einde

Publicatie : 2020-11-30

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID

24 NOVEMBER 2020. - Wet met het oog op steunmaatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie (1)



FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamer heeft aangenomen en Wij bekrachtingen hetgeen volgt :
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
HOOFDSTUK 2. - Betalingstermijnen voor de bijdragen verschuldigd voor het derde en vierde kwartaal 2020
Art. 2. De werkgevers en de personen die hiermee worden gelijkgesteld bedoeld in artikel 1, § 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die ernstige economische moeilijkheden ondervinden ingevolge het coronavirus COVID-19 kunnen, vóór iedere gerechtelijke vervolging en elk ander voorafgaandelijk minnelijk afbetalingsplan, aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om minnelijke afbetalingstermijnen verzoeken voor de door de werkgever aangegeven bijdragen voor het derde en vierde kwartaal 2020 en voor de tot 28 februari 2021 vervallen rechtzettingen van bijdragen, met uitzondering van de door voormelde Rijksdienst ambtshalve vastgestelde bijdragen met betrekking tot het derde en vierde kwartaal 2020 in toepassing van artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, waarbij de bijdrageopslagen, eventuele forfaitaire vergoedingen, voorschotten en de verwijlintresten niet worden aangerekend wanneer en voor zover de vastgelegde betalingsmodaliteiten strikt worden nageleefd.
De minnelijke afbetalingstermijnen bedoeld in het vorige lid worden toegestaan volgens de voorwaarden en nadere regelen vastgelegd krachtens artikel 40bis van voornoemde wet van 27 juni 1969.
Art. 3. De vaste vergoeding wegens het niet-nakomen van de verplichtingen inzake betaling van voorschotten bedoeld in artikel 54bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders is niet van toepassing voor het derde en het vierde kwartaal 2020.
Art. 4. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2020.
HOOFDSTUK 3. - Provisie CORONA voor de sector HORECA
Art. 5. In uitvoering van de artikelen 121 tot 124 van de wet van 22 mei 2003 houdende de organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat wordt een éénmalige subsidie van 167 000 000 euro toegekend, ten laste van de begroting van de interdepartementale provisie (inbegrepen Corona), via een specifiek basisallocatie van de FOD WASO: 235120313201 aan het Waarborg- en Sociaal Fonds voor de hotel-, restaurant-, café en aanverwante bedrijven.
Art. 6. Deze subsidie is uitsluitend bestemd om het gebrek aan betaling te compenseren van de bijdrage voor de financiering van de eindejaarspremie 2020 van de werknemers die ressorteren onder het Paritair Comité voor het hotelbedrijf, ten gevolge van de sluiting van de inrichtingen die behoren tot de horecasector opgelegd door de ministeriele besluiten houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken.
Deze subsidie kan enkel worden aangewend voor de betaling van dit gedeelte van de eindejaarspremies van de werknemers dat betrekking heeft op de dagen van tijdelijke werkloosheid die gelijkgesteld zijn met effectieve aanwezigheid, zoals voorzien in artikel 9.9 van de Collectieve arbeidsovereenkomst van 27 juli 2010, gesloten in het Paritair Comité voor het hotelbedrijf, tot wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten tot toekenning van een eindejaarspremie.
Art. 7. Deze subsidie mag niet worden gebruikt voor uitgaven in verband met personeelskosten, werkingskosten en investeringen.
Art. 8. § 1. Uiterlijk binnen de drie maanden die volgen op de datum van betaling van de eindejaarspremie 2020 zoals vastgelegd in de statuten van het Waarborg- en Sociaal Fonds voor de hotel-, restaurant-, café en aanverwante bedrijven, bezorgt het beheersorgaan van dit Fonds aan de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, een verslag over de wijze waarop de subsidie werd besteed overeenkomstig artikel 121, derde lid, van de wet van 22 mei 2003 houdende de organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat.
§ 2. Onverminderd artikel 13 van de wet van 7 januari 1958 betreffende de Fondsen voor bestaanszekerheid en het koninklijk besluit van 15 januari 1999 betreffende de boekhouding en de jaarrekening met betrekking tot de Fondsen voor bestaanszekerheid, bevat het in de eerste paragraaf vermelde verslag een afrekening van de kosten met de nodige verantwoordingsstukken.
Art. 9. § 1. De totale toelage kan maximaal nooit meer bedragen dan het bedrag voorzien in artikel 5.
§ 2. Indien het bedrag verantwoord door de verantwoordingsstukken lager is dan het bedrag voorzien in artikel 5, is de begunstigde overeenkomstig artikel 123 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat, gehouden de te veel ontvangen sommen terug te betalen aan de genoemde FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, binnen de maand na ontvangst van de definitieve afrekening aan hem opgestuurd door deze overheidsdienst.
Art. 10. De subsidie wordt toegekend voor het jaar 2020.
HOOFDSTUK 4. - Hoofdstuk tot wijziging van wet van 23 maart 2020 tot wijziging de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen
Art. 11. In de wet van 23 maart 2020 tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 41 van 26 juni 2020 wordt een artikel 4quater ingevoegd, luidende:
"Art. 4quater. § 1. In afwijking van artikel 4bis, § 2, kunnen aanspraak maken op het dubbele van de het volledige maandelijkse bedrag bedoeld in artikel 10, § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandige:
- de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, zoals bedoeld in artikel 3, die gedwongen worden hun activiteiten gedeeltelijk of volledig te onderbreken en voor zover hun activiteiten rechtstreeks behoren tot de activiteiten zoals bedoeld in het ministerieel besluit van 18 oktober 2020 en elk ander later ministerieel besluit houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, voor de kalendermaand waarin de periode van onderbreking van hun zelfstandige activiteit gelegen is;
- de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten, zoals bedoeld in artikel 3, wiens activiteiten afhankelijk zijn van de activiteiten rechtstreeks bedoeld in het ministerieel besluit van 18 oktober 2020 en elk ander later ministerieel besluit houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, die hun activiteiten volledig onderbreken gedurende de periode van gedwongen onderbreking bedoeld door bovengenoemd ministerieel besluit, voor de kalendermaand waarin de periode van daadwerkelijke onderbreking van hun zelfstandige activiteit gelegen is.
§ 2. In afwijking van artikel 4bis, § 3 wordt voor de zelfstandigen en helpers zoals bedoeld in artikel 3, § 2, van deze wet, het volledige maandelijkse bedrag bedoeld in artikel 10 § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, toegekend en dit voor zover ze voldoen aan de overige voorwaarden van de eerste paragraaf.
§ 3. De zelfstandigen en helpers bedoeld in de tweede paragraaf kunnen het aldaar bedoelde maandelijkse bedrag slechts cumuleren met een of meerdere andere vervangingsinkomens voor zover de som van het maandelijks bedrag bedoeld in de tweede paragraaf en de andere vervangingsinkomens per maand niet meer bedraagt dan 1 614,10 euro. Ingeval van overschrijding wordt het maandelijks bedrag bedoeld in de tweede paragraaf verminderd ten belope van deze overschrijding.
§ 4. De gerechtigden op primaire ongeschiktheids- of invaliditeitsuitkeringen die een activiteit als zelfstandige met de toelating van de adviserend arts van hun verzekeringsinstelling uitoefenen, al naargelang het geval, met toepassing van artikel 100, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 of de artikelen 23 of 23bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, en die, onder de voorwaarden bepaald in de eerste en tweede paragrafen, hun toegelaten activiteit moeten onderbreken, kunnen op geen enkel bedrag aan overbruggingsrecht voor deze onderbreking van activiteit aanspraak maken.".
Art. 12. In artikel 5 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 41 van 26 juni 2020, worden de paragrafen 1 en 2 vervangen als volgt:
" § 1. Voor de toepassing van de artikelen 4, 4bis, 4ter en 4quater en in afwijking van artikel 7, § 3, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, wordt er geen rekening gehouden met de financiële uitkeringen die de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenote bedoeld in artikel 3 reeds in het verleden heeft genoten krachtens het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en zijn uitvoeringsbesluiten en krachtens de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en haar uitvoeringsbesluit.
Bovendien zal de financiële uitkering die overeenkomstig de artikelen 4, 4bis, 4ter en 4quater wordt toegekend, niet in rekening worden gebracht bij het bepalen van de maximale duur van het overbruggingsrecht in toepassing van artikel 7, § 3, van de voormelde wet van 22 december 2016.
§ 2. Voor de toepassing van de artikelen 4, 4bis, 4ter en 4quater zijn de voorwaarden bedoeld in artikel 5, § 1, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, niet van toepassing op de zelfstandigen, helpers en meewerkende echtgenoten bedoeld in artikel 3.".
Art. 13. In artikel 6 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 augustus 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) paragraaf 1 wordt aangevuld met een bepaling onder 7°, luidende:
"7° Artikel 4quater is van toepassing op alle gedwongen onderbrekingen overeenkomstig artikel 4, 3°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, die plaatsvinden naar aanleiding van COVID-19 en zich situeren in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 30 november 2020.";
b) in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
"De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de periode van de toepassing van de maatregelen bedoeld in de artikelen 3, 4bis, 4ter, 4quater en 5, verlengen tot uiterlijk 31 december 2020.".
Art. 14. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
HOOFDSTUK 5. - Toekenning van een premie aan bepaalde categorieën van werkgevers voor de betaling van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verschuldigde bedragen voor het derde kwartaal 2020
Art. 15. § 1. Er wordt een premie verleend volgens de modaliteiten bepaald in artikel 16 aan de werkgevers en de personen die hiermee worden gelijkgesteld bedoeld in artikel 1, § 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wanneer en voor zover zij onder het toepassingsgebied vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, en zij op het einde van het derde kwartaal 2020 nog steeds actief zijn en:
1° kwalificeren als inrichtingen die behoren tot de horecasector alsook andere eet- en drankgelegenheden die sedert 19 oktober 2020 gesloten zijn op grond van de ministeriële besluiten houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken die genomen zijn door de minister van Binnenlandse Zaken, met uitzondering van eet- en drankgelegenheden en grootkeukens bestemd voor verblijf-, school-, leef- en werkgemeenschappen;
2° behoren tot de culturele, feestelijke, sportieve, recreatieve en evenementensector en waarvan de (onderdelen van) inrichtingen sedert 29 oktober 2020 of 2 november 2020 gesloten zijn voor het publiek op grond van de ministeriële besluiten houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken die genomen zijn door de minister van Binnenlandse Zaken;
3° kwalificeren als ondernemingen en verenigingen die goederen aanbieden aan consumenten die sedert 2 november 2020 gesloten zijn voor het publiek op grond van de ministeriële besluiten houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken die genomen zijn door de minister van Binnenlandse Zaken;
4° kwalificeren als onderdelen van ondernemingen en verenigingen die diensten aanbieden aan consumenten die sedert 2 november 2020 gesloten zijn voor het publiek op grond van de ministeriële besluiten houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken die genomen zijn door de minister van Binnenlandse Zaken;
5° de vakantieparken, bungalowparken en campings die sedert 3 november 2020 gesloten zijn voor het publiek op grond van de ministeriële besluiten houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken die genomen zijn door de minister van Binnenlandse Zaken alsook de reisbureaus, reisorganisaties, toeristische informatiediensten, overige reserveringsactiviteiten.
§ 2. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, nadere regels inzake de premie bedoeld in dit hoofdstuk bepalen.
§ 3. De Koning kan, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het toepassingsgebied van dit hoofdstuk uitbreiden en afwijkende berekenings- en toekenningsvoorwaarden van de premie bepalen.
Art. 16. § 1. De premie bedoeld in artikel 15 wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid berekend en toegekend in twee fasen.
§ 2. In de eerste fase berekent de voormelde Rijksdienst een premie waarvan het bedrag overeenkomt met het voor het eerste kwartaal 2020 verschuldigde bedrag van de globale bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3, 1°, 2° of 3° en artikel 38, § 3bis, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers - waarbij geen rekening wordt gehouden met de loonmatigingsbijdrage bedoeld in artikel 38, § 3bis, eerste lid, van dezelfde wet, die niet werd berekend op de werkgeversbijdragen bedoeld in voornoemd artikel 38, § 3, 1°, 2° of 3° en § 3bis, eerste en tweede lid van dezelfde wet - verminderd met de verminderingen van werkgeversbijdragen en vermeerderd met de voor het eerste kwartaal 2020 door de werkgever verschuldigde solidariteitsbijdrage op studentenarbeid bedoeld in artikel 1, van het koninklijk besluit van 23 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een solidariteitsbijdrage op de tewerkstelling van studenten die niet onderworpen zijn aan het stelsel van sociale zekerheid van de werknemers, met toepassing van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie.
Het bedrag van deze premie wordt eerst ambtshalve aangewend ter betaling van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verschuldigde bedragen die betrekking hebben op het derde kwartaal 2020 en vervolgens, in voorkomend geval, op de overige aan de voormelde Rijksdienst verschuldigde bedragen en dit met aanwending op de oudste schuld overeenkomstig artikel 25, van de voormelde wet van 27 juni 1969. Indien er na toerekening een saldo overblijft, kan de werkgever om de uitbetaling ervan verzoeken. Wanneer de werkgever niet om uitbetaling verzoekt, zal het saldo aangewend worden voor de eerstvolgende nog te vervallen bedragen verschuldigd aan de voormelde Rijksdienst.
§ 3. In de tweede fase berekent de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid een premie waarvan het bedrag overeenstemt met het voor het derde kwartaal 2020 verschuldigde bedrag van de globale bijdrage bedoeld in artikel 38, § 3, 1°, 2° of 3° en artikel 38, § 3bis, van de voormelde wet van 29 juni 1981 - waarbij geen rekening wordt gehouden met de loonmatigingsbijdrage bedoeld in artikel 38, § 3bis, eerste lid, van dezelfde wet, die niet werd berekend op de werkgeversbijdragen bedoeld in voornoemd artikel 38, § 3, 1°, 2° of 3° en § 3bis, eerste en tweede lid van dezelfde wet, verminderd met de verminderingen van werkgeversbijdragen en vermeerderd met de voor het derde kwartaal 2020 door de werkgever verschuldigde solidariteitsbijdrage op studentenarbeid bedoeld in artikel 1, van het voormelde koninklijk besluit van 23 december 1996.
§ 4. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid vergelijkt vervolgens de overeenkomstig paragraaf 3 berekende premie met de overeenkomstig paragraaf 2 berekende premie.
Wanneer het bedrag van de overeenkomstig paragraaf 3 berekende premie lager is dan het bedrag van de overeenkomstig paragraaf 2 berekende premie, dan blijft de overeenkomstig paragraaf 2 berekende premie die in de eerste fase werd toegekend, verworven.
Wanneer het bedrag van de overeenkomstig paragraaf 3 berekende premie hoger is dan de overeenkomstig paragraaf 2 berekende premie, dan wordt aan de werkgever een bijkomende premie ten belope van het verschil toegekend. Het bedrag van deze premie wordt eerst ambtshalve aangewend ter betaling van de aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verschuldigde bedragen die betrekking hebben op het derde kwartaal 2020 en vervolgens, in voorkomend geval, op de overige aan de voormelde Rijksdienst verschuldigde bedragen en dit met aanwending op de oudste schuld overeenkomstig artikel 25 van de voormelde wet van 27 juni 1969. Indien er na toerekening een saldo overblijft, kan de werkgever om de uitbetaling ervan verzoeken. Wanneer de werkgever niet om uitbetaling verzoekt, zal het saldo aangewend worden voor de eerstvolgende nog te vervallen bedragen verschuldigd aan de voormelde Rijksdienst.
Art. 17. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 15 november 2020.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 24 november 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
P.-Y. DERMAGNE
De Minister van Sociale Zekerheid,
Fr. VANDENBROUCKE
Met `s Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
V. VAN QUICKENBORNE
_______
Nota
(1) Kamer van volksvertegenwoordigers
(www.dekamer.be)
Stukken. - 55K1537
Integraal Verslag : 19 november 2020.


begin

Publicatie : 2020-11-30