einde

Publicatie : 2019-05-24

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST ECONOMIE, K.M.O., MIDDENSTAND EN ENERGIE

4 APRIL 2019. - Wet houdende wijziging van het Wetboek van Economisch Recht met betrekking tot misbruiken van economische afhankelijkheid, onrechtmatige bedingen en oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen (1)



FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Art. 2. Artikel I.6 van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013 en gewijzigd bij de wetten van 29 juni 2016 en van 15 april 2018, wordt aangevuld met een bepaling onder 4░, luidende :
"4░ positie van economische afhankelijkheid : positie van onderworpenheid van een onderneming ten aanzien van ÚÚn of meerdere andere ondernemingen gekenmerkt door de afwezigheid van een redelijk equivalent alternatief, beschikbaar binnen een redelijke termijn, en onder redelijke voorwaarden en kosten, die deze of elk van deze ondernemingen toelaten om prestaties of voorwaarden op te leggen die niet kunnen verkregen worden in normale marktomstandigheden.".
Art. 3. In artikel I.22, 1░, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 juni 2017, worden de woorden "en/of op artikel IV.1 of IV.2" vervangen door de woorden "en/of op artikel IV.1, op artikel IV.2 of op artikel IV.2/1".
Art. 4. In boek IV, titel 1, hoofdstuk 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013, wordt een artikel IV.2/1 ingevoegd, luidende :
"Art. IV.2/1. Het is verboden in hoofde van ÚÚn of meer ondernemingen misbruik te maken van een positie van economische afhankelijkheid waarin ÚÚn of meerdere ondernemingen zich bevindt, waardoor de mededinging kan worden aangetast op de betrokken Belgische markt of op een wezenlijk deel daarvan.
Er kan sprake zijn van misbruik bij :
1░ het weigeren van een verkoop, een aankoop of van andere transactievoorwaarden;
2░ het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden;
3░ het beperken van de productie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers;
4░ het toepassen ten opzichte van economische partners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;
5░ het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de economische partners van bijkomende prestaties, die naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.".
Art. 5. In artikel IV.3 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013, worden de woorden "De bij artikel IV.1, § 1, en artikel IV.2 bedoelde praktijken" vervangen door de woorden "De bij artikelen IV.1, § 1, IV.2 en IV.2/1 bedoelde praktijken".
Art. 6. In artikel IV.41, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de bepaling onder 2░, worden de woorden "een inbreuk op de artikelen IV.1, § 1, IV.2, en IV.10, § 1," vervangen door de woorden "een inbreuk op artikel IV.1, § 1, op artikel IV.2, op artikel IV.2/1 of op artikel IV.10, § 1,";
b) in de bepaling onder 4░, worden de woorden "een inbreuk op artikel IV.1, § 1, op artikel IV.2 of op artikel IV.10, § 1" vervangen door de woorden "een inbreuk op artikel IV.1, § 1, op artikel IV.2, op artikel IV.2/1 of op artikel IV.10, § 1".
Art. 7. In artikel IV.44 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013, worden de woorden "de artikelen IV.1, § 1, en IV.2" vervangen door de woorden "artikel IV.1, § 1, artikel IV.2 of artikel IV.2/1".
Art. 8. In artikel IV.51 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013, worden de woorden "een onderzoek op grond van artikel IV.1 of artikel IV.2" vervangen door de woorden "een onderzoek op grond van artikel IV.1, artikel IV.2 of artikel IV.2/1".
Art. 9. Artikel IV.70 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 3 april 2013 en gewijzigd bij de wet van 6 juni 2017, wordt vervangen als volgt :
"Art. IV.70. § 1. Wanneer het Mededingingscollege een beslissing neemt zoals bedoeld in artikel IV.48, 1░, kan het Mededingingscollege, aan elk van de betrokken ondernemingen en ondernemingsverenigingen, geldboeten opleggen van maximaal 10 % van hun omzet. Bovendien kan het bij dezelfde beslissing, op vraag van de auditeur, wegens niet-naleving van haar beslissing dwangsommen opleggen aan elk van de betrokken ondernemingen en ondernemingsverenigingen, tot beloop van 5 % van de gemiddelde dagelijkse omzet per dag vertraging te rekenen van de dag die zij in de beslissing bepaalt.
Deze geldboeten en dwangsommen kunnen tevens worden opgelegd in geval van toepassing van de artikelen IV.48, 3░ en 4░, en IV.49, § 2, en bij niet-naleving van de beslissingen bedoeld bij artikelen IV.61, § 2, 1░, en IV.62, §§ 6 en 7.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 beloopt de in paragraaf 1 bedoelde geldboete, wanneer de beslissing of de procedure betrekking heeft op misbruik van een positie van economische afhankelijkheid in de zin van artikel IV.2/1, niet meer bedragen dan 2 % van de omzet van de betrokken onderneming of ondernemingsvereniging, en beloopt de in paragraaf 1 bedoelde dwangsom tot 2 % van de gemiddelde dagelijkse omzet per dag vertraging te rekenen vanaf de dag die door het Mededingingscollege wordt bepaald.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na raadpleging van de Belgische Mededingingsautoriteit en de Commissie voor de Mededinging, bedoeld in artikel IV.39, het boeteplafond verhogen.
Om de drie jaar gaat de Belgische Mededingingsautoriteit over tot een toetsing van het boeteplafond ten einde na te gaan of dit toelaat voldoende afschrikwekkende boetes op te leggen.
§ 3. De Belgische Mededingingsautoriteit kan de vergoeding van schade toegebracht door een inbreuk op de mededinging, die werd toegekend ingevolge een minnelijke schikking als een verzachtende omstandigheid in aanmerking nemen, voordat zij haar beslissing neemt om een boete op te leggen.
§ 4. Inbreuken op artikel IV.1, § 4, worden gestraft met een administratieve geldboete van 100 tot 10 000 euro.
§ 5. De boetes en dwangsommen zoals bedoeld in §§ 1 en 2 zijn niet fiscaal aftrekbaar.".
Art. 10. Artikel IV.73, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 3 april 2013, wordt vervangen als volgt :
"Art. 73. § 1. Het Mededingingscollege kan de in artikel IV.70, § 1, bedoelde dwangsom opleggen teneinde de voorlopige maatregelen, die hij overeenkomstig artikel IV.64 heeft getroffen, en de in artikel IV.41, § 2, derde lid, bedoelde beslissing te doen naleven.
In dit laatste geval kan de dwangsom worden opgelegd in de loop van het onderzoek.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 is de in artikel IV.70, § 2, bedoelde dwangsom van toepassing, wanneer de voorlopige maatregelen betrekking hebben op misbruik van een positie van economische afhankelijkheid in de zin van artikel IV.2/1.".
Art. 11. In artikel IV.77, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013 en gewijzigd bij de wet van 6 juni 2017, worden de woorden "de toepassing van de artikelen IV.1 en IV.2" vervangen door de woorden "de toepassing van artikel IV.1, artikel IV.2 en artikel IV.2/1".
Art. 12. In artikel VI.17, § 1, 1░, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, worden de woorden "het artikel VI.105, 1░ " vervangen door de woorden "de artikelen VI.105 tot VI.109".
Art. 13. In boek VI van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, wordt een titel 3/1 ingevoegd, luidende : "Titel 3/1. Overeenkomsten gesloten tussen ondernemingen".
Art. 14. In titel 3/1, ingevoegd bij artikel 13, wordt een artikel VI.91/1 ingevoegd, luidende :
"Art. VI.91/1. § 1. Deze titel is niet van toepassing op financiŰle diensten.
De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, en op advies van de Nationale Bank van BelgiŰ en van de FSMA bepaalde bepalingen van deze titel van toepassing verklaren op financiŰle diensten die Hij bepaalt.
§ 2. Deze titel is niet van toepassing op overheidsopdrachten en op de overeenkomsten die eruit voortvloeien.
De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepaalde bepalingen van deze titel van toepassing verklaren op de overheidsopdrachten en de overeenkomsten die eruit voortvloeien die hij bepaalt.".
Art. 15. In dezelfde titel 3/1 wordt een artikel VI.91/2 ingevoegd, luidende :
"Art. VI.91/2. Indien alle of bepaalde bedingen van de overeenkomst schriftelijk zijn, moeten ze duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld.
Een overeenkomst kan onder meer worden ge´nterpreteerd aan de hand van de marktpraktijken die er rechtstreeks verband mee houden.".
Art. 16. In dezelfde titel 3/1, wordt een artikel VI.91/3 ingevoegd, luidende :
"Art. VI.91/3. § 1. Voor de toepassing van deze titel is elk beding van een overeenkomst gesloten tussen ondernemingen dat, alleen of in samenhang met ÚÚn of meer andere bedingen, een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen, onrechtmatig.
§ 2. Voor de beoordeling van het onrechtmatige karakter van een beding van een overeenkomst worden alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, de algemene economie van de overeenkomst, alle geldende handelsgebruiken, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, op het moment waarop de overeenkomst is gesloten in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de producten waarop de overeenkomst betrekking heeft.
Voor de beoordeling van het onrechtmatige karakter wordt tevens rekening gehouden met het in artikel VI.91/2, eerste lid, bepaalde vereiste van duidelijkheid en begrijpelijkheid van het beding.
De beoordeling van het onrechtmatige karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren producten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.".
Art. 17. In dezelfde titel 3/1 wordt een artikel VI.91/4 ingevoegd, luidende :
"Art. VI.91/4. Zijn onrechtmatig, de bedingen die ertoe strekken :
1░ te voorzien in een onherroepelijke verbintenis van de andere partij terwijl de uitvoering van de prestaties van de onderneming onderworpen is aan een voorwaarde waarvan de verwezenlijking uitsluitend afhankelijk is van haar wil;
2░ de onderneming het eenzijdige recht te geven om een of ander beding van de overeenkomst te interpreteren;
3░ in geval van betwisting, de andere partij te doen afzien van elk middel van verhaal tegen de onderneming;
4░ op onweerlegbare wijze de kennisname of de aanvaarding van de andere partij vast te stellen met bedingen waarvan deze niet daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen vˇˇr het sluiten van de overeenkomst.".
Art. 18. In dezelfde titel 3/1 wordt een artikel VI.91/5 ingevoegd, luidende :
"Art. VI.91/5. Worden behoudens bewijs van het tegendeel vermoed onrechtmatig te zijn de bedingen die ertoe strekken :
1░ de onderneming het recht te verlenen om zonder geldige reden de prijs, de kenmerken of de voorwaarden van de overeenkomst eenzijdig te wijzigen;
2░ een overeenkomst van bepaalde duur stilzwijgend te verlengen of te vernieuwen, zonder opgave van een redelijke opzegtermijn;
3░ zonder tegenprestatie het economische risico op een partij leggen indien die normaliter op de andere onderneming of op een andere partij bij de overeenkomst rust;
4░ op ongepaste wijze de wettelijke rechten van een partij uit te sluiten of te beperken in geval van volledige of gedeelde wanprestatie of gebrekkige uitvoering door de andere onderneming van een van haar contractuele verplichtingen;
5░ onverminderd artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, de partijen te verbinden zonder opgave van een redelijke opzegtermijn;
6░ de onderneming te ontslaan van haar aansprakelijkheid voor haar opzet, haar zware fout of voor die van haar aangestelden of, behoudens overmacht, voor het niet-uitvoeren van de essentiŰle verbintenissen die het voorwerp van de overeenkomst uitmaken;
7░ de bewijsmiddelen waarop de andere partij een beroep kan doen te beperken;
8░ in geval van niet-uitvoering of vertraging in de uitvoering van de verbintenissen van de andere partij, schadevergoedingsbedragen vast te stellen die kennelijk niet evenredig zijn aan het nadeel dat door de onderneming kan worden geleden.".
Art. 19. In dezelfde titel 3/1 wordt een artikel VI.91/6 ingevoegd, luidende :
"Art. VI.91/6. Elk onrechtmatig beding is verboden en nietig. De overeenkomst blijft bindend voor de partijen indien ze zonder de onrechtmatige bedingen kan blijven voortbestaan.".
Art. 20. In dezelfde titel 3/1, wordt een artikel VI.91/7 ingevoegd, luidende :
"Art. VI.91/7. Teneinde het evenwicht van de rechten en de plichten tussen partijen te verzekeren bij de verkoop van producten of teneinde de eerlijkheid bij transacties tussen ondernemingen te verzekeren, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op de gemeenschappelijke voordracht van de ministers bevoegd voor Economie en Middenstand, voor de sectoren van de professionele activiteit of voor de categorieŰn van producten die hij aanwijst, de artikelen VI.91/4 en VI.91/5 aanvullen.
Alvorens een besluit ter uitvoering van het eerste lid voor te stellen, raadplegen de ministers de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de K.M.O. en de bijzondere raadgevende commissie "Onrechtmatige bedingen", bedoeld in artikel VI.86, en bepalen de redelijke termijn waarbinnen het advies moet worden gegeven. Eenmaal deze termijn is verstreken, is het advies niet meer vereist.
De Ministers die Economie en Middenstand tot hun bevoegdheid hebben stellen om de vier jaar een verslag over de toepassing van het eerste lid voor aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.".
Art. 21. In dezelfde titel 3/1, wordt een artikel VI.91/8 ingevoegd, luidende :
"Art.VI/91/8. § 1. In voorkomend geval kan op de bijzondere raadgevende commissie "Onrechtmatige bedingen" een beroep worden gedaan door de minister of de minister bevoegd voor Middenstand, wanneer deze het bestaan van een onevenwicht tussen de rechten en plichten van de partijen in de contractvoorwaarden van sommige beroepsactiviteitsectoren vaststellen.
De interprofessionele en bedrijfsgroeperingen kunnen de bijzondere raadgevende commissie "Onrechtmatige bedingen" om advies verzoeken over modelovereenkomsten gesloten in hun beroepsactiviteitsectoren.
In de gevallen bedoeld in de vorige leden, zal de bijzondere raadgevende commissie "Onrechtmatige bedingen" kennis nemen van de bedingen en voorwaarden die gebruikt worden in modelovereenkomsten van bepaalde beroepsactiviteitsectoren.
§ 2. De bijzondere raadgevende commissie "Onrechtmatige bedingen" maakt geen vertrouwelijke of bedrijfsgevoelige bedingen of voorwaarden bekend in hun beroepsactiviteitsectoren.".
Art. 22. In dezelfde titel 3/1, wordt een artikel VI.91/9 ingevoegd, luidende :
"Art. VI.91/9. § 1. De bijzondere raadgevende commissie Onrechtmatige bedingen doet de volgende aanbevelingen :
1░ de wijziging van de artikelen VI.91/4 en VI.91/5;
2░ de formulering of interpretatie van bedingen of voorwaarden die gebruikt worden in modelovereenkomsten van bepaalde beroepsactiviteitsectoren.
§ 2. In het raam van haar bevoegdheden kan de bijzondere raadgevende commissie Onrechtmatige bedingen aan de ministers wijzigingen in de reglementaire besluiten voorstellen die haar wenselijk lijken.
§ 3. De bijzondere raadgevende commissie Onrechtmatige bedingen stelt jaarlijks een verslag op over haar werkzaamheden en maakt dit verslag bekend. Dat verslag omvat onder meer de volledige tekst van de aanbevelingen en voorstellen die zij in de loop van het jaar gedaan heeft.".
Art. 23. In dezelfde titel 3/1, wordt een artikel VI.91/10 ingevoegd, luidende :
"Art. VI.91/10. Om de vier jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van de betrokken bepalingen evalueert de FOD Economie de toepassing van de bepalingen van artikelen VI.91/2 tot VI.91/6, en in voorkomend geval de besluiten genomen in uitvoering van de artikelen VI.91/1 en VI.91/7.".
Art. 24. In boek VI, titel 4, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, wordt het opschrift van hoofdstuk 2 vervangen als volgt : "Hoofdstuk 2. Oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen".
Art. 25. In hoofdstuk 2 gewijzigd bij artikel 24, wordt een artikel VI.103/1 ingevoegd, luidende :
"Art. VI.103/1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk dient onder "besluit over een transactie" begrepen te worden : elk besluit van een onderneming over de vraag of, en desgevallend onder welke voorwaarden zij een overeenkomst sluit, verderzet of ervan afziet, geheel of gedeeltelijk betaalt, of een contractueel recht uitoefent in verband met een product, ongeacht of deze al dan niet tot handelen overgaat.".
Art. 26. In hetzelfde hoofdstuk 2, wordt een afdeling 1, die de artikelen VI.104 en VI.104/1 omvat, ingevoegd, luidende : "Afdeling 1. Oneerlijke marktpraktijken".
Art. 27. In afdeling 1, ingevoegd door artikel 26, wordt een artikel VI.104/1 ingevoegd, luidende :
"Art. VI.104/1. Zijn in het bijzonder oneerlijk in de zin van artikel VI.104, de marktpraktijken van ondernemingen jegens andere ondernemingen die :
1░ misleidend zijn in de zin van artikelen VI.105 tot VI.109;
2░ agressief zijn in de zin van de artikelen VI.109/1 tot VI.109/3;
3░ een daad in de hand werkt die als een overtreding van dit boek of als een inbreuk met toepassing van de artikelen XV.83 tot 86 en XV.126 moet worden beschouwd.".
Art. 28. In hetzelfde hoofdstuk 2, wordt een afdeling 2 ingevoegd die de artikelen VI.105, VI.105/1, VI.106 tot VI.109 omvat, luidende : "Afdeling 2. Misleidende marktpraktijken".
Art. 29. Artikel VI.105 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, wordt vervangen als volgt :
"Art. VI.105. Als misleidend wordt beschouwd een marktpraktijk die gepaard gaat met onjuiste informatie en derhalve op onwaarheden berust of, zelfs als de informatie feitelijk correct is, een onderneming op enigerlei wijze, inclusief door de algemene presentatie, bedriegt of kan bedriegen ten aanzien van een of meer van de volgende elementen, en haar er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat zij anders niet had genomen :
1░ het bestaan of de aard van het product;
2░ de voornaamste kenmerken van het product, zoals beschikbaarheid, voordelen, risico's, uitvoering, samenstelling, accessoires, klantenservice en klachtenbehandeling, procÚdÚ en datum van fabricage of verrichting, levering, geschiktheid voor het gebruik, gebruiksmogelijkheden, hoeveelheid, specificatie, geografische of commerciŰle oorsprong, van het gebruik te verwachten resultaten, of de resultaten en wezenlijke kenmerken van op het product verrichte tests of controles;
3░ de reikwijdte van de verplichtingen van de onderneming, de motieven voor de marktpraktijk en de aard van het verkoopproces, elke verklaring of symbool dat doet geloven dat de onderneming of het product sponsoring of directe of indirecte steun krijgt;
4░ de prijs of de wijze waarop de prijs wordt berekend, of het bestaan van een specifiek prijsvoordeel;
5░ de noodzaak van een dienst, onderdeel, vervanging of reparatie;
6░ de hoedanigheid, kenmerken en rechten van de onderneming of haar tussenpersoon, zoals haar identiteit, vermogen, kwalificaties, status, erkenning, affiliatie, connecties, industriŰle, commerciŰle of intellectuele eigendomsrechten of haar bekroningen en onderscheidingen;
7░ de rechten van de andere onderneming, of de risico's die zij eventueel loopt;
8░ marketing van een product, onder andere door vergelijkende reclame, op zodanige wijze dat verwarring wordt geschapen met andere producten, handelsmerken, handelsnamen en andere onderscheidende kenmerken van een concurrent;
9░ de niet-nakoming door de onderneming van verplichtingen die opgenomen zijn in een sectorale gedragscode waaraan zij zich heeft gebonden, voor zover het niet gaat om een intentieverklaring maar om een verplichting die verifieerbaar is;
10░ het mededelen van afbrekende gegevens over een andere onderneming, haar goederen, diensten of activiteit.".
Art. 30. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 28, wordt een artikel VI.105/1 ingevoegd, luidende :
"Art. VI.105/1. Als misleidende omissie wordt beschouwd een marktpraktijk die in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden en de beperkingen van het communicatiemedium in aanmerking genomen, essentiŰle informatie welke de andere onderneming, naargelang de context, nodig heeft om een ge´nformeerd besluit over een transactie te nemen, weglaat en haar er toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat zij anders niet had genomen.
Als misleidende omissie wordt voorts beschouwd een marktpraktijk waarbij een onderneming essentiŰle informatie als bedoeld in het eerste lid, rekening houdend met de in die paragraaf geschetste details, verborgen houdt, op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze dan wel laattijdig verstrekt, of het oogmerk, indien dit niet reeds duidelijk uit de context blijkt, niet laat blijken, en de andere onderneming er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat zij anders niet had genomen.
Indien het voor de marktpraktijk gebruikte medium beperkingen qua ruimte of tijd meebrengt, wordt bij de beoordeling of er informatie werd weggelaten met deze beperkingen rekening gehouden, alsook met maatregelen die de onderneming genomen heeft om de informatie langs andere wegen ter beschikking te stellen.".
Art. 31. In artikel VI.108 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1░ het derde lid wordt opgeheven;
2░ het artikel wordt vernummerd tot artikel VI.109/3.
Art. 32. In hetzelfde hoofdstuk 2 wordt een afdeling 3 ingevoegd die de artikelen VI.109/1, VI.109/2 en VI.109/3 omvat, luidende : "Afdeling 3. Agressieve marktpraktijken".
Art. 33. In afdeling 3, ingevoegd door artikel 32, wordt een artikel VI.109/1 ingevoegd, luidende :
"Art. VI.109/1. Als agressief wordt beschouwd een marktpraktijk die, in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden in aanmerking genomen, door intimidatie, dwang, inclusief het gebruik van lichamelijk geweld, of ongepaste be´nvloeding, de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de onderneming met betrekking tot het product aanzienlijk beperkt of kan beperken, waardoor zij ertoe wordt gebracht of kan worden gebracht over een transactie een besluit te nemen dat zij anders niet had genomen.
Voor de toepassing van deze afdeling dient onder ongepaste be´nvloeding te worden verstaan : het uitbuiten door een onderneming van een machtspositie ten aanzien van de andere onderneming om, zelfs zonder gebruik van of dreiging met fysiek geweld, druk uit te oefenen op een wijze die haar vermogen om een ge´nformeerd besluit te nemen, aanzienlijk beperkt.".
Art. 34. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel VI.109/2 ingevoegd, luidende :
"Art. VI.109/2. Om te bepalen of er bij een marktpraktijk gebruik wordt gemaakt van intimidatie, dwang, inclusief lichamelijk geweld, of ongepaste be´nvloeding, wordt rekening gehouden met :
1░ het tijdstip, de plaats, de aard en de persistentie van de marktpraktijk;
2░ het gebruik van dreigende of grove taal of gedragingen;
3░ het bewust uitbuiten door de onderneming van bepaalde tegenslagen of omstandigheden die zo ernstig zijn dat zij het beoordelingsvermogen van de onderneming kunnen beperken, met het oogmerk haar besluit met betrekking tot het product te be´nvloeden;
4░ door de onderneming opgelegde, kosten meebrengende of bovenmatige niet-contractuele belemmeringen ten aanzien van rechten die de andere onderneming uit hoofde van het contract wil uitoefenen, waaronder het recht om het contract te beŰindigen of een ander product of een andere onderneming te kiezen;
5░ het dreigen met maatregelen die wettelijk niet kunnen worden genomen;
6░ de contractuele positie van een onderneming ten aanzien van de andere onderneming .".
Art. 35. In artikel XV.83, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) een bepaling onder 13░ /1 wordt ingevoegd, luidende : "13░ /1 van artikel VI.104/1, 1░ en 2░, betreffende oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen;";
b) de bepaling onder 15░ wordt vervangen als volgt : "15░ van artikel VI.109/3 betreffende afgedwongen aankopen;".
Art. 36. In artikel XVII.7, eerste lid, 2░, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de woorden "directeur-generaal van de algemene directie Controle en Bemiddeling" worden vervangen door de woorden "directeur-generaal van de algemene directie Economische Inspectie";
b) een bepaling onder 2░ /1 wordt ingevoegd, luidende : "de Ministers die Economie en Middenstand tot hun bevoegdheid hebben gezamenlijk, indien de vordering betrekking heeft op een daad als bedoeld in de artikelen VI.91/2 tot VI.91/6░ ;";
c) een bepaling onder 2░ /2 wordt ingevoegd, luidende : "de Ministers die Economie en Middenstand tot hun bevoegdheid hebben gezamenlijk, indien de vordering betrekking heeft op een daad als bedoeld in artikel VI.104/1, 1░ en 2░ ;".
Art. 37. In artikel XVII.12 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013, worden de woorden "artikel VI.84" vervangen door de woorden "de artikelen VI.84 en VI.91/6".
Art. 38. Onverminderd hetgeen bepaald in het derde lid van artikel 20 dat een artikel VI.91/7 invoegt in het Wetboek van economisch recht, en in de paragraaf 3 van artikel 22 dat een artikel 91/9, invoegt in hetzelfde Wetboek, wordt deze wet twee jaar na de inwerkingtreding als bedoeld in artikel 39, derde lid, een eerste keer geŰvalueerd. De koning maakt hiertoe een verslag over aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
Art. 39. De artikelen 24 tot 35 en 36, a) en c), treden in werking op de eerste dag van de vierde maand die volgt op deze waarin deze wet wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De artikelen 1 tot 11 treden in werking op de eerste dag van de dertiende maand die volgt op deze waarin deze wet wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De artikelen 12 tot 23, 36, b), en 37 treden in werking op de eerste dag van de negentiende maand die volgt op deze waarin deze wet wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad voor de overeenkomsten gesloten, hernieuwd of gewijzigd na deze datum. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op de overeenkomsten die lopen op die datum.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 4 april 2019.
FILIP
Van Koningswege :
De minister van Economie,
K. PEETERS
De Minister van Middenstand, Zelfstandigen en K.M.O.'s,
D. DUCARME
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
_______
Nota
(1) Kamer van volksvertegenwoordigers :
(www.dekamer.be)
Stukken : 54-1451 (2015/2016)
Integraal Verslag : 14 maart 2019.


begin

Publicatie : 2019-05-24