einde

Publicatie : 2020-07-23

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN

15 JULI 2020. - Wet houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA III) (1)



FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :
TITEL 1. - ALGEMENE BEPALING
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
TITEL 2. - WIJZIGINGEN BETREFFENDE DE INKOMSTENBELASTINGEN
HOOFDSTUK 1. - Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing
Art. 2. Dit artikel is van toepassing op de werkgevers die in toepassing van artikel 270, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, schuldenaar zijn van bedrijfsvoorheffing en die gedurende een ononderbroken periode van minstens 30 kalenderdagen tussen 12 maart 2020 en 31 mei 2020, beide data inbegrepen, gebruik hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid.
De in het eerste lid vermelde werkgevers zijn er niet toe gehouden een gedeelte van de bedrijfsvoorheffing die zij verschuldigd zijn uit hoofde van een in artikel 273, 1°, van hetzelfde Wetboek bedoelde betaling of toekenning van belastbare bezoldigingen aan hun werknemers, door te storten aan de Schatkist op voorwaarde dat ze op die bezoldigingen 100 pct. van die bedrijfsvoorheffing inhouden.
De in het vorige lid bedoelde belastbare bezoldigingen zijn de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen.
Voor elk van de maanden juni 2020, juli 2020 en augustus 2020 bedraagt de niet door te storten bedrijfsvoorheffing 50 pct. van het verschil tussen enerzijds de totaal verschuldigde bedrijfsvoorheffing van die maand op de in het tweede en derde lid bedoelde bezoldigingen en anderzijds het totaal van de op de in het tweede en derde lid bedoelde bezoldigingen verschuldigde bedrijfsvoorheffing van de referentieperiode, de maand mei 2020 zonder dat deze vrijstelling over de beoogde drie maanden meer mag bedragen dan 20 miljoen euro.
Deze vrijstelling kan worden toegepast in combinatie met de toepassing van de vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing beoogd in de artikelen 2751 tot 27511 van hetzelfde Wetboek en wordt berekend op het saldo van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing na de toepassing van de vrijstellingen beoogd in artikelen 2751 tot 27511van hetzelfde wetboek.
De hiervoor bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op de vennootschappen die tijdens de periode van 12 maart 2020 tot 31 december 2020 een inkoop van eigen aandelen of een toekenning of uitkering van dividenden als bedoeld in artikel 18 van hetzelfde Wetboek, met inbegrip van de uitkering van liquidatiereserves als bedoeld in de artikelen 184quater en 541 van hetzelfde Wetboek, of een kapitaalvermindering met inbegrip van de kapitaalvermindering als bedoeld in artikel 537 van hetzelfde Wetboek, of elke andere vermindering of verdeling van het eigen vermogen hebben verricht.
Ten slotte, is deze regeling niet van toepassing voor de vennootschappen die, in de periode van 12 maart 2020 tot 31 december 2020 ofwel:
- een rechtstreekse deelneming aanhouden in een vennootschap die gevestigd is in een Staat die is opgenomen op één van de lijsten waarnaar wordt verwezen in artikel 307, § 1/2, van hetzelfde Wetboek of een Staat die is opgenomen in de lijst in artikel 179, KB/WIB 92; of,
- betalingen hebben gedaan aan vennootschappen die gevestigd zijn in één van de in het eerste streepje bedoelde Staten, voor zover deze betalingen in de loop van het belastbare tijdperk een totaalbedrag vormen van ten minste 100 000 euro, en niet werd aangetoond dat deze betalingen werden verricht in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen die het gevolg zijn van rechtmatige financiële of economische behoeften.
De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel.
HOOFDSTUK 2. - Belastingvermindering voor giften
Art. 3. Voor de in 2020 gedane giften:
1° wordt het in artikel 14533, § 1, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde percentage van 45 pct. op 60 pct. gebracht;
2° wordt het in artikel 14533, § 1, vierde lid, van datzelfde Wetboek vermelde percentage van 10 pct. op 20 pct. gebracht.
Art. 4. In artikel 3, eerste lid, van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie worden de woorden "1 september 2020" vervangen door de woorden "31 december 2020".
Art. 5. In artikel 5, eerste lid, van diezelfde wet, worden de woorden "30 juni 2020" vervangen door de woorden "31 december 2020".
HOOFDSTUK 3. - Uitgaven voor kinderoppas
Art. 6. In artikel 16, § 4, enig lid, van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19-pandemie worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin worden de woorden "in 2020" vervangen door de woorden "in 2019 of 2020";
2° in de bepaling onder 1° de woorden "30 juni 2020" vervangen door de woorden "31 december 2020".
HOOFDSTUK 4. - Consumptiecheque
Art. 7. De consumptiecheque die overeenkomstig artikel 19quinquies, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt toegekend, is vrijgesteld van inkomstenbelastingen.
Art. 8. De consumptiecheque bedoeld in artikel 7 wordt als beroepskost aangemerkt overeenkomstig artikel 49 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
HOOFDSTUK 5. - Receptiekosten
Art. 9. Onverminderd artikel 49 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, en in afwijking van de artikelen 53, 8°, 183 en 235 van hetzelfde Wetboek, wordt 100 pct. van de beroepsmatig gedane receptiekosten die worden betaald of gedragen tussen 8 juni 2020 en 31 december 2020, als beroepskost aangemerkt.
Art. 10. Voor de toepassing van artikel 205, § 2, eerste lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, wordt rekening gehouden met artikel 9.
HOOFDSTUK 6. - Investeringsaftrek
Art. 11. Artikel 69, § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, wordt aangevuld met de volgende zin:
"Het basispercentage van de aftrek bedraagt 25 pct., voor de vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht tussen 12 maart 2020 en 31 december 2020.".
Art. 12. In artikel 201, § 1, van hetzelfde wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het eerste lid, 1°, wordt aangevuld met de volgende zin:
"Het basispercentage van de aftrek bedraagt 25 pct., voor de vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht tussen 12 maart 2020 en 31 december 2020.";
2° het vijfde lid wordt aangevuld als volgt:
"en met betrekking tot de in 2019 verkregen of tot stand gebrachte vaste activa, in de twee volgende belastbare tijdperken.".
HOOFDSTUK 7. - Aanpassing aan de vrijstelling ter versterking van de solvabiliteit en het eigen vermogen van de vennootschappen ten gevolge van de COVID-19-pandemie
Art. 13. In artikel 194septies/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 23 juni 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "het aanslagjaar 2019, 2020 of 2021 dat verband houdt met een boekjaar dat afgesloten werd tussen 13 maart 2019 tot 31 december 2020" vervangen door de woorden "het aanslagjaar 2019 of 2020 dat verband houdt met een boekjaar dat afgesloten werd tussen 13 maart 2019 tot 31 juli 2020";
2° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "vanwege eventuele verliezen die worden geleden in de loop van het volgende belastbare tijdperk dat verbonden is met, naar gelang het geval het aanslagjaar 2020, 2021 of 2022" vervangen door de woorden "vanwege eventuele verliezen die worden geleden in de loop van het volgende belastbare tijdperk dat verbonden is met, naar gelang het geval, het aanslagjaar 2020 of 2021";
3° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "van het belastbare tijdperk dat wordt afgesloten in de periode van 13 maart 2019 tot 31 december 2020" vervangen door de woorden "van het in het eerste lid bedoelde belastbare tijdperk dat wordt afgesloten in de periode van 13 maart 2019 tot 31 juli 2020";
4° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "in de periode van 13 maart 2019 tot 31 december 2020" vervangen door de woorden "in de periode van 13 maart 2019 tot 31 juli 2020";
5° in paragraaf 5, worden de woorden "naar gelang het geval voor de aanslagjaren 2019 en 2020 of voor de aanslagjaren 2020 en 2021, dan wel voor de aanslagjaren 2021 en 2022" vervangen door de woorden "naar gelang het geval voor de aanslagjaren 2019 en 2020 of 2020 en 2021."
Art. 14. Dit hoofdstuk treedt in werking op 31 juli 2020.
HOOFDSTUK 8. - Belastingvermindering voor de verwerving van nieuwe aandelen van ondernemingen die hun omzet ingevolge de COVID-19-pandemie sterk hebben zien dalen
Art. 15. § 1. Aan Rijksinwoners wordt een belastingvermindering verleend voor de betalingen voor nieuwe aandelen op naam verworven met inbrengen in geld die een fractie vertegenwoordigen van het kapitaal van een in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde vennootschap en waarop de belastingplichtige rechtstreeks heeft ingeschreven naar aanleiding van een kapitaalverhoging tussen 14 maart 2020 en 31 december 2020 en die hij uiterlijk op 31 december 2020 volledig heeft volstort.
§ 2. Dit artikel is van toepassing op de aandelen van een vennootschap die tezelfdertijd aan alle onderstaande voorwaarden voldoet:
1° de vennootschap is een binnenlandse vennootschap of een vennootschap waarvan de voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die over een in artikel 229 bedoelde Belgische inrichting beschikt;
2° de omzet van de vennootschap is voor de periode van 14 maart 2020 tot 30 april 2020 met minstens 30 pct. gedaald ten opzichte van dezelfde periode van 2019;
3° de vennootschap wordt op grond van artikel 1:24, §§ 1 tot 6, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen als kleine vennootschap aangemerkt voor het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbare tijdperk waarin de kapitaalinbreng wordt gedaan;
4° de vennootschap is geen beleggings-, thesaurie- of financieringsvennootschap;
5° de vennootschap is geen vennootschap met als statutair hoofddoel of voornaamste activiteit de oprichting, de verwerving, het beheer, de verbouwing, de verkoop of de verhuur van vastgoed voor eigen rekening of het bezit van deelnemingen in vennootschappen met een soortgelijk doel, noch een vennootschap waarin onroerende goederen of andere zakelijke rechten met betrekking tot dergelijke goederen zijn ondergebracht, waarvan natuurlijke personen die in de vennootschap een opdracht of functies als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 uitoefenen, hun echtgenoot of hun kinderen wanneer die personen of hun echtgenoot het wettelijk genot van de inkomsten van die kinderen hebben, het gebruik hebben;
6° de vennootschap is geen vennootschap die is opgericht met het oog op het afsluiten van een management- of bestuurdersovereenkomst of die haar voornaamste bron van inkomsten haalt uit management- of bestuurdersovereenkomsten;
7° de vennootschap is een niet-beursgenoteerde vennootschap;
8° de vennootschap kan niet worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden als omschreven in artikel 2, § 1, 4° /2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
9° de vennootschap gebruikt de ontvangen sommen niet voor de uitkering van dividenden als bedoeld in artikel 18 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met inbegrip van de uitkering van liquidatiereserves als bedoeld in de artikelen 184quater en 541 van datzelfde Wetboek, voor een kapitaalvermindering met inbegrip van de kapitaalvermindering als bedoeld in artikel 537 van het voormelde Wetboek of enige andere vermindering of verdeling van het eigen vermogen of voor de aankoop van aandelen, noch voor het verstrekken van leningen;
10° de vennootschap:
- houdt geen rechtstreekse deelneming aan in een vennootschap die gevestigd is in een Staat die is opgenomen op één van de lijsten waarnaar wordt verwezen in artikel 307, § 1/2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of een Staat die is opgenomen in de lijst in artikel 179, KB/WIB 92;
- doet geen betalingen aan vennootschappen die gevestigd zijn in één van de in het eerste streepje bedoelde Staten waarvan niet kan worden aangetoond dat ze werden verricht in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen die het gevolg zijn van rechtmatige financiële of economische behoeften en die samengenomen meer bedragen dan 100 000 euro per belastbaar tijdperk.
11° de vennootschap heeft na de betaling van de in paragraaf 1 bedoelde sommen door de belastingplichtige niet meer dan 250 000 euro ontvangen via de toepassing van dit artikel.
Voor vennootschappen die na 14 maart 2019 werden opgericht anders dan in het kader van een fusie of splitsing van vennootschappen, wordt voor de toepassing van het eerste lid, 2°, de in de periode van 14 maart 2020 tot 30 april 2020 gerealiseerde omzet vergeleken met de in het financieel plan vooropgestelde omzet voor diezelfde periode.
Aan de in het eerste lid, 4° tot 6°, 9° en 10°, vermelde voorwaarden moet door de vennootschap worden voldaan gedurende de 60 maanden volgend op de volstorting van de aandelen van de vennootschap.
De belastingvermindering is niet van toepassing op:
1° uitgaven die in aanmerking zijn genomen voor de toepassing van artikel 1451, 4°, 14526, 14527 of 14532 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 of voor de toepassing van een gewestelijke belastingvermindering of een gewestelijk belastingkrediet;
2° betalingen voor het verwerven van aandelen van een vennootschap met betrekking tot het gedeelte van die aandelen waardoor de belastingplichtige een vertegenwoordiging van meer dan 30 pct. van het kapitaal van die vennootschap bekomt;
3° betalingen voor het verwerven van aandelen van een vennootschap, onder de vorm van een quasi-inbreng als bedoeld in de artikel 7:8 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
4° betalingen voor het verwerven van aandelen van een vennootschap die rechtstreeks of onrechtstreeks worden gefinancierd met een afname van een vordering op die vennootschap of met een schuld aan die vennootschap.
§ 3. De betalingen die voor de in paragraaf 1, bedoelde aandelen gedaan worden tussen 14 maart 2020 en 31 december 2020 komen voor een totaalbedrag tot 100 000 euro in aanmerking voor de belastingvermindering.
De belastingvermindering is gelijk aan 20 pct. van het in aanmerking te nemen bedrag, na aftrek van de eventuele verbonden kosten.
§ 4. De betalingen voor in paragraaf 1, bedoelde aandelen komen voor de belastingvermindering in aanmerking op voorwaarde dat de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde vennootschap aan de belastingplichtige tot staving van zijn aangifte in de personenbelasting van het belastbare tijdperk waarin de betaling is gedaan, het bewijs verstrekt waaruit blijkt dat:
- voldaan is aan de in paragrafen 1 en 2 gestelde voorwaarden;
- de belastingplichtige de aandelen in het belastbare tijdperk heeft aangeschaft en deze op het einde van dat belastbare tijdperk nog in zijn bezit heeft.
§ 5. De in paragraaf 1 bedoelde belastingvermindering wordt slechts behouden op voorwaarde dat de vennootschap de belastingplichtige tot staving van zijn aangiften in de personenbelasting van de vijf belastbare tijdperken volgend op het belastbare tijdperk waarvoor de belastingvermindering wordt toegekend, het bewijs verstrekt dat hij de betrokken in paragraaf 1, bedoelde aandelen nog in zijn bezit heeft. Aan deze voorwaarde moet niet meer worden voldaan met ingang van het belastbare tijdperk waarin de belastingplichtige is overleden.
Wanneer de betrokken aandelen bedoeld in paragraaf 1, anders dan bij overlijden worden overgedragen binnen de 60 maanden na de aanschaffing ervan, wordt de totale belasting met betrekking tot de inkomsten van het belastbare tijdperk van de vervreemding vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één zestigste van de overeenkomstig paragraaf 1 voor die aandelen werkelijk verkregen belastingvermindering, als er volle maanden overblijven tot het einde van de periode van 60 maanden.
Onder het in het tweede lid bedoelde woord "overgedragen" dient eveneens te worden verstaan, de sluiting van de vereffening van de vennootschap waarin werd geïnvesteerd.
Wanneer de sluiting van de vereffening het gevolg is van de faillietverklaring van de vennootschap waarin werd geïnvesteerd, moet niet meer worden voldaan aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarde met ingang van het belastbare tijdperk waarin die sluiting van de vereffening ten gevolge van faillietverklaring heeft plaats gevonden.
De in paragraaf 1 vermelde belastingvermindering wordt slechts behouden op voorwaarde dat de in paragraaf 2, derde lid, gestelde voorwaarden worden nageleefd.
Wanneer de in paragraaf 2, derde lid, vermelde voorwaarden niet worden nageleefd gedurende de 60 maanden volgend op de volstorting van de aandelen van de vennootschap, wordt de totale belasting met betrekking tot de inkomsten van het belastbare tijdperk waarin wordt vastgesteld dat die voorwaarde niet wordt nageleefd, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één zestigste van de overeenkomstig paragraaf 1 voor die aandelen werkelijk verkregen belastingvermindering, als er volle maanden overblijven vanaf de datum waarop de voorwaarde niet wordt nageleefd tot het einde van de termijn van 60 maanden.
§ 6. De belastingvermindering wordt aangerekend overeenkomstig artikel 178/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vóór de belastingverminderingen die in een belastingkrediet kunnen worden omgezet.
Het gedeelte van de overeenkomstig dit artikel verleende belastingvermindering dat na toepassing van het voormelde artikel 178/1 niet is aangerekend, wordt achtereenvolgens overgedragen naar elk van de drie belastbare tijdperken volgend op het belastbare tijdperk waarvoor de belastingvermindering wordt toegekend.
De belastingvermindering wordt evenwel niet overgedragen naar het belastbare tijdperk waarin overeenkomstig paragraaf 5 de totale belasting met een deel van de reeds verleende belastingvermindering wordt verhoogd.
De belastingvermindering die niet meer kan worden overdragen, wordt aangerekend vóór de belastingverminderingen die nog naar volgende belastbare tijdperken kunnen worden overgedragen. Wanneer de overdraagbare belastingverminderingen betrekking hebben op uitgaven die in verschillende belastbare tijdperken werden gedaan, worden de belastingverminderingen voor de oudste uitgaven eerst aangerekend.
§ 7. De belastingvermindering wordt in rekening gebracht om de in artikel 171, 5° en 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde gemiddelde aanslagvoeten te bepalen.
Voor de toepassing van de artikelen 175 en 290, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, wordt de totale belasting ook verhoogd met de in paragraaf 5 bedoelde vermeerdering.
§ 8. Dit artikel is eveneens van toepassing voor de niet-inwoners als bedoeld in artikel 227, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor wie de belasting overeenkomstig artikel 243/1 of 244 van hetzelfde Wetboek wordt berekend.
Voor de belastingplichtigen van wie de belasting overeenkomstig artikel 243/1 van hetzelfde Wetboek wordt berekend:
1° wordt voor de toepassing van de bepaling onder het eerste lid, 4°, van het voormelde artikel, de in dit artikel bedoelde belastingvermindering in mindering gebracht om de totale belasting te bepalen;
2° maakt de in paragraaf 5 bedoelde belastingvermeerdering geen deel uit van de berekeningsgrondslag van de bij toepassing van artikel 245 van hetzelfde Wetboek bepaalde opcentiemen;
3° wordt voor de toepassing van artikel 294, tweede lid, 2°, tweede streepje, van hetzelfde Wetboek, de totale belasting ook verhoogd met in de paragraaf 5 bedoelde vermeerdering.
§ 9. De bedragen in euro vermeld in dit artikel worden niet geïndexeerd overeenkomstig artikel 178 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
§ 10. De Koning bepaalt de wijze waarop het in paragraaf 4 en paragraaf 5, eerste lid, bedoelde bewijs wordt geleverd.
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen aan het taxshelterstelsel".
Art. 16. In artikel 194ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 mei 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 1, eerste lid, 4°, tweede streepje, worden de woorden "binnen een periode die ten vroegste aanvangt 6 maanden voor de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst voor het bekomen van het Tax Shelterattest voor de productie van dit werk zoals bedoeld in 5° en ten laatste loopt tot 12 maanden na de ondertekening van laatstgenoemde raamovereenkomst. Voor animatiefilms en voor animatieseries wordt deze termijn van 12 maanden tot 18 maanden verlengd" vervangen door de woorden "binnen een periode van 18 maanden die ten vroegste aanvangt 6 maanden voor de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst voor het bekomen van het taxshelterattest voor de productie van dit werk zoals bedoeld in 5° en ten laatste loopt tot 18 maanden na de ondertekening van laatstgenoemde raamovereenkomst. Voor animatiefilms en voor animatieseries wordt deze termijn van 18 maanden tot 24 maanden verlengd";
2° in paragraaf 8, eerste lid, tweede streepje, worden de woorden "overeenkomstig § 1, zesde lid." vervangen door de woorden "overeenkomstig § 1, eerste lid, 4°, tweede streepje."
Art. 17. In artikel 194ter/1, § 2, 1°, tweede streepje, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 mei 2020, worden de woorden "binnen een periode die ten vroegste aanvangt 6 maanden voor de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst voor het bekomen van het taxshelterattest voor de productie van dit werk zoals bedoeld in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 5°, en ten laatste loopt tot 18 maanden na de ondertekening van laatstgenoemde raamovereenkomst" vervangen door de woorden "binnen een periode van 24 maanden die ten vroegste aanvangt 6 maanden voor de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst voor het bekomen van het taxshelterattest voor de productie van dit werk zoals bedoeld in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 5°, en ten laatste loopt tot 24 maanden na de ondertekening van laatstgenoemde raamovereenkomst."
Art. 18. In artikel 194ter/3, § 2, 1°, tweede streepje, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 mei 2020, worden de woorden "binnen een periode die ten vroegste aanvangt 6 maanden voor de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst voor het bekomen van het taxshelterattest voor de productie van dit werk zoals bedoeld in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 5°, en ten laatste loopt tot 18 maanden na de ondertekening van laatstgenoemde raamovereenkomst" vervangen door de woorden "binnen een periode van 24 maanden die ten vroegste aanvangt 6 maanden voor de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst voor het bekomen van het taxshelterattest voor de productie van dit werk zoals bedoeld in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 5°, en ten laatste loopt tot 24 maanden na de ondertekening van laatstgenoemde raamovereenkomst".
Art. 19. In artikel 10, 3°, van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie, worden de woorden "vierde lid" vervangen door de woorden "vijfde lid".
Art. 20. De artikelen 16 tot 19 zijn van toepassing op de raamovereenkomsten die zijn ondertekend vanaf 12 maart 2020.
TITEL 3. - WIJZIGINGEN BETREFFENDE DE REGISTRATIE- EN GRIFFIERECHTEN
Art. 21. In afwijking van artikel 172 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten kunnen de griffiers van de hoven en rechtbanken in de periode van 1 juli 2020 tot 30 september 2020 van de akten welke zij verplicht zijn ter registratie aan te bieden uitgiften of afschriften afleveren zonder dat het vonnis of arrest vooraf geregistreerd is.
Art. 22. In afwijking van artikel 11, tweede lid, van hetzelfde Wetboek zijn de notariële volmachten verleden van 1 juli 2020 tot 31 december 2020 vrijgesteld van het registratierecht, wanneer de instrumenterende ambtenaar ervoor geen ereloon, vacaties of kosten vraagt en voor zover deze volmacht uitsluitend effect sorteert tot 31 december 2020.
In afwijking van artikel 23 van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie, blijft het voordeel van de vrijstelling behouden voor de volmachten verleden van 13 maart 2020 tot 30 juni 2020 wanneer de volmacht ten laatste op 31 december 2020 wordt gebruikt.
Art. 23. De in de artikelen 271 en 272 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten bepaalde rechten zijn niet verschuldigd op de uitgiften, kopieën of uittreksels van vonnissen en arresten die in de griffies worden afgeleverd in de periode van 1 juli 2020 tot 31 december 2020.
Art. 24. In afwijking van artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 januari 2019 betreffende de uitvoering van het wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten en het houden van de registers in de griffies van de hoven en rechtbanken, kunnen de griffiers de vonnissen en arresten die dagtekenen van de periode van 1 juli 2020 tot 30 september 2020 meedelen aan de ontvanger van het bevoegde kantoor Rechtszekerheid van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie binnen tien dagen volgend op het verstrijken van de vermelde periode. Wanneer de mededeling niet tijdig is gedaan, verbeurt de griffier een boete van 12,50 euro.
In afwijking van artikel 14 van het bijzondere-machtenbesluit nr. 7 van 19 april 2020 houdende bijkomende steunmaatregelen inzake vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting, belasting niet-inwoners, personenbelasting, belasting over de toegevoegde waarde, bedrijfsvoorheffing, registratierechten en retributies, kunnen de griffiers de erin bedoelde vonnissen en arresten nog meedelen binnen tien dagen volgend op het verstrijken van de in het eerste lid vermelde periode.
TITEL 4. - Wijzigingen betreffende de diverse rechten en taksen
Art. 25. In afwijking van artikel 3 van het Wetboek diverse rechten en taksen zijn de notariële volmachten verleden van 1 juli 2020 tot 31 december 2020 vrijgesteld van het recht op geschriften wanneer de instrumenterende ambtenaar ervoor geen ereloon, vacaties of kosten vraagt en voor zover deze volmacht uitsluitend effect sorteert tot 31 december 2020.
In afwijking van artikel 26, 1°, van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie, blijft het voordeel van de vrijstelling behouden voor de volmachten verleden van 13 maart 2020 tot 30 juni 2020 wanneer de volmacht ten laatste op 31 december 2020 wordt gebruikt.
Art. 26. In artikel 27 van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "30 juni" worden telkens vervangen door de woorden "31 december";
2° de woorden "20 juli 2020" vervangen door de woorden "20 januari 2021".
TITEL 5. - Wijzigingen betreffende de belasting over de toegevoegde waarde
HOOFDSTUK 1. - Bepaling met betrekking tot de vrijstelling van het btw-voorschot dat moet worden betaald in december 2020
Art. 27. In afwijking van artikel 19, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij het koninklijk besluit van 16 februari 2017, moet de belastingplichtige die op 1 oktober 2020 btw-kwartaalaangiften indient overeenkomstig artikel 18, § 2, van hetzelfde besluit, geen voorschot betalen op de belasting die verschuldigd is over zijn handelingen van het vierde kwartaal van het jaar 2020.
Art. 28. In afwijking van artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij het koninklijk besluit van 16 februari 2017, moet de belastingplichtige die op 1 december 2020 btw-maandaangiften indient overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, geen voorschot betalen op de belasting die verschuldigd is over zijn handelingen van de maand december van het jaar 2020.
HOOFDSTUK 2. - Onttrekkingen van computers met het oog op een levering om niet aan bepaalde instellingen en organisaties
Art. 29. Artikel 20 van de wet van 29 mei 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie, wordt vervangen als volgt:
"Art. 20. Artikel 18 is van toepassing op goederen die vanaf 1 maart 2020 tot en met 1 september 2020 het voorwerp uitmaken van een onttrekking, om ze te verstrekken voor de doeleinden en onder de voorwaarden die in die bepaling zijn vastgesteld.
Artikel 19 is van toepassing op goederen die vanaf 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020 het voorwerp uitmaken van een onttrekking, om ze te verstrekken voor de doeleinden en onder de voorwaarden die in die bepaling zijn vastgesteld.".
TITEL 6. - BEKRACHTIGING VAN EEN KONINKLIJK BESLUIT
Art. 30. Het koninklijk besluit van 8 juni 2020 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven met betrekking tot maatregelen ter ondersteuning van de horeca wordt bekrachtigd met ingang van de dag van diens inwerkingtreding.
TITEL 7. - INWERKINGTREDING
Art. 31. Deze wet treedt in werking op de dag van haar publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 15 juli 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
A. DE CROO
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
_______
Nota
(1) Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be)
Stukken : K55-1390
Integraal verslag: 9 juli 2020


begin

Publicatie : 2020-07-23