einde

Publicatie : 2020-07-01

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN

23 JUNI 2020. - Wet houdende fiscale bepalingen ter bevordering van de liquiditeit en solvabiliteit van ondernemingen in het kader van de bestrijding van de economische gevolgen van de COVID-19-pandemie (1)



FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
HOOFDSTUK 2. - Vrijstelling voor toekomstige beroepsverliezen geleden door belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de personenbelasting of de belasting niet-inwoners/natuurlijke personen
Art. 2. Artikel 25 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, wordt aangevuld met een bepaling onder 7°, luidende:
"7° voor het aanslagjaar 2021: een bedrag gelijk aan de vrijstelling die overeenkomstig artikel 67sexies voor het aanslagjaar 2020 werd gevraagd.".
Art. 3. In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling I, B, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 25/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 25/1. Wanneer het bedrag van de winst voor het belastbare tijdperk verbonden met het aanslagjaar 2021 het in artikel 25, 7° bedoelde inkomen omvat en het bedrag van de winst na aftrek van de beroepskosten positief is, wordt de totale belasting voor dat belastbare tijdperk vermeerderd met het bedrag dat wordt bekomen door op de overeenkomstig het tweede lid bepaalde grondslag het overeenkomstig het derde lid bepaalde tarief toe te passen.
De vermeerdering wordt berekend op het bedrag van de winst na aftrek van de beroepskosten, verminderd met 10 pct. van het positieve verschil tussen het in artikel 25, 7°, bedoelde inkomen en het bedrag van de winst na de aftrek van de beroepskosten. Het aldus bepaalde bedrag kan niet meer bedragen dan het in artikel 25, 7°, bedoelde inkomen.
Het in het eerste lid bedoelde tarief is gelijk aan 9 pct. vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het in het eerste lid vermelde positieve bedrag en de noemer gelijk is aan het in artikel 25, 7°, bedoelde inkomen verminderd met het in het eerste lid vermelde positieve bedrag. De breuk kan niet meer bedragen dan 2 en is gelijk aan 2 wanneer het in artikel 25, 7°, bedoelde inkomen gelijk is aan of kleiner is dan het in eerste lid vermelde positieve bedrag. Het aldus vastgestelde tarief wordt afgerond op de hogere of lagere tweede decimaal naargelang het cijfer van de derde decimaal al dan niet 5 bereikt.".
Art. 4. Artikel 27, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 maart 2017, wordt aangevuld met een bepaling onder 7°, luidende:
"7° voor het aanslagjaar 2021: een bedrag gelijk aan de vrijstelling die overeenkomstig artikel 67sexies voor het aanslagjaar 2020 werd gevraagd.".
Art. 5. In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling I, C, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 27/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 27/1. Wanneer het bedrag van de baten voor het belastbare tijdperk verbonden met het aanslagjaar 2021 het in artikel 27, tweede lid, 7°, bedoelde inkomen omvat en het bedrag van de baten na aftrek van de beroepskosten positief is, wordt de totale belasting voor dat belastbare tijdperk vermeerderd met het bedrag dat wordt bekomen door op de overeenkomstig het tweede lid bepaalde grondslag het overeenkomstig het derde lid bepaalde tarief toe te passen.
De vermeerdering wordt berekend op het bedrag van de baten na aftrek van de beroepskosten, verminderd met 10 pct. van het positieve verschil tussen het in artikel 27, tweede lid, 7°, bedoelde inkomen en het bedrag van de baten na de aftrek van de beroepskosten. Het aldus bepaalde bedrag kan niet meer bedragen dan het in artikel 27, tweede lid, 7°, bedoelde inkomen.
Het in het eerste lid bedoelde tarief is gelijk aan 9 pct. vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het in het eerste lid vermelde positieve bedrag en de noemer gelijk is aan het in artikel 27, tweede lid, 7°, bedoelde inkomen verminderd met het in het eerste lid vermelde positieve bedrag. De breuk kan niet meer bedragen dan 2 en is gelijk aan 2 wanneer het in artikel 27, tweede lid, 7°, bedoelde inkomen gelijk is aan of kleiner is dan het in eerste lid vermelde positieve bedrag. Het aldus vastgestelde tarief wordt afgerond op de hogere of lagere tweede decimaal naargelang het cijfer van de derde decimaal al dan niet 5 bereikt.".
Art. 6. In artikel 33bis, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet van 24 december 2002, worden de woorden "evenals de in de artikelen 25, 7° en 27, tweede lid, 7°, bedoelde inkomsten" ingevoegd tussen de woorden "die afzonderlijk worden belast" en de woorden "buiten beschouwing".
Art. 7. In artikel 51, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 26 maart 2018 en gewijzigd bij de wet van 7 april 2019, worden de woorden ", de in de artikelen 25, 7° en 27, tweede lid, 7°, bedoelde inkomsten" ingevoegd tussen de woorden "in artikel 31ter bedoelde vergoedingen" en de woorden "en vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel".
Art. 8. In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling III, B, van hetzelfde Wetboek, wordt een 1° sexies ingevoegd luidende: "1° sexies. - Vrijstelling voor toekomstige verliezen".
Art. 9. In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling III, B, 1° sexies, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 8, wordt een artikel 67sexies ingevoegd, luidende:
"Art. 67sexies. § 1. De winst en baten van het belastbare tijdperk dat verbonden is met het aanslagjaar 2020 kunnen geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld vanwege eventuele verliezen die worden geleden in de loop van het belastbare tijdperk verbonden met het aanslagjaar 2021.
Het maximumbedrag van de in het eerste lid bedoelde vrijstelling is gelijk aan het bruto bedrag van de winst of baten van Belgische oorsprong die in het belastbare tijdperk werden behaald of verkregen, de vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van winst of baten en de in artikel 27, tweede lid, 5° en 6°, vermelde inkomsten uitgezonderd, verminderd met de beroepskosten die op die inkomsten betrekking hebben.
§ 2. De belastingplichtige vraagt de in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling aan in een formulier waarvan de vorm en de inhoud evenals de termijn waarbinnen het moet worden ingediend door de Koning worden bepaald. De aanvraag omvat onder meer de verantwoording van het bedrag van de gevraagde vrijstelling. De aanvraag is definitief en onherroepelijk.
§ 3. De belastingplichtige die de in dit artikel beoogde vrijstelling aanvraagt, verbindt er zich toe voor om voor het belastbare tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 2021 geen gebruik te maken van de forfaitaire grondslagen van aanslag als bedoeld in artikel 342, § 1, tweede lid. Deze verbintenis wordt opgenomen in het in de tweede paragraaf bedoelde formulier.
§ 4. Dit artikel is niet van toepassing op ondernemingen die op 18 maart 2020 konden worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden.".
Art. 10. In artikel 175 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 8 mei 2014, de programmawet van 10 augustus 2015, en de wetten van 26 maart 2018, 11 februari 2019 en 7 april 2019 worden de woorden "25/1, 27/1" ingevoegd tussen de woorden "in de artikelen" en de woorden "31ter, § 2, 1457, § 2, ".
Art. 11. In titel III, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling II, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 200/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 200/1. Artikel 67sexies is niet van toepassing.".
Art. 12. In artikel 243, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 december 2017 en gewijzigd bij de wetten van 18 februari 2018, 11 februari 2019 en 7 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin worden de woorden "25/1, 27/1," ingevoegd tussen de woorden "De artikelen" en de woorden "31ter, § 2, 126 tot 129";
2° in de bepaling onder 5° worden de woorden "25/1, 27/1," ingevoegd tussen de woorden "voor de toepassing van de artikelen" en de woorden "31ter, § 2, 1457, § 2,".
Art. 13. In artikel 243/1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de programmawet van 10 augustus 2015, en de wetten van 25 december 2016, 25 december 2017, 18 februari 2018, 11 maart 2018, 26 maart 2018, 11 februari 2019 en 7 april 2019 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin worden de woorden "25/1, 27/1," ingevoegd tussen de woorden "overeenkomstig de artikelen" en de woorden "31ter, § 2, 130 tot 14516,";
2° in de bepaling onder 4° worden de woorden "25/1, 27/1," ingevoegd tussen de woorden "voor de toepassing van de artikelen" en de woorden "31ter, § 2, 1457, § 2,".
Art. 14. In artikel 245, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de programmawet van 10 augustus 2015, en de wetten van 26 maart 2018, 11 februari 2019 en 7 april 2019, worden in de bepaling onder het eerste streepje de woorden "25/1, 27/1," ingevoegd tussen de woorden "vóór de toepassing van de in de artikelen" en de woorden "31ter, § 2, 1457, § 2, ".
Art. 15. In artikel 290, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de programmawet van 10 augustus 2015, en de wetten van 26 maart 2018, 11 februari 2019 en 7 april 2019, worden de woorden "25/1, 27/1, "ingevoegd tussen de woorden "verhoogd met de in de artikelen" en de woorden "31ter, § 2, 1457, § 2,".
Art. 16. In artikel 294, tweede lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de programmawet van 10 augustus 2015, de wetten van 26 maart 2018, 11 februari 2019 en 7 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste streepje worden de woorden "25/1, 27/1," ingevoegd tussen de woorden "verhoogd met de in de artikelen" en de woorden "31ter, § 2, 14526, § 5,";
2° in het tweede streepje worden de woorden "25/1, 27/1" ingevoegd tussen de woorden "verhoogd met de in de artikelen" en de woorden "31ter, § 2, 1457, § 2,".
HOOFDSTUK 3. - Vrijstelling ter versterking van de solvabiliteit en het eigen vermogen van de vennootschappen ten gevolge van de COVID-19 pandemie
Art. 17. Artikel 185 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2019, wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende:
" § 5. Indien in toepassing van artikel 194septies/1, § 4, het bedrag van de in dat artikel bedoelde reserve wordt toegevoegd aan het bedrag van de belaste gereserveerde winst, wordt, onverminderd deze toevoeging, de belastbare grondslag aanvullend verhoogd met een bedrag dat wordt gevormd door het in het tweede lid of zesde lid bedoelde tarief toe te passen op het bedrag van deze reserve.
In het geval artikel 215, tweede lid, van toepassing is voor het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve werd aangelegd of voor het belastbare tijdperk waarin deze reserve wordt teruggenomen, is het tarief van deze verhoging gelijk aan het verschil tussen het percentage dat wordt bekomen na de toepassing van de hiernavolgende verhouding en 100 pct.
Deze verhouding wordt bepaald door:
a) in de teller, het bedrag A te verminderen met het bedrag B:
- waarbij het bedrag A gelijk is aan het bedrag dat wordt bekomen door het in artikel 215 bedoelde tarief, in voorkomend geval verhoogd met de in artikel 463bis bedoelde aanvullende crisisbijdrage, dat van toepassing was in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve werd aangelegd, toe te passen op het belastbare inkomen C;
- waarbij het bedrag B gelijk is aan het bedrag dat wordt bekomen door het in artikel 215 bedoelde tarief, in voorkomend geval verhoogd met de in artikel 463bis bedoelde aanvullende crisisbijdrage, dat van toepassing was in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve werd aangelegd, toe te passen op het belastbare inkomen D;
- waarbij het belastbare inkomen C gelijk is aan het belastbare inkomen dat werd vastgesteld in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve werd aangelegd, vermeerderd met de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve;
- waarbij het belastbare inkomen D gelijk is aan het belastbare inkomen dat werd vastgesteld in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve werd aangelegd;
b) in de noemer, het bedrag E te verminderen met het bedrag F:
- waarbij het bedrag E gelijk is aan het bedrag dat wordt bekomen door het in artikel 215 bedoelde tarief, in voorkomend geval verhoogd met de in artikel 463bis bedoelde aanvullende crisisbijdrage, dat van toepassing is in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve wordt teruggenomen, toe te passen op het belastbare inkomen G;
- waarbij het bedrag F gelijk is aan het bedrag dat wordt bekomen door het in artikel 215 bedoelde tarief, in voorkomend geval verhoogd met de in artikel 463bis bedoelde aanvullende crisisbijdrage, dat van toepassing is in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve wordt teruggenomen, toe te passen op het belastbare inkomen H;
- waarbij het belastbare inkomen G gelijk is aan het belastbare inkomen dat wordt vastgesteld in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve wordt teruggenomen, verminderd met de in uitvoering van deze paragraaf vastgestelde verhoging;
- waarbij het belastbare inkomen H gelijk is aan het belastbare inkomen dat wordt vastgesteld in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve wordt teruggenomen, achtereenvolgens verminderd met de in uitvoering van deze paragraaf vastgestelde verhoging en de vrijgestelde reserve die in toepassing van artikel 194septies/1, § 4, wordt teruggenomen.
Voor de bepaling van de in het derde lid bedoelde verhouding kan het belastbare inkomen dat wordt vastgesteld in het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve wordt teruggenomen niet lager zijn dan de som van de in uitvoering van deze paragraaf vastgestelde verhoging en de vrijgestelde reserve die in toepassing van artikel 194septies/1, § 4, wordt teruggenomen.
Het overeenkomstig het tweede lid vastgestelde tarief wordt afgerond op de hogere of lagere tweede decimaal naargelang het cijfer van de derde decimaal al dan niet 5 bereikt.
In het geval het tweede lid niet van toepassing is bedraagt het tarief:
- 14,91 pct. in het geval het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve werd aangelegd, is aangevangen voor 1 januari 2018 en het belastbare tijdperk waarin de reserve wordt teruggenomen is aangevangen op of na 1 januari 2018;
- 0 pct. in het geval het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve werd aangelegd, is aangevangen op of na 1 januari 2018 en het belastbare tijdperk waarin de reserve wordt teruggenomen is aangevangen voor 1 januari 2020;
- 18,32 pct. in het geval het belastbare tijdperk waarin de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde reserve werd aangelegd, is aangevangen voor 1 januari 2020 en het belastbare tijdperk waarin de reserve wordt teruggenomen is aangevangen op of na 1 januari 2020.".
Art. 18. In titel III, hoofdstuk II, afdeling II, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 185quinquies ingevoegd, luidende:
"Art. 185quinquies. Het artikel 25, 7°, is niet van toepassing."
Art. 19. In titel III, hoofdstuk II, afdeling III, van hetzelfde Wetboek, wordt een onderafdeling VIII ingevoegd, luidende:
"Onderafdeling VIII. Vrijstelling ter versterking van de solvabiliteit en het eigen vermogen van de vennootschappen ten gevolge van de COVID-19 pandemie.".
Art. 20. In titel III, hoofdstuk II, afdeling III, onderafdeling VIII, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 19, wordt een artikel 194septies/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 194septies/1. § 1. Voor het aanslagjaar 2019, 2020 of 2021 dat verband houdt met een boekjaar dat afgesloten werd tussen 13 maart 2019 tot 31 december 2020, kan een vennootschap aanspraak maken op de tijdelijke vrijstelling van het geheel of een deel van het resultaat van het belastbare tijdperk vanwege eventuele verliezen die worden geleden in de loop van het volgende belastbare tijdperk dat verbonden is met, naar gelang het geval het aanslagjaar 2020, 2021 of 2022, binnen de hierna bepaalde grenzen en voorwaarden.
De in het eerste lid bedoelde vrijstelling wordt verleend door de vorming van een tijdelijke vrijgestelde reserve die in mindering wordt gebracht op het totale bedrag van de belastbare gereserveerde winst van het belastbare tijdperk dat wordt afgesloten in de periode van 13 maart 2019 tot 31 december 2020.
De tijdelijke vrijgestelde reserve mag voor slechts één belastbaar tijdperk dat wordt afgesloten in de periode van 13 maart 2019 tot 31 december 2020 worden gevormd.
§ 2. Het bedrag van de in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling mag niet groter zijn dan:
- het bedrag van het resultaat van het belastbare tijdperk, vastgesteld alsof de in dit artikel bedoelde vrijstelling niet werd gevraagd, en verminderd met de overeenkomstig artikelen 202 tot 205/1 en 543 bedoelde aftrekbare inkomsten die in de loop van het belastbare tijdperk werden verkregen;
- 20 miljoen euro.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op de vennootschappen die tijdens de periode van 12 maart 2020 tot en met de dag van de indiening van de aangifte verbonden met het aanslagjaar 2021 een inkoop van eigen aandelen of een toekenning of uitkering van dividenden als bedoeld in artikel 18, met inbegrip van de uitkering van liquidatiereserves als bedoeld in de artikelen 184quater en 541, of een kapitaalvermindering met inbegrip van de kapitaalvermindering als bedoeld in artikel 537, of elke andere vermindering of verdeling van het eigen vermogen hebben verricht.
Deze regeling is ook niet van toepassing voor de vennootschappen die tijdens het belastbare tijdperk dat verbonden is met het aanslagjaar waarin aanspraak wordt gemaakt op de in paragraaf 1 bedoelde vrijstelling, in het toepassingsgebied van één van de volgende bepalingen zijn opgenomen:
1° beleggingsvennootschappen bedoeld in de artikelen 15 en 271/10 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, de beleggingsvennootschappen bedoeld in de artikelen 190, 195, 285, 288 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, de gereglementeerde vastgoedvennootschappen, alsmede de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;
2° de coöperatieve participatievennootschappen, in toepassing van de wet van 22 mei 2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers;
3° de zeescheepvaartvennootschappen die aan inkomstenbelasting worden onderworpen met inachtneming van de artikelen 115 tot 120 of van artikel 124 van de programmawet van 2 augustus 2002.
Vervolgens is deze regeling niet van toepassing voor de vennootschappen die op 18 maart 2020 konden worden aangemerkt als een onderneming in moeilijkheden.
Ten slotte, is deze regeling niet van toepassing voor de vennootschappen die, in de periode van 12 maart 2020 tot en met de dag van het indienen van de aangifte die verbonden is met het aanslagjaar 2021, ofwel:
- een rechtstreekse deelneming aanhouden in een vennootschap die gevestigd is in een Staat die is opgenomen op één van de lijsten waarnaar wordt verwezen in artikel 307, § 1/2, of een Staat die is opgenomen in de lijst in artikel 179, KB/WIB 92; of,
- betalingen hebben gedaan aan vennootschappen die gevestigd zijn in één van de in het eerste streepje bedoelde Staten, voor zover deze betalingen in de loop van het belastbare tijdperk een totaalbedrag vormen van ten minste 100 000 euro, en niet werd aangetoond dat deze betalingen werden verricht in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen die het gevolg zijn van rechtmatige financiële of economische behoeften.
§ 4. Het in toepassing van paragraaf 1 totale vrijgestelde bedrag wordt toegevoegd aan het bedrag van de belaste gereserveerde winst aan het einde van het belastbare tijdperk dat volgt op het in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde belastbare tijdperk.
§ 5. In geval van vrijstelling op grond van dit artikel moet de belastingplichtige bij de aangifte in de inkomstenbelasting naar gelang het geval voor de aanslagjaren 2019 en 2020 of voor de aanslagjaren 2020 en 2021, dan wel voor de aanslagjaren 2021 en 2022, een opgave toevoegen, waarvan het model door de Koning wordt vastgelegd of, indien de aangifte met betrekking tot één of meerdere van deze aanslagjaren op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit artikel al is ingediend, deze opgave samen met de aangifte uiterlijk op 30 november 2020 toezenden volgens de nadere regels bepaald door de Koning.".
Art. 21. In artikel 194octies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2018 en gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de woorden "en 64ter" vervangen door de woorden ",64ter en 67sexies".
Art. 22. In titel III, hoofdstuk III, afdeling II, van hetzelfde Wetboek, wordt het artikel 219ter, vernietigd bij arrest nr. 24/2018 van het Grondwettelijk Hof, hersteld als volgt:
"Art. 219ter. § 1. Voor het belastbare tijdperk waarin het in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde bedrag belastbaar wordt gesteld overeenkomstig paragraaf 4 van datzelfde artikel, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd waarvan de grondslag overeenkomstig paragraaf 2 en het tarief overeenkomstig paragraaf 3 worden vastgesteld.
§ 2. De grondslag van de afzonderlijke aanslag wordt gevormd door het in artikel 215, eerste lid, bedoelde tarief van de vennootschapsbelasting, te vermenigvuldigen met het in het tweede lid omschreven bedrag van de winst dat wordt verminderd met 10 pct. van het verlies dat zou zijn geleden zonder de terugname van de in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde reserve, en waarvan het bedrag wordt bepaald door het in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde bedrag dat overeenkomstig artikel 194septies/1, § 4, belastbaar wordt gesteld, te vermeerderen met het in artikel 185, § 5 bedoelde bedrag, en te verminderen met het overeenkomstig het tweede lid omschreven bedrag van de winst.
Het in deze paragraaf bedoelde bedrag van de winst wordt gevormd door het positieve resultaat van het belastbare tijdperk waarin het in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde bedrag, in toepassing van artikel 194septies/1, § 4, belastbaar wordt gesteld te verminderen met de overeenkomstig artikelen 202 tot 205/1 en 543 bedoelde aftrekbare inkomsten die in de loop van het belastbare tijdperk werden verkregen.
Het in het tweede lid bedoelde bedrag kan niet groter zijn dan het in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde bedrag dat overeenkomstig artikel 194septies/1, § 4, belastbaar wordt gesteld.
Voor de vaststelling van de in deze paragraaf bedoelde grondslag kan het bedrag van het verlies niet lager zijn dan 0.
§ 3. Het tarief van deze afzonderlijke aanslag bedraagt ten minste 2 pct., en ten hoogste 40 pct., en wordt bepaald door 20 pct. te vermenigvuldigen met de overeenkomstig het tweede lid vastgestelde factor.
De in deze paragraaf bedoelde factor wordt vastgesteld door de verhouding waarbij in de teller het in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde bedrag van de winst wordt opgenomen en in de noemer het bedrag dat gevormd wordt door het bedrag A achtereenvolgens te vermeerderen met het bedrag B en te verminderen met het bedrag C:
- waarbij het bedrag A gelijk is aan het in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde bedrag dat overeenkomstig artikel 194septies/1, § 4, belastbaar wordt gesteld;
- waarbij het bedrag B gelijk is aan het in artikel 185, § 5, bedoelde bedrag;
- waarbij het bedrag C gelijk is aan het in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde bedrag van de winst.
Het overeenkomstig deze paragraaf vastgestelde tarief wordt afgerond op de hogere of lagere tweede decimaal naargelang het cijfer van de derde decimaal al dan niet 5 bereikt.
In het geval het in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde bedrag van de winst gelijk is of groter is dan het in artikel 194septies/1, § 1, bedoelde vrijgestelde bedrag dat overeenkomstig artikel 194septies/1, § 4, belastbaar wordt gesteld, vermeerderd met het in artikel 185, § 5 bedoelde bedrag, is het tarief van deze afzonderlijke aanslag gelijk aan 40 pct.".
Art. 23. Artikel 233, derde lid, van hetzelfde Wetboek, opgeheven door de wet van 13 april 2019, wordt hersteld als volgt:
"Daarnaast wordt een afzonderlijke aanslag vastgesteld volgens de regels voorzien in artikel 219ter.".
Art. 24. In artikel 235, 2°, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2017, worden de woorden "185, § 2, 185quater" vervangen door de woorden "185, § 2 en § 5, 185quater, 185quinquies".
Art. 25. Artikel 246, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, wordt aangevuld met een bepaling onder 4 °, luidende:
"4° De afzonderlijke aanslag bedoeld in artikel 233, derde lid, wordt berekend volgens de regels van artikel 219ter.".
Art. 26. In geval van fusie, en verrichting gelijkgesteld met een fusie als bedoeld in artikel 2, § 1, 6° /1 van hetzelfde Wetboek die beantwoordt aan de in artikel 211, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde voorwaarden, wordt de in artikel 194septies/1 van hetzelfde Wetboek bedoelde reserve geacht te zijn overgenomen door de verkrijgende of overnemende vennootschap, waardoor de bepalingen van dit hoofdstuk op deze verkrijgende of overnemende vennootschap van toepassing zijn alsof deze zelf de in artikel 194septies/1 van hetzelfde Wetboek bedoelde reserve had aangelegd.
In geval van splitsing en verrichting gelijkgesteld met een splitsing als bedoeld in artikel 2, § 1, 6° /1 van hetzelfde Wetboek die beantwoordt aan de in artikel 211, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde voorwaarden wordt de in het eerste lid bedoelde reserve verdeeld overeenkomstig de wijze bedoeld in artikel 211, § 1, tweede en derde lid van hetzelfde Wetboek, en zijn de bepalingen van dit hoofdstuk op deze verkrijgende of overnemende vennootschap van toepassing alsof deze zelf het aan deze vennootschap toegewezen deel van de in artikel 194septies/1 van hetzelfde Wetboek bedoelde reserve had aangelegd.
Art. 27. Elke wijziging die vanaf 15 mei 2020 aan de afsluitingsdatum van het boekjaar wordt aangebracht, blijft zonder uitwerking voor de toepassing van de bepalingen die bij dit hoofdstuk worden ingevoegd in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van artikel 26 van deze wet.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 23 juni 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën,
A. DE CROO
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
_______
Nota
(1) Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be)
Stukken : K55-1309.
Integraal verslag: 18 juni 2020.


begin

Publicatie : 2020-07-01