einde

Publicatie : 2020-07-24

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN

20 JULI 2020. - Wet tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan KMO's in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen



FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Art. 2. Onder de door of krachtens deze wet bepaalde voorwaarden wordt de staatswaarborg toegekend op de verliezen die een kredietgever lijdt op de door hem toegekende gewaarborgde kredieten.
HOOFDSTUK 2. - Definities
Art. 3. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
1░ de staatswaarborg: de staatswaarborg die krachtens deze wet wordt toegekend;
2░ gewaarborgd verlies: het gewaarborgd verlies zoals bedoeld in artikel 11;
3░ een kredietgever: een kredietgever zoals bedoeld in artikel 5;
4░ een gewaarborgd krediet: een krediet in de zin van artikel 4;
5░ de wet van 27 maart 2020: de wet van 27 maart 2020 tot machtiging van de Koning om een staatswaarborg te verstrekken voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen;
6░ het koninklijk besluit van 14 april 2020: het koninklijk besluit van 14 april 2020 tot toekenning van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus;
7░ de looptijd van een krediet: de tijd tussen de verlening van een krediet en de dag waarop de kredietnemer alle onder het krediet verschuldigde bedragen moet hebben terugbetaald;
8░ verlenen van een krediet: een krediet wordt verleend wanneer een kredietnemer contractueel het recht krijgt om het krediet geheel of gedeeltelijk op te nemen;
9░ een kredietnemer: een kredietnemer die voldoet aan de voorwaarden van artikel 6;
10░ een maandelijkse aangifte: de aangifte bedoeld in artikel 4, § 6;
11░ een toegelaten debetstand: een uitdrukkelijke kredietopening waarbij een kredietgever een kredietnemer de mogelijkheid biedt bedragen op te nemen die het beschikbare tegoed op de hiermee verbonden betaalrekening te boven gaan;
12░ een herfinancieringskrediet: een krediet, of een gedeelte van een krediet, dat wordt verleend tot terugbetaling van een krediet dat een kredietgever heeft verleend voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, met inbegrip van de verlenging van een voor de datum van inwerkingtreding van deze wet verleend krediet; wordt niet als herfinancieringskrediet aanzien, een krediet of een gedeelte van een krediet dat wordt verleend tot terugbetaling van een krediet dat werd toegekend met toepassing van de wet van 27 maart 2020, dat door de kredietgever niet werd ge´dentificeerd met toepassing van artikel 4, § 1, 4░, van het koninklijk besluit van 14 april 2020, en met betrekking waartoe de kredietgever voorziet een respijtmaatregel te moeten toekennen op de vervaldag ervan;
13░ wederopname van een krediet: de wederopname of hernieuwing van een geheel of gedeeltelijk terugbetaald krediet dat vˇˇr de datum van inwerkingtreding van deze wet werd verleend en voor zover dergelijke wederopname of hernieuwing voor ten hoogste dezelfde hoofdsom plaatsvindt;
14░ een leasingovereenkomst: een overeenkomst die beantwoordt aan de criteria vastgesteld in artikel 3:89 van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen voor de post III.D Leasing en soortgelijke rechten;
15░ een factoringovereenkomst: een overeenkomst waarbij een partij de te innen schuldvorderingen die voortvloeien uit contracten tot levering van goederen en/of het verstrekken van diensten afgesloten tussen die partij en zijn debiteuren, aan de wederpartij overdraagt in ruil voor de voorfinanciering van de te innen schuldvorderingen;
16░ de Kruispuntbank van Ondernemingen: het register bedoeld in artikel III.15 van het Wetboek economisch recht;
17░ een onderneming waartegen een collectieve insolventieprocedure loopt: een onderneming die het voorwerp uitmaakt van de lopende procedure zoals bedoeld in bijlage A bij de Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures;
18░ Verordening nr. 2015/2365: de Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
19░ een voor een bijzonder doel opgerichte effectiseringsentiteit: een entiteit met als enige opdracht ÚÚn of meer verrichtingen van effectisering, alsook het verrichten van andere werkzaamheden ter vervulling van deze opdracht;
20░ Verordening (EU) nr. 1407/2013: Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun;
21░ een patrimoniumvennootschap: een vennootschap zoals bedoeld in artikel 14526, § 3, 5░ van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
22░ een managementvennootschap: een vennootschap zoals bedoeld in artikel 14526, § 3, 6░ van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
23░ maximaal gewaarborgde interesten: de maximaal gewaarborgde interesten zoals bedoeld in artikel 9;
24░ Verordening nr. 651/2014: de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieŰn steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;
25░ een groep: een onderneming, samen met de met haar verbonden personen;
26░ een verbonden persoon: een verbonden onderneming of een partneronderneming in de zin van Bijlage 1 bij de Verordening 651/2014;
27░ een interest op jaarbasis: een interest die geldt voor een jaar, berekend op 360 dagen;
28░ de toegewezen enveloppe: de toegewezen enveloppe van een kredietgever zoals vastgesteld door de Koning krachtens de wet van 27 maart 2020;
29░ verlies: verlies zoals bedoeld in artikel 12;
30░ een pari passu bepaling: een bepaling die de vermindering van een waarborg tot gevolg heeft omwille van coŰxistentie met andere waarborgen waarbij de vermindering gebeurt evenredig met het aantal andere waarborgen en met de door deze andere waarborgen gewaarborgde bedragen;
31░ de Nationale Bank: de Nationale Bank van BelgiŰ bedoeld in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van BelgiŰ;
32░ respijtmaatregelen: respijtmaatregelen in de zin van artikel 47ter, 1., a) en b) van de Verordening nr. 575/2013;
33░ Verordening nr. 575/2013: de Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiŰle vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012;
34░ effectisering: securitisatie in de zin van artikel 2.1 van de Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012;
35░ kwalificerende buitenlandse activiteiten: buitenlandse activiteiten van een kredietnemer die beantwoorden aan de volgende voorwaarden:
a) de buitenlandse activiteiten worden gevoerd door de kredietnemer zelf of door een entiteit die onder de exclusieve of gezamenlijke controle staat van de kredietnemer;
b) de continu´teit van de buitenlandse activiteiten is cruciaal voor de Belgische activiteiten;
c) er bestaat geen andere mogelijkheid om de buitenlandse activiteiten duurzaam en tegen normale marktvoorwaarden te financieren;
36░ een zekerheid: elke persoonlijke zekerheid of zakelijke zekerheid;
37░ een vergoeding: enige vergoeding zoals bedoeld in hoofdstuk 7.
HOOFDSTUK 3. - Gewaarborgde kredieten
Afdeling 1. - Algemeen
Art. 4. § 1. Gewaarborgde kredieten zijn kredieten met een looptijd van meer dan 12 maanden en ten hoogste 36 maanden verleend door een kredietgever aan een kredietnemer tussen de datum van inwerkingtreding van deze wet en 31 december 2020, voor zover zij door de kredietgever op het ogenblik dat ze worden verleend specifiek worden ge´dentificeerd. De hiervoor bedoelde identificatie van een krediet kan door de kredietgever niet worden beŰindigd of ongedaan gemaakt.
§ 2. Een krediet in de zin van paragraaf 1 is elke overeenkomst waarbij een kredietgever een krediet verleent of toezegt, in de vorm van een lening, een kredietopening, een toegelaten debetstand, of van elke andere gelijkaardige betalingsregeling, met uitsluiting van:
1░ herfinancieringskredieten;
2░ wederopnames van kredieten;
3░ leasingovereenkomsten;
4░ factoringovereenkomsten;
5░ consumentenkredieten en hypothecaire kredieten die vallen onder Boek VII van het Wetboek van economisch recht.
§ 3. Kredieten die worden verleend bij wijze van een kredietlijn onder een krediet, waarbij de afzonderlijke kredietlijn een voldoende onderscheiden verbintenis vormt van de kredietgever, kwalificeren op zichzelf als een krediet in de zin van paragraaf 2, met inbegrip van:
a) kredietlijnen toegekend in het kader van een kredietovereenkomst waarbij meerdere kredietverstrekkers gezamenlijk een krediet verschaffen aan ÚÚn of meerdere kredietnemers, ook wanneer de andere kredietverstrekkers niet kwalificeren als kredietgever;
b) kredietlijnen toegekend in het kader van een krediet dat bestaat uit onderscheiden kredietlijnen, ook wanneer de andere kredietlijnen niet kwalificeren als gewaarborgd krediet.
§ 4. Alle door een kredietgever toegekende gewaarborgde kredieten vormen samen de gewaarborgde portefeuille van die kredietgever.
§ 5. Bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad kan de Koning de termijn waarbinnen de in dit artikel bedoelde kredieten kunnen worden toegekend alsmede de maximaal toegestane looptijd van die kredieten verlengen indien dit gelet op de ernst dan wel de duur van de coronavirus-crisis noodzakelijk is.
§ 6. De door een kredietgever ge´dentificeerde kredieten zoals bedoeld in paragraaf 1 worden opgenomen in de rapportering als bedoeld in artikel 37. De Koning kan de nadere regels bepalen over de wijze of de verplichte inhoud bij dergelijke rapportering.
Afdeling 2. - Kredietgever
Art. 5. Voor de toepassing van deze wet en zijn uitvoeringsbesluiten, moet onder "kredietgever" worden verstaan, het begrip kredietgever zoals vastgesteld krachtens de wet van 27 maart 2020.
Afdeling 3. - Kredietnemers
Art. 6. § 1. Als kredietnemer wordt aanzien elke kleine of middelgrote niet-financiŰle onderneming waaraan een gewaarborgd krediet wordt verleend.
§ 2. Onder "kleine of middelgrote niet-financiŰle onderneming" bedoeld in paragraaf 1 moet worden verstaan een "kleine onderneming", een "micro-onderneming" of een "middelgrote onderneming" in de zin van Bijlage 1 bij de Verordening 651/2014 die is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, met uitsluiting van:
a) ondernemingen tegen wie een collectieve insolventieprocedure loopt;
b) ondernemingen die reddingssteun hebben ontvangen, die niet terugbetaald is;
c) ondernemingen die herstructureringssteun mogen ontvangen en nog steeds onderworpen zijn aan een herstructureringsplan;
d) middelgrote ondernemingen in de zin van Bijlage 1 bij de Verordening 651/2014 ten aanzien waarvan zich op 31 december 2019 ten minste ÚÚn van de omstandigheden bedoeld in artikel 2.18 van de Verordening nr. 651/2014 voordeed;
e) overheidsentiteiten, waaronder moet worden verstaan elke institutionele eenheid die overeenkomstig de verordening nr. 549/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie behoort tot de sector overheid (S.13) zoals vastgesteld door het Instituut voor de Nationale Rekeningen in de door haar gepubliceerde lijst publieke eenheden;
f) financiŰle tegenpartijen in de zin van artikel 3.3 van Verordening nr. 2015/2365, betalingsinstellingen of instellingen voor elektronisch geld in de zin van artikel 2, 10░ en 75░ van de wet van 11 maart 2018 betreffende het statuut van en het toezicht op de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld en voor een bijzonder doel opgerichte effectiseringsentiteiten;
g) ondernemingen die uitsluitend of hoofdzakelijk krediet toestaan voor eigen rekening binnen het kader van hun gebruikelijke handels- of beroepsactiviteiten;
h) ondernemingen waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk ÚÚn of meer personen zoals vermeld onder f) of g) zijn;
i) patrimoniumvennootschappen;
j) managementvennootschappen.
Afdeling 4. - Begrenzing van het voorwerp van de staatswaarborg
Onderafdeling 1. - Maximaal gewaarborgde hoofdsommen en maximaal gewaarborgde interesten
Art. 7. Een gewaarborgd krediet geniet van de staatswaarborg ten belope van maximaal de hoofdsommen bedoeld in artikel 8 en de interesten bedoeld in artikel 9, voor zover het totaal van de door een kredietgever toegekende gewaarborgde kredieten de in artikel 10 bedoelde grens niet overschrijdt.
Art. 8. § 1. De gewaarborgde hoofdsom van de aan een kredietnemer toegekende gewaarborgde kredieten kan het hoogste van de hierna bedoelde bedragen niet overschrijden:
1░ de liquiditeitsbehoeften van de kredietnemer gedurende een periode van 18 maanden vanaf de beoogde datum van verlening van het gewaarborgde krediet, zoals dit bedrag door de kredietnemer in een behoorlijk gemotiveerde schriftelijke verklaring wordt geschat. In deze schriftelijke verklaring deelt de kredietnemer aan de kredietgever mee of en in welke mate hij of een met hem verbonden persoon andere kredietaanvragen heeft ingediend of nog voornemens is in te dienen. De in dit onderdeel bedoelde liquiditeitsbehoeften zijn exclusief de behoeften van de kredietnemer voor herfinanciering dan wel wederopname van kredieten verleend voor de datum van inwerkingtreding van deze wet;
2░ het dubbele van de jaarlijkse totale loonkost, met inbegrip van de sociale lasten, van het laatste afgesloten boekjaar van de kredietnemer; voor kredietnemers die na 31 december 2019 zijn opgericht mag de kredietgever voortgaan op de door de kredietnemer in een schriftelijke verklaring geraamde jaarlijkse loonsom voor de eerste twee exploitatiejaren;
3░ 25 % van de omzet van het laatste afgesloten boekjaar van de kredietnemer.
§ 2. De maximumbedragen waarvan sprake in dit artikel gelden per groep, en worden verminderd met het hoofdbedrag van kredieten die in voorkomend geval aan de kredietnemer of een andere persoon van de groep waartoe hij behoort, zijn toegekend met toepassing van de wet van 27 maart 2020.
Art. 9. § 1. De maximaal gewaarborgde interesten zijn zowel de interesten als de ge´mputeerde vergoeding die door een kredietnemer onder een gewaarborgd krediet zijn verschuldigd tot en met de vervaldag, begrensd tot:
1░ 2,00 % interest op jaarbasis, rekening houdend met de daadwerkelijk opgenomen hoofdsommen, vermeerderd met
2░ een door de kredietgever aan de kredietnemer ge´mputeerde vergoeding van ten hoogste 50 basispunten, berekend op de hoofdsom, ongeacht of deze daadwerkelijk wordt opgenomen, berekend op jaarbasis.
§ 2. Bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad kan de Koning de maximaal gewaarborgde interesten verhogen rekening houdend met de evolutie van de marktrente en indien dit gelet op de ernst dan wel de duur van de coronavirus-crisis noodzakelijk is.
Onderafdeling 2. - Begrenzing van de gewaarborgde kredieten per kredietgever
Art. 10. De door een kredietgever toegekende gewaarborgde kredieten komen binnen de in de artikelen 8 en 9 gestelde grenzen in aanmerking voor de staatswaarborg voor zover het totaal van de beschikbare dan wel uitstaande hoofdsommen van de door een kredietgever toegekende gewaarborgde kredieten ten hoogste gelijk is aan 20 % van de toegewezen enveloppe van die kredietgever. De enveloppe die aan een kredietgever wordt toegewezen krachtens de uitvoeringsbesluiten van de wet van 27 maart 2020, wordt verminderd met de hoofdsom van alle gewaarborgde kredieten die door deze kredietgever op grond van deze wet worden toegekend.
Een gewaarborgd krediet waarvan de verlening zou leiden tot een overschrijding van de in het eerste lid gestelde grens komt in zijn geheel niet in aanmerking voor de staatswaarborg, en de toekenning van dergelijk krediet verhoogt de uitstaande hoofdsommen binnen de toegewezen enveloppe niet. De artikelen 27, 1░, en 28, blijven van toepassing op dergelijk krediet.
Bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, kan de Koning het percentage bedoeld in het eerste lid verhogen indien dit gelet op de ernst dan wel de duur van de coronavirus-crisis noodzakelijk is.
HOOFDSTUK 4. - Gewaarborgd verlies
Art. 11. Het gewaarborgd verlies is gelijk aan 80 % van het door een kredietgever geleden verlies op een gewaarborgd krediet.
Art. 12. Het verlies is het bedrag van de verschuldigde hoofdsommen en interesten waarvan vaststaat dat het niet meer door de kredietgever kan worden ingevorderd door middel van een verhaal op de kredietnemer, op een derde of op enige andere wijze.
Het verlies bedoeld in het eerste lid omvat eveneens het bedrag aan verschuldigde hoofdsommen en interesten dat een kredietgever niet kan invorderen met betrekking tot gewaarborgde kredieten die eveneens het voorwerp uitmaken van andere waarborgen, in de mate dat de onmogelijkheid van invordering het gevolg is van pari passu bepalingen in die andere waarborgen.
HOOFDSTUK 5. - Voorrecht van uitwinning, pari passu clausule, aanspreking van de staatswaarborg, opschorting, schuldvergelijking, geen andere begunstigden en niet-overdraagbaarheid
Afdeling 1. - Voorrecht van uitwinning
Art. 13. De staatswaarborg wordt verleend met voorrecht van uitwinning, waardoor de Staat slechts tot betaling gehouden is met betrekking tot een verlies van de kredietgever dat definitief is geworden overeenkomstig artikel 12, eerste lid, onverminderd de uitbetaling van voorschotten, overeenkomstig hoofdstuk 8.
Art. 14. Wanneer een deel of het geheel van het gewaarborgd verlies op een gewaarborgd krediet in zijn geheel ook kan worden verhaald op andere waarborgen die zijn verleend met betrekking tot het geheel of een deel van het gewaarborgde krediet, wordt dit gewaarborgd verlies of dat deel ervan pari passu verminderd in functie van het bedrag dat wordt gedekt door zulke andere waarborgen, tenzij er andersluidende afspraken bestaan tussen de Staat en die andere borg.
Afdeling 2. - Uiterlijke datum van aanspreking voor de staatswaarborg
Art. 15. De Koning stelt de procedure vast voor het aanspreken van de staatswaarborg door een kredietgever, met dien verstande dat de kredietgever de Staat tot uiterlijk 30 juni 2025 kan aanspreken, en de aanspreking betrekking heeft op alle gewaarborgde kredieten die samen de in artikel 4, § 4, bedoelde portefeuille vormen. Het aanspreken van de staatswaarborg is niet onderworpen aan de voorwaarde dat de kredietgever, op het ogenblik van de aanspreking, bewijs levert van het bestaan van een verlies, overeenkomstig artikel 12, eerste lid.
Afdeling 3. - Opschorting van de uitvoering van de staatswaarborg
Art. 16. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 6, wordt de uitvoering van de staatswaarborg opgeschort in geval van niet of onvolledige betaling van de vergoeding.
Afdeling 4. - Schuldvergelijking
Art. 17. Behalve in geval van toepassing van artikel 7 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van BelgiŰ, en onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004 en van andere specifieke bepalingen die betrekking hebben op belastingen, worden enige bedragen die met toepassing van deze wet door de Staat verschuldigd zijn van rechtswege gecompenseerd met zekere en vaststaande schulden van de kredietgever ten aanzien van de Staat.
Afdeling 5 . - Geen andere begunstigden en niet-overdraagbaarheid
Art. 18. De overdracht door de kredietgever, zelfs onder de vorm van een verpanding, van een gewaarborgd krediet, is niet toegelaten. Onder overdracht valt eveneens effectisering, met inbegrip van effectisering met het oog op het gebruik van de effectiseringseffecten als onderpand.
Bij wege van uitzondering op het eerste lid, dooft de staatswaarborg niet uit wanneer de kredietgever een of meerdere gewaarborgde kredieten aan de Nationale Bank in pand geeft of deze effectiseert om de effectiseringseffecten als onderpand te geven van enige financiering die de Nationale Bank in het kader van haar wettelijke opdracht aan die kredietgever of een met haar verbonden kredietinstelling verleent.
HOOFDSTUK 6. - Gronden tot vermindering of verval van de staatswaarborg
Afdeling 1. - Vermindering van het gewaarborgd verlies
Art. 19. Het gewaarborgd verlies op een gewaarborgd krediet wordt verminderd zoals hierna aangegeven:
1░ de staatswaarborg dekt niet, verliezen geleden op gewaarborgde kredieten waarvoor een kredietgever tussen de toekenning van het gewaarborgd krediet en het ogenblik van de definitieve afrekening zoals bedoeld in artikel 26, aan de kredietnemer respijtmaatregelen toekent, zonder dat dezelfde maatregelen, op evenredige wijze rekening houdend met de beschikbare dan wel uitstaande hoofdsom en de vervaldag van de betrokken kredieten, worden toegekend met betrekking tot andere kredieten die de kredietgever, of enige met hem verbonden persoon, ten aanzien van die kredietnemer heeft uitstaan. Als een respijtmaatregel een herfinanciering in de zin van artikel 47ter.1 b) van de Verordening nr. 575/2013 inhoudt, kan dergelijke herfinanciering enkel een gewaarborgd krediet uitmaken indien het ten laatste op 31 december 2020 wordt verleend;
2░ de staatswaarborg dekt niet, verliezen geleden op gewaarborgde kredieten die door een kredietgever met miskenning van artikel 18 geheel of gedeeltelijk worden overgedragen;
3░ de staatswaarborg dekt niet, verliezen geleden op gewaarborgde kredieten die niet elk van onderstaande bepalingen bevatten:
a) de Staat treedt, voor een bedrag gelijk aan het gewaarborgde verlies, na de definitieve afrekening van de staatswaarborg zoals bedoeld in artikel 26, in alle rechten die de kredietgever ontleent aan het gewaarborgde krediet of aan in verband met het gewaarborgd krediet genomen maatregelen;
b) het gewaarborgde krediet mag door de kredietnemer enkel worden aangewend ter financiering van activiteiten in BelgiŰ, met dien verstande dat, bij wege van uitzondering, daarmee ook kwalificerende buitenlandse activiteiten mogen worden gefinancierd voor zover zulke financiering is beperkt tot 10 % van het gewaarborgd krediet, en zulke financiering van de kwalificerende buitenlandse activiteiten niet ten koste gaat van de Belgische activiteiten;
c) het gewaarborgde krediet mag niet worden aangewend ter financiering van activiteiten van managementvennootschappen of patrimoniumvennootschappen;
4░ de staatswaarborg dekt niet, verliezen geleden op gewaarborgde kredieten die de kredietgever niet opneemt in een van de rapporteringen zoals bedoeld in artikel 37 met betrekking tot de staatswaarborg;
5░ de staatswaarborg dekt niet, verliezen geleden op gewaarborgde kredieten waarvoor de kredietgever de Staat niet vrijwaart tegen vorderingen die door de kredietnemer of een met hem verbonden persoon in verband met het gewaarborgd krediet of de staatswaarborg worden ingesteld;
6░ de staatswaarborg dekt niet, verliezen geleden op gewaarborgde kredieten waarvan de kredietgever de aanvraag of de verlening afhankelijk maakt van het sluiten door de kredietnemer of een daarmee verbonden persoon van overeenkomsten met betrekking tot andere producten of diensten;
7░ de staatswaarborg dekt niet, verliezen geleden op gewaarborgde kredieten met betrekking waartoe de kredietgever de kredietnemer, in verband met de toekenning of de uitvoering ervan, kosten aanrekent die niet verschuldigd zouden geweest zijn op basis van de algemene voorwaarden van de kredietgever per 29 februari 2020;
8░ de staatswaarborg dekt niet, verliezen geleden op gewaarborgde kredieten met betrekking waartoe de kredietgever de bepalingen van artikel 27, 2░, kennelijk niet naleeft, wanneer het op het ogenblik van de verlening van die kredieten voorzienbaar was dat die niet naleving zou leiden tot een verzwaring van de kosten of verliezen die de met toepassing van de waarborgregeling ten laste vallen van de Staat;
9░ wanneer de kredietgever of een daarmee verbonden persoon, op enigerlei ogenblik na de datum van inwerkingtreding van deze wet, anders dan op basis van contractuele regelingen die tussen de kredietgever en de kredietnemer van kracht waren op de datum van inwerkingtreding van deze wet, bijkomende zekerheden van een kredietnemer verkrijgt tot zekerheid van kredieten die werden verleend voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, zonder dat een evenredig gedeelte van deze zekerheden, rekening houdend met de beschikbare dan wel uitstaande hoofdsom van alle betrokken kredieten, wordt toegekend aan de gewaarborgde kredieten die de kredietgever aan die kredietnemer toekent, dan wordt het gewaarborgd verlies met betrekking tot de betrokken gewaarborgde kredieten herleid tot nul;
10░ wanneer de kredietgever, met betrekking tot overeenkomsten met kredietnemers die van kracht waren op de datum van inwerkingtreding van deze wet, een opname of wederopname wederrechtelijk weigert na de datum van inwerkingtreding van deze wet en tot 31 december 2020, dan worden de bedragen waarop de kredietgever aanspraak kan maken met toepassing van deze wet verminderd met de maximaal beschikbare hoofdsommen onder voornoemde overeenkomsten; onder wederrechtelijke weigering valt eveneens te verstaan een geheel discretionaire weigering, zelfs als deze geen contractbreuk uitmaakt.
Afdeling 2. - Verval van de staatswaarborg
Art. 20. De staatswaarborg op het gewaarborgd verlies van alle gewaarborgde kredieten van een kredietgever vervalt in de volgende gevallen:
1░ de kredietgever laat na de Staat aan te spreken binnen de termijn zoals bedoeld in artikel 15;
2░ de kredietgever past systematisch ÚÚn of meer van de praktijken bedoeld in artikel 19, 6░ tot 7░ toe;
3░ de kredietgever weigert systematisch tijdens de periode tussen de datum van inwerkingtreding van deze wet en 31 december 2020 zonder objectieve rechtvaardiging, de hernieuwing van kredieten die voldoen aan elk van onderstaande voorwaarden:
a) het krediet komt op vervaldag voor 31 december 2020;
b) het krediet was voor de datum van inwerkingtreding van deze wet toegekend;
c) de persoon is een kredietnemer:
i) die geen achterstal had op zijn lopende kredieten of op belastingen of sociale zekerheidsbijdragen op 1 februari 2020 of die niet meer dan 30 dagen achterstal had op zijn lopende kredieten of op belastingen of sociale zekerheidsbijdragen op 29 februari 2020;
ii) die bij geen enkele kredietinstelling een actieve kredietherstructurering doorliep op 31 januari 2020; en
iii) die niet om toepassing van het betalingsuitstel heeft verzocht;
4░ er is sprake van bedrog in hoofde van de kredietgever bij de rapportering zoals bedoeld in artikel 37 met betrekking tot de staatswaarborg, bij de maandelijkse aangiftes, bij het aanspreken van de Staat voor de staatswaarborg, bij de procedure met betrekking tot een voorlopig voorschot of de definitieve afrekening.
HOOFDSTUK 7. - Vergoeding
Art. 21. De kredietgever betaalt de Staat een vergoeding voor de staatswaarborg, die overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk wordt berekend en betaald.
Art. 22. Het vergoedingstarief bedraagt 50 basispunten op jaarbasis van de maximaal beschikbare hoofdsom van elk gewaarborgd krediet.
Bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad kan de Koning het vergoedingstarief aanpassen indien dit gelet op de ernst dan wel de duur van de coronavirus-crisis noodzakelijk is.
Art. 23. De vergoeding verschuldigd voor een krediet dat door kredietgever met toepassing van artikel 4, paragraaf 1, is ge´dentificeerd, is, behalve in het geval van een krediet bedoeld in artikel 10, tweede lid, gelijk aan het product van onderstaande factoren:
1░ het met toepassing van artikel 22 geldende vergoedingstarief;
2░ het totaal van de maximaal beschikbare hoofdsom onder het krediet, ongeacht of:
a) de hoofdsom op 31 december 2020 geheel of gedeeltelijk is opgenomen;
b) het gewaarborgd krediet op 31 december 2020 geheel of gedeeltelijk is terugbetaald of beŰindigd;
c) het krediet in aanmerking komt voor de staatswaarborg dan wel de staatswaarborg met toepassing van hoofdstuk 6 vermindert of vervalt;
3░ de looptijd van het gewaarborgd krediet, uitgedrukt in dagen, gedeeld door 360.
Art. 24. Alle door een kredietgever met toepassing van dit hoofdstuk verschuldigde vergoedingen zijn gelijktijdig en onsplitsbaar betaalbaar.
Art. 25. De Koning stelt de procedure voor de betaling van de vergoeding vast.
HOOFDSTUK 8. - Definitieve afrekening en voorschotten
Art. 26. De Koning bepaalt de wijze waarop de definitieve afrekening gebeurt en de modaliteiten voor de betaling van tussentijdse voorschotten waarop de kredietgever recht heeft.
HOOFDSTUK 9. - Verplichtingen van de kredietgever en de kredietnemers
Art. 27. Zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen die elders in deze wet zijn bepaald, zijn kredietgevers verplicht:
1░ de maximaal gewaarborgde interestvoet bepaald overeenkomstig artikel 9 op de gewaarborgde kredieten na te leven;
2░ goede praktijken inzake kredietverlening aan de dag te leggen, op marktconforme basis en in overeenstemming met hun praktijken voor de inwerkingtreding van de wet;
3░ te vermijden dat de gronden bedoeld in hoofdstuk 6 zich voordoen tenzij, behoudens in het geval van artikel 19, 8░ dan wel artikel 20, 3░ en 4░, dit uitsluitend het gevolg is van onopzettelijke en verschoonbare nalatigheid;
4░ zich te onthouden van praktijken die hoofdzakelijk beogen zichzelf, kredietnemers of kredieten, in strijd met de doelstellingen van deze wet, binnen het toepassingsgebied ervan te plaatsen.
Art. 28. De kredietnemer heeft recht op de terugbetaling, door de kredietgever, van de betaalde interesten die de maximale gewaarborgde interestvoet overschrijden en van vergoedingen die de maximale gewaarborgde vergoeding overschrijden, verhoogd met de wettelijke interest vanaf het ogenblik van de interestbetalingen.
Art. 29. Zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen die elders in deze wet zijn bepaald, zijn kredietnemers verplicht:
1░ niet op een gewaarborgd krediet aanspraak te maken terwijl zij weten of behoren te weten niet aan de toepassingsvoorwaarden te voldoen;
2░ waarheidsgetrouw de door of krachtens de wet vereiste gegevens te verstrekken en verklaringen af te leggen;
3░ het gewaarborgd krediet enkel aan te wenden ter financiering van hun activiteiten in BelgiŰ of hun kwalificerende buitenlandse activiteiten voor zover zulk gebruik is beperkt tot 10 % van het gewaarborgd krediet en zulk gebruik niet ten koste gaat van de Belgische activiteiten;
4░ het gewaarborgd krediet niet aan te wenden ter financiering van managementvennootschappen of patrimoniumvennootschappen.
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen
Art. 30. In artikel 346, § 1, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 maart 2020, wordt de bepaling onder f), aangevuld met de woorden "of van artikel 27 van de wet van 20 juli 2020 tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan kmo's in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan".
Art. 31. In artikel 347, § 1, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 maart 2020, wordt de bepaling onder e), aangevuld met de woorden "of van artikel 27 van de wet van 20 juli 2020 tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan kmo's in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen en de maatregelen genomen ter uitvoering ervan".
Art. 32. In artikel 348, § 1, 17░, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 maart 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de woorden "wie met opzet" worden vervangen door de woorden "wie met bedrieglijk opzet";
b) de bepaling wordt aangevuld met de woorden "of van artikelen 27 of 29 van de wet van 20 juli 2020 tot verstrekking van een staatswaarborg voor bepaalde kredieten aan kmo's in de strijd tegen de gevolgen van het coronavirus en tot wijziging van de wet van 25 april 2014 op het statuut en toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen of de maatregelen genomen ter uitvoering ervan".
HOOFDSTUK 11. - Slotbepalingen
Art. 33. De Staat en de kredietgever kunnen bij bijzondere overeenkomst aanvullende afspraken maken over de staatswaarborg, voor zover die niet met de bepalingen van deze wet in strijd zijn.
Art. 34. Zonder afbreuk te doen aan de verplichting van de kredietgever bedoeld in artikel 27, 2░, en de grond tot vermindering van de staatswaarborg zoals bedoeld in de artikel 19, 8░, zijn de artikelen 1328 van het Burgerlijk Wetboek en XX.112 van het Wetboek van economisch recht niet van toepassing:
a) op gewaarborgde kredieten die vallen binnen de bovengrenzen van hoofdstuk 3, afdeling 4, aan de ondernemingen, ongeacht of deze wordt gevoerd door een natuurlijke dan wel een rechtspersoon, ten aanzien waarvan zich na 31 december 2019 ten minste ÚÚn van de omstandigheden bedoeld in artikel 2.18 van de Verordening nr. 651/2014 voordeed; noch
b) op de voor deze kredieten gestelde zekerheden of andere handelingen verricht ter uitvoering ervan.
De kredietgever kan niet aansprakelijk worden gesteld enkel en alleen omdat het gewaarborgde krediet de continu´teit van het geheel of een gedeelte van de activa of van de activiteiten van de kredietnemer niet daadwerkelijk mogelijk hebben gemaakt.
Art. 35. De staatswaarborg is onderworpen aan het Belgisch recht en geschillen behoren tot de uitsluitende bevoegdheid van de Belgische rechtbanken.
De geschillen omtrent de staatswaarborg die werd toegekend door of krachtens de wet van 27 maart 2020 behoren eveneens tot de uitsluitende bevoegdheid van de Belgische rechtbanken.
Art. 36. De Koning of zijn gemachtigde is bevoegd om arbitrageovereenkomsten en dadingen te sluiten over de vaststelling van alle geschillen die uit de toepassing van deze wet kunnen voortvloeien.
Art. 37. De rapportering van elke kredietgever in het kader van deze wet en de door hem verleende gewaarborgde kredieten gebeurt via het rapporterings- en monitoringsmechanisme dat de Nationale Bank beheert en gebruikt in het kader van haar taken inzake de registratie van kredieten. De Koning kan bijkomende rapporteringsverplichtingen opleggen.
De Koning of zijn gemachtigde kan aan de Nationale Bank de nodige gegevens opvragen voor de uitvoering van de controles die de Staat moet uitoefenen voor de toepassing en het toezicht op de naleving van deze wet, in het bijzonder voor het vaststellen van de vergoeding, het nazicht van de aanspreking van de staatswaarborg en ter gelegenheid van aanvragen van kredietgevers voor het ontvangen van voorschotten of de definitieve afrekening.
De Nationale Bank volgt de rapportering door de kredietgevers op en rapporteert hierover aan de Koning of zijn gemachtigde. Daarbij identificeert de Nationale Bank de problemen die zij vaststelt, en formuleert voorstellen tot remediŰring.
Art. 38. Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 20 juli 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van FinanciŰn,
A. DE CROO
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
_______
Nota
Kamer van volksvertegenwoordigers
(www.dekamer.be)
Stukken : 55-1395/5
Integraal Verslag : 16 juli 2020


begin

Publicatie : 2020-07-24