einde

Publicatie : 2019-08-22

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST BINNENLANDSE ZAKEN

5 MEI 2019. - Wet tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat bepaalde categorieën van werknemers betreft



FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Art. 2. Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van :
1° richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan;
2° richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven;
3° richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
Art. 3. In artikel 1, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepaling onder 15° wordt opgeheven;
2° paragraaf 1 wordt aangevuld met de bepalingen onder 21° tot 26°, luidende :
"21° "luchthaventransitvisum" : het visum dat krachtens de Visumcode vereist is voor een transit door de internationale transitzone van de luchthavens op het grondgebied en dat overeenkomstig de genoemde Code afgegeven wordt;
22° "visum kort verblijf" : het visum dat, krachtens de verordening (EU) 2018/1806 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, vereist is om gedurende een maximale duur van negentig dagen op het grondgebied door te reizen of erop te verblijven en dat overeenkomstig de Visumcode afgegeven wordt;
23° "visum lang verblijf" : het visum dat overeenkomstig artikel 18 van de Schengenovereenkomst vereist is om meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven en dat zijn houder in staat stelt om aan te tonen dat hij gemachtigd of toegelaten werd om, in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen, meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven;
24° "Visumcode" : de verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode);
25° "Schengengrenscode" : verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode);
26° "Schengenovereenkomst" : overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen.".
Art. 4. In artikel 1/1, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 19 december 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepaling onder 10° wordt vervangen als volgt :
"10° artikel 61/26";
2° paragraaf 2 wordt aangevuld met een bepaling onder 12°, luidende :
"12° artikel 61/29-4.".
Art. 5. Artikel 1/2, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 december 2016, wordt aangevuld met de bepalingen onder 10°, 11° en 12°, luidende :
"10° artikel 61/26;
11° artikel 61/29-4;
12° artikel 10bis, § 4.".
Art. 6. In hoofdstuk II van titel I van dezelfde wet, wordt een artikel 2/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 2/1. Er zijn verschillende soorten visa, met name in functie van het doel van de beoogde reis en de beoogde duur van het verblijf.
Visa kort verblijf en luchthaventransitvisa worden overeenkomstig de Visumcode afgegeven.
Visa lang verblijf worden afgegeven wanneer de vereiste machtiging tot verblijf of de toelating tot verblijf voor een verblijf van meer dan negentig dagen op het grondgebied, overeenkomstig de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen, werd toegekend.
Onverminderd de relevante bepalingen van het Schengenacquis kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de regels met betrekking tot de afgifte van visa, met inbegrip van de regels met betrekking tot hun opheffing en nietigverklaring, preciseren.".
Art. 7. In hoofdstuk II van titel I van dezelfde wet, wordt een artikel 8ter ingevoegd, luidende :
"Art. 8ter. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn onverminderd de relevante bepalingen van het Schengenacquis met betrekking tot de grensoverschrijdingen en het kort verblijf, in het bijzonder de Schengengrenscode, de Visumcode en de Schengenovereenkomst, van toepassing.".
Art. 8. In artikel 10bis, § 4, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, worden de woorden "artikel 61/27" vervangen door de woorden "artikel 61/27-4".
Art. 9. In artikel 61/25-1, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 juli 2018, worden de woorden "met uitzondering van de onderdanen van derde landen bedoeld in hoofdstuk VIII van titel II." vervangen door de woorden "met uitzondering van de onderdanen van derde landen die onderworpen zijn aan de bepalingen van hoofdstuk VIII en van hoofdstuk VIIIbis.".
Art. 10. In artikel 61/25-5, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de bepaling onder 1° de woorden "artikel 3, 5° tot 10° " worden vervangen door de woorden "artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ";
2° de paragraaf wordt aangevuld met de bepaling onder 4°, luidende :
"4° hij voldoet aan de voorwaarden voorzien in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid.".
Art. 11. In hoofdstuk VIII van titel II van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2012, wordt een afdeling 1 ingevoegd, die de artikelen 61/26 en 61/27 bevat, luidende :
"Afdeling 1 - Toepassingsgebied en definities."
Art. 12. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 11, wordt artikel 61/26, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2012, vervangen als volgt :
"Art 61/26. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die in het Rijk een aanvraag voor een arbeidsvergunning of de vernieuwing van deze vergunning bij de bevoegde overheid indienen, om hooggekwalificeerd werk uit te oefenen.
De indiening van deze aanvraag geldt als indiening van een verblijfsaanvraag.
§ 2. Ze zijn van toepassing, onverminderd de relevante bepalingen van :
1° het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
2° het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten .".
Art. 13. In dezelfde afdeling 1 wordt artikel 61/27 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2012, vervangen als volgt :
"Art. 61/27. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° "bevoegde overheid" : de gewest- of gemeenschapsoverheid die, overeenkomstig de gewestelijke of communautaire decreten, verordeningen en besluiten, bevoegd is voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
2° "samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018" : het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
3° "samenwerkingsakkoord van 6 december 2018" : het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018;
4° "Europese blauwe kaart" : de verblijfstitel zoals gedefinieerd in artikel 6, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.".
Art. 14. In hoofdstuk VIII van titel II van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2012, wordt een afdeling 2 ingevoegd, die de artikelen 61/27-1 en 61/27-2 bevat, luidende :
"Afdeling 2 - Bepalingen met betrekking tot de gezamenlijke procedure inzake de tewerkstelling van hooggekwalificeerde werknemers."
Art. 15. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 14, wordt een artikel 61/27-1 ingevoegd, luidende :
"Art 61/27-1. § 1. De minister of zijn gemachtigde beslist over de in artikel 61/26 bedoelde verblijfsaanvraag.
Onverminderd de mogelijkheid voor de minister of zijn gemachtigde om aanvullende inlichtingen of documenten te eisen overeenkomstig artikel 25, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 baseert de minister of zijn gemachtigde zich met name op de volgende documenten en inlichtingen om over de aanvraag te beslissen :
1° een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel;
2° behalve bij het hernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 61/26, een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan een van de in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
3° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 61/26, het bewijs van de betaling van de retributie, zoals die geëist wordt door artikel 1/1;
4° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 61/26, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
5° het bewijs dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die alle risico's in België voor hemzelf en zijn gezinsleden dekt.
Bij behoorlijk bewezen onmogelijkheid de in het tweede lid, 2° en 4°, bedoelde documenten voor te leggen, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, de onderdaan van een derde land echter machtigen in België te verblijven.
§ 2. De onderdaan van een derde land die toegelaten of gemachtigd is op het grondgebied van het Rijk te verblijven voor een periode die negentig dagen niet overschrijdt, overeenkomstig titel I, hoofdstuk II, of voor een periode van meer dan negentig dagen, overeenkomstig titel I, hoofdstuk III, kan een aanvraag voor een arbeidsvergunning indienen bedoeld in artikel 61/26.
Onverminderd de mogelijkheid om aanvullende inlichtingen of documenten te eisen, worden de in paragraaf 1, tweede lid, 1°, 3° en 5° bedoelde documenten en inlichtingen aan de aanvraag toegevoegd.
§ 3. De onderdaan van een derde land die al achttien maanden als houder van een Europese blauwe kaart in een andere lidstaat van de Europese Unie verblijft, kan overeenkomstig paragraaf 1 en op voorlegging van zijn geldige Europese blauwe kaart een aanvraag voor een in artikel 61/26 bedoelde arbeidsvergunning indienen.
De in het eerste lid bedoelde onderdaan van een derde land kan zijn aanvraag eveneens overeenkomstig paragraaf 2 en op voorlegging van zijn Europese blauwe kaart indienen, en dit zo spoedig mogelijk en uiterlijk één maand nadat hij het Rijk is binnengekomen.
§ 4. Overeenkomstig artikel 29, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk gemachtigd wordt om op het grondgebied te verblijven, brengt de minister of zijn gemachtigde de bevoegde overheid daarvan per brief, fax of e-mail op de hoogte.
Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot het verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land gemachtigd wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
§ 5. Wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van deze afdeling tot een verblijf gemachtigd wordt en door de bevoegde overheid gemachtigd wordt om te werken, betekent de minister of zijn gemachtigde hem een beslissing waarmee de Europese blauwe kaart wordt toegekend.
Deze beslissing neemt de vorm aan van een gecombineerde administratieve akte die tegelijkertijd het verblijf en het werk toestaat.
De minister of zijn gemachtigde brengt de werkgever daarvan op de hoogte.
§ 6. Overeenkomstig de artikelen 26, derde lid, en 36, § 3, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 brengt de minister of zijn gemachtigde, wanneer hij een beslissing tot weigering of tot beëindiging van het verblijf neemt, de bevoegde overheid daarvan op de hoogte per brief, fax of e-mail.
§ 7. Overeenkomstig artikel 36, §§ 1 en 3, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wordt de onderdaan van een derde land kennisgegeven van elke beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde over een op grond van artikel 61/26 ingediende aanvraag. De minister of zijn gemachtigde brengt zijn werkgever daarvan op de hoogte.
De onderdaan van een derde land wordt kennisgegeven van elke beslissing tot beëindiging van de machtiging betreffende een aanvraag ingediend op grond van artikel 61/26.
De onderdaan van een derde land en zijn werkgever worden door de minister of zijn gemachtigde kennisgegeven van elke beslissing tot beëindiging van de arbeidsvergunning genomen door de bevoegde overheid. De minister of zijn gemachtigde informeert de bevoegde overheid over deze kennisgeving.".
Art. 16. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/27-2 ingevoegd, luidende :
"Art 61/27-2. Overeenkomstig artikel 21 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt de aanvraag om vernieuwing op grond van artikel 61/26 die de door de bevoegde overheid bepaalde voorwaarden vervult, ten laatste twee maanden voor het verstrijken van de geldigheid van de vorige vergunning ingediend.
Indien, bij deze aanvraag om vernieuwing, de verblijfstitel vervalt, ontvangt de onderdaan van een derde land een document dat voorlopig zijn verblijf dekt, in afwachting van een beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde of, in voorkomend geval, door de bevoegde overheid. De Koning bepaalt het verblijfsdocument dat aan de onderdaan van een derde land wordt afgegeven.".
Art. 17. In hoofdstuk VIII van titel II van dezelde wet, wordt een afdeling 3 ingevoegd, die de artikelen 61/27-3 tot 61/27-6 bevat, luidende :
"Afdeling 3 - Bepalingen met betrekking tot de machtiging tot verblijf op het grondgebied, met het oog op hooggekwalificeerd werk.".
Art. 18. In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 17, wordt een artikel 61/27-3 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/27-3. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die een aanvraag voor een toelating tot arbeid, overeenkomstig artikel 61/26, indienen en die voor een periode van meer dan negentig dagen in het Rijk wensen te verblijven of voor een periode van meer dan negentig dagen in het Rijk worden gemachtigd te verblijven, om hooggekwalificeerd werk uit te oefenen.".
Art. 19. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 61/27-4 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/27-4. § 1. De onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/27-3 wordt gemachtigd om het grondgebied van het Rijk binnen te komen en er meer dan negentig dagen te verblijven om er te werken, of zijn machtiging tot verblijf wordt vernieuwd, mits :
1° hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 61/27-1, §§ 1 tot 3, die op hem van toepassing zijn;
2° hij zich niet bevindt in een van de gevallen opgesomd in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
3° in het geval waarin de onderdaan van een derde land zich reeds op het grondgebied van het Rijk bevindt wanneer hij de aanvraag bedoeld in artikel 61/26 indient, is hij reeds toegelaten of gemachtigd tot een verblijf in het Rijk voor een periode die negentig dagen niet overschrijdt, overeenkomstig hoofdstuk II van titel I, of voor een periode van meer dan negentig dagen, overeenkomstig hoofdstuk III van titel I.
§ 2. Overeenkomstig artikel 9 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, beslist de minister of zijn gemachtigde over de verblijfsaanvraag, of over de aanvraag voor vernieuwing, binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag.
De in het eerste lid bedoelde termijn kan in geen geval verlengd worden.
Indien de minister of zijn gemachtigde binnen de termijn bedoeld in het eerste lid geen beslissing neemt, wordt de onderdaan van een derde land tot het verblijf gemachtigd.
§ 3. Overeenkomstig artikel 25, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en onverminderd de termijn voorzien in paragraaf 2 kan tijdens het onderzoek van de aanvraag van de onderdaan van een derde land geëist worden dat hij binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
Indien de aanvullende inlichtingen en documenten niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn zijn voorgelegd, wordt de machtiging tot verblijf of de vernieuwing ervan geweigerd.".
Art. 20. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 61/27-5 ingevoegd, luidende :
"Art 61/27-5. § 1. Overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van het samenwerkingsakoord van 6 december 2018, wordt aan een onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/26, die zich op de datum van de beslissing die hem tegelijkertijd machtigt om in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer op het grondgebied te verblijven en te werken, op zijn verzoek, een visum lang verblijf afgegeven, zodat hij het grondgebied kan binnenkomen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de afgifte van het visum bepalen.
§ 2. Overeenkomstig artikel 10, derde en vierde lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die tot het verblijf gemachtigd is en gemachtigd is om in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer te werken in het vreemdelingenregister ingeschreven. Een Europese blauwe kaart wordt aan hem afgegeven.
De Koning bepaalt :
1° het model van de Europese blauwe kaart;
2° de geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart;
3° het verblijfsdocument dat aan de onderdaan van een derde land, in afwachting van de afgifte van de Europese blauwe kaart, wordt afgegeven.
§ 3. Indien de machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 61/27-4, § 2, eerste lid, wordt toegekend en indien binnen een termijn van negentig dagen, vanaf de kennisgeving van het volledig/ontvankelijk karakter van de aanvraag, geen enkele beslissing die tegelijkertijd op de machtiging tot verblijf en de arbeidsvergunning betrekking heeft genomen werd, wordt de onderdaan van een derde land tot het verblijf gemachtigd en wordt hij tegelijkertijd gemachtigd om in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer te werken. De paragrafen 1 en 2 zijn van toepassing.".
Art. 21. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 61/27-6 ingevoegd, luidende :
"Art 61/27-6. § 1. De minister of zijn gemachtigde maakt een einde aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer, of weigert om die machtiging te vernieuwen, wanneer de onderdaan van een derde land de in artikel 61/27-4, § 1, 1° en 2°, bedoelde voorwaarden niet of niet meer vervult.
§ 2. In de volgende gevallen kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer of weigeren die te vernieuwen :
1° indien de onderdaan van een derde land niet over voldoende bestaansmiddelen ten behoeve van zichzelf en van zijn gezinsleden beschikt, om te voorkomen dat ze ten laste van de openbare overheden vallen. In het kader van de evaluatie van de bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de vreemdeling en, meer bepaald, de aard en de regelmaat van zijn inkomsten en het aantal gezinsleden die te zijnen laste zijn;
2° de onderdaan van een derde land verblijft voor andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd.".
Art. 22. In titel II van dezelfde wet, wordt een hoofdstuk VIIIbis ingevoegd dat de artikelen 61/28 tot 61/29-9 bevat, luidende :
"Hoofdstuk VIIIbis - Seizoenarbeiders"
Art. 23. In hoofdstuk VIIIbis, ingevoegd bij artikel 22, wordt een afdeling 1 ingevoegd die de artikelen 61/28 en 61/28-1 bevat, luidende :
"Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities."
Art. 24. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 23, wordt artikel 61/28, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2012, vervangen als volgt :
"Art. 61/28. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die zich buiten het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie bevinden en die het Rijk wensen binnen te komen en er te verblijven om er in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken, en op de onderdanen van derde landen die gemachtigd worden om in deze hoedanigheid in het Rijk te verblijven en er te werken.
§ 2. Ze zijn van toepassing, onverminderd de relevante bepalingen van :
1° het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
2° het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten.".
Art. 25. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 61/28-1 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/28-1. Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° "bevoegde overheid" : de gewest- of gemeenschapsoverheid die, overeenkomstig de gewestelijke of communautaire decreten, verordeningen en besluiten, bevoegd is voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
2° "samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018" : het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
3° "samenwerkingsakkoord van 6 december 2018" : het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
4° "seizoenarbeider" : de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 12, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
5° "seizoenarbeidersvergunning" : de verblijfstitel bedoeld in artikel 12, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.".
Art. 26. In hoofdstuk VIIIbis, ingevoegd bij artikel 22, wordt een afdeling 2 ingevoegd, die de artikelen 61/29 tot61/29-3 bevat, luidende :
"Afdeling 2 - Toegang tot het grondgebied en kort verblijf - Vereiste documenten."
Art. 27. In afdeling 2 ingevoegd bij artikel 26, wordt artikel 61/29 vervangen als volgt :
"Art 61/29. § 1. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk II van titel I, moet de onderdaan van een derde land die het grondgebied, voor een maximale duur van negentig dagen, wenst binnen te komen en er wenst te verblijven, en dit in de hoedanigheid van seizoenarbeider, over de volgende documenten beschikken :
1° een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de geldigheidsvoorwaarden die voorzien worden door artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode;
2° een visum kort verblijf met een vermelding dat het met het oog op seizoenarbeid werd afgegeven, behalve indien hij vrijgesteld is van de visumplicht, krachtens artikel 6, § 1, b), van de Schengengrenscode;
3° de vereiste arbeidsvergunning voor de voorziene seizoenarbeid.
§ 2. Voor de beoogde duur van zijn verblijf moet de onderdaan van een derde land ook beschikken over :
1° een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt;
2° toereikende bestaansmiddelen om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider zal ontvangen;
3° voldoende huisvesting die voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan een onroerend goed dat wordt verhuurd als hoofdverblijfplaats zoals bepaald in artikel 2 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek.
§ 3. Het visum kort verblijf met het oog op seizoenarbeid wordt overeenkomstig de Visumcode afgegeven, vernieuwd of verlengd.
De vereiste arbeidsvergunning voor de voorziene seizoenarbeid wordt voorgelegd om de aanvraag voor de afgifte, de verlenging of de vernieuwing van het visum te ondersteunen.
Onverminderd de door de Visumcode voorziene voorwaarden wordt het visum niet afgegeven, vernieuwd of verlengd indien :
1° de betrokkene de in paragraaf 1, 1° en 3°, genoemde documenten niet voorlegt om zijn aanvraag te ondersteunen;
2° de betrokkene de in paragraaf 2 voorziene voorwaarden niet vervult;
3° de maximale duur voorzien in artikel 61/29-2 bereikt wordt.
§ 4. Onverminderd de andere redenen voorzien in artikel 3 kunnen de met de grenscontrole belaste overheden of de minister of zijn gemachtigde de toegang weigeren aan de onderdaan van een derde land die op het grondgebied wenst te verblijven in de hoedanigheid van seizoenarbeider voor een maximale duur van negentig dagen, indien :
1° hij de in paragrafen 1 en 2 voorziene voorwaarden niet of niet meer vervult;
2° de maximale duur voorzien in artikel 61/29-2 bereikt wordt.
Onverminderd de andere redenen voorzien in artikel 7 kan de minister of zijn gemachtigde de onderdaan van een derde land die gemachtigd is tot een verblijf van maximum negentig dagen, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, het bevel geven om het grondgebied te verlaten om dezelfde redenen als voorzien in het eerste lid, 1° en 2°.
§ 5. Overeenkomstig artikel 21, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 moet de onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, tot een verblijf van maximum negentig dagen op het grondgebied gemachtigd is en die zijn verblijf in die hoedanigheid wenst te verlengen de machtiging daarvoor aanvragen vooraleer zijn verblijf verstrijkt.
Indien de onderdaan van een derde land van plan is om zijn verblijf te verlengen voor een duur die niet langer is dan de maximale toegestane duur van het kort verblijf wordt de machtiging tot verblijf onder de voorwaarden en volgens de door de Koning bepaalde nadere regels aan hem toegekend.
Indien de onderdaan van een derde land langer dan de maximale duur van een kort verblijf wenst te blijven wordt de machtiging tot verblijf overeenkomstig de bepalingen van afdeling 3 aan hem toegekend.
§ 6. De Koning kan de nadere regels bepalen volgens dewelke het bewijs van de voorwaarden bedoeld in paragrafen 1 en 2 moeten worden geleverd.".
Art. 28. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/29-1 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/29-1. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk II van titel I, moet de onderdaan van een derde land die het grondgebied wenst binnen te komen om er in de hoedanigheid van seizoenarbeider meer dan negentig dagen te verblijven over de volgende documenten beschikken :
1° een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel waarvan de geldigheidsduur op zijn minst die van de door de bevoegde overheid afgegeven arbeidsvergunning met het oog op seizoensarbeid dekt en de door artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode voorziene geldigheidsvoorwaarden vervult;
2° een visum lang verblijf dat overeenkomstig artikel 61/29-7, afgegeven wordt.
De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.".
Art. 29. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/29-2 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/29-2. De periode gedurende dewelke de onderdaan van een derde land in de hoedanigheid van seizoenarbeider kan verblijven is beperkt tot honderdvijftig dagen per periode van driehonderdvijfenzestig dagen, waarbij voor iedere dag van het verblijf de driehonderdvijfenzestig voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de eerste dag van het verblijf op het grondgebied als de datum van binnenkomst beschouwd en wordt de laatste dag van verblijf op het grondgebied als de datum van vertrek beschouwd. Voor de berekening van de duur van het verblijf wordt rekening gehouden met het totaal van de toegestane verblijfsperiodes in de hoedanigheid van seizoenarbeider, met inbegrip van de verblijfsperiode(s) in het kader van een kort verblijf.
De Koning kan de manier waarop de maximale duur van het verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider berekend wordt preciseren. Hij kan de nadere regels die voorzien worden in het eerste en tweede lid opheffen, vervangen of aanvullen, om zich aan het recht van de Unie te houden.".
Art. 30. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/29-3 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/29-3. De Koning kan aan de bepalingen van dit hoofdstuk afwijken om de afgifte van het vereiste visum te vergemakkelijken voor de onderdanen van derde landen die in de loop van de vijf jaar die onmiddellijk aan de aanvraag voorafgaan reeds als seizoenarbeider op het grondgebied of in een andere lidstaat verbleven hebben en die de voorwaarden die gelden voor de seizoenarbeiders tijdens elk van hun verblijven nageleefd hebben. Hij kan de voorwaarden voor de toepassing van deze afwijkingen preciseren.".
Art. 31. In hoofdstuk VIIIbis ingevoegd bij artikel 22, wordt een afdeling 3 ingevoegd, die de artikelen 61/29-4 tot 61/29-9 bevat, luidende :
"Afdeling 3. - Seizoenarbeidersvergunning."
Art. 32. In afdeling 3 ingevoegd bij artikel 31, wordt een onderafdeling 1 ingevoegd, die de artikelen 61/29-4 tot 61/29-7 bevat, luidende :
"Onderafdeling 1 - Bepalingen met betrekking tot de gezamenlijke procedure met de overheid die bevoegd is voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers."
Art. 33. In onderafdeling 1 ingevoegd bij artikel 32, wordt een artikel 61/29-4 ingevoegd, luidende :
"Art 61/29-4. § 1. De onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, meer dan negentig dagen op het grondgebied wenst te verblijven dient een aanvraag in bij de bevoegde overheid, in de vorm van een aanvraag voor een arbeidsvergunning.
De aanvraag om te mogen werken geldt als aanvraag voor een verblijfsvergunning.
§ 2. Enkel de onderdaan van een derde land die zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt wanneer de aanvraag wordt ingediend of die zich in het geval bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid, bevindt, is gemachtigd om een aanvraag voor een machtiging tot verblijf krachtens dit artikel in te dienen.
§ 3. De volgende documenten worden aan de aanvraag toegevoegd :
1° het bewijs van de betaling van de retributie die in artikel 1/1 voorzien wordt;
2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/29-8, § 1, vast te stellen.
§ 4. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1, 2 en 4, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf.
De in het eerste lid voorziene termijn wordt tot zestig dagen verminderd indien de onderdaan van een derde land in de loop van de voorafgaande vijf jaar ten minste eenmaal gemachtigd werd om als seizoenarbeider op het grondgebied te verblijven en tijdens elk van deze verblijven de wetgeving met betrekking tot de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de wetgeving met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft nageleefd.
De in het eerste lid voorziene termijn wordt tot dertig dagen verminderd indien de aanvraag wordt ingediend door een onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid.
§ 5. Tijdens het onderzoek van de aanvraag wordt nagegaan of de betrokkene de voorwaarden voor de toekenning van de machtiging tot verblijf vervult. Er wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de evaluatie van het risico op illegale immigratie of het risico dat de betrokkene voor de veiligheid van de lidstaten zou vormen, en aan zijn intentie om het grondgebied van de lidstaten ten laatste op de datum waarop zijn verblijf verstrijkt te verlaten.
§ 6. Ten laatste vijftien dagen voor het verstrijken van de in paragraaf 4 bedoelde behandelingstermijn kan de minister of zijn gemachtigde van de onderdaan van een derde land of zijn werkgever eisen dat ze binnen een termijn van tien dagen aanvullende documenten of inlichtingen voorleggen. Ze worden geďnformeerd over de documenten of de inlichtingen die ze moeten voorleggen.
§ 7. Indien de duur gedurende dewelke de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid, tot een verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider gemachtigd is tijdens het onderzoek van de aanvraag verstrijkt, ontvangt hij een document dat zijn verblijf voorlopig dekt, totdat er een beslissing over wordt genomen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van de afgifte van het verblijfsdocument.
§ 8. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de arbeidsvergunning en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken en te verblijven.".
Art. 34. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 61/29-5 ingevoegd, luidende :
"Art 61/29-5. § 1. Overeenkomstig artikel 21, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, dient de onderdaan van een derde land die met toepassing van artikel 61/29-4, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, gemachtigd is tot een verblijf van meer dan negentig dagen en die zijn verblijf in deze hoedanigheid wenst te verlengen ten laatste een maand voor het verstrijken van zijn verblijf een aanvraag in bij de bevoegde overheid, in de vorm van een aanvraag voor een arbeidsvergunning.
§ 2. De documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/29-8, § 1, vast te stellen worden aan de aanvraag toegevoegd.
§ 3. Overeenkomstig artikel 17, §§ 3 en 4, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 wordt een beslissing met betrekking tot het feit of de machtiging tot verblijf al dan niet vernieuwd wordt ten laatste binnen een, niet verlengbare termijn van dertig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag genomen.
§ 4. Tijdens het onderzoek van de aanvraag wordt nagegaan of de betrokkene de voorwaarden voor de vernieuwing van de machtiging tot verblijf vervult. Er wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de evaluatie van het risico op illegale immigratie of het risico dat de betrokkene voor de veiligheid van de lidstaten zou vormen, en aan zijn intentie om het grondgebied van de lidstaten ten laatste op de datum waarop zijn verblijf verstrijkt te verlaten
§ 5. Ten laatste vijftien dagen voor het verstrijken van de in paragraaf 4 bedoelde behandelingstermijn kan de minister of zijn gemachtigde van de onderdaan van een derde land of zijn werkgever eisen dat ze binnen een termijn van tien dagen aanvullende documenten of inlichtingen voorleggen. Ze worden geďnformeerd over de documenten of de inlichtingen die ze moeten voorleggen.
§ 6. Indien de duur gedurende dewelke de betrokkene tot een verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider gemachtigd is tijdens het onderzoek van de aanvraag verstrijkt, ontvangt hij een document dat zijn verblijf voorlopig dekt, totdat er een beslissing over wordt genomen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van de afgifte van het verblijfsdocument
§ 7. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 worden de vereiste arbeidsvergunning en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om zijn verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider te verlengen.".
Art. 35. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 61/29-6 ingevoegd, luidende :
"Art.61/29-6. De minister of zijn gemachtigde betekent de volgende beslissingen aan de onderdaan van een derde land :
1° de beslissingen die een einde maken aan de door de bevoegde overheid uitgevaardigde arbeidsvergunning;
2° de beslissingen tot weigering van de machtiging van verblijf, om de machtiging tot verblijf niet te vernieuwen of die een einde maken aan de machtiging tot verblijf, die krachtens deze afdeling genomen worden;
3° de beslissing tot toekenning of vernieuwing van de arbeidsvergunning en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte.
In de gevallen en onder de voorwaarden die voorzien worden door het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 informeert de minister of zijn gemachtigde de werkgever over de beslissingen bedoeld in het eerste lid, 1° en 3°. ".
Art. 36. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 61/29-7 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/29-7. § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en de artikelen 18, tweede lid, en 21, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt, op zijn verzoek, een visum lang verblijf met een vermelding dat het met het oog op seizoenarbeid wordt afgegeven, overeenkomstig de verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad van 29 mei 1995 betreffende de invoering van een uniform visummodel afgegeven aan de onderdaan van een derde land die met toepassing van artikel 61/29-4 gemachtigd is om in de hoedanigheid van seizoenarbeider op het grondgebied te verblijven en te werken.
§ 2. Wanneer het visum wordt afgegeven aan een onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid, is de geldigheidsduur van het visum gelijk aan de toegestane duur van zijn verblijf. Deze onderdaan wordt onder dekking van zijn paspoort of de daarmee gelijkgestelde reistitel en het geldig visum dat met toepassing van paragraaf 1 aan hem werd afgegeven tot een verblijf op het grondgebied gemachtigd.
Behalve in geval van een door de Koning voorziene afwijking wordt de in het eerste lid bedoelde onderdaan van een derde land niet in het vreemdelingenregister ingeschreven. De Koning kan hem onderwerpen aan andere nadere regels voor de inschrijving of de registratie die door Hem bepaald worden, met name in het wachtregister.
§ 3. Overeenkomstig artikel 18, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken en te verblijven, in het vreemdelingenregister ingeschreven en wordt, op zijn verzoek, een seizoenarbeidersvergunning aan hem afgegeven. De geldigheidsduur van de seizoenarbeidersvergunning is gelijk aan de duur van de machtiging tot verblijf.
Het eerste lid is niet van toepassing aan de onderdaan van een derde land bedoeld in paragraaf 2.
§ 4. In geval van vernieuwing van het verblijf met toepassing van artikel 61/29-5 wordt de seizoenarbeidersvergunning of het visum lang verblijf waarvan de onderdaan van een derde land houder is verlengd met een duur die gelijk is aan de toegestane duur van zijn verblijf.
§ 5. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels met betrekking tot de inschrijving van de betrokkene en de afgifte en de vernieuwing van het visum en de seizoenarbeidersvergunning.".
Art. 37. In afdeling 3 ingevoegd bij artikel 31, wordt een onderafdeling 2 ingevoegd die de artikelen 61/29-8 en 61/29-9 bevat, luidende :
"Onderafdeling 2. - Bepalingen met betrekking tot de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider."
Art. 38. In onderafdeling 2 ingevoegd bij artikel 37, wordt een artikel 61/29-8 ingevoegd, luidende :
"Art 61/29-8. § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van de paragrafen 2 en 3 en van artikel 61/29-9 wordt de onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/29-4 of 61/29-5 indient gemachtigd om, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven of om zijn verblijf in die hoedanigheid te verlengen, indien :
1° hij bewijst dat hij over een reisdocument of een daarmee gelijkgestelde reistitel, zoals bedoeld in artikel 61/29-1, eerste lid, 1°, beschikt;
2° hij bewijst dat hij voor de beoogde duur van het verblijf over toereikende bestaansmiddelen beschikt, om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider zal ontvangen;
3° hij bewijst dat hij over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt, beschikt;
4° hij bewijst dat hij over voldoende huisvesting die voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan een onroerend goed dat wordt verhuurd als hoofdverblijfplaats zoals bepaald in artikel 2 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek beschikt;
5° hij een geneeskundig getuigschrift voorlegt waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
6° een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document voorlegt, indien hij ouder is dan achttien jaar.
In geval van aanvraag om vernieuwing is de verplichting om de documenten bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, voor te leggen enkel van toepassing op de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid.
De Koning kan de nadere regels bepalen volgens dewelke het bewijs van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid moet worden geleverd. Hij kan ook de voorwaarden bepalen waaraan de documenten bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, moeten voldoen.
§ 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider van meer dan negentig dagen toe te kennen of te vernieuwen indien :
1° de betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden voorzien in paragraaf 1;
2° de betrokkene zich in één van de in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10°, bedoelde gevallen bevindt;
3° de betrokkene langer dan de maximale toegestane duur van het verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider, voorzien in artikel 61/29-2, verblijft;
4° er redelijke twijfels bestaan met betrekking tot de authenticiteit van de bewijsstukken die ter ondersteuning van de aanvraag worden voorgelegd of de echtheid van hun inhoud, de betrouwbaarheid van de door de betrokkene afgelegde verklaringen of zijn intentie om het grondgebied te verlaten vooraleer de duur van het beoogde verblijf verstrijkt;
5° de vereiste aanvullende documenten of inlichtingen die niet binnen de voorgeschreven termijn voorgelegd werden.
De minister of zijn gemachtigde kan weigeren de machtiging tot verblijf van meer dan negentig dagen in de hoedanigheid van seizoenarbeider toe te kennen of te vernieuwen indien :
1° de betrokkene de wetgeving met betrekking tot de tewerkstelling van seizoenarbeiders of de wetgeving met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen niet nageleefd heeft tijdens een vorig verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider op het Belgisch grondgebied of op het grondgebied van een andere lidstaat;
2° de betrokkene zijn aanvraag niet binnen de voorgeschreven termijn heeft ingediend.
Indien de documenten bedoeld in paragraaf 1, 5° en 6°, niet kunnen worden voorgelegd kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen of vernieuwen.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan het verblijf van de onderdaan van een derde land die tot een verblijf van meer dan negentig dagen op het grondgebied, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, gemachtigd is, indien :
1° hij niet of niet meer voldoet aan de verblijfsvoorwaarden die voorzien worden in paragraaf 1, 1° tot 4° ;
2° hij om andere redenen dan die waarvoor zijn verblijf werd toegestaan op het grondgebied verblijft;
3° hij langer dan de maximale toegestane duur van het verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider, voorzien in artikel 61/29-2, verblijft.
§ 4. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.
Er wordt met name rekening gehouden met het feit dat de betrokkene in de loop van de vijf jaar die aan zijn aanvraag voorafgingen al op het grondgebied verbleven heeft en tijdens elk van deze verblijven de voorwaarden die van toepassing zijn op seizoenarbeiders heeft nageleefd, krachtens de wetgeving met betrekking tot de tewerkstelling van seizoenarbeiders en de wetgeving met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.".
Art. 39. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 61/29-9 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/29-9. § 1. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot het verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land gemachtigd wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
Overeenkomstig de artikelen 3 en 19 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de duur van de machtiging tot verblijf, die met toepassing van de bepalingen van deze afdeling word toegekend, beperkt tot de duur van de arbeidsvergunning, zonder langer te mogen zijn dan de maximale duur voorzien in artikel 61/29-2.
§ 2. Overeenkomstig artikel 22 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, eindigt de machtiging tot verblijf die met toepassing van de bepalingen van deze afdeling werd toegekend van rechtswege wanneer de betrokken onderdaan van een derde land niet meer gemachtigd is om in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken.".
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepaling
Art. 40. De aanvragen voor een machtiging tot verblijf voor een verblijf van meer dan negentig dagen, met het oog op het uitoefenen van hooggekwalificeerd werk, die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet werden ingediend en die op die datum nog hangende zijn, worden overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die voor dezelfde datum van toepassing zijn behandeld.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 5 mei 2019.
FILIP
Van Koningswege :
De minister voor Asiel en Migratie,
M. DE BLOCK
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
_______
Nota
(1) Kamer van volksvertegenwoordigers
(www.dekamer.be)
Stukken : 54 3710
Integraal verslag 19/04/2019


begin

Publicatie : 2019-08-22