einde

Publicatie : 2020-12-24

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE

20 DECEMBER 2020. - Wet houdende diverse tijdelijke en structurele bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (1)



FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
HOOFDSTUK 2. - Eedaflegging bij schriftelijke verklaring
Art. 2. Artikel 291 van het Gerechtelijk Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 juli 2017, wordt vervangen als volgt :
"Art. 291. Onverminderd artikel 289, eerste lid, en wanneer de installatie of de eedaflegging wegens buitengewone omstandigheden niet overeenkomstig de artikelen 288 en 289, tweede en derde lid, kan geschieden, wordt de bij het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed persoonlijk of schriftelijk afgelegd :
a)door de voorzitters, de raadsheren, de eerste advocaten-generaal, de advocaten-generaal, de referendarissen, de hoofdgriffier, de griffiers en de personeelsleden van niveau A, van of bij het Hof van Cassatie in handen van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie;
b) door de federale procureur en de federale magistraten in handen van de voorzitter van het College van procureurs-generaal;
c) door de andere in artikel 288 genoemde personen naargelang het geval in handen van de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof.
Wanneer de eed schriftelijk wordt afgelegd, wordt hij gedateerd, ondertekend en, naargelang het geval, meegedeeld aan de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, het hof van beroep of het arbeidshof of aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal.".
Art. 3. In artikel 291bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 februari 1997 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt tussen het eerste en het tweede lid, een lid ingevoegd, luidende :
"Wanneer wegens buitengewone omstandigheden de in het eerste lid bedoelde eed niet persoonlijk kan worden afgelegd, wordt hij schriftelijk afgelegd en gedateerd en ondertekend meegedeeld aan de in het eerste lid bedoelde personen.".
Art. 4. De eedafleggingen bedoeld in de artikelen 429, 517, 555/14 en 555/15 van het Gerechtelijk Wetboek en in artikel 47 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt kunnen schriftelijk gebeuren.
Ze worden gedateerd, ondertekend, en schriftelijk meegedeeld aan de instantie bedoeld in de in het eerste lid opgesomde artikelen.
Voor de eedafleggingen bedoeld in de artikelen 555/14 en 555/15 van het Gerechtelijk Wetboek, geldt de handtekening op de schriftelijke eedaflegging ook als neerlegging van het specimen van de handtekening.
Art. 5. Artikel 4 is van toepassing tot 31 maart 2021.
HOOFDSTUK 3. - Tijdelijke verhoging van de inbeslagnemingsdrempels bedoeld in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 6. De bedragen die worden vermeld in artikel 1409, § 1, eerste tot vierde lid, en § 1bis, eerste tot vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, aangepast bij het koninklijk besluit van 9 december 2019 tot uitvoering van artikel 1409, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, worden tijdelijk verhoogd als volgt :
1° het bedrag van 27 000 frank, aangepast tot 1 138 euro, wordt verhoogd tot 1 366 euro;
2° het bedrag van 29 000 frank, aangepast tot 1 222 euro, wordt verhoogd tot 1 467 euro;
3° het bedrag van 32 000 frank, aangepast tot 1 349 euro, wordt verhoogd tot 1 619 euro;
4° het bedrag van 35 000 frank, aangepast tot 1 475 euro, wordt verhoogd tot 1 770 euro;
5° het bedrag van 50 euro, aangepast tot 70 euro, wordt verhoogd tot 84 euro.
Art. 7. Dit hoofdstuk is van toepassing tot 31 maart 2021.
HOOFDSTUK 4. - Bepaling betreffende de strafuitvoeringskamers
Art. 8. In afwijking van artikel 76, § 4, eerste lid, eerste zin, van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen de strafuitvoeringskamers ten aanzien van de veroordeelden die in de gevangenis verblijven tot 31 maart 2021 ook zetelen in een rechtbank van eerste aanleg gevestigd in het rechtsgebied van het hof van beroep.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 10 april 2014 tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken
Art. 9. In artikel 28 van de wet van 10 april 2014 tot wijziging van verschillende bepalingen met het oog op de oprichting van een nationaal register voor gerechtsdeskundigen en tot oprichting van een nationaal register voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, vervangen bij de wet van 5 mei 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "vijf jaar na deze datum" vervangen door de woorden "op 1 december 2022";
2° in het derde en het vierde lid worden de woorden "30 november 2021" telkens vervangen door de woorden "30 november 2022".
Art. 10. In artikel 29 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 5 mei 2019, worden de volgende wijzingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "vijf jaar na deze datum" vervangen door de woorden "op 1 december 2022";
2° in het derde en het vierde lid worden de woorden "30 november 2021" telkens vervangen door de woorden "30 november 2022".
HOOFDSTUK 6. - Gratis notariële volmachten tijdens de COVID-19-crisis
Art. 11. In artikel 7, eerste lid, van de wet van 30 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie en het notariaat in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 juni 2020, worden de woorden "31 december 2020" telkens vervangen door de woorden "31 maart 2021".
HOOFDSTUK 7. - Aanpassingen aangaande het authentiek testament
Art. 12. Artikel 971 van het oud Burgerlijk Wetboek, vervangen bij de wet van 16 december 1922, wordt tijdelijk gelezen als volgt :
"Art. 971. Een testament bij openbare akte is het testament dat verleden wordt voor een notaris.".
Art. 13. Artikel 972 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 16 december 1922, 6 mei 2009, 29 december 2010 en 31 juli 2020, wordt tijdelijk gelezen als volgt :
"Art. 972. Wanneer het testament wordt verleden voor een notaris wordt het op papier opgemaakt overeenkomstig artikel 13 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt, volgens de door de testator uitgedrukte wil.
Het testament moet aan de testator worden voorgelezen, die bevestigt dat dit zijn laatste wil is.
Van een en ander wordt uitdrukkelijk melding gemaakt.".
Art. 14. In artikel 9, § 2, eerste lid, van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt, vervangen bij de wet van 4 mei 1999 en gewijzigd bij de wet van 6 juli 2017, worden de woorden ", 1° en 2° " tijdelijk opgeheven.
Art. 15. Artikel 10, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 4 mei 1999, wordt tijdelijk gelezen als volgt :
"De notaris die alleen een akte verlijdt, moet worden bijgestaan door twee getuigen wanneer één van de partijen niet in staat is te ondertekenen of niet kan ondertekenen, blind of doofstom is.".
Art. 16. Dit hoofdstuk is van toepassing tot 31 maart 2021.
HOOFDSTUK 8. - Verlenging van de termijnen in het kader van de gerechtelijke verkopen en vrijwillige verkopen onder gerechtelijke vorm
Art. 17. De termijn van zes maanden bedoeld in artikel 1587, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op de verkoop in het kader van een beslag of een collectieve schuldenregeling, die verstrijkt vanaf 1 november 2020 tot 31 maart 2021 wordt van rechtswege verlengd met zes maanden.
Art. 18. Indien de rechter, in het kader van de gerechtelijke verkopen en vrijwillige verkopen onder gerechtelijke vorm van onroerende goederen die niet vallen onder het toepassingsgebied van artikel 17 een termijn bepaald heeft waarbinnen deze verkoop dient plaats te vinden en die verstrijkt vanaf 1 november 2020 tot 31 maart 2021, wordt deze van rechtswege verlengd met zes maanden.
HOOFDSTUK 9. - De procedure van vereffening-verdeling
Art. 19. In afwijking van de artikelen 1214 tot 1224/1 van het Gerechtelijk Wetboek, kan vanaf 1 november 2020 tot 31 maart 2021 de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling, desgevallend via videoconferentie, worden gehouden en voortgezet.
Art. 20. Indien na advies van de partijen de notaris van oordeel is dat de voortzetting van de procedure bedoeld in artikel 19 niet mogelijk is, brengt hij de partijen en hun raadslieden hiervan schriftelijk op de hoogte en preciseert hij de reden ervan.
In dat geval kan elke termijn die in het kader van de procedure van vereffening-verdeling hetzij wettelijk, hetzij conventioneel is bepaald en die verstrijkt vanaf 1 november 2020 tot 31 maart 2021, door de notaris worden verlengd met maximaal vier maanden, na advies van de partijen.
HOOFDSTUK 10. - Identificatie op afstand
Art. 21. In de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt wordt een artikel 18sexies ingevoegd, luidende :
"Art. 18sexies. In geval van identificatie van de personen in de akte en de notaris aan de hand van een elektronisch identificatiemiddel, in de gevallen waar de wet de akte in gedematerialiseerde vorm toelaat, evenals bij waarmerking van de identiteit overeenkomstig artikel 1, vierde lid, is het gebruik van hun rijksregisternummer door de instrumenterende notaris en, in zijn hoedanigheid van beheerder van het hiertoe aangewende platform, door de Koninklijke Federatie van het Belgisch notariaat toegestaan.
Indien het gebruikte elektronisch identificatiemiddel, dat moet beantwoorden aan de vereisten voorgeschreven door artikel 1 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/1502 van de Commissie van 8 september 2015 tot vaststelling van minimale technische specificaties en procedures betreffende het betrouwbaarheidsniveau voor elektronische identificatiemiddelen overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG, geen foto bevat, is het de notaris en de Koninklijke Federatie van het Belgisch notariaat tevens toegestaan de foto op te halen in het Rijksregister met het oog op een correcte identificatie overeenkomstig de artikelen 1, vierde lid, en 11.
De gegevens bedoeld in het eerste en het tweede lid, worden bewaard tot twintig jaar na de identificatie van de partijen door de notaris en worden vervolgens gewist.".
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen aangaande de deelname aan de algemene vergadering
Art. 22. In artikel 5 :85 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen worden de woorden "diegene die bij authentieke akte moeten worden verleden" vervangen door het woord "statutenwijzigingen".
Art. 23. In artikel 5 :89 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "De statuten kunnen" vervangen door de woorden "Het bestuursorgaan kan";
2° in paragraaf 1, tweede lid, eerste zin, worden de woorden ", op de bij of krachtens de statuten bepaalde wijze" opgeheven, en worden in de tweede zin de woorden "bij of krachtens de statuten" opgeheven;
3° in paragraaf 1, derde lid, tweede zin, worden de woorden "De statuten kunnen bepalen dat het elektronische communicatiemiddel" vervangen door de woorden "Het elektronische communicatiemiddel moet" en wordt het woord "moet" opgeheven";
4° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "statutaire of krachtens de statuten vastgestelde" opgeheven, en wordt het lid aangevuld met de volgende zin :
"Als de vennootschap een vennootschapswebsite heeft als bedoeld in artikel 2 :31 worden die procedures voor diegene die het recht heeft aan de algemene vergadering deel te nemen toegankelijk gemaakt op de vennootschapswebsite.";
5° in paragraaf 1 wordt het vijfde lid opgeheven;
6° in paragraaf 1, zevende lid, worden de woorden ", het bestuursorgaan en, in voorkomend geval, de commissaris" opgeheven;
7° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 24. Artikel 5 :89, § 1, derde lid, tweede zin, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wordt tijdelijk gelezen als volgt :
"Het elektronische communicatiemiddel moet de in het eerste lid bedoelde effectenhouders bovendien in staat stellen om deel te nemen aan de beraadslagingen en vragen te stellen, tenzij het bestuursorgaan in de oproeping tot de algemene vergadering motiveert waarom de vennootschap niet over dergelijk elektronisch communicatiemiddel beschikt.".
Art. 25. In artikel 5 :113 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "De statuten kunnen" vervangen door de woorden "Het bestuursorgaan kan".
Art. 26. In artikel 6 :71 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "diegene die bij authentieke akte moeten worden verleden" vervangen door het woord "statutenwijzigingen".
Art. 27. In artikel 6 :75 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "De statuten kunnen" vervangen door de woorden "Het bestuursorgaan kan";
2° in paragraaf 1, tweede lid, eerste zin, worden de woorden ", op de bij of krachtens de statuten bepaalde wijze" opgeheven, en worden in de tweede zin de woorden "bij of krachtens de statuten" opgeheven;
3° in paragraaf 1, derde lid, tweede zin, worden de woorden "De statuten kunnen bepalen dat het elektronische communicatiemiddel" vervangen door de woorden "Het elektronische communicatiemiddel moet" en wordt het woord "moet" opgeheven";
4° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "statutaire of krachtens de statuten vastgestelde" opgeheven, en wordt het lid aangevuld met de volgende zin :
"Als de vennootschap een vennootschapswebsite heeft als bedoeld in artikel 2 :31 worden die procedures voor diegene die het recht heeft aan de algemene vergadering deel te nemen toegankelijk gemaakt op de vennootschapswebsite.";
5° in paragraaf 1 wordt het vijfde lid opgeheven;
6° in paragraaf 1, zevende lid, worden de woorden ", het bestuursorgaan en, in voorkomend geval, de commissaris" opgeheven;
7° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 28. Artikel 6 :75, § 1, derde lid, tweede zin, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wordt tijdelijk gelezen als volgt :
"Het elektronische communicatiemiddel moet de aandeelhouders bovendien in staat stellen om deel te nemen aan de beraadslagingen en vragen te stellen, tenzij het bestuursorgaan in de oproeping tot de algemene vergadering motiveert waarom de vennootschap niet over dergelijk elektronisch communicatiemiddel beschikt.".
Art. 29. In artikel 6 :98 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "De statuten kunnen" vervangen door de woorden "Het bestuursorgaan kan".
Art. 30. In artikel 7 :129, § 2, 4°, c), van hetzelfde Wetboek worden de woorden "in voorkomend geval, de bij of krachtens de statuten vastgestelde procedures en" vervangen door de woorden "de procedures en de", en worden de woorden ", in voorkomend geval," ingevoegd tussen de woorden "artikel 7 :137, en" en de woorden "om te stemmen".
Art. 31. In artikel 7 :133 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "diegene die bij authentieke akte moeten worden verleden" vervangen door het woord "statutenwijzigingen".
Art. 32. In artikel 7 :137 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "De statuten kunnen" vervangen door de woorden "De raad van bestuur, de enige bestuurder of de raad van toezicht kunnen";
2° in paragraaf 1, tweede lid, eerste zin, worden de woorden ", op de bij of krachtens de statuten bepaalde wijze" opgeheven, en worden in de tweede zin de woorden "bij of krachtens de statuten" opgeheven;
3° in paragraaf 1, derde lid, tweede zin, worden de woorden "De statuten kunnen bepalen dat het elektronische communicatiemiddel" vervangen door de woorden "Het elektronische communicatiemiddel moet" en wordt het woord "moet" opgeheven";
4° in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden "statutaire of krachtens de statuten vastgestelde" opgeheven, en worden de woorden "In voorkomend geval kunnen die procedures voor eenieder toegankelijk worden" vervangen door de woorden "Als de vennootschap een vennootschapswebsite heeft als bedoeld in artikel 2 :31 worden die procedures voor diegene die het recht heeft aan de algemene vergadering deel te nemen, en bij een genoteerde vennootschap voor eenieder, toegankelijk";
5° in paragraaf 1 wordt het vijfde lid opgeheven;
6° in paragraaf 1, zevende lid, worden de woorden ", de bestuurders en de commissaris" opgeheven;
7° in paragraaf 2 worden de woorden "de vennootschap toestaat dat op afstand aan de algemene vergadering wordt deelgenomen" vervangen door de woorden "op afstand aan de algemene vergadering wordt deelgenomen, in voorkomend geval wanneer de vennootschap dit toestaat";
8° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 33. Artikel 7 :137, § 1, derde lid, tweede zin, van hetzelfde Wetboek wordt tijdelijk gelezen als volgt :
"Het elektronische communicatiemiddel moet de in het eerste lid bedoelde effectenhouders bovendien in staat stellen om deel te nemen aan de beraadslagingen en vragen te stellen, tenzij het bestuursorgaan in de oproeping tot de algemene vergadering motiveert waarom de vennootschap niet over dergelijk elektronisch communicatiemiddel beschikt.".
Art. 34. In artikel 7 :167 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « De statuten kunnen » vervangen door de woorden « Het bestuursorgaan kan".
Art. 35. In deel 3, boek 9, titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek wordt een onderafdeling 2/1 ingevoegd, luidende : "Schriftelijke algemene vergadering".
Art. 36. In onderafdeling 2/1, ingevoegd bij artikel 35, wordt een artikel 9 :14/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 9 :14/1. De leden kunnen eenparig en schriftelijk alle besluiten nemen die tot de bevoegdheid van de algemene vergadering behoren, met uitzondering van statutenwijzigingen. In dat geval dienen de formaliteiten van bijeenroeping niet te worden vervuld. De leden van het bestuursorgaan en, in voorkomend geval, de commissaris, mogen op hun verzoek van die besluiten kennis nemen.".
Art. 37. In deel 3, boek 9, titel 2, hoofdstuk 2, afdeling 1, onderafdeling 3, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 9 :16/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 9 :16/1. § 1. Het bestuursorgaan kan de leden de mogelijkheid bieden om op afstand deel te nemen aan de algemene vergadering door middel van een door de VZW ter beschikking gesteld elektronisch communicatiemiddel. Wat de naleving van de voorwaarden inzake aanwezigheid en meerderheid betreft, worden de leden die op die manier aan de algemene vergadering deelnemen, geacht aanwezig te zijn op de plaats waar de algemene vergadering wordt gehouden.
Voor de toepassing van het eerste lid moet de VZW de hoedanigheid en de identiteit van het in het eerste lid bedoelde lid kunnen controleren aan de hand van het gebruikte elektronische communicatiemiddel. Aan het gebruik van het elektronische communicatiemiddel kunnen bijkomende voorwaarden worden gesteld, met als enige doelstelling de veiligheid van het elektronische communicatiemiddel te waarborgen.
Voor de toepassing van het eerste lid moet het elektronische communicatiemiddel de in het eerste lid bedoelde leden, onverminderd enige bij of krachtens de wet opgelegde beperking, ten minste in staat stellen om rechtstreeks, gelijktijdig en ononderbroken kennis te nemen van de besprekingen tijdens de vergadering en om hun stemrecht uit te oefenen met betrekking tot alle punten waarover de vergadering zich dient uit te spreken. Het elektronische communicatiemiddel moet de in het eerste lid bedoelde leden bovendien in staat stellen om deel te nemen aan de beraadslagingen en vragen te stellen.
De oproeping tot de algemene vergadering omvat een heldere en nauwkeurige beschrijving van de procedures met betrekking tot de deelname op afstand. Als de VZW een verenigingswebsite heeft als bedoeld in artikel 2 :31 worden die procedures voor diegene die het recht heeft aan de algemene vergadering deel te nemen toegankelijk gemaakt op de verenigingswebsite.
De notulen van de algemene vergadering vermelden de eventuele technische problemen en incidenten die de deelname langs elektronische weg aan de algemene vergadering of aan de stemming hebben belet of verstoord.
De leden van het bureau van de algemene vergadering kunnen niet langs elektronische weg aan de algemene vergadering deelnemen.
§ 2. Onverminderd artikel 9 :15 kunnen de statuten ieder lid toestaan langs elektronische weg op afstand te stemmen vóór de algemene vergadering, volgens de statutair bepaalde modaliteiten.
Als de VZW stemmen op afstand vóór de algemene vergadering langs elektronische weg toestaat, moet zij in staat zijn de hoedanigheid en de identiteit van het lid te controleren, op de bij of krachtens de statuten bepaalde wijze.".
Art. 38. Artikel 9 :16, § 1, derde lid, tweede zin, van hetzelfde Wetboek wordt tijdelijk gelezen als volgt :
"Het elektronische communicatiemiddel moet de in het eerste lid bedoelde leden bovendien in staat stellen om deel te nemen aan de beraadslagingen en vragen te stellen, tenzij het bestuursorgaan in de oproeping tot de algemene vergadering motiveert waarom de VZW niet over dergelijk elektronisch communicatiemiddel beschikt.".
Art. 39. In deel 3, boek 10, titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek wordt een onderafdeling 2/1 ingevoegd, luidende : "Schriftelijke algemene vergadering".
Art. 40. In onderafdeling 2/1, ingevoegd bij artikel 39, wordt een artikel 10 :6/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 10 :6/1. De leden kunnen eenparig en schriftelijk alle besluiten nemen die tot de bevoegdheid van de algemene vergadering behoren, met uitzondering van statutenwijzigingen. In dat geval dienen de formaliteiten van bijeenroeping niet te worden vervuld. De leden van het bestuursorgaan en, in voorkomend geval, de commissaris, mogen op hun verzoek van die besluiten kennis nemen.".
Art. 41. In deel 3, boek 10, titel 2, hoofdstuk 1, afdeling 1, onderafdeling 3, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 10 :7/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 10 :7/1. § 1. Het bestuursorgaan kan de leden de mogelijkheid bieden om op afstand deel te nemen aan de algemene vergadering door middel van een door de IVZW ter beschikking gesteld elektronisch communicatiemiddel. Wat de naleving van de voorwaarden inzake aanwezigheid en meerderheid betreft, worden de leden die op die manier aan de algemene vergadering deelnemen, geacht aanwezig te zijn op de plaats waar de algemene vergadering wordt gehouden.
Voor de toepassing van het eerste lid moet de IVZW de hoedanigheid en de identiteit van het in het eerste lid bedoelde lid kunnen controleren aan de hand van het gebruikte elektronische communicatiemiddel. Aan het gebruik van het elektronische communicatiemiddel kunnen bijkomende voorwaarden worden gesteld, met als enige doelstelling de veiligheid van het elektronische communicatiemiddel te waarborgen.
Voor de toepassing van het eerste lid moet het elektronische communicatiemiddel de in het eerste lid bedoelde leden, onverminderd enige bij of krachtens de wet opgelegde beperking, ten minste in staat stellen om rechtstreeks, gelijktijdig en ononderbroken kennis te nemen van de besprekingen tijdens de vergadering en om hun stemrecht uit te oefenen met betrekking tot alle punten waarover de vergadering zich dient uit te spreken. Het elektronische communicatiemiddel moet de in het eerste lid bedoelde leden bovendien in staat stellen om deel te nemen aan de beraadslagingen en vragen te stellen.
De oproeping tot de algemene vergadering omvat een heldere en nauwkeurige beschrijving van de procedures met betrekking tot de deelname op afstand. Als de IVZW een verenigingswebsite heeft als bedoeld in artikel 2 :31 worden die procedures voor diegene die het recht heeft aan de algemene vergadering deel te nemen toegankelijk gemaakt op de verenigingswebsite.
De notulen van de algemene vergadering vermelden de eventuele technische problemen en incidenten die de deelname langs elektronische weg aan de algemene vergadering of aan de stemming hebben belet of verstoord.
De leden van het bureau van de algemene vergadering kunnen niet langs elektronische weg aan de algemene vergadering deelnemen.
§ 2. De statuten kunnen ieder lid toestaan langs elektronische weg op afstand te stemmen vóór de algemene vergadering, volgens de statutair bepaalde modaliteiten.
Als de IVZW stemmen op afstand vóór de algemene vergadering langs elektronische weg toestaat, moet zij in staat zijn de hoedanigheid en de identiteit van het lid te controleren, op de bij of krachtens de statuten bepaalde wijze.".
Art. 42. Artikel 10 :7, § 1, derde lid, tweede zin, van hetzelfde Wetboek wordt tijdelijk gelezen als volgt :
"Het elektronische communicatiemiddel moet de in het eerste lid bedoelde leden bovendien in staat stellen om deel te nemen aan de beraadslagingen en vragen te stellen, tenzij het bestuursorgaan in de oproeping tot de algemene vergadering motiveert waarom de IVZW niet over dergelijk elektronisch communicatiemiddel beschikt.".
Art. 43. De artikelen 24, 28, 33, 38 en 42 zijn van toepassing tot 30 juni 2021.
HOOFDSTUK 12. - Bepaling inzake de behandeling van de hogere beroepen voor de kamer van inbeschuldigingstelling bedoeld in de artikelen 21bis, §§ 7 en 8, 28sexies, § 4, 28octies, § 4, 28novies, § 7, 61ter, §§ 5 en 6, 61quater, §§ 5 en 6, 61quinquies, §§ 4 en 5, en 61sexies, § 4, van het Wetboek van strafvordering
Art. 44. In afwijking van de artikelen 21bis, §§ 7 en 8, 28sexies, § 4, 28octies, § 4, 28novies, § 7, 61ter, §§ 5 en 6, 61quater, §§ 5 en 6, 61quinquies, §§ 4 en 5, en 61sexies, § 4, van het Wetboek van strafvordering, kan de kamer van inbeschuldigingstelling tot 31 maart 2021, de zaak die voor haar is aangebracht, schriftelijk behandelen.
Voor zover de procureur-generaal, de verzoeker en zijn advocaat schriftelijk opmerkingen overmaken aan de kamer van inbeschuldigingstelling, worden deze onverwijld, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, overgemaakt aan de andere partijen in de zaak, voor eventuele bijkomende schriftelijke opmerkingen, en dit voorafgaand aan de schriftelijke behandeling van de zaak.
HOOFDSTUK 13. - Wijziging van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten
Art. 45. In de gevallen bedoeld in de artikelen 53, 61, 63, 68, 75/2, 78, 79, 95/1, 95/6, 95/13, 95/16, 95/18, 95/19 en 95/23 en 95/30 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, hoort de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank tot 31 maart 2021, enkel de raadslieden van de veroordeelde, in voorkomend geval, van het slachtoffer, of het slachtoffer zelf, en het openbaar ministerie, behoudens andersluidende met redenen omklede beslissing. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. De directeur geeft een schriftelijk advies, dat eveneens een toelichting omvat van de voorwaarden gesteld in het belang van de slachtoffer indien hij deze heeft opgenomen in zijn advies opgesteld overeenkomstig artikel 31 van dezelfde wet.
HOOFDSTUK 14. - Wijziging van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering
Art. 46. In de gevallen bedoeld in de artikelen 30, 46, 54, 58, § 4, 64 en 68 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering, hoort de kamer voor de bescherming van de maatschappij tot 31 maart 2021, enkel de advocaat van de geïnterneerde persoon en het openbaar ministerie, behoudens andersluidende gemotiveerde beslissing. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. De directeur of de verantwoordelijke van de zorg geeft een schriftelijk advies en licht eveneens, in voorkomend geval, schriftelijk de voorwaarden toe die hij in zijn advies heeft gesteld in het belang van het slachtoffer. In voorkomend geval kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij ook beslissen de advocaat van het slachtoffer of het slachtoffer zelf te horen.
HOOFDSTUK 15. - Tijdelijke versoepeling van de vereisten voor de identificatie van de ondertekenaars van authentieke akten die een gerechtelijk ambt of een ambt bij het Grondwettelijk Hof uitoefenen
Art. 47. De ondertekenaar van een authentieke akte in gedematerialiseerde vorm die een gerechtelijk ambt uitoefent als bedoeld in deel II, boek II, titel 1, van het Gerechtelijk Wetboek, die werd benoemd tot gerechtelijk stagiair overeenkomstig artikel 259octies, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, of die een ambt uitoefent als bedoeld in titel II, hoofdstuk 1 of 3 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, en die gebruik maakt van een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12. van de verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van richtlijn 1999/93/EG, wordt, tot bewijs van het tegendeel, vermoed op het ogenblik van zijn handtekening te beschikken over de vereiste hoedanigheid om rechtsgeldig een authentieke akte op te maken.
Artikel 8.15, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing op de ondertekenaar bedoeld in het eerste lid.
Art. 48. Dit hoofdstuk is van toepassing tot 31 maart 2021.
HOOFDSTUK 16. - Verlenging van de wettiging van de tijdelijke maatregelen betreffende de neerlegging van verzoekschriften
Art. 49. In artikel 4, derde lid, van de wet van 20 mei 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 juni 2020 en 13 september 2020, worden de woorden "31 december 2020" vervangen door de woorden "31 maart 2021".
HOOFDSTUK 17. - Verlenging van de termijnen om bewijsstukken over te leggen in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand
Art. 50. Wanneer de in artikel 508/14, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde termijn van vijftien dagen afloopt tussen de datum van inwerkingtreding van deze wet en 31 maart 2021, wordt die termijn verlengd op voorwaarde dat het bureau voor juridische bijstand oordeelt dat de aanvrager of de begunstigde wegens de COVID-19-crisis werd verhinderd de bewijsstukken binnen de gestelde termijn over te leggen. Deze periode kan in geen geval worden verlengd tot na 15 april 2021.
Art. 51. Wanneer het bureau voor juridische bijstand oordeelt dat de vereiste bewijsstukken voor de toekenning van de juridische tweedelijnsbijstand in de periode tussen de datum van inwerkingtreding van deze wet en 31 maart 2021 niet tijdig konden worden overgelegd wegens de COVID-19-crisis, wordt zulks gelijkgesteld met een spoedeisend geval als bedoeld in artikel 508/14, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. In dat geval zijn de in artikel 508/14, vierde lid, bedoelde procedure alsook de artikelen van dit hoofdstuk van toepassing.
Art. 52. In afwijking van artikel 508/15 van het Gerechtelijk Wetboek doet het bureau voor juridische bijstand, tijdens de periode tussen de datum van inwerkingtreding van deze wet en 31 maart 2021, uitspraak binnen een termijn van dertig dagen.
HOOFDSTUK 18. - Verlenging van de termijnen voor de procureur des Konings om advies uit te brengen in het kader van schijnsituaties en nationaliteitsverwerving
Art. 53. De termijnen van twee maanden bedoeld in de artikelen 167, tweede lid, 330/2, tweede lid, en 1476quater, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, de termijn van drie maanden bedoeld in artikel 71 van het Consulair Wetboek en de termijnen van vier maanden bedoeld in de artikelen 11bis, § 5, en 15, § 3, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, die aanvang nemen tijdens de periode van de datum van inwerkingtreding van deze wet tot 31 maart 2021, worden van rechtswege verlengd met twee maanden. De artikelen 52, eerste lid, 53 en 54 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
De termijnen van twee maanden bedoeld in de artikelen 167, tweede lid, 330/2, tweede lid, en 1476quater, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, de termijn van drie maanden bedoeld in artikel 71 van het Consulair Wetboek en de termijn van vier maanden bedoeld in de artikelen 11bis, § 5 en 15, § 3, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, die verstrijken binnen de respectievelijk twee, drie en vier maanden te rekenen van de datum van inwerkingtreding van deze wet worden van rechtswege verlengd met een maand. De artikelen 52, eerste lid, 53 en 54 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
De termijnen bedoeld in het eerste lid, die verstreken zijn vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet worden niet verlengd.
Indien de toepassing van het eerste en het tweede lid leidt tot een verlenging van de oorspronkelijke termijn, zal elke bepaling die verwijst naar die termijn de duur van de verlenging in rekening brengen.
De vraag tot overmaking van het dossier die plaats had moeten vinden binnen de termijn vermeld in de artikelen 11bis, § 7, eerste lid, en 15, § 5, eerste lid, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, wordt geacht op tijd te zijn gedaan als de belanghebbende een medisch attest voorlegt waaruit blijkt dat hij op doktersvoorschrift thuis moest blijven omwille van een vermoedelijke besmetting met COVID-19 of gehospitaliseerd was als gevolg daarvan.
HOOFDSTUK 19. - Maatregelen met betrekking tot de algemene vergadering van mede-eigenaars
Afdeling 1. - Uitstel van de algemene vergadering en gevolgen
Art. 54. Onder voorbehoud van het tweede lid, kunnen alle algemene vergaderingen van mede-eigenaars, zoals bedoeld in artikel 577-6 van het oud Burgerlijk Wetboek, waarvan de jaarlijkse periode van vijftien dagen vastgelegd in het reglement van interne orde valt in de in artikel 56 bedoelde periode, of die met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 4 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake mede-eigendom en het vennootschaps- en verenigingsrecht in het kader van de strijd tegen de COVID-19-pandemie waren uitgesteld en op datum van 1 oktober 2020 nog niet waren gehouden, door de syndicus worden uitgesteld naar de eerstvolgende in het reglement van interne orde vastgelegde periode van vijftien dagen waarin de algemene vergadering van de vereniging van mede-eigenaars dient plaats te vinden.
De syndicus houdt niettemin een algemene vergadering wanneer een beslissing aangewezen is of op verzoek van één of meer mede-eigenaars die ten minste één vijfde van de aandelen van de gemeenschappelijke delen bezitten, overeenkomstig de in artikel 577-6, § 2, vastgestelde procedures. Indien die algemene vergadering omwille van omstandigheden redelijkerwijze niet fysiek of op afstand kan gehouden worden, kan toepassing gemaakt worden van artikel 55.
In het geval van uitstel van de algemene vergadering, wordt de duur van de mandaten van de bij besluit van de algemene vergadering benoemde syndici, leden van de raden van mede-eigendom, en commissarissen van de rekeningen die aflopen in de in artikel 56 bedoelde periode, van rechtswege verlengd tot de eerstvolgende algemene vergadering die na deze periode wordt gehouden.
In het geval van uitstel van de algemene vergadering, wordt, tijdens de in artikel 56 bedoelde periode, en tot de eerstvolgende algemene vergadering die na deze periode wordt gehouden, het contract tussen de syndicus en de vereniging van mede-eigenaars van rechtswege verlengd. De syndicus oefent zijn bevoegdheden uit overeenkomstig de beslissingen van de laatste algemene vergadering en in overeenstemming met de laatst goedgekeurde begroting.
In het geval van uitstel van de algemene vergadering, wordt de geldigheidsduur van de door de algemene vergadering aan de raad van mede-eigendom verleende opdrachten en bevoegdheidsdelegaties verlengd tot de eerstvolgende algemene vergadering van mede-eigenaars.
Afdeling 2. - Tijdelijke versoepeling van de unanimiteitsvereiste
Art. 55. De beslissing van een vereniging van mede-eigenaars die wordt genomen tijdens de periode bedoeld in artikel 56 volgens de procedure bedoeld in artikel 577-6, § 11, van het oud Burgerlijk Wetboek, kan rechtsgeldig worden genomen wanneer meer dan de helft van de leden van de vereniging van mede-eigenaars aan de stemming deelneemt en voor zover zij ten minste de helft van de aandelen in de gemeenschappelijke delen bezitten. De beslissingen van de vereniging van mede-eigenaars worden genomen bij de meerderheid die, voor elk agendapunt afzonderlijk, door de wet wordt vereist voor beslissingen van de algemene vergadering.
De stembrieven die de syndicus met de post of elektronisch heeft ontvangen binnen drie weken of, in spoedeisende gevallen en voor zover dit in de oproeping is aangegeven, binnen acht dagen na de datum van de verzending van de oproeping, zijn geldig. Benevens de gegevens vermeld in artikel 577-6, § 10, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, notuleert de syndicus tevens de naam van de mede-eigenaars wier stembrieven in aanmerking zijn genomen.
Afdeling 3. - Periode waarbinnen dit hoofdstuk van toepassing is
Art. 56. Dit hoofdstuk is van toepassing tot 9 maart 2021.
HOOFDSTUK 20. - Wijzigingen met betrekking tot de algemene vergadering van mede-eigenaars
Afdeling 1. - Wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek
Art. 57. In artikel 577-6, § 1, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, vervangen bij de wet van 2 juni 2010 en gewijzigd bij de wet van 18 juni 2018, worden de woorden "op fysieke wijze of, indien de bijeenroeping daarin voorziet, vanop afstand" ingevoegd tussen het woord "neemt" en het woord "deel".
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 4 februari 2020 houdende boek 3 "Goederen" van het Burgerlijk Wetboek
Art. 58. In artikel 2 van de wet van 4 februari 2020 houdende boek 3 "Goederen" van het Burgerlijk Wetboek, in artikel 3.87, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, worden de woorden "op fysieke wijze of, indien de bijeenroeping daarin voorziet, vanop afstand" ingevoegd tussen het woord "neemt" en het woord "deel".
HOOFDSTUK 21. - Maatregelen ter ondersteuning van de bestrijding van de sanitaire crisis in de gevangenissen
Art. 59. De in dit hoofdstuk gebruikte begrippen "de directeur", "de veroordeelde", "het slachtoffer" en "de minister" dienen begrepen te worden in de zin van artikel 2 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtpositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten.
Art. 60. § 1. De directeur kent een vervroegde invrijheidstelling "COVID-19" toe aan de veroordeelde die zijn straf geheel of gedeeltelijk in de gevangenis ondergaat en die zich in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling, vanaf zes maanden vóór het einde van het uitvoerbaar gedeelte van de vrijheidsstraf of van de vrijheidsstraffen waartoe hij is veroordeeld.
In afwijking van het eerste lid, wordt de vervroegde invrijheidstelling "COVID-19" niet toegekend aan de veroordeelde wiens strafuitvoeringsmodaliteit tijdens de door artikel 69 bedoelde duur door de strafuitvoeringsrechtbank wordt herroepen.
Indien de vervroegde invrijheidstelling niet wordt herroepen, loopt zij tot het bereiken van het strafeinde.
§ 2. De volgende veroordeelden zijn uitgesloten van de vervroegde invrijheidstelling :
- de veroordeelden die één of meerdere vrijheidsbenemende straffen ondergaan waarvan het totaal meer dan tien jaar bedraagt;
- de veroordeelden die één of meerdere gevangenisstraffen ondergaan voor de feiten bedoeld in boek II, titel Iter van het Strafwetboek;
- de veroordeelden die één of meerdere gevangenisstraffen ondergaan voor de feiten bedoeld in de artikelen 371/1 tot 378bis van het Strafwetboek;
- de veroordeelden die het voorwerp uitmaken van een veroordeling met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek;
- de veroordeelden die geen recht hebben op verblijf en onder de regeling vallen van artikel 20/1 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten;
- de veroordeelden die worden opgevolgd door het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse in het kader van de gemeenschappelijke gegevensbanken bedoeld in de artikelen 44/11/3bis tot 44/11/3quinquies van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
Art. 61. § 1. De directeur neemt de beslissing tot toekenning van de vervroegde invrijheidstelling, na zich verzekerd te hebben van de haalbaarheid van de maatregel en de volgende criteria getoetst te hebben :
- het hebben van onderdak;
- het beschikken over voldoende middelen van bestaan.
De procureur des Konings van het arrondissement waar de veroordeelde zijn woon- of verblijfplaats heeft en, indien de strafuitvoeringsrechtbank reeds gevat is, het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank, worden zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling en van de daaraan verbonden voorwaarden.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling en van de daaraan verbonden voorwaarden.
§ 2. De veroordeelde is tijdens de proeftermijn onderworpen aan de volgende algemene voorwaarden :
1° geen strafbare feiten plegen;
2° de slachtoffers niet lastig vallen en zich onmiddellijk verwijderen van de plaats waar hij een slachtoffer ontmoet;
3° de maatregelen opgelegd door de overheid in het kader van de strijd tegen de verspreiding van COVID-19 naleven.
De proeftermijn is gelijk aan de duur van het nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen op het ogenblik van de vervroegde invrijheidstelling.
In geval van herroeping van de vervroegde invrijheidstelling op grond van paragraaf 3, wordt de periode tijdens dewelke de veroordeelde in vervroegde invrijheidstelling was, afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen.
§ 3. De directeur kan de beslissing herroepen in volgende gevallen :
- wanneer er ernstige aanwijzingen voorhanden zijn dat de veroordeelde het verbod op het plegen van strafbare feiten niet heeft nageleefd;
- wanneer de veroordeelde de algemene voorwaarden vermeld in paragraaf 2, 2° en 3° niet naleeft.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen de vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de beslissing tot herroeping.
§ 4. Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt gedurende de proeftermijn, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de directeur.
De directeur neemt een beslissing over de al dan niet herroeping van de vervroegde invrijheidstelling binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde en de procureur des Konings.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de beslissing tot herroeping.
Art. 62. De uitvoering van de beslissingen tot toekenning van een uitgaansvergunning, penitentiair verlof of beperkte detentie aan een veroordeelde op basis van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtpositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, met inbegrip van deze gestoeld op artikel 59 van dezelfde wet, en van de beslissingen tot toekenning van een uitgaansvergunning, verlof of beperkte detentie aan een geïnterneerde op basis van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering, voor zover deze uitgaansmodaliteit wordt uitgevoerd vanuit een inrichting bedoeld in artikel 3, 4°, a) of b), van dezelfde wet, wordt opgeschort tijdens de perioden vastgesteld door de minister met het oog op het beheer van de sanitaire crisis in de gevangenissen. De directeur kan op deze opschorting een uitzondering toestaan wanneer dringende en humanitaire omstandigheden dit rechtvaardigen of wanneer deze opschorting de reclassering ernstig in het gedrang brengt.
Art. 63. De onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" schorst de uitvoering van de straf voor een duur van twee maanden, die kan worden verlengd. Deze schorsing eindigt van rechtswege op de in artikel 69 bedoelde datum.
De onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" wordt aan de veroordeelde toegekend met het doel de concentratie van de gevangenisbevolking te verminderen en derhalve de sanitaire crisis in de gevangenissen beter te kunnen beheren.
De verjaring van de straf loopt niet tijdens de onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19".
Art. 64. De onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" kan op schriftelijk verzoek van de veroordeelde worden toegekend door de directeur aan de veroordeelde die zijn straf geheel of gedeeltelijk in de gevangenis ondergaat en die voldoet aan de volgende criteria :
1° de veroordeelde heeft minstens drie goed verlopen penitentiaire verloven van zesendertig uur bedoeld in artikel 6 of artikel 59 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtpositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten genoten of voert zijn straf uit onder de modaliteit van beperkte detentie bedoeld in artikel 21 van dezelfde wet mits hij in dat kader reeds genoot van drie goed verlopen penitentiaire verloven;
2° er bestaan in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens de onderbreking van de strafuitvoering ernstige strafbare feiten zou plegen, op het risico dat hij de slachtoffers zou lastig vallen of op het risico dat hij zich niet zal houden aan de maatregelen opgelegd door de overheid in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19;
3° de veroordeelde beschikt over een opvangadres en zijn opvangmilieu gaat akkoord om hem op te vangen;
4° de veroordeelde beschikt over voldoende middelen van bestaan zodat hij voor de duur van de onderbreking van de strafuitvoering niet in een gevaarsituatie wordt geplaatst;
De volgende veroordeelden zijn uitgesloten van de onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" :
- de veroordeelden die één of meerdere vrijheidsbenemende straffen ondergaan waarvan het totaal meer dan 10 jaar bedraagt;
- de veroordeelden die één of meerdere gevangenisstraffen ondergaan voor de feiten bedoeld in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek;
- de veroordeelden die één of meerdere gevangenisstraffen ondergaan voor de feiten bedoeld in de artikelen 371/1 tot 378bis van het Strafwetboek;
- de veroordeelden die het voorwerp uitmaken van een veroordeling met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek;
- de veroordeelden die worden opgevolgd door het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse in het kader van de gemeenschappelijke gegevensbanken bedoeld in de artikelen 44/11/3bis tot 44/11/3quinquies van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
Indien de directeur de onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" niet toekent aan de veroordeelde die er op grond van de in het eerste en het tweede lid bedoelde voorwaarden voor in aanmerking komt, neemt hij een met redenen omklede beslissing tot weigering en deelt deze mee aan de veroordeelde.
Art. 65. De beslissing tot toekenning van de onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" wordt zo snel mogelijk, en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, meegedeeld aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" plaatsvindt en, indien de strafuitvoeringsrechtbank reeds gevat is, aan het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de toekenning van de onderbreking van de strafuitvoering.
Art. 66. § 1. De beslissing tot toekenning van de onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" wordt uitvoerbaar op de door de directeur bepaalde datum, uiterlijk veertien dagen na de beslissing tot toekenning.
§ 2. Indien de minister oordeelt dat dit noodzakelijk blijft om het doel vermeld in artikel 63, tweede lid, te bereiken, kan de directeur, mits akkoord van de veroordeelde, de beslissing tot toekenning van de onderbreking van de strafuitvoering verlengen voor een periode van maximaal twee maanden, na onderzoek van de criteria vermeld in artikel 64, eerste lid, 2° en 3°. In het dossier van de veroordeelde wordt schriftelijk melding gemaakt van de datum en de wijze waarop de veroordeelde zijn akkoord gaf met de verlenging.
In geval van verlenging wordt de veroordeelde daarvan door de directeur in kennis gesteld.
Artikel 65 is op overeenkomstige wijze van toepassing op de beslissing tot verlenging.
Art. 67. Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de directeur.
De directeur neemt een beslissing over de herroeping van de onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde en de procureur des Konings.
Het slachtoffer wordt van de beslissing zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld.
Art. 68. Behalve in het in artikel 67 bedoelde geval, neemt de onderbreking van de strafuitvoering "COVID-19" van rechtswege een einde in geval de veroordeelde opnieuw wordt opgesloten.
Teneinde opnieuw de onderbreking van de strafuit-voering "COVID-19" te verkrijgen, moet de directeur een nieuwe beslissing tot toekenning nemen overeenkomstig artikel 64.
Art. 69. Dit hoofdstuk is van toepassing tot 31 maart 2021.
HOOFDSTUK 22. - Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 70. Artikel 555/11, § 4, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 mei 2019, wordt aangevuld met de volgende zinnen :
"Daardoor geldt de verrichte vertaling als een gelegaliseerde vertaling voor het gebruik ervan binnen het Koninkrijk. Voor het gebruik ervan in het buitenland moet de vertaling vervolgens worden gelegaliseerd door de Federale Overheidsdienst Justitie op basis van de stempel en de opname in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken en vervolgens door de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op basis van de handtekening die erop werd geplaatst door de Federale Overheidsdienst Justitie. De legalisatie bevestigt slechts de echtheid van de handtekening, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van de vertaling heeft gehandeld en, in voorkomend geval, de geldigheid van de stempel geplaatst op het document. De Koning bepaalt de nadere regels waaronder de legalisatie gebeurt.".
HOOFDSTUK 23. - Tijdelijke opschorting ten voordele van ondernemingen die onder de toepassing vallen van het ministerieel besluit van 1 november 2020 houdende wijziging van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken van uitvoeringsmaatregelen en andere maatregelen
Art. 71. Alle ondernemingen die vallen onder het toepassingsgebied van Boek XX van het Wetboek van economisch recht en het voorwerp uitmaken van sluitingsmaatregelen op grond van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 1 november 2020, en waarvan de continuïteit bedreigd is door de verspreiding van de COVID-19-epidemie of -pandemie en haar gevolgen, en die niet in staking van betaling waren op 18 maart 2020, genieten van een tijdelijke opschorting vanaf de dag van de inwerkingtreding van deze wet tot en met 31 januari 2021, zoals hierna bepaald :
- behoudens op onroerende goederen, kan geen bewarend of uitvoerend beslag worden gelegd, en geen enkel middel van tenuitvoerlegging worden aangewend of voortgezet op de goederen van de onderneming, voor alle schulden van de onderneming, met inbegrip van de schulden opgenomen in een reorganisatieplan zoals bedoeld in artikel XX.82 van hetzelfde Wetboek gehomologeerd voor of na de inwerkingtreding van deze wet; deze bepaling is niet van toepassing op het bewarend beslag op zeeschepen en binnenschepen;
- de onderneming kan niet op dagvaarding failliet verklaard worden of, indien deze een rechtspersoon is, gerechtelijk worden ontbonden, tenzij op initiatief van het openbaar ministerie of van de in toepassing van artikel XX.32 van hetzelfde Wetboek door de voorzitter van de ondernemingsrechtbank aangestelde voorlopige bewindvoerder of met de toestemming van de schuldenaar; evenmin kan op grond van artikel XX.84, § 2, 1°, van hetzelfde Wetboek de overdracht onder gerechtelijk gezag van het geheel of een deel van haar activiteiten worden bevolen;
- de betalingstermijnen opgenomen in een reorganisatieplan zoals bedoeld in artikel XX.82 van hetzelfde Wetboek gehomologeerd voor of na de inwerkingtreding van deze wet, worden verlengd met een duur gelijk aan die van de opschorting bedoeld in deze wet, desgevallend met verlenging van de maximumtermijn van vijf jaar voor de uitvoering van het plan in afwijking van artikel XX.76 van hetzelfde Wetboek en van de maximumtermijn bedoeld in artikel XX.74 van hetzelfde Wetboek;
- overeenkomsten gesloten voor de inwerkingtreding van deze wet kunnen niet eenzijdig of gerechtelijk worden ontbonden wegens een wanbetaling van een geldschuld opeisbaar onder de overeenkomst; deze bepaling is niet van toepassing op arbeidsovereenkomsten.
Elke belanghebbende partij kan bij dagvaarding de voorzitter van de bevoegde ondernemingsrechtbank verzoeken te beslissen dat een onderneming niet valt onder het toepassingsgebied van de in het eerste lid bedoelde opschorting of deze opschorting geheel of gedeeltelijk op te heffen bij een bijzonder met redenen omklede beslissing. De vordering wordt ingesteld en behandeld zoals in kort geding. De voorzitter doet uitspraak bij voorrang boven alle andere zaken. De voorzitter houdt daarbij onder meer rekening met de vraag of ten gevolge van de COVID-19-epidemie of -pandemie de omzet of activiteit van de schuldenaar sterk is gedaald, of er volledig of deels beroep is gedaan op economische werkloosheid en of de overheid bevel heeft gegeven tot sluiting van de onderneming van de schuldenaar, alsook met de belangen van de verzoeker.
Deze bepaling doet geen afbreuk aan de verplichting opeisbare schulden te betalen, noch aan de gemeenrechtelijke contractuele sancties zoals ondermeer de exceptie van niet-uitvoering, de schuldvergelijking en het retentierecht. Zij laat de toepassing van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten onverlet. Zij raakt evenmin aan de verplichtingen van de werkgevers.
Art. 72. De verplichting bedoeld in artikel XX.102 van hetzelfde Wetboek voor de schuldenaar om aangifte van faillissement te doen, wordt voor de ondernemingen die het voorwerp uitmaken van sluitingsmaatregelen op grond van het ministerieel besluit van 28 oktober 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 1 november 2020, opgeschort gedurende de termijn van opschorting bedoeld in artikel 71 indien de faillissementsvoorwaarden het gevolg zijn van de COVID-19-epidemie of -pandemie en haar gevolgen. Hierbij wordt geen afbreuk gedaan aan de mogelijkheid voor de schuldenaar om aangifte van faillissement te doen.
Art. 73. De artikelen 8.22 van het Burgerlijk Wetboek en XX.112 van het WER zijn niet toepasselijk op nieuwe kredieten tijdens de duur van de opschorting verstrekt aan de ondernemingen bedoeld in artikel 71 noch op de voor deze kredieten gestelde zekerheden of andere handelingen verricht ter uitvoering ervan.
De verstrekkers van de in het eerste lid bedoelde nieuwe kredieten kunnen niet aansprakelijk worden gesteld enkel en alleen omdat de nieuwe kredieten de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de activa of van de activiteiten van de schuldenaar niet daadwerkelijk mogelijk hebben gemaakt.
HOOFDSTUK 24. - Tijdelijke inperking van bepaalde beslagen tegen particulieren
Art. 74. Alle natuurlijke personen die geen onderneming zijn in de zin van artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht, genieten van een tijdelijke opschorting zoals hierna bepaald :
1° behoudens op onroerende goederen andere dan diegene waar de schuldenaar zijn woonplaats heeft, kan tegen hen geen uitvoerend beslag worden gelegd;
2° behoudens op onroerende goederen andere dan diegene waar de schuldenaar zijn woonplaats heeft, worden de uitvoerende beslagen die ten opzichte van hen reeds werden gelegd voor de inwerkingtreding van deze wet, geschorst;
3° tegen hen kan geen bewarend en uitvoerend beslag onder derden dat de betaling van een geldsom tot voorwerp heeft worden gelegd;
4° tegen hen kan geen overdracht van loon zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers worden uitgevoerd.
Het eerste lid is niet van toepassing :
1° op de gevallen bedoeld in artikel 1412, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
2° op alle andere gevallen, wanneer de schuldenaar instemt met het beslag of de voortzetting van de gedwongen tenuitvoerlegging;
3° in het kader van de invordering van elke veroordeling in strafzaken tot een geldboete, tot een verbeurdverklaring van een geldsom die een schuldvordering tot stand brengt die invorderbaar is op het vermogen van een veroordeelde, tot de gerechtskosten of tot een bijdrage, evenals van elke andere verbintenis tot betaling van een som in strafzaken;
4° in het kader van de invordering van alle sommen verschuldigd uit hoofde van belastingen, voorheffingen, taksen, rechten, verhogingen, administratieve en fiscale geldboeten, nalatigheidsinteresten en bijbehoren, ingevolge een fiscale of sociale fraude;
5° op de kennisgevingen bedoeld in de artikelen 434 en 435 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, 93quater en 93quinquies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, en 36 en 37 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen of gelijkaardige regionale regelgeving, in het kader van het opstellen van akten die de vervreemding of de hypothecaire aanwending van een voor hypotheek vatbaar goed tot voorwerp hebben.
Art. 75. Dit hoofdstuk is van toepassing tot 31 januari 2021.
HOOFDSTUK 25. - Wijziging van de wet van 25 mei 2018 tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde
Art. 76. In artikel 82, vierde lid, van de wet van 25 mei 2018 tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde, ingevoegd bij de wet van 11 december 2019, wordt het woord "januari" vervangen door het woord "maart".
HOOFDSTUK 26. - Wijzigingen van de inwerkingtreding van bepaalde wetten inzake de bescherming van meerderjarige onbekwamen
Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie
Art. 77. In artikel 98, tweede lid, van de wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie, gewijzigd bij de wet van 11 december 2019, worden de woorden "een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 1 januari 2021" vervangen door de woorden "1 juni 2021".".
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 10 maart 2019 tot tenuitvoerlegging van het Verdrag van s'-Gravenhage van 13 januari 2000 inzake de internationale bescherming van volwassenen
Art. 78. Artikel 28 van de wet van 10 maart 2019 tot tenuitvoerlegging van het Verdrag van `s-Gravenhage van 13 januari 2000 inzake de internationale bescherming van volwassenen, gewijzigd bij de wet van 11 december 2019, wordt vervangen als volgt :
"Art. 28. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2021, met uitzondering van artikel 12 dat in werking treedt op 1 juni 2021.".
HOOFDSTUK 27. - Wijziging van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank
Art. 79. In artikel 53 van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank, gewijzigd bij de wet van 11 december 2019, worden de woorden "1 januari 2021" vervangen door de woorden "1 januari 2022".
HOOFDSTUK 28. - Inwerkingtreding
Art. 80. Behoudens de hoofdstukken en de artikelen bedoeld in het tweede tot het zevende lid, treedt deze wet in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Hoofdstuk 2 treedt in werking op 1 januari 2021.
De hoofdstukken 8 en 9 hebben uitwerking met ingang van 1 november 2020.
Hoofdstuk 19 heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2020.
De artikelen 60 en 61 hebben uitwerking met ingang van 26 november 2020.
Artikel 62 heeft uitwerking met ingang van 2 november 2020.
De artikelen 63 tot 68 hebben uitwerking met ingang van 1 december 2020.
Art. 81. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de datum bedoeld in de artikelen 5, 7, 8, 11, 16 tot 20, 44 tot 46, 48 tot 53, 54, 56, 69, 71 en 75 aanpassen teneinde rekening te houden met de duurtijd van de maatregelen genomen met het oog op de strijd tegen de COVID-19-pandemie.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met `s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 20 december 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Economie en Werk,
P.-Y. DERMAGNE
De Minister van Justitie,
V. VAN QUICKENBORNE
De Minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO's en Landbouw,
D. CLARINVAL
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
V. VAN QUICKENBORNE
_______
Nota
(1) Kamer van volksvertegenwoordigers
(www.dekamer.be)
Stukken : 55/1668
Integraal Verslag : 17 december 2020.


begin

Publicatie : 2020-12-24