vierde lid, een lid ingevoegd, luidende: "Artikel 38/1, §
2, tweede lid, en § 4, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is eveneens
van toepassing op respectievelijk de maaltijdcheques en eco-cheques waarvan de geldigheidsduur overeenkomstig
dit artikel is verlengd.". Art. 39. Artikel 5/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27
juni 2021 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2021, wordt aangevuld met een lid, luidende: "Artikel
38/1, § 2, tweede lid, en § 4, tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
1992 is eveneens van toepassing op respectievelijk de maaltijdcheques en eco-cheques die overeenkomstig
het eerste lid zijn heruitgegeven.". HOOFDSTUK 6. - Wijziging van artikel 63 van de wet van
18 juli 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie Art.
40. Artikel 63 van de wet van 18 juli 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge
van de COVID-19-pandemie, gewijzigd bij de wet van 14 februari 2022, wordt aangevuld met een lid, luidende: "De
werknemer kan binnen de drie maanden na de vervaldatum van de coronapremie bij de uitgever ervan een
eenmalige aanvraag doen tot reactivering van de premie. De gereactiveerde premie heeft een geldigheidsduur
van drie maanden. Aan de voorwaarden voor de vrijstelling van inkomstenbelastingen van de coronapremie
blijft in dat geval voldaan.". HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de programmawet van 27 december
2021 Art. 41. In de programmawet van 27 december 2021, laatstelijk gewijzigd bij de wet van
12 juli 2022, wordt een artikel 17/2 ingevoegd, luidende: "Art. 17/2. § 1. Ingekomen
belastingplichtigen aangeworven door of ter beschikking gesteld aan een onderneming of een vestiging
van een onderneming ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen die niet reeds door artikel 32/1,
§ 2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het bestond voordat het
werd gewijzigd door artikel 3 van de wet van 21 december 2022 houdende diverse fiscale bepalingen, werd
beoogd en die aan alle andere voorwaarden van artikel 32/1 van hetzelfde Wetboek beantwoordde tussen
1 januari 2022 en 10 dagen na de publicatie van de Wet van 21 december 2022 houdende diverse fiscale
bepalingen in het Belgisch Staatsblad, kunnen alsnog een aanvraag tot het verkrijgen van het stelsel
indienen binnen een periode van drie maanden te rekenen vanaf 10 dagen na de publicatie van de voormelde
wet in het Belgisch Staatsblad. De toepassing van het stelsel zoals omschreven in artikel 32/1,
§ 7, van hetzelfde Wetboek, start retroactief op de datum van aankomst, ten vroegste op 1 januari
2022. § 2. Ingekomen onderzoekers aangeworven door of ter beschikking gesteld aan een
onderneming ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingendie niet reeds door artikel 32/2 §
2, eerst lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het bestoond voordat het werd gewijzigd
door artikel 4 van de wet van 21 december 2022 houdende diverse fiscale bepalingen, werd beoogd en die
aan alle andere voorwaarden van artikel 32/2 van hetzelfde Wetboek beantwoorde tussen 1 januari 2022
en 10 dagen na de publicatie van de Wet van 21 december 2022 houdende diverse fiscale bepalingen in het
Belgisch Staatsblad, kunnen alsnog een aanvraag tot het verkrijgen van het stelsel indienen binnen een
periode van drie maanden te rekenen vanaf 10 dagen na de publicatievan de voormelde wet in het Belgisch
Staatsblad. De termijn van het stelsel zoals omschreven in artikel 32/2, § 7 van hetzelfde
Wetboek, start retroactief op de datum van aankomst, ten vroegste op 1 januari 2022.". HOOFDSTUK
8. - Wijzigingen van de wet van 30 oktober 2022 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge
van de energiecrisis Art. 42. In titel 2 van de wet van 30 oktober 2022 houdende tijdelijke
ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de energiecrisis, wordt het opschrift "ENIG HOOFDSTUK - Uitstel
van de betaling inzake de inkomstenbelastingen en de bedrijfsvoorheffing" vervangen door het opschrift
"HOOFDSTUK 1 - Uitstel van de betaling inzake de inkomstenbelastingen en de bedrijfsvoorheffing". Art.
43. In titel 2 van dezelfde wet wordt een hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende "HOOFDSTUK 2 - Vrijstelling
van vergoedingen in het kader van steunmaatregelen die worden getroffen door de gewesten, gemeenschappen,
provincies of gemeenten in het kader van de energiecrisis". Art. 44. In titel 2, hoofdstuk 2,
van dezelfde wet, invoegd bij artikel 43, wordt een artikel 7/1 ingevoegd, luidende: "Art. 7/1.
In afwijking van de artikelen 24, eerste lid, 1°, 25, 6°, 27, tweede lid, 1° en 4°, 31, tweede lid,
4°, 32, tweede lid, 2°, 183 en 235, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden de vergoedingen
die overeenkomstig gewestelijke, gemeenschaps-, provinciale of gemeentelijke regelgeving worden toegekend
voor de economische gevolgen die belastingplichtigen ondervinden naar aanleiding van de energiecrisis,
vrijgesteld van inkomstenbelastingen. Het eerste lid is alleen van toepassing onder de volgende
voorwaarden: - de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, vormt geen directe of indirecte vergoeding
in ruil voor de levering van goederen of het verlenen van diensten; - in de regeling op grond
waarvan de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt verleend, is uitdrukkelijk bepaald dat deze vergoeding
wordt toegekend voor de economische gevolgen die belastingplichtigen ondervinden naar aanleiding van
de energiecrisis; - de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt betaald of toegekend tussen
1 juli 2022 en 31 december 2023. De in het eerste lid bedoelde vergoedingen worden vermeld op
de berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet inzake personenbelasting van de genieter. In
afwijking van de artikelen 49, 183 en 235 van hetzelfde Wetboek, wordt het deel van de vergoedingen dat
voorheen overeenkomstig het eerste lid definitief van inkomstenbelastingen werd vrijgesteld en dat wordt
terugbetaald ten gunste van het betrokken gewest, de betrokken gemeenschap, provincie of gemeente, niet
als een aftrekbare beroepskost aangemerkt.". Art. 45. In titel 2, hoofdstuk 2, van dezelfde
wet, invoegd bij artikel 43, wordt een artikel 7/2 ingevoegd, luidende: "Art. 7/2. Dit hoofdstuk
heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2022.". HOOFDSTUK 9. - Inwerkingtredingen Art.
46. De artikelen 2 tot 4, 23 en 41 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2022. De artikelen
6 en 38 tot 40 hebben uitwerking met ingang van 1 december 2022. De artikelen 5, 9, 25 tot 27,
35 en 36 treden in werking op 1 januari 2023. Artikel 11 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober
2022. De artikelen 12, 13, 28 en 31 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2023. Artikel
30 is van toepassing op de bezoldigingen die worden betaald of toegekend vanaf de eerste dag van de maand
die volgt op de maand waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. De artikelen
42 tot 45 hebben uitwerking met ingang van 1 juli 2022. TITEL 3. - WIJZIGINGEN BETREFFENDE ACCIJNZEN HOOFDSTUK
1. - Algemene bepalingen Art. 47. Hoofdstuk 5 van deze titel voorziet in een gedeeltelijke omzetting
van Richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur
van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken en van Richtlijn (EU) 2020/1151 van de Raad van
29 juli 2020 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende
dranken. Art. 48. Hoofdstuk 6 van deze titel voorziet in een gedeeltelijke omzetting van de
Richtlijn (EU) 2020/262 van 19 december 2019 van de Raad houdende een algemene regeling inzake accijns
(herschikking). HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de programmawet van 27 december 2004 en opheffing
van het koninklijk besluit van 6 september 2022 tot voorlopige wijziging van artikel 420, § 3,
1° van de programmawet van 27 december 2004 Art. 49. In artikel 420 van de programmawet van
27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de wet houdende diverse fiscale en financiële bepalingen
van 20 november 2022, wordt paragraaf 3, 1° vervangen als volgt: "1° De tarieven van de bijzondere
accijns vastgesteld bij artikel 419, b) en c), voor ongelode benzine van de GN-codes 2710 11 41, 2710
11 45 en 2710 11 49 en vastgesteld bij artikel 419, e) i) en f) i), voor gasolie van de GN-codes 2710
19 41, 2710 19 45 en 2710 19 49 verhogen in de periode vanaf de inwerkingtreding van het koninklijk besluit
van 16 maart 2022 tot voorlopige wijziging van artikel 419, b), c), e) i) en f) i), artikel 420, §
3 en artikel 429, § 5, 1) van de programmawet van 27 december 2004, tot en met 31 december 2022,
tot maximaal het niveau van de bijzondere accijns zoals van toepassing op 1 januari 2022 en dit overeenkomstig
de procedure zoals hierna bepaald: De bijzondere accijns zal worden verhoogd vanaf de eerste
en bij elke bijkomende vermindering van de maximumprijs vastgesteld door de programmaovereenkomst betreffende
de verkoopprijzen van de aardolieproducten afgesloten tussen de Belgische Staat en de petroleumsector,
op voorwaarde dat de eerste vermindering leidt tot een maximumprijs van de richtproducten vermeld in
de programmaovereenkomst lager dan 1,70 euro per liter respectievelijk voor de ongelode benzine of voor
de gasolie, telkens rekening houdend met het feit dat de verhoging van de bijzondere accijns slechts
de helft van de verlaging van het maximum van de prijs exclusief btw van de richtproducten vermeld in
de programmaovereenkomst mag bedragen, waarbij de verhoging er niet toe mag leiden dat het tarief van
de bijzondere accijns zoals vastgesteld op 1 januari 2022 wordt overschreden. Op 1 januari 2023
wordt de bijzondere accijns opnieuw vastgesteld op het niveau zoals van toepassing op 1 januari 2022. Naar
aanleiding van elke verlaging van de maximumprijs die een verhoging van de bijzondere accijns tot gevolg
heeft, publiceert de minister bevoegd voor Financiën een officieel bericht in het Belgisch Staatsblad
dat het bedrag van de maximumprijs exclusief btw, het nieuwe tarief van de bijzondere accijns en de datum
van inwerkingtreding vermeldt.". Art. 50. Het koninklijk besluit van 6 september 2022 tot voorlopige
wijziging van artikel 420, § 3, 1° van de programmawet van 27 december 2004 wordt opgeheven. Art.
51. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 28 september 2022. HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen
van de programmawet van 27 december 2004 Art. 52. In artikel 420, § 3, 1° van de programmawet
van 27 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 20 november houdende diverse fiscale en financiële
bepalingen worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden de woorden
"tot en met 31 december 2022" vervangen door de woorden "tot en met 31 maart 2023"; 2° in het
derde lid worden de woorden "Op 1 januari 2023" vervangen door de woorden "Op 1 april 2023". Art.
53. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2023. HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet
van 25 november 2021 houdende fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit Art. 54. In artikel
22 van de wet van 25 november 2021 houdende fiscale en sociale vergroening van de mobiliteit worden de
woorden "een bedrag dat wordt vastgesteld als volgt" vervangen door de woorden "het bedrag dat 181,9037
euro per 1.000 liter bij 15 ° C overschrijdt. Deze gedeeltelijke vrijstelling van de bijzondere accijns
is evenwel beperkt tot maximum:". Art. 55. Dit hoofdstuk treedt in werking op 31 december 2022. HOOFDSTUK
5. - Wijzigingen van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol
en alcoholhoudende dranken Art. 56. In de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en
de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken wordt een artikel 18/1 ingevoegd, luidende: "Art.
18/1. § 1. Elke persoon die volledig gedenatureerde ethylalcohol verzendt naar een andere lidstaat
of ontvangt vanuit een andere lidstaat bij toepassing van artikel 18, 1°, is gehouden over respectievelijk
een vergunning "(tijdelijk) gecertificeerde afzender" of "(tijdelijk) gecertificeerde geadresseerde"
te beschikken overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 5 van de wet van 22 december 2009 betreffende
de algemene regeling inzake accijnzen. § 2. Elke persoon die volledig gedenatureerde
ethylalcohol ontvangt van een Belgische leverancier en deze verhandelt binnen België is gehouden over
een vergunning "ethylalcohol en alcoholhoudende dranken - eindgebruiker" te beschikken. §
3. Elke persoon die volgens Belgische normen gedenatureerde ethylalcohol of alcoholhoudende dranken
gebruikt met vrijstelling van accijnzen bij toepassing van artikel 18, 7°, a), is gehouden over een
vergunning "ethylalcohol en alcoholhoudende dranken - tester" te beschikken. § 4. Elke
persoon die volgens Belgische normen gedenatureerde ethylalcohol of alcoholhoudende dranken gebruikt
met vrijstelling van accijnzen bij toepassing van artikel 18, 7°, b), is gehouden over een vergunning
"ethylalcohol en alcoholhoudende dranken - gebruiker - wetenschappelijk onderzoek" te beschikken.
§ 5. Elke persoon die volgens Belgische normen gedenatureerde ethylalcohol of alcoholhoudende
dranken gebruikt met vrijstelling van accijnzen bij toepassing van artikel 18, 7°, c), is gehouden over
een vergunning "ethylalcohol en alcoholhoudende dranken - gebruiker - medische sector" te beschikken.
§ 6. Elke persoon die volgens Belgische normen gedenatureerde ethylalcohol of alcoholhoudende
dranken gebruikt met vrijstelling van accijnzen bij toepassing van artikel 18, 7°, d), is gehouden over
een vergunning "ethylalcohol en alcoholhoudende dranken - gebruiker - productieprocessen" te beschikken.". Art.
57. Artikel 22 van dezelfde wet, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met
een paragraaf 2, luidende: " § 2. Bij toepassing van paragraaf 1 is elke persoon gehouden
over een vergunning "ethylalcohol en alcoholhoudende dranken - verwerker" te beschikken.". Art.
58. Artikel 23 van dezelfde wet, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met
een paragraaf 2, luidende: " § 2. Elke persoon die handel drijft in ethylalcohol of
alcoholhoudende dranken die reeds werden uitgeslagen tot verbruik in België, en die niet de hoedanigheid
van erkend entrepothouder, geregistreerde geadresseerde, tijdelijke geregistreerde geadresseerde of geregistreerde
afzender bezit, is gehouden over een vergunning "ethylalcohol en alcoholhoudende dranken - handelaar"
te beschikken.". Art. 59. Dit hoofdstuk treedt in werking op 13 februari 2023. HOOFDSTUK
6. - Wijzigingen van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen Art.
60. In artikel 22, § 1, van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake
accijnzen worden de woorden "19, 20 en 21" vervangen door de woorden "19, 20, 21 en 36/1", en worden
de woorden ", gecertificeerde afzender en gecertificeerde geadresseerde" ingevoegd tussen de woorden
"geregistreerde afzender en geregistreerde geadresseerde" en de woorden "moeten schriftelijk gebeuren". Art.
61. Dit hoofdstuk treedt in werking op 13 februari 2023. TITEL 4. - WIJZIGINGEN BETREFFENDE
DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling Art. 62. Hoofdstuk
2 van deze titel voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28
november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. HOOFDSTUK
2. - Vrijstelling voor bepaalde handelingen verricht naar aanleiding van manifestaties bestemd om bepaalde
vrijgestelde organisaties financieel te ondersteunen Art. 63. In de Franse tekst van artikel
44, § 2, 12°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de
wet van 30 juli 2018, worden de woorden "à l'occasion de manifestations" ingevoegd tussen de woorden
"et 11° " en het woord "destinées". HOOFDSTUK 3. - Verlenging van het verlaagd tarief voor leveringen
van elektriciteit in het kader van residentiële contracten, van aardgas en van warmte via warmtenetten Art.
64. In artikel 1bis van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven
van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven,
ingevoegd bij het koninklijk besluit van 29 december 1992, hersteld bij het koninklijk besluit van 21
maart 2014, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 februari 2022 en laatstelijk gewijzigd bij het
koninklijk besluit van 27 juni 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de woorden
"31 december 2022" worden telkens vervangen door de woorden "31 maart 2023"; 2° de woorden
"1 januari 2023" worden telkens vervangen door de woorden "1 april 2023". Art. 65. In artikel
1bis/1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 23 maart 2022 en vervangen bij
het koninklijk besluit van 27 juni 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de
woorden "31 december 2022" worden telkens vervangen door de woorden "31 maart 2023"; 2° de
woorden "1 januari 2023" worden telkens vervangen door de woorden "1 april 2023". HOOFDSTUK
4. - Huisvesting in het kader van het sociale beleid Art. 66. In artikel 1quater van hetzelfde
besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 1 december 1995, hersteld bij het koninklijk besluit
van 10 februari 2009, vervangen bij de programmawet van 20 december 2020 en gewijzigd bij het koninklijk
besluit van 27 maart 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 2, tweede
lid, wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt: "1° de handelingen hebben betrekking
op een gebouw dat, na de uitvoering van de werken, door de bouwheer als woning wordt verhuurd aan een
sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende
maatschappij voor sociale huisvesting of dat als woning wordt verhuurd in het kader van een door de bouwheer
aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid
erkende maatschappij voor sociale huisvesting toegekend beheersmandaat;"; 2° in paragraaf 2,
tweede lid, 2°, wordt de bepaling onder a) vervangen als volgt: "a) verstuurt vóór het tijdstip
waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Wetboek,
een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister van Financiën of zijn gemachtigde.
Deze verklaring vermeldt dat het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten bedoeld is om gedurende
een periode van ten minste vijftien jaar aan of door bemiddeling van een sociaal verhuurkantoor dan wel
aan of door bemiddeling van een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij
voor sociale huisvesting te verhuren als woning en is vergezeld van een afschrift van: - de
omgevingsvergunning; - het (de) aannemingscontract(en);"; 3° in paragraaf 3, tweede
lid, 1°, wordt de bepaling onder b) vervangen als volgt: "b) hetzij door de verkrijger aan
een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid
erkende maatschappij voor sociale huisvesting wordt verhuurd of wordt verhuurd in het kader van een door
de verkrijger aan hen toegekend beheersmandaat;"; 4° in paragraaf 3, tweede lid, 2°, wordt
de bepaling onder a) vervangen als volgt: "a) verstuurt vóór het tijdstip waarop de belasting
opeisbaar wordt overeenkomstig artikel 17, § 1, van het Wetboek, of, in geval van een verkoop
op plan, vóór het tijdstip waarop het belastbaar feit zich voordoet overeenkomstig artikel 16, §
1, eerste lid, van het Wetboek, een verklaring aan het elektronisch adres aangeduid door de minister
van Financiën of zijn gemachtigde. Deze verklaring, medeondertekend door de verkrijger van het gebouw,
vermeldt dat het gebouw dat de leverancier heeft laten afbreken en heroprichten en het voorwerp uitmaakt
van een handeling bedoeld in het eerste lid, bedoeld is om hetzij, als enige woning en hoofdzakelijk
als eigen woning in de zin van artikel 5/5, § 4, tweede tot achtste lid, van de bijzondere wet
van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten te worden gebruikt
door de verkrijger-natuurlijke persoon die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben waarbij die woning
een totale bewoonbare oppervlakte zal hebben van niet meer dan 200 m2, hetzij om door
de verkrijger aan een sociaal verhuurkantoor dan wel aan een door de bevoegde overheid inzake sociaal
huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting te worden verhuurd of te worden verhuurd
in het kader van een aan hen toegekend beheersmandaat, en is vergezeld van een afschrift van: -
de omgevingsvergunning; - het (de) aannemingscontract(en) met betrekking tot de afbraak van
het gebouw en de heropbouw van de woning; - het compromis of de authentieke akte met betrekking
tot de in het eerste lid bedoelde handeling;"; 5° in paragraaf 5 wordt het eerste lid vervangen
als volgt: " § 5. De voorwaarden bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, en paragraaf
3, tweede lid, 1°, b), blijven vervuld gedurende een periode die ten vroegste eindigt op 31 december
van het vijftiende jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of eerste inbezitneming van
de woning. Deze minimumverhuurtermijn wordt, al naargelang het geval, vastgelegd in de met het sociaal
verhuurkantoor dan wel met de door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij
voor sociale huisvesting afgesloten verhuurovereenkomst of overeenkomst inzake het beheersmandaat.". Art.
67. In rubriek XXXII, § 1, eerste lid, 1°, van tabel A van de bijlage bij hetzelfde besluit,
ingevoegd bij het koninklijk besluit van 30 september 1992, vervangen bij het koninklijk besluit van
21 december 2013 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2021, wordt de bepaling onder a)
vervangen als volgt: "a) een gewestelijke huisvestingsmaatschappij of een door haar of door
de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappij voor sociale huisvesting;". Art.
68. In rubriek XXXVI van tabel A van de bijlage bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij de programmawet
van 27 december 2006 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 juni 2021, wordt paragraaf 1 vervangen
als volgt: " § 1. Het verlaagd tarief van zes percent is van toepassing op: 1°
de leveringen van nagenoemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9, van het Wetboek alsook de vestigingen,
overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel
44, § 3, 1°, van het Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld, wanneer die goederen bestemd
zijn voor de huisvesting in het kader van het sociaal beleid: a) privéwoningen die worden geleverd
en gefactureerd aan de gewestelijke huisvestingsmaatschappijen en aan de door hen of door de bevoegde
overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappijen voor sociale huisvesting, aan het Vlaams
Woningfonds, "le Fonds du Logement des familles nombreuses de Wallonie" en het Woningfonds van het Brussels
Hoofdstedelijk Gewest en die door deze maatschappijen of fondsen worden bestemd om te worden verhuurd; b)
privéwoningen die worden geleverd en gefactureerd aan de gewestelijke huisvestingsmaatschappijen, aan
de door hen of door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappijen voor
sociale huisvesting, aan het Vlaams Woningfonds, "le Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie"
en het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en die door deze maatschappijen of fondsen
worden bestemd om te worden verkocht; c) privéwoningen die worden geleverd en gefactureerd door
de gewestelijke huisvestingsmaatschappijen, door de door hen of door de bevoegde overheid inzake sociaal
huisvestingsbeleid erkende maatschappijen voor sociale huisvesting en door het Vlaams Woningfonds, "le
Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie" en het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest; 2° werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, derde lid, van het
Wetboek, met uitsluiting van het reinigen, en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, §
3, 3° tot 6°, van tabel A met betrekking tot de onder 1° genoemde privéwoningen mits die worden verstrekt
en gefactureerd aan de gewestelijke huisvestingmaatschappijen, aan de door hen of door de bevoegde overheid
inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappijen voor sociale huisvesting en aan het Vlaams Woningfonds,
"le Fonds du Logement des Familles nombreuses de Wallonie" en het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest; 3° de onroerende financieringshuur of onroerende leasing bedoeld in artikel 44, §
3, 2°, b), van het Wetboek en de onroerende verhuur bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, d), van
het Wetboek, die betrekking hebben op de onder 1° bedoelde privéwoningen wanneer de afnemer een gewestelijke
huisvestingsmaatschappij, een door die maatschappij of door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid
erkende maatschappij voor sociale huisvesting of het Vlaams Woningfonds, "le Fonds du Logement des Familles
nombreuses de Wallonie" en het Woningfonds van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is.". Art.
69. In rubriek XI, § 1, eerste lid, 1°, van tabel B van de bijlage bij hetzelfde besluit, ingevoegd
bij de programmawet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° de
bepaling onder f) wordt vervangen als volgt: "f) de gewestelijke huisvestingsmaatschappijen
en de door hen of door de bevoegde overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid erkende maatschappijen
voor sociale huisvesting;"; 2° de bepaling onder h) wordt vervangen als volgt: "h)
andere publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen met sociaal oogmerk die door de bevoegde
overheid inzake sociaal huisvestingsbeleid zijn erkend;". HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding Art.
70. Deze titel heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2022. In afwijking van het eerste lid
treedt hoofdstuk 3 in werking op 1 januari 2023. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's
Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven
te Brussel, 21 december 2022. FILIP Van Koningswege : De minister van Financiën, V.
VAN PETEGHEM Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, V. VAN
QUICKENBORNE _______ Nota (1) Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken
: K55-3012 Integraal verslag: 15 december 2022.