J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 1 gearchiveerde versie
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2016/12/25/2016009669/justel

Titel
25 DECEMBER 2016. - Wet tot wijziging van de rechtspositie van de gedetineerden en van het toezicht op de gevangenissen en houdende diverse bepalingen inzake justitie
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-2016 en tekstbijwerking tot 27-02-2017)

Bron : JUSTITIE
Publicatie : 30-12-2016 nummer :   2016009669 bladzijde : 91963   BEELD
Dossiernummer : 2016-12-25/14
Inwerkingtreding : 09-01-2017

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
Art. 2-30
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Strafwetboek
Art. 31
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering
Art. 32
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van beroep van gevangenzittende of geïnterneerde personen
Art. 33-37
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen met het oog op de tenuitvoerlegging van verordening nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen
Art. 38-50
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken
Art. 51
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 236 van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerden
Art. 52-54
HOOFDSTUK 9. - Wijziging van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting
Art. 55
HOOFDSTUK 10. - Wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen
Art. 56
HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 57-104
HOOFDSTUK 12. - Wijziging van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis
Art. 105
HOOFDSTUK 13. - Wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis
Art. 106
HOOFDSTUK 14. - Wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België
Art. 107
HOOFDSTUK 15. - Wijziging van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen
Art. 108
HOOFDSTUK 16. - Wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt
Art. 109
HOOFDSTUK 17. - Wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers
Art. 110
HOOFDSTUK 18. - Wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
Art. 111
HOOFDSTUK 19. - Wijziging van de wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector
Art. 112
HOOFDSTUK 20. - Wijziging van de wet van 12 mei 2004 tot regeling van een beroepsprocedure in het kader van de bescherming tegen valsemunterij en de handhaving van de kwaliteit van de geldomloop
Art. 113
HOOFDSTUK 21. - Wijziging van de wet van 9 juli 2004 houdende diverse bepalingen
Art. 114
HOOFDSTUK 22. - Wijzigingen van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden
Art. 115-156
HOOFDSTUK 23. - Wijziging van de wet van 6 juli 2005 betreffende sommige juridische bepalingen inzake elektronische communicatie
Art. 157
HOOFDSTUK 24. - Wijziging van de wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen
Art. 158
HOOFDSTUK 25. - Wijziging van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit der ondernemingen
Art. 159
HOOFDSTUK 26. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht
Art. 160-162
HOOFDSTUK 27. - Wijzigingen van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex
Art. 163-166
HOOFDSTUK 28. - Wijzigingen van de wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde
Art. 167-168
HOOFDSTUK 29. - Wijziging van de wet van 4 mei 2016 houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie
Art. 169-170
HOOFDSTUK 30. - Wijzigingen van de wet van 1 december 2016 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en de faillissementswet van 8 augustus 1997 met het oog op de invoering van het Centraal Register Solvabiliteit
Art. 171-174
HOOFDSTUK 31. - Opheffingsbepalingen
Art. 175-179
HOOFDSTUK 32. - Overgangsbepalingen
Art. 180-181
HOOFDSTUK 33. - Inwerkingtreding
Art. 182

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering

  Art. 2. In artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 september 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  "De ambtenaren van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, van de Algemene Administratie van de inning en de invordering, van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie en van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie kunnen echter de feiten die, naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafrechtelijk strafbaar zijn, niet zonder de machtiging van de adviseur-generaal onder wie zij ressorteren, ter kennis brengen van de procureur des Konings.";
  2° in het derde lid, worden de woorden "gewestelijke directeur" vervangen door de woorden "adviseur-generaal".

  Art. 3. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 75quater ingevoegd, luidende :
  "Art. 75quater. Indien een klacht wordt neergelegd tegen of door een persoon bedoeld in de artikelen 112quater en 112quinquies of die, in de uitoefening van zijn beroepsactiviteiten, belast is met de opsporing, het vaststellen, het onderzoeken, de vervolging, het vonnissen van misdrijven of de uitvoering van de straf, maken de processen-verbaal of de andere stukken van het dossier geen melding van zijn woon- of verblijfplaats, maar geeft de betrokken persoon aan op welk adres hij woonst kiest en waarop hem nadien de voor het onderzoek en het strafproces vereiste oproepingen en betekeningen kunnen worden gedaan.
  De oproepingen en betekeningen worden geldig op dat adres gedaan, tot de betrokken persoon per aangetekende zending de procureur des Konings in kennis stelt van een wijziging van zijn woonstkeuze.
  Indien een proces-verbaal of een ander stuk van het dossier melding maakt van de woon- of verblijfplaats van de persoon bedoeld in het eerste lid, beveelt de procureur des Konings of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter de weglating van de betrokken meldingen en vervangt ze door het adres van zijn woonstkeuze, bedoeld in het tweede lid.".

  Art. 4. In boek I van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk VIIquinquies ingevoegd, luidende "Afscherming van de identiteit van de leden van de politiediensten behorend tot de speciale eenheden of die onderzoek doen naar of interveniëren bij bijzonder zware misdrijven".

  Art. 5. In hoofdstuk VIIquinquies, ingevoegd bij artikel 4, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende "Afdeling 1. Leden van de politiediensten binnen de directie van speciale eenheden van de federale politie".

  Art. 6. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 5, wordt een artikel 112quater ingevoegd, luidende :
  "Art. 112quater. De identiteit van de leden van de politiediensten binnen de directie van de speciale eenheden van de federale politie wordt afgeschermd in het kader van de uitvoering van de opdrachten en interventies die hen bij wet worden toegekend.
  Daartoe kent de leidinggevende officier van die directie een code toe aan die leden."

  Art. 7. In hoofdstuk VIIquinquies, ingevoegd bij artikel 4, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende "Afdeling 2. Leden van de politiediensten die onderzoek doen naar of interveniëren bij bijzonder zware misdrijven".

  Art. 8. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 7, wordt een artikel 112quinquies ingevoegd, luidende :
  "Art. 112quinquies. § 1. Indien de beschermingsmaatregel bedoeld in artikel 75ter niet lijkt te volstaan en er ernstige aanwijzingen bestaan dat de feiten een misdrijf uitmaken bedoeld in paragraaf 2, wordt de identiteit van de leden van de politiediensten die met het onderzoek zijn belast, afgeschermd en kent hen de officier van gerechtelijke politie die het onderzoek leidt voor de duur van dat onderzoek een code toe.
  § 2. De misdrijven die de afschermingsmaatregel bedoeld in paragraaf 1 kunnen wettigen, zijn deze bedoeld in :
  - boek II, titel Iter van het Strafwetboek;
  - de artikelen 323, eerste lid, en 324ter van hetzelfde Wetboek indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de vereniging of organisatie gebruik maakt van intimidatie, bedreiging of geweld;
  - in artikel 323, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de vereniging gebruikt maakt van intimidatie, bedreiging of geweld om misdrijven bedoeld in artikel 90ter, § 2, te plegen.".

  Art. 9. In hoofdstuk VIIquinquies, ingevoegd bij artikel 4, wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende "Afdeling 3. Algemene bepalingen".

  Art. 10. In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 9, wordt een artikel 112sexies ingevoegd, luidende :
  "Art. 112sexies. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder identiteit alle gegevens of handelingen die rechtstreeks of onrechtstreeks tot identificatie van een lid van de politiediensten kunnen leiden.".

  Art. 11. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 112septies ingevoegd, luidende :
  "Art. 112septies. De identiteit en de code van het lid van de politiediensten bedoeld in de artikelen 112quater of 112quinquies worden door de in deze artikelen bedoelde leidinggevende officier onverwijld opgetekend in een vertrouwelijk register en bewaard wordt binnen die dienst.
  Enkel de procureur des Konings of de onderzoeksrechter in het kader van een gerechtelijk onderzoek kan kennisnemen van de volledige identiteit van het lid van de politiediensten waaraan een code is toegekend, en nagaan of de voorwaarden bedoeld in de artikelen 112quater en 112quinquies vervuld zijn.".

  Art. 12. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 112octies ingevoegd, luidende :
  "Art. 112octies. De processen-verbaal opgesteld door om het even welke politie -of opsporingsdienst vermelden geen enkel element dat de veiligheid en de anonimiteit van de onder code handelende leden van de politiediensten in het gedrang kan brengen.
  In voorkomend geval neemt de procureur des Konings of de onderzoeksrechter alle maatregelen om de identiteit van het betrokken lid van de politiediensten verborgen te houden. Hij beveelt dat de vermeldingen strijdig met het eerste lid weggelaten worden uit de processen-verbaal.".

  Art. 13. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 112novies ingevoegd, luidende :
  "Art. 112novies. In afwijking van de artikelen 75 en 75ter, en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk IV, afdeling 3, geven de betrokken leden van de politiediensten die als getuige gehoord worden enkel hun hoedanigheid en code op die hen werd toegekend.
  Voorts neemt de procureur des Konings of de onderzoeksrechter alle maatregelen om de identiteit van het desbetreffende lid van de politiediensten verborgen te houden.".

  Art. 14. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 112decies ingevoegd, luidende :
  "Art. 112decies. De identiteit van het betrokken lid van de politiediensten wordt enkel onthuld op het ogenblik dat het openbaar ministerie hem als beklaagde dagvaardt of na de verwijzing, internering of opschorting van de uitspraak door een onderzoeksgerecht ten laste van dat lid. In dat laatste geval wordt, nadat de beslissing van verwijzing, internering of opschorting van de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, op vordering van het openbaar ministerie de identiteit vermeld in een afzonderlijke beschikking of arrest.".

  Art. 15. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 112undecies ingevoegd, luidende :
  "Art. 112undecies. Het kenbaar maken van de identiteit van het lid van de politiediensten die overeenkomstig dit hoofdstuk wordt afgeschermd, buiten de gevallen waarin artikel 112decies voorziet, wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot twee jaar en met geldboete van driehonderd euro tot drieduizend euro of met een van die straffen alleen. Dezelfde straf is van toepassing op het zich onrechtmatig toegang verschaffen tot het register bedoeld in artikel 112septies.".

  Art. 16. In artikel 441 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 10 juli 1967 en 14 februari 2014, worden de woorden "op vertoon van een uitdrukkelijk bevel, hem door de minister van Justitie gegeven," vervangen door de woorden "op verzoek van een procureur-generaal bij het hof van beroep of van de minister bevoegd voor Justitie,".

  Art. 17. In artikel 464/2, § 4, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 februari 2014, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :
  "De in het eerste lid bedoelde politiediensten genieten de bescherming van hun identiteit onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 112quater en 112quinquies.".

  Art. 18. In artikel 589 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) het tweede lid, 3°, wordt vervangen als volgt :
  "3° natuurlijke personen en rechtspersonen ingeval zij een uittreksel uit het Strafregister moeten voorleggen;";
  b) in het derde lid worden de woorden "het Ministerie van Justitie" vervangen door de woorden "de Federale Overheidsdienst Justitie";
  c) het vierde lid wordt vervangen als volgt :
  "Deze gegevens kunnen dienen als grondslag voor statistieken uitgewerkt en verspreid op initiatief van de Federale Overheidsdienst Justitie.".

  Art. 19. In artikel 590, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de bepaling onder 3 worden de woorden ", gewone of" ingevoegd tussen de woorden "herroeping van het" en "probatie-uitstel";
  b) in de bepaling onder 16 worden de woorden "of rechtspersonen die hun maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel in België hebben" ingevoegd tussen de woorden "ten aanzien van Belgen" en de woorden "die krachtens internationale overeenkomsten ter kennis van de Belgische Regering worden gebracht";
  c) in de bepaling onder 18 worden de woorden ", wanneer het personen betreft die geen woon- of verblijfplaats in België hebben" opgeheven.

  Art. 20. Artikel 591 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 591. § 1. De schriftelijk bij naam aangewezen ambtenaren van niveau A van de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie, de hoofdgriffiers, de griffiers-hoofden van dienst en de griffiers van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde hebben, uitsluitend in het kader van het beheer van het Strafregister, toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
  De personen bedoeld in artikel 593 hebben in het kader van de raadpleging van het Strafregister toegang tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 9° en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
  § 2. De personen bedoeld in paragraaf 1 mogen de identificatienummers van het Rijksregister van de natuurlijke personen alleen gebruiken voor de identificatie van de in het Strafregister opgenomen of op te nemen personen.
  Zij mogen het inschrijvingsnummer in de Kruispuntbank van Ondernemingen bedoeld in artikel III.49 van het Wetboek van economisch recht alleen gebruiken voor de identificatie van de in het Strafregister opgenomen of op te nemen rechtspersonen.
  § 3. De personen bedoeld in paragraaf 1 kunnen de bevoegdheden bedoeld in paragraaf 2 overdragen aan één of meer schriftelijk bij naam aangewezen personen binnen hun dienst. Dergelijke delegaties moeten met redenen zijn omkleed en verantwoord door de behoeften van de dienst.
  De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder die delegaties worden verleend.".

  Art. 21. In artikel 592 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd luidende :
  "Indien de beslissing is uitgesproken door van een rechtscollege, dat noch een politierechtbank noch een rechtbank van eerste aanleg zetelend in hoger beroep tegen een vonnis van een politierechtbank is, en die beslissing heeft betrekking op een rechtspersoon die zijn statuten in België heeft neergelegd, zenden de griffiers bovendien een uittreksel van deze beslissing aan de griffie van het rechtscollege waar de statuten van deze rechtspersoon zijn neergelegd.".

  Art. 22. In artikel 593 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997 en gewijzigd bij de wetten van 21 juni 2004, 31 juli 2009 en 21 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "de vrederechters," ingevoegd tussen de woorden "de onderzoeksrechters," en de woorden "de rechters en de assessoren van de strafuitvoeringsrechtbanken";
  2° in het tweede lid worden de woorden "vrederechters," ingevoegd tussen de woorden "onderzoeksrechters," en de woorden "rechters en assessoren van de strafuitvoeringsrechtbanken".

  Art. 23. In artikel 595 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997 en gewijzigd bij de wetten van 15 mei 2006, 31 juli 2009 en 10 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "Een ieder" vervangen door de woorden "Elke natuurlijke persoon of elke persoon bekwaam om een rechtspersoon te vertegenwoordigen,", en worden de woorden "of, naar gelang het geval, op de rechtspersoon" ingevoegd tussen de woorden "op hem" en de woorden "betrekking hebben";
  2° het derde lid wordt vervangen als volgt :
  "De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het uitreiken van dit uittreksel. Voor een natuurlijke persoon die een woon- of verblijfplaats heeft in België, wordt het uittreksel uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie. Wanneer het een rechtspersoon betreft, wordt dit uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie.";
  3° het vierde lid wordt vervangen als volgt :
  "Elke natuurlijke persoon, voor zover hij zijn identiteit bewijst, geniet het recht op mededeling van de rechtstreeks op hem betrekking hebbende gegevens uit het Strafregister, overeenkomstig artikel 10 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. Ieder persoon bevoegd om een rechtspersoon te vertegenwoordigen, voor zover hij zijn identiteit bewijst, geniet het recht op mededeling van gegevens uit het Strafregister die betrekking hebben op de rechtspersoon die hij vertegenwoordigt.".

  Art. 24. Artikel 596, derde lid, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997, wordt vervangen als volgt :
  "De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels voor het uitreiken van dit uittreksel. Voor een natuurlijke persoon die een woon- of verblijfplaats heeft in België, wordt het uittreksel uitgereikt door het gemeentebestuur van de woon- of verblijfplaats. Indien de betrokkene in België geen woon- of verblijfplaats heeft, wordt het uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie. Wanneer het een rechtspersoon betreft, wordt dit uittreksel uitgereikt door de dienst van het Strafregister van de Federale Overheidsdienst Justitie.".

  Art. 25. Artikel 598 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 598. De gegevens van het Strafregister die betrekking hebben op overleden natuurlijke personen of rechtspersonen na afsluiting van de vereffening, gerechtelijke ontbinding of ontbinding zonder vereffening, worden eenmaal per jaar aan het Algemeen Rijksarchief toegezonden.".

  Art. 26. In artikel 624 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 april 1964 en gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1997, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  "Herstel in eer en rechten is afhankelijk van een proeftijd gedurende dewelke de verzoeker die een natuurlijke persoon is in België of in het buitenland een vaste verblijfplaats moet hebben gehad en blijk moet hebben gegeven van verbetering en van goed gedrag.
  Wanneer het een rechtspersoon betreft, is het herstel in eer en rechten afhankelijk van een proeftijd gedurende dewelke de rechtspersoon zijn bedrijfszetel of een exploitatiezetel in België moet hebben gehad en worden de elementen die in aanmerking komen om de aanvraag tot herstel in eer en rechten te beoordelen door de procureur des Konings bepaald.".

  Art. 27. In artikel 628 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 april 1964 en gewijzigd bij de wetten van 9 januari 1991 en 8 augustus 1997, worden het eerste en het tweede lid vervangen als volgt :
  "De verzoeker richt zijn aanvraag tot herstel in eer en rechten aan de procureur des Konings van het arrondissement waarin hij verblijft of indien het een rechtspersoon betreft, waarin zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel gevestigd is, onder opgave van de veroordelingen waarop de aanvraag betrekking heeft en van de plaatsen waar hij gedurende de proeftijd verbleven heeft of zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel heeft gehad.
  Wanneer de verzoeker in het buitenland verblijft of indien het een rechtspersoon betreft die zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel in het buitenland heeft, wordt de aanvraag gericht aan de procureur des Konings van het arrondissement Brussel.".

  Art. 28. Artikel 629 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 april 1964 en gewijzigd bij de wetten van 8 augustus 1997 en 1 februari 2016, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 629. § 1. Wanneer de verzoeker een natuurlijke persoon is, laat de procureur des Konings zich afgeven :
  1° een uittreksel uit het strafregister van de verzoeker;
  2° een voor eensluidend verklaard uittreksel uit alle arresten en vonnissen in strafzaken die de verzoeker betreffen;
  3° een uittreksel uit het moraliteitsregister van de verzoeker gehouden tijdens de uitvoering van de vrijheidsstraffen of de maatregelen van vrijheidsbeneming die hij heeft ondergaan;
  4° de verklaringen van de burgemeesters van de gemeenten waar hij gedurende de proeftijd heeft verbleven, betreffende het tijdstip en de duur van zijn verblijf in elke gemeente, zijn beroepsarbeid, zijn middelen van bestaan en zijn gedrag gedurende die tijd.
  De in het eerste lid, 2°, bedoelde uittreksels vermelden, benevens de juiste aard van de feiten en de uitgesproken straffen of maatregelen, iedere veroordeling tot teruggave, tot schadevergoeding jegens een burgerlijke partij en in de proceskosten.
  § 2. Wanneer de verzoeker een rechtspersoon is, laat de procureur des Konings zich afgeven :
  1° een uittreksel uit het strafregister van de verzoeker;
  2° een voor eensluidend verklaard uittreksel uit alle arresten en vonnissen in strafzaken de verzoeker betreffende.
  Die uittreksels vermelden, benevens de juiste aard van de feiten en de uitgesproken straffen of maatregelen, iedere veroordeling tot teruggave, tot schadevergoeding jegens een burgerlijke partij en in de proceskosten.
  3° de verklaringen van de burgemeesters van de gemeenten waar de rechtspersoon zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel gevestigd was tijdens de proeftijd, betreffende de elementen die door de procureur des Konings worden bepaald om de aanvraag tot herstel in eer en rechten te beoordelen.
  Wanneer de verzoeker een rechtspersoon is met maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel in het buitenland, bepaalt de procureur des Konings welke verklaringen moeten worden overgelegd ter vervanging van de hierboven bedoelde, of verschaft zich de nodige bescheiden.
  § 3. De procureur des Konings wint ambtshalve of op verzoek van de procureur-generaal alle nodig geachte inlichtingen in. Hij zendt het dossier met de stukken en zijn advies aan de procureur-generaal.
  Wanneer de veroordeelde een natuurlijke persoon is en een straf heeft ondergaan voor feiten bedoeld in de artikelen 371/1 tot 378 van het Strafwetboek of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 386ter van hetzelfde Wetboek indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, bevat het dossier het advies van een dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten.".

  Art. 29. In artikel 630 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 april 1964, wordt het negende lid vervangen als volgt :
  "De verzoeker moet verschijnen op elke terechtzitting, behalve op die waarop het arrest wordt uitgesproken. De verzoeker die natuurlijke persoon is, verschijnt in persoon. De verzoeker die rechtspersoon is, verschijnt in de persoon van degene die bevoegd is om de rechtspersoon te vertegenwoordigen.".

  Art. 30. In artikel 632 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 april 1964, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  "Van het herstel in eer en rechten wordt melding gemaakt op de kant van de eindarresten of -vonnissen waarvoor het wordt verleend; een uittreksel uit het arrest wordt gezonden aan de minister van Justitie, aan de procureur des Konings die verslag heeft gedaan, aan de burgemeester van de gemeente waar de verzoeker zijn woonplaats of indien het een rechtspersoon betreft, zijn maatschappelijke zetel of een exploitatiezetel heeft. Indien de in eer en rechten herstelde een privaatrechtelijke rechtspersoon is die zijn statuten in België heeft neergelegd, dan wordt een uittreksel van het arrest toegezonden aan de griffie van het rechtscollege waar de statuten van deze zijn neergelegd.".

  HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Strafwetboek

  Art. 31. In artikel 30, eerste lid, van het Strafwetboek worden de woorden "dat tot die veroordeling aanleiding geeft, wordt toegerekend op de duur van de vrijheidsstraffen." vervangen door de woorden ", met uitzondering van de veroordeling tot een eenvoudige schuldigverklaring, wordt toegerekend op de duur van de nog lopende vrijheidsstraffen.".

  HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering

  Art. 32. In artikel 24 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, vervangen bij de wet van 16 juli 2002 en gewijzigd bij de wetten van 14 januari 2013, 25 april 2014 en van 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het derde lid wordt vervangen als volgt :
  "De verjaring van de strafvordering is geschorst telkens als de raadkamer in het kader van de regeling van de rechtspleging, ingevolge de toepassing van artikel 127, § 3, van het Wetboek van strafvordering door een inverdenkinggestelde ingediend verzoek, de rechtspleging niet kan regelen. De schorsing gaat in op de dag van de eerste zitting voor de raadkamer die vastgesteld werd met het oog op de regeling van de rechtspleging, zowel wanneer het verzoek geweigerd dan wel ingewilligd werd, en eindigt de dag voor de eerste zitting waarop de regeling van de rechtspleging door het onderzoeksgerecht wordt hervat, zonder dat elke schorsing evenwel langer dan een jaar mag duren.".
  2° het vierde lid wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van beroep van gevangenzittende of geïnterneerde personen

  Art. 33. In het opschrift van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van beroep van gevangenzittende of geïnterneerde personen, vervangen bij de wet van 14 februari 2014, wordt het woord "hoger" ingevoegd tussen de woorden "aantekening van" en het woord "beroep" ingevoegd en wordt het woord "gevangenzittende" vervangen door het woord "gedetineerde".

  Art. 34. Artikel 1 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 december 2014, wordt vervangen als volgt :
  "Artikel 1. In de gevangenissen, inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij en de gemeenschapscentra voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, kunnen door de personen die erin opgesloten of geïnterneerd zijn, de verklaringen van hoger beroep in strafzaken en de verzoekschriften waarin nauwkeurig de grieven worden bepaald die tegen het vonnis worden ingebracht, aan de directeur van die instelling of zijn gemachtigde worden gedaan.
  In de gevangenissen en inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij worden deze verklaringen gedaan en deze verzoekschriften ingediend binnen de door de Koning te bepalen openingsuren van de griffie van deze instellingen.
  Deze verklaringen en verzoekschriften hebben dezelfde uitwerking als die ter griffie of door de griffier ontvangen.
  Uiterlijk de eerste werkdag volgend op de verklaring van hoger beroep wordt daarvan een akte van hoger beroep opgesteld, die bewaard wordt in een daartoe bestemd register.
  De akte van hoger beroep vermeldt minstens :
  1° de identiteit van de persoon die de verklaring heeft afgelegd;
  2° de datum waarop die verklaring heeft plaatsgevonden;
  3° de bestreden rechterlijke beslissing;
  4° de identiteit en de hoedanigheid van de persoon die de akte heeft opgesteld;
  5° de ondertekening door de persoon die de verklaring heeft afgelegd en de persoon die de akte heeft opgesteld.
  De directeur of zijn gemachtigde bezorgt dezelfde dag een kopie van deze akte van hoger beroep via het snelste schriftelijke communicatiemiddel aan de griffier van de rechtbank waarvan de beslissing uitgaat waartegen beroep wordt ingesteld.
  De directeur of zijn gemachtigde bezorgt aan de griffier van de rechtbank waarvan de beslissing uitgaat waartegen beroep wordt ingesteld, het verzoekschrift waarin nauwkeurig de grieven worden bepaald die tegen het vonnis worden ingebracht, uiterlijk de eerste werkdag volgend op de ontvangst ervan, met vermelding van de datum van ontvangst.".

  Art. 35. In artikel 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 14 februari 2014, worden de woorden "het bericht en het proces-verbaal" vervangen door de woorden "de akte van hoger beroep".

  Art. 36. Artikel 3 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 3. De directeur of zijn gemachtigde mag van de krachtens artikel 1 opgestelde akten van hoger beroep geen andere kopie afleveren dan die waarvan in dat artikel melding is gemaakt.".

  Art. 37. In artikel 4, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 14 februari 2014, worden de woorden "afschriften der aangiften van beroep" vervangen door de woorden "kopieën van aktes van hoger beroep".

  HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen met het oog op de tenuitvoerlegging van verordening nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen

  Art. 38. Het opschrift van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, vervangen bij de wet van 2 mei 2002, wordt vervangen als volgt :
  "Wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen".

  Art. 39. In dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt een titel IIIter ingevoegd, luidende "TITEL IIIter. - De Europese politieke partij".

  Art. 40. In titel IIIter, ingevoegd bij artikel 39, wordt een artikel 58/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 58/1. Elke Europese politieke partij met zetel in België, afgekort EUPP, is aanvullend aan de bepalingen van verordening nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen, onderworpen naargelang van het gekozen van statuut, hetzij aan de bepalingen van Titel I, hoofdstuk 1, en titel IIIter, hetzij aan Titel III en IIIter. In het laatste geval is artikel 46, eerste lid, niet van toepassing.
  Een afschrift van de bekendmaking bedoeld in artikel 15, § 1, van voormelde verordening wordt door de notaris neergelegd, naargelang van het gekozen statuut, in het dossier bepaald in artikel 26novies of 51. Tot het ogenblik bepaald in artikel 58/4 zijn de artikelen 26novies en 51 niet van toepassing.".

  Art. 41. In dezelfde titel IIIter wordt een artikel 58/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 58/2. De statuten van de EUPP worden opgesteld bij authentieke akte. Ingeval van een bestaande vereniging zonder winstoogmerk of internationale vereniging zonder winstoogmerk geschiedt de omzetting tot EUPP eveneens bij authentieke akte. Overeenkomstig artikel 15, § 2, van voormelde verordening levert de notaris een attest af dat bevestigt dat de zetel van de EUPP in België is gevestigd en dat zijn statuten in overeenstemming zijn met het in artikel 58/1 bepaalde toepasselijk recht.".

  Art. 42. In dezelfde titel IIIter wordt een artikel 58/3 ingevoegd, luidende :
  "Art. 58/3. De bevoegde instantie die overeenkomstig artikel 16, §§ 2, 3 en 4, van voormelde verordening, een verzoek tot schrapping kan overmaken, is het openbaar ministerie.".

  Art. 43. In dezelfde titel IIIter wordt een artikel 58/4 ingevoegd, luidende :
  "Art. 58/4. § 1. In geval van verlies van de Europese rechtspersoonlijkheid in toepassing van artikel 16 van voormelde verordening wordt de EUPP van rechtswege omgezet naar een vereniging zonder winstoogmerk.
  § 2. Iedere EUPP die overeenkomstig § 1 in een vereniging zonder winstoogmerk wordt omgezet, kan, met goedkeuring van de Koning, bij authentieke akte worden omgezet in een internationale vereniging zonder winstoogmerk.
  Aan de akte worden toegevoegd :
  1° een toelichtend verslag opgesteld door de raad van bestuur;
  2° een staat van de activa en de passiva van de vereniging die niet meer dan drie maanden voordien is vastgesteld;
  3° een verslag over die staat waarin inzonderheid wordt vermeld of daarin de toestand van de vereniging op volledige, getrouwe en juiste wijze is weergegeven, en dat is opgesteld door een bedrijfsrevisor of door een accountant ingeschreven op het tableau van de externe accountants van het Instituut der accountants en aangewezen door de raad van bestuur.
  § 3. De akte wordt gevoegd bij het dossier bedoeld in de artikelen 26novies of 51 en bekendgemaakt respectievelijk overeenkomstig § 2 en § 3 van voormelde bepalingen.
  § 4. Het in artikel 16, § 7, van voormelde verordening bepaalde wordt in voorkomend geval overlegd met het openbaar ministerie.".

  Art. 44. In dezelfde titel IIIter wordt een artikel 58/5 ingevoegd, luidende :
  "Art. 58/5. § 1. Uiterlijk binnen twee maanden na de bekendmaking van de buitenlandse zetelverplaatsing, kunnen de schuldeisers van de EUPP die tot zetelverplaatsing overgaat en van wie de vordering is ontstaan vóór die bekendmaking en nog niet is vervallen of voor wier schuldvordering in rechte of via arbitrage een bezwaar werd ingesteld voor die bekendmaking, niettegenstaande enig andersluidend beding, zekerheid eisen.
  De EUPP kan deze eis afweren door de schuldvordering te voldoen tegen haar waarde, na aftrek van het disconto.
  Indien geen overeenstemming wordt bereikt of indien de schuldeiser geen voldoening heeft gekregen, wordt het geschil door de meest gerede partij voorgelegd aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarbinnen de schuldplichtige EUPP haar zetel heeft. De rechtspleging wordt ingeleid en behandeld zoals in kort geding; hetzelfde geldt voor de tenuitvoerlegging van de gewezen beslissing. Onverminderd de rechten in de zaak zelf bepaalt de voorzitter de zekerheid die de EUPP moet stellen en de termijn waarbinnen zulks moet geschieden, tenzij hij beslist dat geen zekerheid moet worden gesteld gelet op de waarborgen en de voorrechten waarover de schuldeiser beschikt of gelet op de solvabiliteit van de betrokken EUPP.
  Indien de zekerheid niet binnen de bepaalde termijn is gesteld, wordt de schuldvordering onmiddellijk opeisbaar en is de EUPP hoofdelijk gehouden tot nakoming van deze verbintenis.
  § 2. De doorhaling in België van de oude inschrijving in het rechtspersonenregister ten gevolge van de verplaatsing van de statutaire zetel naar het buitenland wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.".

  Art. 45. In dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt een titel IIIquater ingevoegd luidende "Titel IIIquater. De Europese politieke stichting".

  Art. 46. In titel IIIquater, ingevoegd bij artikel 45, wordt een artikel 58/6 ingevoegd, luidende :
  "Art. 58/6. Elke Europese politieke stichting met zetel in België, afgekort EUPS, is aanvullend aan de bepalingen van verordening nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende het statuut en de financiering van de Europese politieke partijen en de Europese politieke stichtingen onderworpen naargelang van het gekozen statuut, hetzij aan de bepalingen van titel I, hoofdstuk 1, en titel IIIquater, hetzij aan Titel III en IIIquater. In het laatste geval is artikel 46, eerste lid, niet van toepassing.
  Een afschrift van de bekendmaking bedoeld in artikel 15, § 1, van voormelde verordening wordt door de notaris neergelegd, naargelang van het gekozen statuut, in het dossier bepaald in artikel 26novies of 51. Tot het ogenblik bepaald in artikel 58/9 zijn de artikelen 26novies en 51 niet van toepassing.".

  Art. 47. In dezelfde titel IIIquater wordt een artikel 58/7 ingevoegd, luidende :
  "Art. 58/7. De statuten van de EUPS worden opgesteld bij authentieke akte. Ingeval van een bestaande vereniging zonder winstoogmerk of internationale vereniging zonder winstoogmerk geschiedt de omzetting tot EUPS eveneens bij authentieke akte. Overeenkomstig artikel 15, § 2, van voormelde verordening levert de notaris een attest af dat bevestigt dat de zetel van de EUPS is gevestigd in België en dat de statuten ervan in overeenstemming zijn met het in artikel 58/6 bepaalde toepasselijk recht .".

  Art. 48. In dezelfde titel IIIquater wordt een artikel 58/8 ingevoegd, luidende :
  "Art. 58/8. De bevoegde instantie die overeenkomstig artikel 16, §§ 2, 3 en 4, van voormelde verordening, een verzoek tot schrapping kan overmaken, is het openbaar ministerie.".

  Art. 49. In dezelfde titel IIIquater wordt een artikel 58/9 ingevoegd, luidende :
  "Art. 58/9. § 1. In geval van verlies van de Europese rechtspersoonlijkheid in toepassing van artikel 16 van voormelde verordening wordt de EUPS van rechtswege omgezet naar een vereniging zonder winstoogmerk. Zij heeft vervolgens de keuze zich om te zetten in een internationale vereniging zonder winstoogmerk, overeenkomstig artikel 58/4, § 2.
  § 2. De akte wordt naargelang van het gekozen van statuut gevoegd bij het dossier bedoeld in de artikelen 26novies of 51 en bekendgemaakt respectievelijk overeenkomstig paragraaf 2 en paragraaf 3 van voormelde bepalingen.
  § 3. Het in artikel 16, § 7, van voormelde verordening bepaalde wordt in voorkomend geval overlegd met het openbaar ministerie.".

  Art. 50. In dezelfde titel IIIquater wordt een artikel 58/10 ingevoegd, luidende :
  "Art. 58/10. § 1. Uiterlijk twee maanden na de bekendmaking van de buitenlandse zetelverplaatsing, kunnen de schuldeisers van de EUPS die tot zetelverplaatsing overgaat en van wie de vordering is ontstaan vóór die bekendmaking en nog niet is vervallen of voor wier schuldvordering in rechte of via arbitrage een bezwaar werd ingesteld voor die bekendmaking, niettegenstaande enig andersluidend beding, zekerheid eisen.
  De EUPS kan deze eis afweren door de schuldvordering te voldoen tegen haar waarde, na aftrek van het disconto.
  Indien geen overeenstemming wordt bereikt of indien de schuldeiser geen voldoening heeft gekregen, wordt het geschil door de meest gerede partij voorgelegd aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarbinnen de schuldplichtige EUPS haar zetel heeft. De rechtspleging wordt ingeleid en behandeld zoals in kort geding; hetzelfde geldt voor de tenuitvoerlegging van de gewezen beslissing. Onverminderd de rechten in de zaak zelf bepaalt de voorzitter de zekerheid die de EUPS moet stellen en de termijn waarbinnen zulks moet geschieden, tenzij hij beslist dat geen zekerheid moet worden gesteld gelet op de waarborgen en de voorrechten waarover de schuldeiser beschikt of gelet op de solvabiliteit van de betrokken EUPS.
  Indien de zekerheid niet binnen de bepaalde termijn is gesteld, wordt de schuldvordering onmiddellijk opeisbaar en is de EUPS hoofdelijk gehouden tot nakoming van deze verbintenis.
  § 2. De doorhaling in België van de oude inschrijving ten gevolge van de verplaatsing van de statutaire zetel naar het buitenland wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.".

  HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken

  Art. 51. Artikel 43bis, § 3, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, ingevoegd bij de wet van 10 oktober 1967 en gewijzigd bij de wetten van 26 juni 1974, 23 september 1985 en 22 december 1998, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "De raadsheren in het hof van beroep te Brussel die bij voorrang zitting nemen in het Marktenhof moeten het bewijs leveren van ten minste een functionele kennis van de andere taal dan diegene van hun diploma, overeenkomstig artikel 43quinquies, § 1, derde lid.".

  HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 236 van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerden

  Art. 52. Artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 236 van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerden, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 december 2006 en de wetten van 19 december 2014 en 5 februari 2016, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 2. Wanneer hij die verzet doet, zich in hechtenis bevindt, kan het verzet tegen de veroordelingen in strafzaken, uitgesproken door de hoven van beroep, de correctionele rechtbanken en de politierechtbanken, gedaan worden door middel van een verklaring aan de directeur of zijn gemachtigde van een gevangenis, van een inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij of van een gemeenschapscentrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.
  In de gevangenissen en inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij worden deze verklaringen gedaan binnen de door de Koning te bepalen openingsuren van de griffie van deze instellingen.
  Uiterlijk de eerste werkdag volgend op deze verklaring wordt daarvan een akte van verzet opgesteld, die bewaard wordt in een daartoe bestemd register.
  De akte van verzet vermeldt minstens :
  1° de identiteit van de persoon die de verklaring heeft afgelegd;
  2° de datum waarop die verklaring heeft plaatsgevonden;
  3° de bestreden rechterlijke beslissing;
  4° de identiteit en de hoedanigheid van de persoon die de akte heeft opgesteld;
  5° de ondertekening door de persoon die de verklaring heeft afgelegd en de persoon die de akte heeft opgesteld.
  De directeur of zijn gemachtigde bezorgt dezelfde dag een kopie van deze akte van verzet via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel aan de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechtbank of het hof waarvan de beslissing waartegen verzet wordt gedaan, uitgaat.
  De akte van verzet brengt van rechtswege dagvaarding mee op de eerstkomende terechtzitting na het verstrijken van de termijnen en wordt als ongedaan beschouwd indien de eiser in verzet niet verschijnt.
  Onmiddellijk na de ontvangst van de kopie van de akte van verzet, roept de ambtenaar van het openbaar ministerie de eiser in verzet op voor deze terechtzitting, volgens de in artikel 1 beschreven vorm.".

  Art. 53. Artikel 3 van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 december 2006 en de wet van 19 december 2014, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 3. De directeur of zijn gemachtigde mag van de krachtens artikel 2 opgestelde akten van verzet geen andere kopie afleveren dan die waarvan in dat artikel melding is gemaakt.".

  Art. 54. In artikel 4 van hetzelfde koninklijk besluit worden de woorden "processen-verbaal, registers, berichten en uitgiften" vervangen door de woorden "akten van verzet en registers".

  HOOFDSTUK 9. - Wijziging van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting

  Art. 55. In artikel 2 van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting, hersteld bij de wet van 4 maart 1997, vervangen bij de wet van 21 juni 2001 en gewijzigd bij de wetten van 14 december 2004, 30 december 2009 en 5 februari 2016, wordt het cijfer "28" vervangen door het cijfer "32".

  HOOFDSTUK 10. - Wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen

  Art. 56. In de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen worden de woorden "hof van beroep te Brussel", "hof van beroep van Brussel" en "hof van beroep" telkens vervangen door het woord "Marktenhof", behalve in de volgende bepalingen :
  1° artikel 15/21, § 2, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005;
  2° artikel 15/21, § 3, eerste, tweede en laatste zin, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005 en vervangen bij de wet van 8 januari 2012.

  HOOFDSTUK 11. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek

  Art. 57. Artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 oktober 2015, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 32ter. Elke kennisgeving of mededeling aan of neerlegging bij de hoven of rechtbanken, het openbaar ministerie, diensten die afhangen van de rechterlijke macht, met inbegrip van de griffies en parketsecretariaten, of andere openbare diensten, of elke kennisgeving of mededeling aan een advocaat, een gerechtsdeurwaarder of een notaris, door de hoven of rechtbanken, het openbaar ministerie, diensten die afhangen van de rechterlijke macht, met inbegrip van de griffies en parketsecretariaten, of andere openbare diensten, of door een advocaat, een gerechtsdeurwaarder of een notaris, kan gebeuren door middel van het informaticasysteem van Justitie dat door de Koning wordt aangewezen.
  De Koning bepaalt de nadere regels van dat informaticasysteem, waarbij de vertrouwelijkheid en effectiviteit van de communicatie worden verzekerd. Het gebruik van het voormelde informaticasysteem kan door de Koning aan de instanties, diensten of actoren vermeld in het eerste lid of sommigen onder hen worden opgelegd.
  De Koning kan de toepassing van deze bepaling bij besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, uitbreiden tot andere instellingen en diensten.".

  Art. 58. In artikel 80 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende :
  "In afwijking van artikel 79, tweede lid, wijst de eerste voorzitter van het hof van beroep, in uitzonderlijke omstandigheden en na het advies van de federale procureur te hebben ingewonnen, uit de onderzoeksrechters van zijn rechtsgebied die over nuttige ervaring beschikken, een of meer aanvullende onderzoeksrechters aan, voor een termijn van ten hoogste twee jaar, die tweemaal kan worden hernieuwd.".

  Art. 59. In artikel 101 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "In het hof van beroep te Brussel zijn er tevens kamers voor marktzaken, wier bevoegdheid wordt bepaald bij de wet. Die kamers vormen een sectie, Marktenhof genoemd."
  2° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  "Het Marktenhof, bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, omvat ten minste zes raadsheren, onder wie ten hoogste zes raadsheren worden benoemd met toepassing van artikel 207, § 3, 4°. Bij de benoeming wordt er rekening gehouden met het taalevenwicht.".

  Art. 60. Artikel 109bis, § 2, van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 19 oktober 2015, wordt hersteld als volgt :
  " § 2. Het Marktenhof neemt steeds zitting met drie raadsheren.".

  Art. 61. Artikel 157, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 april 2007, wordt aangevuld met de volgende zinnen :
  "De Koning kan, op voorstel of na advies van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, eenzelfde griffie aan meerdere vredegerechten van eenzelfde arrondissement verbinden en bepalen waar deze griffie haar zetel houdt. Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel komt de bevoegdheid van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank toe aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 72bis, tweede tot vierde lid.".

  Art. 62. In artikel 159 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 1 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het derde lid, derde zin, worden de woorden "een kanton" vervangen door de woorden "een of meerdere griffies van aan elkaar grenzende kantons van eenzelfde arrondissement";
  2° het derde lid wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Op het ogenblik dat de Koning bij toepassing van artikel 157, eerste lid, tweede zin, eenzelfde griffie verbindt aan meerdere vredegerechten van eenzelfde arrondissement worden de personeelsleden van niveau C en D die vast benoemd zijn in de betrokken kantons of griffies ambtshalve herbenoemd in deze nieuwe griffie, zonder toepassing van artikel 287sexies en zonder nieuwe eedaflegging.";
  3° in het vijfde lid, tweede zin, worden de woorden "een ander kanton" vervangen door de woorden "een griffie";
  4° het vijfde lid wordt aangevuld met de volgende zinnen :
  "Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel komt deze bevoegdheid toe aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 186bis, tweede tot zevende lid.".

  Art. 63. In artikel 186 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1, negende lid, wordt aangevuld met de volgende zinnen :
  "Hij kan, op voorstel of na advies van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, eenzelfde griffie aan meerdere zetels van eenzelfde kanton verbinden en bepalen waar deze griffie haar zetel houdt. Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel komt de bevoegdheid van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank toe aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 72bis, tweede tot vierde lid.";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de eerste zin vervangen door de volgende zin :
  "De neerlegging van stukken ter griffie met het oog op de aanhangigmaking en behandeling van zaken die, overeenkomstig paragraaf 1, ingevolge een zaakverdelingsreglement zijn toegewezen aan een afdeling, kan gebeuren in elke afdeling van de bevoegde rechtbank.".

  Art. 64. Artikel 207, § 3, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 1998 en gewijzigd bij de wet van 3 mei 2003, wordt aangevuld met de bepaling onder 4 luidende :
  "4° hetzij, wat betreft de raadsheren in het hof van beroep te Brussel die bij voorrang zitting nemen in het Marktenhof, beschikken over ten minste vijftien jaar nuttige beroepservaring die blijk geeft van gespecialiseerde kennis van het economisch, financieel of marktrecht.".

  Art. 65. In hetzelfde Wetboek wordt in de plaats van artikel 330quinquies, vernietigd bij arrest nr. 138/2015 van het Grondwettelijk Hof, het als volgt luidende artikel 330quinquies ingevoegd :
  "Art. 330quinquies. Een magistraat die opgedragen wordt zijn ambt uit te oefenen in een andere afdeling of gerechtelijke entiteit en die daarmee niet hoeft in te stemmen, kan tegen die opdracht administratief beroep aantekenen, naargelang van het geval bij het College van de hoven en de rechtbanken of bij het College van het openbaar ministerie.
  Het beroep heeft geen schorsende kracht.
  Het betrokken College beslist binnen een maand bij meerderheid, nadat het de verzoeker heeft gehoord. Het kan de beslissing bevestigen of ongedaan maken. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter van het College doorslaggevend.
  Tegen de beslissing van het College kan een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld bij de Raad van State met toepassing van artikel 14, § 1, 2°, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State. In voorkomend geval wordt het beroep bij de tuchtrechtbank, bedoeld in de artikelen 413, § 5, en 418, § 4, niet toegelaten.".

  Art. 66. Artikel 355ter, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 mei 2006, wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Alle periodes gedurende dewelke het ambt van assessor in de strafuitvoeringsrechtbank werd uitgeoefend worden in aanmerking genomen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit.".

  Art. 67. Artikel 413, § 5, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 juli 2013, wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Dit beroep wordt alleen toegelaten indien de betrokken magistraten vooraf het administratief beroep bedoeld in artikel 330quinquies hebben ingesteld en daarover uitspraak is gedaan."

  Art. 68. Artikel 418, § 4, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 juli 2013, wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Dit beroep wordt alleen toegelaten indien de betrokken magistraat vooraf het administratief beroep bedoeld bij artikel 330quinquies heeft ingesteld en daarover uitspraak is gedaan. Het instellen van het administratief beroep stuit de termijn bedoeld in de eerste zin.".

  Art. 69. In artikel 446quater, § 5, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° vóór het enig lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
  "De Koning kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het beheer, de toegang, de controle en het toezicht op de in § 2 bedoelde rekeningen.";
  2° in het enig lid, dat het tweede lid wordt, wordt de eerste zin aangevuld met de woorden :
  ", met uitzondering van de rekeningen die beheerd worden in het kader van een gerechtelijk mandaat.".

  Art. 70. In artikel 522/1, § 5, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 januari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° vóór het enig lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
  "De Koning kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het beheer, de toegang, de controle en het toezicht op de in § 2 bedoelde rekeningen.";
  2° in het enig lid, dat het tweede lid wordt, wordt de eerste zin aangevuld met de woorden :
  ", met uitzondering van de rekeningen die beheerd worden in het kader van een gerechtelijk mandaat.".

  Art. 71. In artikel 585, 1°, van hetzelfde Wetboek wordt het woord "scheidsrechters," opgeheven.

  Art. 72. Het artikel 586 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 16 juli 2004, wordt opgeheven.

  Art. 73. In artikel 588, 1°, van hetzelfde Wetboek wordt het woord "scheidsrechters," opgeheven.

  Art. 74. In artikel 594, 1°, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "of scheidsrechters" opgeheven.

  Art. 75. In artikel 605quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 juli 2005 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de bepaling onder 6 wordt vervangen als volgt :
  "6° de artikelen 221/1 en 221/3 van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex;";
  b) de bepaling onder 7 wordt opgeheven.

  Art. 76. In artikel 606 van hetzelfde Wetboek wordt de bepaling onder 1° opgeheven.

  Art. 77. In artikel 633bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 2 augustus 2002, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof".

  Art. 78. In artikel 711, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "de griffie van ieder gerecht" vervangen door de woorden "ieder griffie".

  Art. 79. Artikel 828 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2013, wordt aangevuld een bepaling onder 13°, luidende :
  "13° wegens tegenstrijdigheid van belangen.".

  Art. 80. In artikel 972, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 2007 en gewijzigd bij de wet van 30 december 2009, wordt tussen het derde en het vierde lid een lid ingevoegd, luidende :
  "Onverminderd de toepassing van artikel 967 en van het derde lid, deelt de deskundige binnen dezelfde termijn van acht dagen in elk geval de feiten en omstandigheden mee op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid. Het derde lid, met uitzondering van de eerste zin, is van overeenkomstige toepassing. Indien de rechter het aangewezen acht, wijst hij een nieuwe deskundige aan.".

  Art. 81. Artikel 1017, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 24 juni 1970, wordt aangevuld met de volgende zin :
  "Niettemin worden nutteloze kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022, zelfs ambtshalve ten laste gelegd van de partij die ze foutief heeft veroorzaakt.".

  Art. 82. Artikel 1380 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "Om de richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties toe te passen, deelt het openbaar ministerie ambtshalve een afschrift van de strafrechtelijke veroordeling mee aan de tuchtoverheid of administratieve overheid waartoe de veroordeelde behoort die een in de zin van de richtlijn gereglementeerd beroep uitoefent. Die mededeling heeft plaats zodra de veroordeling in kracht van gewijsde is gegaan.
  Het openbaar ministerie beoordeelt in dezelfde zin of het noodzakelijk is om de bevoegde tuchtoverheid of administratieve overheid informatie mee te delen over een lopend onderzoek of een lopende vervolging ten aanzien van een persoon die een in de zin van de richtlijn gereglementeerd beroep uitoefent. Indien de zaak aanhangig is gemaakt bij een onderzoeksrechter, deelt het openbaar ministerie slechts informatie mee aan de tuchtoverheid of administratieve overheid na het advies van de onderzoeksrechter te hebben ingewonnen.".

  Art. 83. In het vijfde deel, titel IV, van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk III ingevoegd, luidende "Het centraal register collectieve schuldenregelingen".

  Art. 84. In hoofdstuk III, ingevoegd bij artikel 83, wordt een artikel 1675/20 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1675/20. Het centraal register collectieve schuldenregelingen, hierna "register" genoemd, is de geïnformatiseerde gegevensbank voor het beheer, de opvolging en de behandeling van de procedures van collectieve schuldenregeling.
  Het register verzamelt alle stukken en gegevens betreffende een procedure van collectieve schuldenregeling, overeenkomstig de artikelen 1675/2 tot 1675/19.
  Het register geldt als authentieke bron voor alle akten en gegevens die erin zijn opgenomen.".

  Art. 85. In hetzelfde hoofdstuk III wordt een artikel 1675/21 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1675/21. § 1. De Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone, bedoeld in artikel 488, eerste en tweede lid, hierna "de beheerder" genoemd, staan gezamenlijk in voor de inrichting en het beheer van het register.
  § 2. De beheerder wordt met betrekking tot het in artikel 1675/20 bedoelde bestand beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 1, § 4, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  § 3. De beheerder stelt een aangestelde voor de gegevensbescherming aan.
  Deze is meer bepaald belast met :
  1° het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van persoonsgegevens en informatie en inzake hun verwerking;
  2° het informeren en adviseren van de beheerder die de persoonsgegevens behandelt over zijn verplichtingen krachtens deze wet en het algemeen kader van de bescherming van de gegevens en de persoonlijke levenssfeer.
  3° het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
  4° het functioneren als contactpunt voor de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
  5° de uitvoering van de andere opdrachten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging die door de Koning worden bepaald, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
  Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt de aangestelde voor de gegevensbescherming volledig onafhankelijk en brengt rechtstreeks verslag uit aan de beheerder.
  De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de nadere regels volgens dewelke de aangestelde voor de gegevensbescherming zijn opdrachten uitvoert."

  Art. 86. In hetzelfde hoofdstuk III wordt een artikel 1675/22 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1675/22. § 1. De magistraten van de rechterlijke orde bedoeld in artikel 58bis, de griffiers en de schuldbemiddelaars, in het kader van de vervulling van hun wettelijke opdrachten, alsook de schuldenaar, de schuldeisers en de beheerder hebben toegang tot de voor hen relevante in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens, volgens de nadere regels bepaald door de Koning, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
  De Koning kan, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, andere categorieën van personen de toestemming geven om die gegevens te raadplegen onder de voorwaarden die Hij bepaalt.
  § 2. Het is de beheerder verboden om de in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens te verstrekken aan andere dan de in paragraaf 1 bedoelde personen.
  Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen.
  Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem van toepassing.".

  Art. 87. In hetzelfde hoofdstuk III wordt een artikel 1675/23 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1675/23. De beheerder stelt, op de door de Koning, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bepaalde wijze, de schuldenaar in kennis van :
  1° de in artikel 1675/20, tweede lid, bedoelde gegevens die hem betreffen;
  2° de categorieën van personen die toegang hebben tot de in de bepaling onder 1 bedoelde gegevens;
  3° de bewaartermijn van de in de bepaling onder 1 bedoelde gegevens;
  4° de in artikel 1675/21, § 2, bedoelde verantwoordelijke voor de verwerking;
  5° de wijze waarop hij inzage kan verkrijgen van de in de bepaling onder 1 bedoelde gegevens.".

  Art. 88. In hetzelfde hoofdstuk III wordt een artikel 1675/24 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1675/24. De gegevens bedoeld in artikel 1675/20, tweede lid, worden bewaard gedurende de vijf jaren die volgen op het einde van de slotverrichtingen van de procedure van collectieve schuldenregeling.
  Na afloop van deze termijn worden de gegevens naar het Rijksarchief overgebracht.".

  Art. 89. In hetzelfde hoofdstuk III wordt een artikel 1675/25 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1675/25. De beheerder staat in voor de controle op de werking en het gebruik van het register.".

  Art. 90. In hetzelfde hoofdstuk III wordt een artikel 1675/26 ingevoegd, luidende :
  "Art. 1675/26. De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de beheerder en de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de gegevens van en de nadere regels voor de inrichting en werking van het register.".

  Art. 91. In artikel 1676 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 3 wordt het woord "arbitrage-overeenkomst" vervangen door het woord "arbitrageovereenkomst";
  2° in paragraaf 6 wordt het eerste lid opgeheven;
  3° paragraaf 7 wordt vervangen als volgt :
  " § 7. Het zesde deel van dit Wetboek is van toepassing, en de Belgische rechters zijn bevoegd wanneer de plaats van de arbitrage in de zin van artikel 1701, § 1, in België ligt, of wanneer de partijen dit zijn overeengekomen.".

  Art. 92. In artikel 1678 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, wordt paragraaf 3 opgeheven.

  Art. 93. In artikel 1680 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 4 worden de woorden "artikel 1709" vervangen door de woorden "artikel 1708";
  2° paragraaf 5 wordt vervangen als volgt :
  " § 5. Tenzij in de gevallen bedoeld in de paragrafen 1 tot 4, en in de artikelen 1683 en 1698, is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd om te beslissen over de vorderingen bedoeld in het zesde deel van dit Wetboek. Zij beslist in eerste en laatste aanleg.";
  3° paragraaf 6 wordt vervangen als volgt :
  " § 6. Onder voorbehoud van de artikelen 1696, § 1, en 1720, § 2, vallen de in het zesde deel van dit Wetboek bedoelde vorderingen onder de territoriale bevoegdheid van de rechter wiens zetel die is van het hof van beroep met in zijn rechtsgebied de plaats waar de arbitrage is bepaald.
  Wanneer die plaats niet bepaald is, of niet in België is gelegen, is de rechter territoriaal bevoegd wiens zetel die is van het hof van beroep met in zijn rechtsgebied de rechtbank die bevoegd zou zijn geweest kennis te nemen van het geschil, indien het niet aan arbitrage was onderworpen.".

  Art. 94. In de Franse tekst van artikel 1685, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, wordt het woord "dindépendance" vervangen door de woorden "d'indépendance".

  Art. 95. In artikel 1696 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen paragraaf 1 en paragraaf 2 worden twee paragrafen ingevoegd, luidende :
  " § 1/1. De vordering wordt ingesteld en behandeld op eenzijdig verzoekschrift. De rechtbank van eerste aanleg beslist in eerste en laatste aanleg overeenkomstig artikel 1680, § 5.
  § 1/2. Wanneer de voorlopige of bewarende maatregel in het buitenland werd genomen, is de territoriaal bevoegde rechtbank de rechtbank van eerste aanleg van de zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied de persoon tegen wie de uitvoerbaarverklaring wordt gevorderd zijn woonplaats of, bij afwezigheid daarvan, zijn gewone verblijfplaats, of, in voorkomend geval, zijn maatschappelijke zetel, of, bij afwezigheid daarvan, zijn vestiging of filiaal heeft. Indien die persoon in België geen woonplaats of gewone verblijfplaats, noch een maatschappelijke zetel, vestiging of filiaal heeft, wordt de vordering gebracht voor de rechtbank van eerste aanleg van de zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied het arrondissement ligt waar de voorlopige of bewarende maatregel moet worden uitgevoerd.";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "de enkele arbiter of de voorzitter van" opgeheven.

  Art. 96. In artikel 1702 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de woorden "het verzoek tot arbitrage overeenkomstig artikel 1678, § 1, a) werd ontvangen door de verweerder" vervangen door de woorden "de mededeling van het verzoek tot arbitrage werd gedaan overeenkomstig artikel 1678, § 1".

  Art. 97. In artikel 1705 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, wordt het woord "anders" opgeheven.

  Art. 98. In artikel 1713 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 5, e), worden de woorden ", evenals de plaats waar de uitspraak is gedaan" opgeheven;
  2° paragraaf 8 wordt vervangen als volgt :
  " § 8. Een exemplaar van de arbitrale uitspraak wordt overeenkomstig artikel 1678 aan iedere partij meegedeeld door de enkele arbiter of de voorzitter van het scheidsgerecht. Indien de wijze van mededeling overeenkomstig artikel 1678 niet geleid heeft tot de afgifte van een origineel, zendt de enkele arbiter of de voorzitter van het scheidsgerecht ook een dergelijk origineel aan de partijen.".

  Art. 99. In artikel 1714, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de woorden ", de mededeling van de uitspraak en de neerlegging ervan" vervangen door de woorden "en de mededeling van de uitspraak".

  Art. 100. In artikel 1715, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de woorden "ontvangst van de uitspraak overeenkomstig artikel 1678, § 1" telkens vervangen door de woorden "de mededeling van de uitspraak gedaan overeenkomstig artikel 1678".

  Art. 101. In artikel 1716 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de woorden "overeenkomstig artikel 1678, § 1" vervangen door de woorden "gedaan overeenkomstig artikel 1678".

  Art. 102. In artikel 1717 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972, vervangen bij de wet van 24 juni 2013, en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 2 worden de woorden ", en zij kan slechts worden vernietigd in de in dit artikel genoemde gevallen." vervangen door de woorden ". Zij beslist in eerste en laatste aanleg overeenkomstig artikel 1680, § 5. De uitspraak kan slechts worden vernietigd in de in dit artikel genoemde gevallen.";
  b) paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
  " § 4. Behalve in het in artikel 1690, § 4, eerste lid, bedoelde geval, kan een vordering tot vernietiging niet worden ingesteld na verloop van een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de uitspraak overeenkomstig artikel 1678 werd meegedeeld aan de partij die deze vordering instelt, of, wanneer een vordering werd ingesteld krachtens artikel 1715, te rekenen van de datum waarop mededeling overeenkomstig artikel 1678 werd gedaan van de beslissing van het scheidsgerecht over de vordering ingesteld krachtens artikel 1715 aan de partij die de vordering tot vernietiging instelt.";
  c) artikel 1717 wordt aangevuld met een paragraaf 7, luidende :
  " § 7. De partij die derdenverzet aantekent tegen een beslissing waardoor de uitspraak uitvoerbaar werd verklaard en die de vernietiging van de uitspraak wil bekomen zonder daartoe voorafgaandelijk een vordering te hebben ingesteld, moet haar vordering tot vernietiging, op straffe van verval, in dezelfde procedure instellen voor zover de termijn voorzien in § 4 niet is verstreken.".

  Art. 103. In artikel 1720 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende :
  " § 1/1. De vordering wordt ingesteld en behandeld op eenzijdig verzoekschrift. De rechtbank beslist in eerste en laatste aanleg overeenkomstig artikel 1680, § 5. De verzoeker moet woonplaats kiezen in het rechtsgebied van de rechtbank.";
  2° in paragraaf 2 worden de woorden "De territoriaal bevoegde rechtbank is de rechtbank van eerste aanleg in het rechtsgebied van het hof van beroep waarin" vervangen door de woorden "Wanneer de uitspraak in het buitenland werd gedaan, is de territoriaal bevoegde rechtbank de rechtbank van eerste aanleg van de zetel van het hof van beroep in wiens rechtsgebied";
  3° paragraaf 3 wordt opgeheven;
  4° in paragraaf 4 worden de woorden "evenals het origineel van de arbitrageovereenkomst of een eensluidend verklaarde kopie ervan" opgeheven.

  Art. 104. In artikel 1721 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 juli 1972 en vervangen bij de wet van 24 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2 wordt het woord "zijn" vervangen door het woord "haar";
  2° in paragraaf 2 wordt in de Franse tekst het woord "surseoit" vervangen door het woord "sursoit".

  HOOFDSTUK 12. - Wijziging van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis

  Art. 105. In artikel 28 van de wet van 13 maart 1973 betreffende de onwerkzame voorlopige hechtenis, ingevoegd bij de wet van 13 maart 1973 en gewijzigd bij de wetten van 4 juli 2001 en 30 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 2 wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "Evenwel, ingeval de persoon nog lopende vrijheidsstraffen heeft, worden de dagen van de voorlopige hechtenis die in aanmerking komen eerst toegerekend op de nog lopende vrijheidsstraffen.
  Het met inachtneming van het eerste en het tweede lid bepaalde bedrag van de vergoeding wordt zonder formaliteit, in voorkomend geval, aangewend ter betaling van de door deze persoon nog verschuldigde bedragen naar aanleiding van strafrechtelijke veroordelingen, overeenkomstig de regeling voorzien in artikel 49 van het Strafwetboek en in artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen. Tegen deze verrekening staat geen rechtsmiddel open.";
  2° in paragraaf 3, derde lid, worden de woorden "Indien de vergoeding geweigerd wordt, indien het bedrag ervan onvoldoende geacht wordt" vervangen door de woorden "Indien de vergoeding of de toerekening geweigerd wordt, indien het bedrag ervan of het aantal dagen die worden toegerekend onvoldoende geacht worden,".

  HOOFDSTUK 13. - Wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis

  Art. 106. In artikel 37, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, ingevoegd bij de wet van 31 juli 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de eerste zin worden de woorden "aan het Centraal Strafregister en" ingevoegd tussen het woord "overgezonden" en de woorden "aan de politiedienst";
  2° de zin "Wanneer de betrokkene geen woon- of verblijfplaats in België heeft, wordt deze informatie overgezonden aan het Centraal Strafregister. "wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK 14. - Wijziging van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België

  Art. 107. In artikel 36/21 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011, dat bekrachtigd is bij de wet van 3 augustus 2012, en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof";
  2° in paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof";
  3° in paragraaf 3, vijfde lid, worden de woorden "hof van beroep" vervangen door het woord "Marktenhof";
  4° in paragraaf 3, zevende lid, worden de woorden "hof van beroep" vervangen door het woord "Marktenhof".

  HOOFDSTUK 15. - Wijziging van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen

  Art. 108. Artikel 20, § 1, van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen, vervangen bij de wet van 26 december 2015, wordt aangevuld met de bepaling onder 5, luidende :
  "5° de oprichtings- en beheerskosten van het centraal register collectieve schuldenregelingen zoals bedoeld in de artikelen 1675/20 tot 1675/26 van het Gerechtelijk Wetboek. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het bedrag van de oprichtingskosten en de beheerskosten dat in rekening wordt gebracht, en de nadere regels voor de toegang tot het register voor de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie die belast zijn met de betaling van de staten van erelonen, kosten en emolumenten van de schuldbemiddelaar.".

  HOOFDSTUK 16. - Wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt

  Art. 109. In de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, worden de woorden "hof van beroep te Brussel", "hof van beroep van Brussel" en "hof van beroep" telkens vervangen door het woord "Marktenhof", behalve in de volgende bepalingen :
  1° artikel 29quater, § 2, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005;
  2° artikel 29quater, § 3, eerste, tweede en laatste zin, ingevoegd bij de wet van 20 juli 2005 en vervangen bij de wet van 8 januari 2012.

  HOOFDSTUK 17. - Wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers

  Art. 110. In artikel 25 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, vervangen bij de wet van 10 januari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de bepaling onder 1, worden de woorden "of in voorkomend geval voor een kleinere periode met toepassing van de bepaling onder 1/2" ingevoegd tussen de woorden "voor hernieuwbare periodes van vijftien jaar" en de woorden ", onder de door haar bepaalde voorwaarden";
  b) het artikel wordt aangevuld met een lid luidende :
  "Indien de commissie tijdens het onderzoek van een aanvraag om hernieuwing van een vergunning klasse A of om de toekenning van een nieuwe vergunning klasse A vaststelt dat de lopende of de nieuwe concessieovereenkomst verstrijkt voor het einde van de vergunningsperiode van vijftien jaar, kan zij de vergunning hernieuwen of toekennen voor een termijn die de einddatum van de concessie niet te boven gaat.".

  HOOFDSTUK 18. - Wijziging van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten

  Art. 111. In de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" en "hof van beroep" telkens vervangen door het woord "Marktenhof", behalve in de volgende bepalingen :
  1° artikel 48bis, § 1, tweede lid, 3° ;
  2° artikel 120, § 3, eerste lid;
  3° artikel 120, § 3, tweede lid, 5° ;
  4° artikel 120, § 3, derde lid;
  5° artikel 120, § 3, zesde lid, eerste zin;
  6° artikel 120, § 4;
  7° artikel 121, § 4, gewijzigd door het koninklijk besluit van 25 maart 2003;
  8° artikel 123, § 5, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 maart 2011.

  HOOFDSTUK 19. - Wijziging van de wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector

  Art. 112. In de wet van 17 januari 2003 betreffende de rechtsmiddelen en de geschillenbehandeling naar aanleiding van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector, worden de woorden "hof van beroep te Brussel", "hof van beroep van Brussel" en "hof van beroep" telkens vervangen door het woord "Marktenhof", behalve in de volgende bepalingen :
  1° artikel 2, § 2, eerste lid, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2009;
  2° artikel 2, § 2, tweede lid, 6°, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2009;
  3° artikel 2, § 2, vierde lid, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2009 en vervangen bij de wet van 10 juli 2012;
  4° artikel 2, § 2, zevende lid, eerste zin, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2009 en gewijzigd bij de wet van 13 december 2010;
  5° artikel 2, § 3, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2009 en gewijzigd bij de wet van 10 juli 2012.

  HOOFDSTUK 20. - Wijziging van de wet van 12 mei 2004 tot regeling van een beroepsprocedure in het kader van de bescherming tegen valsemunterij en de handhaving van de kwaliteit van de geldomloop

  Art. 113. In artikel 2 van de wet van 12 mei 2004 tot regeling van een beroepsprocedure in het kader van de bescherming tegen valsemunterij en de handhaving van de kwaliteit van de geldomloop, gewijzigd bij de wet van 18 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° In paragraaf 1 worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof";
  2° In paragraaf 3, vierde lid, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof";
  3° In paragraaf 3, vijfde lid, worden de woorden "hof van beroep" vervangen door het woord "Marktenhof";
  4° In paragraaf 3, zesde lid, tweede zin, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof";
  5° in paragraaf 5 worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof".

  HOOFDSTUK 21. - Wijziging van de wet van 9 juli 2004 houdende diverse bepalingen

  Art. 114. In artikel 2 van de wet van 9 juli 2004 houdende diverse bepalingen worden de woorden "hof van beroep van Brussel" en de woorden "hof van beroep" vervangen door het woord "Marktenhof".

  HOOFDSTUK 22. - Wijzigingen van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden

  Art. 115. In artikel 2 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, gewijzigd bij de wet 23 december 2005 en bij de wet van 5 mei 2014, die gewijzigd is bij de wet van 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in de Franse tekst worden in de bepaling onder 17 de woorden "l'aile" vervangen door de woorden "une partie";
  b) in de bepaling onder 18, tweede streepje, worden de woorden "of maatschappelijk assistent" ingevoegd tussen het woord "psycholoog" en de woorden "die met een opdracht".

  Art. 116. In artikel 15, § 2, van dezelfde wet worden de bepalingen onder 4, 5 en 6 opgeheven.

  Art. 117. In artikel 17 van dezelfde wet worden de woorden "met de bestemming ervan zoals bepaald in artikel 15" vervangen door de woorden "met de bestemming of andere criteria zoals bepaald in artikel 14 of 15".

  Art. 118. In artikel 18 van dezelfde wet wordt paragraaf 3 opgeheven.

  Art. 119. Artikel 21 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 21. Bij de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt een Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen opgericht, hierna de "Centrale Raad" genoemd.".

  Art. 120. Artikel 22 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 22. De Centrale Raad heeft tot taak :
  1° een onafhankelijk toezicht te houden op de gevangenissen, op de bejegening van de gedetineerden en op de naleving van de hen betreffende voorschriften;
  2° aan de Kamer van volksvertegenwoordigers, aan de minister bevoegd voor Justitie en aan de minister bevoegd voor de penitentiaire gezondheidszorg, hetzij ambtshalve, hetzij op hun verzoek, advies te verlenen over het gevangeniswezen en de uitvoering van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen;
  3° Commissies van toezicht, zoals bedoeld in artikel 26, op te richten en de werking ervan te ondersteunen, te coördineren en te controleren;
  4° jaarlijks ten behoeve van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de minister bevoegd voor Justitie en de minister bevoegd voor de penitentiaire gezondheidszorg, een verslag op te stellen betreffende de gevangenissen, de bejegening van gedetineerden en de naleving van de hen betreffende voorschriften. Het verslag omvat onder meer alle adviezen die conform de bepaling onder 2° zijn uitgebracht, een beleidsplan en de jaarverslagen zoals bepaald in artikel 26, § 2, 4°.
  Het verslag is publiek.
  Het ontwerp van verslag wordt voorafgaandelijk aan de bekendmaking bezorgd aan de minister bevoegd voor Justitie en aan de minister bevoegd voor de penitentiaire gezondheidszorg, die binnen een termijn van twee maanden vanaf datum van ontvangst hun gebeurlijke bemerkingen bezorgen.".

  Art. 121. Artikel 23 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 23 december 2005, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 23. § 1. Voor zover dit voor de uitoefening van hun taken noodzakelijk is, hebben de leden van de Centrale Raad vrije toegang tot alle plaatsen in de gevangenissen en, mits voorafgaandelijke instemming van de gedetineerde, tot de verblijfsruimte van de gedetineerde en hebben zij het recht om ter plaatse, behoudens wettelijk bepaalde uitzonderingen, alle op de gevangenis betrekking hebbende boeken en bescheiden in te zien, met inbegrip van het register van de tuchtsancties en, mits voorafgaandelijke schriftelijke instemming van de gedetineerde, alle stukken die individuele gegevens bevatten van de gedetineerde.
  Zij zijn ertoe gehouden de geldende veiligheidsregels na te leven.
  § 2. Zij hebben het recht zonder controle briefwisseling te voeren met de gedetineerden en zonder toezicht in contact te treden met hen.
  § 3. Op verzoek van de voorzitter van de Centrale Raad brengt de directeur-generaal verslag uit over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Centrale Raad behoren. De directeur-generaal antwoordt binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van het verzoek op de vragen om inlichtingen vanwege de Centrale Raad.".

  Art. 122. Artikel 24 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 23 december 2005, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 24. § 1. De Centrale Raad bestaat uit twaalf leden en uit een gelijk aantal plaatsvervangers, die door de Kamer van volksvertegenwoordigers worden benoemd en afgezet.
  Bij de samenstelling van de Centrale Raad wordt de taalpariteit in acht genomen.
  § 2. De leden worden benoemd op grond van hun deskundigheid of ervaring met betrekking tot de taken die aan de Centrale Raad worden toevertrouwd.
  § 3. De Centrale Raad is samengesteld uit ten minste :
  1° twee Nederlandstaligen en twee Franstaligen die houder zijn van een diploma licentiaat of master in de rechtswetenschappen waaronder minstens één Nederlandstalige magistraat van de zetel en één Franstalige magistraat van de zetel;
  2° een Nederlandstalige en een Franstalige arts.
  § 4. De Kamer van volksvertegenwoordigers wijst onder de leden van de Centrale Raad een vast bureau aan, bestaande uit twee Nederlandstalige leden en twee Franstalige leden, waarvan minstens één lid per taalrol houder is van een diploma licentiaat of master in de rechtswetenschappen.
  De leden van het bureau oefenen hun ambt voltijds uit en kunnen geen enkele andere beroepsactiviteit uitoefenen tijdens de duur van hun mandaat. De Kamer van volksvertegenwoordigers kan afwijkingen op dat verbod toestaan op voorwaarde dat zij de betrokkene niet hinderen bij de behoorlijke uitoefening van zijn opdracht.
  § 5. De Kamer van volksvertegenwoordigers wijst één lid van het vast bureau aan als voorzitter en één lid als ondervoorzitter. De voorzitter en de ondervoorzitter dienen van een verschillende taalrol te zijn.
  § 6. Het lidmaatschap van de Centrale Raad is tijdens de duur van het mandaat onverenigbaar met :
  1° het lidmaatschap van een Commissie van toezicht;
  2° de uitoefening van een ambt bij of de uitvoering van een opdracht voor de penitentiaire administratie;
  3° het uitoefenen van een functie bij de Beleidcel van een minister;
  4° het uitoefenen van een verkozen mandaat of het lidmaatschap van een uitvoerend orgaan op Europees niveau, federaal niveau, gemeenschapsniveau of gewestniveau.
  § 7. De duur van het mandaat van de leden van de Centrale Raad is vastgesteld op vijf jaar. Het mandaat kan tweemaal hernieuwd worden.
  § 8. De Kamer van volksvertegenwoordigers kan een einde maken aan het mandaat van de leden van de Centrale Raad :
  1° op hun verzoek;
  2° om ernstige en dwingende redenen.".

  Art. 123. Artikel 25 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 25. § 1. De Centrale Raad wordt bijgestaan door een secretariaat dat naar taal paritair samengesteld is. De leden van het secretariaat zijn geen lid van de Centrale Raad.
  § 2. De voorzitter van de Centrale Raad geeft leiding aan het secretariaat.".

  Art. 124. In titel III, hoofdstuk IV, afdeling II, van dezelfde wet wordt een artikel 25/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 25/1. § 1. De Centrale Raad stelt zijn huishoudelijk reglement op.
  Het reglement bepaalt in het bijzonder de wijze van oproeping van de leden, de wijze van beraadslaging en de wijze van controle van de werking van de Commissies van toezicht.
  Het huishoudelijk reglement wordt goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers.
  § 2. De Centrale Raad houdt ten minste één zitting per maand, op bijeenroeping van zijn voorzitter of op verzoek van één derde van zijn leden. De Centrale Raad kan slechts vergaderen wanneer de helft plus één van de leden aanwezig is.
  § 3. De Centrale Raad stelt zowel voor haar werking als die van de Commissies van toezicht een deontologische code op.
  § 4. De artikelen 458 en 458bis van het Strafwetboek zijn van toepassing op de leden van de Centrale Raad en de leden van het secretariaat zonder afbreuk te doen aan de taak van de Centrale Raad.".

  Art. 125. In dezelfde afdeling II wordt een artikel 25/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. 25/2. § 1. De Centrale Raad stelt uit zijn leden een Franstalige en een Nederlandstalige Beroepscommissie samen, elk samengesteld uit drie leden.
  De Centrale Raad wijst eveneens drie plaatsvervangende leden per taalrol aan.
  Elke Beroepscommissie wordt voorgezeten door een magistraat van de zetel.
  § 2. De Beroepscommissie is belast met de behandeling van :
  1° de beroepschriften ingediend tegen de uitspraken van de klachtencommissies zoals bepaald in artikel 31;
  2° de beroepschriften ingediend tegen de beslissingen tot plaatsen in een individueel bijzonder veiligheidsregime, zoals bepaald in titel VI, hoofdstuk III, afdeling III;
  3° de beroepschriften ingediend tegen de beslissingen die genomen worden naar aanleiding van bezwaarschriften tegen een plaatsing of overplaatsing, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstuk III.
  § 3. Bij de behandeling van het beroepschrift wraakt de Beroepscommissie, ambtshalve, op vraag van één van de partijen of op vraag van het lid zelf, elk lid van de Beroepscommissie van wie de onafhankelijkheid ten aanzien van de behandeling van de klacht kan worden betwist.

  Art. 126. In dezelfde afdeling II wordt een artikel 25/3 ingevoegd, luidende :
  "Art. 25/3. § 1. De Kamer van volksvertegenwoordigers stelt de bezoldiging van de leden van het bureau en de vergoeding van de leden van de Centrale Raad en van de leden van de commissies vast. Hetzelfde geldt voor de personeelsformatie en het statuut van de leden van het secretariaat.
  De Kamer van volksvertegenwoordigers kan deze bezoldiging, deze vergoeding, deze personeelsformatie en dit statuut wijzigen, na het advies van de Centrale Raad te hebben ingewonnen.
  § 2. Voor de werking van de Centrale Raad en van de commissies van toezicht wordt een dotatie uitgetrokken op de algemene uitgavenbegroting van het Rijk.
  De Centrale Raad stelt jaarlijks een ontwerp van begroting op voor zijn werking en de werking van de commissies van toezicht. Bijgestaan door het Rekenhof, onderzoekt de Kamer van volksvertegenwoordigers de gedetailleerde begrotingsvoorstellen van de Centrale Raad, keurt ze goed en controleert de uitvoering van zijn begroting. Zij onderzoekt ze en keurt daarenboven de gedetailleerde rekeningen goed.
  De Centrale Raad hanteert voor zijn begroting en rekeningen een schema dat vergelijkbaar is met het schema van de begroting en rekeningen van de Kamer van volksvertegenwoordigers.".

  Art. 127. Artikel 26 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 26. § 1. De Centrale Raad richt bij elke gevangenis een Commissie van toezicht op en deelt dit mee aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
  § 2. De Commissie van toezicht heeft tot taak :
  1° een onafhankelijk toezicht te houden op de gevangenis waarvoor ze bevoegd is, op de bejegening van de gedetineerden en op de naleving van de hen betreffende voorschriften;
  2° aan de Centrale Raad, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek, advies en inlichtingen te geven betreffende aangelegenheden in de gevangenis die rechtstreeks of onrechtstreeks met het welzijn van de gedetineerden verband houden en voorstellen te doen die zij gepast acht;
  3° te bemiddelen tussen de directeur en de gedetineerden omtrent problemen die ter kennis worden gebracht van de leden;
  4° jaarlijks een verslag betreffende de gevangenis, de bejegening van gedetineerden en de naleving van de hen betreffende voorschriften op te stellen.".

  Art. 128. Artikel 27 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 27. § 1. Voor zover dit voor de uitoefening van de taken noodzakelijk is, hebben de leden van de Commissies van toezicht vrije toegang tot alle plaatsen in de gevangenis en, mits voorafgaandelijke instemming van de gedetineerde, tot de verblijfsruimte van de gedetineerde en hebben zij het recht om ter plaatse, behoudens wettelijk bepaalde uitzonderingen, alle op de gevangenis betrekking hebbende boeken en bescheiden in te zien, met inbegrip van het register van de tuchtsancties en, mits voorafgaandelijke schriftelijke instemming van de gedetineerde, van alle stukken die individuele gegevens bevatten van de gedetineerde.
  Zij zijn ertoe gehouden de geldende veiligheidsregels na te leven.
  § 2. Ze hebben het recht zonder controle briefwisseling te voeren met de gedetineerden en zonder toezicht in contact te treden met hen.
  § 3. Op verzoek van de voorzitter van de Commissie van toezicht brengt de directeur verslag uit over de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Commissie behoren. De directeur antwoordt uiterlijk binnen een maand na ontvangst van het verzoek op de vragen om inlichtingen vanwege de Commissie van toezicht.".

  Art. 129. Artikel 28 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 5 mei 2014, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 28. § 1. Elke Commissie van toezicht bestaat uit ten minste acht en maximum twaalf leden en uit een gelijk aantal plaatsvervangende leden. Ze worden voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwbaar is, door de Centrale Raad benoemd, na schriftelijk advies van de voorzitter van de Commissie van toezicht.
  § 2. Elke Commissie van toezicht telt onder haar leden ten minste :
  1° twee personen die houder zijn van een diploma licentiaat of master in de rechtswetenschappen;
  2° een arts.
  § 3. De Centrale Raad wijst, op voordracht van de Commissie van toezicht, bij elke Commissie van toezicht één lid aan als voorzitter en één lid als ondervoorzitter.
  Voor de Commissies van toezicht bij een gevangenis gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, behoren de voorzitter en de ondervoorzitter tot een verschillende taalrol.
  § 4. Het lidmaatschap van een Commissie van toezicht is tijdens de duur van het mandaat onverenigbaar met :
  1° het lidmaatschap van de Centrale Raad;
  2° de uitoefening van een ambt bij of de uitvoering van een opdracht voor de penitentiaire administratie;
  3° de uitoefening van een ambt bij de strafuitvoeringsrechtbank;
  4° de uitoefening van een ambt bij de Beleidscel van een minister;
  5° het uitoefenen van een verkozen mandaat of het lidmaatschap van een uitvoerend orgaan op Europees niveau, federaal niveau, gemeenschapsniveau of gewestniveau.
  § 5. De Centrale Raad kan een einde maken aan het mandaat van de leden :
  1° op hun verzoek;
  2° om ernstige en dwingende redenen.".

  Art. 130. Artikel 29 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 29. § 1. Elke Commissie van toezicht wordt bijgestaan door een secretaris en een plaatsvervangend secretaris, die niet behoren tot de penitentiaire administratie. Zij worden op voordracht van de Commissie van toezicht aangewezen door de Centrale Raad.
  § 2. De aanwijzing van secretaris of plaatsvervangend secretaris van de Commissie van toezicht kan om ernstige redenen bij gemotiveerde beslissing worden opgeheven door de Centrale Raad.
  § 3. De taak van de secretaris wordt bepaald door de voorzitter van de Commissie van toezicht.".

  Art. 131. Artikel 30 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 23 december 2005, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 30. § 1. Elke Commissie van toezicht stelt haar huishoudelijk reglement op, dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Centrale Raad. Het reglement bepaalt in het bijzonder de wijze van oproeping van de leden en de wijze van beraadslaging.
  § 2. De Commissie van toezicht houdt ten minste één zitting per maand. De Commissie kan slechts vergaderen wanneer de helft plus één van de leden aanwezig is.
  § 3. Eén of meer leden van de Commissie van toezicht zijn er beurtelings mee belast gedurende één maand tenminste éénmaal per week als maandcommissaris de gevangenis of gevangenissen waarbij zij zijn ingericht te bezoeken, inzonderheid met het oog op de uitoefening van de taken bedoeld in artikel 26, § 2, 1°.
  De maandcommissarissen houden wekelijks spreekuur ten behoeve van de gedetineerden.
  § 4. De artikelen 458 en 458bis van het Strafwetboek zijn van toepassing op de leden van de Commissie van toezicht en de leden van het secretariaat zonder afbreuk te doen aan de taak van de Commissie voor toezicht.".

  Art. 132. Artikel 31 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 31. § 1. Elke Commissie van toezicht stelt uit haar leden een Klachtencommissie van drie leden samen, voorgezeten door een persoon die houder is van een diploma licentiaat of master in de rechtswetenschappen.
  In geval van verhindering van een of meer leden van de Klachtencommissie wijst de voorzitter de leden van de Commissie van toezicht aan die hen kunnen vervangen.
  § 2. De leden van de Klachtencommissie zijn uitsluitend belast met de behandeling van de klachten, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstuk I.
  § 3. Bij de behandeling van de klacht wraakt de Klachtencommissie, ambtshalve, op vraag van een van de partijen of op vraag van het lid zelf, elk lid van wie de onafhankelijkheid ten aanzien van de behandeling van de klacht kan worden betwist.".

  Art. 133. In titel III, hoofdstuk IV, afdeling III, van dezelfde wet wordt een artikel 31/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 31/1. De Kamer van volksvertegenwoordigers stelt de vergoeding en het statuut van de leden van de commissies van toezicht, van de leden van de klachtencommissies en van de secretarissen vast.
  De Kamer van volksvertegenwoordigers kan deze vergoeding en dat statuut wijzigen, na het advies van de Centrale Raad te hebben ingewonnen.".

  Art. 134. In artikel 35, § 2, van dezelfde wet worden de woorden "een door de Koning vast te stellen formulier" vervangen door de woorden "het dossier van de veroordeelde".

  Art. 135. In artikel 36 van dezelfde wet wordt paragraaf 3 opgeheven.

  Art. 136. Artikel 37 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 137. In artikel 38 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "tot 37" vervangen door de woorden "en 36";
  2° paragraaf 2 wordt opgeheven;
  3° paragraaf 5 wordt opgeheven.

  Art. 138. Artikel 40 van dezelfde wet wordt opgeheven.

  Art. 139. In artikel 48 van dezelfde wet waarvan de tekst van paragraaf 1 het enige lid wordt, wordt paragraaf 2 opgeheven.

  Art. 140. Artikel 65 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "Art. 65. Elk telecommunicatiemiddel dat niet ter beschikking wordt gesteld van de gedetineerden door de penitentiaire administratie of dat niet toegelaten is door of krachtens deze wet, is verboden.".

  Art. 141. In artikel 72 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 20 juli 2006, waarvan de tekst van paragraaf 1 het enige lid zal vormen, wordt paragraaf 2 opgeheven.

  Art. 142. In artikel 73, § 1, van dezelfde wet worden de woorden "72, § 1," vervangen door het woord "72".

  Art. 143. In artikel 108 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 1 juli 2013 en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 20/2014 van het Grondwettelijk Hof, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "door daartoe door de directeur gemandateerde leden van het bewakingspersoneel, overeenkomstig de door hem gegeven richtlijnen" vervangen door de woorden "door leden van het bewakingspersoneel, overeenkomstig de door de directeur gegeven richtlijnen";
  2° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "daartoe door de directeur gemandateerde personeelsleden" vervangen door de woorden "leden van het bewakingspersoneel".

  Art. 144. In artikel 109, § 1, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "daartoe door de directeur gemandateerde personeelsleden" vervangen door de woorden "de leden van het bewakingspersoneel".

  Art. 145. In artikel 147 van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "wensen, voorstellen en" opgeheven;
  2° het tweede lid wordt opgeheven.

  Art. 146. In artikel 148 van dezelfde wet worden de woorden "Onverminderd de mogelijkheid tot het uiten van informele klachten bij de Commissie van toezicht" vervangen door de woorden "Onverminderd de mogelijkheid voor een gedetineerde om zich te richten tot de directie en de Commissie van toezicht".

  Art. 147. In artikel 150, § 4, van dezelfde wet worden de woorden "overeenkomstig door de Koning vast te stellen regels" opgeheven.

  Art. 148. In de Franse tekst van artikel 152, § 1, van dezelfde wet wordt het woord "Après" vervangen door het woord "Dès".

  Art. 149. In artikel 153, § 1, van dezelfde wet worden de woorden "ambtshalve of op voorstel van de directeur" vervangen door de woorden "behoudens verzet van de directeur".

  Art. 150. In artikel 155, § 2, van dezelfde wet worden de woorden "overeenkomstig door de Koning te stellen regels" opgeheven.

  Art. 151. In artikel 156 van dezelfde wet worden de woorden "op verzoek van de klager" opgeheven.

  Art. 152. In artikel 157, § 3, van dezelfde wet, wordt de tweede zin die aanvangt met de woorden "De minister stelt" en eindigt met de woorden "kan worden afgeleid." opgeheven.

  Art. 153. In artikel 161, § 2, van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de inleidende zin worden de woorden "dat de Beroepscommissie kan bepalen" opgeheven;
  2° in de bepaling onder 2° worden de woorden "in de gevangenis" ingevoegd tussen de woorden "de Beroepscommissie" en de woorden "kunnen worden gemaakt".

  Art. 154. In artikel 162 van dezelfde wet wordt paragraaf 2 opgeheven.

  Art. 155. In artikel 164, § 2, van dezelfde wet wordt het woord "zeven" vervangen door het woord "veertien".

  Art. 156. In artikel 166 van dezelfde wet wordt paragraaf 1 vervangen als volgt :
  " § 1. Ten aanzien van de behandeling van het beroepschrift zijn de artikelen 154 en 155 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in deze procedure de directeur-generaal of zijn gemachtigde optreedt en dat alle opmerkingen schriftelijk geformuleerd worden.".

  HOOFDSTUK 23. - Wijziging van de wet van 6 juli 2005 betreffende sommige juridische bepalingen inzake elektronische communicatie

  Art. 157. In artikel 2 van de wet van 6 juli 2005 betreffende sommige juridische bepalingen inzake elektronische communicatie, gewijzigd bij de wet van 26 maart 2014, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" telkens vervangen door het woord "Marktenhof".

  HOOFDSTUK 24. - Wijziging van de wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen

  Art. 158. In de wet van 1 april 2007 op de openbare overnamebiedingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 oktober 2016, worden de woorden "hof van beroep te Brussel", "hof van beroep van Brussel" en "hof van beroep" telkens vervangen door het woord "Marktenhof", behalve in de volgende bepalingen :
  1° artikel 41, § 3, eerste lid;
  2° artikel 41, § 3, tweede lid, 5° ;
  3° artikel 41, § 3, derde lid;
  4° artikel 41, § 3, vijfde lid, eerste zin.

  HOOFDSTUK 25. - Wijziging van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit der ondernemingen

  Art. 159. In artikel 11 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit der ondernemingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "het beheerscomité en van het toezichtscomité" vervangen door de woorden "de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer";
  2° in het tweede lid worden de woorden "dezelfde comités" vervangen door de woorden "de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer".

  HOOFDSTUK 26. - Wijzigingen van het Wetboek van economisch recht

  Art. 160.
  <Opgeheven bij W 2017-02-20/01, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 27-02-2017>

  Art. 161. In artikel VI.83 van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013 en gewijzigd bij de wet van 26 oktober 2015, wordt de bepaling onder 23 opgeheven.

  Art. 162. In artikel XIV.50 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014 en gewijzigd bij de wet van 26 oktober 2015, wordt de bepaling onder 23 opgeheven.

  HOOFDSTUK 27. - Wijzigingen van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex

  Art. 163. In artikel 221/1 van de wet van 30 augustus 2013 houdende de Spoorcodex, ingevoegd bij de wet van 30 augustus 2013, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" telkens vervangen door het woord "Marktenhof".

  Art. 164. In artikel 221/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 augustus 2013, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof".

  Art. 165. In artikel 221/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 augustus 2013, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" en "hof van beroep van Brussel" telkens vervangen door het woord "Marktenhof".

  Art. 166. In artikel 221/5 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 augustus 2013, worden de woorden "hof van beroep te Brussel" vervangen door het woord "Marktenhof".

  HOOFDSTUK 28. - Wijzigingen van de wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde

  Art. 167. In de wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde wordt in de plaats van artikel 152, vernietigd bij arrest nr. 139/2015 van het Grondwettelijk Hof, het als volgt luidende artikel 152 ingevoegd :
  "Art. 152. Magistraten die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet bij toepassing van artikel 100 van het Gerechtelijk Wetboek benoemd zijn in of bij verschillende rechtbanken van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep en die door deze wet deel uitmaken van verschillende rechtbanken van eerste aanleg van dat rechtsgebied, zijn van rechtswege benoemd in een rechtbank van eerste aanleg of een parket waarin zij benoemd waren op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet en, in subsidiaire orde, in alle rechtbanken van eerste aanleg of parketten van het rechtsgebied van het hof van beroep, zonder toepassing van artikel 287sexies van hetzelfde Wetboek en zonder nieuwe eedaflegging.".

  Art. 168. Artikel 156, eerste lid, van dezelfde wet wordt aangevuld met de volgende zin :
  "De op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet in de vredegerechten benoemde personeelsleden van niveau A en B worden ambtshalve herbenoemd in het gerechtelijk arrondissement, zonder toepassing van artikel 287sexies van het Gerechtelijk Wetboek en zonder nieuwe eedaflegging.".

  HOOFDSTUK 29. - Wijziging van de wet van 4 mei 2016 houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie

  Art. 169. In artikel 130 van de wet van 4 mei 2016 houdende internering en diverse bepalingen inzake Justitie, worden de bepalingen onder 6 en 7 opgeheven.

  Art. 170. In artikel 258, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "zes maanden" vervangen door de woorden "één jaar".

  HOOFDSTUK 30. - Wijzigingen van de wet van 1 december 2016 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en de faillissementswet van 8 augustus 1997 met het oog op de invoering van het Centraal Register Solvabiliteit

  Art. 171. In artikel 10 van de wet van 1 december 2016 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en de faillissementswet van 8 augustus 1997 met het oog op de invoering van het Centraal Register Solvabiliteit worden in het artikel 5/6, § 1, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 tussen de woorden "worden door" en de woorden "het beheer" de woorden "de inrichting en" ingevoegd.

  Art. 172. In artikel 18 van dezelfde wet worden in de bepaling onder b), tweede lid, de woorden "neer bij de curator" vervangen door de woorden "aangetekend of tegen ontvangstbewijs op het kantooradres van de curator zoals in het vonnis aangegeven neer".

  Art. 173. Artikel 23 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  "De stukken van een faillissementsdossier die op het ogenblik van inwerkingtreding van deze wet in papieren vorm ter griffie worden gehouden, worden geacht deel uit te maken van het faillissementsdossier. Zij hoeven niet te worden opgeladen in het register en zijn raadpleegbaar ter griffie.".

  Art. 174. In artikel 24 van dezelfde wet worden de woorden "31 december 2016" vervangen door de woorden "1 april 2017".

  HOOFDSTUK 31. - Opheffingsbepalingen

  Art. 175. De artikelen 4 tot 7 van de wet van 20 oktober 2000 tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure worden opgeheven.

  Art. 176. In de wet van 10 juli 2006 betreffende de elektronische procesvoering, worden de volgende artikelen opgeheven :
  1° artikel 2, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016;
  2° artikel 3;
  3° de artikelen 5 en 6;
  4° artikel 8, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014;
  5° artikel 11, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014;
  6° artikel 12, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014;
  7° artikel 13, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014;
  8° artikel 14;
  9° artikel 15, gewijzigd bij de wet van 13 augustus 2011;
  10° de artikelen 16 tot 28;
  11° artikel 38, gewijzigd bij de wet van 12 mei 2014.

  Art. 177. De wet van 5 augustus 2006 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op de elektronische procesvoering, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, wordt opgeheven.

  Art. 178. Artikel 2, a) en b), van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit der ondernemingen worden opgeheven.

  Art. 179. Artikel 145 van de wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde, vervangen bij de wet van 8 mei 2014 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2015, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK 32. - Overgangsbepalingen

  Art. 180. Wanneer de partijen zijn overeengekomen om rechtsmacht te verlenen aan de voorzitter van de rechtbank van koophandel of aan de vrederechter, overeenkomstig de artikelen 585, 588 en 594 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ze van toepassing waren voor de inwerkingtreding van deze wet, en zij geen overeenstemming kunnen bereiken over de aanwijzing van de arbiter of arbiters, zal worden gehandeld overeenkomstig artikel 1685, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek.

  Art. 181. De artikelen 79 en 80 zijn toepasselijk op de deskundigenonderzoeken die worden bevolen na de inwerkingtreding van deze wet.

  HOOFDSTUK 33. - Inwerkingtreding

  Art. 182. Artikel 66 heeft uitwerking met ingang van 13 mei 2016.
  Artikel 167 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2016.
  Hoofdstuk 30 en artikel 169 treden in werking op 30 december 2016.
  De hoofdstukken 17 en 31 en de artikelen 63, 2°, en 159 treden in werking op 31 december 2016.
  Hoofdstuk 6 en de artikelen 32 en 81 treden in werking op 1 januari 2017.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met `s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 25 december 2016.
FILIP
Van Koningswege :
De minister van Economie,
K. PEETERS
De minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken,
J. JAMBON
De minister van Telecomunicatie en Post,
A. DE CROO
De minister van Justitie,
K. GEENS
De minister van Financiën,
J. VAN OVERTVELDT
De minister van Energie,
Mevr. M.-C. MARGHEM
De minister van Mobiliteit,
F. BELLOT
Met `s Lands zegel gezegeld :
De minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 20-02-2017 GEPUBL. OP 27-02-2017
    (GEWIJZIGD ART. : 160)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
        Nota Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 54 1986 Integraal Verslag : 21 en 22 december 2016

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie