J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2021/04/02/2021020750/justel

Titel
2 APRIL 2021. - Wet houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 13-04-2021 en tekstbijwerking tot 29-07-2021)

Bron : KANSELARIJ VAN DE EERSTE MINISTER
Publicatie : 13-04-2021 nummer :   2021020750 bladzijde : 32911       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2021-04-02/10
Inwerkingtreding : 23-04-2021
Opheffing : 30-06-2021 (Art.33)    ***    30-06-2021 (Art.36-Art.38)    ***    01-07-2021 (Art.62)

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1993021370        2005022821        2020202544        1969070305        1970072012        2002022559        2020020937        2020015921        2020021216        2020042279        2020044510       

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - ALGEMENE BEPALING
Art. 1
TITEL 2. - DIVERSE DRINGENDE FISCALE BEPALINGEN
HOOFDSTUK 1. - VERLENGING VAN DE MAATREGELEN VAN DE WET VAN 20 DECEMBER 2020 HOUDENDE TIJDELIJKE ONDERSTEUNINGSMAATREGELEN TEN GEVOLGE VAN DE COVID-19-PANDEMIE
Art. 2-10
HOOFDSTUK 2. - VERLENGING VAN DE VRIJSTELLING VAN VERGOEDINGEN IN HET KADER VAN STEUNMAATREGELEN DIE WORDEN GENOMEN DOOR DE GEWESTEN, GEMEENSCHAPPEN, PROVINCIES OF GEMEENTEN
Art. 11
HOOFDSTUK 3. - BELASTINGVERMINDERING VOOR DE VERWERVING VAN NIEUWE AANDELEN VAN ONDERNEMINGEN DIE HUN OMZET INGEVOLGE DE COVID-19-PANDEMIE STERK HEBBEN ZIEN DALEN
Art. 12
HOOFDSTUK 4. - BELASTINGVOORDEEL VOOR DE KWIJTSCHELDING VAN DE HUUR
Afdeling 1. - Personenbelasting en belasting niet-inwoners /natuurlijke personen
Art. 13
Afdeling 2. - Vennootschapsbelasting en belasting niet-inwoners/vennootschappen
Art. 14
Afdeling 3. - Antimisbruikbepaling
Art. 15
HOOFDSTUK 5. - AFSCHAFFING VAN HET BTW-VOORSCHOT DAT MOET WORDEN BETAALD IN DECEMBER
Art. 16
HOOFDSTUK 6. - AFSCHAFFING VAN HET VOORSCHOT OP DE BEDRIJFSVOORHEFFING DAT MOET WORDEN BETAALD IN DECEMBER
Art. 17-18
HOOFDSTUK 7. - VERLAGING VAN DE INTERESTEN ZOALS VASTGELEGD IN HET WETBOEK VAN DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE, DE WET VAN 5 MEI 1865 BETREFFENDE DE LENING TEGEN INTEREST, EN DE ALGEMENE WET VAN 18 JULI 1977 INZAKE DOUANE EN ACCIJNZEN
Art. 19-22
HOOFDSTUK 8. - INWERKINGTREDING
Art. 23
TITEL 3. - VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN
ENIG HOOFDSTUK. - WIJZIGING VAN HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 10 NOVEMBER 2005 BETREFFENDE HEFFINGEN BEPAALD BIJ ARTIKEL 4 VAN DE WET VAN 9 DECEMBER 2004 BETREFFENDE DE FINANCIERING VAN HET FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN
Art. 24-25
TITEL 4. - ZELFSTANDIGEN
ENIG HOOFDSTUK. - WIJZIGING VAN ARTIKEL 92TER VAN DE WET VAN 30 DECEMBER 1992 HOUDENDE SOCIALE EN DIVERSE BEPALINGEN, MET BETREKKING TOT DE INVOERING VAN EEN JAARLIJKSE BIJDRAGE TEN LASTE VAN DE VENNOOTSCHAPPEN BESTEMD VOOR HET SOCIAAL STATUUT DER ZELFSTANDIGEN OM IN 2021 DE BETAALDATUM VAN DE VERMELDE BIJDRAGE UIT TE STELLEN NAAR 31 DECEMBER 2021
Art. 26-27
TITEL 5. - DIVERSE ARBEIDSRECHTELIJKE MAATREGELEN
HOOFDSTUK 1. - WIJZIGINGEN VAN DE WET VAN 20 DECEMBER 2020 HOUDENDE TIJDELIJKE ONDERSTEUNINGSMAATREGELEN TEN GEVOLGE VAN DE COVID-19-PANDEMIE
Art. 28-32
HOOFDSTUK 2. - TIJDELIJKE SCHORSING VAN DE LOOPBAANONDERBREKING OF DE VERMINDERING VAN DE ARBEIDSPRESTATIES
Art. 33
HOOFDSTUK 3. - WIJZIGING VAN DE WET VAN 23 OKTOBER 2020 TOT HET OPENSTELLEN VAN TIJDELIJKE WERKLOOSHEID OVERMACHT CORONA VOOR WERKNEMERS IN DE GEVALLEN WAARIN HET ONMOGELIJK IS VOOR HUN KIND OM NAAR HET KINDERDAGVERBLIJF, DE SCHOOL, OF HET CENTRUM VOOR OPVANG VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP TE GAAN
Art. 34
HOOFDSTUK 4. - UITBREIDING VAN DE MOGELIJKHEDEN TOT STUDENTENARBEID IN DE SECTOREN VAN HET ONDERWIJS EN DE ZORG DOOR DE TIJDENS HET TWEEDE KWARTAAL VAN 2021 GEPRESTEERDE UREN TE NEUTRALISEREN
Art. 35
HOOFDSTUK 5. - VRIJSTELLING VAN DE VERPLICHTING TOT BETALING VAN EEN HALVE DAG GEWAARBORGD DAGLOON TENEINDE DE TIJDELIJKE WERKLOOSHEID VOOR EEN HALVE DAG TOE TE STAAN
Art. 36-38
HOOFDSTUK 6. . -TOEKENNING VAN EEN DOELGROEPVERMINDERING AAN BEPAALDE CATEGORIEEN VAN WERKGEVERS BEHORENDE TOT DE EVENEMENTENSECTOR
Art. 39-44
HOOFDSTUK 7. - TOEKENNING VAN EEN VERMINDERING VAN SOCIALEZEKERHEIDSBIJDRAGEN AAN BEPAALDE CATEGORIEEN VAN WERKGEVERS BEHORENDE TOT DE REISSECTOR
Art. 45-51
HOOFDSTUK 8. - TOEKENNING VAN EEN DOELGROEPVERMINDERING AAN BEPAALDE CATEGORIEEN VAN WERKGEVERS BEHORENDE TOT DE HOTELSECTOR
Art. 52-57
HOOFDSTUK 9. - INWERKINGTREDING EN TEMPORELE TOEPASSING
Art. 58
Hoofdstuk 2. van deze titel treedt buiten werking op 30 juni 2021.
TITEL 6. - SOCIALE ZAKEN
HOOFDSTUK 1. - VERLENGING VAN DE TOEPASSING VAN HET KONINKLIJK BESLUIT NR. 22 VAN 4 JUNI 2020 TOT OPRICHTING VAN EEN SCHADELOOSSTELLINGFONDS VOOR DE VRIJWILLIGERS COVID-19-SLACHTOFFERS
Art. 59-61
HOOFDSTUK 2. - TIJDELIJKE UITBREIDING VAN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN DE WET VAN 3 JULI 2005 BETREFFENDE DE RECHTEN VAN VRIJWILLIGERS TOT DE ORGANISATIES DIE DOOR DE BEVOEGDE OVERHEID ZIJN ERKEND VOOR DE BIJSTAND AAN EN DE ZORG VOOR BEJAARDEN EN VOOR DE OPVANG EN DE HUISVESTING VAN BEJAARDEN IN DE PRIVATE COMMERCIELE SECTOR
Art. 62-63
TITEL 7. - PENSIOENEN
ENIG HOOFDSTUK. - WIJZIGING VAN DE WET VAN 7 MEI 2020 BETREFFENDE UITZONDERLIJKE MAATREGELEN IN HET KADER VAN DE COVID-19-PANDEMIE MET BETREKKING TOT PENSIOENEN, AANVULLENDE PENSIOENEN EN ANDERE AANVULLENDE VOORDELEN INZAKE SOCIALE ZEKERHEID
Art. 64-65
TITEL 8. - SOCIALE BIJSTAND
HOOFDSTUK 1. - WIJZIGING VAN HET KONINKLIJK BESLUIT NR. 47 VAN 26 JUNI 2020 TOT UITVOERING VAN ARTIKEL 5, § 1, 3° VAN DE WET VAN 27 MAART 2020 DIE MACHTIGING VERLEENT AAN DE KONING OM MAATREGELEN TE NEMEN IN DE STRIJD TEGEN DE VERSPREIDING VAN HET CORONAVIRUS COVID-19, MET HET OOG OP HET TOEKENNEN VAN EEN TIJDELIJKE PREMIE AAN DE GERECHTIGDEN OP BEPAALDE SOCIALE BIJSTANDSUITKERINGEN
Art. 66
HOOFDSTUK 2. - WIJZIGING VAN DE WET VAN 26 MEI 2002 BETREFFENDE HET RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE, MET HET OOG OP DE VERLENGING VAN DE TIJDELIJKE VERHOGING VAN HET TERUGBETALINGSPERCENTAGE VAN HET LEEFLOON DOOR DE STAAT TEN AANZIEN VAN DE OCMW'S IN HET KADER VAN COVID-19
Art. 67
HOOFDSTUK 3. - WIJZIGING VAN DE WET VAN 26 MEI 2002 BETREFFENDE HET RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE, MET HET OOG DE TOELAGE VAN HET GEINDIVIDUALISEERDE PROJECT VOOR MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE
Art. 68

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - ALGEMENE BEPALING

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  TITEL 2. - DIVERSE DRINGENDE FISCALE BEPALINGEN

  HOOFDSTUK 1. - VERLENGING VAN DE MAATREGELEN VAN DE WET VAN 20 DECEMBER 2020 HOUDENDE TIJDELIJKE ONDERSTEUNINGSMAATREGELEN TEN GEVOLGE VAN DE COVID-19-PANDEMIE

  Art. 2. In artikel 1ter van koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van goederen en diensten bij die tarieven, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 1 december 1995, hersteld bij het koninklijk besluit van 5 mei 2020 en gewijzigd bij de wet van 20 december 2020, worden de woorden "31 maart 2021" vervangen door de woorden "30 juni 2021".

  Art. 3. In artikel 15, eerste en tweede lid, van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, gewijzigd bij de wet van 20 december 2020, worden de woorden "31 maart 2021" telkens vervangen door de woorden "30 juni 2021".

  Art. 4. In artikel 9 van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt:
  "1° het is:
  - ofwel de eerste en enige wijziging van de raamovereenkomst met het oog op de aanduiding van een ander in aanmerking komend werk;
  - ofwel de tweede wijziging van de raamovereenkomst met het oog op de aanduiding van een ander in aanmerking komend werk, waarvoor de eerste wijziging ten laatste op 31 januari 2021 werd uitgevoerd en op voorwaarde dat het nieuw in aanmerking komend werk door dezelfde productievennootschap wordt uitgevoerd;".

  Art. 5. In artikel 14 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, worden de woorden "Artikelen 9 en 10" vervangen door de woorden "Artikelen 9, 1°, en 10";
  2° een lid wordt ingevoegd tussen het eerste lid en het tweede lid, dat het derde lid wordt, luidende:
  "Artikel 9, 2°, is van toepassing op de raamovereenkomsten die ten laatste op 31 januari 2021 zijn ondertekend.";
  3° de woorden "31 maart 2021" worden telkens vervangen door de woorden "30 juni 2021".

  Art. 6. In artikel 15, eerste lid, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de woorden "de artikelen 43 en 44 van deze wet" worden telkens vervangen door de woorden "de artikelen 51 en 52 van deze wet";
  2° de woorden "artikel 32, 6°, van deze wet" worden telkens vervangen door de woorden "artikel 40, 6°, van deze wet";
  3° de woorden "31 maart 2021" worden vervangen door de woorden "30 juni 2021".

  Art. 7. In artikel 16, § 3, tweede lid, van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, ingevoegd bij de wet van 20 december 2020, worden de woorden "in het eerste kwartaal van 2021" vervangen door de woorden "in het eerste en tweede kwartaal van 2021" en worden de woorden "of artikel 33 van de wet van 2 april 2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie" ingevoegd tussen de woorden "artikel 10 van de wet van 4 november 2020 inzake verschillende sociale maatregelen ingevolge de COVID-19-pandemie" en de woorden ", niet in aanmerking".

  Art. 8. In afwijking van artikel 11, tweede lid, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten zijn de notariële volmachten verleden van 1 april 2021 tot 30 juni 2021 vrijgesteld van het registratierecht, wanneer de instrumenterende ambtenaar ervoor geen ereloon, vacaties of kosten vraagt en voor zover deze volmacht uitsluitend effect sorteert tot 30 juni 2021.
  In afwijking van artikel 23 van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, van artikel 22 van de wet van 15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie (CORONA III), en van artikel 18 van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, blijft het voordeel van de vrijstelling behouden voor de volmachten verleden van 13 maart 2020 tot 31 maart 2021 wanneer de volmacht ten laatste op 30 juni 2021 wordt gebruikt.

  Art. 9. In afwijking van artikel 3 van het Wetboek diverse rechten en taksen zijn de notariële volmachten verleden van 1 april 2021 tot 30 juni 2021 vrijgesteld van het recht op geschriften wanneer de instrumenterende ambtenaar ervoor geen ereloon, vacaties of kosten vraagt en voor zover deze volmacht uitsluitend effect sorteert tot 30 juni 2021.
  In afwijking van artikel 26, 1°, van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, van artikel 25 van de wet van 15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie (CORONA III), en van artikel 19 van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, blijft het voordeel van de vrijstelling behouden voor de volmachten verleden van 13 maart 2020 tot 31 maart 2021 wanneer de volmacht ten laatste op 30 juni 2021 wordt gebruikt.

  Art. 10. In hoofdstuk 5 van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie wordt een artikel 15/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 15/1. Artikel 15 heeft uitwerking op de bezoldigingen die vanaf 1 oktober 2020 worden betaald of toegekend.".

  HOOFDSTUK 2. - VERLENGING VAN DE VRIJSTELLING VAN VERGOEDINGEN IN HET KADER VAN STEUNMAATREGELEN DIE WORDEN GENOMEN DOOR DE GEWESTEN, GEMEENSCHAPPEN, PROVINCIES OF GEMEENTEN

  Art. 11. In artikel 6, tweede lid, derde streepje, van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, gewijzigd bij de wet van 20 december 2020, worden de woorden "31 maart 2021" vervangen door de woorden "31 december 2021".

  HOOFDSTUK 3. - BELASTINGVERMINDERING VOOR DE VERWERVING VAN NIEUWE AANDELEN VAN ONDERNEMINGEN DIE HUN OMZET INGEVOLGE DE COVID-19-PANDEMIE STERK HEBBEN ZIEN DALEN

  Art. 12. § 1. Aan Rijksinwoners wordt een belastingvermindering verleend voor de betalingen voor nieuwe aandelen op naam verworven met inbrengen in geld die een fractie vertegenwoordigen van het in artikel 2, § 1, 6°, a, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, bedoelde kapitaal van een in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde vennootschap en waarop de belastingplichtige rechtstreeks heeft ingeschreven naar aanleiding van een kapitaalverhoging tussen 1 januari 2021 en 31 augustus 2021 en die hij uiterlijk op 31 augustus 2021 volledig heeft volstort.
  § 2. Dit artikel is van toepassing op de aandelen van een vennootschap die tezelfdertijd aan alle onderstaande voorwaarden voldoet:
  1° de vennootschap is een binnenlandse vennootschap of een vennootschap waarvan de voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die over een in artikel 229 van hetzelfde Wetboek bedoelde Belgische inrichting beschikt;
  2° de omzet van de vennootschap is voor de periode van 2 november 2020 tot 31 december 2020 met minstens 30 pct. gedaald ten opzichte van dezelfde periode van 2019;
  3° de vennootschap wordt op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen als kleine vennootschap aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de inbreng wordt gedaan;
  4° de vennootschap is geen beleggings-, thesaurie- of financieringsvennootschap;
  5° de vennootschap is geen vennootschap met als statutair hoofddoel of voornaamste activiteit de oprichting, de verwerving, het beheer, de verbouwing, de verkoop of de verhuur van vastgoed voor eigen rekening of het bezit van deelnemingen in vennootschappen met een soortgelijk doel, noch een vennootschap waarin onroerende goederen of andere zakelijke rechten met betrekking tot dergelijke goederen zijn ondergebracht, waarvan natuurlijke personen die in de vennootschap een opdracht of functies als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 uitoefenen, hun echtgenoot of hun kinderen wanneer die personen of hun echtgenoot het wettelijk genot van de inkomsten van die kinderen hebben, het gebruik hebben;
  6° de vennootschap is geen vennootschap die is opgericht met het oog op het afsluiten van een management- of bestuurdersovereenkomst of die haar voornaamste bron van inkomsten haalt uit management- of bestuurdersovereenkomsten;
  7° de vennootschap is een niet-beursgenoteerde vennootschap;
  8° de vennootschap kan niet worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden als omschreven in artikel 2, § 1, 4° /2, van hetzelfde Wetboek;
  9° de vennootschap gebruikt de ontvangen sommen niet voor de uitkering van dividenden als bedoeld in artikel 18 van hetzelfde Wetboek, met inbegrip van de uitkering van liquidatiereserves als bedoeld in de artikelen 184quater en 541 van hetzelfde Wetboek, voor een kapitaalvermindering met inbegrip van de kapitaalvermindering als bedoeld in artikel 537 van hetzelfde Wetboek of enige andere vermindering of verdeling van het eigen vermogen of voor de aankoop van aandelen, noch voor het verstrekken van leningen;
  10° de vennootschap:
  - houdt geen rechtstreekse deelneming aan in een vennootschap die gevestigd is in een Staat die is opgenomen op één van de lijsten waarnaar wordt verwezen in artikel 307, § 1/2, van hetzelfde Wetboek of een Staat die is opgenomen in de lijst in artikel 179 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
  - doet geen betalingen aan vennootschappen die gevestigd zijn in één van de in het eerste streepje bedoelde Staten waarvan niet kan worden aangetoond dat ze werden verricht in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen die het gevolg zijn van rechtmatige financiële of economische behoeften en die samengenomen meer bedragen dan 100 000 euro per belastbaar tijdperk;
  11° de vennootschap heeft na de betaling van de in paragraaf 1 bedoelde sommen door de belastingplichtige niet meer dan 250 000 euro ontvangen via de toepassing van dit artikel.
  Voor vennootschappen die na 2 november 2019 werden opgericht anders dan in het kader van een fusie of splitsing van vennootschappen, wordt voor de toepassing van het eerste lid, 2°, de in de periode van 2 november 2020 tot 31 december 2020 gerealiseerde omzet vergeleken met de in het financieel plan vooropgestelde omzet voor diezelfde periode.
  Aan de in het eerste lid, 4° tot 6°, 9° en 10°, vermelde voorwaarden moet door de vennootschap worden voldaan gedurende de 60 maanden volgend op de volstorting van de aandelen van de vennootschap.
  De belastingvermindering is niet van toepassing op:
  1° uitgaven die in aanmerking zijn genomen voor de toepassing van artikel 1451, 4°, 14526, 14527 of 14532 van hetzelfde Wetboek of voor de toepassing van een gewestelijke belastingvermindering of een gewestelijk belastingkrediet;
  2° betalingen voor het verwerven van aandelen van een vennootschap met betrekking tot het gedeelte van die aandelen waardoor de belastingplichtige een vertegenwoordiging van meer dan 30 pct. van het eigen vermogen van die vennootschap bekomt;
  3° betalingen voor het verwerven van aandelen van een vennootschap, onder de vorm van een quasi-inbreng als bedoeld in artikel 7:8 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
  4° betalingen voor het verwerven van aandelen van een vennootschap die rechtstreeks of onrechtstreeks worden gefinancierd met een afname van een vordering op die vennootschap of met een schuld aan die vennootschap.
  § 3. De betalingen die voor de in paragraaf 1, bedoelde aandelen gedaan worden tussen 1 januari 2021 en 31 augustus 2021 komen voor een totaalbedrag tot 100 000 euro in aanmerking voor de belastingvermindering.
  De belastingvermindering is gelijk aan 20 pct. van het in aanmerking te nemen bedrag, na aftrek van de eventuele verbonden kosten.
  § 4. De betalingen voor in paragraaf 1 bedoelde aandelen komen voor de belastingvermindering in aanmerking op voorwaarde dat de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde vennootschap aan de belastingplichtige tot staving van zijn aangifte in de personenbelasting van het belastbare tijdperk waarin de betaling is gedaan, het bewijs verstrekt waaruit blijkt dat:
  - voldaan is aan de in paragrafen 1 en 2 gestelde voorwaarden;
  - de belastingplichtige de aandelen in het belastbare tijdperk heeft aangeschaft en deze op het einde van dat belastbare tijdperk nog in zijn bezit heeft.
  § 5. De in paragraaf 1 bedoelde belastingvermindering wordt slechts behouden op voorwaarde dat de vennootschap de belastingplichtige tot staving van zijn aangiften in de personenbelasting van de vijf belastbare tijdperken volgend op het belastbare tijdperk waarvoor de belastingvermindering wordt toegekend, het bewijs verstrekt dat hij de betrokken in paragraaf 1, bedoelde aandelen nog in zijn bezit heeft. Aan deze voorwaarde moet niet meer worden voldaan met ingang van het belastbare tijdperk waarin de belastingplichtige is overleden.
  Wanneer de betrokken aandelen bedoeld in paragraaf 1, anders dan bij overlijden worden overgedragen binnen de 60 maanden na de aanschaffing ervan, wordt de totale belasting met betrekking tot de inkomsten van het belastbare tijdperk van de vervreemding vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één zestigste van de overeenkomstig paragraaf 1 voor die aandelen werkelijk verkregen belastingvermindering, als er volle maanden overblijven tot het einde van de periode van 60 maanden.
  Onder het in het tweede lid bedoelde woord "overgedragen" dient eveneens te worden verstaan, de sluiting van de vereffening van de vennootschap waarin werd geïnvesteerd.
  Wanneer de sluiting van de vereffening het gevolg is van de faillietverklaring van de vennootschap waarin werd geïnvesteerd, moet niet meer worden voldaan aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarde met ingang van het belastbare tijdperk waarin die sluiting van de vereffening ten gevolge van faillietverklaring heeft plaats gevonden.
  De in paragraaf 1 vermelde belastingvermindering wordt slechts behouden op voorwaarde dat de in paragraaf 2, derde lid, gestelde voorwaarden worden nageleefd.
  Wanneer de in paragraaf 2, derde lid, vermelde voorwaarden niet worden nageleefd gedurende de 60 maanden volgend op de volstorting van de aandelen van de vennootschap, wordt de totale belasting met betrekking tot de inkomsten van het belastbare tijdperk waarin wordt vastgesteld dat die voorwaarde niet wordt nageleefd, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één zestigste van de overeenkomstig paragraaf 1 voor die aandelen werkelijk verkregen belastingvermindering, als er volle maanden overblijven vanaf de datum waarop de voorwaarde niet wordt nageleefd tot het einde van de termijn van 60 maanden.
  § 6. De belastingvermindering wordt aangerekend overeenkomstig artikel 178/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vóór de belastingverminderingen die in een belastingkrediet kunnen worden omgezet.
  Het gedeelte van de overeenkomstig dit artikel verleende belastingvermindering dat na toepassing van artikel 178/1 van hetzelfde Wetboek niet is aangerekend, wordt achtereenvolgens overgedragen naar elk van de drie belastbare tijdperken volgend op het belastbare tijdperk waarvoor de belastingvermindering wordt toegekend.
  De belastingvermindering wordt evenwel niet overgedragen naar het belastbare tijdperk waarin overeenkomstig paragraaf 5 de totale belasting met een deel van de reeds verleende belastingvermindering wordt verhoogd.
  De belastingvermindering die niet meer kan worden overdragen, wordt aangerekend vóór de belastingverminderingen die nog naar volgende belastbare tijdperken kunnen worden overgedragen. Wanneer de overdraagbare belastingverminderingen betrekking hebben op uitgaven die in verschillende belastbare tijdperken werden gedaan, worden de belastingverminderingen voor de oudste uitgaven eerst aangerekend.
  § 7. De belastingvermindering wordt in rekening gebracht om de in artikel 171, 5° en 6°, van hetzelfde Wetboek bedoelde gemiddelde aanslagvoeten te bepalen.
  Voor de toepassing van de artikelen 175 en 290, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, wordt de totale belasting ook verhoogd met de in paragraaf 5 bedoelde vermeerdering.
  § 8. Dit artikel is eveneens van toepassing voor de niet-inwoners als bedoeld in artikel 227, 1°, van hetzelfde Wetboek voor wie de belasting overeenkomstig artikel 243/1 of 244 van hetzelfde Wetboek wordt berekend.
  Voor de belastingplichtigen van wie de belasting overeenkomstig artikel 243/1 van hetzelfde Wetboek wordt berekend:
  1° wordt voor de toepassing van de bepaling onder 4°, van het voormelde artikel, de in dit artikel bedoelde belastingvermindering in mindering gebracht om de totale belasting te bepalen;
  2° maakt de in paragraaf 5 bedoelde belastingvermeerdering geen deel uit van de berekeningsgrondslag van de bij toepassing van artikel 245 van hetzelfde Wetboek bepaalde opcentiemen;
  3° wordt voor de toepassing van artikel 294, tweede lid, 2°, tweede streepje, van hetzelfde Wetboek, de totale belasting ook verhoogd met in de paragraaf 5 bedoelde vermeerdering.
  De in paragraaf 5 bedoelde belastingvermeerdering is eveneens van toepassing voor niet-inwoners als bedoeld in artikel 227, 1°, van hetzelfde Wetboek voor wie de belasting voor het belastbare tijdperk waarin de aandelen worden vervreemd, overeenkomstig artikel 243 van hetzelfde Wetboek wordt berekend. In dat geval:
  1° wordt voor de toepassing van de in paragraaf 5 bedoelde belastingvermeerdering onder totale belasting verstaan de overeenkomstig de artikelen 130, 1451, 1° en 4°, 1452, 1453, 1457, § 1, 146 tot 154bis, 169 en 171 tot 178/1, van hetzelffde Wetboek bepaalde belasting;
  2° maakt de in paragraaf 5 bedoelde belastingvermeerdering geen deel uit van de berekeningsgrondslag van de bij toepassing van artikel 245 van hetzelfde Wetboek bepaalde opcentiemen;
  3° wordt voor de toepassing van artikel 294, tweede lid, 2°, eerste streepje, van hetzelfde Wetboek, de totale belasting verhoogd met de in paragraaf 5 bedoelde vermeerdering.
  § 9. De bedragen in euro vermeld in dit artikel worden niet geïndexeerd overeenkomstig artikel 178 van hetzelfde Wetboek.
  § 10. De Koning bepaalt de wijze waarop het in paragraaf 4 en paragraaf 5, eerste lid, bedoelde bewijs wordt geleverd.
  § 11. Voor de toepassing van dit artikel moeten de begrippen "kapitaalverhoging" en "kapitaalvermindering" begrepen worden als betrekking hebbend op kapitaal bedoeld in artikel 2, § 1, 6°, a, van hetzelfde Wetboek.

  HOOFDSTUK 4. - BELASTINGVOORDEEL VOOR DE KWIJTSCHELDING VAN DE HUUR

  Afdeling 1. - Personenbelasting en belasting niet-inwoners /natuurlijke personen

  Art. 13. § 1. Er wordt een belastingvermindering verleend aan Rijksinwoners en in artikel 227, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, bedoelde niet-inwoners die een in België gelegen gebouwd onroerend goed waarvan zij eigenaar, vruchtgebruiker, erfpachter, opstalhouder of bezitter zijn, al dan niet in het kader van hun beroepswerkzaamheid, verhuren aan een onderneming die verplicht heeft moeten sluiten in het kader van de COVID-19-pandemie, en de huurprijs en de huurvoordelen voor het voor de ondernemingsactiviteit aangewende gedeelte van dat onroerend goed voor de maanden maart, april of mei 2021, of voor meerdere van die maanden, geheel of gedeeltelijk kwijtschelden.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt het tegen vergoeding ter beschikking stellen van een gebouwd onroerend goed gelijkgesteld met verhuur. De vergoeding wordt desgevallend gelijkgesteld met de huurprijs.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder huurvoordelen verstaan, de regelmatig weerkerende geldelijke lasten waarvan in de huurovereenkomst is bepaald dat ze door de huurder ten voordele van de verhuurder moeten worden gedragen.
  Wanneer de huurprijs en de huurvoordelen niet per maand worden betaald, worden de huurprijs en de huurvoordelen die betrekking hebben op de maand maart, april of mei 2021 pro rata temporis bepaald.
  Wanneer het onroerend goed door de huurder niet uitsluitend voor zijn eigen ondernemingsactiviteit wordt aangewend en de huurprijs niet in de huurovereenkomst is opgesplitst over het voor de eigen ondernemingsactiviteit en het niet voor de eigen ondernemingsactiviteit aangewend gedeelte, worden de huurprijs en de huurvoordelen die betrekking hebben op het voor de eigen ondernemingsactiviteit aangewend gedeelte bepaald door de huurprijs en de huurvoordelen voor het onroerend goed te vermenigvuldigen met het aandeel van de oppervlakte van het voor de eigen ondernemingsactiviteit aangewend gedeelte van het onroerend goed in de totale oppervlakte van het onroerend goed.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt het gedeelte van het onroerend goed dat ter beschikking wordt gesteld van een derde niet beschouwd als een voor de eigen ondernemingsactiveit aangewend gedeelte van het onroerend goed.
  § 2. De in paragraaf 1 vermelde belastingvermindering kan enkel worden verleend wanneer aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
  1° de huurder:
  a) is voor de periode waarvoor de huurprijs en de huurvoordelen worden kwijtgescholden een zelfstandige die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent in hoofdberoep, een vennootschap die wordt aangemerkt als kleine vennootschap op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, of een vereniging die wordt aangemerkt als kleine vereniging op grond van artikel 1:28, §§ 1 tot 5, van hetzelfde Wetboek;
  b) is voor de periode waarvoor de huurprijs en de huurvoordelen worden kwijtgescholden volgens de Kruispuntbank voor ondernemingen actief als onderneming op het adres van het gehuurde onroerend goed;
  c) heeft de vestigingseenheid van zijn onderneming op het adres van het gehuurde onroerend goed geheel of gedeeltelijk verplicht moeten sluiten ten gevolge van de maatregelen die vanaf 12 maart 2020 zijn genomen door de federale overheid in het kader van de COVID-19-pandemie. Verplichte sluitingen die als sanctie zijn opgelegd evenals verplichte sluitingen die beperkt zijn tot bepaalde uren van de dag, worden niet in aanmerking genomen;
  d) had voor de betrokken huurovereenkomst geen huurachterstallen op 12 maart 2020;
  e) kan op het moment van de kwijtschelding van de huurprijs en de huurvoordelen niet worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden als omschreven in artikel 2, § 1, 4° /2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
  2° de huurder is:
  a) wanneer het een natuurlijke persoon betreft, niet de echtgenoot in de zin van artikel 2, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek van de belastingplichtige-verhuurder of een andere persoon die deel uitmaakt van het gezin van de belastingplichtige-verhuurder, noch een kind, ascendent of zijverwant tot de tweede graad van de belastingplichtige-verhuurder, zijn echtgenoot of een andere persoon die deel uitmaakt van zijn gezin;
  b) wanneer het een vennootschap betreft, geen vennootschap:
  - waarin de belastingplichtige-verhuurder of een persoon bedoeld in de bepaling onder a), rechtstreeks of onrechtstreeks een in artikel 32, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, bedoelde bedrijfsleider is;
  - waarin de belastingplichtige-verhuurder of een persoon bedoeld in de bepaling onder a), als vaste vertegenwoordiger van een andere vennootschap een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of een gelijksoortige functie uitoefent;
  - die een aannemings- of lastgevingsovereenkomst heeft gesloten met een andere vennootschap waarvan de belastingplichtige-verhuurder of een persoon bedoeld in de bepaling onder a), aandeelhouder is, en waarbij die andere vennootschap er zich toe heeft verbonden om tegen vergoeding een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, financiële of technische aard op zich te nemen in de eerste vennootschap;
  - waarvan de belastingplichtige-verhuurder of een persoon bedoeld in de bepaling onder a), desgevallend samen, aandelen bezitten die 30 pct. of meer van het in artikel 2, § 1, 6°, a, van hetzelfde Wetboek, bedoelde kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen;
  3° de kwijtschelding van de huurprijs en de huurvoordelen is:
  a) gebaseerd op het opschorten van de verplichting voor de huurder tot het betalen van het geheel of een gedeelte van de huurprijs en de huurvoordelen voor de maanden maart, april of mei 2021, of voor meerdere van die maanden;
  b) vrijwillig en definitief toegestaan door de belastingplichtige-verhuurder;
  c) vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst afgesloten tussen de belastingplichtige-verhuurder en de huurder die door de belastingplichtige-verhuurder uiterlijk op 15 juli 2021 wordt bezorgd aan de dienst die wordt aangeduid door de administrateur-generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit;
  4° in geval de huurprijs en de huurvoordelen voor het beroepsmatig aangewende gedeelte van het onroerend goed slechts gedeeltelijk wordt kwijtgescholden, wordt een bedrag van minstens 40 pct. van de huurprijs en de huurvoordelen met betrekking tot de betrokken maand of maanden kwijtgescholden.
  § 3. Het bedrag van de kwijtgescholden huurprijs en huurvoordelen waarvoor een belastingvermindering kan worden verleend, kan niet meer bedragen dan 5 000 euro per maand per huurovereenkomst, noch meer bedragen dan 45 000 euro per belastingplichtige-verhuurder.
  De in het eerste lid vermelde bedragen worden niet geïndexeerd overeenkomstig artikel 178 van hetzelfde Wetboek.
  § 4. De belastingvermindering wordt verleend voor het belastbare tijdperk waartoe de periode behoort waarvoor de huurprijs en de huurvoordelen worden kwijtgescholden.
  Wanneer de periode waarvoor de huurprijs en de huurvoordelen worden kwijtgescholden, tot meer dan één belastbaar tijdperk behoort, gelden de in paragraaf 3, eerste lid, vermelde bedragen voor die belastbare tijdperken samen.
  § 5. De belastingvermindering is gelijk aan 30 pct. van het in aanmerking te nemen bedrag van de kwijtgescholden huurprijs en huurvoordelen.
  In geval van een gemeenschappelijke aanslag wordt de belastingvermindering evenredig omgedeeld in functie van het overeenkomstig artikel 130 van hetzelfde Wetboek belaste inkomen van elk der echtgenoten ten opzichte van de som van de overeenkomstig datzelfde artikel 130 belaste inkomens van de beide echtgenoten.
  § 6. De belastingvermindering wordt aangerekend overeenkomstig artikel 178/1 van hetzelfde Wetboek, vóór de belastingverminderingen die niet in een belastingkrediet kunnen worden omgezet maar wel aanleiding kunnen geven tot een latere belastingheffing.
  De belastingvermindering wordt in rekening gebracht om de in artikel 171, 5° en 6°, van hetzelfde Wetboek bedoelde gemiddelde aanslagvoeten te bepalen.
  § 7. De Koning kan nadere modaliteiten voor de toepassing van dit artikel vastleggen, onder meer met betrekking tot het leveren van het bewijs dat aan de voorwaarden voor de toepassing van de belastingvermindering is voldaan.

  Afdeling 2. - Vennootschapsbelasting en belasting niet-inwoners/vennootschappen

  Art. 14. § 1. Er kan een belastingkrediet verrekend worden met de vennootschapsbelasting of met de belasting van niet-inwoners voor de in artikel 227, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vermelde niet-inwoners, indien de belastingplichtige een in België gelegen gebouwd onroerend goed waarvan hij eigenaar, vruchtgebruiker, erfpachter, opstalhouder of bezitter is aan een onderneming verhuurt die verplicht heeft moeten sluiten in het kader van de COVID-19-pandemie, en de huurprijs en de huurvoordelen voor het voor de ondernemingsactiviteit aangewende gedeelte van dat onroerend goed voor de maanden maart, april of mei 2021, of voor meerdere van die maanden, geheel of gedeeltelijk kwijtscheldt.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt het tegen vergoeding ter beschikking stellen van een gebouwd onroerend goed gelijkgesteld met verhuur. De vergoeding wordt desgevallend gelijkgesteld met de huurprijs.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder huurvoordelen verstaan, de regelmatig weerkerende geldelijke lasten waarvan in de huurovereenkomst is bepaald dat ze door de huurder ten voordele van de verhuurder moeten worden gedragen.
  Wanneer de huur en de huurvoordelen niet per maand worden betaald, worden de huur en de huurvoordelen die betrekking hebben op de maand maart, april of mei 2021 pro rata temporis bepaald.
  Wanneer het onroerend goed door de huurder niet uitsluitend voor zijn eigen ondernemingsactiviteit wordt aangewend en de huurprijs niet in de huurovereenkomst is opgesplitst over het voor de eigen ondernemingsactiviteit en het niet voor de eigen ondernemingsactiviteit aangewend gedeelte, worden de huurprijs en de huurvoordelen die betrekking hebben op het voor de eigen ondernemingsactiviteit aangewend gedeelte bepaald door de huurprijs en de huurvoordelen voor het onroerend goed te vermenigvuldigen met het aandeel van de oppervlakte van het voor de eigen ondernemingsactiviteit aangewend gedeelte van het onroerend goed in de totale oppervlakte van het onroerend goed.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt het gedeelte van het onroerend goed dat ter beschikking wordt gesteld van een derde niet beschouwd als een voor de eigen ondernemingsactiveit aangewend gedeelte van het onroerend goed.
  § 2. Het in paragraaf 1 vermelde belastingkrediet kan enkel worden verleend wanneer aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
  1° de huurder:
  a) is voor de periode waarvoor de huurprijs en de huurvoordelen worden kwijtgescholden een zelfstandige die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent in hoofdberoep, een vennootschap die wordt aangemerkt als kleine vennootschap op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, of een vereniging die wordt aangemerkt als kleine vereniging op grond van artikel 1:28, §§ 1 tot 5, van hetzelfde Wetboek;
  b) is voor de periode waarvoor de huurprijs en de huurvoordelen worden kwijtgescholden volgens de Kruispuntbank voor ondernemingen actief als onderneming op het adres van het gehuurde onroerend goed;
  c) heeft de vestigingseenheid van zijn onderneming op het adres van het gehuurde onroerend goed geheel of gedeeltelijk verplicht moeten sluiten ten gevolge van de maatregelen die vanaf 12 maart 2020 zijn genomen door de federale overheid in het kader van de COVID-19-pandemie. Verplichte sluitingen die als sanctie zijn opgelegd evenals verplichte sluitingen die beperkt zijn tot bepaalde uren van de dag, worden niet in aanmerking genomen;
  d) had voor de betrokken huurovereenkomst geen huurachterstallen op 12 maart 2020;
  e) kan op het moment van de kwijtschelding van de huurprijs en de huurvoordelen niet worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden als omschreven in artikel 2, § 1, 4° /2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
  2° Wanneer de huurder een vennootschap is, mag het geen verbonden vennootschap zijn als bedoeld in artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
  Wanneer de huurder een natuurlijke persoon is, mag deze zelf, noch zijn echtgenoot in de zin van artikel 2, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of een andere persoon die deel uitmaakt van zijn gezin, noch een van zijn kinderen, ascendenten of zijverwanten tot de tweede graad, of die van zijn echtgenoot of van een andere persoon die deel uitmaakt van zijn gezin:
  a) bij de belastingplichtige-verhuurder rechtstreeks of onrechtstreeks de in artikel 32, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, bedoelde functie van bedrijfsleider uitoefenen;
  b) bij de belastingplichtige-verhuurder als vaste vertegenwoordiger van een andere vennootschap een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functie uitoefenen;
  c) alleen of desgevallend samen aandelen bezitten die 30 pct. of meer van het in artikel 2, § 1, 6°, a, van hetzelfde Wetboek, bedoelde kapitaal van de belastingplichtige-verhuurder vertegenwoordigen;
  d) aandeelhouder zijn van een vennootschap waarmee de belastingplichtige-verhuurder een aannemings- of lastgevingsovereenkomst heeft gesloten om tegen vergoeding een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, financiële of technische aard op zich te nemen bij de belastingplichtige-verhuurder;
  3° de kwijtschelding van de huurprijs en de huurvoordelen is:
  a) gebaseerd op het opschorten van de verplichting voor de huurder tot het betalen van het geheel of een gedeelte van de huurprijs en de huurvoordelen voor de maanden maart, april of mei 2021, of voor meerdere van die maanden;
  b) vrijwillig en definitief toegestaan door de belastingplichtige-verhuurder;
  c) vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst afgesloten tussen de belastingplichtige-verhuurder en de huurder die door de belastingplichtige-verhuurder uiterlijk op 15 juli 2021 wordt bezorgd aan de dienst die wordt aangeduid door de administrateur-generaal van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit;
  4° in geval de huurprijs en de huurvoordelen voor het beroepsmatig aangewende gedeelte van het onroerend goed slechts gedeeltelijk wordt kwijtgescholden, wordt een bedrag van minstens 40 pct. van de huurprijs en de huurvoordelen met betrekking tot de betrokken maand of maanden kwijtgescholden.
  § 3. Het bedrag van de kwijtgescholden huurprijs en huurvoordelen waarvoor een belastingkrediet kan worden verleend, kan niet meer bedragen dan 5 000 euro per maand per huurovereenkomst, noch meer bedragen dan 45 000 euro per belastingplichtige-verhuurder.
  De in het eerste lid vermelde bedragen worden niet geïndexeerd overeenkomstig artikel 178 van hetzelfde Wetboek.
  § 4. Het belastingkrediet wordt verleend voor het belastbare tijdperk waartoe de periode behoort waarvoor de huurprijs en de huurvoordelen worden kwijtgescholden.
  Wanneer de periode waarvoor de huurprijs en de huurvoordelen worden kwijtgescholden, tot meer dan één belastbaar tijdperk behoort, gelden de in paragraaf 3, eerste lid, vermelde bedragen voor die belastbare tijdperken samen.
  § 5. Het belastingkrediet is gelijk aan 30 pct. van het in aanmerking te nemen bedrag van de kwijtgescholden huurprijs en huurvoordelen.
  Het belastingkrediet wordt volledig met de vennootschapsbelasting of met de belasting van niet-inwoners voor de in artikel 227, 2°, van hetzelfde Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vermelde niet-inwoners verrekend.
  § 6. De Koning kan nadere modaliteiten voor de toepassing van dit artikel vastleggen, onder meer met betrekking tot het leveren van het bewijs dat aan de voorwaarden voor de toepassing van het belastingkrediet is voldaan.

  Afdeling 3. - Antimisbruikbepaling

  Art. 15.[1 De bepalingen van de artikelen 13 en 14 van deze wet worden voor de toepassing van artikel 344, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 gelijkgesteld met een bepaling van dit Wetboek.]1
  ----------
  (1)<W 2021-07-18/03, art. 11, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2021>

  HOOFDSTUK 5. - AFSCHAFFING VAN HET BTW-VOORSCHOT DAT MOET WORDEN BETAALD IN DECEMBER

  Art. 16. In artikel 53octies, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en vervangen bij de wet van 17 december 2012, worden het derde en het vierde lid opgeheven.

  HOOFDSTUK 6. - AFSCHAFFING VAN HET VOORSCHOT OP DE BEDRIJFSVOORHEFFING DAT MOET WORDEN BETAALD IN DECEMBER

  Art. 17. In artikel 412 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 15 maart 1999, de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001 en de wetten van 22 december 2003, 19 december 2014 en 24 maart 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) het vierde en het vijfde lid worden opgeheven;
  b) in het zesde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "vermeld in het eerste tot vijfde lid" vervangen door de woorden "vermeld in het eerste tot derde lid".

  Art. 18. Artikel 414, § 1, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 juli 1992, wordt vervangen als volgt:
  "Wanneer de bedrijfsvoorheffing evenwel niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, is daarenboven voor de vervalmaand een interest verschuldigd voor een halve maand in de gevallen vermeld in artikel 412, tweede en derde lid.".

  HOOFDSTUK 7. - VERLAGING VAN DE INTERESTEN ZOALS VASTGELEGD IN HET WETBOEK VAN DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE, DE WET VAN 5 MEI 1865 BETREFFENDE DE LENING TEGEN INTEREST, EN DE ALGEMENE WET VAN 18 JULI 1977 INZAKE DOUANE EN ACCIJNZEN

  Art. 19.In afwijking van artikel 2, § 2, eerste lid, van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest, wordt voor de fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen waarvan de inning en de invordering verzekerd worden door de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering van de Federale Overheidsdienst Financiën, en zelfs als de fiscale bepalingen verwijzen naar de wettelijke rentevoet in burgerlijke zaken, en voor zover er niet expliciet wordt vanaf geweken in fiscale bepalingen:
  - de wettelijke rentevoet in fiscale zaken voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden [1 april, mei, juni, juli, augustus en september 2021]1 op de in te vorderen bedragen vastgesteld op 4 pct. per jaar;
  - de wettelijke rentevoet in fiscale zaken voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden [1 april, mei, juni, juli, augustus en september 2021]1 op de terug te betalen bedragen vastgesteld op 2 pct. per jaar.
  ----------
  (1)<W 2021-07-18/03, art. 12, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2021>

  Art. 20.In afwijking van artikel 91, §§ 1 en 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden [1 april, mei, juni, juli, augustus en september 2021]1 vastgesteld op 4 pct. per jaar.
  In afwijking van artikel 91, § 3, van hetzelfde Wetboek, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden [1 april, mei, juni, juli, augustus en september 2021]1 vastgesteld op 2 pct. per jaar.
  In afwijking van artikel 91, § 2bis, van hetzelfde Wetboek, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden [1 april, mei, juni, juli, augustus en september 2021]1 vastgesteld op 8 pct. per jaar.
  Wanneer de in te vorderen bedragen bedoeld in artikel 91, §§ 1 en 2, van hetzelfde Wetboek, opgenomen zijn in een innings- en invorderingsregister, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden [1 april, mei, juni, juli, augustus en september 2021]1 vastgesteld op 8 pct. per jaar, te rekenen vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister.
  Wanneer de in te vorderen bedragen bedoeld in artikel 91 van hetzelfde Wetboek, het voorwerp uitmaken van een gerechtelijke beslissing, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden [1 april, mei, juni, juli, augustus en september 2021]1 vastgesteld op 8 pct. per jaar, te rekenen vanaf het moment waarop deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
  ----------
  (1)<W 2021-07-18/03, art. 12, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2021>

  Art. 21.In afwijking van artikel 91, §§ 1 en 2, van hetzelfde Wetboek, zoals het gold alvorens te zijn gewijzigd door de wet van 26 november 2018, en zoals het toepasbaar blijft voor het geval bedoeld in artikel 19 van deze wet, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden [1 april, mei, juni, juli, augustus en september 2021]1 vastgesteld op 4 pct. per jaar.
  In afwijking van artikel 91, § 3, van hetzelfde Wetboek, zoals het gold alvorens te zijn gewijzigd door de wet van 26 november 2018, en zoals het toepasbaar blijft voor het geval bedoeld in artikel 19 van deze wet, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden [1 april, mei, juni, juli, augustus en september 2021]1 vastgesteld op 2 pct. per jaar.
  In afwijking van artikel 91, § 4, van hetzelfde Wetboek, zoals het gold alvorens te zijn gewijzigd door de wet van 26 november 2018, en zoals het toepasbaar blijft voor het geval bedoeld in artikel 19 van deze wet, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden [1 april, mei, juni, juli, augustus en september 2021]1 op de in te vorderen bedragen vastgesteld op 8 pct.
  Wanneer de in te vorderen bedragen bedoeld in artikel 91, §§ 1 en 2, van hetzelfde Wetboek, opgenomen zijn in een dwangbevel dat werd betekend of ter kennis gebracht, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden [1 april, mei, juni, juli, augustus en september 2021]1 vastgesteld op 8 pct. per jaar.
  Wanneer de in te vorderen bedragen bedoeld in artikel 91 van hetzelfde Wetboek, het voorwerp uitmaken van een gerechtelijke beslissing, wordt de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden [1 april, mei, juni, juli, augustus en september 2021]1 vastgesteld op 8 pct. per jaar, te rekenen vanaf het moment waarop deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
  ----------
  (1)<W 2021-07-18/03, art. 12, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2021>

  Art. 22.In afwijking van artikel 311, § 1, van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen, wordt bij laattijdige betaling van accijnzen of van andere belastingen die worden ingevorderd door de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen van de Federale Overheidsdienst Financiën, de rentevoet voor de interesten verschuldigd met betrekking tot de maanden [1 april, mei, juni, juli, augustus en september 2021]1, vastgelegd op 4 pct. per jaar.
  ----------
  (1)<W 2021-07-18/03, art. 12, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2021>

  HOOFDSTUK 8. - INWERKINGTREDING

  Art. 23. Titel 2 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2021.

  TITEL 3. - VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN

  ENIG HOOFDSTUK. - WIJZIGING VAN HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 10 NOVEMBER 2005 BETREFFENDE HEFFINGEN BEPAALD BIJ ARTIKEL 4 VAN DE WET VAN 9 DECEMBER 2004 BETREFFENDE DE FINANCIERING VAN HET FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN

  Art. 24. In artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 november 2005 betreffende heffingen bepaald bij artikel 4 van de wet van 9 december 2004 betreffende de financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, vervangen bij de wet van 22 december 2008 en gewijzigd bij de wetten van 25 december 2017 en 27 oktober 2020, wordt tussen het vierde en het vijfde lid een lid ingevoegd, luidende:
  "In afwijking van het eerste lid zijn de operatoren in de horecasector geen heffing verschuldigd voor het jaar 2021.".

  Art. 25. De Koning kan de bij dit hoofdstuk gewijzigde bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.

  TITEL 4. - ZELFSTANDIGEN

  ENIG HOOFDSTUK. - WIJZIGING VAN ARTIKEL 92TER VAN DE WET VAN 30 DECEMBER 1992 HOUDENDE SOCIALE EN DIVERSE BEPALINGEN, MET BETREKKING TOT DE INVOERING VAN EEN JAARLIJKSE BIJDRAGE TEN LASTE VAN DE VENNOOTSCHAPPEN BESTEMD VOOR HET SOCIAAL STATUUT DER ZELFSTANDIGEN OM IN 2021 DE BETAALDATUM VAN DE VERMELDE BIJDRAGE UIT TE STELLEN NAAR 31 DECEMBER 2021

  Art. 26. In artikel 92ter van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, met betrekking tot de invoering van een jaarlijkse bijdrage ten laste van de vennootschappen bestemd voor het sociaal statuut der zelfstandigen, ingevoegd bij de wet van 29 mei 2020, wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "In afwijking van artikel 92 van de wet van 30 december 1992 houdende sociale en diverse bepalingen dient de bijdrage die betrekking heeft op het jaar 2021 te worden geïnd vanaf 1 september 2021 en vereffend ten laatste op 31 december 2021 of uiterlijk de laatste dag van de derde maand volgend op de maand waarin de vennootschap werd opgericht of aan de belasting der niet-inwoners werd onderworpen, voor zover die laatste dag 31 december 2021 niet voorafgaat.".

  Art. 27. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2021 en is van toepassing op de bijdrage die betrekking heeft op het jaar 2021.

  TITEL 5. - DIVERSE ARBEIDSRECHTELIJKE MAATREGELEN

  HOOFDSTUK 1. - WIJZIGINGEN VAN DE WET VAN 20 DECEMBER 2020 HOUDENDE TIJDELIJKE ONDERSTEUNINGSMAATREGELEN TEN GEVOLGE VAN DE COVID-19-PANDEMIE

  Art. 28. In artikel 40, 1°, van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "Onder de openbare zorgsector wordt verstaan de openbare instellingen en diensten met als NACE-code 86101, 86102, 86103, 86104, 86109, 86210, 86901, 86903, 86904, 86905, 86906, 86909, 87101, 87109, 87201, 87202, 87203, 87204, 87205, 87209, 87301, 87302, 87303, 87304, 87309, 87901, 87902, 87909, 88101, 88102, 88103, 88104, 88109, 88911, 88912, 88919, 88991, 88992, 88993, 88994, 88996 en 88999.".

  Art. 29. Hetzelfde artikel 40, 1°, van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder de zorgsector eveneens verstaan: de private en openbare instellingen of diensten die belast zijn met de exploitatie van vaccinatiecentra in het kader van de strijd tegen het coronavirus COVID-19 en dit voor alle activiteiten die verband houden met de exploitatie van een vaccinatiecentrum.".

  Art. 30. In artikel 52 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 worden de woorden "voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021" telkenmale vervangen door de woorden "voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021";
  2° in paragraaf 3 worden de woorden "tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021" vervangen door de woorden "tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021";
  3° in paragraaf 4 worden de woorden "tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021" vervangen door de woorden "tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2021".

  Art. 31. Artikel 48 van dezelfde wet heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2020.

  Art. 32. In artikel 58, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "31 maart 2021" vervangen door de woorden "30 juni 2021, met uitzondering van artikel 46 dat buiten werking treedt op 31 maart 2021".

  HOOFDSTUK 2. - TIJDELIJKE SCHORSING VAN DE LOOPBAANONDERBREKING OF DE VERMINDERING VAN DE ARBEIDSPRESTATIES

  Art. 33. Een werknemer die zijn arbeidsprestaties onderbreekt of heeft verminderd in het kader van hoofdstuk IV, afdeling 5, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, kan met zijn werkgever overeenkomen om de betrokken onderbreking of vermindering van arbeidsprestaties tijdelijk te schorsen. Na afloop van de tijdelijke schorsing, wordt de oorspronkelijke onderbreking of vermindering van arbeidsprestaties onder de oorspronkelijke voorwaarden verdergezet voor de resterende duur.
  De tijdelijke schorsing van de onderbreking of vermindering van arbeidsprestaties is slechts mogelijk tijdens de lopende periode tot en met de datum van buitenwerkingtreding van dit hoofdstuk.
  De werknemer deelt de schorsing van de onderbreking of vermindering van arbeidsprestaties schriftelijk mee aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Deze Rijksdienst kan voorzien in een modelformulier om deze mededeling te verrichten.
  Tijdens de periode van schorsing van de onderbreking of de vermindering van arbeidsprestaties is er geen recht op uitkering.
  Zolang de werknemer en de werkgever gebruik maken van de bepalingen van dit artikel, kan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van de werknemer niet worden geschorst omwille van een gebrek aan werk wegens economische oorzaken.
  Zolang de werknemer en de werkgever gebruik maken van de bepalingen van dit artikel, kan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst evenmin worden geschorst omwille van tijdelijke werkloosheid wegens overmacht corona, tenzij de tijdelijke werkloosheid het gevolg is van een situatie van overmacht die zich voordoet in hoofde van de werknemer.

  HOOFDSTUK 3. - WIJZIGING VAN DE WET VAN 23 OKTOBER 2020 TOT HET OPENSTELLEN VAN TIJDELIJKE WERKLOOSHEID OVERMACHT CORONA VOOR WERKNEMERS IN DE GEVALLEN WAARIN HET ONMOGELIJK IS VOOR HUN KIND OM NAAR HET KINDERDAGVERBLIJF, DE SCHOOL, OF HET CENTRUM VOOR OPVANG VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP TE GAAN

  Art. 34. In artikel 3 van de wet van 23 oktober 2020 tot het openstellen van tijdelijke werkloosheid overmacht corona voor werknemers in de gevallen waarin het onmogelijk is voor hun kind om naar het kinderdagverblijf, de school, of het centrum voor opvang voor personen met een handicap te gaan, gewijzigd door de wet van 20 december 2020, worden de woorden "31 maart 2021" vervangen door de woorden "30 juni 2021".

  HOOFDSTUK 4. - UITBREIDING VAN DE MOGELIJKHEDEN TOT STUDENTENARBEID IN DE SECTOREN VAN HET ONDERWIJS EN DE ZORG DOOR DE TIJDENS HET TWEEDE KWARTAAL VAN 2021 GEPRESTEERDE UREN TE NEUTRALISEREN

  Art. 35. In afwijking van artikel 17bis, §§ 1 en 3, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, worden de tijdens het tweede kwartaal van 2021 gepresteerde uren in de zorgsector en in het onderwijs, in de zin zoals bedoeld in titel 5, hoofdstuk 3, van de wet van 20 december 2020 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, niet in aanmerking genomen voor de berekening van het jaarlijkse contingent van 475 uren.

  HOOFDSTUK 5. - VRIJSTELLING VAN DE VERPLICHTING TOT BETALING VAN EEN HALVE DAG GEWAARBORGD DAGLOON TENEINDE DE TIJDELIJKE WERKLOOSHEID VOOR EEN HALVE DAG TOE TE STAAN

  Art. 36. Dit hoofdstuk is van toepassing op de werknemers die worden tewerkgesteld op grond van een arbeidsovereenkomst dienstencheques bedoeld in artikel 7bis van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen, evenals op de werknemers die het vervoer van leerlingen van en naar onderwijsinstellingen als hoofdtaak hebben, en op de werkgevers die deze werknemers tewerkstellen.

  Art. 37. In afwijking van de bepalingen van artikel 27, § 1, 2°, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en voor zover de werknemer recht heeft op tijdelijke werkloosheid, is de werkgever geen loon verschuldigd aan de werknemer voor de arbeidsuren die ten belope van een halve werkdag wegvallen omwille van een onvoorzienbare en buiten de wil van de werkgever gelegen reden die het rechtstreeks gevolg is van de COVID-19-pandemie.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder halve werkdag begrepen, de arbeidsuren die door de werknemer voor minstens de helft van het op die dag toepasselijke uurrooster worden besteed aan het uitvoeren van een opdracht bij of voor een klant van de werkgever, die duidelijk onderscheiden is van een andere opdracht die tijdens het andere gedeelte van de werkdag wordt uitgevoerd.

  Art. 38. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt en treedt buiten werking op 30 juni 2021.

  HOOFDSTUK 6. . -TOEKENNING VAN EEN DOELGROEPVERMINDERING AAN BEPAALDE CATEGORIEEN VAN WERKGEVERS BEHORENDE TOT DE EVENEMENTENSECTOR

  Art. 39. Er wordt een doelgroepvermindering toegekend volgens de voorwaarden en modaliteiten bepaald in de artikelen 41 tot en met 43 aan de werkgevers en de personen die hiermee worden gelijkgesteld, bedoeld in artikel 1, § 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en die onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités en die ressorteren onder het paritair comité voor het vermakelijkheidsbedrijf of wiens hoofdactiviteit in de evenementensector bestaat uit:
  1° de beoefening van uitvoerende kunsten;
  2° de promotie en organisatie van uitvoerende kunstevenementen;
  3° het ontwerp en bouw van podia;
  4° de gespecialiseerde beeld-, verlichtings- en geluidstechnieken;
  5° ondersteunende activiteiten voor de uitvoerende kunsten;
  6° de beoefening van scheppende kunsten;
  7° ondersteunende activiteiten voor scheppende kunsten;
  8° de exploitatie van schouwburgen, theaters, concertzalen, music-halls, cabarets en andere accomodaties voor podiumkunst;
  9° de exploitatie van geluidsopnamestudio's voor rekening van derden;
  10° het beheer en exploitatie van culturele centra en multifunctionele zalen ten behoeve van culturele activiteiten;
  11° de organisatie van congressen en beurzen;
  12° de organisatie van sportevenementen.

  Art. 40. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° "doelgroepvermindering": de vermindering van bijdragen bedoeld in Titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, van de programmawet (I) van 24 december 2002;
  2° "voltijds equivalente werknemer": een voltijdse werknemer met volledige prestaties;
  3° "tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische redenen": de afwezigheid op het werk wegens schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of wegens invoering van een regeling van gedeeltelijke arbeid ingevolge artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, bedoeld in artikel 55 van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, alsook de regeling van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor bedienden en regeling van gedeeltelijke arbeid bedoeld in hoofdstuk II/1 van titel III van de voormelde wet van 3 juli 1978;
  4° "G7": het verminderingsbedrag bedoeld in artikel 336 van de voormelde programmawet (I) van 24 december 2002.

  Art. 41. De artikelen 324 tot en met 328, 335 tot en met 338, 353ter en 353quater van de voormelde programmawet (I) van 24 december 2002 alsook de artikelen 2 en 4 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen vinden toepassing op de doelgroepverminderingen toegekend in toepassing van dit hoofdstuk, onder voorbehoud van de in dit hoofdstuk bepaalde nadere regelen.

  Art. 42. Om aanspraak te kunnen maken op de doelgroepvermindering bedoeld in artikel 39 en het recht daarop te behouden, moet de werkgever:
  1° de werknemers waarvoor hij de doelgroepvermindering toepast ononderbroken in dienst houden gedurende de kwartalen waarop deze doelgroepvermindering betrekking heeft, behoudens indien de werknemer zelf ontslag neemt, ontslagen wordt om dringende redenen, tijdskrediet of thematisch verlof opneemt;
  2° in 2021 aan alle werknemers een concreet en individueel opleidingsaanbod doen voor ten minste 5 volledige dagen per voltijds equivalente werknemer in 2021. Het betreft zowel de werknemers waarvoor de doelgroepvermindering wordt toegekend als de andere werknemers en ongeacht of zij zich al dan niet in een situatie van tijdelijke werkloosheid bevinden. De werkgever kan het aantal opleidingsdagen voor een deeltijdse werknemer proportioneel verminderen in verhouding tot de contractuele arbeidsduur van de betrokken werknemer;
  3° zich in 2021 onthouden van:
  a) het uitkeren van dividenden aan aandeelhouders;
  b) het uitkeren van bonussen aan de leden van de Raad van Bestuur en het leidinggevend personeel van de onderneming;
  c) het inkopen van eigen aandelen;
  4° de ondernemingsraad, of de vakbondsafvaardiging bij ontstentenis van een ondernemingsraad, of de werknemers bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging, informeren over de toepassing van dit hoofdstuk binnen de onderneming en de voorwaarden waaraan de werkgever moet voldoen, in het bijzonder over het opleidingsaanbod, en hierover overleggen;
  5° garanderen dat de som van het aantal dagen tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge het coronavirus COVID-19 en het aantal dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische redenen die zijn aangegeven in de multifunctionele kwartaalaangifte bedoeld in artikel 21 van de voormelde wet van 27 juni 1969 in ieder kwartaal waarop deze doelgroepvermindering betrekking heeft niet hoger is dan de som van het aantal dagen tijdelijke werkloosheid wegens overmacht ingevolge het coronavirus COVID-19 en het aantal dagen tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische redenen die zijn aangegeven in de multifunctionele kwartaalaangifte van het eerste kwartaal 2021.

  Art. 43. Een doelgroepvermindering G7 wordt toegekend voor 5 werknemers voor het tweede en derde kwartaal 2021.

  Art. 44. De sociaal inspecteurs van de volgende diensten of instellingen zijn belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk:
  1° de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  2° het Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen;
  3° de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
  4° de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
  5° de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
  6° het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeits-verzekering.
  De sociaal inspecteurs beschikken over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 23 tot 39 en 43 tot 49 van het Sociaal Strafwetboek wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk.

  HOOFDSTUK 7. - TOEKENNING VAN EEN VERMINDERING VAN SOCIALEZEKERHEIDSBIJDRAGEN AAN BEPAALDE CATEGORIEEN VAN WERKGEVERS BEHORENDE TOT DE REISSECTOR

  Art. 45. Een vermindering van werkgeversbijdragen wordt toegekend overeenkomstig de in artikelen 47 tot en met 50 bepaalde voorwaarden en modaliteiten aan de werkgevers en de personen die hiermee worden gelijkgesteld, bedoeld in artikel 1, § 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders die:
  1° onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten;
  2° een hoofdactiviteit als reisbureau of reisorganisator hebben;
  3° gedurende de periode vanaf het tweede kwartaal 2020 tot en met het laatste kwartaal waarop de vermindering betrekking heeft, verzekerd zijn tegen insolventie overeenkomstig voormelde wet van 21 november 2017 en zijn bijlagen.

  Art. 46. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° "netto werkgeversbijdrage": het bedrag van de globale werkgeversbijdrage verminderd met de verminderingen van socialezekerheidsbijdragen bedoeld in Titel IV, hoofdstuk 7, van de programmawet (I) van 24 december 2002;
  2° "globale werkgeversbijdrage": de globale bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3, 1°, 2° of 3° en artikel 38, § 3bis, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, waarbij geen rekening wordt gehouden met de loonmatigingsbijdrage bedoeld in artikel 38, § 3bis, eerste lid, van dezelfde wet, die niet werd berekend op de werkgeversbijdragen bedoeld in voornoemd artikel 38, § 3, 1°, 2° of 3° en 8°, en § 3bis, eerste en tweede lid van dezelfde wet en waarbij evenmin rekening wordt gehouden met het enkel vertrekvakantiegeld zoals bedoeld in artikel 23bis § 1, 3°, van de voormelde wet van 29 juni 1981;
  3° "doelgroepvermindering": de vermindering van bijdragen bedoeld in Titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, van de programmawet (I) van 24 december 2002;
  4° "G7": het verminderingsbedrag bedoeld in artikel 336 van de voormelde programmawet (I) van 24 december 2002;
  5° "µ(glob)": de som van alle tewerkstellingen van een werknemer bij een en dezelfde werkgever tijdens een kwartaal bedoeld in artikel 2, 2°, h), van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet (I) van 24 december 2002, betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen.

  Art. 47.Om aanspraak te kunnen maken op de bijdrageverminderingen bedoeld in artikel 45 en het recht daarop te behouden, moet de werkgever:
  1° zich ertoe engageren alle in dienst zijnde werknemers van 1 april 2021 tot en met 30 [1 september]1 2021 ononderbroken in dienst te houden behoudens indien de werknemer zelf ontslag neemt of ontslagen wordt om dringende redenen.
  [1 Om de vermindering te verkrijgen voor het tweede kwartaal 2021 mag de som van de tewerkstellingen van alle werknemers bij de werkgever tijdens het tweede kwartaal 2021 niet kleiner zijn dan in het eerste kwartaal 2021, waarbij deze tewerkstellingen worden berekend op basis van de µ(glob).
   Om de vermindering te verkrijgen voor het derde kwartaal 2021 mag de som van de tewerkstellingen van alle werknemers bij de werkgever tijdens het derde kwartaal 2021 niet kleiner zijn dan in het eerste kwartaal 2021, waarbij deze tewerkstellingen worden berekend op basis van de µ(glob);]1
  2° alle werknemers een concreet en individueel opleidingsaanbod doen dat overeenstemt met ten minste 20 % van hun contractuele arbeidsduur in het eerste en tweede kwartaal 2021. Het betreft alle werknemers ongeacht of zij zich al dan niet in een situatie van tijdelijke werkloosheid bevinden. Deze opleidingen dienen uiterlijk 31 december 2021 te zijn gevolgd;
  3° zich in 2021 onthouden van:
  a) het uitkeren van dividenden aan aandeelhouders;
  b) het uitkeren van bonussen aan de leden van de Raad van Bestuur en het leidinggevend personeel van de onderneming;
  c) het inkopen van eigen aandelen;
  4° de ondernemingsraad, of de vakbondsafvaardiging bij ontstentenis van een ondernemingsraad, of de werknemers bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging, informeren over de toepassing van dit hoofdstuk binnen de onderneming en de voorwaarden waaraan de werkgever moet voldoen, in het bijzonder over het opleidingsaanbod, en hierover overleggen.
  ----------
  (1)<W 2021-07-18/03, art. 34, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2021>

  Art. 48.Teneinde aanspraak te kunnen maken op de in dit hoofdstuk bepaalde verminderingen van socialezekerheidsbijdragen, moet de werkgever uiterlijk 30 juni 2021 hiertoe een aanvraag indienen bij de Rijksdienst voor Sociale zekerheid, met behulp van een hiertoe door de voormelde Rijksdienst ter beschikking gestelde beveiligde elektronische toepassing. [1 In afwijking op het vorige lid, kan de werkgever voor wat betreft de verminderingen met betrekking tot het derde kwartaal 2021, een aanvraag indienen tot uiterlijk 30 september 2021.]1
  Bij deze aanvraag wordt het engagement bedoeld in artikel 47, 1°, gevoegd, evenals het engagement om de bepalingen van artikel 47, 2°, 3° en 4°, na te leven.
  De werkgever die niet in België, maar in een andere lidstaat van de Europese Unie een verzekering tegen insolventie onderschreven heeft overeenkomstig voormelde wet van 21 november 2017 en zijn bijlagen, dient het bewijs van verzekering mee te delen aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid volgens de nadere regels bepaald door de voormelde Rijksdienst.
  ----------
  (1)<W 2021-07-18/03, art. 35, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2021>

  Art. 49. Aan de werkgevers bedoeld in artikel 45 wordt een vermindering van werkgeversbijdragen toegekend voor het tweede en vierde kwartaal 2020 en voor het eerste kwartaal 2021 waarvan het totaalbedrag overeenstemt met de som van de netto werkgeversbijdrage voor het tweede kwartaal 2020, de netto werkgeversbijdrage voor het vierde kwartaal 2020 en de netto werkgeversbijdrage voor het eerste kwartaal 2021.
  § 2. De bijdragevermindering bedoeld in paragraaf 1 wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid berekend en toegekend in twee fasen.
  § 3. In de eerste fase berekent de voormelde Rijksdienst het bedrag van de bijdragevermindering voor het tweede kwartaal 2020 en het vierde kwartaal 2020 waarvan het bedrag overeenkomt met het bedrag van de netto werkgeversbijdrage voor het tweede kwartaal 2020 en de netto werkgeversbijdrage voor het vierde kwartaal 2020.
  Het bedrag van deze bijdragevermindering wordt eerst ambtshalve aangerekend ter betaling van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verschuldigde bedragen die betrekking hebben op het eerste kwartaal 2021 en vervolgens, in voorkomend geval, op de overige aan de voormelde Rijksdienst verschuldigde bedragen en dit met aanwending op de oudste schuld overeenkomstig artikel 25, van de voormelde wet van 27 juni 1969.
  Indien er na toerekening een saldo overblijft, kan de werkgever om de uitbetaling ervan verzoeken. Wanneer de werkgever niet om uitbetaling verzoekt, zal het saldo aangewend worden voor de eerstkomende nog te vervallen bedragen verschuldigd aan de voormelde Rijksdienst.
  § 4. In de tweede fase berekent de voormelde Rijksdienst, op basis van de multifunctionele kwartaalaangifte bedoeld in artikel 21 van de voormelde wet van 27 juni 1969 van het eerste kwartaal 2021, het bedrag van de bijdragevermindering voor het eerste kwartaal 2021 dat overeenstemt met het bedrag van de netto werkgeversbijdrage voor dat kwartaal.
  Het bedrag van deze bijdragevermindering wordt eerst ambtshalve aangewend ter betaling van de aan de Rijksdienst verschuldigde bedragen die betrekking hebben op het tweede kwartaal 2021, en vervolgens, in voorkomend geval, op de overige aan de Rijksdienst verschuldigde bedragen en dit met aanwending op de oudste schuld overeenkomstig artikel 25, van de voormelde wet van 27 juni 1969.
  Indien er na toerekening een saldo overblijft, kan de werkgever om de uitbetaling ervan verzoeken. Wanneer de werkgever niet om uitbetaling verzoekt, zal het saldo aangewend worden voor de eerstkomende nog te vervallen bedragen verschuldigd aan de voormelde Rijksdienst.
  § 5. In afwijking van artikel 325, tweede lid, van de voormelde programmawet (I) van 24 december 2002, zijn de structurele vermindering en de doelgroepverminderingen voor één bepaalde tewerkstelling cumuleerbaar met de vermindering der werkgeversbijdragen bedoeld in dit artikel.
  § 6. Indien de werkgever niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 47, dan wordt de bijdragevermindering geannuleerd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. Wanneer de bijdragevermindering wordt geannuleerd, is de werkgever ertoe gehouden zijn werkgeversrekening bij de voormelde Rijksdienst aan te zuiveren binnen de dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van het verzoek tot aanzuivering. In voorkomend geval, is de werkgever ertoe gehouden de saldi die in toepassing van paragraaf 3, derde lid, en paragraaf 4, derde lid, onterecht werden uitbetaald, aan de voormelde Rijksdienst terug te betalen binnen de dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van het verzoek tot terugbetaling. Bij gebreke aan tijdige aanzuivering en terugbetaling, gaat de voormelde Rijksdienst over tot invordering overeenkomstig artikel 40 van de voormelde wet van 27 juni 1969.

  Art. 50.§ 1. Aan de werkgevers bedoeld in artikel 45 wordt eveneens voor alle werknemers een doelgroepvermindering G7 toegekend voor het tweede [1 en/of derde]1 kwartaal 2021.
  § 2. De artikelen 324 tot en met 328, 335 tot en met 338, 353ter en 353quater van de voormelde programmawet (I) van 24 december 2002 alsook de artikelen 2 en 4 van het koninklijk besluit van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen vinden toepassing op de doelgroep vermindering toegekend in toepassing van dit artikel, onder voorbehoud van de in dit hoofdstuk bepaalde nadere regelen.
  § 3. [2 ...]2
  § 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de doelgroepvermindering en het aantal werknemers waarvoor de doelgroepvermindering kan worden toegekend, wijzigen.
  ----------
  (1)<W 2021-07-18/03, art. 36, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2021>
  (2)<W 2021-07-18/03, art. 37, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2021>

  Art. 51. De sociaal inspecteurs van de volgende diensten of instellingen zijn belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk:
  1° de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  2° het Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen;
  3° de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
  4° de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
  5° de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
  6° het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeitsverzekering."
  De sociaal inspecteurs beschikken over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 23 tot 39 en 43 tot 49 van het Sociaal Strafwetboek wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk.

  HOOFDSTUK 8. - TOEKENNING VAN EEN DOELGROEPVERMINDERING AAN BEPAALDE CATEGORIEEN VAN WERKGEVERS BEHORENDE TOT DE HOTELSECTOR

  Art. 52.Er wordt een doelgroepvermindering toegekend volgens de voorwaarden en modaliteiten bepaald in de artikelen 54 tot en met 56 aan de werkgevers en de personen die hiermee worden gelijkgesteld, bedoeld in artikel 1, § 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders,
  1° die ressorteren onder het paritair comité voor het hotelbedrijf en die als hoofdactiviteit het uitbaten van een hotel of het verschaffen van accommodatie hebben of een vestigingseenheid hebben die deze activiteit uitoefent en
  2° a) [1 die de hoedanigheid van belastingplichtige hebben bedoeld in artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek, met uitsluiting van de btw-eenheden bedoeld in artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, en die ertoe gehouden zijn periodieke btw-aangiften in te dienen bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek wanneer en voor zover de betreffende werkgevers te maken hebben met een ver-mindering met ten minste 60 % van de omzet die resulteert uit de handelingen die moeten worden opgenomen in kader 2 van de periodieke btw-aangiften bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek met betrekking tot het tweede kwartaal 2021, ten opzichte van de omzet die resulteert uit dezelfde handelingen die moesten worden opgenomen in de periodieke btw-aangiften met betrekking tot het tweede kwartaal 2019, om deze doelgroepvermindering te kunnen genieten voor het tweede kwartaal 2021 of met betrekking tot het derde kwartaal 2021, ten opzichte van de omzet die resulteert uit dezelfde handelingen die moesten worden opgenomen in de periodieke btw-aangiften met betrekking tot het derde kwartaal 2019 om deze doelgroepvermindering te kunnen genieten voor het derde kwartaal 2021;]1
  b) die de hoedanigheid van belastingplichtige hebben bedoeld in artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek en die er niet toe gehouden zijn periodieke btw-aangiften in te dienen bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek of die niet de hoedanigheid van belastingplichtige hebben bedoeld in artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek en voor zover de betrokken werkgever geconfronteerd wordt met een vermindering met ten minste 60 % van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven loonmassa voor het tweede kwartaal 2021 ten opzichte van het tweede kwartaal 2019 [2 om deze doelgroepvermindering te kunnen genieten voor het tweede kwartaal 2021 en met een vermindering met ten minste 60 % van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven loonmassa voor het derde kwartaal 2021 ten opzichte van het derde kwartaal 2019 om deze doelgroepvermindering te kunnen genieten voor het derde kwartaal 2021]2.
  ----------
  (1)<W 2021-07-18/03, art. 38, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2021>
  (2)<W 2021-07-18/03, art. 39, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2021>

  Art. 53. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
  1° "doelgroepvermindering": de vermindering van bijdragen bedoeld in Titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, van de programmawet (I) van 24 december 2002;
  2° "voltijds equivalente werknemer": een voltijdse werknemer met volledige prestaties;
  3° "G7": het verminderingsbedrag bedoeld in artikel 336 van de voormelde programmawet (I) van 24 december 2002;
  4° "vestigingseenheid": een plaats die men geografisch gezien kan identificeren door een adres, waar ten minste een activiteit van de geregistreerde entiteit wordt uitgeoefend of van waaruit de activiteit wordt uitgeoefend;
  5° "µ(glob)": de som van alle tewerkstellingen van een werknemer bij een en dezelfde werkgever tijdens een kwartaal bedoeld in artikel 2, 2°, h), van het hoger vermeld koninklijk besluit van 16 mei 2003.

  Art. 54. De artikelen 324 tot en met 328, 335 tot en met 338, 353ter en 353quater van de voormelde programmawet (I) van 24 december 2002 alsook de artikelen 2 en 4 van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen vinden toepassing op de doelgroepverminderingen toegekend in toepassing van dit hoofdstuk.

  Art. 55. Om aanspraak te kunnen maken op de doelgroepvermindering bedoeld in artikel 52 en het recht daarop te behouden, moet de werkgever:
  1° de werknemers waarvoor hij de doelgroepvermindering toepast ononderbroken in dienst houden gedurende het kwartaal waarop deze doelgroepvermindering betrekking heeft, behoudens indien de werknemer zelf ontslag neemt, ontslagen wordt om dringende redenen, tijdskrediet of thematisch verlof opneemt;
  2° in 2021 aan alle werknemers een concreet en individueel opleidingsaanbod doen voor ten minste 5 volledige dagen per voltijds equivalente werknemer in 2021. Het betreft zowel de werknemers waarvoor de doelgroepvermindering wordt toegekend als de andere werknemers en ongeacht of zij zich al dan niet in een situatie van tijdelijke werkloosheid bevinden. De werkgever kan het aantal opleidingsdagen voor een deeltijdse werknemer proportioneel verminderen in verhouding tot de contractuele arbeidsduur van de betrokken werknemer;
  3° zich in 2021 onthouden van:
  a) het uitkeren van dividenden aan aandeelhouders;
  b) het uitkeren van bonussen aan de leden van de Raad van Bestuur, en het leidinggevend personeel van de onderneming;
  c) het inkopen van eigen aandelen;
  4° de ondernemingsraad, of de vakbondsafvaardiging bij ontstentenis van een ondernemingsraad, of de werknemers bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging, informeren over de toepassing van dit hoofdstuk binnen de onderneming en de voorwaarden waaraan de werkgever moet voldoen, in het bijzonder over het opleidingsaanbod, en hierover overleggen.

  Art. 56.Voor het tweede [1 en/of derde]1 kwartaal 2021, wordt een doelgroepvermindering G7 wordt toegekend voor vijf werknemers behorende tot het paritair comité voor het hotelbedrijf per vestigingseenheid die een hotel uitbaat of accommodatie verschaft.
  ----------
  (1)<W 2021-07-18/03, art. 40, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2021>

  Art. 57. De sociaal inspecteurs van de volgende diensten of instellingen zijn belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk:
  1° de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  2° het Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen;
  3° de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
  4° de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;
  5° de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
  6° het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  De sociaal inspecteurs beschikken over de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 23 tot 39 en 43 tot 49 van het Sociaal Strafwetboek wanneer zij, ambtshalve of op verzoek, optreden in het kader van hun opdracht tot informatie, bemiddeling en toezicht inzake de naleving van de bepaling van dit hoofdstuk.

  HOOFDSTUK 9. - INWERKINGTREDING EN TEMPORELE TOEPASSING

  Art. 58.Deze titel heeft uitwerking met ingang van 1 april 2021, met uitzondering van:
  - artikel 29 dat uitwerking heeft met ingang van 15 februari 2021,
  - artikel 31 dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2020, en
  - artikel 32 dat uitwerking heeft met ingang van 31 maart 2021.
  [1 Hoofdstuk 2 van deze titel treedt buiten werking op 30 september 2021.]1
  ----------
  (1)<W 2021-07-18/03, art. 31, 002; Inwerkingtreding : 30-06-2021>

  Hoofdstuk 2. van deze titel treedt buiten werking op 30 juni 2021.

  TITEL 6. - SOCIALE ZAKEN

  HOOFDSTUK 1. - VERLENGING VAN DE TOEPASSING VAN HET KONINKLIJK BESLUIT NR. 22 VAN 4 JUNI 2020 TOT OPRICHTING VAN EEN SCHADELOOSSTELLINGFONDS VOOR DE VRIJWILLIGERS COVID-19-SLACHTOFFERS

  Art. 59. In artikel 6, 2°, van het koninklijk besluit nr. 22 van 4 juni 2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 40 van 26 juni 2020, worden de woorden "de wet van 18 juli 2018 betreffende de economische relance en de versterking van de sociale cohesie" vervangen door de woorden "de wet van 24 december 2020 betreffende het verenigingswerk".

  Art. 60. In artikel 30 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 40 van 26 juni 2020 en bij de wet van 20 december 2020, wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "Dit besluit is van toepassing op sterfgevallen die zich voordoen in de periode tussen 10 maart 2020 en 1 januari 2022.".

  Art. 61. Artikel 59 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2021.
  Artikel 60 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2021.

  HOOFDSTUK 2. - TIJDELIJKE UITBREIDING VAN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN DE WET VAN 3 JULI 2005 BETREFFENDE DE RECHTEN VAN VRIJWILLIGERS TOT DE ORGANISATIES DIE DOOR DE BEVOEGDE OVERHEID ZIJN ERKEND VOOR DE BIJSTAND AAN EN DE ZORG VOOR BEJAARDEN EN VOOR DE OPVANG EN DE HUISVESTING VAN BEJAARDEN IN DE PRIVATE COMMERCIELE SECTOR

  Art. 62. § 1. De definitie van de term "organisatie" zoals vermeld in artikel 3, 3°, van de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van vrijwilligers wordt uitgebreid tot de organisaties die niet als vereniging zonder winstoogmerk zijn opgericht en die door de bevoegde overheid zijn erkend voor de bijstand aan en de zorg voor bejaarden en voor de opvang en de huisvesting van bejaarden.
  § 2. De organisaties bedoeld in paragraaf 1 zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de voormelde wet van 3 juli 2005 voor de periodes waarin zij een werknemer die in tijdelijke werkloosheid wordt gesteld in de door hem uitgeoefende functie vervangen door een vrijwilliger.

  Art. 63. Artikel 62 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021.

  TITEL 7. - PENSIOENEN

  ENIG HOOFDSTUK. - WIJZIGING VAN DE WET VAN 7 MEI 2020 BETREFFENDE UITZONDERLIJKE MAATREGELEN IN HET KADER VAN DE COVID-19-PANDEMIE MET BETREKKING TOT PENSIOENEN, AANVULLENDE PENSIOENEN EN ANDERE AANVULLENDE VOORDELEN INZAKE SOCIALE ZEKERHEID

  Art. 64. In artikel 14 van de wet van 7 mei 2020 houdende uitzonderlijke maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie met betrekking tot de pensioenen, de aanvullende pensioenen en de andere aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, ingevoegd bij de programmawet van 20 december 2020, worden de woorden "31 maart 2021" telkens vervangen door de woorden "30 juni 2021".

  Art. 65. In artikel 16, § 1, derde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de programmawet van 20 december 2020, worden de woorden "31 maart 2021" vervangen door de woorden "30 juni 2021".

  TITEL 8. - SOCIALE BIJSTAND

  HOOFDSTUK 1. - WIJZIGING VAN HET KONINKLIJK BESLUIT NR. 47 VAN 26 JUNI 2020 TOT UITVOERING VAN ARTIKEL 5, § 1, 3° VAN DE WET VAN 27 MAART 2020 DIE MACHTIGING VERLEENT AAN DE KONING OM MAATREGELEN TE NEMEN IN DE STRIJD TEGEN DE VERSPREIDING VAN HET CORONAVIRUS COVID-19, MET HET OOG OP HET TOEKENNEN VAN EEN TIJDELIJKE PREMIE AAN DE GERECHTIGDEN OP BEPAALDE SOCIALE BIJSTANDSUITKERINGEN

  Art. 66. In artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 47 van 26 juni 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 3° van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), met het oog op het toekennen van een tijdelijke premie aan de gerechtigden op bepaalde sociale bijstandsuitkeringen, bekrachtigd bij de wet van 24 december 2020, worden de woorden "negen opeenvolgende maanden" vervangen door de woorden "twaalf opeenvolgende maanden".

  HOOFDSTUK 2. - WIJZIGING VAN DE WET VAN 26 MEI 2002 BETREFFENDE HET RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE, MET HET OOG OP DE VERLENGING VAN DE TIJDELIJKE VERHOGING VAN HET TERUGBETALINGSPERCENTAGE VAN HET LEEFLOON DOOR DE STAAT TEN AANZIEN VAN DE OCMW'S IN HET KADER VAN COVID-19

  Art. 67. In artikel 43/4 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden de woorden "aanvraag is ingediend tussen 1 juni 2020 en 31 maart 2021" vervangen door de woorden "aanvraag is ingediend tussen 1 juni 2020 en 30 juni 2021";
  2° in het tweede lid worden de woorden "tussen 1 juni 2020 en 31 maart 2021" "vervangen door de woorden "tussen 1 juni 2020 en 30 juni 2021".

  HOOFDSTUK 3. - WIJZIGING VAN DE WET VAN 26 MEI 2002 BETREFFENDE HET RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE, MET HET OOG DE TOELAGE VAN HET GEINDIVIDUALISEERDE PROJECT VOOR MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE

  Art. 68. Artikel 43/2 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende:
  " § 5. In afwijking van de voorgaande paragrafen, bedraagt het bedrag van de bijzondere toelage voorzien in de voorgaande paragrafen 20 % van het toegekende bedrag van het leefloon wanneer de begunstigde jonger is dan 25 jaar of wanneer hij onder artikel 11, § 2, eerste lid, (a), valt.
  Deze afwijking geldt alleen voor de leefloonbedragen die toegekend zijn tussen 1 april 2021 en 30 juni 2021.".

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 2 april 2021.
FILIP
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
A. DE CROO
De Minister van Werk,
P.-Y. DERMAGNE
De Minister van Financiën,
V. VAN PETEGHEM
De Minister van Sociale Zaken,
Fr. VANDENBROUCKE
De Minister van Zelfstandigen,
D. CLARINVAL
De Minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie,
K. LALIEUX
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
V. VAN QUICKENBORNE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 18-07-2021 GEPUBL. OP 29-07-2021
    (GEWIJZIGDE ART. : 14; 15; 19; 20; 21; 22)
    (GEWIJZIGD ART. : 58)
    (GEWIJZIGDE ART. : 47; 48; 50; 52; 56)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
        Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) : Stukken : 55-1851. Integraal verslag : 1 april 2021.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie