einde

Publicatie : 2018-05-02

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE

18 MAART 2018. - Wet houdende wijzigingen van diverse bepalingen van het strafrecht, de strafvordering en het gerechtelijk recht (1)



FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de voorafgaande titel
van het Wetboek van Strafvordering
Art. 2. In artikel 20, tweede lid, van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, vervangen bij de wet van 4 mei 1999, worden in het tweede lid de woorden "of door het onderzoeksgerecht is verwezen of rechtstreeks is gedagvaard ten gronde," ingevoegd tussen de woorden "gesteld is" en de woorden "voor het verlies".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
Art. 3. Artikel 21bis van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 27 december 2012, wordt vervangen als volgt :
"Art. 21bis. § 1. Onverminderd de bepalingen in de bijzondere wetten en de toepassing van de artikelen 28quinquies, § 2, 57, § 2, 61ter, en 127, § 2, en de procedure bedoeld in paragrafen 2 tot 9, kan de rechtstreeks belanghebbende te allen tijde naargelang de stand van de procedure de procureur des Konings of de onderzoeksrechter verzoeken om inzage te verlenen van het dossier of er een afschrift van te verkrijgen.
Als rechtstreeks belanghebbende wordt beschouwd : de inverdenkinggestelde, degene tegen wie de strafvordering is ingesteld in het kader van het gerechtelijk onderzoek, de verdachte, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij, de burgerlijke partij, degene die een verklaring van benadeelde persoon heeft afgelegd, evenals degenen die in hun rechten getreden zijn of die hen als lasthebber ad hoc, curator, voorlopig bewindvoerder, voogd of voogd ad hoc vertegenwoordigen.
In alle andere gevallen wordt de beslissing over het verlenen van inzage van het dossier of het verkrijgen van een afschrift ervan genomen door het openbaar ministerie, zelfs tijdens het gerechtelijk onderzoek.
§ 2. De rechtstreeks belanghebbende kan in de loop van het onderzoek een verzoekschrift toezenden aan de procureur des Konings om inzage te krijgen in een dossier dat betrekking heeft op een misdaad of een wanbedrijf. Voor de wanbedrijven die tot de bevoegdheid van de politierechtbank behoren, bestaat deze mogelijkheid alleen voor de in artikel 138, 6° bis en 6° ter, bedoelde wanbedrijven en voor de misdrijven waarvoor bij toepassing van artikel 68 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, de verjaringstermijn drie jaar bedraagt.
Op straffe van niet-ontvankelijkheid wordt het verzoekschrift met redenen omkleed en houdt het keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats of zijn zetel niet heeft.
Het verzoekschrift wordt toegezonden aan of neergelegd op het secretariaat van het parket, dat het opneemt in een daartoe bestemd register.
§ 3. De procureur des Konings neemt een beslissing binnen een termijn van vier maanden na de opname van het verzoekschrift in het register.
Indien het verzoek betrekking heeft op een dossier waarin de procureur des Konings bij toepassing van artikel 28septies de onderzoeksrechter heeft gevorderd een onderzoekhandeling te stellen waarvoor alleen deze bevoegd is, wordt bovenvermelde termijn herleid tot maximum één maand vanaf de eerste machtiging verleend door de onderzoeksrechter.
§ 4. De met redenen omklede beslissing wordt per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg ter kennis gebracht van de verzoeker en, in voorkomend geval, van zijn advocaat, binnen acht dagen na de beslissing.
§ 5. De procureur des Konings kan de inzage of het nemen van een afschrift van het dossier of van bepaalde stukken verbieden indien de noodwendigheden van het opsporingsonderzoek dit vereisen, indien inzage een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privéleven zou inhouden, indien de verzoeker van geen rechtmatige beweegredenen tot het raadplegen van het dossier doet blijken, indien het dossier alleen de aangifte of klacht bevat waarvan de verzoeker of zijn advocaat al een kopie heeft gekregen, indien een gerechtelijk onderzoek is ingesteld, of indien de verzoeker naar een vonnisgerecht is verwezen, gedagvaard of bij proces verbaal is opgeroepen.
Hij kan de inzage van het dossier of het nemen van afschrift beperken tot het deel van het dossier waarvoor de verzoeker een belang heeft laten gelden.
§ 6. Indien het verzoek om inzage te verlenen van het dossier of er een afschrift van te verkrijgen wordt ingewilligd, wordt het dossier binnen twintig dagen na de beslissing van de procureur des Konings en ten vroegste na de in paragraaf 4 bedoelde termijn, in origineel of in afschrift, gedurende ten minste achtenveertig uur, voor inzage ter beschikking gesteld van de verzoeker en zijn advocaat. Het secretariaat van het parket geeft de verzoeker en zijn advocaat kennis per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg, van de datum waarop en de plaats waar het dossier kan worden ingezien.
De verzoeker kan de door de inzage of het nemen van een afschrift verkregen inlichtingen alleen gebruiken in het belang van zijn verdediging, op voorwaarde dat hij het vermoeden van onschuld in acht neemt, alsook de rechten van verdediging van derden, het privéleven en de waardigheid van de persoon.
§ 7. De verzoeker kan, indien de inzage of het nemen van een afschrift van het dossier of bepaalde stukken ervan werd geweigerd, de zaak bij de kamer van inbeschuldigingstelling aanbrengen bij een met redenen omkleed verzoekschrift dat wordt neergelegd bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg, binnen een termijn van acht dagen na de kennisgeving van de beslissing aan de verzoeker, en wordt opgenomen in een daartoe bestemd register.
Indien het opsporingsonderzoek wordt gevoerd door de federale procureur, wordt de zaak aangebracht bij de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak zonder debat binnen vijftien dagen na de neerlegging van het verzoekschrift.
De griffier stelt de verzoeker en, in voorkomend geval zijn advocaat, per faxpost, bij een gewone brief of langs elektronische weg, uiterlijk achtenveertig uur vooraf in kennis van plaats, dag en uur van de zitting.
De procureur-generaal kan zijn schriftelijke vorderingen richten aan de kamer van inbeschuldigingstelling. De kamer van inbeschuldigingstelling kan, afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen, de opmerkingen van de procureur-generaal horen. Zij kan, in aanwezigheid van de procureur-generaal, de verzoeker of zijn advocaat horen.
§ 8. Indien het openbaar ministerie geen beslissing heeft genomen binnen de termijn vermeld, naargelang het geval, in paragraaf 3, eerste of tweede lid, vermeerderd met vijftien dagen, kan de verzoeker zich wenden tot de kamer van inbeschuldigingstelling. Dit recht vervalt indien het met redenen omklede verzoekschrift niet binnen acht dagen na het verstrijken van die termijn is neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg. Het verzoekschrift wordt opgenomen in een daartoe bestemd register.
Indien het opsporingsonderzoek wordt gevoerd door de federale procureur, wordt de zaak aangebracht bij de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel.
De procedure verloopt overeenkomstig paragraaf 7, derde tot vijfde lid.
§ 9. De verzoeker mag geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezenden of neerleggen vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp.".
Art. 4. In artikel 35ter, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 december 2002 en vervangen bij de wet van 5 februari 2016, worden de woorden "op de zaken die gediend hebben of bestemd waren om het misdrijf te plegen alsook" ingevoegd tussen het woord "toepassing" en het woord "op".
Art. 5. In artikel 61ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998 en gewijzigd bij de wetten van 4 juli 2001 en 27 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, eerste lid, eerste zin, worden de woorden "of zijn zetel" ingevoegd tussen het woord "woonplaats" en het woord "niet";
2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord "ingeschreven" vervangen door het woord "opgenomen";
3° in paragraaf 2, tweede lid, wordt het woord "inschrijving" vervangen door het woord "opname";
4° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "per faxpost of bij een aangetekende zending" vervangen door de woorden "per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg";
5° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "per faxpost of bij een aangetekende zending" vervangen door de woorden "per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg";
6° in paragraaf 5, eerste lid, wordt het woord "ingeschreven" vervangen door het woord "opgenomen";
7° in paragraaf 5, derde lid, worden de woorden "per faxpost of bij een ter post aangetekende brief" vervangen door de woorden "per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg";
8° in paragraaf 5, vierde lid, worden de woorden "kan afzonderlijk de procureur-generaal, de onderzoeksrechter, de verzoeker of diens advocaat horen" vervangen door de woorden "kan, afzonderlijk en buiten de aanwezigheid van de partijen, de opmerkingen van de procureur-generaal horen" en wordt het lid aangevuld met de volgende zin :
"Zij kan, in aanwezigheid van de procureur-generaal, afzonderlijk de onderzoeksrechter, de verzoeker of diens advocaat horen.";
9° in paragraaf 6 wordt het woord "ingeschreven" vervangen door het woord "opgenomen".
Art. 6. Artikel 162bis, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 april 2007, wordt vervangen als volgt :
"De burgerlijke partij die rechtstreeks heeft gedagvaard of die zich met een afzonderlijke vordering heeft aangesloten bij een rechtstreekse dagvaarding van een andere burgerlijke partij, of die, bij ontstentenis van enig beroep van het openbaar ministerie, de beklaagde of burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, hoger beroep heeft ingesteld en die in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld tot het aan de beklaagde en aan de burgerrechtelijke aansprakelijke persoon betalen van de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek. De vergoeding wordt bepaald door het vonnis.".
Art. 7. In artikel 176 van hetzelfde Wetboek worden tussen het woord "kosten" en het woord ", alsook" de woorden "en over de vergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek" ingevoegd.
Art. 8. In boek II, titel 1, hoofdstuk III van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling 1 ingevoegd, die artikel 216bis bevat, luidende :
"Afdeling 1. Verval van de strafvordering door betaling van een geldsom".
Art. 9. In artikel 216bis, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 juni 1984 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "indien hij meent dat een feit niet van aard schijnt te zijn" vervangen door de woorden "voor zover het feit niet van die aard schijnt te zijn";
2° paragraaf 1, derde lid, wordt vervangen als volgt :
"De procureur des Konings stelt, indien hij van oordeel is dat toepassing kan gemaakt worden van deze paragraaf, de verdachte, het slachtoffer en hun advocaten in kennis dat zij inzage in het strafdossier krijgen voor zover zij dat nog niet hadden.
De verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf het voorstel van de procureur des Konings of vanaf de vraag van een van de partijen. De schorsing loopt hetzij tot de beslissing van niet-bekrachtiging van het akkoord, hetzij tot de beslissing van de procureur des Konings om geen toepassing te maken van deze bepaling, hetzij tot de vaststelling dat de minnelijke schikking niet of niet tijdig is uitgevoerd.";
3° in paragraaf 1 wordt het vijfde lid, dat het zesde lid wordt, aangevuld met de volgende zin :
"Ook andere gerechtskosten kunnen worden toegevoegd aan de in het eerste lid bedoelde geldsom. Indien nodig zullen die kosten in de tekst van de minnelijke schikking apart worden vermeld.";
4° in paragraaf 1, zesde lid, dat het zevende lid wordt, worden de woorden "waarop verbeurdverklaring staat of kan staan" vervangen door de woorden "dat aanleiding geeft of kan geven tot verbeurdverklaring";
5° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt :
"Het recht, in paragraaf 1 aan de procureur des Konings toegekend, kan ook worden uitgeoefend wanneer de onderzoeksrechter reeds met een onderzoek is gelast of wanneer de zaak reeds bij de rechtbank of het hof aanhangig is gemaakt, voor zover er nog geen eindvonnis of eindarrest is gewezen in strafzaken.";
6° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "Hetzij op vraag van de verdachte, hetzij ambtshalve stelt de procureur des Konings" vervangen door de woorden "De procureur des Konings stelt";
7° in paragraaf 2, wordt het vierde lid aangevuld met de volgende zin :
"In het geval voorzien in paragraaf 6, tweede lid, stelt de procureur des Konings eveneens de fiscale of sociale administratie in kennis van de feiten omschreven in tijd en ruimte, die de fiscale of sociale misdrijven betreffen, waarop de betaling van de geldsom betrekking zal hebben.";
8° in paragraaf 2, worden tussen het zevende en het achtste lid drie leden ingevoegd, luidende :
"Op een met redenen omklede vordering van de procureur des Konings en na te hebben nagegaan of voldaan is aan de wettelijke toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1, eerste lid, of het slachtoffer en de fiscale of sociale administratie werden vergoed overeenkomstig paragrafen 4 en 6, tweede lid, of de verdachte de voorgestelde minnelijke schikking uit vrije wil en weloverwogen heeft aanvaard en of de door de procureur des Konings voorgestelde minnelijke schikking proportioneel is met de ernst van de feiten en de persoonlijkheid van de verdachte, oordeelt de bevoegde rechter over de wettigheid van de voorgestelde minnelijke schikking en bekrachtigt hij deze. Tijdens het gerechtelijk onderzoek en bij de regeling van de rechtspleging beoordeelt het onderzoeksgerecht de proportionaliteit van de voorgestelde minnelijke schikking binnen de beoordeling van de bezwaren. Indien het akkoord niet wordt bekrachtigd, wordt het dossier ter beschikking gesteld van de procureur des Konings. In dat geval kan de rechter, waaraan het akkoord ter bekrachtiging is voorgelegd, het onderzoek van de grond van de zaak niet verderzetten. Eveneens kunnen de documenten die werden opgemaakt en de mondelinge mededelingen die werden gedaan tijdens het overleg niet ten laste van de verdachte worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale, tuchtrechtelijke of enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn ze niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke erkentenis.
De documenten die de partijen in het kader van de onderhandelingen hebben meegedeeld, worden hen teruggegeven en het dossier van de onderhandelingen wordt uit het strafdossier verwijderd. Het dossier van de onderhandelingen bevat geen originele stukken die als bewijs van het misdrijf kunnen worden gebruikt.
Elk gebruik van de tijdens de onderhandelingen opgemaakte documenten of mondelinge mededelingen, dat tot doel en tot gevolg heeft inbreuk te maken op het privéleven, de fysieke of, morele integriteit of de goederen van een in het dossier genoemde persoon wordt gestraft met de straffen voorzien in artikel 460ter van het Strafwetboek.";
9° in paragraaf 2, achtste lid, dat het elfde lid wordt, worden de woorden ", nadat deze door de bevoegde rechter werd bekrachtigd," ingevoegd tussen de woorden "minnelijke schikking" en de woorden "heeft aanvaard";
10° in paragraaf 2, negende lid, dat het twaalfde lid wordt, worden de woorden "nog geen vonnis of arrest werd uitgesproken dat in kracht van gewijsde is gegaan" vervangen door de woorden "nog geen eindvonnis of eindarrest is gewezen in strafzaken" en worden de woorden "en, in voorkomend geval, aan het Hof van Cassatie" opgeheven;
11° in paragraaf 2 worden het tiende en elfde lid, die respectievelijk het dertiende en veertiende lid worden, vervangen door een lid, luidende :
"Indien de geldsom bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, niet of slechts gedeeltelijk wordt betaald, kan de rechter die gevat wordt om uitspraak te doen over de aan de verdachte ten laste gelegde feiten, waarop het akkoord betrekking had, bij de straftoemeting rekening houden met het reeds betaalde gedeelte.";
12° in paragraaf 4, wordt het woord "burgerlijke" ingevoegd tussen de woorden "de bevoegde" en het woord "rechtbank".
Art. 10. In boek II, titel 1, hoofdstuk III van hetzelfde Wetboek, wordt een afdeling 2 ingevoegd, die artikel 216ter bevat, luidende :
"Afdeling 2. Verval van de strafvordering door de uitvoering van maatregelen en de naleving van voorwaarden".
Art. 11. Artikel 216ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1994 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt vervangen als volgt :
"Art. 216ter. § 1. De procureur des Konings kan de verdachte verzoeken, voor zover het feit niet van aard schijnt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan twee jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf en op voorwaarde dat de verdachte van een misdrijf in voorkomend geval zijn burgerlijke aansprakelijkheid voor het feit erkent, de eventuele schade te vergoeden of te herstellen, en in voorkomend geval in te stemmen met een of meerdere maatregelen, die hem bij toepassing van het vijfde lid worden voorgesteld.
Indien door het misdrijf schade werd veroorzaakt aan een gekend slachtoffer, kan de procureur des Konings het slachtoffer en de verdachte verzoeken om in te stemmen met een bemiddeling over de schadevergoeding of het herstel en de regeling ervan. Hij wordt hierin bijgestaan door de bevoegde dienst van de gemeenschappen.
De procureur des Konings stelt, indien hij van oordeel is dat toepassing kan worden gemaakt van deze paragraaf, de verdachte, het slachtoffer en hun advocaten in kennis dat zij inzage in het strafdossier krijgen voor zover zij dat nog niet hadden.
De verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf het voorstel van de procureur des Konings of vanaf de vraag van een van de partijen. De schorsing loopt hetzij tot de beslissing van niet-bekrachtiging van het akkoord, hetzij tot de beslissing van de procureur des Konings om geen toepassing te maken van deze bepaling, hetzij tot de vaststelling dat de voorgestelde voorwaarden, bedoeld in het eerste of tweede lid, of de voorgestelde maatregelen, bedoeld in het vijfde lid, niet of niet tijdig zijn uitgevoerd.
Onverminderd het tweede lid, kan de procureur des Konings steeds één of meerdere van de volgende maatregelen voorstellen, die de verdachte moet uitvoeren gedurende een termijn die een jaar niet mag overschrijden :
1° een geneeskundige behandeling of iedere andere passende therapie volgen en hem hiervan op geregelde tijdstippen het bewijs leveren, indien een gedragsproblematiek, een ziekteverschijnsel of een verslaving aan de basis van het misdrijf lijkt te liggen;
2° een dienstverlening uitvoeren van ten hoogste honderdtwintig uren. De dienstverlening wordt door de verdachte kosteloos verricht tijdens de vrije tijd waarover hij naast zijn eventuele school- of beroepsactiviteiten beschikt, uitsluitend bij openbare diensten van de Staat, de gemeenten, de provincies, de gemeenschappen en de gewesten, dan wel bij verenigingen zonder winstoogmerk of stichtingen met een sociaal, wetenschappelijk of cultureel oogmerk. De dienstverlening mag niet bestaan uit een activiteit die in de aangewezen overheidsdienst of vereniging doorgaans door bezoldigde werknemers wordt verricht;
3° een opleiding volgen van ten hoogste honderdtwintig uren.
§ 2. Wanneer de verdachte van het misdrijf instemt met de voorgestelde voorwaarden, bedoeld in paragraaf 1, eerste en/of tweede lid, en de voorgestelde maatregelen, bedoeld in paragraaf 1, vijfde lid, deelt de procureur des Konings zijn beslissing tot uitvoering mee aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen van de verblijfplaats van de verdachte, die onverwijld een verantwoordelijke aanwijst die wordt belast met de uitwerking en met de opvolging van de maatregelen.
De bevoegde dienst van de gemeenschappen geeft de verdachte van het misdrijf toelichting bij de procedure en de rechtsgevolgen.
De bevoegde dienst van de gemeenschappen onderneemt, na de verdachte van het misdrijf te hebben gehoord en rekening houdend met diens opmerkingen en lichamelijke en intellectuele capaciteiten alsmede met de aanwijzingen van de procureur des Konings, de nodige stappen voor de concrete invulling van de voorgestelde maatregelen.
De verdachte van het misdrijf en de bevoegde dienst van de gemeenschappen werken een voorstel van concrete invulling van de voorgestelde maatregelen en voorwaarden uit, dat wordt vastgelegd in een overeenkomst die door de verdachte wordt aanvaard en ondertekend.
Indien de procureur des Konings zich hiermee akkoord verklaart, ondertekent hij ook de overeenkomst, waarvan een afschrift wordt meegedeeld aan de verantwoordelijke aangeduid door de bevoegde dienst van de gemeenschappen en de verdachte. Ingeval de bemiddeling over de schadevergoeding of het herstel en de regeling niet voleindigd werd, wordt het slachtoffer in kennis gesteld van de verderzetting van het dossier voor wat betreft de dadergerichte maatregelen. De procureur des Konings kan ten allen tijde, op schriftelijk verzoek, verduidelijkingen of wijzigingen aanbrengen, op verzoek van de bevoegde dienst van de gemeenschappen of van de verdachte van het misdrijf.
De bevoegde dienst van de gemeenschappen staat in voor de opvolging en het toezicht op de uitvoering van de maatregelen.
De dienst of persoon bij wie de maatregelen worden uitgevoerd, bezorgt aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen minstens een schriftelijk verslag van de uitvoering van de maatregelen.
Het verslag handelt over de volgende punten :
- de aanwezigheden en, in voorkomend geval, de afwezigheden van de betrokkene of het eenzijdig stopzetten van de maatregelen;
- de gebeurlijke moeilijkheden bij de uitvoering van de maatregelen en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden.
Indien de overeenkomst niet of slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd, meldt de bevoegde dienst van de gemeenschappen dit onmiddellijk aan de procureur des Konings. In dat geval kan de procureur des Konings de verdachte van het misdrijf oproepen, diens opmerkingen horen en beslissen tot de verdere uitvoering van de overeenkomst, in voorkomend geval met verduidelijkingen of wijzigingen, dan wel tot een beëindiging van de overeenkomst.
§ 3. Wanneer het misdrijf kosten van analyse of van deskundig onderzoek heeft veroorzaakt kunnen de maatregelen bedoeld in paragraaf 1 slechts worden voorgesteld mits de verdachte zich ook heeft verbonden deze kosten te zullen betalen binnen de termijn bepaald door de procureur des Konings. Ook andere gerechtskosten kunnen worden toegerekend.
§ 4. De procureur des Konings verzoekt de verdachte van het misdrijf dat aanleiding geeft of kan geven tot verbeurdverklaring, binnen een door hem bepaalde termijn afstand te doen van de in beslag genomen goederen of vermogensvoordelen, of indien de goederen of vermogensvoordelen niet in beslag zijn genomen, deze af te geven op een door hem bepaalde plaats.
§ 5. De strafvordering vervalt wanneer de verdachte heeft voldaan aan alle in de overeenkomst geformuleerde maatregelen en voorwaarden, die in voorkomend geval door de bevoegde rechter werden bekrachtigd.
Ingeval er schade is veroorzaakt aan een derde, vervalt de strafvordering bovendien maar indien de verdachte zijn burgerlijke aansprakelijkheid voor het schadeverwekkende feit schriftelijk erkent en het bewijs levert van de vergoeding of het herstel van het niet-betwiste gedeelte van de schade en de regeling ervan.
In ieder geval kan het slachtoffer zijn rechten doen gelden voor de bevoegde burgerlijke rechtbank. Het verval van de strafvordering doet geen afbreuk aan de rechten van gesubrogeerden in de rechten van het slachtoffer of van slachtoffers die niet betrokken werden in de procedure bepaald in paragraaf 1. Tegenover hen geldt het aanvaarden van het voorstel door de verdachte als een onweerlegbaar vermoeden van fout.
§ 6. Het recht, in paragraaf 1 aan de procureur des Konings toegekend, kan ook worden uitgeoefend wanneer de onderzoeksrechter reeds met een onderzoek is gelast of wanneer de zaak reeds bij de rechtbank of het hof aanhangig is gemaakt voor zover er nog geen eindvonnis of eindarrest is gewezen in strafzaken.
In voorkomend geval laat de procureur des Konings zich het strafdossier meedelen door de onderzoeksrechter, die een advies kan geven over de stand van het onderzoek.
De procureur des Konings stelt, indien hij van oordeel is dat toepassing kan gemaakt worden van deze paragraaf, de verdachte, het slachtoffer en hun advocaten in kennis dat zij inzage in het strafdossier krijgen voor zover zij dat nog niet hadden.
Indien het recht wordt uitgeoefend in een zaak die aanhangig werd gemaakt en over de strafvordering nog geen eindvonnis of eindarrest is gewezen, geeft al naar het geval de procureur des Konings of de procureur-generaal bij het hof van beroep daarvan zonder verwijl officieel bericht aan de gevatte politierechtbank, correctionele rechtbank of hof van beroep.
Op een met redenen omklede vordering van de procureur des Konings en na te hebben nagegaan of voldaan is aan de wettelijke toepassingsvoorwaarden van paragraaf 1, eerste lid, of de verdachte de voorgestelde maatregelen uit vrije wil en weloverwogen heeft aanvaard en of de door de procureur des Konings voorgestelde maatregelen proportioneel zijn met de ernst van de feiten en de persoonlijkheid van de verdachte, oordeelt de bevoegde rechter over de wettigheid van de voorgestelde overeenkomst en bekrachtigt de bevoegde rechter de overeenkomst. Tijdens het gerechtelijk onderzoek en bij de regeling van de rechtspleging beoordeelt het onderzoeksgerecht de proportionaliteit van de voorgestelde maatregelen binnen de beoordeling van de bezwaren. Indien de overeenkomst niet wordt bekrachtigd, wordt het dossier ter beschikking gesteld van de procureur des Konings. In dat geval kan de rechter, waaraan de overeenkomst ter bekrachtiging is voorgelegd, het onderzoek van de grond van de zaak niet verderzetten. Eveneens kunnen de documenten die werden opgemaakt en de mondelinge mededelingen die werden gedaan tijdens het overleg niet ten laste van de verdachte worden aangewend in een strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale, tuchtrechtelijke of enige andere procedure voor het oplossen van conflicten en zijn ze niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke erkentenis.
De documenten die de partijen in het kader van de onderhandelingen hebben meegedeeld, worden hen teruggegeven en het dossier van de onderhandelingen wordt uit het strafdossier verwijderd. Het dossier van de onderhandelingen bevat geen originele stukken die als bewijs van het misdrijf kunnen worden gebruikt.
Elk gebruik van de tijdens de onderhandelingen opgemaakte documenten of mondelinge mededelingen, dat tot doel en tot gevolg heeft inbreuk te maken op het privéleven, de fysieke of, morele integriteit of de goederen van een in het dossier genoemde persoon wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 460ter van het Strafwetboek.
Het bij de eerste paragraaf bepaalde recht behoort ook ten aanzien van dezelfde feiten aan de arbeidsauditeur, de federale procureur en, ten aanzien van de personen bedoeld in de artikelen 479 en 483, aan de procureur-generaal bij het hof van beroep.
Indien de voorgestelde maatregelen, bedoeld in paragraaf 1, vijfde lid, niet of slechts gedeeltelijk worden uitgevoerd, kan de rechter die gevat wordt om uitspraak te doen over de aan de verdachte ten laste gelegde feiten, waarop het akkoord betrekking had, bij de straftoemeting rekening houden met het uitgevoerde gedeelte van de voorgestelde maatregelen.
§ 7. Bij zijn verschijning voor de procureur des Konings kan de verdachte zich voor de toepassing van dit artikel laten bijstaan door een advocaat; hij kan zich niet laten vertegenwoordigen.
Het slachtoffer kan zich laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een advocaat.
§ 8. De bevoegde dienst van de gemeenschappen staat de procureur des Konings bij in de verschillende fasen van de uitvoering van dit artikel.
De ambtenaren van deze dienst voeren hun taak uit in nauwe samenwerking met de procureur des Konings, die toezicht uitoefent over de evolutie van het dossier.".
Art. 12. In artikel 464/1, § 5, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014 en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 178/2015 van het Grondwettelijk Hof, worden tussen het derde en het vierde lid negen leden ingevoegd, luidende :
"Het verzoek tot het verlenen van inzage van het dossier of het verkrijgen van een afschrift ervan door de veroordeelde of een belanghebbende derde, wordt op straffe van niet-ontvankelijkheid met redenen omkleed en houdt keuze van woonplaats in België in, indien de verzoeker er zijn woonplaats of zijn zetel niet heeft.
Het verzoekschrift wordt toegezonden aan of neergelegd op het secretariaat van het bevoegde parket of arbeidsauditoraat, dat het opneemt in een daartoe bestemd register.
De SUO-magistraat neemt een beslissing uiterlijk binnen een termijn van vier maanden na de opname van het verzoekschrift in het register.
De SUO-magistraat kan de inzage beperken tot het deel van het dossier waarvoor de verzoeker een belang kan doen gelden. De SUO-magistraat kan de inzage of het verkrijgen van een afschrift ervan weigeren omdat het SUO-onderzoek nog niet heeft geleid tot een inbeslagneming of tot de ontdekking van nieuwe strafbare feiten, omdat de noodwendigheden van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek dit vereisen of omdat de verzoeker geen rechtmatige beweegredenen kan aanvoeren voor de inzage van het dossier.
Ingeval het verzoek om inzage te verlenen van het dossier of er een afschrift van te verkrijgen wordt ingewilligd, wordt, het dossier binnen twintig dagen na de beslissing van de SUO-magistraat, in origineel of in afschrift, gedurende ten minste achtenveertig uur, voor inzage ter beschikking gesteld van de verzoeker en diens advocaat. Het secretariaat van het bevoegde parket of arbeidsauditoraat brengt de verzoeker en diens advocaat per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg op de hoogte van het tijdstip waarop het dossier kan worden ingezien. De verzoeker kan de door de inzage of het nemen van een afschrift verkregen inlichtingen alleen gebruiken in het belang van zijn verdediging, op voorwaarde dat hij het vermoeden van onschuld in acht neemt, alsook de rechten van verdediging van derden, het privéleven en de waardigheid van de persoon. Elk misbruik wordt gestraft overeenkomstig artikel 460ter van het Strafwetboek.
De met redenen omklede beslissing van de SUO-magistraat wordt per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg meegedeeld aan de verzoeker, en, in voorkomend geval, aan zijn advocaat, binnen een termijn van acht dagen na de beslissing. De verzoeker mag op straffe van niet-ontvankelijkheid geen verzoekschrift met hetzelfde voorwerp toezenden of neerleggen vooraleer een termijn van drie maanden is verstreken te rekenen van de laatste beslissing die betrekking heeft op hetzelfde voorwerp.
De verzoeker kan hoger beroep instellen tegen de beslissing voor de strafuitvoeringsrechter binnen vijftien dagen vanaf de kennisgeving van de beslissing, door een verklaring gedaan op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en opgenomen in een daartoe bestemd register. Indien de SUO-magistraat geen beslissing heeft genomen binnen de in het zesde lid vermelde termijn, vermeerderd met vijftien dagen, kan de verzoeker zich wenden tot de strafuitvoeringsrechter. Dit recht vervalt indien het met redenen omklede verzoekschrift niet binnen acht dagen na het verstrijken van die termijn is neergelegd op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. Het verzoekschrift wordt opgenomen in een daartoe bestemd register. De griffier geeft onverwijld kennis van de verklaring aan de SUO-magistraat die het onderzoek voert. De SUO-magistraat zendt de stukken van het dossier toe aan de griffier van de strafuitvoeringsrechtbank, die ze ter griffie neerlegt. De griffier stelt de verzoeker of zijn advocaat per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg, uiterlijk zeven dagen vooraf, in kennis van de plaats, de dag en het uur van de zitting. De griffier geeft onverwijld kennis van de zitting aan de SUO-magistraat. De verzoeker, zijn advocaat en het openbaar ministerie kunnen worden gehoord. De strafuitvoeringsrechter kan afzonderlijk de SUO-magistraat horen.
De strafuitvoeringsrechter doet binnen een termijn van dertig dagen na de neerlegging van de verklaring uitspraak. De verzoeker die in het ongelijk wordt gesteld, kan veroordeeld worden in de kosten. De griffier geeft binnen vierentwintig uur na de uitspraak per faxpost, bij gewone brief of langs elektronische weg kennis van het vonnis van de strafuitvoeringsrechter aan de verzoeker of zijn advocaat alsook aan de SUO-magistraat.
Het vonnis van de strafuitvoeringsrechter is niet vatbaar voor verzet of cassatieberoep.".
Art. 13. Artikel 464/23 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
" § 2. De uitbreiding van een zoeking in een informaticasysteem mag zich niet verder uitstrekken dan tot de informaticasystemen of de delen daarvan waartoe de personen die gerechtigd zijn het onderzochte informaticasysteem te gebruiken, in het bijzonder toegang hebben.".
Art. 14. In artikel 464/24 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014 en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 178/2015 van het Grondwettelijk Hof, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de paragrafen 2 en 3 worden vervangen als volgt :
" § 2. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan iedere geschikte persoon verzoeken om zelf het informaticasysteem te bedienen of de ter zake dienende gegevens, die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, naar gelang van het geval, te zoeken, toegankelijk te maken, te kopiëren, ontoegankelijk te maken of te verwijderen, in de door hem gevorderde vorm. Deze personen zijn verplicht hieraan gevolg te geven, voor zover dit in hun mogelijkheden ligt. Deze personen kunnen echter hun medewerking weigeren, in het bijzonder wanneer ze zichzelf zouden beschuldigen van een misdrijf.
§ 3. Derden die weigeren de in de paragrafen 1 en 2 gevorderde medewerking te verlenen of de zoeking in het informaticasysteem hinderen, worden gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met een van die straffen alleen.
Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.";
2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art. 15. Artikel 464/27 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014 en vernietigd bij arrest nr. 178/2015 van het Grondwettelijk Hof, wordt hersteld als volgt :
"Art. 464/27. § 1. De SUO-magistraat die het onderzoek voert, kan een politiedienst machtigen om een observatie uit te voeren zoals bedoeld in artikel 47sexies, om met gebruik van technische hulpmiddelen zicht te verwerven in een woning of in de door deze woning omsloten eigen aanhorigheid in de zin van de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek, of in een lokaal dat aangewend wordt voor beroepsdoeleinden of de woonplaats van een advocaat of een arts.
De in artikel 464/15 bedoelde verschoningsgrond is van toepassing op deze observatie.
§ 2. De magistraat vermeldt in zijn machtiging tot observatie het adres of een zo nauwkeurig mogelijke plaatsbepaling van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde woning, het lokaal dat aangewend wordt voor beroepsdoeleinden of de woonplaats waarop de observatie betrekking heeft.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde observatie kan worden bevolen als :
1° hij uitsluitend aangewend wordt ter tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot de betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, die is uitgesproken nadat de veroordeelde schuldig is verklaard aan een in artikel 90ter, §§ 2 tot 4, bedoeld misdrijf of een strafbaar feit in het kader van een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 324bis van het Strafwetboek;
2° de gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken.
Bovendien kan een observatie zoals bedoeld in paragraaf 1, die betrekking heeft op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden of de woonplaats van een advocaat of een arts, slechts door de SUO-magistraat gemachtigd worden wanneer de advocaat of de arts zelf het voorwerp uitmaakt van de in kracht van gewijsde gegane veroordeling bedoeld in de bepaling onder 1°, of indien precieze feiten doen vermoeden dat derden die het voorwerp uitmaken van een dergelijke veroordeling, gebruik maken van diens lokalen of woonplaats.
Deze maatregel kan niet ten uitvoer worden gelegd zonder dat de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren ervan op de hoogte is. Deze personen zijn tot geheimhouding verplicht. Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.
Er wordt gehandeld overeenkomstig artikel 464/14.".
Art. 16. In artikel 524bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 december 2002, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
"Het voeren van dit bijzonder onderzoek naar de vermogensvoordelen is evenwel enkel mogelijk indien het openbaar ministerie door middel van ernstige en concrete aanwijzingen aantoont dat de veroordeelde vermogensvoordelen van enig belang heeft behaald, hetzij uit het misdrijf waarvoor hij werd veroordeeld, hetzij uit andere misdrijven die, rechtstreeks of onrechtstreeks, aanleiding kunnen geven tot een economisch voordeel, voor zover ze voorkomen in artikel 43quater, § 1, van het Strafwetboek.".
Art. 17. Artikel 590, eerste lid, 19°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 februari 2016, wordt vervangen als volgt :
"19° het verval van de strafvordering overeenkomstig de artikelen 216bis, § 2 en 216ter, § 6.".
Art. 18. In artikel 594, eerste lid, 3°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 5 februari 2016, worden de woorden "tot vaststelling van het verval van de strafvordering met toepassing van artikel 216bis, § 2" vervangen door de woorden "het verval van de strafvordering overeenkomstig de artikelen 216bis, § 2 en 216ter, § 6".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van het Strafwetboek
Art. 19. Artikel 43, eerste lid, van het Strafwetboek, gewijzigd bij de wet van 17 juli 1990, wordt aangevuld met de volgende zin :
"De verbeurdverklaring van zaken die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van de misdaad of het wanbedrijf wordt uitgesproken, behoudens wanneer dit tot gevolg zou hebben dat de veroordeelde aan een onredelijk zware straf zou worden onderworpen.".
Art. 20. In artikel 43bis, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 1990, worden de woorden "bedoeld in het eerste lid en de zaken die gediend hebben of bestemd waren om het misdrijf te plegen" ingevoegd tussen het woord "zaken" en de woorden "niet kunnen".
Art. 21. In artikel 43quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 december 2002 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. Onverminderd artikel 43bis, derde en vierde lid, kunnen op vordering van de procureur des Konings de in paragraaf 2 bedoelde vermogensvoordelen, de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld, en de inkomsten uit de belegde voordelen, die worden gevonden in het vermogen of in het bezit van een persoon worden verbeurdverklaard, of kan die persoon worden veroordeeld tot de betaling van een bedrag dat door de rechter wordt geraamd als zijnde overeenstemmend met de waarde van deze zaken indien de betrokkene schuldig werd bevonden :
1° ofwel aan een of meer misdrijven bedoeld :
a) in de artikelen 136sexies en 136septies, 1° ;
b) in artikel 137, voor zover deze misdrijven worden bestraft met een van de straffen bedoeld in artikel 138, § 1, 4° tot 10°, en van dien aard zijn dat zij financieel gewin kunnen opleveren, in artikel 140, voor zover deze misdaad of dit wanbedrijf van dien aard is dat het financieel gewin kan opleveren, in de artikelen 140bis tot 140sexies, voor zover deze misdrijven van die aard zijn dat zij financieel gewin kunnen opleveren, in artikel 140septies, voor zover dit misdrijf wordt bestraft met een van de straffen bedoeld in artikel 140septies, § 1, derde en vierde streepje, en van die aard is dat het financieel gewin kan opleveren, en in artikel 141;
c) in de artikelen 162, 163, 173, 180 en 186;
d) in de artikelen 246 tot 250;
e) in de artikelen 379 of 380 en 383bis;
f) in de artikelen 433quinquies tot 433octies, 433undecies en 433duodecies;
g) in de artikelen 504bis en 504ter;
h) in artikel 505, met uitzondering van de zaken die gedekt zijn door artikel 42, 1° ;
i) in artikel 2bis, § 1, van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, voor zover de feiten betrekking hebben op de invoer, de uitvoer, de vervaardiging, de verkoop of het te koop stellen van de in dat artikel bedoelde middelen en stoffen, of in artikel 2bis, § 3, b), of § 4, b);
j) in artikel 2quater, 4°, van dezelfde wet;
k) in de artikelen 77bis tot 77quinquies van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
l) in artikel 10, § 1, 2°, van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of productie-stimulerende werking;
2° ofwel aan de misdrijven bedoeld in artikel 324ter;
3° ofwel aan een of meer van de hieronder bedoelde misdrijven wanneer die zijn gepleegd in het kader van een criminele organisatie zoals gedefinieerd in artikel 324bis :
a) in de artikelen 468, 469, 470, 471 of 472;
b) in artikel 475;
c) in artikel 477 tot 477sexies of artikel 488bis;
d) in artikel 8 van de wet van 5 augustus 1991 betreffende de in-, uit- en doorvoer van en de bestrijding van illegale handel in wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik of voor ordehandhaving dienstig materieel en daaraan verbonden technologie;
e) in de artikelen 1 en 8 van het koninklijk besluit van 12 april 1974 betreffende sommige verrichtingen in verband met stoffen met hormonale, anti-hormonale, anabole, beta-adrenergische, anti-infectieuze, anti-parasitaire, en anti-inflammatoire werking, voor de misdrijven waarop overeenkomstig de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van gifstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, straffen worden gesteld;
4° ofwel aan meerdere strafbare feiten die gezamenlijk worden vervolgd, en waarvan de ernst, de finaliteit en de onderlinge afstemming, de rechtbank toelaat zeker en noodzakelijk te besluiten dat deze feiten werden gepleegd in het kader van ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd.";
b) in paragraaf 2 worden de woorden "identieke feiten," vervangen door de woorden "misdrijven die, rechtstreeks of onrechtstreeks, aanleiding kunnen geven tot een economisch voordeel voor zover zij voorkomen in dezelfde rubriek, bepaald in paragraaf 1, als het misdrijf waarvoor de betrokkene is veroordeeld";
c) in paragraaf 3 wordt het derde lid opgeheven.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 22. Artikel 591, 25°, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2014, wordt vervangen als volgt :
"25° van alle vorderingen tegen een natuurlijke persoon die geen onderneming is als bedoeld in artikel 573, eerste lid, 1°, tot betaling van de levering van een nutsvoorziening verleend door een leverancier van elektriciteit, gas, warmte of water of door een persoon die een openbaar elektronisch communicatienetwerk, een omroeptransmissie- of omroepdienst aanbiedt."
Art. 23. In artikel 1017 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"Behalve wanneer het geding roekeloos of tergend is, wordt de overheid of de instelling belast met het toepassen van de wetten en verordeningen :
1° bedoeld in de artikelen 579, 6°, 580, 581 en 582, 1° en 2°, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden persoonlijk, steeds in de kosten verwezen;
2° betreffende de sociale zekerheid van het statutair personeel van de openbare sector die gelijkwaardig zijn met de in de bepaling onder 1° bedoelde wetten en verordeningen betreffende de sociale zekerheid van werknemers, ter zake van vorderingen ingesteld door of tegen de sociaal verzekerden persoonlijk, steeds in de kosten verwezen.";
b) in het vierde lid, worden de woorden "wettelijk of feitelijk samenwonenden," ingevoegd tussen het woord "echtgenoten," en de woorden "bloedverwanten in de opgaande lijn,".
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van de wet van 21 februari 2010 tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering
Art. 24. In artikel 2 van de wet van 21 februari 2010 tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt :
"3° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"Wanneer het geding wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen, of wanneer alle in het ongelijk gestelde partijen op de inleidende zitting zijn verschenen maar de rechtsvordering niet hebben betwist, of wanneer zij uitsluitend uitstel van betaling vragen, is het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat van de minimumvergoeding.
Geen enkele vergoeding is verschuldigd ten laste van de Staat wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten overeenkomstig artikel 138bis, § 2.".
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met `s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 18 maart 2018.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
Met `s Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
_______
Nota
(1) Kamer van volksvertegenwoordigers
(www.dekamer.be)
Stukken : 54 2753
Integraal Verslag : 8 maart 2018


begin

Publicatie : 2018-05-02