J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2018/04/15/2018011795/justel

Titel
15 APRIL 2018. - Wet houdende hervorming van het ondernemingsrecht

Bron :
JUSTITIE
Publicatie : 27-04-2018 nummer :   2018011795 bladzijde : 36878   BEELD
Dossiernummer : 2018-04-15/14
Inwerkingtreding : 01-11-2018    ***    onbepaald

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Burgerlijk Wetboek
Art. 2-3
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Strafwetboek
Art. 4
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 5-20
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het Wetboek van vennootschappen
Art. 21-34
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht
Afdeling 1. - Wijzigingen van boek I
Art. 35-48
Afdeling 2. - Wijzigingen van boek III
Art. 49-91
Afdeling 3. - Wijzigingen van boek VI
Art. 92-96
Afdeling 4. - Wijzigingen van boek VII
Art. 97-171
Afdeling 5. - Wijzigingen van boek X
Art. 172-194
Afdeling 6. - Wijzigingen van boek XI
Art. 195-197
Afdeling 7. - Wijzigingen van boek XV
Art. 198-210
Afdeling 8. - Wijzigingen van boek XVII
Art. 211-214
Afdeling 9. - Wijzigingen van boek XX
Art. 215-250
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 19 maart 2014 houdende wettelijke definitie van de ambachtsman
Art. 251
HOOFDSTUK 8. - Diverse, opheffings- en overgangsbepalingen
Art. 252-259
HOOFDSTUK 9. - Inwerkingtreding
Art. 260

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK 2. - Wijziging van het Burgerlijk Wetboek

  Art. 2. In boek III, titel III, hoofdstuk VI van het Burgerlijk Wetboek, wordt een afdeling 2/1 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 2/1. Bewijs door en tegen ondernemingen".

  Art. 3. In afdeling 2/1, ingevoegd bij artikel 2, wordt een artikel 1348bis ingevoegd, luidende :
  "Art. 1348bis. Bewijs door en tegen ondernemingen.
  § 1. Bewijs kan tussen ondernemingen of tegen ondernemingen, zoals omschreven in artikel I.1, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht worden geleverd door alle middelen van recht, tenzij de wet anders bepaalt.
  Het eerste lid is niet van toepassing op de ondernemingen wanneer zij voornemens zijn te bewijzen tegen een partij die geen onderneming is. Partijen die geen onderneming zijn en die tegen een onderneming wensen te bewijzen, kunnen alle middelen van recht gebruiken.
  Het eerste lid is evenmin van toepassing tegen natuurlijke personen die een onderneming uitoefenen, ter zake van het bewijs van rechtshandelingen die kennelijk vreemd zijn aan de onderneming.
  § 2. De boekhouding van een onderneming kan door de rechter aangenomen worden om als bewijs te dienen tussen ondernemingen.
  De boekhouding van een onderneming levert geen bewijs op tegen personen die geen onderneming zijn, behoudens de bepalingen inzake de eed.
  De boekhouding van een onderneming levert bewijs op tegen haar. De boekhouding mag niet ten nadele van de onderneming worden gesplitst.
  § 3. De rechter kan, op verzoek of ambtshalve, in de loop van een geding de openlegging bevelen van het geheel of van een gedeelte van de boekhouding van een onderneming betreffende het te onderzoeken geschil. De rechter kan daarbij maatregelen opleggen om de vertrouwelijkheid van de desbetreffende stukken te vrijwaren.
  § 4. Een door een onderneming aanvaarde factuur levert bewijs op tegen deze onderneming .".

  HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Strafwetboek

  Art. 4. In artikel 489 van het Strafwetboek, vervangen bij de wet van 8 augustus 1997 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1," vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1° ".

  HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek

  Art. 5. In artikel 85, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014, worden de woorden "voorzitter in handelszaken" vervangen door de woorden "voorzitter in ondernemingszaken".

  Art. 6. In artikel 203, derde lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1998, 10 april 2014 en 8 mei 2014, worden de woorden "representatieve professionele of interprofessionele organisaties uit de handel of de nijverheid" vervangen door de woorden "representatieve professionele of interprofessionele organisaties of federaties, met inbegrip van een orde, een instituut van beoefenaars van vrije beroepen of een andere representatieve professionele of interprofessionele organisatie in de nijverheids- of de verenigingssector.".

  Art. 7. In artikel 205 van hetzelfde Wetboek worden het eerste tot derde lid vervangen als volgt :
  "Om tot werkend of plaatsvervangend rechter in ondernemingszaken te worden benoemd, dient de kandidaat de leeftijd van dertig jaar te hebben bereikt, ten minste vijf jaar met ere een onderneming waarvan de hoofdvestiging zich in België bevindt of een representatieve professionele of interprofessionele organisatie of federatie van ondernemingen hebben geleid, met inbegrip van een orde of instituut van een vrij beroep of een andere representatieve professionele of interprofessionele vereniging in nijverheid of in de verenigingssector, of vertrouwd zijn met het bestuur van een onderneming en met boekhouden.
  Aan het bestuur van een onderneming worden geacht deel te nemen :
  1° indien het een vennootschap onder firma betreft : de vennoten;
  2° indien het een commanditaire vennootschap betreft : de werkende vennoten;
  3° indien het een andere rechtspersoon betreft : de bestuurders of de zaakvoerders;
  4° de personeelsleden die in de onderneming een leidinggevende functie uitoefenen.
  5° indien het een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid betreft : de vennoten, met uitzondering van diegenen die hun aansprakelijkheid hebben beperkt;
  6° de beoefenaars van een vrij beroep;
  7° de landbouwers, natuurlijke personen.
  Worden geacht deel te nemen aan het bestuur van een representatieve professionele of interprofessionele organisatie, met inbegrip een orde of een instituut van een vrij beroep of een andere representatieve professionele of interprofessionele organisatie in de industrie of de verenigingssector: de bestuurders of de zaakvoerders en iedere persoon die in de bedoelde organisatie of federatie bestendig een leidende functie waarneemt.".

  Art. 8. In artikel 300, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 5 mei 2014 en 4 mei 2016, worden de woorden "behoudens de uitoefening van het beroep van advocaat en van notaris en de bezigheden die hun daardoor geoorloofd zijn" ingevoegd tussen de woorden "als de werkende rechters" en de woorden ", met uitzondering van :".

  Art. 9. In artikel 569, van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 juli 2017, wordt de bepaling onder 9° opgeheven.

  Art. 10. In artikel 573 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 26 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : "De ondernemingsrechtbank neemt in eerste aanleg kennis van de geschillen tussen ondernemingen als bedoeld in artikel I.1, 1°, van het Wetboek van economisch recht, die niet vallen onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges en die, wat betreft natuurlijke personen, betrekking hebben op een handeling die niet kennelijk vreemd is aan de onderneming.";
  2° in het tweede lid worden de woorden "eerste lid, 1° " vervangen door de woorden "eerste lid,".

  Art. 11. In artikel 574 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk vervangen door de wet van 26 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt :
  "1° van geschillen ter zake van een vereniging met rechtspersoonlijkheid, stichting of vennootschap, met uitzondering van een vereniging van mede-eigenaars, evenals van geschillen die ontstaan tussen hun voormalige, actuele of toekomstige vennoten of leden met betrekking tot de betrokken vennootschap, stichting of vereniging;";
  2° de bepalingen onder 6° en 10° worden opgeheven.
  3° het artikel wordt aangevuld met een bepaling onder 20°, luidende :
  "20° van geschillen betreffende wisselbrieven en orderbriefjes.".

  Art. 12. In artikel 587, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 15 mei 2014, wordt de bepaling onder 6° opgeheven.

  Art. 13. Artikel 703 van hetzelfde Wetboek, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
  " § 2. Indien een groepering zonder rechtspersoonlijkheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen is ingeschreven, volstaat de vermelding van haar benaming en zetel die bij haar gegevens in de Kruispuntbank zijn opgenomen om, in gedingen met bettrekking tot de gezamenlijke rechten en verplichtingen van de leden van de groepering, te doen blijken van de identiteit van haar gezamenlijke deelgenoten.
  Indien de inschrijving in de Kruispuntbank tevens de identificatiegegevens omvat van een algemeen lasthebber, kan de groepering in dezelfde gedingen in rechte optreden, als eiser of als verweerder, en tevens in persoon verschijnen door tussenkomst van die lasthebber, onverminderd de toepassing, wat betreft vennootschappen, van artikel 36, 1°, van het Wetboek van vennootschappen, doch uitsluitend om in rechte op te treden als verweerder.".

  Art. 14. In artikel 1034ter, 2°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 augustus 1992, worden de woorden "en inschrijving in het handelsregister of ambachtsregister" vervangen door de woorden "en inschrijving in het Kruispuntbank van Ondernemingen".

  Art. 15. Artikel 1193 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 februari 1981, 8 augustus 1997, 15 mei 2009, 25 april 2014 en 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1193. De verkoop van de onroerende goederen geschiedt in alle voormelde gevallen op de wijze die gebruikelijk is inzake gewone openbare verkoping van onroerende goederen, behoudens het bepaalde in de artikelen 1193bis en 1193ter.
  De toewijzing geschiedt in één enkele al dan niet gedematerialiseerde zitting, bij opbod. De artikelen 1589 en 1590 zijn van toepassing op die toewijzing. De biedingen kunnen zowel fysieke als gedematerialiseerde biedingen zijn. De verkoopsvoorwaarden bepalen de wijze, de voorwaarden en de termijn voor het doen van de biedingen. Bij een gedematerialiseerde openbare verkoop wijst de notaris het goed toe binnen een periode van maximum tien werkdagen na het ogenblik waarop de gedematerialiseerde biedingen werden afgesloten. De toewijzing geschiedt op één en dezelfde dag, enerzijds door het online meedelen van het hoogste in aanmerking genomen bod en anderzijds door het opstellen van een akte waarin het hoogste in aanmerking genomen bod en de instemming van de verzoeker en van de koper worden vastgesteld.
  De verkoopsvoorwaarden kunnen bepalen dat de toewijzing plaatsvindt onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een financiering door de koper. De verkoopsvoorwaarden stellen de nadere regels van deze voorwaarde vast. Indien de voorwaarde niet vervuld wordt, staat de persoon die om de opschortende voorwaarde heeft verzocht in voor de kosten die zijn gemaakt met het oog op de toewijzing binnen de grenzen die zijn vastgelegd in de verkoopsvoorwaarden.
  De instrumenterende notaris kan voorafgaand aan de toewijzing, eventueel na advies van een door hem aangestelde deskundige, de instelprijs bepalen.
  De bieder die bij aanvang van de zitting als eerste bod een bedrag gelijk aan of hoger dan de instelprijs biedt, krijgt een vergoeding gelijk aan een procent van zijn eerste bod. Deze premie is slechts opeisbaar indien het goed definitief aan deze bieder wordt toegewezen. Deze premie is ten laste van de verkoopsmassa.
  Als niemand de instelprijs biedt, zal de notaris door afmijning een eerste bod uitlokken, waarna de verkoop wordt voortgezet bij opbod.
  Wanneer de instrumenterende notaris geen instelprijs bepaalt, kan hij een premie toekennen aan de eerste bieder. Deze premie bedraagt een procent van het geboden bedrag. Deze premie is slechts opeisbaar indien het goed definitief wordt toegewezen aan deze bieder. Deze premie is ten laste van de verkoopmassa.
  De in het vijfde en zevende lid bedoelde premies worden beschouwd als een gerechtskost zoals bepaald in artikel 17 van de Hypotheekwet."

  Art. 16. De Franse tekst van artikel 1193ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 februari 1981 en vervangen bij de wetten van 8 augustus 1997 en 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt :
  "Art.1193ter. Dans le cas prévu à l'article 1190, le curateur peut demander, par requête motivée, au tribunal de commerce l'autorisation de vendre de gré à gré. Le curateur soumet au tribunal un projet d'acte de vente établi par un notaire, désigné par le juge-commissaire, et lui expose les motifs pour lesquels la vente de gré à gré s'impose.
  Il y joint un rapport d'expertise établi par l'expert qu'il a désigné et un certificat du conservateur des hypothèques, postérieur à la déclaration de faillite relatant les inscriptions existantes et toute transcription de commandement ou de saisie portant sur les immeubles qui doivent être vendus. Les créanciers hypothécaires ou privilégiés inscrits, ceux qui ont fait transcrire un commandement ou un exploit de saisie de même que le failli doivent être appelés à la procédure d'autorisation par pli judiciaire notifié au moins huit jours avant l'audience. Ils peuvent demander au tribunal que l'autorisation de vendre de gré à gré soit subordonnée à certaines conditions telle que la fixation d'un prix de vente minimum.
  L'autorisation est accordée si l'intérêt de la masse faillie l'exige et de l'avis du juge-commissaire. L'ordonnance doit indiquer expressément la raison pour laquelle la vente de gré à gré sert l'intérêt de la masse faillie et mentionne l'identité des créanciers dûment appelés à la procédure. Le recours à cette forme de vente peut être subordonné à la fixation d'un prix minimum.
  La vente doit avoir lieu conformément au projet d'acte admis par le tribunal et par le ministère du notaire qui l'a rédigé. Le demandeur ou les créanciers intervenants peuvent interjeter appel de l'ordonnance du tribunal, conformément à l'article 1031.".

  Art. 17. Artikel 1582 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 21 december 2013 en vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1582. De door de benoemde notaris opgemaakte verkoopsvoorwaarden vermelden de dag van de verkoop of, bij gedematerialiseerde biedingen, de dag van de aanvang en de dag van de sluiting van de biedingen, en bevatten overwijzing van de prijs ten behoeve van de schuldeisers.
  Zij vermelden de maatregelen die voor de bekendmaking zullen worden genomen. Deze bekendmaking maakt geen melding van de gedwongen aard van de verkoping.
  De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, degenen die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven en de schuldenaar worden ten minste een maand vóór het eerste bod wordt uitgebracht aangemaand om inzage te nemen van die verkoopsvoorwaarden en om de verkoopsverrichtingen te volgen.
  In geval van geschil over de verkoopsvoorwaarden, zijn de geschillen alleen toegelaten indien zij worden aangebracht bij de notaris binnen acht dagen na de aanmaning. De notaris maakt er proces-verbaal van op en schorst alle verrichtingen.
  Na neerlegging van een uitgifte van het proces-verbaal door de notaris ter griffie, bepaalt de rechter de dag en het uur voor het onderzoek en de berechting van de geschillen, de partijen vooraf gehoord of bij gerechtsbrief opgeroepen door toedoen van de griffier. In voorkomend geval stelt de rechter een termijn voor de toewijzing. De beslissing is niet vatbaar voor verzet noch voor hoger beroep."

  Art. 18. Artikel 1587 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 15 mei 2009 en vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1587. De toewijzing wordt gedaan op de wijze bepaald door het plaatselijk gebruik. Zij geschiedt binnen zes maanden na de beschikking bedoeld in artikel 1580.
  De toewijzing geschiedt in één enkele al dan niet gedematerialiseerde zitting, bij opbod. De artikelen 1589 en 1590 zijn van toepassing op die toewijzing. De biedingen kunnen zowel fysieke als gedematerialiseerde biedingen zijn. De verkoopsvoorwaarden bepalen de wijze, de voorwaarden en de termijn voor het doen van de biedingen. Bij een gedematerialiseerde openbare verkoop wijst de notaris het goed toe binnen een periode van maximum tien werkdagen na het ogenblik waarop de gedematerialiseerde biedingen werden afgesloten. De toewijzing geschiedt op één en dezelfde dag, enerzijds door het online meedelen van het hoogste in aanmerking genomen bod en anderzijds door het opstellen van een akte waarin het hoogste in aanmerking genomen bod en de instemming van de verzoeker en van de koper worden vastgesteld.
  De verkoopsvoorwaarden kunnen bepalen dat de toewijzing plaatsvindt onder de opschortende voorwaarde van het verkrijgen van een financiering door de koper. De verkoopsvoorwaarden stellen de nadere regels van deze voorwaarde vast. Indien de voorwaarde zich niet vervult, staat de persoon die om de opschortende voorwaarde heeft verzocht in voor de kosten die zijn gemaakt met het oog op de toewijzing binnen de grenzen die zijn vastgelegd in de verkoopsvoorwaarden.
  De instrumenterende notaris kan voorafgaand aan de toewijzing, eventueel na advies van een door hem aangestelde deskundige, de instelprijs bepalen.
  De bieder die bij aanvang van de zitting als eerste bod een bedrag gelijk aan of hoger dan de instelprijs biedt, krijgt een vergoeding gelijk aan een procent van zijn eerste bod. Deze premie is slechts opeisbaar indien het goed definitief aan deze bieder wordt toegewezen. Deze premie is ten laste van de verkoopsmassa.
  Als niemand de instelprijs biedt, zal de notaris door afmijning een eerste bod uitlokken, waarna de verkoop wordt voortgezet bij opbod.
  Wanneer de instrumenterende notaris geen instelprijs bepaalt, kan hij een premie toekennen aan de eerste bieder. Deze premie bedraagt een procent van het geboden bedrag. Deze premie is slechts opeisbaar indien het goed definitief wordt toegewezen aan deze bieder. Deze premie is ten laste van de verkoopsmassa.
  De in het vierde en zesde lid bepaalde premies worden beschouwd als een gerechtskost zoals bepaald in artikel 17 van de Hypotheekwet."

  Art. 19. In artikel 1675/7 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 juli 1998, gewijzigd bij de wetten van 29 mei 2000 en 13 december 2005 en vervangen bij de wet van 11 augustus 2017, wordt paragraaf 2 vervangen als volgt :
  " § 2. Alle middelen van tenuitvoerlegging die strekken tot de betaling van een geldsom worden geschorst. Hetzelfde geldt voor de beslagen die vóór de beschikking van toelaatbaarheid gelegd werden. Deze laatste behouden evenwel hun bewarend karakter.
  Echter, indien de dag van de gedwongen verkoop van de in beslag genomen roerende goederen reeds vóór de beschikking van toelaatbaarheid was bepaald en door aanplakking bekendgemaakt, geschiedt deze verkoop voor rekening van de boedel. Indien het belang van de boedel zulks vereist, kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar die handelt in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling, uitstel of afstel van de verkoop toestaan.
  Indien voorafgaand aan deze beschikking van toelaatbaarheid, de beschikking gewezen overeenkomstig de artikelen 1580, 1580bis en 1580ter, niet langer vatbaar is voor het verzet bedoeld in de artikelen 1033 en 1034, kunnen de verkoopverrichtingen na uitvoerend onroerend beslag eveneens voor rekening van de boedel worden voortgezet. Indien het belang van de boedel zulks vereist, kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar die handelt in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling en na oproeping van de ingeschreven hypothecaire, bevoorrechte schuldeisers en de beslagleggende schuldeiser, ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief, uitstel of afstel van de verkoop toestaan. De schuldenaar of de schuldbemiddelaar dient de notaris belast met de verkoop van het goed schriftelijk te informeren van zijn verzoek tot uitstel of afstel. Dit verzoek tot uitstel of afstel van de verkoop is niet langer ontvankelijk na aanmaning aan de schuldenaar die plaatsvindt overeenkomstig artikel 1582.
  In geval van beslag gevoerd tegen meerdere schuldenaars waarvan slechts één tot de collectieve schuldenregeling werd toegelaten, wordt de gedwongen verkoop van de roerende of onroerende goederen voortgezet overeenkomstig de regels van het roerend of onroerend beslag. Na betaling van de hypothecaire en bijzonder bevoorrechte schuldeisers, stort de notaris desgevallend het saldo van het gedeelte van de verkoopprijs dat aan de schuldenaar toekomt, aan de schuldbemiddelaar. Deze storting is bevrijdend net zoals de storting gedaan door de koper overeenkomstig artikel 1641.
  Ten aanzien van personen die zich persoonlijk zekerheid hebben gesteld voor een schuld van de schuldenaar, worden de middelen van tenuitvoerlegging geschorst tot de homologatie van de minnelijke aanzuiveringsregeling, tot de neerlegging van het in artikel 1675/11, § 1, bedoelde proces-verbaal of tot de verwerping van de aanzuiveringsregeling. Ten aanzien van personen die de in artikel 1675/16bis, § 2, bedoelde verklaring hebben neergelegd, worden de uitvoeringsmaatregelen geschorst tot de rechter uitspraak heeft gedaan over de bevrijding.".

  Art. 20. Artikel 1675/14bis, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 13 december 2005 en vervangen bij de wet van 1 augustus 2017, wordt vervangen als volgt :
  " § 2. Wanneer onroerende goederen in mede-eigendom toebehoren aan de schuldenaar en aan andere personen, dan kan de arbeidsrechtbank, op verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar handelend in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling, de verkoop van de onverdeelde onroerende goederen bevelen. De ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, de schuldeisers die een bevel of een beslagexploot hebben doen overschrijven, alsook de andere mede-eigenaars dienen ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief bij de machtigingsprocedure te worden opgeroepen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de schuldenaar in geval van gerechtelijke aanzuiveringsprocedure. In dat geval geschiedt de verkoop op verzoek van de schuldbemiddelaar alleen.
  In geval van akkoord van alle mede-eigenaars aangaande de verkoop van het onverdeeld onroerend goed, kan de arbeidsrechtbank de verkoop machtigen, op gezamenlijk verzoek van de schuldenaar of de schuldbemiddelaar handelend in het kader van een gerechtelijke aanzuiveringsregeling en de andere mede-eigenaars, nadat de ingeschreven hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers evenals de schuldeisers die een bevel of beslagexploot hebben doen overschrijven, ten minste acht dagen voor de zitting bij gerechtsbrief tot de machtigingsprocedure werden opgeroepen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de schuldenaar in geval van gerechtelijke aanzuiveringsregeling.".

  HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het Wetboek van vennootschappen

  Art. 21. In artikel 2 van het Wetboek van vennootschappen, gewijzigd bij de wet van 23 januari 2001 en aangevuld bij het koninklijk besluit van 1 september 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, worden de woorden "tijdelijke handelsvennootschap" en de woorden "stille handelsvennootschap" respectievelijk vervangen door de woorden "tijdelijke vennootschap" en de woorden "stille vennootschap";
  2° in paragraaf 2 wordt het woord "handelsvennootschap" vervangen door het woord "vennootschap";
  3° paragraaf 3 wordt opgeheven;
  4° paragraaf 4, wordt vervangen als volgt :
  " § 4. De vennootschappen bedoeld in paragraaf 2 verkrijgen rechtspersoonlijkheid vanaf de dag van de in artikel 68 bedoelde neerlegging. Nochtans verkrijgt de SE rechtspersoonlijkheid de dag van haar inschrijving in het rechtspersonenregister, onderdeel van de Kruispuntbank van Ondernemingen, overeenkomstig artikel 67, § 2.
  Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde neerlegging, wordt de vennootschap die noch een vennootschap in oprichting is, noch een tijdelijke vennootschap of een stille vennootschap, beheerst door de regels inzake de maatschap en, indien ze een naam voert, door artikel 204.".

  Art. 22. Artikel 3 van hetzelfde Wetboek, wordt opgeheven.

  Art. 23. Artikel 18 van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 18. De bepalingen van dit boek zijn van toepassing voor zover er in de volgende boeken niet van wordt afgeweken.".

  Art. 24. In de Franse tekst van het opschrift van boek III van hetzelfde Wetboek worden de woorden "de droit commun" vervangen door het woord "simple".

  Art. 25. In artikel 46 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de Franse tekst, worden de woorden "de droit commun" vervangen door het woord "simple";
  b) worden de woorden "met een burgerlijk of handelsdoel" opgeheven.".

  Art. 26. In artikel 47 van hetzelfde Wetboek wordt het woord "handelsverrichtingen" vervangen door het woord "verrichtingen".

  Art. 27. Artikel 49 van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 49. Het vennootschapscontract bedoeld in dit boek kan, al naargelang de aard van de partij tegen wie het bewijs wordt geleverd, worden bewezen overeenkomstig de regels van het burgerlijk of het ondernemingsrecht.".

  Art. 28. In de Franse tekst van het artikel 51 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "de droit commun" vervangen door het woord "simple".

  Art. 29. Artikel 52 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 52. De vennoten van een maatschap zijn ten aanzien van derden hoofdelijk verbonden. Van deze aansprakelijkheid kan niet worden afgeweken dan door een uitdrukkelijk beding in de met derden gesloten akte.".

  Art. 30. In artikel 78, 2°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 27 december 2004 en aangevuld bij de koninklijk besluiten van 1 september 2004 en 28 november 2006, worden de woorden ", alsook, naargelang het geval," en de woorden "burgerlijke vennootschap met handelsvorm" opgeheven.

  Art. 31. In de Franse tekst van het artikel 100, § 1, zevende lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 18 december 2015 en 3 september 2017, worden de woorden "de droit commun" vervangen door het woord "simple".

  Art. 32. Artikel 163 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 2 augustus 2002, wordt opgeheven.

  Art. 33. In artikel 164, § 1, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "tot 163" vervangen door de woorden "tot 162".

  Art. 34. Artikel 201 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 23 januari 2001, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 201. De vennootschap onder firma is een vennootschap met rechtspersoonlijkheid die wordt aangegaan tussen hoofdelijk aansprakelijke vennoten.".

  HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht

  Afdeling 1. - Wijzigingen van boek I

  Art. 35. In artikel I.1, enig lid, van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 7 november 2013, en gewijzigd bij de wet van 11 augustus 2017 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de inleidende zin worden de woorden "in titel 2" opgeheven;
  b) de bepaling onder 1° wordt vervangen als volgt :
  "1° onderneming : elk van volgende organisaties :
  (a) iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;
  (b) iedere rechtspersoon;
  (c) iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.
  Niettegenstaande het voorgaande zijn geen ondernemingen, behoudens voor zover anders bepaald in de hierna volgende boeken of andere wettelijke bepalingen die in dergelijke toepassing voorzien :
  (a) iedere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die geen uitkeringsoogmerk heeft en die ook in feite geen uitkeringen verricht aan haar leden of aan personen die een beslissende invloed uitoefenen op het beleid van de organisatie;
  (b) iedere publiekrechtelijke rechtspersoon die geen goederen of diensten aanbiedt op een markt;
  (c) de Federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de hulpverleningszones, de prezones, de Brusselse Agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;"
  c) de Franse tekst van de bepaling onder 14° wordt vervangen als volgt :
  "14° titulaire d'une profession libérale : toute entreprise dont l'activité consiste principalement à effectuer de manière indépendante et sous sa propre responsabilité, des prestations intellectuelles pour lesquelles une formation préalable et permanente est nécessaire et qui est soumise à une déontologie dont le respect peut être imposé par une institution disciplinaire désignée par la loi ou en vertu de celle-ci;".

  Art. 36. In artikel I.2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de bepalingen onder 9°, 10°, 11° en 14° worden opgeheven;
  b) in de bepaling onder 16°, wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteit".

  Art. 37. In artikel I.4 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de bepaling onder 1° wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteit";
  b) het artikel wordt aangevuld met een bepaling onder 5°, luidende :
  "5° inschrijvingsplichtige onderneming : elke entiteit die zich dient in te schrijven krachtens artikel III.49.".

  Art. 38. In boek 1, titel 2, hoofdstuk 1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt een artikel 1.4/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. I.4/1. Voor de toepassing van boek III, titel 3, hoofdstuk 1, geldt de volgende definitie :
  1° onderneming: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen.".

  Art. 39. Artikel I.5. van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. I.5. Voor de toepassing van boek III, titel 3, hoofdstuk 2, geldt de volgende definitie :
  1° boekhoudplichtige onderneming : een onderneming in de zin van artikel III.82;".

  Art. 40. Artikel I.6 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013 en gewijzigd bij de wet van 29 juni 2016, wordt aangevuld met een bepaling onder 3°, luidende :
  "3° onderneming: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen.".

  Art. 41. Artikel I.7 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 3 april 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. I.7. Voor de toepassing van boek V gelden de volgende definities :
  1° prijzenobservatorium : de instelling belast met de observaties en analyses bedoeld in artikel 108, i), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.
  2° onderneming : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen.".

  Art. 42. Artikel I.8 van hetzelfde Wetboek, houdende de definities eigen aan boek VI, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, en gewijzigd bij koninklijk besluit van 13 december 2013 wordt aangevuld met een bepaling onder 39°, luidende :
  "39° onderneming : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen.".

  Art. 43. In boek I, titel 2, van hetzelfde Wetboek, wordt hoofdstuk 5, met het opschrift "Definities eigen aan boek XIV", dat artikel I.8 bevat, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, opgeheven.

  Art. 44. In artikel I.9, enig lid, van hetzelfde Wetboek, houdende de definities eigen aan boek VII, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de bepaling onder 9°, worden in de Franse tekst, de woorden "dans les titres 1 à 6" ingevoegd tussen het woord "fonds" en de woorden " : les billets de banque";
  b) in de bepaling onder 17°, worden de woorden "in de titels 1 tot 6" ingevoegd tussen de woorden "werkdag" en de woorden " : een dag waarop".

  Art. 45. Artikel I.19 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 april 2014 en gewijzigd bij de wet van 26 oktober 2015, wordt aangevuld met een bepaling onder 6°, luidende :
  "6° onderneming : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen.".

  Art. 46. Artikel I.20 van hetzelfde Wetboek, houdende de definities eigen aan boek XV, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 1 december 2016, wordt aangevuld met de bepalingen onder 7° en 8°, luidende :
  "7° onderneming : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen;
  8° inschrijvingsplichtige onderneming : elke entiteit die zich dient in te schrijven krachtens artikel III.49.".

  Art. 47. Artikel I.21 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de inleidende zin worden de woorden "titel 1 en" ingevoegd tussen de woorden "van boek XVII," en de woorden "titel 2";
  b) het artikel wordt aangevuld met een bepaling onder 8°, luidende :
  "8° onderneming : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die op duurzame wijze een economisch doel nastreeft, alsmede zijn verenigingen.".

  Art. 48. In artikel I.22 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de bepaling onder 7° /1 wordt ingevoegd, luidende :
  "7° /1 "onderneming" : een onderneming in de zin van artikel I.1, eerste lid, 1°, van dit boek;";
  b) de bepaling onder 8° wordt vervangen als volgt :
  "8° "schuldenaar" : een onderneming met uitzondering van iedere publiekrechtelijke rechtspersoon;";
  c) de bepaling onder 28° wordt ingevoegd, luidende :
  "28° "minister" : de minister bevoegd voor Justitie;".

  Afdeling 2. - Wijzigingen van boek III

  Art. 49. In artikel III.15 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in het tweede lid, worden de woorden "aan ondernemingen" vervangen door de woorden "aan geregistreerde entiteiten";
  b) in het derde lid, worden de woorden "van de ondernemingen" vervangen door de woorden "van de geregistreerde entiteiten";
  c) in het vierde lid, worden de woorden "betreffende de ondernemingen" vervangen door de woorden "betreffende de geregistreerde entiteiten";
  d) in het vijfde lid in de bepaling onder 2°, worden de woorden "de identificatie van de ondernemingen" vervangen door de woorden "de identificatie van geregistreerde entiteiten".

  Art. 50. Artikel III.16 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. III.16. § 1. In de Kruispuntbank van Ondernemingen worden gegevens opgenomen betreffende :
  1° elke natuurlijke persoon die in België een onderneming is, met uitzondering van de natuurlijke personen bedoeld in artikel III.49, § 2, 6° en 9° ;
  2° elke rechtspersoon naar Belgisch recht;
  3° elke rechtspersoon naar buitenlands of internationaal recht die in België beschikt over een zetel of een bijkantoor;
  4° elke andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die in België hetzij als werkgever aan de sociale zekerheid is onderworpen, hetzij aan de belasting over de toegevoegde waarde is onderworpen of die zich overeenkomstig artikel III.49 moet of kan inschrijven;
  5° elke vestiging, instantie en dienst naar Belgisch recht die opdrachten van openbaar nut of verbonden met de openbare orde uitvoert en over een financiële en boekhoudkundige autonomie beschikt, onderscheiden van deze van de rechtspersoon naar Belgisch publiek recht waarvan ze afhankelijk zijn;
  6° elke natuurlijke persoon, rechtspersoon naar buitenlands of internationaal recht of andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die zich dient te registreren in uitvoering van bijzondere Belgische wetgeving;
  7° elke vestigingseenheid van de bovenvermelde geregistreerde entiteiten.
  § 2. De Koning bepaalt de nadere regels voor de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen van de entiteiten bedoeld in paragraaf 1, met uitzondering van de entiteiten bedoeld in de bepaling onder 5°.

  Art. 51. In artikel III.17 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "Iedere onderneming" vervangen door de woorden "Iedere geregistreerde entiteit".

  Art. 52. In artikel III.18 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt het woord "onderneming" telkens vervangen door de woorden "geregistreerde entiteit";
  2° in paragraaf 2 wordt het woord "ondernemingen" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteiten".

  Art. 53. In artikel III.19 eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt het woord "ondernemingen" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteiten".

  Art. 54. In artikel III.21 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteit".

  Art. 55. In artikel III.22, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "aan de onderneming" vervangen door de woorden "aan de geregistreerde entiteit".

  Art. 56. In artikel III.23, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt het woord "ondernemingen" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteiten".

  Art. 57. Artikel III.24 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt opgeheven.

  Art. 58. In artikel III.25 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, worden de woorden "handels- en ambachtsondernemingen" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige ondernemingen";
  2° in het tweede lid, wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming";
  3° in het derde lid, worden de woorden "gebouwen en" opgeheven en worden de woorden "een handels- of ambachtswerkzaamheid" vervangen door de woorden "de economische activiteit van de inschrijvingsplichtige onderneming" en worden de woorden "van een ambulante handel" vervangen door de woorden "van ambulante activiteiten".

  Art. 59. In artikel III.26 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "handels- of ambachtsonderneming" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming";
  2° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  "Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de inschrijvingsplichtige onderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen te bewijzen of om zich in te schrijven in de Kruispuntbank van Ondernemingen.";
  3° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen als volgt :
  "Indien de inschrijvingsplichtige onderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst of niet is ingeschreven binnen de door de rechtbank gestelde termijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank van ambtswege de vordering van de inschrijvingsplichtige onderneming onontvankelijk.";
  4° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
  " § 2. Indien de inschrijvingsplichtige onderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar hoofdvordering, tegenvordering of vordering tot tussenkomst, ingediend bij verzoekschrift, bij conclusie of deurwaardersexploot, gebaseerd is op een activiteit waarvoor de inschrijvingsplichtige onderneming op de datum van de inleiding van die vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de inschrijvingsplichtige onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die inschrijvingsplichtige onderneming onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien ze niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen.".

  Art. 60. In artikel III.28 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "categorieën van geregistreerde ondernemingen" vervangen door de woorden "categorieën van geregistreerde entiteiten".

  Art. 61. In artikel III.29 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, wordt in de bepalingen onder 2° tot 10° het woord "onderneming"telkens vervangen door de woorden "geregistreerde entiteit";
  2° in paragraaf 1, wordt de bepaling onder 11° aangevuld met de bepaling onder h), luidende :
  "h) boek XX van dit Wetboek;";
  3° in paragraaf 1, in de bepaling onder 12°, worden de woorden "handels- en ambachtsondernemingen" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige ondernemingen".

  Art. 62. In artikel III.32 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "Iedere onderneming" vervangen door de woorden "Iedere geregistreerde entiteit".

  Art. 63. In artikel III.34 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, worden de woorden "van het handelsregister" opgeheven;
  2° in paragraaf 1, worden de woorden "handels- of ambachtsonderneming" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming";
  3° in paragraaf 2, worden de woorden "van het handelsregister" vervangen door de woorden "betreffende een inschrijvingsplichtige onderneming".

  Art. 64. In artikel III.36 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "ondernemingen bedoeld in artikel III.16" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteiten".

  Art. 65. In artikel III.38, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteit".

  Art. 66. In artikel III.40 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt het woord "onderneming" telkens vervangen door de woorden "geregistreerde entiteit".

  Art. 67. In artikel III.41 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt het woord "onderneming" telkens vervangen door de woorden "geregistreerde entiteit".

  Art. 68. In artikel III.42 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 1, wordt in de bepaling onder 1° het woord "ondernemingen" vervangen door de woorden "geregistreerde entiteiten";
  b) in paragraaf 1, wordt in de bepalingen onder 2° en 3° het woord "ondernemingen" telkens opgeheven.

  Art. 69. In boek III, titel 2, van hetzelfde Wetboek, wordt het opschrift ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Hoofdstuk 2. Inschrijvingsplichtige ondernemingen"

  Art. 70. Artikel III.49 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. III.49. § 1. De volgende ondernemingen zijn verplicht om zich voor de aanvang van hun activiteiten in te schrijven in de hoedanigheid van inschrijvingsplichtige onderneming in de Kruispuntbank van Ondernemingen bij een ondernemingsloket van hun keuze :
  1° elke onderneming naar Belgisch recht in de zin van artikel I.1(b) en (c);
  2° elke onderneming die in België beschikt over een zetel, een bijkantoor of een vestigingseenheid;
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, zijn niet verplicht zich in te schrijven in de hoedanigheid van inschrijvingsplichtige ondernemingen :
  1° de onbeperkt aansprakelijke vennoten van een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, een vennootschap onder firma of een gewone commanditaire vennootschap voor de beroepsactiviteit van de vennootschap, op voorwaarde dat de betrokken vennootschap zelf is ingeschreven;
  2° de natuurlijke personen die enkel in de Kruispuntbank van Ondernemingen ingeschreven zijn met als enige hoedanigheid deze van werkgever van huispersoneel;
  3° de beroepsverenigingen;
  4° de inrichtende machten van het gesubsidieerde onderwijs;
  5° publiekrechtelijke rechtspersonen, die niet de vorm van een vennootschap of een andere rechtspersoon naar privaat recht hebben aangenomen;
  6° de natuurlijke persoon waarvan de zelfstandige beroepsactiviteit bestaat uit het uitoefenen van één of meerdere bestuursmandaten;
  7° de verenigingen van mede-eigenaars;
  8° de representatieve werknemersorganisaties;
  9° natuurlijke personen die in België een activiteit uitoefenen die inkomsten als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 genereren, voor de activiteit verbonden met die inkomsten, zolang die inkomsten niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 37bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
  10° andere ondernemingen bepaald door de Koning.
  § 3. De inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen met de hoedanigheid van inschrijvingsplichtige onderneming vormt, behoudens tegenbewijs, een vermoeden van de hoedanigheid van onderneming.".

  Art. 71. In artikel III.50 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "handels-, ambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming";
  2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
  " § 2. In afwijking van paragraaf 1 zijn de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, bepaald in de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, vrijgesteld van het betalen van het inschrijvingsrecht voor de Kruispuntbank van Ondernemingen.".

  Art. 72. In artikel III.51 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht" telkens vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige ondernemingen";
  2° in paragraaf 1, tweede lid, wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming";
  3° in paragraaf 2, worden de woorden "handels-, ambachtsondernemingen en niet-handelsondernemingen naar privaat recht" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige ondernemingen".

  Art. 73. In artikel III.52 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, worden de woorden "handels-, ambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming";
  2° in het tweede lid, wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming".

  Art. 74. In artikel III.53, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "handels-, ambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming".

  Art. 75. In artikel III.57 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "de onderneming" telkens vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming".

  Art. 76. In artikel III.59 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 1, worden in de bepaling onder 2° de woorden "handels- en ambachtsondernemingen en de niet-handelsondernemingen naar privaat recht" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige ondernemingen" en wordt het woord "hoedanigheden" vervangen door het woord "hoedanigheid";
  b) in paragraaf 1, worden in de bepaling onder 3° de woorden "handels- en ambachtsondernemingen en de niet-handelsondernemingen naar privaat recht" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige ondernemingen".

  Art. 77. In artikel III.60 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "handels- en ambachtsondernemingen" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige ondernemingen";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "in het handelsregister" vervangen door de woorden "als inschrijvingsplichtige onderneming" en worden de woorden "handels- en ambachtsonderneming" vervangen door de woorden "inschrijvingsplichtige onderneming".

  Art. 78. In boek III, titel 3, hoofdstuk 1, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek wordt een artikel III.73/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. III 73/1. Deze afdeling is niet van toepassing op de advocaten die juridische bijstand verlenen met toepassing van boek IIIbis van het Gerechtelijk Wetboek.".

  Art. 79. Artikel III.82 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. III.82. § 1. De volgende ondernemingen zijn boekhoudplichtig :
  1° iedere onderneming in de zin van artikel I.1. eerste lid, a), die in België zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;
  2° iedere onderneming naar Belgisch recht in de zin van artikel I.1. eerste lid, b) en c);
  3° iedere onderneming met in België gevestigde bijkantoren of centra van werkzaamheden;
  4° de openbare instellingen naar Belgisch recht die een statutaire opdracht vervullen van commerciële, financiële of industriële aard;
  5° de instellingen, al dan niet met eigen rechtspersoonlijkheid die, met of zonder winstoogmerk, een commercieel, financieel of industrieel bedrijf uitoefenen en waarop dit hoofdstuk, per soort van instellingen, van toepassing wordt verklaard door een koninklijk besluit dat de verplichtingen die voor de betrokken ondernemingen voortvloeien uit de besluiten ter uitvoering van boek III, titel 3, aanpast aan wat vereist wordt door de bijzondere aard van de werkzaamheid of door het wettelijk statuut van de betrokken instelling.
  In afwijking van het eerste lid zijn de volgende ondernemingen geen boekhoudplichtige onderneming :
  1° de natuurlijke personen waarvan de zelfstandige beroepsactiviteit bestaat uit het uitoefenen van één of meerdere bestuursmandaten;
  2° ondernemingen die de exploitatie van een land- of tuinbouwbedrijf tot doel hebben met uitzondering van die ondernemingen die in de vennootschapsbelasting worden belast;
  3° verenigingen en stichtingen die wegens de aard van hun hoofdactiviteit onderworpen zijn aan bijzondere, uit een wetgeving of een overheidsreglementering voorvloeiende regels betreffende het houden van hun boekhouding en betreffende hun jaarrekening, voor zover zij minstens gelijkwaardig zijn aan die bepaald op grond van dit hoofdstuk;
  4° verenigingen bedoeld in artikel 1, 1°, van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen;
  5° natuurlijke personen die in België een activiteit uitoefenen die inkomsten bedoeld in artikel 90, eerste lid, 1° bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 genereren, voor de activiteit verbonden met die inkomsten, zolang die inkomsten niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 37bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
  6° de administratieve diensten met boekhoudkundige autonomie en de administratieve openbare instellingen bedoeld in artikel 2 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de Federale Staat.
  Voor de boekhoudplichtige ondernemingen bedoeld in het eerste lid, 3°, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk alleen van toepassing op hun in België gevestigde bijkantoren en centra van werkzaamheden met dien verstande dat hun gezamenlijke bijkantoren en centra van werkzaamheden in België als één boekhoudplichtige onderneming worden beschouwd.
  § 2. Elke boekhoudplichtige onderneming voert een voor de aard en de omvang van haar bedrijf passende boekhouding en neemt de bijzondere wetsvoorschriften betreffende dat bedrijf in acht.".

  Art. 80. In artikel. III.83 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  "De boekhouding van boekhoudplichtige ondernemingen omvat al hun verrichtingen, bezittingen, en rechten van welke aard ook, en hun vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook. De boekhouding van de boekhoudplichtige ondernemingen in de zin van artikel III.82, § 1, eerste lid, 1°, omvat deze gegevens evenwel uitsluitend wat betreft hun zelfstandige beroepsactiviteit; de eigen middelen die voor deze beroepsactiviteit worden aangewend, worden afzonderlijk vermeld.";
  2° in het tweede lid, wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "boekhoudplichtige onderneming" en het woord "ondernemingsactiviteiten" vervangen door het woord "activiteiten";
  3° in het derde lid, wordt het woord "onderneming" vervangen door de woorden "boekhoudplichtige onderneming" en de woorden "tijdelijke handelsvereniging of in een handelsvereniging bij wijze van deelneming" vervangen door de woorden "vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid";
  4° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin :
  "De rekeningen van vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid worden door de zaakvoerders of deelgenoten in hun eigen boekhouding opgenomen volgens de proportionele integratiemethode.".

  Art. 81. In artikel III.84 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 2 april 2014 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "onderneming" en "ondernemingen" worden respectievelijk telkens vervangen door de woorden "boekhoudplichtige onderneming" en "boekhoudplichtige ondernemingen";
  1° /1 in het derde lid worden de woorden "vermeld in artikel III.85, eerste lid, 3° " vervangen door de woorden "vermeld in artikel III.85, § 1, eerste lid, 3° ";
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De Koning bepaalt een afzonderlijke minimumindeling van een algemeen rekeningenstelsel voor de verenigingen en de stichtingen. Hij stelt vast wat de rekeningen van dat stelsel moeten bevatten en hoe ze moeten worden gebruikt.".

  Art. 82. In artikel III.85 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bestaande tekst, die paragraaf 1 zal vormen, worden de woorden "De natuurlijke personen die koopman zijn" vervangen door de woorden "boekhoudplichtige ondernemingen die een onderneming zijn in de zin van artikel I.1, eerste lid, (a) of (c)";
  2° de bestaande tekst, die paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de paragrafen 2 en 3, luidende :
  " § 2. De verenigingen en stichtingen bedoeld in de artikelen 17, § 2, 37, § 2, en 53, § 2, van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen behoeven geen boekhouding te voeren volgens de voorschriften van de artikelen III.83 en III.84 wanneer de verrichtingen die betrekking hebben op mutaties in contant geld of op rekeningen zonder uitstel, getrouw en volledig en naar tijdsorde ingeschreven worden in een ongesplitst dagboek volgens het model door de Koning bepaald.
  Het dagboek is genummerd en wordt geïdentificeerd door de naam van de vereniging of de stichting.
  Het dagboek mag worden gehouden door middel van ingebonden of ingenaaide registers of door middel van geïnformatiseerde systemen.
  Indien het dagboek wordt gehouden door middel van ingebonden of ingenaaide registers, moet het voor het eerste gebruik en vervolgens ieder jaar worden ondertekend door de personen die de vereniging of de stichting ten aanzien van derden vertegenwoordigen.
  Het dagboek wordt bijgehouden naar tijdsorde, zonder enig wit vak of enige weglating, opdat de materiële continuïteit, alsook de regelmatigheid en de onveranderlijkheid van de boekingen gewaarborgd zouden zijn. In geval van correctie moet het oorspronkelijk geschrevene leesbaar blijven.
  Het originele dagboek gehouden door middel van ingebonden of ingenaaide registers wordt gedurende zeven jaar bewaard te rekenen van de eerste januari van het jaar dat op de afsluiting volgt.
  Indien het dagboek wordt gehouden door middel van geïnformatiseerde systemen, verzekert de voor het bewaren gebruikte drager de onveranderlijkheid en de toegankelijkheid van de gegevens die erin geregistreerd zijn gedurende de volledige bewaringstermijn opgelegd in het zesde lid.
  § 3. Paragraaf 2 is op overeenkomstige wijze van toepassing op de centra van werkzaamheden bedoeld in artikelen 26octies, § 1, en 45 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen.".

  Art. 83. In artikel III.87, § 2, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "derde en vierde" vervangen door de woorden "vierde en vijfde".

  Art. 84. In artikel III.88, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt het woord "ondernemingen" vervangen door de woorden "boekhoudplichtige ondernemingen".

  Art. 85. In artikel III.89 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "onderneming" en "ondernemingen" telkens respectievelijk vervangen door de woorden "boekhoudplichtige onderneming" en "boekhoudplichtige ondernemingen".

  Art. 86. In artikel III.90 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord "ondernemingen" vervangen door de woorden "boekhoudplichtige ondernemingen" en de woorden "en die geen onderneming zijn in de zin van artikel III.85" opgeheven;
  b) in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "I.5, 1°, c" vervangen door de woorden"III.82, § 1, eerste lid, 4° ";
  c) in paragraaf 2, vierde lid, 1°, worden de woorden "de natuurlijke personen die koopman zijn" vervangen door de woorden "de ondernemingen vermeld in artikel III.82, § 1, eerste lid, 1° " en wordt het woord "III.85" vervangen door de woorden "III.85, § 1";
  d) in paragraaf 2, vierde lid, 2°, worden de woorden "I.5, 1°, d)" vervangen door de woorden "III. 82, § 1, eerste lid, 5° ";
  e) in paragraaf 2, vierde lid, 6°, worden de woorden "natuurlijke personen die koopman zijn" vervangen door de woorden "ondernemingen vermeld in artikel III.82, § 1, eerste lid, 1° ";
  f) paragraaf 2 wordt aangevuld met een bepaling onder 7°, luidende :
  "7° de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de centra van werkzaamheden van buitenlandse verenigingen zonder winstoogmerk en buitenlandse stichtingen zoals bedoeld in artikelen 26octies, § 1, en 45 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.".

  Art. 87. In artikel III.91 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, derde lid, worden de woorden "in artikel I.5, 1°, bedoelde" vervangen door het woord "boekhoudplichtige";
  2° in paragraaf 2 wordt het cijfer "zesde" vervangen door het cijfer "zevende".

  Art. 88. In artikel III.92 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de woorden "zesde" en "I.5, 1°, " respectievelijk vervangen door de cijfers "zevende" en "III.82, § 1".

  Art. 89. In artikel III.93/2, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 12 december 2016, worden de woorden "in artikel I.5, 1°, bedoelde" vervangen door het woord "boekhoudplichtige".

  Art. 90. Artikel III.94 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. III.94. § 1. De minister bevoegd voor de Economische Zaken of zijn afgevaardigde kan in bijzondere gevallen, na een met redenen omkleed advies van de in artikel III.93 vermelde Commissie voor boekhoudkundige Normen, toestaan dat wordt afgeweken van de regels vastgesteld op grond van artikel III.84, zesde lid, artikel III.89, § 2, artikel III.90 en artikel III.91. Deze bevoegdheid wordt op dezelfde wijze door de minister bevoegd voor Middenstand of zijn afgevaardigde uitgeoefend ten aanzien van de vennootschappen en andere ondernemingen die als klein kunnen worden beschouwd in de zin van het Wetboek van Vennootschappen. De Commissie voor boekhoudkundige Normen wordt in kennis gesteld van het besluit van de minister of zijn afgevaardigde.
  § 2. De minister bevoegd voor Justitie of zijn afgevaardigde, kan in bijzondere gevallen, na een met redenen omkleed advies van de Commissie voor boekhoudkundige Normen, toestaan dat wordt afgeweken van artikel 4, zesde lid, artikel 9, § 2, en artikel 10 van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen in de mate waarin deze van toepassing zijn verklaard door het koninklijk besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen evenals van de bepalingen van dit laatste koninklijk besluit zelf. De Commissie voor boekhoudkundige Normen wordt in kennis gesteld van het besluit van de minister of zijn afgevaardigde.".

  Art. 91. In artikel III.95 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, wordt het woord "zesde" telkens vervangen door het woord "zevende".

  Afdeling 3. - Wijzigingen van boek VI

  Art. 92. In boek VI, titel 2, hoofdstuk 1, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel VI.1/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. VI.1/1. § 1. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op overeenkomsten opgesteld door een notaris of door een gerechtsdeurwaarder in hun hoedanigheid van openbaar ambtenaar.
  § 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op overeenkomsten met betrekking tot juridische bijstand geleverd door een advocaat met toepassing van deel II, boek IIIbis, van het Gerechtelijk Wetboek.".

  Art. 93. In artikel VI.35 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 21 december 2013 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 december 2017, wordt paragraaf 2 vervangen als volgt :
  " § 2. Alvorens een besluit ter uitvoering van paragraaf 1 voor te stellen, raadpleegt de minister de Raad voor het Verbruik en de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO. Wanneer het besluit betrekking heeft op beoefenaars van een vrij beroep worden ook de interprofessionele organisaties van de betrokken beoefenaars van een vrij beroep die niet vertegenwoordigd zijn in de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO geraadpleegd. De minister bepaalt de redelijke termijn waarbinnen het advies moet worden gegeven. Eenmaal deze termijn is verstreken, is het advies niet meer vereist.".

  Art. 94. In boek VI, titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel VI.44/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. VI.44/1. § 1. Deze afdeling is niet van toepassing op overeenkomsten opgesteld door een notaris of door een gerechtsdeurwaarder in hun hoedanigheid van openbaar ambtenaar.
  § 2. Deze afdeling is niet van toepassing op overeenkomsten met betrekking tot juridische bijstand geleverd door een advocaat met toepassing van deel II, boek IIIbis, van het Gerechtelijk Wetboek.".

  Art. 95. In boek VI, titel 3, hoofdstuk 3 van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel VI.63/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. VI.63/1. § 1. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op overeenkomsten opgesteld door een notaris of door een gerechtsdeurwaarder in hun hoedanigheid van openbaar ambtenaar.
  § 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op overeenkomsten met betrekking tot juridische bijstand geleverd door een advocaat met toepassing van deel II, boek IIIbis, van het Gerechtelijk Wetboek.".

  Art. 96. Artikel VI.128 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 21 december 2013, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Wanneer maatregelen, te nemen ter uitvoering van boek VI betrekking hebben op intellectuele prestaties kenmerkend voor beoefenaars van een vrij beroep, worden die maatregelen, overeenkomstig het derde en vierde lid, desgevallend gezamenlijk door ministers bevoegd voor Justitie, Economie, KMO en Middenstand, en volksgezondheid voorgesteld en door hen in onderlinge overeenstemming, ieder wat hem betreft, uitgevoerd.".

  Afdeling 4. - Wijzigingen van boek VII

  Art. 97. In artikel VII.1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 19 april 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2017, wordt de inleidende zin aangevuld als volgt ", evenals die van de handelspapieren en van de cheque.".

  Art. 98. In artikel VII.2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 19 april 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) In paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "Titels 3 en 5 tot 7 van dit boek" vervangen door de worden "Titels 3, 5, 6 en 7 van dit boek";
  b) in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "Titels 4 tot 7 van dit boek" vervangen door de worden "Titels 4 tot 6 en 7 van dit boek".

  Art. 99. In artikel VII.3. van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 19 april 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  i) in paragraaf 1 wordt de inleidende zin vervangen als volgt : "Titels 1 tot 7 van dit boek zijn niet van toepassing op :";
  ii) in paragraaf 1, 7°, worden de bepalingen onder a) en b) vervangen als volgt :
  "a) onverminderd artikelen VII.88, VII.90, VII.147/1, VII.147/3, VII.205 en VII.214/5 een papieren cheque zoals bedoeld in titel 6/1 of een soortgelijke papieren cheque zoals de postcheque, een circulaire cheque of een cheque die valt onder het recht van een Staat die geen partij is bij het verdrag van Genève van 19 maart 1931 houdende een eenvormige wet op de cheques of elke andere cheque;
  b) onverminderd artikelen VII.147/1, VII.205 en VII.214/5, een wisselbrief of een orderbriefje op papier zoals bedoeld in titel 6/1, of een met die documenten vergelijkbare wissel op papier die valt onder het recht van een Staat die geen partij is bij het verdrag van Genève van 7 juni 1930 houdende een eenvormige wet op de wisselbrieven en orderbriefjes;".
  3) het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidende :
  " § 5. Dit boek is niet van toepassing op postcheques, die aan de geldende wetgeving onderworpen blijven.".

  Art. 100. In boek VII van hetzelfde Wetboek wordt een titel 6/1 ingevoegd luidende :
  "Titel 6/1. Waardepapieren".

  Art. 101. In titel 6/1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 100, wordt een hoofdstuk 1 ingevoegd, luidende :
  "Hoofdstuk 1. Algemene bepaling".

  Art. 102. In hoofdstuk 1, ingevoegd bij artikel 101, wordt een artikel 216/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/1. In deze titel dekt het woord "bankier" de in België gevestigde kredietinstellingen die onder de wet vallen van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen.".

  Art. 103. In titel 6/1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 100, wordt een hoofdstuk 2 ingevoegd, luidende :
  "Hoofdstuk 2. De wisselbrief".

  Art. 104. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 1. Uitgifte en vorm van de wisselbrief".

  Art. 105. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 104, worden de artikelen VII.216/2 tot VII.216/11 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII. 216/2. De wisselbrief behelst :
  1° de benaming "wisselbrief", opgenomen in de tekst zelf en uitgedrukt in de taal waarin de titel is gesteld;
  2° de onvoorwaardelijke opdracht tot betaling van een bepaalde som;
  3° de naam van degene die betalen moet (betrokkene);
  4° de aanwijzing van de vervaldag;
  5° die van de plaats waar de betaling moet geschieden;
  6° de naam van degene aan wie of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;
  7° de vermelding van de dagtekening, alsmede van de plaats waar de wisselbrief is getrokken;
  8° de handtekening van degene die de wisselbrief uitgeeft (trekker).
  Art. VII. 216/3. De titel waarin een der vermeldingen, in artikel VIII.216/2 aangegeven, ontbreekt, geldt niet als wisselbrief, behoudens in de hieronder in dit artikel genoemde gevallen :
  De wisselbrief waarvan de vervaldag niet is aangewezen, wordt beschouwd als betaalbaar op zicht.
  Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing wordt de plaats, aangegeven naast de naam van de betrokkene, geacht te zijn de plaats van betaling en tevens die van de woonplaats van de betrokkene.
  De wisselbrief welke niet de plaats vermeldt waar hij is getrokken, wordt geacht te zijn ondertekend in de plaats aangegeven naast de naam van de trekker.
  De handtekening, waarvan sprake in artikel VII.216/2, 8°, kan vervangen worden door een notariële akte in brevet, die op de wisselbrief gesteld wordt en waaruit de wil blijkt van degene die zou hebben moeten ondertekenen.
  Art. VII.216/4. De wisselbrief kan aan de order van de trekker zelf luiden.
  Hij kan worden getrokken op de trekker zelf.
  Hij kan worden getrokken voor rekening van een derde.
  Art. VII.216/5. Een wisselbrief kan betaalbaar zijn aan de woonplaats van een derde, hetzij in de plaats waar de betrokkene zijn woonplaats heeft, hetzij in een andere plaats.
  Art. VII.216/6. In een wisselbrief, betaalbaar op zicht of een zekere tijd na zicht, kan de trekker bepalen dat de som rente draagt. In elke andere wisselbrief wordt deze clausule voor niet geschreven gehouden.
  De rentevoet moet in de wisselbrief worden aangegeven; bij gebreke hiervan wordt de renteclausule voor niet geschreven gehouden.
  De rente loopt te rekenen van de dagtekening van de wisselbrief, tenzij een andere dag is aangegeven.
  Art. VII.216/7. De wisselbrief waarvan het bedrag voluit in letters en tevens in cijfers is geschreven, geldt, in geval van verschil, ten belope van de som voluit in letters geschreven.
  De wisselbrief waarvan het bedrag meermalen is geschreven, hetzij voluit in letters, hetzij in cijfers, geldt, in geval van verschil slechts ten belope van de kleinste som.
  Art. VII.216/8. Indien de wisselbrief handtekeningen bevat van personen die onbekwaam zijn zich door middel van een wisselbrief te verbinden, valse handtekeningen of handtekeningen van verdichte personen, of handtekeningen welke, onverschillig om welke andere reden, de personen die deze handtekeningen op de wisselbrief hebben geplaatst of in wier naam zulks is geschied, niet kunnen verbinden, zijn de verbintenissen van de andere personen wier handtekening op de wisselbrief voorkomt, niettemin geldig.
  Art. VII.216/9. Ieder die zijn handtekening op een wisselbrief plaatst als vertegenwoordiger van een persoon voor wie hij niet de bevoegdheid had te handelen, is zelf krachtens de wisselbrief verbonden en heeft, indien hij betaalt, dezelfde rechten als de beweerde vertegenwoordigde zou hebben gehad. Hetzelfde geldt ten aanzien van de vertegenwoordiger die zijn bevoegdheid heeft overschreden.
  Art. VII.216/10. De trekker staat in voor de acceptatie en voor de betaling.
  Hij kan zijn verplichting, voor de acceptatie in te staan, uitsluiten; elke clausule waarbij hij de verplichting, voor de betaling in te staan, uitsluit, wordt voor niet geschreven gehouden.
  Art. VII.216/11. Indien een wisselbrief, onvolledig ten tijde van de uitgifte, is volledig gemaakt in strijd met de aangegane overeenkomsten, kan de niet-naleving van die overeenkomsten niet worden tegengeworpen aan de houder, tenzij deze de wisselbrief te kwader trouw heeft verkregen of hem grove schuld bij de verkrijging te wijten is.".

  Art. 106. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 2. Endossement".

  Art. 107. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 106, worden de artikelen VII.216/12 tot VII.216/21 ingevoegd, luidende :
  Art. VII.216/12. Elke wisselbrief, ook die welke niet uitdrukkelijk aan order luidt, kan door middel van endossement worden overgedragen.
  Indien de trekker in de wisselbrief de woorden "niet aan order" of een daarmee gelijkstaande uitdrukking heeft opgenomen, kan het stuk slechts worden overgedragen in de vorm en met de gevolgen van een gewone overdracht.
  Art. VII.216/13. Het endossement kan worden gesteld zelfs ten voordele van de betrokkene, al of niet acceptant, van de trekker of van elke andere wisselschuldenaar. Deze personen kunnen de wisselbrief opnieuw endosseren.
  Het endossement moet onvoorwaardelijk zijn. Elke voorwaarde waaraan het is onderworpen, wordt voor niet geschreven gehouden.
  Het gedeeltelijk endossement is nietig.
  Het endossement aan toonder geldt als endossement in blanco.
  Art. VII.216/14. Het endossement moet gesteld worden op de wisselbrief of op een daaraan vastgehecht blad (verlengstuk). Het moet worden ondertekend door de endossant.
  Het endossement kan de geëndosseerde onvermeld laten of bestaan uit de enkele handtekening van de endossant (endossement in blanco). In het laatste geval moet het endossement, om geldig te zijn, op de rugzijde van de wisselbrief op het verlengstuk worden gesteld.
  Art. VII.216/15. Door het endossement worden alle uit de wisselbrief voortvloeiende rechten overgedragen.
  Indien het endossement in blanco is, kan de houder :
  1° het blanco invullen, hetzij met zijn eigen naam, hetzij met de naam van een andere persoon;
  2° de wisselbrief wederom in blanco of aan een andere persoon endosseren;
  3° de wisselbrief aan een derde overgeven, zonder het blanco in te vullen en zonder hem te endosseren.
  Art. VII.216/16. De endossant staat in voor de acceptatie en voor de betaling, tenzij het tegendeel bedongen is.
  Hij kan een endossement verbieden; in dat geval staat hij tegenover de personen aan wie de wisselbrief later is geëndosseerd, niet in voor de acceptatie en voor de betaling.
  Art. VII.216/17. Hij die een wisselbrief onder zich heeft, wordt beschouwd als de rechtmatige houder, indien hij van zijn recht doet blijken door een ononderbroken reeks van endossementen, ook al is het laatste endossement in blanco gesteld. De doorgehaalde endossementen worden te dien aanzien voor niet geschreven gehouden. Wanneer een endossement in blanco door een ander endossement is gevolgd, wordt de ondertekenaar van dit laatste geacht de wisselbrief door het endossement in blanco verkregen te hebben.
  Indien iemand, op welke wijze dan ook, het bezit van de wisselbrief heeft verloren, is de houder, die van zijn recht doet blijken op de wijze, bij het eerste lid aangegeven, niet verplicht de wisselbrief af te geven, tenzij hij deze te kwader trouw heeft verkregen of hem grove schuld bij de verkrijging te wijten is.
  Art. VII.216/18. Zij die uit hoofde van de wisselbrief worden aangesproken, kunnen de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhoudingen tot de trekker of tot vroegere houders, niet aan de houder tegenwerpen, tenzij deze bij de verkrijging van de wisselbrief desbewust ten nadele van de schuldenaar heeft gehandeld.
  Art. VII.216/19. Wanneer het endossement e vermelding bevat "waarde ter incassering", "ter incasso", "in lastgeving" of enige andere vermelding die niets meer dan een opdracht tot inning in zich sluit, kan de houder alle uit de wisselbrief voortvloeiende rechten uitoefenen, maar hij kan hem niet anders endosseren dan als lastgeving.
  De wisselschuldenaars kunnen in dat geval aan de houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen welke aan de endossant zouden kunnen worden tegengeworpen.
  De opdracht, vervat in een incasso-endossement, eindigt niet door de dood of door de latere onbekwaamheid van de lastgever.
  Art. VII.216/20. Wanneer een endossement de vermelding bevat "waarde tot zekerheid", "waarde tot pand" of enige andere vermelding die inpandgeving in zich sluit, kan de houder alle uit de wisselbrief voortvloeiende rechten uitoefenen, maar een door hem gesteld endossement geldt slechts als een endossement als lastgeving
  De wisselschuldenaars kunnen de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhoudingen tot de endossant, niet aan de houder tegenwerpen, tenzij deze bij de ontvangst van de wisselbrief desbewust ten nadele van de schuldenaar heeft gehandeld.
  Art. VII.216/21. Een endossement, gesteld na de vervaldag, heeft dezelfde gevolgen als een endossement, gesteld vóór de vervaldag. Echter heeft het endossement, gesteld na het protest van niet-betaling of na het verstrijken van de termijn voor het opmaken van het protest bepaald, slechts de gevolgen van een gewone overdracht.
  Behoudens tegenbewijs, wordt het endossement zonder dagtekening geacht te zijn gesteld vóór het verstrijken van de termijn, voor het opmaken van het protest bepaald.".

  Art. 108. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 3. Acceptatie".

  Art. 109. In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 108, worden de artikelen VII.216/22 tot VII.216/30 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII. 216/22. De wisselbrief kan tot de vervaldag door de houder of door iemand die hem enkel onder zich heeft, aan de betrokkene te zijner woonplaats ter acceptatie worden aangeboden.
  Art. VII.216/23. In elke wisselbrief kan de trekker, al dan niet met vaststelling van een termijn, bepalen dat deze ter acceptatie moet worden aangeboden.
  Hij kan in de wisselbrief de aanbieding ter acceptatie verbieden, behoudens in wisselbrieven, betaalbaar bij een derde of betaalbaar in een andere plaats dan die van de woonplaats van de betrokkene of betaalbaar een zekere tijd na zicht.
  Hij kan ook bepalen dat de aanbieding ter acceptatie niet kan plaatshebben vóór een bepaalde dag.
  Tenzij de trekker heeft verklaard dat de wisselbrief niet vatbaar is voor acceptatie, kan elke endossant, al dan niet met vaststelling van een termijn, bepalen dat hij ter acceptatie moet worden aangeboden.
  Art. VII.216/24. Wisselbrieven, betaalbaar een zekere tijd na zicht, moeten ter acceptatie worden aangeboden binnen een jaar na hun dagtekening.
  De trekker kan een kortere of een langere termijn bepalen.
  De endossanten kunnen deze termijnen verkorten.
  Art. VII.216/25. De betrokkene kan verzoeken dat hem een tweede aanbieding wordt gedaan de dag, volgende op de eerste. Belanghebbenden zullen zich er niet op mogen beroepen dat aan dit verzoek geen gevolg is gegeven, tenzij het verzoek in het protest is vermeld.
  De houder is niet verplicht de ter acceptatie aangeboden wisselbrief aan de betrokkene af te geven.
  Art. VII.216/26. De acceptatie wordt op de wisselbrief gesteld. Zij wordt uitgedrukt door het woord "geaccepteerd" of door een daarmee gelijkstaand woord; zij wordt door de betrokkene ondertekend. De enkele handtekening van de betrokkene, op de voorzijde van de wisselbrief gesteld, geldt als acceptatie.
  Wanneer de wisselbrief betaalbaar is een zekere tijd na zicht, of wanneer hij krachtens een uitdrukkelijk beding ter acceptatie moet worden aangeboden binnen een bepaalde termijn, moet de acceptatie als dagtekening inhouden de dag waarop zij is geschied, tenzij de houder die van de aanbieding eist. Bij gebreke van dagtekening moet de houder dit verzuim door een tijdig protest doen vaststellen, op straffe van verlies van zijn recht van regres op de endossanten en op de trekker.
  Art. VII.216/27. De acceptatie is onvoorwaardelijk, maar de betrokkene kan haar beperken tot een gedeelte van de som.
  Elke andere wijziging, door de acceptant met betrekking tot het in de wisselbrief vermelde aangebracht, geldt als weigering van acceptatie. De acceptant is echter gehouden overeenkomstig de inhoud van zijn acceptatie.
  Art. VII.216/28. Wanneer de trekker de wisselbrief op een andere plaats dan die van de woonplaats van de betrokkene heeft betaalbaar gesteld, zonder een derde aan te wijzen, bij wie de betaling moet worden gedaan, kan de betrokkene deze bij de acceptatie aanwijzen. Bij gebreke van zodanige aanwijzing wordt de acceptant geacht zich verbonden te hebben zelf te betalen op de plaats van betaling.
  Indien de wisselbrief betaalbaar is aan de woonplaats van de betrokkene, kan deze, in de acceptatie, een adres aanwijzen, in dezelfde plaats waar de betaling moet worden gedaan.
  Art. VII.216/29. Door de acceptatie verbindt de betrokkene zich de wisselbrief op de vervaldag te betalen.
  Bij gebreke van betaling heeft de houder, al ware hij de trekker, tegen de acceptant een rechtstreekse vordering, uit de wisselbrief voortspruitend, voor al hetgeen kan worden gevorderd krachtens de artikelen VII.216/49 en VII.216/50.
  Art. VII.216/30. Indien de betrokkene zijn op de wisselbrief gestelde acceptatie heeft doorgehaald vóór de teruggave van de wisselbrief, wordt de acceptatie geacht te zijn geweigerd. Behoudens tegenbewijs wordt de doorhaling geacht te zijn geschied vóór de teruggave van de wisselbrief.
  Indien echter de betrokkene zijn acceptatie schriftelijk kenbaar heeft gemaakt aan de houder of aan iemand wiens handtekening op de wisselbrief voorkomt, is hij tegenover dezen gehouden overeenkomstig de inhoud van zijn acceptatie.".

  Art. 110. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 4 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 4. Aval".

  Art. 111. In afdeling 4, ingevoegd bij artikel 110, worden de artikelen VII.216/31 tot VII.216/33 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/31. De betaling van de wisselbrief kan zowel voor zijn geheel bedrag als voor een gedeelte daarvan door een borgtocht (aval) worden verzekerd.
  Deze borgtocht kan door een derde, of zelfs door iemand wiens handtekening op de wisselbrief voorkomt, worden gegeven.
  Art. VII.216/32. Het aval wordt op de wisselbrief of op een verlengstuk gesteld of wordt gegeven bij een afzonderlijke akte, die de plaats vermeldt waar het is gegeven.
  Het wordt uitgedrukt door de woorden "goed voor aval" of door enige andere daarmee gelijkstaande uitdrukking; het wordt door de avalgever ondertekend.
  De enkele handtekening van de avalgever, gesteld op de voorzijde van de wisselbrief, geldt als aval, behalve wanneer de handtekening die is van de betrokkene of van de trekker.
  In het aval moet worden vermeld voor wie het is gegeven. Bij gebreke hiervan wordt het geacht voor de trekker te zijn gegeven.
  Art. VII.216/33. De avalgever is op dezelfde wijze verbonden als degene voor wie het aval is gegeven.
  Zijn verbintenis is geldig, zelfs indien wegens een andere oorzaak dan een vormgebrek de door hem gewaarborgde verbintenis nietig is.
  Door te betalen verkrijgt de avalgever de rechten welke krachtens de wisselbrief kunnen worden uitgeoefend tegen degene voor wie het aval is gegeven en tegen degenen die tegenover deze laatste krachtens de wisselbrief verbonden zijn.".

  Art. 112. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 5 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 5. Vervaldag".

  Art. 113. In afdeling 5, ingevoegd bij artikel 112, worden de artikelen VII.216/34 tot VII.216/38 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/34 Een wisselbrief kan worden getrokken :
  1° op zicht;
  2° op een zekere tijd na zicht;
  3° op een zekere tijd na dagtekening;
  4° op een bepaalde dag.
  Wisselbrieven met anders bepaalde vervaldagen of in termijnen betaalbaar zijn nietig.
  Art. VII.216/35. De wisselbrief, getrokken op zicht, is betaalbaar bij de aanbieding. Hij moet ter betaling worden aangeboden binnen een jaar na zijn dagtekening. De trekker kan een kortere of een langere termijn bepalen. De endossanten kunnen deze termijnen verkorten.
  De trekker kan voorschrijven dat een wisselbrief getrokken op zicht niet ter betaling mag worden aangeboden vóór een bepaalde dag. In dat geval loopt de termijn van aanbieding van die dag af.
  Art. VII.216/36. De vervaldag van een wisselbrief, getrokken op een zekere tijd na zicht, wordt bepaald, hetzij door de dagtekening van de acceptatie, hetzij door die van het protest.
  Bij gebreke van protest wordt de niet gedagtekende acceptatie ten aanzien van de acceptanten geacht te zijn gedaan op de laatste dag van de termijn, voor de aanbieding ter acceptatie voorgeschreven.
  Art. VII.216/37. De wisselbrief, getrokken op een of meer maanden na dagtekening of na zicht, vervalt op de overeenkomstige dag van de maand waarin de betaling moet worden gedaan. Bij gebreke van een overeenkomstige dag vervalt een zodanige wisselbrief op de laatste dag van die maand.
  Bij een wisselbrief, getrokken op een of meer maanden en een halve maand na dagtekening of na zicht, worden eerst de gehele maanden gerekend.
  Is de vervaldag bepaald op het begin, op het midden (half januari, half februari, enz.) of op het einde van een maand, dan wordt onder die uitdrukkingen verstaan: de eerste, de vijftiende, de laatste van die maand.
  Onder de uitdrukkingen "acht dagen" of "vijftien dagen" ("quinze jours") moet worden verstaan niet één of twee weken, maar een termijn van acht of van vijftien werkelijke dagen.
  De uitdrukking "halve maand" duidt een termijn van vijftien dagen aan.
  Art. VII.216/38. De vervaldag van een wisselbrief, betaalbaar op een bepaalde dag, in een plaats waar de tijdrekening een andere is dan die van de plaats van uitgifte, wordt geacht te zijn vastgesteld volgens de tijdrekening van de plaats van betaling.
  De dag van uitgifte van een wisselbrief, getrokken tussen twee plaatsen met verschillende tijdrekening en betaalbaar een zekere tijd na dagtekening, wordt herleid tot de overeenkomstige dag van de tijdrekening van de plaats van betaling en de vervaldag wordt dienovereenkomstig vastgesteld.
  De termijnen van aanbieding der wisselbrieven worden berekend overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid.
  Dit artikel is niet van toepassing, indien uit een in de wisselbrief opgenomen clausule of gewoon uit de bewoordingen van de titel een afwijkende bedoeling kan worden afgeleid.".

  Art. 114. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 6 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 6. Betaling"

  Art. 115. In afdeling 6, ingevoegd bij artikel 114, worden de artikelen VII.216/39 tot VII.216/43 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/39. De houder van een wisselbrief, betaalbaar op een bepaalde dag of een zekere tijd na dagtekening of na zicht, moet deze ter betaling aanbieden de dag waarop hij betaalbaar is. Niet inachtneming van dit voorschrift kan slechts aanleiding geven tot schadeloosstelling.
  De aanbieding van een wisselbrief aan een door de regering aangewezen verrekeningskamer of aan een instelling door haar daartoe bevoegd gemaakt, geldt als aanbieding ter betaling.
  Art. VII. 216/40. De betrokkene die de wisselbrief betaalt, kan vorderen dat deze hem wordt uitgeleverd, voorzien van de kwijting van de houder.
  De houder mag niet weigeren een gedeeltelijke betaling aan te nemen.
  In geval van gedeeltelijke betaling kan de betrokkene vorderen dat van die betaling op de wisselbrief melding wordt gemaakt en dat hem daarvoor kwijting wordt gegeven.
  Art. VII.216/41. De houder van een wisselbrief kan niet genoodzaakt worden vóór de vervaldag betaling te ontvangen.
  De betrokkene die vóór de vervaldag betaalt, doet zulks op eigen verantwoordelijkheid.
  Hij die op de vervaldag betaalt, is wettig bevrijd, tenzij hem bedrog of grove schuld te wijten is. Hij is gehouden de regelmatigheid van de reeks van endossementen, maar niet de handtekening der endossanten te onderzoeken.
  Art. VII.216/42. Wanneer de betaling van een wisselbrief is bedongen in ander geld dan dat van de plaats van betaling, kan het bedrag van de wisselbrief worden betaald in het geld van het land volgens zijn waarde op de vervaldag. Indien de schuldenaar in gebreke is, kan de houder te zijner keuze vorderen dat het bedrag van de wisselbrief voldaan wordt in het geld van het land volgens de koers, hetzij van de vervaldag, hetzij van de dag van betaling.
  De waarde van het vreemde geld wordt bepaald volgens de gebruiken van de plaats van betaling. De trekker kan echter bedingen dat het te betalen bedrag moet worden berekend volgens een in de wisselbrief bepaalde koers.
  Het bovenstaande is niet van toepassing, indien de trekker heeft bedongen dat de betaling moet geschieden in een bepaald aangeduid geld (clausule van werkelijke betaling in vreemd geld).
  Indien het bedrag van de wisselbrief is aangegeven in geld dat dezelfde benaming maar een verschillende waarde heeft in het land van uitgifte en in dat van betaling, wordt vermoed dat men het geld van de plaats van betaling heeft bedoeld.
  Art. VII.216/43. Bij gebreke van aanbieding ter betaling van de wisselbrief binnen de termijn, bij artikel VII.216/39 vastgesteld, heeft elke schuldenaar de bevoegdheid het bedrag ervan ter bewaring af te geven aan de bevoegde overheid aangewezen door de regering, op kosten en onder verantwoordelijkheid van de houder.".

  Art. 116. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 7 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 7. Recht van regres in geval van niet-acceptatie of niet-betaling".

  Art. 117. In afdeling 7, ingevoegd bij artikel 116, worden de artikelen VII.216/44 tot VII.216/55 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/44. De houder kan zijn recht van regres op de endossanten, de trekker en de andere wisselschuldenaars uitoefenen :
  1° op de vervaldag :
  indien de betaling niet heeft plaatsgehad;
  2° zelfs vóór de vervaldag :
  a) indien de acceptatie geheel of gedeeltelijk is geweigerd;
  b) wanneer de betrokkene, al dan niet acceptant, of de trekker van een niet voor acceptatie vatbare wisselbrief in een toestand verkeert van staking van betaling of van kennelijk onvermogen.
  Het onder b) hiervoren bepaalde ontneemt aan de garanten van de wisselbrief niet de bevoegdheid om door borgstelling uitsteltermijnen te bekomen, die in geen geval de vervaldag van de wisselbrief mogen overschrijden.
  Art. VII.216/45. De weigering van acceptatie of van betaling moet worden vastgesteld bij authentieke akte (protest van niet-acceptatie of van niet-betaling).
  Het protest van niet-acceptatie moet worden opgemaakt binnen de termijnen voor de aanbieding ter acceptatie vastgesteld. Indien in het geval bij artikel VII.216/25, eerste lid, voorzien, de eerste aanbieding heeft plaatsgehad op de laatste dag van de termijn, kan het protest nog op de volgende dag worden gedaan.
  Het protest van niet-betaling van een wisselbrief, betaalbaar op een bepaalde dag of zekere tijd na dagtekening of na zicht, moet worden gedaan op een der twee werkdagen, volgende op de dag waarop de wisselbrief betaalbaar is. Indien het een wisselbrief, betaalbaar op zicht, betreft, moet het protest worden gedaan overeenkomstig de bepalingen bij het tweede lid vastgesteld voor het opmaken van het protest van niet-acceptatie.
  Het protest van niet-acceptatie maakt de aanbieding ter betaling en het protest van niet-betaling overbodig.
  In geval van kennelijk onvermogen van de betrokkene, al dan niet acceptant, kan de houder zijn recht van regres niet uitoefenen dan nadat de wisselbrief ter betaling aan de betrokkene is aangeboden en protest is opgemaakt.
  In geval van bij rechterlijke beslissing vastgestelde staking van de betalingen van de betrokkene, al dan niet acceptant, alsmede in geval van bij rechterlijke beslissing verklaarde staking van de betalingen van de trekker van een wisselbrief die niet vatbaar is voor acceptatie, kan de houder voor de uitoefening van zijn recht van regres volstaan met overlegging van het vonnis waarbij de toestand van staking van betaling wordt vastgesteld.
  Art. VII.216/46. De houder moet van de niet-acceptatie of van de niet-betaling kennis geven aan zijn endossant en aan de trekker binnen de vier werkdagen, volgende op de dag van het protest of, indien de wisselbrief getrokken is met de clausule "zonder kosten", volgende op die der aanbieding. Elke endossant moet binnen de twee werkdagen, volgende op de dag van ontvangst der kennisgeving, de door hem ontvangen kennisgeving aan zijn endossant meedelen, met aanwijzing van de namen en adressen van degenen die de voorafgaande kennisgevingen hebben gedaan, en zo vervolgens, teruggaande tot de trekker. Deze termijnen lopen vanaf de ontvangst der voorafgaande kennisgeving.
  Indien overeenkomstig het eerste lid een kennisgeving is gedaan aan iemand wiens handtekening op de wisselbrief voorkomt, moet gelijke kennisgeving binnen dezelfde termijn aan diens avalgever worden gedaan.
  Indien een endossant zijn adres niet of op onleesbare wijze heeft aangeduid, kan worden volstaan met kennisgeving aan de voorafgaande endossant.
  Hij die een kennisgeving heeft te doen, kan zulks doen in iedere vorm, zelfs door enkele terugzending van de wisselbrief.
  Hij moet bewijzen dat hij de kennisgeving binnen de voorgeschreven termijn heeft gedaan. Deze termijn wordt gehouden te zijn in acht genomen, wanneer een brief die de kennisgeving behelst, binnen de genoemde termijn ter post is bezorgd.
  Wie de kennisgeving niet binnen de bovenvermelde termijn doet, treft geen verval van zijn recht; hij is, bij voorkomend geval, verantwoordelijk voor de door zijn nalatigheid veroorzaakte schade, zonder dat de schadevergoeding het bedrag van de wisselbrief kan te boven gaan.
  Art. VII.216/47. De trekker, een endossant of een avalgever kan door de clausule "zonder kosten", "zonder protest", of een andere daarmee gelijkstaande op de wisselbrief gestelde en ondertekende clausule, de houder voor de uitoefening van zijn recht van regres ontslaan van het opmaken van een protest van niet-acceptatie of niet-betaling.
  Deze clausule ontslaat de houder niet van de aanbieding van de wisselbrief binnen de voorgeschreven termijnen, noch van het doen van de kennisgevingen. Het bewijs van de niet-inachtneming van de termijnen moet worden geleverd door degene die zich daarop tegenover de houder beroept.
  Is de clausule door de trekker gesteld, dan heeft zij gevolgen ten aanzien van allen wier handtekening op de wisselbrief voorkomt; is zij door een endossant of door een avalgever gesteld, dan heeft zij gevolgen alleen ten aanzien van deze endossant of avalgever. Indien de houder, ondanks de door de trekker gestelde clausule, toch het protest doet opmaken, zijn de kosten daarvan voor zijn rekening. Indien de clausule van een endossant of een avalgever afkomstig is, kunnen de kosten van het protest, indien er een is opgemaakt, op allen wier handtekening op de wisselbrief voorkomt, worden verhaald.
  Art. VII.216/48. Allen die een wisselbrief hebben getrokken, geaccepteerd, geëndosseerd, of voor aval getekend, zijn hoofdelijk tegenover de houder verbonden.
  De houder kan deze personen zowel ieder afzonderlijk als gezamenlijk aanspreken, zonder verplicht te zijn de volgorde waarin zij zich hebben verbonden, in acht te nemen.
  Hetzelfde recht komt toe aan ieder wiens handtekening op de wisselbrief voorkomt en die deze heeft betaald tot voldoening aan zijn regresplicht.
  De vordering, ingesteld tegen één der wisselschuldenaars, belet niet de anderen aan te spreken, al hadden dezen zich later verbonden dan de eerst aangesprokene.
  Art. VII.216/49. De houder kan van degene tegen wie hij zijn recht van regres uitoefent, vorderen :
  1° het bedrag van de niet geaccepteerde of niet betaalde wisselbrief met de interest, indien interest bedongen is;
  2° een interest berekend tegen de wettelijke rentevoet, te rekenen van de vervaldag;
  3° de kosten van protest, die van de gedane kennisgevingen, alsmede de andere kosten.
  Zo de uitoefening van het recht van regres vóór de vervaldag plaats heeft, wordt op de wisselsom een korting toegepast. Deze korting wordt berekend volgens het officiële disconto (bankdisconto), geldende ter woonplaats van de houder, op de dag van de uitoefening van het recht van regres.
  Art. VII.216/50. Hij die de wisselbrief heeft betaald tot voldoening van zijn regresplicht kan van degenen die tegenover hem verbonden zijn, vorderen :
  1° de gehele som die hij betaald heeft;
  2° een interest berekend tegen de wettelijke rentevoet op die som, te rekenen van de dag waarop hij deze betaald heeft;
  3° de door hem gemaakte kosten.
  Art. VII.216/51. Elke wisselschuldenaar tegen wie het recht van regres wordt of kan worden uitgeoefend, kan, tegen betaling tot voldoening aan zijn regresplicht, de afgifte vorderen van de wisselbrief met het protest, alsmede een voor voldaan getekende rekening.
  Elke endossant die de wisselbrief heeft betaald tot voldoening aan zijn regresplicht, kan zijn endossement en dat van de volgende endossanten doorhalen.
  Art. VII.216/52. In geval van uitoefening van het recht van regres na gedeeltelijke acceptatie, kan degene die tot voldoening aan zijn regresplicht het niet geaccepteerde gedeelte van de wisselsom heeft betaald, vorderen dat die betaling op de wisselbrief wordt vermeld en dat hem daarvan kwijting wordt gegeven. De houder moet hem daarenboven uitleveren een voor eensluidend getekend afschrift van de wisselbrief, alsmede het protest, om hem de uitoefening van zijn verdere regresrechten mogelijk te maken.
  Art. VII.216/53. Ieder die een recht van regres kan uitoefenen, kan, tenzij het tegendeel bedongen is, zich de vergoeding bezorgen door middel van een wisselbrief (herwissel), getrokken op zicht op een van degenen die tegenover hem regresplichtig zijn, en betaalbaar te diens woonplaats.
  De herwissel omvat, behalve de bedragen in de artikelen VII.216/49 en VII.216/50 aangegeven, een makelaarsloon en in voorkomend geval taksen.
  Indien de herwissel door de houder is getrokken, wordt het bedrag bepaald volgens de koers van een zichtwissel, getrokken van de plaats waar de oorspronkelijke wisselbrief betaalbaar was, op de woonplaats van de regresplichtige. Indien de herwissel is getrokken door een endossant, wordt het bedrag bepaald volgend de koers van een zichtwissel, getrokken van de woonplaats van de trekker van de herwissel op de woonplaats van de regresplichtige
  Art. VII.216/54. Na afloop van de termijnen vastgesteld :
  1° voor de aanbieding van een wisselbrief getrokken op zicht of op zekere tijd na zicht;
  2° voor het opmaken van het protest van niet-acceptatie of van niet-betaling;
  3° voor de aanbieding ter betaling in geval van clausule "zonder kosten";
  Vervalt het recht van de houder tegen de endossanten, tegen de trekker, en tegen de andere wisselschuldenaars, met uitzondering van de acceptant.
  Bij gebreke van aanbieding ter acceptatie binnen de door de trekker voorgeschreven termijn, vervalt het recht van regres van de houder, zowel wegens niet-betaling als wegens niet-acceptatie, tenzij uit de bewoordingen van de wisselbrief blijkt dat de trekker zich slechts heeft willen bevrijden van zijn verplichting, voor de acceptatie in te staan.
  Indien de bepaling van een termijn voor de aanbieding in een endossement is vervat, kan alleen de endossant daarop een beroep doen.
  Art. VII.216/55. Wanneer de aanbieding van de wisselbrief of het opmaken van het protest binnen de voorgeschreven termijnen wordt verhinderd door een onoverkomelijk beletsel (wettelijk voorschrift van enige staat of ander geval van overmacht), worden deze termijnen verlengd.
  De houder is verplicht van de overmacht aan zijn endossant onverwijld kennis te geven, en deze kennisgeving, gedagtekend en door hem ondertekend, op de wisselbrief of op een verlengstuk te vermelden; voor het overige is artikel VII.216/46 toepasselijk. Na het ophouden van de overmacht moet de houder de wisselbrief onverwijld ter acceptatie of ter betaling aanbieden, en, indien nodig, protest doen opmaken.
  Indien de overmacht meer dan dertig dagen aanhoudt, te rekenen van de vervaldag, kan het recht van regres worden uitgeoefend, zonder dat de aanbieding of het opmaken van protest nodig zijn.
  Voor wisselbrieven, getrokken op zicht of op zekere tijd na zicht, loopt de termijn van dertig dagen van de dag waarop de houder, al ware het vóór het einde van de aanbiedingstermijn, van de overmacht aan zijn endossant heeft kennis gegeven; voor wisselbrieven, getrokken op zekere tijd na zicht, wordt de termijn van dertig dagen verlengd met de zichttermijn, in de wisselbrief aangegeven.
  Als gevallen van overmacht worden niet beschouwd feiten welke van zuiver persoonlijke aard zijn voor de houder of voor degene die hij met de aanbieding van de wisselbrief of met het opmaken van het protest heeft belast.".

  Art. 118. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 8 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 8. Tussenkomst".

  Art. 119. In afdeling 8, ingevoegd bij artikel 118, wordt een onderafdeling 1 ingevoegd, luidende :
  "Onderafdeling 1. Algemene bepalingen".

  Art. 120. In onderafdeling 1, ingevoegd bij artikel 119, wordt artikel VII.216/56 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/56. De trekker, een endossant, of een avalgever, kan iemand aanwijzen om, in geval van nood, te accepteren of te betalen.
  Onder de hierna vastgestelde voorwaarden kan de wisselbrief worden geaccepteerd of betaald door iemand die tussenkomst voor een schuldenaar op wie recht van regres kan worden uitgeoefend.
  De interveniënt kan een derde zijn, zelfs de betrokkene, of een reeds krachtens de wisselbrief verbonden persoon, behalve de acceptant.
  De interveniënt is gehouden, binnen de termijn van twee werkdagen van zijn tussenkomst kennis te geven aan degene voor wie hij tussenkwam. In geval van niet-inachtneming van die termijn is hij, indien daartoe aanleiding bestaat verantwoordelijk voor de schade, door zijn nalatigheid veroorzaakt, zonder dat de schadevergoeding het bedrag van de wisselbrief kan te boven gaan.".

  Art. 121. In afdeling 8, ingevoegd bij artikel 118, wordt een onderafdeling 2 ingevoegd, luidende :
  "Onderafdeling 2. Acceptatie bij tussenkomst".

  Art. 122. In onderafdeling 2, ingevoegd bij artikel 121, worden de artikelen VII.216/57 tot VII.216/59 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/57. De acceptatie bij tussenkomst kan plaats hebben in alle gevallen waarin de houder van een voor acceptatie vatbare wisselbrief vóór de vervaldag recht van regres kan uitoefenen.
  Wanneer op de wisselbrief iemand is aangewezen om deze, in geval van nood, ter plaatse van betaling te accepteren of te betalen, kan de houder zijn recht tegen degene die de aanwijzing heeft gedaan, en tegen hen die daarna hun handtekeningen op de wisselbrief hebben geplaatst, niet vóór de vervaldag uitoefenen, tenzij hij de wisselbrief aan de aangewezen persoon heeft aangeboden, en van diens weigering tot acceptatie protest is opgemaakt.
  In de andere gevallen van tussenkomst kan de houder de acceptatie bij tussenkomst weigeren. Indien hij ze echter aanneemt, verliest hij zijn recht van regres, hetwelk hem vóór de vervaldag toekomt tegen degene voor wie de acceptatie is gedaan, en tegen hen die daarna hun handtekeningen op de wisselbrief hebben geplaatst.
  Art. VII.216/58. De acceptatie bij tussenkomst wordt op de wisselbrief vermeld; zij wordt door de interveniënt ondertekend. Zij wijst aan voor wie zij is geschied; bij gebreke van die aanwijzing wordt zij geacht voor de trekker te zijn geschied.
  Art. VII.216/59. De acceptant bij tussenkomst is tegenover de houder en tegenover de endossanten die de wisselbrief hebben geëndosseerd na degene voor wie de tussenkomst is geschied, op dezelfde wijze als deze laatste verbonden.
  Niettegenstaande de acceptatie bij tussenkomst kunnen degene voor wie zij werd gedaan, en degenen die tegenover hem regresplichtig zijn, van de houder, tegen terugbetaling van de bij artikel VII.216/49 aangewezen som, de afgifte van de wisselbrief, van het protest en van een voor voldaan getekende rekening vorderen, indien daartoe aanleiding bestaat.".

  Art. 123. In afdeling 8, ingevoegd bij artikel 118, wordt een onderafdeling 3 ingevoegd, luidende :
  "Onderafdeling 3. Betaling bij tussenkomst".

  Art. 124. In onderafdeling 3, ingevoegd bij artikel 123, worden de artikelen VII.216/60 tot VII.216/64 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/60. De betaling bij tussenkomst kan plaatshebben in alle gevallen waarin, hetzij op de vervaldag, hetzij vóór de vervaldag, de houder recht van regres heeft.
  De betaling moet de gehele som belopen, welke degene voor wie zij heeft plaatsgehad, moest voldoen. Zij moet plaatshebben uiterlijk op de dag volgende op de laatste dag waarop het protest van niet-betaling kan worden opgemaakt.
  Art. VII.216/61. Indien de wisselbrief is geaccepteerd door interveniënten wier woonplaats ter plaatse van betaling is gevestigd, of indien personen wier woonplaats in dezelfde plaats is gevestigd, zijn aangewezen om in geval van nood te betalen, moet de houder de wisselbrief aan al die personen aanbieden, en, indien daartoe aanleiding bestaat, protest van niet-betaling doen opmaken uiterlijk op de dag volgende op de laatste dag waarop dit kan geschieden.
  Bij gebreke van protest binnen die termijn zijn degene die het noodadres heeft gesteld of voor wie de wisselbrief is geaccepteerd, en de latere endossanten van hun verbintenis bevrijd.
  Art. VII.216/62. De houder die weigert de betaling bij tussenkomst aan te nemen, verliest zijn recht van regres op hen die daardoor zouden zijn bevrijd.
  Art. VII.216/63. De betaling bij tussenkomst moet worden vastgesteld door een kwijting, geplaatst op de wisselbrief met aanwijzing van degene voor wie zij is gedaan. Bij gebreke van die aanwijzing wordt de betaling geacht voor de trekker te zijn gedaan.
  De wisselbrief en het protest, indien dit is opgemaakt, moeten worden uitgeleverd aan hem die bij tussenkomst betaalt.
  Art. VII.216/64. Hij die bij tussenkomst betaalt, verkrijgt de rechten, uit de wisselbrief voortvloeiende, tegen degene voor wie hij heeft betaald, en tegen degenen die tegenover deze laatste krachtens de wisselbrief verbonden zijn. Hij mag echter de wisselbrief niet opnieuw endosseren.
  De endossanten, volgende op degene voor wie de betaling heeft plaatsgehad, zijn bevrijd.
  Indien zich meer personen tot de betaling bij tussenkomst aanbieden, heeft die betaling de voorkeur welke het grootste aantal bevrijdingen teweegbrengt. De interveniënt die desbewust in strijd hiermede handelt, verliest zijn recht van regres tegen hen die anders zouden zijn bevrijd.".

  Art. 125. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 9 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 9. Wisselbrief in verscheidene exemplaren en wisselafschriften".

  Art. 126. In afdeling 9, ingevoegd bij artikel 125, wordt een onderafdeling 1 ingevoegd, luidende :
  "Onderafdeling 1. Wisselbrief in verscheidene exemplaren".

  Art. 127. In onderafdeling 1, ingevoegd bij artikel 126, worden de artikelen VII.216/65 tot VII.216/67 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/65. De wisselbrief kan in verscheidene gelijkluidende exemplaren worden getrokken.
  Die exemplaren moeten in de tekst zelf van de titel worden genummerd, bij gebreke waarvan elk exemplaar wordt beschouwd als een afzonderlijke wisselbrief.
  Iedere houder van een wisselbrief waarin niet is vermeld dat deze in een enkel exemplaar getrokken is, kan op zijn kosten de levering van meer exemplaren vorderen. Te dien einde moet hij zich tot zijn onmiddellijke endossant wenden, die verplicht is zijn medewerking te verlenen om zijn eigen endossant aan te spreken, en zo vervolgens, teruggaande tot de trekker. De endossanten zijn verplicht de endossementen ook op dee exemplaren aan te brengen.
  Art. VII.216/66. De betaling op één der exemplaren gedaan bevrijdt, ook al is niet bedongen dat die betaling de kracht der andere exemplaren teniet doet. Echter blijft de betrokkene verbonden door elk geaccepteerd exemplaar dat hem niet is terugbezorgd.
  De endossant die de exemplaren aan verschillende personen heeft overgedragen, alsook de latere endossanten, zijn verbonden door alle exemplaren die hun handtekening dragen en die niet zijn terugbezorgd.
  Art. VII.216/67. Hij die één der exemplaren ter acceptatie heeft gezonden, moet op de andere exemplaren de naam van de persoon aanwijzen, in wiens handen dat exemplaar zich bevindt. Deze is verplicht, dit aan de rechtmatige houder van een ander exemplaar uit te leveren.
  Weigert hij dit, dan kan de houder zijn recht van regres niet uitoefenen dan nadat hij door een protest heeft doen vaststellen :
  1° dat het ter acceptatie gezonden exemplaar hem desgevraagd niet is uitgeleverd;
  2° dat hij de acceptatie of de betaling op een ander exemplaar niet heeft kunnen verkrijgen.".

  Art. 128. In afdeling 9, ingevoegd bij artikel 125, wordt een onderafdeling 2 ingevoegd, luidende :
  "Onderafdeling 2. Wisselafschriften".

  Art. 129. In onderafdeling 2, ingevoegd bij artikel 128, worden de artikelen VII.216/68 tot VII.216/69 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/68. Elke houder van een wisselbrief heeft het recht daarvan afschriften te vervaardigen.
  Het afschrift moet het oorspronkelijke nauwkeurig weergeven met de endossementen en alle andere vermeldingen die erop voorkomen. Het moet aangeven, waar het afschrift ophoudt.
  Het kan worden geëndosseerd en voor aval getekend op dezelfde wijze en met dezelfde gevolgen als het oorspronkelijke.
  Art. VII.216/69. Het afschrift moet degene in wiens handen het oorspronkelijke stuk zich bevindt, vermelden. Deze is verplicht het oorspronkelijke stuk aan de rechtmatige houder van het afschrift uit te leveren.
  Weigert hij dit, dan kan de houder zijn recht van regres tegen hen, die het afschrift hebben geëndosseerd of voor aval getekend, niet uitoefenen dan nadat hij door een protest heeft doen vaststellen, dat het oorspronkelijke stuk hem desgevraagd niet is uitgeleverd.
  Indien na het laatste daarop geplaatste endossement, alvorens het afschrift is vervaardigd, het oorspronkelijke stuk de clausule draagt: "van hier af geldt het endossement slechts op de kopie", of enige andere daarmede gelijkstaande clausule, is een nadien op het oorspronkelijke stuk geplaatst endossement nietig.".

  Art. 130. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 10 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 10. Tekstveranderingen".

  Art. 131. In afdeling 10, ingevoegd bij artikel 130, wordt een artikel VII.216/70 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/70. In geval van verandering van de tekst van een wisselbrief zijn zij die daarna hun handtekening op de wisselbrief hebben geplaatst, volgens de veranderde tekst verbonden; zij die daarvoor hun handtekening op de wisselbrief hebben geplaatst, zijn verbonden volgens de oorspronkelijke tekst.".

  Art. 132. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 11 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 11. Verjaring".

  Art. 133. In afdeling 11, ingevoegd bij artikel 132, worden de artikelen VII.216/71 tot VII.216/73 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII. 216/71. Alle rechtsvorderingen welke uit de wisselbrief tegen de acceptant voortvloeien, verjaren door verloop van drie jaren, te rekenen van de vervaldag.
  De rechtsvorderingen van de houder tegen de endossanten en tegen de trekker verjaren door verloop van een jaar, te rekenen van de dagtekening van het tijdig opgemaakte protest of, in geval van de clausule "zonder kosten", van de vervaldag.
  De rechtsvorderingen van de endossanten tegen elkander en tegen de trekker verjaren door verloop van zes maanden, te rekenen van de dag waarop de endossant de wisselbrief heeft betaald tot voldoening aan zijn regresplicht, of van de dag waarop hijzelf in rechte is aangesproken.
  Art. VII.216/72. In geval van verjaring blijft, ten bate van hem die de wisselbrief vóór de vervaldag heeft verkregen, een rechtsvordering bestaan :
  1° tegen de trekker die geen fonds bezorgd heeft;
  2° tegen de trekker, de acceptant of de endossant die zich onrechtmatig verrijkt heeft.
  Deze rechtsvordering verjaart door verloop van dezelfde termijnen als in artikel VII.216/71 bepaald, te rekenen van de dag waarop de bij dat artikel bepaalde verjaring verkregen was.
  Art. VII.216/73. De stuiting der verjaring heeft slechts gevolgen tegen degene ten aanzien van wie de daad van stuiting heeft plaatsgehad.
  De verjaring van de vorderingen die voortvloeien uit een wisselbrief, wordt gestuit door rechtsvervolging; zij wordt geschorst door feiten van overmacht.".

  Art. 134. In hoofdstuk 2, ingevoegd bij artikel 103, wordt een afdeling 12 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 12. Algemene bepalingen".

  Art. 135. In afdeling 12, ingevoegd bij artikel 134, worden de artikelen VII.216/74 tot VII.216/76 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII. 216/74. De betaling van een wisselbrief waarvan de vervaldag een wettelijke feestdag is, kan eerst worden gevorderd op de eerstvolgende werkdag. Evenzo kunnen alle andere handelingen met betrekking tot wisselbrieven, met name de aanbieding ter acceptatie en het protest, niet plaatshebben dan op een werkdag.
  Wanneer een van die handelingen moet worden verricht binnen een zekere termijn waarvan de laatste dag een wettelijke feestdag is, wordt die termijn verlengd tot de eerste werkdag volgende op het einde ervan. De tussenliggende feestdagen zijn begrepen in de berekening van de termijn.
  Voor de toepassing van dit artikel is de zaterdag gelijkgesteld met een wettelijke feestdag.
  Art. VII.216/75. In de wettelijke of bij overeenkomst vastgestelde termijnen, wordt de dag waarop zij aanvangen, niet medegerekend.
  Art. VII.216/76. Geen enkele dag uitstel, behalve de in dit hoofdstuk bepaalde, wordt door de wet of door de rechter toegestaan.".

  Art. 136. In titel 6/1, ingevoegd bij artikel 100, wordt een hoofdstuk 3 ingevoegd, luidende :
  "Hoofdstuk 3. Het orderbriefje".

  Art. 137. In hoofdstuk 3, ingevoegd bij artikel 136, worden de artikelen VII.216/77 tot VII.216/80 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII. 216/77. Het orderbriefje behelst :
  1° de benaming "orderbriefje", opgenomen in de tekst zelf en uitgedrukt in de taal waarin de titel is gesteld;
  2° de onvoorwaardelijke belofte tot betaling van een bepaalde som;
  3° de aanwijzing van de vervaldag;
  4° die van de plaats waar de betaling moet geschieden;
  5° de naam van degene aan wie of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;
  6° de vermelding van de dagtekening, alsmede van de plaats waar het orderbriefje is ondertekend;
  7° de handtekening van degene die de titel uitgeeft (ondertekenaar).
  Art. VII.216/78. De titel waarin een der vermeldingen, in artikel VII.216/77 aangegeven, ontbreekt, geldt niet als orderbriefje, behoudens in de hieronder in dit artikel genoemde gevallen.
  Het orderbriefje waarvan de vervaldag niet is aangewezen, wordt beschouwd als betaalbaar op zicht.
  Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing wordt de plaats van de ondertekening van de titel geacht te zijn de plaats van betaling en tevens die van de woonplaats van de ondertekenaar.
  Het orderbriefje dat niet de plaats vermeldt waar het is ondertekend, wordt geacht te zijn ondertekend in de plaats aangegeven naast de naam van de ondertekenaar.
  Art. VII.216/79. Voor zover zij niet onverenigbaar zijn met de aard van het orderbriefje, zijn daarop toepasselijk de bepalingen over wisselbrieven betreffende :
  1° het endossement (artikelen VII.216/12 tot VII. 216/21);
  2° de vervaldag (artikelen VII.216/34 tot VII.216/38);
  3° de betaling (artikelen VII.216/39 tot VII.216/43);
  4° het recht van regres in geval van niet-betaling (artikelen VII.216/44 tot VII.216/51, VII.216/53 tot VII.216/55);
  5° de betaling bij tussenkomst (artikelen VII.216/56, VII.216/60 tot VII.216/64);
  6° de wisselafschriften (artikelen VII.216/68 en VII.216/69);
  7° de tekstveranderingen (artikel VII.216/70);
  8° de verjaring (artikelen VII.216/71, VII.216/72 en VII.216/73);
  9° de feestdagen, de berekening der termijnen en het verbod van uitsteldagen (artikelen VII.216/74, VII.216/75 en VII.216/76);
  10° de betaling van een vermiste wisselbrief (artikelen VII.216/88 tot VII.216/93);
  11° het conservatoir beslag (artikel VII.216/96).
  Eveneens zijn op het orderbriefje toepasselijk de bepalingen betreffende de wisselbrief, betaalbaar bij een derde of in een andere plaats dan die van de woonplaats van de betrokkene (artikelen VII.216/5 en VII.216/28), de renteclausule (artikel VII.216/6), de verschillen in de vermelding met betrekking tot de som die moet worden betaald (artikel VII.216/7), de gevolgen van het plaatsen van een handtekening onder de omstandigheden bedoeld in artikel VII.216/8, die van de handtekening van een persoon die handelt zonder bevoegdheid of die zijn bevoegdheid overschrijdt (artikel VII.216/9), en de wisselbrief in blanco (artikel VII.216/11).
  Eveneens zijn op het orderbriefje toepasselijk de bepalingen betreffende het aval (artikelen VII.216/31 tot VII.216/33); indien in het geval bepaald bij artikel VII.216/32, vierde lid, het aval niet vermeldt voor wie het is gegeven, wordt het geacht voor rekening van de ondertekenaar van het orderbriefje te zijn gegeven.
  Het vijfde lid van artikel VII.216/3 en de artikelen VII.216/72 en VII.216/95 van dit Wetboek zijn eveneens op het orderbriefje van toepassing.
  Art. VII.216/80. De ondertekenaar van een orderbriefje is op dezelfde wijze verbonden als de acceptant van een wisselbrief.
  De orderbriefjes, betaalbaar een zekere tijd na zicht, moeten ter tekening voor "gezien" aan de ondertekenaar worden aangeboden binnen de bij artikel VII.216/24 vastgestelde termijnen. De zichttermijn loopt van de dagtekening van het visum, door de ondertekenaar op het orderbriefje geplaatst. Zijn weigering om het gedagtekend visum te plaatsen, wordt vastgesteld door een protest (artikel VII.216/26) en de zichttermijn begint te lopen van de dagtekening van het protest.".

  Art. 138. In titel 6/1, ingevoegd bij artikel 100, wordt een hoofdstuk 4 ingevoegd, luidende :
  "Hoofdstuk 4. Aanvullende bepalingen".

  Art. 139. In hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 138, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 1. Fondsbezorging".

  Art. 140. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 139, worden de artikelen VII.216/81 tot VII.216/87 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/81. Fonds moet worden bezorgd door de trekker, of indien de wisselbrief voor andermans rekening is getrokken, door de lastgever of ordergever.
  Art. VII.216/82. Fonds is bezorgd wanneer de betrokkene op de vervaldag in het bezit is van een waarde of van een waarborg die toereikend is om hem volledig te dekken en die door de trekker of de ordergever bestemd is om de betaling van de wisselbrief te verzekeren.
  Art. VII.216/83. De houder heeft tegenover de schuldeisers van de trekker een bevoorrechte schuldvordering op het fonds dat in handen van de betrokkenen is bij de opeisbaarheid van de wisselbrief, onverminderd de toepassing van artikel XX.111.
  Indien verscheidene wisselbrieven door een zelfde trekker op een zelfde persoon zijn getrokken, en het fonds dat de betrokkene in handen heeft, ontoereikend is om ze alle te kwijten, worden zij op de volgende wijze betaald.
  Indien het fonds een zekere en bepaalde zaak is, worden de wisselbrieven tot de betaling waarvan het fonds in het bijzonder was bestemd, vóór alle andere betaald, onverminderd evenwel de rechten die aan de betrokkene door vroegere acceptaties mochten zijn toegekend.
  Bij gebreke van een bijzondere bestemming, worden de geaccepteerde wisselbrieven betaald bij voorrang boven de niet geaccepteerde.
  Indien het fonds is bezorgd in vervangbare zaken, hebben de geaccepteerde wisselbrieven voorrang boven de niet geaccepteerde.
  Komen verscheidene geaccepteerde of verscheidene niet-geaccepteerde wisselbrieven gelijktijdig in aanmerking, dan worden zij ponds- pondsgewijs betaald.
  Alles met dien verstande dat de betrokkene die niet in staat van faillissement verkeert, in geval van acceptatie zijn persoonlijke verbintenissen moet nakomen.
  Art. VII.216/84. Het bij artikel VII.216/54 uitgesproken verval heeft niet plaats wanneer de trekker in gebreke blijft aan te tonen dat er fonds bezorgd is op de vervaldag, of wanneer hij, na verstrijking van de in artikel VII.216/54 bepaalde termijnen, op om het even welke wijze de voor betaling van de wisselbrief bestemde gelden heeft ontvangen.
  Hetzelfde geldt wanneer de endossant zich onrechtmatig heeft verrijkt.
  In de gevallen van dit artikel, verjaart de overblijvende rechtsvordering door verloop van één jaar met ingang van de in artikel VII.216/54 bepaalde datum van verval.
  Art. VII.216/85. De houder of de trekker van een wisselbrief heeft tegen de betrokkene die niet heeft geaccepteerd, maar fonds in handen heeft, een rechtstreekse vordering tot betaling van de wisselbrief ten belope van het fonds.
  Art. VII.216/86. De betrokkene kan het fonds niet meer uit handen geven indien de houder hem zulks verbiedt. Dit verbod kan gedaan worden door middel van een gewone brief, die echter moet gevolgd worden door een dagvaarding binnen vijftien dagen na de vervaldag. Het protest van niet-betaling geldt als verbod.
  Art. VII.216/87. In het geval van een rechtsvordering als bedoeld in artikel VII.216/29 tweede lid, is de trekker niet verplicht het bestaan van het fonds te bewijzen.".

  Art. 141. In hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 138, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 2. Betaling van vermiste wisselbrieven".

  Art. 142. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 141, worden de artikelen VII.216/88 tot VII.216/93 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/88. In geval van onvrijwillige en toevallige buitenbezitstelling van een niet geaccepteerde wisselbrief, kan degene aan wie hij toebehoort de betaling ervan vervolgen op een tweede, derde, vierde exemplaar, enz.
  Art. VII.216/89. Indien de vermiste wisselbrief van acceptatie voorzien is, kan de betaling ervan niet gevorderd worden op een tweede, derde, vierde exemplaar, enz. dan krachtens een beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank en tegen borgstelling.
  Art. VII.216/90. Indien hij die onvrijwillig en toevallig buiten bezit van een al dan niet geaccepteerde wisselbrief gesteld is, het tweede, derde, vierde exemplaar, enz., niet kan vertonen, kan hij de betaling van de vermiste wisselbrief vragen en ze verkrijgen krachtens een beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, mits hij van zijn eigendom doet blijken en tegen borgstelling.
  Art. VII.216/91. Wordt de betaling geweigerd, dan bewaart de eigenaar van de vermiste wisselbrief al zijn rechten door een akte van protestatie.
  Deze akte moet opgemaakt worden uiterlijk de tweede dag na de vervaldag van de vermiste wisselbrief.
  Zij moet aan de trekkers en aan de endossanten bij deurwaardersexploot worden betekend binnen vijftien dagen te rekenen van haar dagtekening. Om geldig te zijn moet zij niet noodzakelijk door een rechterlijke beslissing of door een borgstelling zijn voorafgegaan
  Art. VII.216/92. De eigenaar van de vermiste wisselbrief moet, om zich het tweede exemplaar ervan aan te schaffen, zich tot zijn onmiddellijke endossant wenden, die verplicht is hem zijn naam en zijn medewerking te verlenen om zijn eigen endossant aan te spreken, en zo vervolgens van endossant tot endossant tot aan de trekker van de wisselbrief.
  Nadat de trekker het tweede exemplaar heeft uitgeleverd, is elke endossant verplicht daarop zijn endossement opnieuw aan te brengen.
  De eigenaar van de vermiste wisselbrief draagt de kosten.
  Art. VII.216/93. De in de artikelen VII.216/89 en VII.216/90 vermelde verbintenis van de borg eindigt na drie jaren, indien er gedurende die tijd noch rechtsvordering noch rechtsvervolging is geweest.".

  Art. 143. In hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 138, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 3. Bijzondere bepalingen".

  Art. 144. In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 143, worden de artikelen VII.216/94 tot VII.216/96 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/94. Verbintenissen die een Belg in het buitenland ter zake van wisselbrieven en orderbriefjes heeft aangegaan, worden in België slechts dan als geldig erkend, indien hij volgens de Belgische wet de vereiste bekwaamheid bezat om die verbintenissen aan te gaan.
  Art. VII.216/95. Het endossement van een wisselbrief of van een orderbriefje draagt de persoonlijke en zakelijke zekerheden, met name de voorrechten en de hypotheek die de betaling ervan waarborgen, op de geëndosseerde over.
  Behoudens andersluidend beding van het contract van kredietopening, genieten de houders van de wisselbrieven en orderbriefjes welke overeenkomstig de bepalingen van dat contract zijn getrokken of geëndosseerd, de zekerheden die de kredietopening waarborgen, ten belope van het bedrag dat krachtens de kredietopening zal verschuldigd blijven.
  Zijn de zekerheden niet toereikend om de crediteur en de derden, houders van de wisselbrieven en van de orderbriefjes, te dekken, dan worden die derden betaald bij voorrang boven de crediteur en zo nodig pondspondsgewijs.
  Art. VII.216/96. Onverminderd de toepassing van de formaliteiten, voorgeschreven voor de uitoefening van de rechten van regres, kan de houder van een wegens niet-betaling geprotesteerde wisselbrief, met verlof van de beslagrechter, conservatoir beslag leggen op de roerende goederen van de trekkers, acceptanten en endossanten.".

  Art. 145. In hoofdstuk 4, ingevoegd bij artikel 138, wordt een afdeling 4 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 4. Protesten".

  Art. 146. In afdeling 4, ingevoegd bij artikel 145, worden de artikelen VII.216/97 tot VII.216/100 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/97. § 1. De protesten wegens niet-acceptatie of wegens niet-betaling worden door de gerechtsdeurwaarders opgemaakt.
  § 2. De protesten worden opgemaakt :
  1° aan de woonplaats of zetel aangewezen op het handelspapier, en bij ontbreken van aanwijzing, aan de laatste bekende woonplaats of zetel van de debiteur;
  2° aan de woonplaats of zetel van de personen die op het handelspapier, hetzij door de trekker, hetzij door de endossant zijn aangewezen om zo nodig het handelspapier te betalen;
  3° aan de woonplaats of zetel van de derde die bij tussenkomst heeft geaccepteerd.
  In geval van een valse of onjuiste aanwijzing van de woonplaats of zetel stelt de gerechtsdeurwaarder in de akte vast dat de debiteur niet is gevonden.
  Art. VII.216/98. De protestakte bevat de volgende vermeldingen, in zoverre ze relevant zijn met het soort handelspapier waarop het protest betrekking heeft :
  1° de plaats, datum en aard van het protest;
  2° het soort handelspapier waarop het protest betrekking heeft;
  3° de naam en voornamen, rechtsvorm of bijzondere benaming van de begunstigde van het orderbriefje of van de trekker van de wisselbrief, alsook zijn woonplaats of, indien het een rechtspersoon betreft, zijn maatschappelijke zetel en zijn ondernemingsnummer;
  4° de naam en voornamen, rechtsvorm of bijzondere benaming van de ondertekenaar van het orderbriefje of van de betrokkene van de wisselbrief, alsook de vermelding of hij de wisselbrief al dan niet geaccepteerd heeft, zijn woonplaats of, indien het een rechtspersoon betreft, zijn maatschappelijke zetel en zijn ondernemingsnummer;
  5° de vervaldag;
  6° het bedrag van het handelspapier en, indien dat zou verschillen, het bedrag waarvoor het protest werd opgemaakt;
  7° de reden van de weigering die aanleiding geeft tot het protest;
  8° de gedetailleerde kosten van de akte;
  9° de naam en voornamen van de persoon die de protestakte heeft opgemaakt;
  10° de naam van de verzoeker;
  11° de aan- of afwezigheid van degene die moet betalen;
  12° de naam van de persoon aan wie het in artikel VII.216/99 bedoelde bericht is overhandigd.
  Art. VII.216/99. Hij die het protest heeft opgemaakt, laat op de in artikel VII.216/97, § 2, bedoelde woonplaats of zetel een bericht na, met volgende vermeldingen :
  1° de naam en het adres van de houder die om het protest verzocht heeft;
  2° de naam van degene die het protest heeft opgemaakt;
  3° het bedrag van het geprotesteerde handelspapier.
  Indien niemand wordt aangetroffen aan de bedoelde woonplaats of zetel, vermeldt de protestakte dit feit en wordt geen bericht nagelaten.
  Art. VII.216/100. De Koning bepaalt de vorm van de in artikel VII.216/98 bedoelde protestakten en van het in artikel VII.216/99 bedoelde bericht.".

  Art. 147. In titel 6/1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 100, wordt een hoofdstuk 5 ingevoegd, luidende :
  "Hoofdstuk 5. De cheque"

  Art. 148. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 1. Uitgifte en vorm van de cheque".

  Art. 149. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 148, worden de artikelen VII.216/101 tot VII.216/113 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/101. De cheque behelst :
  1° De benaming "cheque", opgenomen in de tekst zelf en uitgedrukt in de taal waarin de titel is gesteld;
  2° De onvoorwaardelijke opdracht tot betaling van een bepaalde som;
  3° De naam van degene die betalen moet (betrokkene);
  4° De aanwijzing van de plaats waar de betaling moet geschieden;
  5° De vermelding van de dagtekening, alsmede van de plaats waar de cheque is getrokken;
  6° De handtekening van degene die de cheque uitgeeft (trekker). De handtekening, waarvan sprake, kan vervangen worden door een notariële akte in brevet, die op de cheque gesteld wordt en waaruit de wil blijkt van degene die zou hebben moeten ondertekenen.
  Art. VII.216/102. De titel waarin een der vermeldingen, in het voorgaande artikel aangegeven, ontbreekt, geldt niet als cheque, behoudens in de gevallen bepaald in de leden 2 tot 5.
  Bij gebreke van een bijzondere aanwijzing wordt de plaats, aangegeven naast de naam van de betrokkene, geacht te zijn de plaats van betaling.
  Indien meer dan een plaats is aangegeven naast de naam van de betrokkene, is de cheque betaalbaar in de eerst-aangegeven plaats.
  Bij gebreke van die aanwijzingen of van iedere andere aanwijzing, is de cheque betaalbaar in de plaats waar het hoofdkantoor van de betrokkene is gevestigd.
  De cheque welke niet de plaats vermeldt waar hij is getrokken, wordt geacht te zijn ondertekend in de plaats aangegeven naast de naam van de trekker.
  Art. VII. 216/103. De cheque wordt getrokken op een bankier die gedurende de gehele aanbiedingstermijn fonds onder zich heeft ter beschikking van de trekker, en krachtens een uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst, volgens welke de trekker het recht heeft bij cheque over dat fonds te beschikken.
  In geval van niet-inachtneming van die voorschriften, met uitzondering van het voorschrift volgens hetwelk op een bankier moet worden getrokken, blijft de titel niettemin als cheque geldig.
  Art. VII.216/104. De cheque kan niet worden geaccepteerd. Een vermelding van acceptatie, op de cheque gesteld, wordt voor niet geschreven gehouden.
  Het staat de trekker evenwel vrij de cheque door de betrokkene te laten certificeren of viseren.
  Het visum heeft geen ander gevolg dan vast te stellen dat op het ogenblik van het visum het fonds aanwezig is.
  De certificering heeft tot gevolg dat het fonds, op de verantwoordelijkheid van de betrokkene, tot het einde van de aanbiedingstermijn ten behoeve van de houder geblokkeerd blijft.
  Het visum of de certificering worden geweigerd wanneer het fonds ontoereikend is, rekening houdend met de vroeger gegeven visa en certificaties.
  Art. VII.216/105. De cheque kan betaalbaar worden gesteld :
  1° Aan een met name genoemde persoon, met of zonder uitdrukkelijke clausule "aan order";
  2° Aan een met name genoemde persoon, met de clausule "niet aan order", of een daarmee gelijkstaande clausule;
  3° Aan toonder.
  De cheque, betaalbaar gesteld aan een met name genoemde persoon met de vermelding "of aan toonder", of een daarmee gelijkstaande uitdrukking, geldt als cheque aan toonder.
  De cheque zonder vermelding van de nemer geldt als cheque aan toonder.
  Art. VII.216/106. De cheque kan aan de order van de trekker zelf luiden.
  De cheque kan worden getrokken voor rekening van een derde.
  De cheque, met uitzondering van de cheque aan toonder, kan worden getrokken op de trekker zelf.
  Art. VII.216/107. Elke in de cheque opgenomen renteclausule wordt als niet geschreven beschouwd.
  Art. VII.216/108. De cheque kan betaalbaar zijn aan de woonplaats van een derde, hetzij in de plaats waar de betrokkene zijn woonplaats heeft, hetzij in een andere plaats, mits echter de derde een bankier is.
  Art. VII.216/109. De cheque waarvan het bedrag voluit in letters en tevens in cijfers is geschreven, geldt, in geval van verschil, ten belope van de som voluit in letters geschreven.
  De cheque waarvan het bedrag meermalen is geschreven, hetzij voluit in letters, hetzij in cijfers, geldt, in geval van verschil, slechts ten belope van de kleinste som.
  Art. VII.216/110. Indien de cheque handtekeningen bevat van personen die onbekwaam zijn zich door middel van een cheque te verbinden, valse handtekeningen of handtekeningen van verdichte personen bevat, of handtekeningen welke, onverschillig om welke andere reden, de personen die deze handtekeningen op de cheque hebben geplaatst of in wier naam zulks is geschied, niet kunnen verbinden, zijn de verbintenissen van de andere personen wier handtekening op de cheque voorkomt, niettemin geldig.
  Art. VII.216/111. Ieder die zijn handtekening op een cheque plaatst als vertegenwoordiger van een persoon voor wie hij niet de bevoegdheid had te handelen, is zelf krachtens de cheque verbonden, en heeft, indien hij betaalt, dezelfde rechten als de beweerde vertegenwoordigde zou hebben gehad. Hetzelfde geldt ten aanzien van de vertegenwoordiger die zijn bevoegdheid heeft overschreden.
  Art. VII.216/112. De trekker staat in voor de betaling.
  Elke clausule waarbij hij deze verplichting uitsluit, wordt als niet geschreven beschouwd.
  Art. VII.216/113. Indien een cheque, onvolledig ten tijde van de uitgifte, volledig is gemaakt in strijd met de aangegane overeenkomsten, kan de niet-naleving van die overeenkomsten niet worden tegengeworpen aan de houder, tenzij deze de cheque te kwader trouw heeft verkregen of hem grove schuld bij de verkrijging te wijten is.".

  Art. 150. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 2. Overdracht".

  Art. 151. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 150, worden de artikelen VII.216/114 tot VII.216/124 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/114. De cheque die betaalbaar is gesteld aan een met name genoemde persoon met of zonder uitdrukkelijke clausule "aan order", kan door middel van endossement worden overgedragen.
  De cheque die betaalbaar is gesteld aan een met name genoemde persoon met de clausule "niet aan order", of een daarmee gelijkstaande clausule, kan slechts worden overgedragen in de vorm en met de gevolgen van een gewone overdracht.
  Het endossement kan worden gesteld zelfs ten voordele van de trekker of van elke andere chequeschuldenaar. Deze personen kunnen de cheque opnieuw endosseren.
  Art. VII.216/115. Het endossement moet onvoorwaardelijk zijn. Elke voorwaarde waaraan het is onderworpen, wordt als niet geschreven beschouwd.
  Het gedeeltelijke endossement is nietig.
  Het endossement van de betrokkene is eveneens nietig.
  Het endossement aan toonder geldt als endossement in blanco.
  Het endossement aan de betrokkene geldt slechts als kwijting, behoudens wanneer de betrokkene verscheidene kantoren heeft en wanneer het endossement is gesteld ten voordele van een ander kantoor dan dat waarop de cheque is getrokken.
  Art. VII.216/116. Het endossement moet gesteld worden op de cheque of op een daaraan vastgehecht blad (verlengstuk). Het moet worden ondertekend door de endossant.
  Het endossement kan de geëndosseerde onvermeld laten of bestaan uit de enkele handtekening van de endossant (endossement in blanco). In het laatste geval moet het endossement, om geldig te zijn, op de rugzijde van de cheque of op het verlengstuk worden gesteld.
  Art. VII.216/117. Door het endossement worden alle uit de cheque voortvloeiende rechten overgedragen.
  Indien het endossement in blanco is, kan de houder :
  1° het blanco invullen, hetzij met zijn eigen naam, hetzij met de naam van een andere persoon;
  2° de cheque wederom in blanco of aan een andere persoon endosseren;
  3° de cheque aan een derde overgeven, zonder het blanco in te vullen en zonder hem te endosseren.
  Art. VII.216/118. De endossant staat in voor de betaling, tenzij het tegendeel bedongen is.
  Hij kan een endossement verbieden; in dat geval staat hij tegenover de personen aan wie de cheque later is geëndosseerd, niet in voor de betaling.
  Art. VII.216/119. Hij die een door endossement overdraagbare cheque onder zich heeft, wordt beschouwd als de rechtmatige houder, indien hij van zijn recht doet blijken door een ononderbroken reeks van endossementen, ook al is het laatste endossement in blanco gesteld. De doorgehaalde endossementen worden te dien aanzien voor niet geschreven gehouden.
  Wanneer een endossement in blanco door een ander endossement is gevolgd, wordt de ondertekenaar van dit laatste geacht de cheque door het endossement in blanco verkregen te hebben.
  Art. VII.216/120. Een op een cheque aan toonder voorkomend endossement maakt de endossant verantwoordelijk overeenkomstig de bepalingen betreffende het recht van regres; het maakt overigens de titel niet tot een cheque aan order.
  Art. VII.216/121. Indien een cheque aan toonder of een cheque, die geëndosseerd kan worden, waarop de houder op de wijze bij artikel VII.216/119 bepaald, zijn recht doet gelden, hoe dan ook uit iemands handen is geraakt, is de houder die haar in handen heeft gekregen, niet verplicht de cheque af te staan, tenzij hij deze te kwader trouw heeft verkregen, of, bij dezelver verkrijging, een zware fout heeft begaan.
  Art. VII.216/122. Zij die uit hoofde van de cheque worden aangesproken, kunnen de verweermiddelen, gegrond op hun persoonlijke verhouding tot de trekker of tot vroegere houders, niet aan de houder tegenwerpen, tenzij deze bij de verkrijging van de cheque desbewust ten nadele van de schuldenaar heeft gehandeld.
  Art. VII.216/123. Wanneer het endossement de vermelding bevat "waarde ter incassering", "ter incasso", "in lastgeving" of enige andere vermelding die niets meer dan een opdracht tot inning in zich sluit, kan de houder alle uit de cheque voortvloeiende rechten uitoefenen, maar hij kan hem niet anders endosseren dan als lastgeving.
  De chequeschuldenaars kunnen in dat geval aan de houder slechts de verweermiddelen tegenwerpen welke aan de endossant zouden kunnen worden tegengeworpen.
  De opdracht, vervat in een incasso-endossement, eindigt niet door de dood of door de latere onbekwaamheid van de lastgever.
  Art. VII.216/124. Het endossement, na het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring of na het einde van de aanbiedingstermijn op de cheque gesteld, heeft slechts de gevolgen van een gewone overdracht.
  Behoudens tegenbewijs, wordt het endossement zonder dagtekening geacht te zijn gesteld vóór het protest of de daarmee gelijkstaande verklaringen of vóór het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn.".

  Art. 152. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 3. Aval".

  Art. 153. In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 152, worden de artikelen VII.216/125 tot VII.216/127 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/125. De betaling van de cheque kan zowel voor zijn geheel bedrag als voor een gedeelte daarvan door een borgtocht (aval) worden verzekerd.
  Deze borgtocht kan door een derde, behalve door de betrokkene, of zelfs door iemand wiens handtekening op de cheque voorkomt, worden gegeven.
  Art. VII.216/126. Het aval wordt op de cheque of op een verlengstuk gesteld.
  Het kan eveneens bij afzonderlijke akte worden gegeven op voorwaarde dat de plaats waar het is tot stand gekomen, erop vermeld wordt.
  Het wordt uitgedrukt door de woorden "goed voor aval", of door enige andere daarmee gelijkstaande uitdrukking; het wordt door de avalgever ondertekend.
  De enkele handtekening van de avalgever, gesteld op de voorzijde van de cheque, geldt als aval, behalve wanneer de handtekening die is van de trekker.
  In het aval moet worden vermeld voor wie het is gegeven. Bij gebreke hiervan wordt het geacht voor de trekker te zijn gegeven.
  Art. VII.216/127. De avalgever is op dezelfde wijze verbonden als degene voor wie het aval is gegeven.
  Zijn verbintenis is geldig, zelfs indien wegens een andere oorzaak dan een vormgebrek de door hem gewaarborgde verbintenis nietig is.
  Door te betalen verkrijgt de avalgever de rechten welke krachtens de cheque kunnen worden uitgeoefend tegen degene voor wie het aval is gegeven en tegen degenen die tegenover deze laatste krachtens de cheque verbonden zijn.".

  Art. 154. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 4 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 4. Aanbieding en betaling".

  Art. 155. In afdeling 4, ingevoegd bij artikel 154, worden de artikelen VII.216/128 tot VII.216/138 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/128. De cheque is betaalbaar op zicht. Elke daarmee strijdige vermelding wordt voor niet geschreven gehouden.
  De cheque die ter betaling wordt aangeboden vóór de dag vermeld als datum van uitgifte, is betaalbaar op de dag van de aanbieding.
  Art. VII.216/129. De cheque die in België uitgegeven en betaalbaar is, moet binnen de termijn van acht dagen ter betaling worden aangeboden.
  De cheque die buiten België is uitgegeven en in het Rijk betaalbaar is, moet worden aangeboden binnen een termijn, hetzij van twintig dagen, hetzij van honderd twintig dagen, naargelang de plaats van uitgifte in Europa of buiten Europa gelegen is.
  Te dien aanzien worden de in een kustland van de Middellandse Zee uitgegeven cheques beschouwd als uitgegeven in Europa.
  De in het tweede lid gestelde termijnen zijn eveneens toepasselijk wanneer uit de bij de uitgifte op de cheque aangebrachte vermeldingen blijkt dat hij, hoewel in België uitgegeven en betaalbaar, nochtans voor de omloop in een ander land bestemd is; de termijnen lopen over twintig of honderd twintig dagen, naargelang de cheque in Europa of buiten Europa in omloop moet zijn.
  De bovengenoemde termijnen beginnen te lopen van de dag die op de cheque als datum van uitgifte is vermeld.
  Art. VII.216/130. De dag van uitgifte van een cheque, getrokken tussen twee plaatsen met verschillende tijdrekening, wordt herleid tot de overeenkomstige dag van de tijdrekening van de plaats van betaling.
  Art. VII.216/131. De aanbieding aan een door de regering aangewezen verrekeningskamer geldt als aanbieding ter betaling.
  Art. VII.216/132. De herroeping van de cheque heeft eerst gevolg na het einde van de aanbiedingstermijn.
  Indien geen herroeping plaatsheeft, kan de betrokkene zelfs na het einde van de termijn betalen.
  Art. VII.216/133. Noch de dood van de trekker, noch zijn na uitgifte opkomende onbekwaamheid zijn van invloed op de gevolgen van de cheque.
  Art. VII.216/134. De betrokkene die de cheque betaalt, kan vorderen dat deze hem wordt bezorgd, voorzien van de kwijting van de houder.
  De houder mag niet weigeren een gedeeltelijke betaling aan te nemen.
  In geval van gedeeltelijke betaling kan de betrokkene vorderen dat van die betaling op de cheque melding wordt gemaakt en dat hem daarvoor kwijting wordt gegeven.
  Art. VII.216/135. De betrokkene die een door endossement overdraagbare cheque betaalt, is gehouden de regelmatigheid van de reeks van endossementen, maar niet de handtekening der endossanten te onderzoeken.
  De betrokkene is door de betaling van de cheque wettig bevrijd, tenzij hem bedrog of grove schuld te wijten is.
  Art. VII.216/136. De eigenaar van een chequeboekje is aansprakelijk voor de orders gegeven op de chequeformulieren uit zijn boekje. Hij draagt namelijk alle gevolgen die voortvloeien uit het verlies, de diefstal of het verkeerd gebruik van die formulieren, tenzij hij bewijst, ofwel dat aan betrokkene bedrog of grove schuld te wijten is, ofwel dat de cheque verloren, gestolen of vervalst werd nadat de wettige geadresseerde hem ontvangen had. Indien deze laatste hetzelfde bewijs levert wordt de schade door de volgende geadresseerde gedragen, enz.
  Art. VII.216/137. Wanneer de betaling van een cheque is bedongen in andere valuta dan die van de plaats van betaling, kan het bedrag binnen de aanbiedingstermijn van de cheque worden betaald in de valuta van het land volgens haar waarde op de dag van betaling. Indien de betaling niet heeft plaatsgehad bij de aanbieding, kan de houder te zijner keuze vorderen dat het bedrag van de cheque voldaan wordt in de valuta van het land volgens de koers, hetzij van de dag van aanbieding, hetzij van de dag van betaling.
  De waarde van de vreemde valuta wordt bepaald volgens de gebruiken van de plaats van betaling. De trekker kan echter bedingen dat het te betalen bedrag moet worden berekend volgens een in de cheque bepaalde koers.
  Het bovenstaande is niet van toepassing, indien de trekker heeft bedongen dat de betaling moet geschieden in een bepaalde aangegeven valuta (clausule van werkelijke betaling in vreemde valuta).
  Indien het bedrag van de cheque is aangegeven in geld dat dezelfde benaming maar een verschillende waarde heeft in het land van uitgifte en in dat van betaling, wordt vermoed dat het geld van de plaats van betaling wordt bedoeld.
  Art. VII.216/138. Bij ontstentenis van enige vermelding van de munteenheid op een in België uitgegeven en betaalbare cheque, wordt verondersteld dat het bedrag uitgedrukt is in euro.".

  Art. 156. In hoofdstuk 5, van titel 6/1, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 5 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 5. Gekruiste cheque en verrekeningscheque"

  Art. 157. In afdeling 5, ingevoegd bij artikel 156, worden de artikelen VII.216/139 tot VII.216/141 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/139. De trekker of de houder van een cheque kan deze kruisen met in de in het volgende artikel genoemde gevolgen.
  De kruising geschiedt door het plaatsen van twee evenwijdige lijnen op de voorzijde van de cheque. Zij kan algemeen zijn of bijzonder.
  De kruising is algemeen, wanneer tussen de twee lijnen geen enkele aanwijzing voorkomt, ofwel de vermelding "bankier" ofwel een daarmee gelijkstaand woord; zij is bijzonder, indien de naam van een bankier voorkomt tussen de twee lijnen.
  De algemene kruising kan worden veranderd in een bijzondere, maar de bijzondere kruising kan niet worden veranderd in een algemene.
  De doorhaling van de kruising of van de naam van de aangewezen bankier wordt geacht niet te zijn geschied.
  Art. VII.216/140. Een cheque met algemene kruising kan door de betrokkene slechts worden betaald aan een bankier of aan een cliënt van de betrokkene.
  Een cheque met bijzondere kruising kan door de betrokkene slechts worden betaald aan de aangewezen bankier of, indien deze de betrokkene is, slechts aan een van zijn cliënten. De aangewezen bankier kan echter de cheque door een andere bankier laten innen.
  Een bankier mag een gekruiste cheque slechts verkrijgen van een van zijn cliënten of van een andere bankier. Hij mag hem niet innen voor rekening van andere personen dan deze.
  Een cheque die meer dan één bijzondere kruising draagt, mag door de betrokkene slechts worden betaald, indien er niet meer dan twee kruisingen zijn, waarvan de ene strekt tot inning door een verrekeningskamer.
  De betrokkene of de bankier die de bovenstaande bepalingen niet naleeft, is aansprakelijk voor de schade tot maximaal de waarde van het bedrag van de cheque.
  Art. VII.216/141. De trekker, alsmede de houder van een cheque, kan verbieden dat deze in baar geld betaald wordt door op de voorzijde in schuine richting te schrijven "in rekening te brengen", of een daarmee gelijkstaande uitdrukking.
  In dat geval mag de betrokkene de cheque slechts voldoen door middel van een boeking (creditering in rekening, overschrijving of schuldvergelijking). De boeking geldt als betaling.
  De doorhaling van de vermelding "in rekening te brengen" wordt geacht niet te zijn geschied.
  De betrokkene die de bovenstaande bepalingen niet naleeft, is verantwoordelijk voor de schade tot beloop van het bedrag van de cheque.".

  Art. 158. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 6 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 6. Recht van regres in geval van niet-betaling"

  Art. 159. In afdeling 6, ingevoegd bij artikel 158, worden de artikelen VII.216/142 tot VII.216/153 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/142. De houder van een cheque heeft tegenover de schuldeisers van de trekker een bevoorrechte schuldvordering op het fonds dat de betrokkene schuldig was ten tijde van de aanbieding van de cheque, onverminderd de toepassing van artikel XX.111.
  Indien verscheidene cheques door eenzelfde trekker op eenzelfde bankier zijn getrokken, en het fonds dat deze laatste schuldig is, ontoereikend is om ze alle te kwijten, worden zij pondspondsgewijs betaald, behoudens in geval van certificering.
  Art. VII.216/143. De houder kan zijn recht van regres uitoefenen op de endossanten, de trekker en de andere chequeschuldenaars, indien de cheque, tijdig aangeboden, niet wordt betaald en indien de weigering van betaling wordt vastgesteld :
  1°. hetzij door een authentieke akte (protest);
  2°. hetzij door een verklaring van de betrokkene, gedagtekend en geschreven op de cheque onder vermelding van de dag van aanbieding;
  3°. hetzij door een gedagtekende en op de cheque geschreven verklaring van een verrekeningskamer, waarbij vastgesteld wordt dat de cheque tijdig aangeboden en niet betaald is.
  De houder kan zijn recht van regres nog uitoefenen op de trekker, wanneer de cheque te laat is aangeboden of de weigering van betaling te laat is vastgesteld, behalve indien het beschikbare fonds na het einde van de aanbiedingstermijn mocht zijn verdwenen ten gevolge van een feit waaraan de trekker vreemd is.
  Art. VII. 216/144. Het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring moet worden gedaan vóór het einde van de aanbiedingstermijn.
  Indien de aanbieding plaats heeft op de laatste dag van de termijn, kan het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring op de eerstvolgende werkdag worden gedaan.
  Art. VII.216/145. De houder van de niet-betaling geeft kennis aan zijn endossant en aan de trekker binnen vier werkdagen, volgende op de dag van het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring en, indien de cheque getrokken is met de clausule "zonder kosten", binnen de vier werkdagen, volgende op die der aanbieding. Elke endossant deelt binnen twee werkdagen, volgende op de dag van ontvangst der kennisgeving, de door hem ontvangen kennisgeving aan zijn endossant mee, met aanwijzing van de namen en adressen van degenen die de voorafgaande kennisgevingen hebben gedaan, en zo vervolgens, teruggaande tot de trekker. Deze termijnen lopen vanaf de ontvangst der voorafgaande kennisgeving.
  Indien overeenkomstig het eerste lid een kennisgeving is gedaan aan iemand wiens handtekening op de cheque voorkomt, moet gelijke kennisgeving binnen dezelfde termijn aan diens avalgever worden gedaan.
  Indien een endossant zijn adres niet of op onleesbare wijze heeft aangeduid, kan worden volstaan met kennisgeving aan de voorafgaande endossant.
  Hij die een kennisgeving heeft te doen, kan zulks doen in iedere vorm, zelfs door enkele terugzending van de cheque.
  Hij moet bewijzen dat hij de kennisgeving binnen de voorgeschreven termijn heeft gedaan. Deze termijn wordt verondersteld te zijn in acht genomen, wanneer een brief die de kennisgeving behelst, binnen de genoemde termijn ter post is bezorgd.
  Wie de kennisgeving niet binnen de bovenvermelde termijn doet, treft geen verval van zijn recht; hij is, in voorkomend geval, verantwoordelijk voor de door zijn nalatigheid veroorzaakte schade, zonder dat de schadevergoeding het bedrag van de cheque kan te boven gaan.
  Art. VII.216/146. Onverminderd de toepassing van de formaliteiten, voorgeschreven voor de uitoefening van de rechten van regres, kan de houder van een wegens niet-betaling geprotesteerde cheque, met verlof van de beslagrechter, conservatoir beslag leggen op de roerende goederen van de trekkers en endossanten.
  Art. VII.216/147. De trekker, een endossant of een avalgever kan door de clausule "zonder kosten", "zonder protest", of een andere daarmee gelijkstaande op de cheque gestelde en ondertekende clausule, de houder voor de uitoefening van zijn recht van regres ontslaan van het opmaken van een protest of een daarmee gelijkstaande verklaring.
  Deze clausule ontslaat de houder niet van de aanbieding van de cheque binnen de voorgeschreven termijn, noch van het doen van de kennisgevingen. Het bewijs van de niet-inachtneming van de termijn moet worden geleverd door degene die zich daarop tegenover de houder beroept.
  Is de clausule door de trekker gesteld, dan heeft zij gevolgen ten aanzien van allen wier handtekening op de cheque voorkomt; is zij door een endossant of door een avalgever gesteld, dan heeft zij gevolgen alleen ten aanzien van deze endossant of avalgever.
  Indien de houder, ondanks de door de trekker gestelde clausule, toch het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring doet opmaken, zijn de kosten daarvan voor zijn rekening. Indien de clausule van een endossant of een avalgever afkomstig is, kunnen de kosten van het protest of van de daarmee gelijkstaande verklaring, indien een akte van die aard is opgesteld, op allen wier handtekening op de cheque voorkomt, worden verhaald.
  Art. VII.216/148. Allen die uit hoofde van een cheque verbonden zijn, zijn hoofdelijk jegens de houder verbonden.
  De houder kan deze personen, zowel ieder afzonderlijk als gezamenlijk aanspreken, zonder verplicht te zijn de volgorde waarin zij zich hebben verbonden, in acht te nemen.
  Hetzelfde recht komt toe aan ieder wiens handtekening op de cheque voorkomt en die deze heeft betaald tot voldoening aan zijn regresplicht.
  De vordering, ingesteld tegen één der chequeschuldenaars, belet niet de anderen aan te spreken, al hadden dezen zich later verbonden dan de eerst aangesprokene.
  Art. VII.216/149. De houder kan van degene tegen wie hij zijn recht van regres uitoefent, vorderen :
  1° het niet betaalde bedrag van de cheque;
  2° een interest berekend tegen de wettelijke rentevoet op die som, te rekenen van de dag waarop hij deze betaald heeft;
  3° de kosten van protest of van de daarmee gelijkstaande verklaring, die van de gedane kennisgevingen, alsmede de andere kosten.
  Art. VII.216/150. Hij die de cheque heeft betaald tot voldoening aan zijn regresplicht, kan van degenen die tegenover hem verbonden zijn, vorderen :
  1° de gehele som die hij betaald heeft;
  2° een interest berekend tegen de wettelijke rentevoet op die som, te rekenen van de dag waarop hij deze betaald heeft;
  3° de door hem gemaakte kosten.
  Art. VII.216/151. Elke chequeschuldenaar tegen wie het recht van regres wordt of kan worden uitgeoefend, kan, tegen betaling tot voldoening aan zijn regresplicht, de afgifte vorderen van de cheque met het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring, alsmede een voor voldaan getekende rekening.
  Elke endossant die de cheque heeft betaald tot voldoening van zijn regresplicht, kan zijn endossement en dat van de volgende endossanten doorhalen.
  Art. VII.216/152. Wanneer de aanbieding van de cheque, het opmaken van het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring binnen de voorgeschreven termijnen wordt verhinderd door een onoverkomelijk beletsel (wettelijk voorschrift van enige Staat of ander geval van overmacht), worden deze termijnen verlengd.
  De houder is verplicht van de overmacht aan zijn endossant onverwijld kennis te geven, en deze kennisgeving, gedagtekend en door hem ondertekend, op de cheque of op een verlengstuk te vermelden; voor het overige zijn de bepalingen van artikel VII.216/145 toepasselijk.
  Na het ophouden van de overmacht moet de houder de cheque onverwijld ter betaling aanbieden, en, indien nodig, het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring doen opmaken.
  Indien de overmacht meer dan vijftien dagen aanhoudt, te rekenen van de dag waarop de houder, al was het vóór het einde van de aanbiedingstermijn, van de overmacht aan zijn endossant heeft kennis gegeven, kan het recht van regres worden uitgeoefend, zonder dat de aanbieding, het opmaken van het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring nodig zijn.
  Als gevallen van overmacht worden niet beschouwd feiten welke van zuiver persoonlijke aard zijn voor de houder of voor degene die hij met de aanbieding van de cheque, het opmaken van het protest of de daarmee gelijkstaande verklaring heeft belast.
  Art. VII.216/153. Bij verval van recht blijft een rechtsvordering bestaan tegen de trekker die geen fonds bezorgd heeft, of tegen een trekker of een endossant die zich onrechtmatig verrijkt heeft.".

  Art. 160. In hoofdstuk 5, van titel 6/1, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 7 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 7. Cheque in verscheidene exemplaren".

  Art. 161. In afdeling 7, ingevoegd bij artikel 160, worden de artikelen VII.216/154 tot VII.216/155 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/154. Behoudens de cheques aan toonder kan elke cheque, uitgegeven in een land en betaalbaar in een ander land of in een overzees deel van hetzelfde land en omgekeerd, ofwel uitgegeven en betaalbaar in een zelfde overzees deel of in verschillende overzeese delen van hetzelfde land, in verscheidene gelijkluidende exemplaren worden getrokken. Wanneer een cheque in verscheidene exemplaren is getrokken, moeten die exemplaren in de tekst zelf van de titel worden genummerd, bij gebreke waarvan elk exemplaar wordt beschouwd als een afzonderlijke cheque.
  Art. VII.216/155. De betaling, op één der exemplaren gedaan, is bevrijdend, ook al is niet bedongen dat die betaling de kracht der andere exemplaren teniet doet.
  De endossant die de exemplaren aan verschillende personen heeft overgedragen, alsook de latere endossanten, zijn verbonden door alle exemplaren die hun handtekening dragen en die niet zijn terugbezorgd.".

  Art. 162. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 8 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 8. Tekstveranderingen".

  Art. 163. In afdeling 8, ingevoegd bij artikel 162, wordt een artikel VII.216/156 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/156. In geval van verandering van de tekst van een cheque zijn zij die daarna hun handtekening op de cheque hebben geplaatst, volgens de veranderde tekst verbonden; zij die daarvoor hun handtekening op de cheque hebben geplaatst, zijn verbonden volgens de oorspronkelijke tekst.".

  Art. 164. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 9 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 9. Verjaring".

  Art. 165. In afdeling 9, ingevoegd bij artikel 164, worden de artikelen VII.216/157 tot VII.216/159 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/157. De regresvorderingen van de houder tegen de endossanten, de trekker en de andere chequeschuldenaars, verjaren door verloop van zes maanden, te rekenen van het einde van de aanbiedingstermijn.
  De regresvorderingen van de verschillende tot betaling van een cheque verbonden schuldenaars tegen elkander verjaren door verloop van zes maanden, te rekenen van de dag waarop de chequeschuldenaar de cheque heeft betaald tot voldoening aan zijn regresplicht, of van de dag waarop hijzelf in rechte is aangesproken.
  Art. VII.216/158. In geval van verjaring blijft een rechtsvordering bestaan tegen de trekker die geen fonds bezorgd heeft, en tegen een trekker of een endossant die zich onrechtmatig mocht hebben verrijkt.
  Art. VII.216/159. De verjaring van de vorderingen die voortvloeien uit een cheque, wordt gestuit door rechtsvervolging; zij wordt geschorst door feiten van overmacht.
  De stuiting der verjaring heeft slechts gevolgen tegen degene ten aanzien van wie de daad van stuiting heeft plaatsgehad.".

  Art. 166. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 10 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 10. Algemene bepalingen"

  Art. 167. In afdeling 10, ingevoegd bij artikel 166, worden de artikelen VII.216/160 tot VII.216/163 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/160. De aanbieding en het protest van een cheque kunnen niet plaatshebben dan op een werkdag.
  Wanneer de laatste dag van de termijn, door de wet gesteld voor het verrichten van handelingen betreffende de cheque, inzonderheid voor de aanbieding en voor het opmaken van het protest of een daarmee gelijkstaande akte, een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, verstrijkt die termijn op de eerstvolgende werkdag. De tussenliggende zaterdagen, zondagen en feestdagen zijn begrepen in de berekening van de termijn.
  Art. VII.216/161. In de termijnen, door dit hoofdstuk bepaald, wordt de dag waarop zij aanvangen, niet medegerekend.
  Art. VII.216/162. Geen enkele dag uitstel wordt door de wet of door de rechter toegestaan.
  Art. VII.216/163. Accreditieven, girobons of giromandaten en bankbiljetten aan order zijn onderworpen aan de bepalingen van deze wet, in zover deze bepalingen verenigbaar zijn met de eigen aard van elk van de genoemde waardepapieren. Hun benaming zal worden opgenomen in de tekst zelf en uitgedrukt in de taal waarin zij zijn gesteld.".

  Art. 168. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 11 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 11. Vermiste cheques".

  Art. 169. In afdeling 11, ingevoegd bij artikel 168, worden de artikelen VII.216/164 tot VII.216/166 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/164. Hij die onvrijwillig en toevallig buiten bezit van een cheque gesteld is en geen ander exemplaar kan vertonen, kan de betaling van de vermiste cheque vragen en ze verkrijgen krachtens een beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, mits hij van zijn eigendom doet blijken en tegen borgstelling.
  Art. VII.216/165. Wordt de betaling geweigerd, dan bewaart de eigenaar van de vermiste cheque al zijn rechten door een protestakte.
  Deze akte moet opgemaakt worden uiterlijk de tweede dag na het einde van de aanbiedingstermijn. Zij moet aan de trekker en de endossanten bij deurwaardersexploot worden betekend binnen acht dagen te rekenen van haar dagtekening.
  Om geldig te zijn moet zij niet noodzakelijk van een rechterlijke beslissing of van een borgstelling zijn voorafgegaan.
  Art. VII.216/166. De in artikel VII.216/165 vermelde verbintenis van de borg eindigt na zes maanden, indien er gedurende die tijd noch rechtsvordering noch rechtsvervolging is geweest.".

  Art. 170. In hoofdstuk 5, ingevoegd bij artikel 147, wordt een afdeling 12 ingevoegd, luidende :
  "Afdeling 12. Wetsconflicten".

  Art. 171. In afdeling 12, ingevoegd bij artikel 170, worden de artikelen VII.216/167 tot VII.216/169 ingevoegd, luidende :
  "Art. VII.216/167. Verbintenissen die een Belg in het buitenland bij cheque heeft aangegaan, worden in België slechts dan als geldig erkend, indien hij volgens de Belgische wet de vereiste bekwaamheid bezat om die verbintenissen aan te gaan.
  Art. VII.216/168. Verbintenissen die een Belg in het buitenland bij cheque heeft aangegaan in de vorm door de Belgische wet voorgeschreven, zijn in België geldig ten opzichte van andere Belgen.
  Art. VII.216/169. De bepalingen van dit boek, waarbij het protest van niet-betaling wordt geregeld, zijn van toepassing op de cheque, in zover zij verenigbaar zijn met de bepalingen van deze afdeling.".

  Afdeling 5. - Wijzigingen van boek X

  Art. 172. Het opschrift van boek X van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : "boek X. Handelsagentuurovereenkomsten, commerciële samenwerkingsovereenkomsten, verkoopconcessies en vervoersovereenkomsten".

  Art. 173. In boek X van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 2 april 2014, wordt een titel 4 ingevoegd luidende :
  "Titel 4. Vervoersovereenkomst".

  Art. 174. In titel 4, ingevoegd bij artikel 173, wordt een artikel X.41 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.41. De vervoerovereenkomst wordt bewezen door alle middelen rechtens, inzonderheid door de vrachtbrief.
  Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 29, § 1, van de wet van 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg en artikelen 5 en 6 het verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg opgemaakt te Genève en goedgekeurd bij van de wet van 4 september 1962 bevat de vrachtbrief ten minste volgende gegevens :
  1° de plaats en de dag van de verzending;
  2° de naam en de woonplaats van de afzender;
  3° de naam en de woonplaats van de geadresseerde;
  4° de naam en de woonplaats van de vervoerder of van de commissionair door wiens bemiddeling het vervoer geschiedt;
  5° de aard, het gewicht of de maat van de te vervoeren goederen, het getal en de bijzondere merken van de colli's;
  6° de tijd waarbinnen het vervoer moet geschieden en de prijs van het vervoer of de reglementaire voorwaarden waarnaar partijen verwijzen.
  De vrachtbrief wordt getekend door de afzender of door de commissionair.".

  Art. 175. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.42 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.42. De commissionair of de vervoerder is gehouden de aard, de hoeveelheid en desgevorderd de waarde van de te vervoeren goederen in zijn dagboek aan te tekenen overeenkomstig de verklaringen van de afzender.".

  Art. 176. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.43 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.43. Hij staat in voor de aankomst van de goederen en van de personen binnen de overeengekomen tijd, behoudens toeval of overmacht.".

  Art. 177. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.44 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.44. Hij is aansprakelijk voor de beschadiging of het verlies van de zaken alsmede voor de ongevallen waardoor de reizigers worden getroffen, indien hij niet bewijst dat de beschadiging, het verlies of het ongeval het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegeschreven.".

  Art. 178. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.45 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.45. Hij staat borg voor de daden van de commissionair of van de tussenvervoerder aan wie hij de te vervoeren goederen toezendt.".

  Art. 179. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.46 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.46. Zolang de goederen niet ter bestemming zijn afgeleverd en voor zover in de vrachtbrief niet anders is bedongen, is de vervoerder gehouden de aanwijzingen van de afzender te volgen en is alleen deze gerechtigd om over de goederen te beschikken.
  Het recht van de afzender houdt op te bestaan zodra de goederen aan de besteldienst zijn afgegeven of zodra aan de geadresseerde een bericht van aankomst is gezonden.".

  Art. 180. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.47 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.47. De inontvangstneming van de vervoerde goederen doet elke vordering tegen de vervoerder en de commissionair vervallen behalve wanneer een bijzonder voorbehoud is gemaakt of in geval van niet uiterlijk zichtbare beschadiging.
  Het bijzonder voorbehoud of het bezwaar moet op schrift worden gesteld en aan de vervoerder gezonden uiterlijk de tweede dag na de inontvangstneming in geval van uiterlijk zichtbare beschadiging en van verlies, en binnen een termijn van zeven dagen, de dag van inontvangstneming niet inbegrepen, in geval van vertraging.
  Wanneer de vervoerder bij de aflevering heeft gewezen op beschadiging of gedeeltelijk verlies, dient de geadresseerde dadelijk bezichtiging van de vervoerde goederen toe te staan.
  In geval van niet uiterlijk zichtbare beschadiging of van manco binnen de vervoerde goederen, kan het bezwaar van de geadresseerde alsnog worden aangenomen, indien het schriftelijk aan de vervoerder is gericht binnen een termijn van zeven dagen, de dag van inontvangstneming niet inbegrepen, en indien vaststaat dat de beschadiging of het manco er reeds van voor de aflevering was.
  De uitzondering bepaald voor het geval van niet uiterlijk zichtbare beschadiging of manco binnen in de vervoerde goederen, geldt niet wanneer het voorstel om de koopwaar te bezichtigen aan de geadresseerde of aan zijn gemachtigde gedaan is op het ogenblik van de aflevering.
  De vordering blijft slechts bestaan betreffende de punten waarover een bijzonder voorbehoud of bezwaar is gemaakt.".

  Art. 181. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.48 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.48. Wanneer de vervoerde goederen worden geweigerd of aangaande de inontvangstneming daarvan geschil is ontstaan, wordt de staat van de goederen, indien een belanghebbende het vordert, onderzocht door een of drie deskundigen, die worden benoemd bij een beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, onderaan op een verzoekschrift gesteld.
  De geadresseerde van de vervoerde goederen wordt opgeroepen bij een aangetekende zending, waarin dag en uur van het deskundigenonderzoek worden aangegeven.
  De beschikking kan bevelen dat de goederen in bewaring zullen worden gegeven of onder sekwester gesteld, alsook dat zij naar een openbare of particuliere opslagplaats zullen worden gebracht.
  De beschikking kan de verkoop gelasten ten bate van de vervoerder of de commissionair ten belope van hetgeen hem naar aanleiding van het vervoer verschuldigd is. Deze verkoop geschiedt openbaar in de door de voorzitter aangewezen plaats, en ten minste drie vrije dagen nadat daarvan bericht is gegeven aan de geadresseerde en de afzender.
  Deze termijn wordt verdubbeld wanneer een van de belanghebbenden in het buitenland verblijft.
  In spoedeisende gevallen kan de voorzitter die termijnen verkorten.
  De beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep. Zij is uitvoerbaar op de minuut en voor de registratie.".

  Art. 182. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.49 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.49. Alle rechtsvorderingen, ontstaan uit de overeenkomst van goederenvervoer, met uitzondering van het ziekenvervoer en van die welke volgen uit een strafbaar feit, verjaren door verloop van zes maanden ten aanzien van binnenlands vervoer en door verloop van een jaar ten aanzien van internationaal vervoer.
  De verjaring loopt, in geval van totaal verlies of van vertraging, van de dag waarop het vervoer had moeten plaatshebben, en in geval van gedeeltelijk verlies of van beschadiging, van de dag der afgifte van de goederen. In geval van onregelmatige toepassing van het tarief of van fouten in de berekening van de vervoerkosten en bijkomende kosten, loopt de verjaring van de dag der betaling.
  De rechtsvorderingen ontstaan uit de overeenkomst van personenvervoer, met uitzondering van die welke volgen uit een strafbaar feit, verjaren door verloop van één jaar.
  De verjaring loopt van de dag waarop het feit dat tot de rechtsvordering aanleiding geeft, zich heeft voorgedaan.
  Regresvorderingen moeten, op straffe van verval, worden ingesteld binnen de termijn van een maand, te rekenen van de dagvaarding die tot het regres aanleiding geeft.".

  Art. 183. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.50 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.50. De voorafgaande bepalingen van deze titel zijn, behoudens afwijking, van toepassing op de spoorwegondernemingen.".

  Art. 184. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.51 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.51. De Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen moet in binnenlandse dienst alle vervoer van personen verrichten dat kan geschieden met de normale vervoermiddelen waarmede aan de regelmatige behoeften van het verkeer kan worden voldaan, onder de voorwaarden bepaald in het beheerscontract.".

  Art. 185. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.52 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.52. De tarieven, die van toepassing zijn op het personenvervoer in binnenlandse dienst, worden door berichten in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.".

  Art. 186. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.53 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.53. Een reglement bepaalt onder welke voorwaarden de reizigers tot het vervoer worden toegelaten. Het bepaalt welke reizigers niet in de treinen mogen worden toegelaten.".

  Art. 187. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.54 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.54. Het is aan de spoorwegvervoerder verboden in zijn tarieven of reglementen bepalingen op te nemen, waardoor zijn gemeenrechtelijke aansprakelijkheid gewijzigd wordt voor de ongevallen waardoor de reizigers worden getroffen.".

  Art. 188. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.55 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.55. Een reglement bepaalt onder welke voorwaarden de reiziger het recht heeft zijn bagage te laten vervoeren met de trein waarin hij toegelaten is, en welke bagage hij bij zich mag houden.
  Ten aanzien van de laatstgenoemde bagage draagt de spoorwegvervoerder generlei aansprakelijkheid, behalve wanneer vaststaat dat hij schuld heeft.".

  Art. 189. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.56 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.56. Tegen overhandiging van de bagage bij de verzending wordt een genummerd en gedagtekend bewijs afgegeven, waarop worden vermeld de plaats van vertrek en van aankomst, het aantal colli's en hun totale gewicht van de colli's, de ontvangen prijs en, in voorkomend geval, de aangifte van het belang bij de aflevering. Het bewijs kan elektronisch worden gegeven in de vorm en volgens de nadere regels bepaald door de Koning.".

  Art. 190. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.57 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.57. De bagage wordt bij de aankomst van de trein afgegeven tegen overhandiging van het bewijs.".

  Art. 191. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.58 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.58. De spoorwegvervoerder is gehouden in elk station waar hij een verkooppunt exploiteert een lokaal met afhaalpunt te hebben waarin de bagage en goederen die na de aankomst van de trein niet worden afgehaald, en de bagage en goederen die reizigers verlangen in bewaring te geven, veilig wordt geborgen gedurende de door de reglementen bepaalde maximale termijnen.
  Elke spoorwegvervoerder die geen verkooppunten exploiteert, voorziet in een lokaal met afhaalpunt ten minste één Belgisch station.
  De aansprakelijkheid van de spoorwegvervoerder is beperkt tot de verplichtingen van de bewaarnemer.
  De bewaargever ontvangt een bewijs waarop de aard, hun aantal en indien hij het wenst, het totale gewicht van zijn colli's worden vermeld. Het bewijs kan elektronisch worden gegeven in de vorm en volgens de modaliteiten bepaald door de Koning.
  De spoorwegvervoerder levert redelijke inspanningen om de rechtmatige eigenaar van die voorwerpen te identificeren en te informeren voor het verstrijken van de bij de reglementen bepaalde termijn.
  Als de bewaargever of degene die bagage en goederen heeft laten vervoeren, verzuimt die voorwerpen binnen de door de reglementen bepaalde maximale termijn terug te vorderen en de spoorwegvervoerder heeft deze personen niet kunnen identificeren en informeren, past de spoorwegvervoerder de procedure toe waarin de wet van 6 april 2010 betreffende de verplichte bewaring door een spoorwegvervoerder van verloren, achtergelaten of niet afgehaalde bagage en goederen voorziet.".

  Art. 192. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.59 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.59. Wanneer de spoorwegvervoerder ernstige redenen heeft om te vermoeden dat een gedane verklaring onjuist is of dat er zich schadelijke of gevaarlijke stoffen, waarvan geen aangifte is gedaan of waarvan het vervoer verboden is, in de colli's of de bagage bevinden, kan hij deze doen openen, ook als ze in bewaring gegeven zijn of als de reizigers ze overeenkomstig de reglementen bij zich houden. De opening geschiedt hetzij in tegenwoordigheid van de afzender of de reiziger, hetzij, in geval van afwezigheid of van weigering, ten overstaan van een officier van gerechtelijke politie.".

  Art. 193. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.60 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.60. Voor het binnenlands vervoer van goederen is de aansprakelijkheid van de spoorwegvervoerder onderworpen aan de bepalingen van titel IV van de uniforme regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen (C.I.M.) van appendix B aan het "Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer", goedgekeurd bij de wet van 25 april 1983.".

  Art. 194. In dezelfde titel 4 wordt een artikel X.61 luidend als volgt ingevoegd :
  "Art. X.61. De Koning kan ten aanzien van de exploitatie van vervoermiddelen voor personen of goederen de maatregelen voorschrijven die Hij noodzakelijk acht voor de handhaving van de orde en de veiligheid van de reizigers.".

  Afdeling 6. - Wijzigingen van boek XI

  Art. 195. In artikel XI.337, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 april 2014 en vervangen bij de wet van 19 december 2017 worden de woorden "rechtbank van koophandel" vervangen door de woorden "ondernemingsrechtbank" en worden de woorden ", zelfs wanneer de partijen geen kooplieden zijn," opgeheven.

  Art. 196. In artikel XI.339, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 april 2014, worden de woorden "rechtbanken van koophandel" vervangen door de woorden "ondernemingsrechtbanken" en worden de woorden ", zelfs wanneer de partijen geen kooplieden zijn," opgeheven.

  Art. 197. In artikel XI.342, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de woorden "rechtbanken van koophandel" vervangen door de woorden "ondernemingsrechtbanken" en worden de woorden ", zelfs wanneer de partijen geen kooplieden zijn," opgeheven.

  Afdeling 7. - Wijzigingen van boek XV

  Art. 198. In boek XV, titel 1, hoofdstuk 2, afdeling 1, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel XV.10/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. XV.10/1. Wanneer een onderzoeksmaatregel of maatregel tot vaststelling van een inbreuk ten aanzien van de beoefenaar van een vrij beroep ten uitvoer wordt gelegd, gebeurt zulks in voorkomend geval uitsluitend in aanwezigheid van de vertegenwoordiger van de persoon met het tuchtrechtelijke gezag ten aanzien van die beoefenaar of nadat die persoon behoorlijk werd opgeroepen, opdat deze zou oordelen of, en gebeurlijk in welke mate, de vraag om inlichtingen of de overlegging van boeken en bescheiden verzoenbaar is met het eerbiedigen van het beroepsgeheim.
  Bovendien wordt die maatregel ten uitvoer gelegd met inachtneming van het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de cliënt van de beoefenaar van het vrij beroep.
  De dossiers en andere documenten van de beoefenaar van het vrij beroep kunnen niet in beslag worden genomen. Er kan een afschrift van worden gemaakt dat door de beoefenaar van het vrij beroep voor eensluidend wordt verklaard, onder voorbehoud van het eerste en tweede lid en met inachtneming van het beroepsgeheim.
  De vertegenwoordiger van de bevoegde tuchtoverheid kan aan de overheden die deze maatregelen hebben uitgevaardigd alle opmerkingen betreffende het bewaren van het beroepsgeheim richten. De akten van beslag en de processen-verbaal van visitatie vermelden op straffe van nietigheid de aanwezigheid van de vertegenwoordiger van de bevoegde tuchtoverheid of het feit dat zij op correcte wijze werd uitgenodigd, alsook de opmerkingen die de vertegenwoordiger van de bevoegde tuchtoverheid meende te moeten maken.".

  Art. 199. In artikel XV.17, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014 en gewijzijgd bij de wet van 1 december 2016, worden de woorden ", titels 1 tot 6" ingevoegd tussen de woorden "van boek VII" en de woorden ", en van zijn uitvoeringsbesluiten".

  Art. 200. Afdeling 6 van boek XV, titel 1, hoofdstuk 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 15 mei 2014, wordt opgeheven.

  Art. 201. In artikel XV.67/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden ", titels 1 tot 6" ingevoegd tussen de woorden "van boek VII" en de woorden "behalve de bepalingen van";
  2° in paragraaf 7, worden de woorden ", titels 1 tot 6" ingevoegd tussen de woorden "van boek VII" en de woorden "en zijn uitvoeringsbesluiten".

  Art. 202. In artikel XV.67/2, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014 en gewijzijgd bij de wet van 18 december 2015, worden de woorden ", titels 1 tot 6" ingevoegd tussen de woorden "van boek VII" en de woorden "behalve de bepalingen van".

  Art. 203. In artikel XV.67/3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014 en gewijzijgd bij de wetten van 26 oktober 2015 en 25 oktober 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden ", titels 1 tot 6" ingevoegd tussen de woorden "van boek VII" en de woorden "of zijn uitvoeringsbesluiten";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden ", titels 1 tot 6" ingevoegd tussen de woorden "van boek VII" en de woorden ", stelt de FSMA de bevoegde".

  Art. 204. In artikel XV.75 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) In het eerste lid, in de bepaling onder 1°, worden de woorden "De natuurlijke personen die koopman zijn" vervangen door de woorden "De natuurlijke personen die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefenen";
  b) in het eerste lid, in de bepaling onder 2°, worden de woorden "van ondernemingen" opgeheven;
  c) in het derde lid, worden de woorden "De natuurlijke personen die koopman zijn" vervangen door de woorden "De natuurlijke personen die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefenen" en worden de woorden "betrokken boekhoudplichtige onderneming" ingevoegd tussen de woorden "wanneer de" en de woorden "onderneming failliet is".

  Art. 205. In artikel XV.77 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de bepaling onder 1° worden de woorden "handelshoedanigheid of niet handelshoedanigheid naar privaat recht" vervangen door de woorden "hoedanigheid van inschrijvingsplichtige onderneming";
  b) in de bepaling onder 2° worden de woorden "met handelshoedanigheid of niet-handelshoedanigheid naar privaat recht" vervangen door de woorden "als inschrijvingsplichtige onderneming";
  c) in de bepaling onder 6° worden de woorden "handelshoedanigheid of niet handelshoedanigheid naar privaat recht" vervangen door de woorden "hoedanigheid van inschrijvingsplichtige onderneming".

  Art. 206. In artikel XV.78, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 2013, worden in de bepaling onder 1° de woorden "met handelshoedanigheid of niet-handelshoedanigheid naar privaat recht" vervangen door de woorden "als inschrijvingsplichtige onderneming".

  Art. 207. Artikel XV.90 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014 en gewijzigd bij de wetten van 22 april 2016 en 18 april 2017, wordt aangevuld met een bepaling onder 20°, luidende :
  "20° : a) wetens en willens een cheque of enig ander door dit Wetboek met de cheque gelijkgesteld waardepapier uitgeven zonder voorafgaand, toereikend en beschikbaar fonds; of
  b) dergelijk waardepapier overdragen, wetende dat het fonds niet toereikend en beschikbaar is; of
  c) als trekker wetens en willens het fonds van dergelijk waardepapier geheel of ten dele terugnemen tijdens de aanbiedingstermijn; of
  d) als trekker, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, een dergelijk waardepapier herroepen of het fonds ervan geheel of ten dele onbeschikbaar maakt, of na het verstrijken van de aanbiedingstermijn het fonds geheel of ten dele terugnemen.".

  Art. 208. In boek XV, titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 5 van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel XV.91/1 ingevoegd, luidende als volgt :
  "Art. XV.91/1. Met een sanctie van niveau 2, wordt gestraft voor elke overtreding de bankier die, bij afgifte van een boekje met formulieren van cheques, aan zijn kas betaalbaar, op de omslag van elk boekje niet woordelijk de tekst van artikel XV.90,20°, weergeeft.".

  Art. 209. In boek XV, titel 3, hoofdstuk 2, afdeling 10 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wet van 26 oktober 2015, omvattende de artikelen XV.124 tot XV.124/3, wordt opgeheven.

  Art. 210. In artikel XV.131 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 20 november 2013, en gewijzigd bij de wetten van 21 december 2013, 19 april 2014 en 15 mei 2014, worden de woorden ", XIV" opgeheven.

  Afdeling 8. - Wijzigingen van boek XVII

  Art. 211. Artikel XVII.1 van boek XVII van hetzelfde Wetboek ingevoegd bij de wet van 26 december 2013 en, gewijzigd bij wet van 15 mei 2014, wordt vervangen als volgt :
  "Art. XVII.1. De voorzitter van de ondernemingsrechtbank stelt het bestaan vast en beveelt de staking van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk uitmaakt op de bepalingen van dit Wetboek, onverminderd de bijzondere bepalingen eigen aan boeken VI, XI en XII, bedoeld in hoofdstukken 3, 4 en 5 van deze titel.".

  Art. 212. In artikel XVII.21, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 april 2014 en vervangen bij de wet van 8 juni 2017 worden de woorden "een handelaar" vervangen door de woorden "een onderneming" en de woorden "rechtbank van koophandel" door "ondernemingsrechtbank".

  Art. 213. In boek XVII, titel 1, van hetzelfde Wetboek, hoofdstuk 5/1 ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014 en omvattende de artikelen XVII.25/1 tot XVII.25/5, wordt opgeheven.

  Art. 214. In artikel XVII.37, enig lid, ingevoegd bij de wet van 28 maart 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 juni 2017, wordt in het 1° de bepaling onder h) opgeheven.

  Afdeling 9. - Wijzigingen van boek XX

  Art. 215. Artikel XX.1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, wordt vervangen als volgt :
  "Art. XX.1. § 1. De bepalingen van dit boek gelden onverminderd het bijzondere recht dat de gereglementeerde vrije beroepen of de ministeriële ambtenaren en notarissen betreft, met inbegrip van de toegang tot het beroep, de beperkingen aan het beheer en de overgang van het vermogen en de eerbiediging van het beroepsgeheim.
  De bepalingen van dit Wetboek mogen niet derwijze worden uitgelegd dat zij een beperking zouden inhouden van de plicht tot het bewaren van het beroepsgeheim of de vrije keuze van de patiënt of cliënt van de beoefenaar van een vrij beroep.
  De Koning bepaalt de nadere toepassingsregels van dit boek voor de vrije beroepen en hun verenigingen.
  § 2. De bepalingen van de titels 2, 3, 4 en 5 van dit boek zijn niet van toepassing op de kredietinstellingen, de verzekeringsondernemingen, de beleggingsondernemingen, de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging, de verrekenings- en vereffeningsinstellingen en gelijkgestelde instellingen, de herverzekeringsondernemingen, de financiële holdings en de gemengde financiële holdings.
  § 3. In geval van twijfel betreffende de verenigbaarheid van een bepaling van dit boek met een verplichting volgend uit het wettelijk statuut van de ondernemingen bedoeld in paragraaf 2, kunnen de rechtbank, de gedelegeerd rechter, de rechter-commissaris, hetzij op eigen initiatief hetzij op verzoek van elke partij in de insolventieprocedure, het advies vragen van de Ordes of Instituten waarvan de beroepsbeoefenaar deel uitmaakt. Dit advies wordt gegeven worden binnen een termijn van acht kalenderdagen vanaf de ontvangst van het verzoek tot advies.".

  Art. 216. In artikel XX.7, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 4" vervangen door de woorden "artikel XX.1, § 3".

  Art. 217. In artikel XX.14, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Het openen van een insolventieprocedure ten aanzien van een onderneming waarvan de vennoten onbeperkt aansprakelijk zijn, houdt niet noodzakelijk de opening van eenzelfde insolventieprocedure ten aanzien van de onbeperkt aansprakelijke vennoten in.".

  Art. 218. In artikel XX.20, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "of andere beroepsverenigingen" opgeheven en worden de woorden "Belgisch Staatsblad" vervangen door het woord "register".

  Art. 219. In artikel XX.29, § 2, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "zijn tuchtorgaan" vervangen door de woorden "de Orde of het instituut".

  Art. 220. In artikel XX.30, § 1, van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden het tweede en derde lid opgeheven.

  Art. 221. In artikel XX.31, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, wordt het tweede lid opgeheven.

  Art. 222. In artikel XX.41, § 2, 10°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".

  Art. 223. In artikel XX.44 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 3, tweede lid, 1°, worden de woorden "de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers" vervangen door de woorden "de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser";
  b) in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "van de kosten van deze laatste" vervangen door de woorden "van deze kosten";
  c) in paragraaf 4, worden de woorden ", zonder afbreuk te doen aan paragrafen 2 en 3" vervangen door de woorden ", zonder afbreuk te doen aan paragrafen 1 tot 3" en wordt het woord "ingeschreven" opgeheven.

  Art. 224. In artikel XX.48, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, tweede lid, 1°, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".
  2° in paragraaf 2, worden de woorden "onderneming/" opgeheven.

  Art. 225. In artikel XX.51 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 3, tweede lid, 1°, worden de woorden "de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers" vervangen door de woorden "de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser";
  b) in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "van de kosten van deze laatste" vervangen door de woorden "van deze kosten";
  c) in paragraaf 4, worden de woorden ", zonder afbreuk te doen aan paragrafen 2 en 3" vervangen door de woorden ", zonder afbreuk te doen aan paragrafen 1 tot 3" en wordt het woord "ingeschreven" opgeheven.

  Art. 226. In de Franse tekst van artikel XX.68, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, wordt het woord "tôt" vervangen door het woord "tard".

  Art. 227. In artikel XX.72, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, tweede lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, tweede lid, 1°, c)".

  Art. 228. In artikel XX.88, § 3, tweede lid, van artikel XX.88 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, wordt het woord "verzoeker" vervangen door het woord "schuldenaar".

  Art. 229. In artikel XX.99, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".

  Art. 230. In artikel XX.100, tweede en derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" telkens vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".

  Art. 231. In artikel XX.103, eerste lid, 7°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".

  Art. 232. In artikel XX.107, tweede lid, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".

  Art. 233. In artikel XX.108, § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".

  Art. 234. In artikel XX.120 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "de ingeschreven of geregistreerde hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers" vervangen door de woorden "de ingeschreven of geregistreerde hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser";
  b) in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "de ingeschreven of geregistreerde hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers" vervangen door de woorden "de ingeschreven of geregistreerde hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers, de beslagleggende schuldeiser";
  c) in paragraaf 1, zesde lid, worden de woorden "van de kosten van deze laatste" vervangen door de woorden "van deze kosten".

  Art. 235. In artikel XX.122, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "hun initiatief" vervangen door de woorden "door de griffie" en worden de woorden "Belgisch Staatsblad" vervangen door het woord "register".

  Art. 236. In de Franse tekst van artikel XX.145 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, wordt het woord "visé" vervangen door het woord "signé".

  Art. 237. In artikel XX.164, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".

  Art. 238. In artikel XX.171, derde lid, van het van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, wordt het woord "griffier" vervangen door het woord "curator".

  Art. 239. In artikel XX.172, derde lid, van het van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, wordt het woord "griffier" vervangen door het woord "curator".

  Art. 240. In artikel XX.173, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2, vierde lid, worden de woorden "door de griffier" vervangen door de woorden "door de curator";
  2° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "tuchtorgaan" vervangen door de woorden "orde of instituut".

  Art. 241. In artikel XX.176, zesde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "door toedoen van de curator" ingevoegd tussen het woord "wordt" en de woorden "bij uittreksel".

  Art. 242. In de Franse tekst van artikel XX.193, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "ou autorise" invoegen tussen de woorden "Si le juge-commissaire ordonne" en de woorden "la vente publique".

  Art. 243. In artikel XX.202 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "op verzoek van de buitenlandse insolventiefunctionaris" invoegen tussen de woorden "geopend heeft," en de woorden "bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.".

  Art. 244. In artikel XX.224 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, a)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, a)".

  Art. 245. In artikel XX.225, § 6, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "tuchtorgaan" vervangen door de woorden "orde of instituut".

  Art. 246. In artikel XX.227, § 4, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "tuchtorgaan" vervangen door de woorden "orde of instituut".

  Art. 247. In artikel XX.231, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "en aan het tuchtorgaan indien de gefailleerde beoefenaar is van een vrij beroep" opgeheven.

  Art. 248. In artikel XX.232, zevende lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de woorden "en aan het tuchtorgaan indien de gefailleerde beoefenaar is van een vrij beroep" opgeheven.

  Art. 249. Artikel XX.241 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, wordt aangevuld met de woorden "door toedoen van de griffier.".

  Art. 250. In artikel XX.242 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, wordt het woord "curator" vervangen door het woord "griffier" en worden de woorden "in het Belgisch Staatsblad" invoegen tussen de woorden "uittreksel bekendgemaakt" en de woorden ", door toedoen";
  2° in het tweede lid, worden de woorden "artikel XX.1, § 1, eerste lid, c)" vervangen door de woorden "artikel I.1, eerste lid, 1°, c)".

  HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 19 maart 2014 houdende wettelijke definitie van de ambachtsman

  Art. 251. Artikel 3 van de wet van 19 maart 2014 houdende wettelijke definitie van de ambachtsman wordt vervangen als volgt :
  "Art. 3. Om te worden erkend als ambachtsman en om die hoedanigheid te behouden, moet de ambachtsman of de ambachtsonderneming een onderneming zijn die ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen voor de uitoefening van een of verschillende ambachtelijke activiteiten met een winstgevend doel en die minder dan twintig werknemers tewerkstelt.".

  HOOFDSTUK 8. - Diverse, opheffings- en overgangsbepalingen

  Art. 252. In alle artikelen van het Gerechtelijk Wetboek, en van het bijvoegsel van dat Wetboek alsmede van alle andere wetten worden de woorden "rechtbank van koophandel" en "rechtbanken van koophandel" telkens respectievelijk vervangen door de woorden "ondernemingsrechtbank" en de woorden "ondernemingsrechtbanken".

  Art. 253. In alle artikelen van het Gerechtelijk Wetboek en van alle andere wetten worden de woorden "rechter in handelszaken", "rechters in handelszaken", "rechter in sociale zaken of in handelszaken", "rechters in sociale zaken of in handelszaken", "rechters in sociale zaken en in handelszaken" en "rechters in de sociale zaken en in handelszaken" telkens respectievelijk vervangen door de woorden "rechter in ondernemingszaken", "rechters in ondernemingszaken", "rechter in sociale zaken of in ondernemingszaken", "rechters in sociale zaken of in ondernemingszaken", "rechters in sociale zaken en in ondernemingszaken" en "rechters in de sociale zaken en in ondernemingszaken".

  Art. 254. Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet dienen in alle wetten, tenzij anders bepaald, de begrippen "handelaar" of "koopman" in de zin van artikel 1 van het Wetboek van koophandel te worden verstaan als "onderneming" in de zin van artikel I.1 van het Wetboek van economisch recht.
  In afwijking van het eerste lid laat deze wet de toepassing onverlet van wettelijke, reglementaire of deontologische bepalingen die met verwijzing naar "handelaar", "koopman" of afgeleide begrippen beperkingen opleggen aan de toegelaten activiteiten van gereglementeerde beroepen.

  Art. 255. De Koning brengt de terminologie en de verwijzingen van de geldende wetten in overeenstemming met deze wet.

  Art. 256. Opgeheven worden :
  1° de titels 1, 3, 4, 7bis en 8 van boek I van het Wetboek van koophandel;
  2° boek XIV van het Wetboek van economisch recht, omvattende de artikelen XIV.1 tot XIV.83, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wetten van 26 oktober 2015, 18 december 2015 en 25 december 2016;
  3° de protestwet van 3 juni 1997;
  4° de wet van 1 maart 1961 betreffende de invoering in de nationale wetgeving van de eenvormige wet op de cheque en de inwerkingtreding van deze wet.

  Art. 257. § 1. Onverminderd artikel 260, derde lid, beschikken de ondernemingen die op de datum van inwerkingtreding van deze wet niet verplicht waren zich te laten inschrijven in de hoedanigheid van handels-, ambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht maar die krachtens deze wet als inschrijvingsplichtige ondernemingen worden beschouwd, over een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze wet, om zich in die hoedanigheid bij een ondernemingsloket van hun keuze te laten inschrijven. Na het verstrijken van deze termijn is de sanctie voorzien in artikel XV.77, 1° van het Wetboek van economisch recht van toepassing.
  De bepalingen van titel 2 van boek III van het Wetboek van economisch recht die slechts van toepassing zijn op de inschrijvingsplichtige ondernemingen, alsook de daaraan gekoppelde sancties voorzien in de artikelen XV.76, XV.77, 2°, 3° en 6°, XV.78 en XV.79 van het Wetboek van economisch recht zijn van toepassing op de ondernemingen vanaf de registratie ervan in de hoedanigheid van inschrijvingsplichtige onderneming en uiterlijk bij het verstrijken van de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde termijn van zes maanden.
  Voor de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde ondernemingen is artikel III.25 van het Wetboek van economisch recht, alsook de daaraan gekoppelde sanctie voorzien in artikel XV.76, 1°, van het Wetboek van economisch recht van toepassing op alle stukken of documenten die worden verspreid, alsmede op de gebouwen, marktkramen en vervoermiddelen bedoeld in artikel III.25, derde lid, die worden gebruikt, na de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen in de hoedanigheid van inschrijvingsplichtige onderneming en ten laatste na het verstrijken van de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde termijn van zes maanden.
  Voor de in het eerste lid bedoelde ondernemingen is artikel III.26 van het Wetboek van economisch recht van toepassing op alle exploten die worden betekend na de inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen in de hoedanigheid van inschrijvingsplichtige onderneming en ten laatste na het verstrijken van de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde termijn van zes maanden.
  § 2. De bepalingen van titel 2 van boek III van het Wetboek van economisch recht die specifiek gelden voor inschrijvingsplichtige ondernemingen, alsook de daaraan gekoppelde sancties voorzien in de artikelen XV.76, XV.77, 2°, 3° en 6°, XV.78 en XV.79 van het Wetboek van economisch recht zijn vanaf de inwerkingtreding van deze wet van toepassing op de ondernemingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet reeds zijn ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen in de hoedanigheid van handels-, ambachtsonderneming of niet-handelsonderneming naar privaat recht. Zij moeten zich evenwel voor die activiteiten waarvoor ze reeds zijn ingeschreven, niet opnieuw laten inschrijven bij een ondernemingsloket.
  Voor de in het eerste lid bedoelde ondernemingen is artikel III.25 van het Wetboek van economisch recht, alsook de daaraan gekoppelde sanctie voorzien in artikel XV.76, 1°, van het Wetboek van economisch recht van toepassing op alle stukken of documenten die worden verspreid na de inwerkingtreding van deze wet, alsmede op de gebouwen, marktkramen en vervoermiddelen bedoeld in artikel III.25, derde lid, van het Wetboek van economisch recht die worden gebruikt vanaf de inwerkingtreding van deze wet.
  Voor de in het eerste lid bedoelde ondernemingen is artikel III.26 van het Wetboek van economisch recht van toepassing op alle exploten die worden betekend na de inwerkingtreding van deze wet.

  Art. 258. Voor boekhoudplichtige ondernemingen die vóór de inwerkingtreding van deze wet reeds actief waren en die vóór deze wetswijziging geen boekhouding in de zin van hoofdstuk 2 van titel 3 van boek III van het Wetboek van economisch recht dienden op te stellen, gelden de verplichtingen van hoofdstuk 2 van titel 3 van boek III van het Wetboek van economisch recht, alsook de daaraan gekoppelde sancties voorzien in artikel XV.75 van het Wetboek van economisch recht slechts vanaf het eerste volledige boekjaar dat aanvangt na het verstrijken van een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze wet.

  Art. 259. Het opschrift van het Wetboek van koophandel wordt vervangen als volgt :
  "Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen".

  HOOFDSTUK 9. - Inwerkingtreding

  Art. 260. Deze wet treedt in werking op 1 november 2018.
  De Koning kan voor iedere bepaling ervan een datum van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de datum vermeld in het eerste lid.
  Wat betreft vzw's, treden de artikelen 70, 71, 2°, en 257 in werking op een door de Koning te bepalen datum.
  De artikelen 15 tot 20, artikel 35 voor wat betreft de toepassing van de bepalingen van boek XX van het Wetboek van economisch recht en de artikelen 48, 215 tot 250 treden in werking op 1 mei 2018.
  De artikelen 6 en 7 treden in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met `s lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 15 april 2018.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Werk, Economie en Consumenten,
K. PEETERS
De minister van Justitie,
K. GEENS
De Minister van Middenstand, Zelfstandigen, K.M.O.'s,
D. DUCARME
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
   Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken. - Doc 54 2828/ (2017/2018) Integraal Verslag : 29 maart 2018.

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel
Franstalige versie