einde

Publicatie : 2020-06-11

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN

29 MEI 2020. - Wet houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie



FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :
TITEL 1 - ALGEMENE BEPALING
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
TITEL 2 - WIJZIGINGEN BETREFFENDE DE INKOMSTENBELASTINGEN
HOOFDSTUK 1 - Giften in natura
Art. 2. § 1. In afwijking van artikel 49, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden de kosten verbonden aan giften in natura die tussen 1 maart 2020 en 31 juli 2020 worden gedaan aan de in paragraaf 2 bedoelde instellingen en organisaties, door belastingplichtigen die winst of baten verkrijgen, als aftrekbare beroepskosten beschouwd.
§ 2. De in paragraaf 1 bedoelde giften worden gedaan aan:
1° de instellingen voor gezondheidszorg bedoeld in de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere gezondheidsvoorzieningen;
2° de in artikel 44, § 2, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben;
3° de in artikel 44, § 2, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde kinderbewaarplaatsen en de zuigelingentehuizen;
4° de in artikel 44, § 2, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde instellingen die de gehandicaptenzorg tot doel hebben;
5° de instellingen die school- en universitair onderwijs verschaffen;
6° de openbare overheden;
7° de humanitaire hulporganisaties, om hun behoeften voor de duur van hun interventie te dekken tijdens de periode waarin zij bijstand verlenen aan personen die besmet zijn door het COVID-19-virus of het risico daarop lopen en, meer algemeen, ter voorziening van de noodhulpdiensten;
8° de instellingen die, op het tijdstip dat de goederen om niet worden verstrekt, erkend zijn door de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen op grond waarvan zij met vrijstelling van btw en invoerrechten bepaalde hulpgoederen kunnen invoeren op het Belgisch grondgebied bij toepassing van het besluit (EU) 2020/491 van de Europese Commissie van 3 april 2020 waarbij vrijstelling van rechten bij invoer en van btw op invoer wordt verleend voor goederen die nodig zijn om de gevolgen van de COVID-19-uitbraak in 2020 te bestrijden.
Met de instellingen voor gezondheidszorg in de zin van het eerste lid, 1°, worden gelijkgesteld:
- de associaties van ziekenhuizen bedoeld in het koninklijk besluit van 25 april 1997 houdende nadere omschrijving van de associatie van ziekenhuizen en van de bijzondere normen waaraan deze moet voldoen;
- de ziekenhuisgroeperingen bedoeld in het koninklijk besluit van 30 januari 1989 houdende vaststelling van aanvullende normen voor de erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten alsmede tot nadere omschrijving van de ziekenhuisgroeperingen en van de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen;
- de fusies van ziekenhuizen bedoeld in het koninklijk besluit van 31 mei 1989 houdende nadere omschrijving van de fusie van ziekenhuizen en van de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen;
- de locoregionale klinische ziekenhuisnetwerken bedoeld in de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen.
§ 3. De belastingplichtige verantwoordt de echtheid en het bedrag van de in paragraaf 1 bedoelde kosten door middel van bewijsstukken.
§ 4. De goederen die het voorwerp kunnen zijn van een in paragraaf 1 bedoelde gift in natura zijn:
1° medische hulpmiddelen en hun hulpstukken als bedoeld in het koninklijk besluit van 18 maart 1999 betreffende de medische hulpmiddelen;
2° de beschermingsmiddelen, andere dan de goederen bedoeld in 1°, voor de zorgverstrekkers en de patiėnten noodzakelijk voor de preventie van virale besmettingen en infectieziekten alsook voor de diagnose en de behandeling van patiėnten die aan dergelijke ziekten lijden of die symptomen daarvan vertonen.
§ 5. De in paragraaf 1 bedoelde gift wordt geacht geen door de schenker verleend abnormaal of goedgunstig voordeel te zijn zoals bedoeld in artikel 26 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Art. 3. In afwijking van artikel 49, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden de kosten verbonden aan giften in natura die tussen 1 maart 2020 en 1 september 2020 worden gedaan aan de in het tweede lid bedoelde instellingen en organisaties, door belastingplichtigen die winst of baten verkrijgen, als aftrekbare beroepskosten beschouwd.
De giften bedoeld in het eerste lid worden gedaan aan scholen gevestigd in Belgiė.
De belastingplichtige verantwoordt de echtheid en het bedrag van de in het eerste lid bedoelde kosten door middel van bewijsstukken.
De goederen die het voorwerp kunnen zijn van een gift in natura als bedoeld in het eerste lid zijn computers.
De in het eerste lid bedoelde gift wordt geacht geen door de schenker verleend abnormaal of goedgunstig voordeel te zijn zoals bedoeld in artikel 26 van hetzelfde Wetboek.
Art. 4. In afwijking van artikel 14533, § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, kunnen de giften tussen 1 maart 2020 en 30 juni 2020 eveneens in natura worden gedaan wanneer aan de onderstaande voorwaarden is voldaan:
1° de giften worden gedaan aan:
a) de erkende universitaire ziekenhuizen en hun stichtingen, bedoeld in artikel 14533, § 1, eerste lid, 1°, a), van hetzelfde Wetboek;
b) de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, bedoeld in artikel 14533, § 1, eerste lid, 1°, c), van hetzelfde Wetboek, en aan hun ziekenhuizen;
c) het Rode Kruis van Belgiė, bedoeld in artikel 14533, § 1, eerste lid, 1°, f), van hetzelfde Wetboek;
d) de instellingen die de mindervaliden, de bejaarden en de beschermde minderjarigen bijstaan, bedoeld in artikel 14533, § 1, eerste lid, 1°, e), van hetzelfde wetboek, zolang zij erkend waren op 13 maart 2020;
2° het betreft giften van medische materialen of producten die nuttig zijn in de strijd tegen COVID-19-pandemie en als zodanig door de begiftigde zijn erkend;
3° de belastingplichtige is aan de personenbelasting onderworpen of is aan de belasting van niet-inwoners als natuurlijke persoon bedoeld in artikel 227, 1°, van hetzelfde Wetboek, gelezen in samenhang met de artikelen 243/1 en 244 van hetzelfde Wetboek onderworpen;
4° in voorkomend geval is het geschonken goed door de belastingplichtige niet verworven of geproduceerd in het kader van zijn beroepsactiviteit die winsten of baten oplevert.
De giften die overeenkomstig het eerste lid zijn gedaan, gelden voor de werkelijke waarde bij de begiftigde:
a) ofwel op basis van een aankoopfactuur van het geschonken medisch materiaal of de medische producten die door de schenker aan de begiftigde wordt voorgelegd;
b) ofwel, bij ontstentenis van een aankoopfactuur, op basis van de forfaitair vastgestelde waarde voor de volgende goederen:
- wegwerp mondmaskers 3 laags met elastieke oorbandjes: 1 euro;
- herbruikbaar stoffen mondmasker: 1,5 euro;
- wegwerp mondkapje FFP2: 3 euro;
- pet gelaatscherm: 1 euro.
De koning kan de in het tweede lid, b), bedoelde lijst van goederen aanvullen of wijzigen.
Art. 5. In afwijking van artikel 14533, § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, kunnen de giften tussen 1 maart 2020 en 30 juni 2020 eveneens in natura worden gedaan wanneer aan de onderstaande voorwaarden is voldaan:
1° de giften worden gedaan aan scholen gevestigd in Belgiė;
2° het betreft giften van computers die nuttig zijn voor afstandsonderwijs en als zodanig door de begiftigde zijn erkend;
3° de belastingplichtige is aan de personenbelasting onderworpen of is aan de belasting van niet-inwoners als natuurlijke persoon bedoeld in artikel 227, 1°, van hetzelfde Wetboek, gelezen in samenhang met de artikelen 243/1 en 244 van hetzelfde Wetboek onderworpen;
4° in voorkomend geval is het geschonken goed door de belastingplichtige niet verworven of geproduceerd in het kader van zijn beroepsactiviteit die winsten of baten oplevert.
De giften die overeenkomstig het eerste lid zijn gedaan, gelden voor de werkelijke waarde bij de begiftigde:
a) ofwel op basis van een aankoopfactuur van de geschonken computer die door de schenker aan de begiftigde wordt voorgelegd, waarbij het aankoopbedrag wordt verminderd met 25 pct. per volledig jaar verstreken vanaf de datum van aankoop;
b) ofwel, bij ontstentenis van een aankoopfactuur, op basis van een raming van de waarde van het geschonken materiaal door de begiftigde en die gebaseerd is op de marktwaarde van de geschonken goederen op 29 februari 2020.
HOOFDSTUK 2 - Vrijstelling van vergoedingen in het kader van steunmaatregelen die worden getroffen door de gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten
Art. 6. In afwijking van de artikelen 24, eerste lid, 1°, 25, 6°, 27, tweede lid, 1° en 4°, 31, tweede lid, 4°, 32, tweede lid, 2°, 183 en 235, van hetzelfde Wetboek, worden de vergoedingen die door de gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten worden toegekend voor de economische gevolgen die belastingplichtigen ondervinden naar aanleiding van de toepassing van de ministeriėle besluiten van 13 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, 18 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken en 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, of die overeenkomstig andere gewestelijke, gemeenschaps-, provinciale of gemeentelijke regelgeving worden toegekend voor de economische gevolgen die belastingplichtigen ondervinden naar aanleiding van de COVID-19-pandemie, van inkomstenbelastingen vrijgesteld.
Het eerste lid is alleen van toepassing onder de volgende voorwaarden:
- de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, vormt geen directe of indirecte vergoeding in ruil voor de levering van goederen of het verlenen van diensten;
- in de regeling op grond waarvan de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt verleend, is uitdrukkelijk bepaald dat deze vergoeding wordt verleend om aan de rechtstreekse of onrechtstreekse economische of sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie het hoofd te bieden;
- de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt betaald of toegekend tussen 15 maart 2020 en 31 december 2020.
De in het eerste lid bedoelde vergoedingen worden vermeld op de berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet inzake personenbelasting van de genieter.
HOOFDSTUK 3 - Tijdelijke aanpassing van de berekening van de vermeerdering wegens geen of ontoereikende voorafbetalingen van de inkomstenbelasting
Art. 7. Voor de toepassing van de artikelen 159, 218, 243 en 246 van hetzelfde Wetboek worden de bedragen van de voorafbetalingen, die betrekking hebben op het derde en vierde kwartaal van het boekjaar, die zijn gedaan ten laatste de tiende dag van de tiende maand van het boekjaar en de twintigste dag van de laatste maand van het boekjaar wanneer deze voorafbetalingen betrekking hebben op een belastbaar tijdperk dat afsluit tussen 30 september 2020 en 31 januari 2021 inbegrepen, vermenigvuldigd met respectievelijk 2,25 en 1,75 maal de basisrentevoet.
Het eerste lid is niet van toepassing op vennootschappen die in de periode van 12 maart 2020 tot en met de laatste dag van het betreffende belastbaar tijdperk een inkoop van eigen aandelen of een kapitaalvermindering, daaronder begrepen de in artikel 537 van hetzelfde Wetboek bedoelde kapitaalverminderingen, verrichten of dividenden als bedoeld in artikel 18 van hetzelfde Wetboek, daaronder begrepen de in de artikelen 184quater, 537 en 541 van hetzelfde Wetboek bedoelde uitkeringen van liquidatiereserves, maar met uitsluiting van de in artikel 186 van hetzelfde Wetboek bedoelde uitgekeerde dividenden, betalen of toekennen.
Het eerste lid is enkel van toepassing op vennootschappen die in de periode van 12 maart 2020 tot en met de laatste dag van het betreffende belastbaar tijdperk aan de personen bedoeld in artikel 3:6, § 3, tweede lid, 6°, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen geen variabele remuneratie betalen.
Het eerste lid wordt niet toegepast om het in artikel 175, 2°, van hetzelfde Wetboek bedoelde bedrag van de voorafbetalingen die nodig zijn om de vermeerdering wegens geen of ontoereikende voorafbetalingen te vermijden, te bepalen.
Het eerste lid is niet van toepassing op een belastingplichtige die, in de periode van 12 maart 2020 tot en met de laatste dag van het betreffende belastbare tijdperk, ofwel:
- een rechtstreekse deelneming aanhoudt in een vennootschap die gevestigd is in een Staat die is opgenomen op één van de lijsten waarnaar wordt verwezen in artikel 307, § 1/2, van hetzelfde Wetboek of een Staat die is opgenomen in de lijst in artikel 179 van het KB/WIB 92;
- betalingen heeft gedaan aan vennootschappen die gevestigd zijn in één van de in het eerste streepje bedoelde Staten, voor zover deze betalingen in de loop van die periode een totaalbedrag vormen van ten minste 100 000 euro, en niet werd aangetoond dat deze betalingen werden verricht in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen die het gevolg zijn van rechtmatige financiėle of economische behoeften.
HOOFDSTUK 4 - Taxshelter
Art. 8. In afwijking van het artikel 194ter, van het hetzelfde Wetboek
1° De in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 4°, tweede streepje, van hetzelfde Wetboek, bedoelde termijnen waarin de uitgaven moeten worden gedaan, worden verlengd met twaalf maanden, voor zover de in aanmerking komende productievennootschap aantoont dat het in aanmerking komend werk, waarvoor de raamovereenkomst is aangemeld, rechtstreekse schade heeft ondervonden als gevolg van de door de federale regering uitgevaardigde maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie;
2° Wanneer deze termijnen, overeenkomstig de bepaling onder 1°, worden verlengd met twaalf maanden, wordt de vrijstelling, in afwijking van artikel 194ter, § 5, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, slechts definitief toegekend indien het Tax Shelter attest uiterlijk op 31 december van het vijfde jaar volgend op het jaar waarin de raamovereenkomst wordt getekend, wordt afgeleverd door de Federale Overheidsdienst Financiėn;
3° In het in de bepaling onder 2° bedoelde geval kan de in artikel 194ter, § 5, tweede lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde vrijstelling uiterlijk worden toegekend in het aanslagjaar verbonden met het vijfde belastbaar tijdperk;
4° In het in de bepaling onder 2° bedoelde geval zal, in afwijking van het artikel 194ter, § 7, derde lid, van hetzelfde Wetboek, de voorheen vrijgestelde winst worden aangemerkt als winst van het laatste belastbare tijdperk tijdens hetwelk het Tax Shelter attest rechtsgeldig kon worden afgeleverd, indien de in aanmerking komende investeerder dit attest op 31 december van het vijfde jaar volgend op het jaar waarin de raamovereenkomst wordt getekend, niet heeft ontvangen;
5° In het in de bepaling onder 2° bedoelde geval wordt de in artikel 194ter, § 8, eerste lid, tweede streepje, van hetzelfde Wetboek bedoelde termijn van ten hoogste 18 maanden verlengd met twaalf maanden om rekening te houden met de in 1° hierboven bedoelde verlengde termijn;
6° Voor wat betreft de animatiefilms en de animatieseries bestemd voor televisie, is de verlenging van twaalf maanden van de in artikel 194ter, § 8, tweede lid, van hetzelfde Wetboek bedoelde termijn van 18 maanden ook van toepassing op de bepaling onder 5° aangepaste termijnen.
Art. 9. In afwijking van het artikel 194ter/1, § 2, 1°, tweede streepje, van hetzelfde Wetboek, wordt de termijn waarin de productie- en exploitatie-uitgaven moeten worden gedaan, verlengd met twaalf maanden, voor zover de in aanmerking komende productievennootschap aantoont dat het in aanmerking komend werk, waarvoor de raamovereenkomst is aangemeld, rechtstreekse schade heeft ondervonden als gevolg van de door de federale regering uitgevaardigde maatregelen in het kader de COVID-19-pandemie.
Art. 10. In artikel 194ter, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, eerste lid, 4°, tweede streepje, worden de woorden "binnen een periode eindigend ten hoogste 18 maanden na de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst voor het bekomen van het Tax Shelter-attest voor de productie van dit werk zoals bedoeld in 5°. Voor animatiefilms en voor animatieseries bestemd voor televisie wordt deze periode van 18 maanden verlengd met zes maanden" vervangen door de woorden "binnen een periode die ten vroegste aanvangt 6 maanden voor de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst voor het bekomen van het Tax Shelter-attest voor de productie van dit werk zoals bedoeld in 5° en ten laatste loopt tot 12 maanden na de ondertekening van laatstgenoemde raamovereenkomst. Voor animatiefilms en voor animatieseries wordt deze termijn van 12 maanden tot 18 maanden verlengd;
2° paragraaf 1, eerste lid, 4°, tweede streepje, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
"De in het eerste lid bedoelde productie- en exploitatie-uitgaven gedaan in de periode voorafgaand aan de datum van de ondertekening van de overeenkomst bedragen maximaal 50 pct. van het totaal van deze productie- en exploitatie-uitgaven.";
3° in paragraaf 1, wordt het vierde lid opgeheven.
Art. 11. In afwijking van artikel 194ter, § 3, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 april 2019, wordt het bedrag van 850 000 euro verhoogd tot 1 700 000 euro voor het belastbare tijdperk in de loop waarvan de raamovereenkomst wordt getekend en dat afsluit vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet tot 30 december 2020 inbegrepen.
In afwijking van artikel 194ter, § 3, zesde lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 april 2019, wordt het bedrag van 1 000 000 euro verhoogd tot 2 000 000 euro voor het belastbare tijdperk in de loop waarvan de raamovereenkomst wordt getekend en dat afsluit vanaf 31 december 2020 tot 31 december 2021 inbegrepen.
Art. 12. In artikel 194ter/1 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, 1°, tweede streepje, worden de woorden "binnen een periode eindigend ten hoogste 24 maanden na de datum van ondertekening van de raamovereenkomst voor het bekomen van het Tax Shelter attest voor de productie van dit werk zoals bedoeld in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 5° " vervangen door de woorden "binnen een periode die ten vroegste aanvangt 6 maanden voor de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst voor het bekomen van het Tax Shelter-attest voor de productie van dit werk zoals bedoeld in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 5°, en ten laatste loopt tot 18 maanden na de ondertekening van laatstgenoemde raamovereenkomst";
2° in paragraaf 2, 1°, tweede streepje, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De in het eerste lid bedoelde productie- en exploitatie-uitgaven gedaan in de periode voorafgaand aan de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst bedragen maximaal 50 pct. van het totaal van deze productie- en exploitatie-uitgaven.";
3° de vierde paragraaf wordt opgeheven.
Art. 13. In afwijking van artikel 194ter/1, § 5, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 april 2019, wordt het bedrag van 850 000 euro verhoogd tot 1 700 000 euro voor het belastbare tijdperk in de loop waarvan de raamovereenkomst wordt getekend en dat afsluit vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet tot 30 december 2020 inbegrepen.
In afwijking van artikel 194ter/1, § 5, derde lid, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 28 april 2019, wordt het bedrag van 1 000 000 euro verhoogd tot 2 000 000 euro voor het belastbare tijdperk in de loop waarvan de raamovereenkomst wordt getekend en dat afsluit vanaf 31 december 2020 tot 31 december 2021 inbegrepen.
De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit de in het tweede lid bedoelde periode verlengen tot maximum 31 december 2022.
Art. 14. In artikel 194ter/3 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 maart 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 2, 1°, tweede streepje, worden de woorden "binnen een periode eindigend ten hoogste 24 maanden na de datum van ondertekening van de raamovereenkomst voor het bekomen van het taks shelter-attest voor de productie van dit werk zoals bedoeld in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 5° " vervangen door de woorden "binnen een periode die ten vroegste aanvangt 6 maanden voor de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst voor het bekomen van het Tax Shelter-attest voor de productie van dit werk zoals bedoeld in artikel 194ter, § 1, eerste lid, 5°, en ten laatste loopt tot 18 maanden na de ondertekening van laatstgenoemde raamovereenkomst";
2° de bepaling onder paragraaf 2, 1°, tweede streepje, wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De in het eerste lid bedoelde productie- en exploitatie-uitgaven gedaan in de periode voorafgaand aan de datum van de ondertekening van de overeenkomst bedragen maximaal 50 pct. van het totaal van deze productie- en exploitatie-uitgaven.";
3° de vierde paragraaf wordt opgeheven.
Art. 15. Artikel 8, 1° en 5°, is van toepassing op de raamovereenkomsten die zijn ondertekend vanaf 12 september 2018, of 12 maart 2018 voor wat de animatiefilms en animatieseries bestemd voor televisie betreft, tot 31 december 2020 en waarvoor het Tax Shelter attest nog niet is aangevraagd.
De artikelen 8, 6°, en 9 zijn van toepassing op de raamovereenkomsten die zijn ondertekend vanaf 12 maart 2018 tot 31 december 2020 en waarvoor het Tax Shelter attest nog niet is aangevraagd.
De artikelen 10 tot 14 zijn van toepassing op de raamovereenkomsten die zijn ondertekend vanaf 12 maart 2020.
HOOFDSTUK 5 - Andere bepalingen betreffende inkomstenbelastingen
Art. 16. § 1. In afwijking van de artikelen 31, tweede lid, 1°, en 32, van hetzelfde Wetboek, worden de bezoldigingen met betrekking tot 120 vrijwillige overuren die overeenkomstig hoofdstuk 2 van het bijzondere-machtenbesluit nr. 14 van 27 april 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot vrijwaring van een vlotte arbeidsorganisatie in de kritieke sectoren, werden gepresteerd tijdens de periode van 1 april 2020 tot en met 30 juni 2020 bij de werkgevers die tot de kritieke sectoren behoren vrijgesteld van inkomstenbelastingen.
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt verstaan onder "kritieke sectoren", de bedrijven en instellingen die behoren tot de cruciale sectoren en de essentiėle diensten, zoals bepaald in het ministerieel besluit van 23 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken.
De belastingvermindering voor bezoldigingen ingevolge het presteren van overwerk dat recht geeft op een overwerktoeslag bedoeld in artikel 154bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en de vrijstelling van doorstorten van bedrijfsvoorheffing bedoeld in artikel 2751 van hetzelfde Wetboek zijn niet van toepassing op het overwerk dat in aanmerking komt voor de in het eerste lid bedoelde vrijstelling.
De in het eerste lid bedoelde bezoldigingen en uitkeringen worden vermeld op de berekeningsnota die gevoegd is bij het aanslagbiljet inzake personenbelasting van de genieter.
§ 2. Voor de toepassing van de artikelen 31bis, eerste lid, 1°, en 38, § 1, eerste lid, 31°, van hetzelfde Wetboek wordt een tewerkstelling zoals bedoeld in artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 23 april 2020 tot het tijdelijk versoepelen van de voorwaarden waaronder werklozen, al dan niet met bedrijfstoeslag, kunnen worden tewerkgesteld in vitale sectoren en tot het tijdelijk bevriezen van de degressiviteit van de volledige werkloosheidsuitkeringen, beschouwd als een werkhervatting bij een andere werkgever.
§ 3. Voor de toepassing van titel II, hoofdstuk III, afdeling 1, onderafdeling 2, van hetzelfde Wetboek en onverminderd de toepassing van artikel 143, 7°, van datzelfde Wetboek, komen de bezoldigingen verkregen door studenten zoals bedoeld in titel VII van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten voor de in het tweede kwartaal van 2020 gepresteerde uren studentenarbeid niet in aanmerking voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen op voorwaarde dat hun werkgevers hen hebben aangegeven overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
§ 4. Uitgaven voor kinderoppas die in 2020 werkelijk zijn betaald voor dagen waarop er geen effectieve oppas is geweest, worden voor de toepassing van artikel 14535, van hetzelfde Wetboek als uitgaven voor een oppasdag aangemerkt, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de uitgaven zijn gedaan voor een opvangactiviteit die had moeten doorgaan in de periode van 14 maart 2020 tot 30 juni 2020, maar door de organisator werd geannuleerd omwille van de maatregelen in het kader van de COVID-19-pandemie;
2° de belastingplichtige had het recht om de reeds gedane uitgaven terug te vorderen, maar heeft beslist om dit niet te doen, zelfs niet gedeeltelijk. Die beslissing is definitief en onherroepelijk;
3° de organisator reikt voor de uitgaven met betrekking tot de geannuleerde oppasdagen een attest uit, waarvan het model wordt vastgelegd door de Koning.
Art. 17. In nr. 2.13 van hoofdstuk II, afdeling 3 van de bijlage III KB/WIB 92, vervangen bij het koninklijk besluit van 11 december 2019, wordt een nieuwe bepaling onder D ingevoegd, luidende:
"D. In afwijking van de punten A, B en C zijn de wettelijke uitkeringen die worden betaald of toegekend aan tijdelijk werklozen zoals bedoeld in artikel 27, 2°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, aan de bedrijfsvoorheffing onderworpen tegen het tarief van 15 pct. (zonder vermindering), voor zover deze inkomsten worden betaald of toegekend vanaf 1 mei 2020 tot en met 31 december 2020 en betrekking hebben op dagen van tijdelijke werkloosheid in diezelfde periode.".
TITEL 3 - BEPALINGEN BETREFFENDE DE BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE
HOOFDSTUK 1 - Onttrekkingen van medische hulpmiddelen en computers met het oog op een levering om niet aan bepaalde instellingen en organisaties
Art. 18. § 1. In afwijking van artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 30 juli 2018 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 april 2019, wordt niet gelijkgesteld met een levering van goederen verricht onder bezwarende titel, de onttrekking door een belastingplichtige aan zijn bedrijf van de volgende goederen om ze om niet te verstrekken aan de instellingen en organisaties bedoeld in paragraaf 2, wanneer voor die goederen of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan:
1° de medische hulpmiddelen en hun hulpstukken als bedoeld in het koninklijk besluit van 18 maart 1999 betreffende de medische hulpmiddelen;
2° de beschermingsmiddelen, andere dan de goederen bedoeld in 1°, voor de zorgverstrekkers en de patiėnten noodzakelijk voor de preventie van virale besmettingen en infectieziekten alsook voor de diagnose en de behandeling van patiėnten die aan dergelijke ziekten lijden of die symptomen daarvan vertonen.
§ 2. Worden bedoeld in paragraaf 1, de onttrekkingen van goederen gedaan met het oog op een levering om niet aan:
1° de instellingen voor gezondheidszorg bedoeld in de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen;
2° de volgende instellingen bedoeld in artikel 44, § 2, 2°, van hetzelfde Wetboek:
a) de instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben;
b) de kinderbewaarplaatsen en de zuigelingentehuizen;
c) de instellingen die de gehandicaptenzorg tot doel hebben;
3° de instellingen die school- en universitair onderwijs verschaffen;
4° de humanitaire hulporganisaties, om hun behoeften voor de duur van hun interventie te dekken tijdens de periode waarin zij bijstand verlenen aan personen die getroffen zijn door het COVID-19-virus of het risico daarop lopen en, meer algemeen, ter voorziening van de noodhulpdiensten;
5° de instellingen die, op het tijdstip dat de goederen om niet worden verstrekt, erkend zijn door de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen op grond waarvan zij met vrijstelling van btw en invoerrechten bepaalde hulpgoederen kunnen invoeren op het Belgisch grondgebied bij toepassing van het besluit (EU) 2020/491 van de Europese Commissie van 3 april 2020 waarbij vrijstelling van rechten bij invoer en van btw op invoer wordt verleend voor goederen die nodig zijn om de gevolgen van de COVID-19-uitbraak in 2020 te bestrijden;
6° andere overheidsinstellingen en publiekrechtelijke lichamen dan bedoeld in 1° tot 5°.
Met de instellingen voor gezondheidszorg in de zin van het eerste lid, 1°, worden gelijkgesteld:
1° de associaties van ziekenhuizen bedoeld in het koninklijk besluit van 25 april 1997 houdende nadere omschrijving van de associatie van ziekenhuizen en van de bijzondere normen waaraan deze moet voldoen;
2° de ziekenhuisgroeperingen bedoeld in het koninklijk besluit van 30 januari 1989 houdende vaststelling van aanvullende normen voor de erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten alsmede tot nadere omschrijving van de ziekenhuisgroeperingen en van de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen;
3° de fusies van ziekenhuizen bedoeld in het koninklijk besluit van 31 mei 1989 houdende nadere omschrijving van de fusie van ziekenhuizen en van de bijzondere normen waaraan deze moeten voldoen;
4° de locoregionale klinische ziekenhuisnetwerken bedoeld in de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen.
§ 3. Bij een onttrekking bedoeld in paragraaf 1, stelt de belastingplichtige voor elke schenking een document op, met de volgende vermeldingen:
1° de datum waarop de begunstigde bezit heeft genomen van de goederen;
2° de naam of maatschappelijke benaming, het adres en het btw-identificatienummer van de belastingplichtige;
3° de naam of maatschappelijke benaming, het adres en het ondernemingsnummer van de begunstigde;
4° een nauwkeurige en volledige beschrijving en de hoeveelheid van de geleverde goederen;
5° een verklaring van de begunstigde waarin hij zich ertoe verbindt:
a) de ontvangen goederen te bestemmen voor persoonlijke medische verzorging; of
b) om ze gratis ter beschikking te stellen aan een andere instelling of organisatie bedoeld in paragraaf 2.
De vermelding bedoeld in het eerste lid, 4°, mag worden vervangen door een vermelding, voor elke schenking, van de categorieėn van de verdeelde goederen en de overeenkomstige hoeveelheden of door het kasticket of de scanningslijst met betrekking tot de geleverde goederen in bijlage van het document bedoeld in het eerste lid.
Dit document wordt opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de levering van goederen werd verricht.
§ 4. In afwijking van paragraaf 3, mag een verzameldocument worden opgesteld waarin de schenkingen verricht in de loop van een maand worden gegroepeerd.
Het verzameldocument bevat, per schenking van goederen, de vermeldingen bedoeld in paragraaf 3, met uitzondering van de data waarop de begunstigden bezit hebben genomen van de goederen, die mogen worden vervangen door een globale verwijzing naar de maand waarop het document betrekking heeft.
Het verzameldocument wordt opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin die schenkingen van goederen werden verricht.
§ 5. Het document bedoeld in paragraaf 3 of het verzameldocument bedoeld in paragraaf 4 wordt in twee exemplaren opgemaakt, waarvan elke partij verklaart zijn exemplaar te hebben ontvangen. Het wordt gedagtekend en ondertekend door de betrokken partijen.
Art. 19. § 1. In afwijking van artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen bij de wet van 30 juli 2018 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 april 2019, wordt niet gelijkgesteld met een levering van goederen verricht onder bezwarende titel, de onttrekking door een belastingplichtige aan zijn bedrijf van computers om ze om niet te verstrekken aan scholen gevestigd in Belgiė, wanneer voor die goederen of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan.
§ 2. Bij een onttrekking bedoeld in paragraaf 1, stelt de belastingplichtige voor elke schenking een document op, met de volgende vermeldingen:
1° de datum waarop de begunstigde bezit heeft genomen van de goederen;
2° de naam of maatschappelijke benaming, het adres en het btw-identificatienummer van de belastingplichtige;
3° de naam of maatschappelijke benaming, het adres en het ondernemingsnummer van de begunstigde;
4° een nauwkeurige en volledige beschrijving en de hoeveelheid van de geleverde goederen;
5° een verklaring van de begunstigde waarin hij zich ertoe verbindt:
a) de ontvangen goederen te bestemmen voor het onderwijs; of
b) om ze gratis ter beschikking te stellen aan een andere school gevestigd in Belgiė.
De vermelding bedoeld in het eerste lid, 4°, mag worden vervangen door een vermelding, voor elke schenking, van de categorieėn van de verdeelde goederen en de overeenkomstige hoeveelheden of door het kasticket of de scanningslijst met betrekking tot de geleverde goederen in bijlage van het document bedoeld in het eerste lid.
Dit document wordt opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de levering van goederen werd verricht.
§ 3. In afwijking van paragraaf 2, mag een verzameldocument worden opgesteld waarin de schenkingen verricht in de loop van een maand worden gegroepeerd.
Het verzameldocument bevat, per schenking van goederen, de vermeldingen bedoeld in paragraaf 2, met uitzondering van de data waarop de begunstigden bezit hebben genomen van de goederen, die mogen worden vervangen door een globale verwijzing naar de maand waarop het document betrekking heeft.
Het verzameldocument wordt opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin die schenkingen van goederen werden verricht.
§ 4. Het document bedoeld in paragraaf 2 of het verzameldocument bedoeld in paragraaf 3 wordt in twee exemplaren opgemaakt, waarvan elke partij verklaart zijn exemplaar te hebben ontvangen. Het wordt gedagtekend en ondertekend door de betrokken partijen.
Art. 20. Artikelen 18 en 19 zijn van toepassing op goederen die vanaf 1 maart 2020 tot en met 1 september 2020 het voorwerp uitmaken van een onttrekking, om ze te verstrekken voor de doeleinden en onder de voorwaarden die in die bepaling zijn vastgesteld.
HOOFDSTUK 2 - Bekrachtiging van een koninklijk besluit genomen ter uitvoering van artikel 37, § 1 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde
Art. 21. Het koninklijk besluit van 5 mei 2020 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven met bettrekking tot mondmaskers en hydroalcoholische gels, wordt bekrachtigd met ingang van 4 mei 2020.
TITEL 4 - WIJZIGINGEN BETREFFENDE DE REGISTRATIE-, HYPOTHEEK- EN GRIFFIERECHTEN
Art. 22. In afwijking van artikel 172 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten kunnen de griffiers van de hoven en rechtbanken in de periode van 13 maart 2020 tot 30 juni 2020 van de akten welke zij verplicht zijn ter registratie aan te bieden uitgiften of afschriften afleveren zonder dat het vonnis of arrest vooraf geregistreerd is.
Art. 23. In afwijking van artikel 11, tweede lid, van hetzelfde Wetboek zijn de notariėle volmachten verleden van 13 maart 2020 tot 30 juni 2020 vrijgesteld van het registratierecht, wanneer de instrumenterende ambtenaar ervoor geen ereloon, vacaties of kosten vraagt en voor zover deze volmacht uitsluitend effect sorteert in de periode van 13 maart 2020 tot 30 juni 2020.
Art. 24. Het in artikel 259 van hetzelfde Wetboek bepaalde recht is niet verschuldigd in geval in de periode van 16 maart 2020 tot 30 juni 2020 de inschrijving van een hypotheek wordt gevraagd op overlegging van een hypothecair mandaat dat dagtekent van voor 16 maart 2020.
Art. 25. De in de artikelen 271 en 272 van hetzelfde Wetboek bepaalde rechten zijn niet verschuldigd op de uitgiften, kopieėn of uittreksels van vonnissen en arresten die in de griffies worden afgeleverd in de periode van 16 maart 2020 tot 30 juni 2020.
TITEL 5 - WIJZIGINGEN BETREFFENDE HET WETBOEK DIVERSE RECHTEN EN TAKSEN
Art. 26. In afwijking van artikel 3 van het Wetboek diverse rechten en taksen zijn:
1° de notariėle volmachten verleden van 13 maart 2020 tot 30 juni 2020 vrijgesteld van het recht op geschriften wanneer de instrumenterende ambtenaar ervoor geen ereloon, vacaties of kosten vraagt en voor zover deze volmacht uitsluitend effect sorteert in de periode van 13 maart 2020 tot 30 juni 2020;
2° de akten verleden van 16 maart 2020 tot 30 juni 2020 in uitvoering van een hypothecaire mandaat vrijgesteld van het recht op geschriften wanneer het hypothecair mandaat dagtekent van voor 16 maart 2020.
Art. 27. In afwijking van artikel 1791, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, is de jaarlijkse taks betreffende een tussen 16 maart 2020 en 30 juni 2020 vervallen premie, werkgeversbijdrage of persoonlijke bijdrage, betaalbaar uiterlijk op de twintigste van de maand volgend op die waarin de betaling van de premie, werkgeversbijdrage of persoonlijke bijdrage werd gedaan.
Wanneer een termijn voor de betaling van de premies en bijdragen bedoeld in het eerste lid is toegestaan die de betaling toelaat na 30 juni 2020, alsook in geval van niet-betaling van deze premies en bijdragen op diezelfde datum, is de taks ten laatste op 20 juli 2020 te betalen.
TITEL 6 - AANVULLENDE HYPOTHECAIRE GETUIGSCHRIFTEN
Art. 28. § 1. De aanvullende hypothecaire getuigschriften, zoals gedefinieerd in artikel 1, 12°, van het koninklijk besluit van 14 september 2016 tot vaststelling van de retributies voor de uitvoering van de hypothecaire formaliteiten en voor de aflevering van de afschriften en getuigschriften, worden vrijgesteld van:
1° de retributie bedoeld in het voormelde artikel 1, 12° ;
2° het recht op geschriften bedoeld in artikel 10 van het Wetboek diverse rechten en taksen.
§ 2. De vrijstelling bedoeld in de eerste paragraaf is evenwel slechts van toepassing als de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:
1° het betreft aanvullende hypothecaire getuigschriften die vanaf de datum van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad tot en met 30 juni 2020 worden aangevraagd door de notaris voorafgaand aan het verlijden van de akte;
2° de instrumenterende ambtenaar vraagt voor deze getuigschriften geen ereloon, vacaties of kosten;
3° in de aanvraag bevestigt uitdrukkelijk dat de voorwaarden opgenomen in de bepalingen onder 1° en 2° vervuld zijn.
TITEL 7 - WIJZIGING BETREFFENDE DE WET VAN 22 DECEMBER 2009 BETREFFENDE DE ALGEMENE REGELING INZAKE ACCIJNZEN
Art. 29. Terugbetaling van accijnzen wordt verleend voor tankbier en bier in vaten dat reeds in verbruik werd gesteld en dat onverkoopbaar geworden is ingevolge de maatregelen die de overheid heeft genomen in het kader van de coronacrisis op voorwaarde dat het bier na terugzending effectief vernietigd wordt onder ambtelijk toezicht of gedealcoholiseerd wordt hetzij met het oog op levering van de alcohol met vrijstelling van accijnzen aan apotheken, hetzij met het oog op de levering van de alcohol onder de geldende accijnsschorsingsregeling naar een ander belastingentrepot, hetzij met het oog op de productie van handgels.
De Administratie gaat, op verzoek van de persoon die het bier in verbruik heeft gesteld, over tot terugbetaling van accijnzen tegen het toepasselijke accijnstarief voor bier van 12° Plato of tegen het toepasselijke accijnstarief voor alcoholvrij bier voor zover dat deze persoon de verplichtingen voorzien in dit artikel heeft nageleefd.
Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalt de Koning de controlemaatregelen en de procedure van toekenning van terugbetaling van accijnzen zodat elke vorm van misbruik uitgesloten wordt.
Deze maatregel is van toepassing op alle leveringen en verkopen van tankbier en bier in vaten vanaf 1 januari 2020 tot en met 30 juni 2020.
TITEL 8 - INWERKINGTREDING EN TEMPORELE TOEPASSING
Art. 30. Deze wet treedt in werking op de dag van haar publicatie in het Belgisch Staatsblad met uitzondering van artikel 17 dat uitwerking heeft met ingang van 1 mei 2020, artikelen 18, 19 en 20 die uitwerking hebben met ingang van 1 maart 2020, van artikelen 22, 23 en 26, 1°, die uitwerking hebben met ingang van 13 maart 2020 en van artikelen 24, 25, 26, 2°, en 27 die uitwerking hebben met ingang van 16 maart 2020.
Art. 31. De Koning kan voor elke termijn bepaald bij deze wet, de uiterste vervaldag van deze termijn verlengen met hoogstens zes maanden bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad indien zou blijken dat de dringende noodzaak die geleid heeft tot de totstandkoming van deze wet op het moment van verstrijken van deze termijn nog niet verdwenen is.
De Koning zal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting is, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een wetsontwerp indienen tot bekrachtiging van de in uitvoering van het in het eerste lid genomen besluit. Dit besluit wordt geacht geen uitwerking te hebben gehad indien het niet bij wet is bekrachtigd binnen de twaalf maanden na de datum van zijn bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 29 mei 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiėn,
A. DE CROO
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
_______
Nota
(1) Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be)
Stukken : K55-1174
Integraal verslag: 22 mei 2020


begin

Publicatie : 2020-06-11