J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2019/03/23/2019011569/justel

Titel
23 MAART 2019. - Wet betreffende de organisatie van de penitentiaire diensten en van het statuut van het penitentiair personeel

Bron :
JUSTITIE
Publicatie : 11-04-2019 nummer :   2019011569 bladzijde : 37092       PDF :   originele versie    
Dossiernummer : 2019-03-23/12
Inwerkingtreding : onbepaald

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - Algemene bepalingen
Art. 1-3
TITEL II. - Fundamentele principes
HOOFDSTUK 1. - Opdrachten van de penitentiaire administratie
Art. 4
HOOFDSTUK 2. - De penitentiaire beleidsraad
Art. 5-8
HOOFDSTUK 3. - Inspectie
Art. 9-10
HOOFDSTUK 4. - De penitentiaire opleidingsdienst
Art. 11
TITEL III. - Organisatie
HOOFDSTUK 1. - Organisatie van de penitentiaire administratie
Art. 12-13
HOOFDSTUK 2. - Personeel
Afdeling 1. - Gedragsregels
Art. 14
Afdeling 2. - De continuïteit van de penitentiaire dienstverlening tijdens een staking
Art. 15-20
TITEL IV. - Basisprincipes betreffende het statuut van het penitentiair personeel
HOOFDSTUK 1. - Basisprincipes betreffende de toekenning van een betrekking
Art. 21-25
HOOFDSTUK 2. - Basisprincipes betreffende de verloven en afwezigheden
Art. 26
HOOFDSTUK 3. - Basisprincipes betreffende de toelagen
Art. 27
HOOFDSTUK 4. - Basisprincipes betreffende de evaluatie van de personeelsleden
Art. 28
HOOFDSTUK 5. - Basisprincipes betreffende het recht op wedde en de gewaarborgde bezoldiging
Art. 29-30
HOOFDSTUK 6. - Basisprincipes betreffende het tuchtregime
Art. 31
HOOFDSTUK 7. - Orde- en veiligheidsmaatregelen
Art. 32-33
HOOFDSTUK 8. - Ambtshalve ontslag en beëindiging van de arbeidsovereenkomst
Art. 34
HOOFDSTUK 9. - Gezondheidszorgen
Art. 35
TITEL V. - Opheffingsbepaling en inwerkingtreding
Art. 36-37

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - Algemene bepalingen

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  Art. 2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
  1° minister: de minister van Justitie;
  2° penitentiaire administratie: het openbaar bestuur belast met de uitvoering van veroordelingen tot vrijheidsstraffen en van vrijheidsbenemende maatregelen waarvan de bevoegde overheid de uitvoering heeft gevorderd;
  3° FOD Justitie: de Federale Overheidsdienst Justitie;
  4° Voorzitter van het Directiecomité: de Voorzitter van het Directiecomité van de FOD Justitie
  5° directeur-generaal: de leidend ambtenaar van de penitentiaire administratie;
  6° inrichtingshoofd: de als dusdanig door de minister aangestelde directeur die belast is met het bestuur van een of meerdere gevangenissen;
  7° gevangenis: een door de Koning aangewezen inrichting bestemd voor de tenuitvoerlegging van veroordelingen tot een vrijheidsstraf en van vrijheidsbenemende maatregelen;
  8° personeelslid: elke werknemer tewerkgesteld door de FOD Justitie in de penitentiaire administratie;
  9° ambtenaar: elk personeelslid van de FOD Justitie in de penitentiaire administratie van wie de arbeidsrelatie met de overheid eenzijdig door deze overheid wordt bepaald;
  10° stagiair: de ambtenaar bij de FOD Justitie in de penitentiaire administratie die een stage vervult, niet vast benoemd is en de eed niet heeft afgelegd in deze functie;
  11° contractueel: elk personeelslid tewerkgesteld met een arbeidsovereenkomst bij de FOD Justitie in de penitentiaire administratie;
  12° Algemene Verordening Gegevensbescherming: de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van de Richtlijn 95/46/EG.

  Art. 3. Onverminderd de algemene bepalingen van toepassing op de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, zijn de bijkomende bepalingen en nadere regels bedoeld in deze wet van toepassing op de personeelsleden van de penitentiaire administratie.

  TITEL II. - Fundamentele principes

  HOOFDSTUK 1. - Opdrachten van de penitentiaire administratie

  Art. 4. § 1. De penitentiaire administratie heeft tot opdracht de uitvoering van de vrijheidsberovende straffen en maatregelen te waarborgen, met respect voor de van kracht zijnde wetten en reglementeringen.
  In die context waarborgt en bevordert zij, ongeacht de omstandigheden, de effectieve uitoefening van de rechten van de gedetineerden en van haar personeelsleden.
  § 2. De diensten die door de personeelsleden van de penitentiaire administratie in de gevangenissen geleverd worden, worden beschouwd als essentiële diensten in de zin van de bepalingen van "La Liberté syndicale. Compilation des décisions du Comité de la liberté syndicale" van het Internationaal Arbeidsbureau van 2018 en meer bepaald de bepalingen n° 830 en n° 836.
  § 3. In het kader van de opdrachten bedoeld in paragraaf 1, en slechts voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van die opdrachten, kan de penitentiaire administratie de categorieën van persoonsgegevens vermeld in de artikelen 9, § 1, en 10 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming verwerken.
  De penitentiaire administratie stelt een lijst op van de categorieën van personen die de persoonsgegevens bedoeld in het eerste lid kunnen raadplegen, met een beschrijving van hun hoedanigheid ten opzichte van de verwerking van de beoogde gegevens. Deze lijst wordt ter beschikking gehouden van de bevoegde toezichthoudende autoriteit.
  De penitentiaire administratie zorgt dat de aangewezen personen door een wettelijke of statutaire verplichting, of door een evenwaardige contractuele bepaling, ertoe gehouden zijn het vertrouwelijke karakter van de betrokken gegevens in acht te nemen.

  HOOFDSTUK 2. - De penitentiaire beleidsraad

  Art. 5. § 1. De minister installeert binnen drie maanden na zijn benoeming, een penitentiaire beleidsraad.
  De penitentiaire beleidsraad verleent, uit eigen beweging of op verzoek van de minister of de Voorzitter van het Directiecomité, adviezen met betrekking tot het penitentiair beleid.
  Hij formuleert tevens elke aanbeveling die hij nuttig acht wat betreft zowel lopende als toekomstige wetgevingen aangaande het penitentiair beleid. De minister kan de penitentiaire beleidsraad om advies verzoeken aangaande voorontwerpen van wet met betrekking tot het penitentiair beleid.
  De adviezen en aanbevelingen worden bij consensus aangenomen.
  De penitentiaire beleidsraad kan op elk moment personen raadplegen van wie hij het nuttig acht hen te horen in het kader van zijn opdrachten.
  De penitentiaire beleidsraad stelt zijn huishoudelijk reglement op.
  § 2. De penitentiaire beleidsraad is als volgt samengesteld:
  1° de regionaal directeurs van de penitentiaire administratie of hun afgevaardigde;
  2° een personeelslid van de FOD Justitie, aangeduid door de Voorzitter van het Directiecomité;
  3° een magistraat van het parket, per taalrol, waarvan minstens één behoort tot de strafuitvoeringsrechtbank, aangeduid door de minister op basis van een lijst van telkens drie magistraten voorgesteld door het College van het openbaar ministerie;
  4° een zetelende rechter per taalrol, waarvan minstens één behoort tot de strafuitvoeringsrechtbank, aangeduid door de minister op basis van een lijst van telkens drie rechters voorgesteld door het College van de hoven en rechtbanken;
  5° een advocaat per taalrol, aangeduid door de minister op basis van telkens een lijst van drie advocaten voorgesteld door de Orde van Vlaamse Balies en een lijst van drie advocaten voorgesteld door de Ordre des Barreaux francophones et germanophones;
  6° een vertegenwoordiger per taalrol van de academische wereld, aangeduid door de minister op basis van telkens een lijst van drie kandidaten voorgesteld door de Raad van rectoren van de Franstalige universiteiten en een lijst van drie kandidaten voorgesteld door de Vlaamse Interuniversitaire Raad;
  7° de Directeur-generaal van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie of zijn afgevaardigde en
  8° een vertegenwoordiger per gefedereerde entiteit bevoegd inzake de hulp- en dienstverlening aan de gedetineerden; de betrokken vertegenwoordigers worden aangewezen middels een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, genomen na akkoord van de bevoegde regeringen.
  Een vertegenwoordiger van de minister woont als waarnemer de vergaderingen van de penitentiaire beleidsraad bij.
  De Koning bepaalt de wijze waarop de oproep aan de kandidaten plaats vindt.

  Art. 6. De leden van de penitentiaire beleidsraad hebben toegang tot elk document met betrekking tot het penitentiair beleid, met uitzondering van individuele dossiers, en dit slechts voor zover dat strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van hun opdrachten en het detentiebeheer.

  Art. 7. De directeur-generaal duidt de personeelsleden aan die de penitentiaire beleidsraad zullen bijstaan bij de uitvoering van haar opdrachten.

  Art. 8. De Koning bepaalt de regels met betrekking tot de vergoedingen en de onkosten die van toepassing zijn op de leden van de penitentiaire beleidsraad.

  HOOFDSTUK 3. - Inspectie

  Art. 9. § 1. De minister duidt binnen de administratie, op voordracht van de Voorzitter van het Directiecomité, een personeelslid van de Nederlandse taalrol en een personeelslid van de Franse taalrol aan die belast zijn met de inspectie van de uitvoering van de opdrachten van de penitentiaire administratie.
  Voor de duur van hun opdracht vallen deze personeelsleden onder het gezag van de Voorzitter van het Directiecomité.
  § 2. Deze inspectie heeft betrekking op:
  1° het toezicht op het beheer van de klachten die aan de penitentiaire administratie gericht worden en waartoe zij de nodige instrumenten ontwikkelt;
  2° de controle van de implementatie van rechtspositionele regelingen voor de gedetineerden en het personeel;
  3° de significante indicatoren betreffende de effectiviteit van de rechten van de gedetineerden en de ontwikkelde acties met het oog op het bevorderen van de uitoefening van deze rechten;
  4° de naleving van de deontologische bepalingen door elke persoon die een functie uitoefent in het gevangenismilieu;
  5° de opvolging van het tuchtbeleid in de gevangenissen.
  De opvolging bedoeld in het eerste lid, 5°, houdt een inzagerecht in de tuchtdossiers voor de ambtenaren in.
  De inspectie heeft geen betrekking op de afhandeling van individuele klachten van gedetineerden, personeelsleden of derden.
  § 3. In het kader van de uitvoering van hun opdrachten, hebben de personeelsleden belast met de inspectie vrije toegang tot de gevangenissen en tot elk document met betrekking tot de penitentiaire administratie, met inbegrip van de beelden van de bestaande camera's, en hebben zij het recht zich vrij en zonder getuigen te onderhouden met de gedetineerden, de personeelsleden en derden die zij wensen te ontmoeten. Deze personen hebben het recht dit onderhoud te weigeren. Indien zij ingaan op de vraag voor een onderhoud dan kunnen ze zich laten bijstaan door een vertrouwenspersoon van hun keuze.
  Wanneer de personeelsleden belast met de inspectie, in het kader van de uitoefening van hun opdrachten, personen horen die gebonden zijn aan het beroepsgeheim, worden deze personen ontlast van de verplichting tot geheimhouding.
  Bij de uitoefening van hun bevoegdheden zorgen de personeelsleden belast met de inspectie er voor dat de middelen die zij aanwenden passend en noodzakelijk zijn voor het toezicht op de uitvoering van de opdrachten van de penitentiaire administratie zoals bepaald in artikel 9, § 2.
  De personeelsleden belast met de inspectie zijn ertoe gehouden de geldende veiligheidsregels na te leven.
  § 4. Het personeelslid belast met de inspectie verzendt, binnen twee weken te rekenen van de ontvangst ervan, de klachten omtrent het klachtenbeheer met betrekking tot de gevangenissen die onder zijn bevoegdheid vallen en waarvan de afhandeling niet kan worden uitgesteld aan de Voorzitter van het Directiecomité.
  De Voorzitter van het Directiecomité geeft gevolg aan deze klacht binnen de maand volgend op de ontvangst ervan.
  Het personeelslid belast met de inspectie verzekert de opvolging van de klachten.
  Wanneer de personeelsleden belast met de inspectie, tijdens de uitvoering van hun opdrachten bedoeld in paragraaf 2, problemen opmerken welke vereisen dat er gereageerd wordt, nemen zij contact op met de bevoegde organen. Deze geven hieraan gevolg uiterlijk binnen de maand volgend op de ontvangst van de klacht of binnen de reglementair bepaalde termijn als deze anders is vastgelegd.
  § 5. De uitoefening van de inspectieopdrachten door de personeelsleden belast met de inspectie is voorwerp van een gezamenlijk jaarlijks verslag, gericht aan de minister en de Voorzitter van het Directiecomité. Dit verslag wordt tevens bezorgd aan de penitentiaire beleidsraad.

  Art. 10. § 1. De personeelsleden belast met de inspectie worden aangeduid door de minister voor een periode van vier jaar, eenmaal verlengbaar.
  De Koning bepaalt de nadere regels van de oproep aan de kandidaten voor de functie van personeelslid belast met de inspectie alsook de voorwaarden voor hun aanstelling.
  § 2. De Voorzitter van het Directiecomité duidt de personeelsleden aan die belast zijn met de administratieve ondersteuning van de personeelsleden belast met de inspectie.

  HOOFDSTUK 4. - De penitentiaire opleidingsdienst

  Art. 11. De opleiding van de personeelsleden van de penitentiaire administratie wordt verstrekt door de penitentiaire opleidingsdienst wat betreft:
  1° de basisopleiding;
  2° de voortgezette beroepsopleidingen;
  3° de specifieke opleidingen in het kader van de loopbaanontwikkeling van de penitentiaire personeelsleden;
  4° de functionele opleidingen en
  5° elke andere opleiding die door de penitentiaire administratie nuttig wordt geacht.
  De door de penitentiaire opleidingsdienst verstrekte opleidingen hebben minstens betrekking op:
  1° de wettelijke en reglementaire bepalingen die van toepassing zijn binnen de Belgische rechtsorde;
  2° het aanwenden van penitentiaire technieken;
  3° het toepassen van richtlijnen en uitvoeringsregels;
  4° het zich eigen maken van adequate gedragswetenschappelijke en relationele eigenschappen.
  De Koning bepaalt de organisatie en de wijze van functioneren van de penitentiaire opleidingsdienst alsook van de samenstelling en werking van de jury die bij deze dienst wordt aangesteld met het oog op het beoordelen van de competenties van de kandidaten die deelnemen aan de opleidingen bedoeld in het eerste lid, 1° en 3° en bedoeld in deze wet.

  TITEL III. - Organisatie

  HOOFDSTUK 1. - Organisatie van de penitentiaire administratie

  Art. 12. De directeur-generaal staat in voor de uitvoering van de opdrachten van de penitentiaire administratie als bedoeld in artikel 4.
  De directeur-generaal oefent zijn gezag uit over alle personeelsleden van de penitentiaire administratie.

  Art. 13. § 1. De penitentiaire administratie is samengesteld uit drie entiteiten:
  1° de diensten die de directeur-generaal bijstaan bij de uitvoering van zijn bevoegdheden bij de ontwikkeling en de opvolging van het penitentiaire beleid;
  2° de diensten van de regionale directie die de regionaal directeur bijstaan bij de uitvoering van zijn opdrachten, met name de coördinatie van de initiatieven die genomen worden in de gevangenissen die zich in zijn geografisch bevoegdheidsgebied bevinden teneinde de eenheid in het gevoerde beleid te bewaken;
  3° de gevangenissen die elk onder het gezag vallen van een inrichtingshoofd dat belast is met het dagelijks beheer van de gevangenis, met respect voor de opdrachten van de penitentiaire administratie bedoeld in artikel 4.
  De regionaal directeur bedoeld in het eerste lid, 2°, waakt over de uniforme en correcte toepassing van de reglementeringen door de gevangenissen binnen zijn ressort en voert een toezicht uit op deze diensten.
  § 2. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de functies, de graden en de klassen van de personeelsleden van de penitentiaire administratie binnen de volgende domeinen:
  1° directiefuncties;
  2° administratieve opdrachten;
  3° medische, paramedische en verpleegkundige verzorging;
  4° psychosociale begeleiding en adviesverlening;
  5° bewaking en beveiliging van de gebouwen en personen;
  6° toezicht en begeleiding van de gedetineerden;
  7° logistiek en technisch beheer.
  Het personeelsplan van de penitentiaire administratie bevat, naast de functies, graden en klassen opgenomen in het eerste lid, tevens de functies en het aantal personeelsleden dat door de penitentiaire administratie ter beschikking wordt gesteld van de Regie der Gevangenisarbeid als bedoeld in de programmawet van 30 december 2001 en meer in het bijzonder in artikel 141 alsook in het artikel 31, eerste lid, van het koninklijk besluit van 28 september 2004 houdende organisatie van het administratief en financieel beheer van de Regie van de gevangenisarbeid als staatsdienst met afzonderlijk beheer.

  HOOFDSTUK 2. - Personeel

  Afdeling 1. - Gedragsregels

  Art. 14. Onverminderd de gedragsregels die in het algemeen van toepassing zijn in de relatie tussen het personeel van de Federale Overheidsdienst en de burger, leven de personeelsleden van de penitentiaire administratie te allen tijde de volgende specifieke gedragsregels na:
  1° het naleven van de deontologische code zoals vastgesteld door de minister,
  2° te allen tijde handelen met eerbied voor de regels inzake integriteit; het personeelslid mag, in zijn relatie, direct of indirect, met de gedetineerden en derden die in relatie staan tot de gedetineerden, geen enkele gift, beloning of geschenk, in gelijk welke vorm, eisen, vragen of aanvaarden;
  3° te allen tijde de discretie te bewaren over de gegevens van derden die zij in de uitoefening van hun opdrachten vernemen, behalve in de gevallen door de wet bepaald;
  4° het uniform en de kentekens dragen die eigen zijn aan zijn functie; de Koning bepaalt, voor elke categorie van het personeel dat geacht wordt het uniform te dragen, de samenstelling van het uniform en de kentekens eigen aan de functie;
  5° de middelen ter identificatie dragen zoals door de Koning bepaald.
  Elk personeelslid ontvangt een exemplaar van de deontologische code bedoeld in het eerste lid, 1°, tegen ontvangstbewijs.

  Afdeling 2. - De continuïteit van de penitentiaire dienstverlening tijdens een staking

  Art. 15. In geval van een sociaal conflict binnen de penitentiaire diensten, wordt onverwijld het sociaal overleg opgestart binnen de bevoegde overlegcomités zoals opgericht binnen de FOD Justitie.
  De nadere regels van dit overleg, met inbegrip van deze van toepassing in geval van een stakingsaanzegging, worden bepaald bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Deze nadere regels bepalen minstens de volgende aspecten:
  1° de wijze waarop melding wordt gemaakt van een conflict dat aan het sociaal overleg zal worden voorgelegd;
  2° de termijn waarbinnen het conflict wordt geagendeerd en de mogelijke verlenging van de besprekingen;
  3° de wijze waarop de overeenkomst na het overleg vastgelegd wordt;
  4° de wijze waarop de afhandeling van het akkoord wordt opgevolgd en de wijze waarop het conflict definitief wordt afgesloten;
  5° dat, behoudens in het geval een stakingsaanzegging wordt neergelegd op interprofessioneel niveau, een termijn van tien dagen in acht wordt genomen tussen de aanzegging en de aanvang van de staking.

  Art. 16. § 1. In geval van staking neemt het inrichtingshoofd onmiddellijk de nodige maatregelen teneinde de dienst te waarborgen overeenkomstig het plan bedoeld in artikel 19.
  Hij stelt een lijst op van de personeelsleden die hun intentie bevestigd hebben niet aan de staking te zullen deelnemen. Hiertoe, of tenzij er een behoorlijk bewezen geldige reden is, delen de personeelsleden uiterlijk tweeënzeventig uur vóór het begin van de eerste stakingsdag, en voor elke stakingsdag waarop hun aanwezigheid voorzien is, aan het inrichtingshoofd hun definitieve intentie mee of ze al dan niet aan de stakingsdag deelnemen. Onder stakingsdag wordt verstaan elke periode van vierentwintig uur, te rekenen vanaf het uur van het begin van de staking zoals vermeld wordt in de stakingsaanzegging.
  In geval van staking met een duur van meer dan één dag waarop dezelfde aanzegging betrekking heeft, delen de personeelsleden, uiterlijk tweeënzeventig uur vóór de eerste stakingsdag waarop hun aanwezigheid voorzien is, aan het inrichtingshoofd hun definitieve intentie mee of ze al dan niet aan de staking deelnemen en dit voor elke stakingsdag waarop hun aanwezigheid voorzien is. Zij kunnen hun verklaring tot uiterlijk achtenveertig uur vóór elke stakingsdag wijzigen met uitzondering van de eerste dag, als ze tijdens die stakingsdag wensen te werken en tot uiterlijk tweeënzeventig uur vóór elke stakingsdag met uitzondering van de eerste dag, als ze tijdens die stakingsdag wensen te staken.
  Het inrichtingshoofd houdt de intentieverklaringen bij en behandelt deze op vertrouwelijke wijze, met als enig doel de dienst te organiseren op basis van de beschikbare personeelsleden op de stakingsdag. Na het beëindigen van het sociaal conflict worden deze gegevens vernietigd.
  De personeelsleden die hun intentie om al dan niet aan de stakingsdag deel te nemen niet binnen de voormelde termijnen kenbaar maken, worden geacht niet aan de staking te zullen deelnemen.
  § 2. Ingeval de staking meer dan twee dagen duurt en de lijst van de personeelsleden die niet aan de staking zullen deelnemen de behoeften zoals voorzien in het plan bedoeld in artikel 19 niet dekt, informeert het inrichtingshoofd onverwijld de verantwoordelijken van de representatieve vakbonden om aan de situatie te verhelpen. Blijkt dat dit niet tot afdoende resultaten leidt, dan informeert het inrichtingshoofd de provinciegouverneur of zijn afgevaardigde, of, in voorkomend geval, de minister-president van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering of zijn afgevaardigde. In dat geval overlegt de provinciegouverneur of zijn afgevaardigde of de minister-president van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering of zijn afgevaardigde met het inrichtingshoofd en de verantwoordelijken van de representatieve vakbonden over de schikkingen die hij zal treffen met het oog op een voldoende personeelsbezetting om de diensten te waarborgen overeenkomstig het plan. Deze schikkingen bevatten in het bijzonder het geven van het bevel aan personeelsleden om zich naar hun plaats van tewerkstelling te begeven om er de prestaties te leveren die nodig zijn om de diensten vermeld in artikel 17 te waarborgen.
  § 3. Tenzij er een behoorlijk bewezen geldige reden is, stellen de volgende personeelsleden zich bloot aan een administratieve maatregel, bepaald door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, indien zij zich niet aanbieden op hun plaats van tewerkstelling:
  1° de personeelsleden die hun intentie hebben medegedeeld om niet aan de stakingsdag deel te nemen;
  2° de in paragraaf 1, vijfde lid, bedoelde personeels-leden;
  3° de personeelsleden die de provinciegouverneur of de minister-president van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bevolen heeft zich naar hun plaats van tewerkstelling te begeven.
  De in het eerste lid bedoelde maatregel mag in geen enkel geval het karakter van een tuchtstraf hebben.
  De in het eerste lid bedoelde personeelsleden en de personeelsleden die aan de staking deelnemen, ontvangen geen loon voor de duur van de werkonderbreking.

  Art. 17. Teneinde de veiligheid en de gezondheid van de opgesloten personen te verzekeren, wordt tijdens de gehele duur van de staking minstens op dagelijkse basis erin voorzien dat elke gedetineerde:
  1° de maaltijden ontvangt in voldoende kwantiteit en kwaliteit, in overeenstemming met zijn gezondheidstoestand en waarbij één warme maaltijd op een vast tijdstip wordt bedeeld;
  2° de mogelijkheid heeft zijn uiterlijk en zijn lichamelijke hygiëne behoorlijk te verzorgen alsook deze van zijn verblijfsruimte; in geval van een staking van meer dan twee dagen kan de gedetineerde over een periode van één week minstens twee douches nemen;
  3° de medische en welzijnszorgen ontvangt die zijn gezondheidstoestand vereist en die zorgen ook blijft ontvangen;
  4° de mogelijkheid heeft om minstens één uur in open lucht te vertoeven;
  5° de mogelijkheid heeft om in contact te blijven met zijn naastbestaanden:
  - dagelijks via briefwisseling en
  - in geval van een staking van meer dan twee dagen, minstens één keer per week via bezoek en telefoon;
  6° zijn rechten op verdediging kan uitoefenen met inbegrip van de mogelijkheid het bezoek te ontvangen van zijn advocaat;
  7° het bezoek van een consulaire of diplomatieke vertegenwoordiger kan ontvangen;
  8° in contact kan treden met een vertegenwoordiger van zijn godsdienst of levensbeschouwing;
  9° die door een rechtbank is vrijgesproken of anderszins gemachtigd is het grondgebied te verlaten, de penitentiaire instelling daadwerkelijk kan verlaten.

  Art. 18. Tijdens de gehele duur van de staking blijft de toegang tot de gevangenis gewaarborgd voor volgende personen:
  1° de personeelsleden die overeenkomstig artikel 16, § 1, tweede lid, hun intentie bevestigd hebben niet aan de staking te zullen deelnemen, de personeelsleden bedoeld in artikel 16, § 2 en § 3 alsook de personeelsleden van de organisaties die actief zijn in de gevangenissen en die behoren tot andere overheden en, in voorkomend geval, private ondernemingen;
  2° de artsen, verpleegkundigen en paramedici;
  3° de advocaten van de gedetineerden;
  4° de vertegenwoordigers van de erediensten en de lekenconsulenten;
  5° de provinciegouverneur, of, in voorkomend geval, de minister-president van de Brusselse Hoofdstedelijke regering of hun afgevaardigden en de burgemeester van de gemeente waar de gevangenis zich bevindt;
  6° de magistraten;
  7° de leveranciers van goederen en diensten noodzakelijk om de uitvoering van de diensten, bepaald in artikel 17 te kunnen waarborgen;
  8° de personen die in dienst zijn bij de interventie- en hulpdiensten;
  9° de leden van de commissies van toezicht en de Centrale Toezichtsraad voor het gevangeniswezen;
  10° de federale ombudsmannen;
  11° de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, het Vlaams Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap, het Parlement van het Waalse Gewest, het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap en het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  12° de personeelsleden belast met de inspectie;
  13° de consulaire en diplomatieke ambtenaren;
  14° de met het gedetineerdenvervoer belaste ambtenaar, wat de gedetineerden betreft
  - die tot de gevangenis moeten worden toegelaten krachtens een rechterlijke beslissing of die zich bij de rechterlijke overheid moeten melden ingevolge een bijbehorend verzoekschrift;
  - in geval van dringende en onontbeerlijke medische raadplegingen en interventies;
  15° de gestelde overheden die krachtens internationale instrumenten over een recht van toegang beschikken.

  Art. 19. § 1. De Koning bepaalt het model van een plan dat de prestaties en maatregelen vastlegt die door de personeelsleden van de gevangenissen dienen geleverd en genomen te worden teneinde de essentiële diensten te waarborgen zoals bepaald in artikel 17.
  § 2. Over de uitwerking van dit plan wordt voor elke gevangenis overleg gepleegd in het overlegcomité bedoeld in het ministerieel besluit van 29 juli 1987 houdende oprichting van de basisoverlegcomités voor FOD Justitie en aanduiding van hun voorzitters.
  § 3. Indien het bevoegde overlegcomité niet binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze afdeling een dergelijk operationeel plan neerlegt, hetzij omdat het geen beslissing genomen heeft, hetzij omdat er geen overeenstemming binnen het comité werd bereikt, bepaalt de minister de prestaties en maatregelen zoals bedoeld in paragraaf 2, na overleg in het bevoegde overlegcomité.

  Art. 20. Uiterlijk één jaar na de inwerkingtreding van deze afdeling en vervolgens telkens indien de minister dit nodig acht, evalueert het bevoegde overlegcomité of de diensten bepaald in artikel 17 in alle omstandigheden werden gewaarborgd.
  Deze evaluatie gebeurt op basis van de vergelijking tussen de effectieve bezettingsgraad van de personeelsleden in de gevangenissen tijdens de staking in verhouding tot deze opgenomen in de plannen bedoeld in artikel 19.
  Indien uit deze evaluatie blijkt dat tijdens een staking die twee dagen niet overschrijdt de diensten bedoeld in artikel 17 niet volledig konden worden gewaarborgd ten gevolge van een gebrek aan personeel, bepaalt de Koning dat artikel 16, § 2 en § 3 ook op dergelijke stakingen van toepassing is.

  TITEL IV. - Basisprincipes betreffende het statuut van het penitentiair personeel

  HOOFDSTUK 1. - Basisprincipes betreffende de toekenning van een betrekking

  Art. 21. § 1. Met oog op het verifiëren van de aanwervingsvoorwaarden, kan de penitentiaire administratie een moraliteitsonderzoek van de kandidaten uitvoeren dat gebaseerd is op:
  1° een uittreksel uit het strafregister dat niet van vroeger dateert dan drie maanden voorafgaand aan de kandidatuurstelling;
  2° alle beschikbare inlichtingen vanwege de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en van het Coordinatieorgaan voor de dreigingsanalyse;
  3° informatie en persoonsgegevens aanwezig bij de gerechtelijke overheden die haar door het bevoegde openbaar ministerie worden meegedeeld;
  4° informatie en persoonsgegevens voor doeleinden van gerechtelijke politie voorhanden in de databanken voorzien in artikel 44/2 van de wet op het politieambt, die haar door het bevoegde openbaar ministerie worden meegedeeld en
  5° andere gegevens en inlichtingen waarover zij beschikt.
  De gegevens vermeld in het eerste lid worden slechts bewaard voor de duur van de selectieproeven.
  § 2. Het moraliteitsonderzoek heeft tot doel na te gaan of de kandidaat getuigt van:
  1° respect voor de grondrechten en de rechten van de medeburgers, inzonderheid de gedetineerde medeburgers;
  2° integriteit, loyaliteit en discretie;
  3° incasseringsvermogen ten aanzien van agressief gedrag van derden, inzonderheid van gedetineerde derden, en het vermogen om zich daarbij te beheersen;
  4° afwezigheid van verdachte relaties met het crimineel milieu;
  5° respect voor de democratische waarden;
  6° afwezigheid van risico voor de inwendige of uitwendige veiligheid van de Staat of voor de openbare orde.
  De Koning bepaalt de nadere regels met betrekking tot de beoordeling van de resultaten van dit onderzoek.

  Art. 22. Tot de vergelijkende selectieproeven wordt niet toegelaten, de kandidaat die gedurende de voorbije vijf jaar:
  1° voor de bedoelde functie als stagiair werd ontslagen dan wel is verplaatst wegens beroepsongeschiktheid;
  2° het voorwerp is geweest van een ontslag van ambtswege om tuchtredenen of in geval van veroordeling tot een effectieve gevangenisstraf;
  3° als contractueel het voorwerp is geweest van een ontslag om dringende reden zoals bedoeld in artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
  4° op het ogenblik van het ontslag, een negatieve eindvermelding op de evaluatie heeft ontvangen voor de bedoelde functie.
  De laureaat die de voor de bedoelde functie vereiste veiligheidsmachtiging zoals bepaald in het koninklijk besluit van 24 maart 2000 tot uitvoering van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, niet verkrijgt, wordt niet toegelaten tot de stage of wordt niet in dienst genomen.

  Art. 23. Tijdens de stage voor wat de ambtenaren betreft, of tijdens het eerste jaar van de indiensttreding voor wat de contractuelen betreft, kan de verplichting opgelegd worden tot het slagen in een basisopleiding georganiseerd door de penitentiaire opleidingsdienst zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, 1°.
  Bij niet slagen in deze opleiding kan de stage van ambtswege worden beëindigd of de arbeidsovereenkomst ontbonden.

  Art. 24. De selectie voor een bevordering naar een hoger niveau of naar een hogere graad van hetzelfde niveau kan een opleidingsmodule inhouden zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, 3°.
  De bevordering naar een hoger niveau of naar een hogere graad van hetzelfde niveau kan afhankelijk gemaakt worden van het verkrijgen van een veiligheidsmachtiging zoals bepaald in het koninklijk besluit van 24 maart 2000 tot uitvoering van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
  Het verkrijgen van een veiligheidsmachtiging kan tevens een voorwaarde zijn voor het verkrijgen van een wijziging van functie of administratieve standplaats.

  Art. 25. De Koning bepaalt de functies en de graden waarvoor de aanstelling in de tijd beperkt kan worden. In voorkomend geval wordt de verlenging ervan afhankelijk gemaakt van de resultaten van de evaluatie.
  Hij kan bovendien het aantal mogelijke verlengingen van deze aanstellingen beperken.

  HOOFDSTUK 2. - Basisprincipes betreffende de verloven en afwezigheden

  Art. 26. De Koning kan de toekenning aan de personeelsleden van de gevangenissen van bepaalde verloven en afwezigheden die geen onvoorwaardelijk karakter hebben, zoals bepaald in het statuut van toepassing op de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, afhankelijk maken van het belang van de dienst.

  HOOFDSTUK 3. - Basisprincipes betreffende de toelagen

  Art. 27. De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de toelagen van toepassing op de personeelsleden van de penitentiaire diensten.
  Met uitzondering van de ambtshalve toegekende toelagen zijn de toelagen afhankelijk van de prestaties van het personeelslid.
  Onder prestaties wordt verstaan, de effectief gepresteerde werkuren of daarmee gelijkgestelde prestaties.

  HOOFDSTUK 4. - Basisprincipes betreffende de evaluatie van de personeelsleden

  Art. 28. Onverminderd de algemene bepalingen betreffende de evaluatie van de personeelsleden van toepassing op de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, kan de Koning specifieke nadere uitvoeringsregels in dat kader bepalen.

  HOOFDSTUK 5. - Basisprincipes betreffende het recht op wedde en de gewaarborgde bezoldiging

  Art. 29. De wedde van het personeelslid dat zich in voorlopige hechtenis bevindt, wordt verminderd met de helft, vanaf de beslissing van de raadkamer, ten bewarende titel.
  Dit mag niet tot gevolg hebben dat de wedde wordt verminderd tot een bedrag dat lager is dan het bestaansminimum bedoeld in artikel 2 van de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum.

  Art. 30. Wanneer evenwel de daden die aan de oorsprong liggen van de voorlopige hechtenis, of het gedrag van betrokkene gedurende zijn gevangenschap of internering, onverenigbaar zijn met zijn staat van personeelslid, kan de wedde, bij beslissing van de minister, worden verminderd of ingetrokken voor het geheel of een deel van de periode van gevangenschap of internering.

  HOOFDSTUK 6. - Basisprincipes betreffende het tuchtregime

  Art. 31. Onverminderd de algemene bepalingen inzake de tuchtregeling van toepassing op de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, zijn de bijkomende bepalingen en modaliteiten bepaald in dit artikel en in de hoofdstukken 7 en 8 van toepassing op de personeelsleden van de penitentiaire administratie.
  Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtinbreuk en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtsanctie.
  Jaarlijks wordt door de penitentiaire administratie een lijst opgesteld van de tuchtsancties, orde- en veiligheidsmaatregelen.

  HOOFDSTUK 7. - Orde- en veiligheidsmaatregelen

  Art. 32. Onverminderd een tuchtvordering, kan de directeur-generaal de toegang tot één of meer gevangenissen ontzeggen aan elk personeelslid waarvan hij meent dat diens aanwezigheid in de gevangenis de orde en de veiligheid, zoals bepaald in artikel 2, 7° tot 10° van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, in het gedrang brengt.
  Het betrokken personeelslid wordt gehoord door de hiërarchische meerdere binnen zeven werkdagen volgend op de beslissing tot ontzegging van de toegang tot de gevangenis. Het personeelslid kan zich tijdens dit verhoor laten bijstaan.
  De duur van de ontzegging van de toegang tot de gevangenis mag in geen geval een periode van zes maanden overschrijden.

  Art. 33. Onverminderd de bepalingen van toepassing op de personeelsleden van het federaal openbaar ambt, kan de directeur-generaal ambtshalve, voor een periode beperkt in de tijd, de overplaatsing van een personeelslid bevelen in volgende gevallen:
  1° in het kader van een lopend tuchtonderzoek;
  2° bij kennelijke onverenigbaarheid van het personeelslid en de dienst waarin hij tewerkgesteld is.
  De hiërarchische meerdere hoort het betrokken personeelslid uiterlijk zeven werkdagen voorafgaand aan de beslissing tot ambtshalve overplaatsing.

  HOOFDSTUK 8. - Ambtshalve ontslag en beëindiging van de arbeidsovereenkomst

  Art. 34. § 1. Verliest ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar, de ambtenaar die het voorwerp is van een veroordeling tot een effectieve gevangenisstraf uitgesproken in een vonnis met kracht van gewijsde.
  Het eerste lid is eveneens is van toepassing op de stagiairs.
  § 2. Tot ontslag om dringende reden geeft aanleiding, de contractueel die veroordeeld werd tot een effectieve gevangenisstraf uitgesproken in een vonnis met kracht van gewijsde.

  HOOFDSTUK 9. - Gezondheidszorgen

  Art. 35. Onverminderd de vergoedingen bedoeld in de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, genieten de personeelsleden, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning in een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een tussenkomst van de federale overheid voor een deel van de kosten van de gezondheidszorgen via een door de werkgever afgesloten verzekering.

  TITEL V. - Opheffingsbepaling en inwerkingtreding

  Art. 36. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 mei 1971 houdende bijzondere instructie van toepassing op de personeelsleden van de buitendiensten van het bestuur strafinrichtingen wordt opgeheven.

  Art. 37. Met uitzondering van dit artikel, dat in werking treedt de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt en de artikelen 4, 12, 15 tot 20, 32, 34 en 36 die in werking treden op 1 juli 2019, bepaalt de Koning de datum waarop elk artikel van deze wet in werking treedt.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 23 maart 2019.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
    Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 54-3351/9

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 2 uitvoeringbesluiten
Franstalige versie