einde

Publicatie : 2017-04-05

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE

19 MAART 2017. - Wet tot wijziging van de wetgeving tot invoering van een statuut voor pleegzorgers (1)



FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
Art. 2. In boek I van het Burgerlijk Wetboek wordt het opschrift van titel IX, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, vervangen als volgt:
"TITEL IX. - Ouderlijk gezag en pleegzorg".
Art. 3. In titel IX, gewijzigd bij artikel 2, wordt een hoofdstuk I ingevoegd, die de artikelen 371 tot 387ter bevat, luidende:
"HOOFDSTUK I. - Ouderlijk gezag"
Art. 4. In artikel 387bis van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014, worden de woorden "en artikel 7/1 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade" ingevoegd achter de woorden `van de artikelen 584 en 1280 van het Gerechtelijk Wetboek.'.
Art. 5. In titel IX van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 2, wordt een hoofdstuk II ingevoegd, luidende:
"HOOFDSTUK II. - Pleegzorg".
Art. 6. In hoofdstuk II, ingevoegd bij artikel 5, wordt een artikel 387quater ingevoegd, luidende:
"Art. 387quater. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing bij een plaatsing van een minderjarig niet ontvoogd kind in het kader van pleegzorg overeenkomstig de toepasselijke regelgeving inzake jeugdbijstand en jeugdbescherming.".
Art. 7. In hetzelfde hoofdstuk II wordt een artikel 387quinquies ingevoegd, luidende:
"Art. 387quinquies. Gedurende de periode van plaatsing oefenen de pleegzorgers het verblijfsrecht en het recht om alle dagdagelijkse beslissingen over het kind te nemen uit.
De ouders behouden de bevoegdheid om de belangrijke beslissingen te nemen omtrent de gezondheid, de opvoeding, de opleiding, de ontspanning en de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes van het kind.
Deze laatste bevoegdheid komt evenwel toe aan de pleegzorgers in geval van dringende noodzakelijkheid. In dat geval, brengen ze hun beslissing onverwijld ter kennis van de ouders of, indien de ouders niet kunnen worden verwittigd, van het bevoegde orgaan voor pleegzorg.".
Art. 8. In hetzelfde hoofdstuk II wordt een artikel 387sexies ingevoegd, luidende:
"Art. 387sexies. De ouders of de voogd en de pleegzorgers komen, met tussenkomst van het bevoegde orgaan voor pleegzorg, schriftelijk overeen op welke wijze de ouders of de voogd, hun recht op persoonlijk contact, bepaald in artikel 387undecies, kunnen uitoefenen, rekening houdend met de mogelijkheden en leefomstandigheden van de ouders.
De overeenkomst kan ter homologatie worden voorgelegd aan de familierechtbank, overeenkomstig de artikelen 1253ter/4 en 1253ter/6 van het Gerechtelijk Wetboek. De homologatie kan slechts worden geweigerd indien ze in strijd is met het belang van het kind.
Indien de ouders of de voogd en de pleegzorgers geen akkoord kunnen bereiken, doet de rechter uitspraak op verzoek van de meest gerede partij.".
Art. 9. In hetzelfde hoofdstuk II wordt een artikel 387septies ingevoegd, luidende:
"Art. 387septies. § 1. De ouders of de voogd en de pleegzorgers kunnen schriftelijk, met tussenkomst van het bevoegde orgaan voor pleegzorg, overeenkomen om ook de bevoegdheid om de belangrijke beslissingen te nemen omtrent de gezondheid, de opvoeding, de opleiding, de ontspanning en de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes van het kind, ook buiten het geval van dringende noodzakelijkheid volledig of gedeeltelijk te delegeren aan de pleegzorgers, met uitzondering van de rechten en plichten omtrent de staat van de persoon van het kind. Ook de rechten en plichten omtrent het beheer van de goederen van het kind kunnen bij overeenkomst aan de pleegzorgers worden gedelegeerd.
De overeenkomst vermeldt uitdrukkelijk de rechten en plichten die ter uitoefening van het ouderlijk gezag worden gedelegeerd aan de pleegzorgers. De overeenkomst bepaalt de modaliteiten van uitoefening tussen de ouders en de pleegzorgers van de gedelegeerde bevoegdheden.
§ 2. De overeenkomst wordt ter homologatie voorgelegd aan de familierechtbank, overeenkomstig de artikelen 1253ter/4 en 1253ter/6 van het Gerechtelijk Wetboek. De homologatie kan slechts worden geweigerd indien ze in strijd is met het belang van het kind.
De gehomologeerde overeenkomst kan geen afbreuk doen aan de door de bevoegde organen voor pleegzorg bepaalde duurtijd van de pleegzorg.".
Art. 10. In hetzelfde hoofdstuk II wordt een artikel 387octies ingevoegd, luidende:
"Art. 387octies. § 1. Bij gebrek aan een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 387septies en op voorwaarde dat het kind gedurende ten minste één jaar voorafgaand aan het verzoek voortdurend was geplaatst in het gezin van de pleegzorgers, kunnen de pleegzorgers de familierechtbank verzoeken om ook buiten het geval van dringende noodzakelijkheid, de bevoegdheid om de belangrijke beslissingen te nemen omtrent de gezondheid, de opvoeding, de opleiding, de ontspanning en de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes van het kind, volledig of gedeeltelijk, aan hen te delegeren, met uitzondering van de rechten en plichten omtrent de staat van de persoon van het kind. Ook de rechten en plichten omtrent het beheer van de goederen van het kind kunnen aan de pleegzorgers worden gedelegeerd.
Het verzoek wordt ingesteld overeenkomstig de artikelen 1253ter/4 tot 1253ter/6 van het Gerechtelijk Wetboek.
Het vonnis kan geen afbreuk doen aan de door de bevoegde organen voor pleegzorg bepaalde duurtijd van de pleegzorg.
Zij stellen hun vordering al naar gelang het geval in tegen beide ouders, de enige ouder of de voogd van het kind.
§ 2. Het vonnis of arrest vermeldt uitdrukkelijk de rechten en plichten die ter uitoefening van het ouderlijk gezag worden gedelegeerd aan de pleegzorgers.".
Art. 11. In hetzelfde hoofdstuk II wordt een artikel 387novies ingevoegd, luidende:
"Art. 387novies. De pleegzorgers oefenen de overeenkomstig dit hoofdstuk aan hen gedelegeerde bevoegdheden over het kind gezamenlijk uit.
Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke pleegzorger geacht te handelen met de andere pleegzorger wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met de aan hen gedelegeerde bevoegdheden verband houdt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
Bij gebreke van instemming kan een van beide pleegzorgers de zaak bij de familierechtbank aanhangig maken overeenkomstig artikel 387duodecies.".
Art. 12. In hetzelfde hoofdstuk II wordt een artikel 387decies ingevoegd, luidende:
"Art. 387decies. Bij de uitoefening van de hun overeenkomstig dit hoofdstuk gedelegeerde rechten en plichten nemen de pleegzorgers zoveel mogelijk de door de ouders of de voogd gekozen beginselen zoals, in voorkomend geval, vastgelegd overeenkomstig de toepasselijke regelgeving inzake jeugdbescherming, in acht, in het bijzonder bij de bevoegdheden als bedoeld in artikel 374, § 1, tweede lid.".
Art. 13. In hetzelfde hoofdstuk II wordt een artikel 387undecies ingevoegd, luidende:
"Art. 387undecies. De ouders of de voogd behouden het recht om toezicht uit te oefenen op de opvoeding van het kind, ongeacht of ze het ouderlijk gezag uitoefenen. Zij kunnen bij de pleegzorgers of bij derden alle nuttige informatie hieromtrent inwinnen en zich in het belang van het kind tot de familierechtbank wenden. De ouders of de voogd behouden eveneens het recht op persoonlijk contact met het kind. Dit persoonlijk contact kan enkel om bijzonder ernstige redenen worden geweigerd.".
Art. 14. In hetzelfde hoofdstuk II wordt een artikel 387duodecies ingevoegd, luidende:
"Art. 387duodecies. De familierechtbank kan in het belang van het kind, op verzoek van beide ouders of van één van hen, de voogd, de pleegzorgers dan wel van de procureur des Konings alle beslissingen met betrekking tot het ouderlijk gezag opleggen, wijzigen of beëindigen, overeenkomstig de artikelen 1253ter/4 tot 1253ter/6 van het Gerechtelijk Wetboek.".
Art. 15. In hetzelfde hoofdstuk II wordt een artikel 387terdecies ingevoegd, luidende:
"Art. 387terdecies. De gedelegeerde rechten en plichten ter uitoefening van het ouderlijk gezag die overeenkomstig dit hoofdstuk werden toegekend aan de pleegzorgers doven van rechtswege uit:
1° bij de meerderjarigheid van het kind;
2° bij het overlijden van de pleegzorgers;
3° bij het overlijden, de ontvoogding of de adoptie van het kind;
4° indien er een einde komt aan de plaatsing overeenkomstig de toepasselijke regelgeving inzake jeugdbijstand en jeugdbescherming.".
Art. 16. In hetzelfde hoofdstuk II wordt een artikel 387quaterdecies ingevoegd, luidende:
"Art. 387quaterdecies. Voor de toepassing van artikel 375bis wordt de persoon bij wie een kind minstens één jaar voortdurend werd geplaatst, vermoed een bijzondere affectieve band te hebben met dit kind.".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 17. In artikel 572bis, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 8 mei 2014, worden de woorden "de jeugdrechtbank, in het kader van de jeugdbeschermingsmaatregelen" toegevoegd na de woorden "de vrederechter".
Art. 18. In artikel 1253ter/4, § 2, eerste lid van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij wet van 30 juli 2013 en gewijzigd bij wet van 8 mei 2014, wordt de bepaling 2/1° ingevoegd, luidende:
"2/1° de pleegzorg;".
Art. 19. Artikel 1253ter/8 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juli 2013, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende:
"De familierechtbank kan, op verzoek van de meest gerede partij of het openbaar ministerie, uitspraak doen over de maatregelen betreffende het ouderlijk gezag bedoeld in artikel 7 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade.".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade
Art. 20. Artikel 7 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade wordt hersteld als volgt:
`Art. 7. De jeugdrechtbank kan uitspraak doen over alle maatregelen inzake het ouderlijk gezag bedoeld in boek I, titel IX van het Burgerlijk Wetboek, voor zover deze samenhangen met de bevolen jeugdbeschermingsmaatregelen.".
Art. 21. In dezelfde wet wordt een artikel 7/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 7/1. De door de familierechtbank uitgesproken maatregelen inzake ouderlijk gezag worden geschorst voor zover deze onverenigbaar zijn met de bevolen jeugdbeschermingsmaatregelen, tot de beëindiging van de jeugdbeschermingsmaatregel of tot de jeugdrechtbank hier anders over beslist.
Na de beëindiging van de jeugdbeschermingsmaatregel blijven de overeenkomstig artikel 7 bevolen maatregelen van toepassing, of treden, in voorkomend geval, de geschorste maatregelen opnieuw in werking, tot op het ogenblik dat de partijen hieromtrent anders overeenkomen, of de familierechtbank hierover beslist.".
Art. 22. In artikel 45 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 1° hersteld als volgt:
"1° ambtshalve, op vraag van het openbaar ministerie, de ouders of, in voorkomend geval, de pleegzorgers, in geval van een aangelegenheid overeenkomstig artikel 7.".
HOOFDSTUK 5. - Inwerkingtreding
Art. 23. Deze wet treedt in werking op 1 september 2017.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 19 maart 2017.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
_______
Nota
(1) Kamer van volksvertegenwoordigers
(www.dekamer.be):
Stukken. 54-697


begin

Publicatie : 2017-04-05