J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 12 uitvoeringbesluiten 5 gearchiveerde versies
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State Kamer van volksvertegenwoordigers
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/2016/12/07/2016011493/justel

Titel
7 DECEMBER 2016. - Wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 13-12-2016 en tekstbijwerking tot 05-08-2020)

Bron : ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 13-12-2016 nummer :   2016011493 bladzijde : 84812       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2016-12-07/02
Inwerkingtreding : 31-12-2016

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :2007011186        2010011339        2007011265        2007011266        2007011326        2014011332        1999A09646        2016011092        2007A11234        2014003194        2002003392        1994011477        2007011174        2007011175       

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL 1. - Algemene bepaling
Art. 1
TITEL 2. - Omzetting van de richtlijn en de tenuitvoerlegging van de verordening
Art. 2
TITEL 3. - Organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren
HOOFDSTUK 1. - Definities
Art. 3
HOOFDSTUK 2. - De bedrijfsrevisor
Afdeling 1. - De functie
Art. 4
Afdeling 2. - Toekenning van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, inschrijving en registratie
Art. 5-8, 8/1, 9-11
Afdeling 3. - Rechten en verplichtingen
Art. 12-28
Afdeling 4. - Onverenigbaarheden
Art. 29-30
HOOFDSTUK 3. - Goedkeuring van normen en aanbevelingen
Art. 31
HOOFDSTUK 4. - Publiek toezicht
Afdeling 1. - College van toezicht op de bedrijfsrevisoren
Art. 32-43
Afdeling 2. - Beroepsgeheim
Art. 44-45
Afdeling 3. - Nationale, Europese en internationale samenwerking
Art. 46-51
Afdeling 4. - Kwaliteitscontrole, toezicht, bevoegdheden en maatregelen
Art. 52-54, 54/1, 54/2, 54/3, 55-60
Afdeling 5. - Verhaalmiddelen
Art. 61
Afdeling 6. - Strafsancties
Art. 62
Afdeling 7. - Raadgevende vergadering voor het publiek toezicht op het beroep van de bedrijfsrevisoren
Art. 63
HOOFDSTUK 5. - Het Instituut van de bedrijfsrevisoren
Afdeling 1. - Doel
Art. 64
Afdeling 2. - Werking van het Instituut
Art. 65-73
Afdeling 3. - Opdrachten van het Instituut
Onderafdeling 1. - Stage van de bedrijfsrevisor
Art. 74-77
Onderafdeling 2. - Gedelegeerde opdrachten
Art. 78-79
Onderafdeling 3. - Beroepsgeheim van het Instituut
Art. 80
Onderafdeling 4. - Terechtwijzing
Art. 81
HOOFDSTUK 6. - Melding van inbreuken
Art. 82-84
HOOFDSTUK 7. - Strafbepalingen
Art. 85-87
TITEL 4. - Wijzigingen in de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
Art. 88-91
TITEL 5. - Wijzigingen in het Wetboek van Vennootschappen
Art. 92-131
TITEL 6. - Wijzigingen in de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen
Art. 132-136
TITEL 7. - Wijzigingen van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
Art. 137-141
TITEL 8. - Wijzigingen in het Gerechtelijk Wetboek
Art. 142-143
TITEL 9. - Opheffings- en diverse bepalingen
Art. 144-145
TITEL 10. - Overgangsbepalingen
Art. 146-156

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL 1. - Algemene bepaling

  Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.

  TITEL 2. - Omzetting van de richtlijn en de tenuitvoerlegging van de verordening

  Art. 2. Deze wet voorziet in de omzetting van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad, gewijzigd door richtlijn 2014/56/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014.
  Zij implementeert ook gedeeltelijk verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie.

  TITEL 3. - Organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren

  HOOFDSTUK 1. - Definities

  Art. 3.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
  1° bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon: een natuurlijk persoon ingeschreven in het openbaar register van de bedrijfsrevisoren;
  2° bedrijfsrevisorenkantoor: een rechtspersoon of een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm, andere dan een natuurlijk persoon, ingeschreven in het openbaar register van de bedrijfsrevisoren;
  3° bedrijfsrevisor: een bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon of een bedrijfsrevisorenkantoor;
  4° wettelijke auditor: een natuurlijke persoon die de toelating heeft om in een andere lidstaat het beroep van wettelijke auditor in de zin van richtlijn 2006/43/EG uit te oefenen;
  5° auditkantoor: een entiteit, andere dan een natuurlijk persoon, die de toelating heeft om in een andere lidstaat het beroep van wettelijke auditor in de zin van richtlijn 2006/43/EG uit te oefenen;
  6° auditor of auditorganisatie van een derde land: een natuurlijk persoon of een entiteit, met om het even welke rechtsvorm, andere dan een natuurlijk persoon, die de controle uitvoert van de jaarrekening of de geconsolideerde jaarrekening van een onderneming met statutaire zetel in een derde land, en aan wie geen toelating is verleend als wettelijke auditor of auditkantoor in een andere lidstaat;
  7° organisaties van openbaar belang: de organisaties als bedoeld in artikel 4/1 van het Wetboek van Vennootschappen;
  8° netwerk: het netwerk als bedoeld in artikel 16/2 van het Wetboek van Vennootschappen;
  9° wettelijke controle van de jaarrekening: de wettelijke controle als bedoeld in artikel 16/1 van het Wetboek van Vennootschappen;
  10° revisorale opdracht: elke opdracht, inclusief de opdracht van wettelijke controle van de jaarrekening, die ertoe strekt een deskundig oordeel te geven over de getrouwheid en de waarachtigheid van een jaarrekening, van een tussentijdse financiële staat, van een waardering of van andere economische en financiële informatie, verschaft door een onderneming of instelling; dit begrip omvat eveneens de ontleding en de verklaring van de economische en financiële inlichtingen aan de leden van de ondernemingsraad;
  11° Instituut: het Instituut van de Bedrijfsrevisoren, als bedoeld in artikel 64;
  12° Raad: de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren;
  13° Hoge Raad: de Hoge Raad voor de economische beroepen opgericht bij artikel 54 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
  14° FOD Economie: de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie;
  15° College: het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, opgericht bij artikel 32;
  16° FSMA: de Autoriteit voor financiële diensten en markten als bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
  17° Bank: de Nationale Bank van België als bedoeld in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België;
  18° sanctiecommissie: de sanctiecommissie van de FSMA als bedoeld in artikel 47 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
  19° bevoegde autoriteiten: de bij wet aangewezen autoriteiten die zijn belast met de regelgeving betreffende en/of het toezicht op wettelijke auditors en de auditkantoren, of met de uitvoering van specifieke aspecten daarvan;
  20° richtlijn 2006/43/EG: de richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad;
  21° verordening (EU) nr. 537/2014: de verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie;
  22° [2 het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader:
   - deze wet;
   - de door de Koning ter uitvoering van haar bepalingen genomen besluiten;
   - het Wetboek van Vennootschappen;
   - de op bedrijfsrevisoren toepasbare normen;
   - de Verordening (EU) nr. 537/2014;
   - de door de Commissie goedgekeurde verordeningen krachtens de bepalingen van richtlijn 2006/43/EG en Verordening (EU) nr. 537/2014; en
   - de bepalingen van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, de ter uitvoering van voornoemde wet van 18 september 2017 genomen besluiten en reglementen, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, van Verordening (EU) 2015/847 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie, en van de waakzaamheidsplicht waarvan sprake in de bindende bepalingen betreffende financiële embargo's, in de mate waarin ze van toepassing zijn op de in artikel 85, § 1, 6°, van voornoemde wet van 18 september 2017 bedoelde onderworpen entiteiten;]2
  23° de wet van 2 augustus 2002: de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
  24° internationale controlestandaarden: de International Standards on Auditing, zoals desgevallend goedgekeurd door de Europese Commissie, en de andere daarmee verband houdende standaarden die zijn uitgebracht door de International Auditing and Assurance Standards Board (IAASB) en gepubliceerd door de International Federation of Accountants (IFAC), voor zover deze voor de wettelijke controle van de jaarrekening van belang zijn;
  25° vennoot: de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon die zijn beroepsactiviteit in een bedrijfsrevisorenkantoor uitoefent;
  26° vaste vertegenwoordiger:
  a) de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon of de wettelijke auditor die door een bedrijfsrevisorenkantoor of auditkantoor voor een bepaalde controleopdracht is aangewezen als hoofdverantwoordelijke voor de uitvoering van de wettelijke controle van de jaarrekening namens het bedrijfsrevisorenkantoor of auditkantoor, of
  b) in het geval van een groepscontrole, de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon of de wettelijke auditor die door een bedrijfsrevisorenkantoor of auditkantoor als hoofdverantwoordelijke is aangewezen voor de uitvoering van de wettelijke controle van de jaarrekening op groepsniveau, en de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon of wettelijke auditor die als hoofdverantwoordelijke is aangewezen voor de uitvoering van de wettelijke controle van de jaarrekening bij de grote dochterondernemingen, of
  c) de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon of de wettelijke auditor die het controleverslag ondertekent;
  27° aandeelhouder: een persoon die participeert in het kapitaal van een bedrijfsrevisorenkantoor;
  28° persoon die geen beroepsbeoefenaar is: elk natuurlijk persoon die geen revisorale opdracht verricht en de voorbije drie jaar geen revisorale opdracht heeft verricht, die geen stemrechten in een bedrijfsrevisorenkantoor of een auditkantoor bezit of de voorbije drie jaar heeft bezeten, die geen lid is of de voorbije drie jaar is geweest van het administratieve, leidinggevende of bestuursorgaan van een bedrijfsrevisorenkantoor of een auditkantoor, die niet in dienst is of de voorbije drie jaar is geweest van dan wel op een andere manier verbonden is of de voorbije drie jaar is geweest aan een bedrijfsrevisorenkantoor of een auditkantoor, dan wel op een andere wijze door een bedrijfsrevisorenkantoor of een auditkantoor is of de voorbije drie jaar was gecontracteerd;
  29° groepsauditor: de bedrijfsrevisor of het geregistreerd auditkantoor als bedoeld in artikel 147/1 van het Wetboek van Vennootschappen;
  30° derde land: land dat geen deel uitmaakt van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte;
  31° lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie of van een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
  32° lidstaat van herkomst: een lidstaat waar een wettelijke auditor of een auditkantoor is toegelaten overeenkomstig richtlijn 2006/43/EG;
  33° ESMA: de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten als opgericht bij verordening nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010;
  34° EIOPA: de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen als opgericht bij verordening nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010;
  35° EBA: de Europese Bankautoriteit als opgericht bij verordening nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010;
  36° CEAOB: het Comité van Europese auditorstoezichthouders, bedoeld in artikel 30 van verordening (EU) nr. 537/2014.
  [1 37° "Verordening 2016/679": Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).]1
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/10, art. 108, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (2)<W 2018-07-11/06, art. 95, 004; Inwerkingtreding : 21-07-2019>

  HOOFDSTUK 2. - De bedrijfsrevisor

  Afdeling 1. - De functie

  Art. 4. De bedrijfsrevisor heeft als hoofdtaak alle opdrachten uit te voeren die bij of krachtens de wet uitsluitend aan de bedrijfsrevisoren zijn toevertrouwd, en in het bijzonder alle revisorale opdrachten ter uitvoering van of krachtens de wet.

  Afdeling 2. - Toekenning van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, inschrijving en registratie

  Art. 5.§ 1. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut toegekend aan ieder natuurlijk persoon die erom verzoekt en die aan de volgende voorwaarden voldoet:
  1° onderdaan zijn van een lidstaat en beschikken over een vestiging in een lidstaat, of over een vestiging in België beschikken;
  2° [1 betrouwbaar zijn, wat betekent :
   a) niet beroofd zijn of zijn geweest van de burgerlijke en politieke rechten;
   b) niet in staat van faillissement zijn of verklaard zijn geweest zonder eerherstel te hebben gekregen;
   c) niet veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf, zelfs voorwaardelijk, van ten minste drie maanden op grond van de volgende Belgische regelgeving of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben :
   i) een van de strafbare feiten vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen;
   ii) een inbreuk op de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
   iii) een inbreuk op het Wetboek van Vennootschappen of het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en hun uitvoeringsbesluiten;
   iv) een inbreuk op het Wetboek van economisch recht en haar uitvoeringsbesluiten;
   v) een inbreuk op de fiscale wetgeving;
   d) niet veroordeeld zijn tot een criminele straf;
   e) niet veroordeeld zijn voor een inbreuk op artikel 140, 140septies, 141 of 505, 2°, 3° en 4°, van het Strafwetboek of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben;
   f) niet veroordeeld zijn tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten en op haar uitvoeringsbesluiten, of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben;]1
  3° in het bezit zijn van een masterdiploma afgeleverd door een Belgische universiteit of een Belgische hogeschool van het lange type en van universitair niveau.
  De Koning bepaalt de voorwaarden op grond waarvan een buitenlands diploma of een bepaalde ervaring als gelijkwaardig wordt erkend, in voorkomend geval na het slagen voor een examen over de materies van het Belgisch recht die van belang zijn voor de uitoefening van het beroep van bedrijfsrevisor;
  4° de bij het stagereglement ingerichte stage van het Instituut hebben beëindigd, en geslaagd zijn voor een bekwaamheidsexamen, waarvoor de Koning het programma en de voorwaarden bepaalt;
  5° uiterlijk twaalf maanden na de datum van toelating tot de eed door het Instituut, voor het Hof van Beroep van Brussel de volgende eed hebben afgelegd in het Nederlands: "Ik zweer trouw aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk, en ik zweer de opdrachten, die mij als bedrijfsrevisor zullen worden toevertrouwd, in eer en geweten getrouw te vervullen."of in het Frans: "Je jure fidélité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge, et je jure de remplir fidèlement, en âme et conscience, les missions qui me seront confiées en qualité de réviseur d`entreprises."of ook nog voor het Hof van Beroep van Luik de volgende eed in het Duits: "Ich schwöre Treue dem König, Gehorsam der Verfassung und den Gesetzen des belgischen Volkes und ich schwöre die mir als Wirtschaftsprüfer erteilten Aufträge auf Ehre und Gewissen, getrau und ehrlich zu erfüllen.".
  De personen van vreemde nationaliteit leggen voor het Hof van Beroep van Brussel de volgende eed af in het Nederlands: "Ik zweer de opdrachten, die mij als bedrijfsrevisor zullen worden toevertrouwd, in eer en geweten, getrouw en volgens de voorschriften van de Belgische wet, te vervullen."of in het Frans: "Je jure de remplir fidèlement, en âme et conscience, selon les prescriptions de la loi belge, les missions qui me seront confiées en qualité de réviseur d`entreprises."of ook nog voor het Hof van Beroep van Luik de volgende eed in het Duits: "Ich schwöre die mir als Wirtschaftsprüfer erteilten Aufträge auf Ehre und Gewissen, getrau und ehrlich und gemäss den Vorschriften des belgischen Gesetzes zu erfüllen.";
  6° ten hoogste vijfenzestig jaar oud zijn;
  7° verbonden zijn met een bedrijfsrevisorenkantoor of een geregistreerd auditkantoor of over een organisatie beschikken die toelaat onderhavige wet en haar uitvoeringsbesluiten na te leven.
  § 2. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut toegekend aan een wettelijke auditor die:
  1° aantoont, volgens de door de Koning vastgestelde voorwaarden, dat hem in een andere lidstaat de hoedanigheid van wettelijke auditor is verleend, en
  2° slaagt voor een bekwaamheidsproef waarvan het programma en de procedure door de Koning worden bepaald.
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 147, 006; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Art. 6.§ 1. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut toegekend aan iedere rechtspersoon of een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm, met zetel in een lidstaat, die aan de volgende voorwaarden voldoet:
  1° de natuurlijke personen die de wettelijke controle van de jaarrekening namens die rechtspersoon of die entiteit uitvoeren, hebben de hoedanigheid van bedrijfsrevisor;
  2° de meerderheid van de stemrechten van deze rechtspersoon of deze entiteit is in het bezit van auditkantoren, wettelijke auditors en/of bedrijfsrevisoren;
  3° het bestuursorgaan van die rechtspersoon of die entiteit is voor een meerderheid samengesteld uit auditkantoren, wettelijke auditors en/of bedrijfsrevisoren. Wanneer het bestuursorgaan slechts uit twee leden bestaat, is ten minste één van hen een bedrijfsrevisor, een auditkantoor of een wettelijke auditor zijn. Wanneer een revisorenkantoor of een auditkantoor lid is van het bestuursorgaan, wordt dit kantoor, overeenkomstig artikel 132 van het Wetboek van Vennootschappen, respectievelijk vertegenwoordigd door een natuurlijk persoon die de hoedanigheid van bedrijfsrevisor heeft of door een natuurlijk persoon die als wettelijke auditor is erkend;
  [1 4° één van haar vennoten, één van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijke begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, bevindt zich niet in één van in artikel 5, § 1, 2°, bedoelde situaties.]1
  § 2. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel kan het Instituut weigeren om de hoedanigheid van bedrijfsrevisor te verlenen aan de rechtspersoon of aan een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm, indien, naar het oordeel van het Instituut, de betrouwbaarheid van die rechtspersoon of die entiteit in het gedrang is gebracht naar aanleiding van één van de volgende elementen of gelijkaardige elementen:
  1° de rechtspersoon of een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm werd failliet verklaard, heeft een gerechtelijke reorganisatie verkregen, werd gerechtelijk ontbonden of heeft het voorwerp uitgemaakt van een gelijkaardige gerechtelijke of administratieve maatregel in België of in het buitenland;
  2° de rechtspersoon of de entiteit met om het even welke rechtsvorm, heeft in België het voorwerp uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling of van een administratieve geldboete die in kracht van gewijsde is gegaan, met toepassing van de wetten en besluiten bedoeld in artikel 5, § 1, 2°, van ten minste 1.500 euro, zelfs met uitstel, of van een definitieve straf in het buitenland die daar voor een auditkantoor het verlies van deze hoedanigheid met zich brengt;
  3° de benaming, het doel of andere statutaire clausules van de rechtspersoon of van een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm kunnen voor derden aanleiding zijn om zich te vergissen wat de hoedanigheid van bedrijfsrevisor of andere eigenschappen van de rechtspersoon of van de entiteit betreft;
  4° [2 ...]2
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 148, 006; Inwerkingtreding : 15-08-2020>
  (2)<W 2020-07-20/12, art. 149, 006; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Art. 7.§ 1. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut toegekend aan de natuurlijke personen van derde landen, indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° onderdaan zijn van een Staat die aan bedrijfsrevisoren op zijn grondgebied het voordeel van de wederkerigheid toekent wat de toelating tot het beroep betreft;
  2° voldoen aan de diplomavereisten bepaald in artikel 5, § 1, 3°, en de stage beëindigd hebben als bedoeld in artikel 5, § 1, 4°, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning;
  3° [1 voldoen aan de voorwaarden van betrouwbaarheid, wat betekent zich niet bevinden in één van in artikel 5, § 1, 2°, bedoelde situaties;]1
  4° zich ertoe verbinden in België een vestiging te houden waar de beroepsactiviteit effectief zal worden uitgeoefend en waar de daarmee samenhangende akten, documenten en briefwisseling zullen worden bewaard;
  5° de in artikel 5, § 1, 5°, bedoelde eed hebben afgelegd bepaald voor het Hof van Beroep van Brussel of van Luik;
  6° zich ertoe verbinden alle deontologische verplichtingen na te leven die op de bedrijfsrevisoren van toepassing zijn;
  7° ten hoogste vijfenzestig jaar oud zijn.
  § 2. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, op voorwaarde van wederkerigheid, door het Instituut toegekend aan een natuurlijk persoon die, in een derde land, een gelijkwaardige hoedanigheid heeft als die van bedrijfsrevisor, en die:
  1° aantoont, volgens de door de Koning vastgestelde voorwaarden, dat hij een dergelijke gelijkwaardige hoedanigheid heeft in een derde land, en
  2° slaagt voor een bekwaamheidsproef waarvan het programma en de procedure door de Koning worden bepaald.
  ----------
  (1)<W 2020-07-20/12, art. 150, 006; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Art. 8.Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut toegekend aan andere entiteiten dan natuurlijke personen naar het recht van derde landen, indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° alle vennoten, evenals de zaakvoerders en bestuurders, moeten in de Staat waar zij hun hoofdvestiging hebben, zijn gemachtigd om de wettelijke controle van de jaarrekening van ondernemingen uit te voeren; indien een vennoot een rechtspersoon is, geldt dezelfde voorwaarde voor de vennoten van laatstgenoemde;
  2° hun zetel en hun hoofdvestiging hebben in een Staat die de [1 ...]1 bedrijfsrevisoren op zijn grondgebied het voordeel van de wederkerigheid toekent met betrekking tot de toelating tot het beroep;
  3° opgericht zijn in een vorm, onder een statuut en onder voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die waaronder de bedrijfsrevisoren zich in België kunnen verenigen; zij verbinden zich ertoe om zich, voor het uitoefenen van hun activiteiten als bedrijfsrevisor in België, te doen kennen onder een benaming die enkel de naam mag bevatten van een of meer natuurlijke personen, die vennoot, zaakvoerder of bestuurder zijn of de naam van één of meer natuurlijke personen die de hoedanigheid van vennoot hebben gehad;
  4° ten minste één bestuurder of zaakvoerder is bedrijfsrevisor en is belast met het bestuur van de vestiging in België; indien meer personen met dit bestuur zijn belast, is de meerderheid van hen bedrijfsrevisor;
  5° alle vennoten, bestuurders of zaakvoerders die hun beroepsactiviteit gewoonlijk in België uitoefenen, zijn bedrijfsrevisor;
  6° zich ertoe verbinden in België een vestiging te houden waar de beroepsactiviteit effectief zal worden uitgeoefend en waar de daarmee samenhangende akten, documenten en briefwisseling zullen worden bewaard;
  7° zich ertoe verbinden in België rechtstreeks of zijdelings geen activiteiten uit te oefenen die onverenigbaar zijn met de hoedanigheid van bedrijfsrevisor;
  8° zich ertoe verbinden artikel 132 van het Wetboek van Vennootschappen te eerbiedigen, telkens hun in België een wettelijke controle van de jaarrekening wordt toevertrouwd;
  [2 9° één van haar vennoten, één van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijke begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, bevindt zich niet in één van in artikel 5, § 1, 2°, bedoelde situaties.]2
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/47, art. 78, 003; Inwerkingtreding : 15-09-2018>
  (2)<W 2020-07-20/12, art. 151, 006; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Art. 8/1. [1 De nadere regels voor de toekenning van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor worden bepaald door de Koning.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-07-30/47, art. 79, 003; Inwerkingtreding : 15-09-2018>
  

  Art. 9.§ 1. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor in de volgende gevallen door het Instituut ingetrokken:
  1° wanneer de bedrijfsrevisoren drie maanden na de in artikel 81 voorziene terechtwijzing hebben nagelaten om alle of een deel van de bijdragen te betalen, om de documenten tot vaststelling van de bijdrage over te leggen, om de inlichtingen of de documenten mee te delen die zij aan het Instituut moeten meedelen voor de uitvoering van de krachtens artikel 41 aan het Instituut gedelegeerde taken of om de inlichtingen of de documenten mee te delen die zij aan het College moeten meedelen wanneer het College de inzameling van die inlichtingen of documenten aan het Instituut heeft toevertrouwd;
  2° wanneer de bedrijfsrevisor daar expliciet om verzoekt;
  [2 3° wanneer de bedrijfsrevisor, of in het kader van een rechtspersoon, één van haar vennoten, één van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijke begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten zich bevindt in één van in artikel 5, § 1, 2°, a) tot en met f), bedoelde situaties.]2
  § 2. In het geval bedoeld in paragraaf 1, 2°, wordt de hoedanigheid van de bedrijfsrevisor niet automatisch ingetrokken door het Instituut wanneer tegen de bedrijfsrevisor die om de intrekking verzoekt, een procedure is ingesteld die conform artikel 58 ter kennis is gebracht van de sanctiecommissie. De bedrijfsrevisor stuurt in dat geval zijn verzoek naar het Instituut en naar het College. Binnen vijftien werkdagen na de ontvangst van het verzoek van de bedrijfsrevisor, kan het College zich tegen de intrekking van de hoedanigheid van die bedrijfsrevisor verzetten zolang de voor de sanctiecommissie geopende procedure niet is afgerond. Het College stelt de betrokken bedrijfsrevisor en het Instituut in kennis van zijn beslissing om zich tegen die intrekking te verzetten.
  § 3. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel kan de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut worden ingetrokken wanneer aan de voorwaarden voor de toekenning van deze hoedanigheid met uitzondering van de voorwaarden bepaald in [2 artikel 5, § 1, 2,° en 6°, artikel 6, § 1, 4°, artikel 7, § 1, 3° en 7°, en artikel 8, 9°,]2 niet meer is voldaan.
  In dat geval kan de hoedanigheid van bedrijfsrevisor slechts worden ingetrokken na de betrokkene te hebben uitgenodigd om zijn opmerkingen schriftelijk aan het Instituut te laten geworden binnen een termijn die niet minder dan vijftien dagen mag bedragen. Het Instituut motiveert zijn intrekkingsbeslissing.
  § 4. Wanneer de Procureur-generaal vaststelt dat een bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon niet langer voldoet aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 5, § 1, 2°, artikel 6, § 2, 2°, of artikel 7, § 1, 3°, in fine, brengt hij het College en het Instituut daarvan op de hoogte.
  § 5. Dit artikel doet geen afbreuk aan de in artikel 59 bedoelde maatregelen.
  § 6. Wanneer de hoedanigheid van een bedrijfsrevisor wordt ingetrokken, deelt het College, dit met opgave van de redenen voor de intrekking mee aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de bedrijfsrevisor eveneens is ingeschreven of geregistreerd.
  [1 § 7. Iedere bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon die, voor een andere reden dan een intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor bedoeld in artikel 59, § 1, eerste lid, 7°, zijn hoedanigheid heeft verloren, kan aan het Instituut opnieuw om de toekenning van de hoedanigheid verzoeken, op voorwaarde dat hij op de datum van zijn verzoek de in de artikelen 5, § 1, en 29, voorgeschreven voorwaarden vervult, met uitzondering van deze bedoeld in artikel 5, § 1, 5°, en voldaan heeft aan de verplichtingen inzake permanente vorming.
   De nadere regels inzake het verzoek tot toekenning van de hoedanigheid, na intrekking van de hoedanigheid, worden bepaald door de Koning.]1
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/47, art. 80, 003; Inwerkingtreding : 15-09-2018>
  (2)<W 2020-07-20/12, art. 152, 006; Inwerkingtreding : 15-08-2020>

  Art. 10. § 1. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt het Instituut belast met het houden en bijwerken van een openbaar register, waarin de personen of de entiteiten die de hoedanigheid van bedrijfsrevisor hebben verkregen, zijn ingeschreven.
  De bedrijfsrevisoren brengen het Instituut zo spoedig mogelijk op de hoogte van elke wijziging van de gegevens opgenomen in het openbaar register. Ze zijn verantwoordelijk voor de juistheid van de meegedeelde gegevens aan het Instituut.
  § 2. De auditkantoren die in een andere lidstaat zijn erkend, en beantwoorden aan de volgende voorwaarden, worden in het register geregistreerd:
  1° de vaste vertegenwoordiger die namens het auditkantoor de wettelijke controle van de jaarrekening verricht, heeft de hoedanigheid van bedrijfsrevisor;
  2° de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst verschaft een certificaat van registratie af dat minder dan drie maanden oud is.
  Het auditkantoor registreert zich bij het Instituut, dat eerst nakijkt of de in 1° en 2° bedoelde voorwaarden zijn vervuld.
  De geregistreerde auditkantoren worden in die hoedanigheid afzonderlijk in het openbaar register vermeld.
  § 3. De Koning stelt de regels vast voor de registratie in het openbaar register als auditor of auditorganisatie van een derde land, en voor het publiek toezicht, de kwaliteitscontrole en het toezicht op de auditors en auditorganisaties van een derde land, die een controleverslag afleveren over de jaarrekening of de geconsolideerde jaarrekening van een vennootschap die haar statutaire zetel buiten de Europese Unie heeft en waarvan de effecten in België zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 14, van richtlijn 2004/39/EG, behalve indien de onderneming alleen een emittent is van uitstaande schuldbewijzen waarvoor het volgende geldt:
  a) zij zijn vóór 31 december 2010 toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, lid 1, punt c), van richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad en hun nominale waarde per eenheid bedraagt op de datum van uitgifte ten minste 50.000 euro of is, in het geval van schuldbewijzen in een andere valuta dan de euro, op die datum ten minste gelijkwaardig aan 50.000 euro;
  b) zij zijn sinds 31 december 2010 toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, lid 1, punt c), van richtlijn 2004/109/EG en hun nominale waarde per eenheid bedraagt op de datum van uitgifte ten minste 100.000 euro of is, in het geval van schuldbewijzen in een andere valuta dan de euro, op die datum ten minste gelijkwaardig aan 100.000 euro.
  De auditors en de auditorganisaties van derde landen worden in die hoedanigheid afzonderlijk in het openbaar register vermeld.
  § 4. De vereiste gegevens worden in elektronische vorm in het register opgeslagen. Eenieder kan ze te allen tijde raadplegen op de website van het Instituut.
  § 5. Elke bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon, elk bedrijfsrevisorenkantoor en elk geregistreerd auditkantoor wordt aan de hand van een individueel nummer geïdentificeerd in het openbaar register.
  § 6. Het openbaar register bevat de naam en het adres van de bevoegde autoriteiten die zijn belast met de toekenning van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, het toezicht, de kwaliteitscontrole, de sancties en het publiek toezicht.
  § 7. Het Instituut bezorgt het College driemaandelijks een lijst van alle nieuwe inschrijvingen en alle nieuwe registraties.
  § 8. De inhoud van het openbaar register, alsook de modaliteiten inzake het bijwerken van en de toegang tot het openbaar register worden bepaald door de Koning.

  Art. 11. § 1. Alleen de in het openbaar register ingeschreven natuurlijke personen of entiteiten mogen de titel van bedrijfsrevisor dragen en alle revisorale opdrachten, door of krachtens de wet, uitoefenen.
  De registratie van een auditkantoor in het openbaar register laat de uitoefening van de opdracht van wettelijke controle van de jaarrekening toe.
  § 2. Na raadpleging van het College kan het Instituut oud-bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen onder de door zijn huishoudelijk reglement bepaalde voorwaarden toelaten om de titel van erebedrijfsrevisor te voeren.
  Na raadpleging van of op verzoek van het College wordt de toelating door het Instituut ingetrokken indien niet langer aan de toekenningsvoorwaarden is voldaan.
  Indien de erebedrijfsrevisor het niet eens is met de beslissing om zijn eretitel in te trekken, kan hij binnen een termijn van een maand nadat de beslissing hem ter kennis werd gebracht het College adiëren opdat die beslissing door het College wordt bevestigd of weerlegd. Dit beroep is opschortend.
  § 3. De stagiairs kunnen de titel van stagiair-bedrijfsrevisor dragen. De stagiairs hebben niet de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, maar staan onder het toezicht en de tuchtmacht van het Instituut.

  Afdeling 3. - Rechten en verplichtingen

  Art. 12. § 1. Bij het vervullen van de hem toevertrouwde revisorale opdrachten handelt de bedrijfsrevisor in volledige onafhankelijkheid, met respect van de beginselen van de beroepsethiek. Deze hebben minstens betrekking op de verantwoordelijkheid voor het openbaar belang van de bedrijfsrevisor, zijn integriteit en objectiviteit, alsmede zijn vakbekwaamheid en professionele zorgvuldigheid.
  De bedrijfsrevisor mag niet betrokken zijn bij de besluitvorming van de entiteit waarvoor hij de revisorale opdracht uitvoert.
  Dit geldt eveneens voor elk natuurlijk persoon die zich in een positie bevindt waarbij hij een directe of indirecte invloed kan uitoefenen op de uitkomst van de revisorale opdracht.
  § 2. De onafhankelijkheid van de bedrijfsrevisor dient vanuit twee onlosmakelijk verbonden gezichtspunten te worden beoordeeld:
  1° de onafhankelijkheid qua geesteshouding, namelijk een morele houding waarbij alleen de overwegingen die voor de toevertrouwde taak van belang zijn, in aanmerking worden genomen bij de te nemen beslissingen in het kader van de uitvoering van een revisorale opdracht, en
  2° de onafhankelijkheid in schijn, namelijk de noodzaak om situaties en feiten te vermijden die in die mate van belang zijn dat zij een redelijk denkende en geïnformeerde derde ertoe kunnen brengen de bekwaamheid van de bedrijfsrevisor om objectief te handelen, in vraag te stellen.
  § 3. De bedrijfsrevisor neemt alle redelijkerwijs te verwachten maatregelen om te waarborgen dat zijn onafhankelijkheid bij de uitvoering van een revisorale opdracht niet wordt beïnvloed door een bestaand of potentieel belangenconflict, of een zakelijke of andere directe of indirecte relatie waarbij hij of het bedrijfsrevisorenkantoor dat de revisorale opdracht uitvoert, of, voor zover van toepassing, personen die deel uitmaken van het netwerk van de bedrijfsrevisor, of personen op wie de bedrijfsrevisor een beroep doet voor de uitvoering van de revisorale opdracht, betrokken zijn.
  § 4. De bedrijfsrevisor mag geen revisorale opdracht aanvaarden of voortzetten indien er, direct of indirect, een financiële, persoonlijke, zakelijke, arbeids- of andere relatie bestaat
  1° tussen hemzelf, het bedrijfsrevisorenkantoor, het netwerk waartoe hij behoort, of elk ander natuurlijk persoon die zich in een positie bevindt waardoor hij of zij direct of indirect een invloed kan uitoefenen op de uitkomsten van de revisorale opdracht; en
  2° de entiteit waarvoor de revisorale opdracht wordt uitgevoerd, op grond waarvan een objectieve, redelijke en geïnformeerde derde partij, met inachtneming van de getroffen veiligheidsmaatregelen, zou concluderen dat de onafhankelijkheid van de bedrijfsrevisor in het gedrang komt.
  § 5. De bedrijfsrevisor onderbouwt in zijn werkdocumenten alle aanzienlijke bedreigingen voor zijn onafhankelijkheid en de veiligheidsmaatregelen die zijn genomen om deze bedreigingen in te perken.
  § 6. Indien de entiteit waarvoor de bedrijfsrevisor de revisorale opdracht uitvoert, tijdens de periode van de revisorale opdracht wordt overgenomen door, fuseert met of de eigendom verwerft van een andere entiteit, identificeert en evalueert de bedrijfsrevisor alle huidige en recente belangen en relaties met deze entiteit die zijn onafhankelijkheid zouden kunnen aantasten.
  Bij een wettelijke controle van de jaarrekening of de geconsolideerde jaarrekening neemt de commissaris zo snel mogelijk, en in elk geval binnen drie maanden, alle nodige maatregelen ter beëindiging van eventuele bestaande belangen of relaties die zijn onafhankelijkheid zouden kunnen aantasten, en neemt, voor zover mogelijk, veiligheidsmaatregelen ter beperking van elke bedreiging van zijn onafhankelijkheid door belangen en relaties in het heden en het verleden.

  Art. 13. § 1. Alvorens een opdracht te aanvaarden, gaat de bedrijfsrevisor na en documenteert hij of hij beschikt over de nodige bekwaamheid, medewerking, middelen en tijd vereist om deze opdracht goed uit te voeren.
  De bedrijfsrevisor aanvaardt geen opdrachten onder voorwaarden die een objectieve uitvoering daarvan in het gedrang zouden kunnen brengen.
  In het geval van een revisorale opdracht gaat de bedrijfsrevisor bovendien na en documenteert hij:
  1° of hij voldoet aan de onafhankelijkheidsvereisten; en
  2° of er sprake is van bedreigingen voor zijn onafhankelijkheid, alsook welke veiligheidsmaatregelen zijn genomen om deze bedreigingen te beperken.
  § 2. Bij de uitvoering van een revisorale opdracht besteedt de bedrijfsrevisor voldoende tijd aan de opdracht en doet hij een beroep op voldoende personeel om zijn taken correct uit te voeren.
  § 3. Wanneer de bedrijfsrevisor een beroep doet op externe deskundigen, documenteert hij het geformuleerde verzoek en het ontvangen advies.
  § 4. Alvorens een opdracht te aanvaarden, gaat de bedrijfsrevisor bij de onderneming of het organisme na of een andere bedrijfsrevisor in de loop van de voorafgaande twaalf maanden, belast is of werd met een revisorale opdracht bij dezelfde entiteit.
  Telkens een bedrijfsrevisor werkzaamheden verricht in een onderneming of een organisme waar een andere bedrijfsrevisor de wettelijke controle van de jaarrekening uitoefent, dan kan hij zijn werkzaamheden ter plaatse slechts verrichten na zijn confrater, bij voorkeur schriftelijk, op de hoogte te hebben gebracht van zijn tussenkomst.
  § 5. Elke bedrijfsrevisor die tot de opvolging van een confrater geroepen wordt, heeft de plicht om voorafgaandelijk en schriftelijk met hem contact op te nemen. De bedrijfsrevisor die dezelfde opdracht uitvoerde, verleent zijn confrater inzage in zijn werkdocumenten en alle relevante informatie.
  In voorkomend geval zal hij, in toepassing van artikel 18 van de verordening (EU) nr. 537/2014 eveneens toegang verlenen tot de aanvullende verklaringen betreffende voorgaande boekjaren bedoeld in artikel 11 van de verordening (EU) nr. 537/2014 en tot alle informatie die is medegedeeld aan de FSMA of aan de Bank, belast met het toezicht op de organisaties van openbaar belang bedoeld in artikel 4/1 van het Wetboek van vennootschappen.
  § 6. Wanneer een bedrijfsrevisor het werk of de verklaring van een andere bedrijfsrevisor zou kunnen in opspraak brengen, brengt hij, voor zover het beroepsgeheim zich daar niet tegen verzet, hem onmiddellijk op de hoogte van de punten waarover er een meningsverschil bestaat.

  Art. 14. Noch de aandeelhouders van een bedrijfsrevisorenkantoor of een geregistreerd auditkantoor, noch de leden van het bestuursorgaan van dat kantoor, noch verbonden personen mogen een zodanige bemoeienis met de uitvoering van een wettelijke controle van de jaarrekening of van een andere revisorale opdracht hebben dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de onafhankelijkheid en de objectiviteit van de bedrijfsrevisor die de wettelijke controle van jaarrekeningen of de revisorale opdracht uitvoert.

  Art. 15. Tijdens de uitvoering van zijn opdracht behoudt de bedrijfsrevisor steeds een professioneel-kritische instelling, wat betekent dat hij een houding aanneemt die een onderzoekende geest, oplettendheid voor omstandigheden die kunnen wijzen op mogelijke afwijkingen als gevolg van fouten of fraude, en een kritische beoordeling van de controle-informatie omvat.
  Hij onderkent dat er sprake kan zijn van een afwijking van materieel belang als gevolg van feiten of gedragingen die wijzen op onregelmatigheden, met inbegrip van fraude of fouten, ongeacht eerdere ervaringen van de bedrijfsrevisor met de eerlijkheid en integriteit van de leiding van de gecontroleerde entiteit en van de met het bestuur van de entiteit belaste personen.
  De bedrijfsrevisor behoudt een professioneel-kritische instelling, in het bijzonder bij de beoordeling van schattingen van de leiding met betrekking tot reële waarden, de waardevermindering van activa, voorzieningen en toekomstige kasstromen die relevant zijn voor het vermogen van de entiteit tot continuïteit van het bedrijf.

  Art. 16. § 1. De bedrijfsrevisor mag geen enkel financieel belang hebben in de entiteit waar hij een revisorale opdracht uitvoert.
  § 2. Hij mag evenmin voor zichzelf of voor zijn minderjarige kinderen financiële instrumenten kopen of verkopen die worden uitgegeven, gegarandeerd of anderszins ondersteund door de entiteit waar hij een revisorale opdracht uitvoert, noch mag hij betrokken zijn bij het sluiten van een transactie in dergelijke financiële instrumenten.
  § 3. De in paragrafen 1 en 2 bedoelde verbodsbepalingen zijn niet toepasselijk op de rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging, met inbegrip van beheerde fondsen, zoals pensioenfondsen of levensverzekeringen.
  § 4. De bedrijfsrevisor mag geen geld of andere geschenken of gunsten aanvaarden van de entiteit waar hij een revisorale opdracht uitvoert of van met die entiteit verbonden entiteiten, met uitzondering van de geringe voordelen die door een objectieve, redelijke en geïnformeerde derde als verwaarloosbaar of onbeduidend zouden worden beschouwd.
  § 5. De bepalingen van paragrafen 1 tot 4 gelden ook voor:
  a) het bedrijfsrevisorenkantoor waartoe de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon behoort, de vennoten, de aandeelhouders, de leden van het bestuursorgaan en de werknemers van dat bedrijfsrevisorenkantoor voor zover het de werknemers betreft die ten aanzien van de entiteiten waarvoor de revisorale opdracht wordt uitgevoerd, hieraan rechtstreeks deelnemen;
  b) alle andere personen waarop de bedrijfsrevisor een beroep doet en die direct betrokken zijn bij de controlewerkzaamheden bij de betrokken onderneming;
  c) de personen die nauw verbonden zijn met de bedrijfsrevisor.
  § 6. De bedrijfsrevisor ziet erop toe en documenteert dat hijzelf en de personen als bedoeld in paragraaf 5, niet deelnemen in of op een andere wijze invloed uitoefenen op de uitkomst van de revisorale opdracht uitgevoerd bij een bepaalde entiteit, indien zij:
  1° andere financiële instrumenten van de entiteit bezitten dan de belangen die onrechtstreeks worden gehouden via gediversifieerde instellingen voor collectieve belegging;
  2° financiële instrumenten bezitten van een verbonden entiteit waarvan de eigendom een belangenconflict kan veroorzaken, met uitzondering van de belangen die onrechtstreeks worden gehouden via gediversifieerde instellingen voor collectieve belegging;
  3° een dienstverband bij deze entiteit hebben gehad of daarmee een zakelijke of andere relatie hebben gehad gedurende twee jaar voorafgaand aan de revisorale opdracht die een belangenconflict kan veroorzaken.

  Art. 17. § 1. Voor elke revisorale opdracht legt de bedrijfsrevisor een controledossier aan.
  Dit controledossier omvat, onverminderd de gegevens die voortvloeien uit verordening (EU) nr. 537/2014 en de in België toepasselijke (internationale) controlestandaarden, minstens de gegevens die in toepassing van artikel 13 zijn vastgelegd.
  § 2. De bedrijfsrevisor bewaart alle andere gegevens en documenten die van belang zijn ter ondersteuning van de revisorale opdracht, zodat een getrouwe weergave van de uitvoering van de opdracht kan worden verkregen.
  § 3. Het controledossier wordt uiterlijk zestig dagen na de datum van ondertekening van het controleverslag gesloten.
  § 4. De bedrijfsrevisor die de revisorale opdracht heeft uitgevoerd, bewaart het controledossier gedurende een periode van vijf jaar, vanaf de datum van het verslag dat op basis van het controledossier is opgesteld.

  Art. 18. Voor elke revisorale opdracht houdt de bedrijfsrevisor een cliëntdossier bij.
  Dat dossier omvat, onverminderd de in België toepasselijke (internationale) controlestandaarden, de volgende gegevens:
  1° de naam, het adres en de hoofdvestiging;
  2° in het geval van een bedrijfsrevisorenkantoor, de naam van de vaste vertegenwoordiger;
  3° de in rekening gebrachte honoraria voor de revisorale opdracht en, in het geval van een wettelijke controle van de jaarrekening of de geconsolideerde jaarrekening, de in rekening gebrachte honoraria voor andere diensten in een boekjaar, zowel van de commissaris als van de leden van het netwerk waartoe de commissaris behoort.

  Art. 19. § 1. Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de in België toepasselijke (internationale) controlestandaarden, voldoet de bedrijfsrevisor bij de uitvoering van een revisorale opdracht minstens aan de volgende organisatorische vereisten:
  1° het bedrijfsrevisorenkantoor stelt passende gedragslijnen en procedures vast om de naleving van de in artikel 14 bedoelde vereisten te waarborgen;
  2° de bedrijfsrevisor heeft doeltreffende administratieve en boekhoudprocedures, interne kwaliteitscontrolemechanismen, effectieve procedures voor risicobeoordeling en effectieve beheersings- en veiligheidsmaatregelen voor informatieverwerkingssystemen. Die interne kwaliteitscontrolemechanismen zijn zodanig opgezet dat zij de naleving van beslissingen en procedures op alle niveaus van het bedrijfsrevisorenkantoor of van de werkstructuur van de bedrijfsrevisor verzekeren;
  3° de bedrijfsrevisor stelt passende gedragslijnen en procedures vast om te waarborgen dat zijn werknemers, medewerkers en alle andere natuurlijke personen op wie hij een beroep doet en die direct betrokken zijn bij de revisorale opdrachten, beschikken over de juiste kennis en ervaring voor de hun toegewezen taken;
  4° de bedrijfsrevisor stelt passende gedragslijnen en procedures vast om te waarborgen dat belangrijke controletaken niet op zodanige wijze worden uitbesteed dat dit afbreuk doet aan de kwaliteit van de interne kwaliteitscontrole van de bedrijfsrevisor of aan het vermogen van het College om toe te zien op de naleving door de bedrijfsrevisor van zijn verplichtingen;
  5° de bedrijfsrevisor stelt passende en effectieve organisatorische en administratieve regelingen vast om alle bedreigingen voor zijn onafhankelijkheid te voorkomen, vast te stellen, weg te nemen of te beheersen en bekend te maken;
  6° de bedrijfsrevisor stelt passende gedragslijnen en procedures vast voor de uitvoering van revisorale opdrachten, de begeleiding van, het houden van toezicht op en de beoordeling van de werkzaamheden van werknemers en medewerkers, en het opzetten van de structuur van het controledossier als bedoeld in artikel 17;
  7° de bedrijfsrevisor voert een intern kwaliteitsbeheersingssysteem in om de kwaliteit van de revisorale opdrachten te waarborgen. Het kwaliteitsbeheersingssysteem bestrijkt ten minste de gedragslijnen en procedures als bedoeld onder 6°. In het geval van een bedrijfsrevisorenkantoor ligt de verantwoordelijkheid voor het interne kwaliteitsbeheersingssysteem bij een persoon die de hoedanigheid van bedrijfsrevisor heeft;
  8° de bedrijfsrevisor gebruikt passende systemen, middelen en procedures om de continuïteit en regelmatigheid van zijn controlewerkzaamheden te waarborgen;
  9° de bedrijfsrevisor stelt ook passende en effectieve organisatorische en administratieve regelingen vast voor het omgaan met en registreren van incidenten die ernstige gevolgen voor de integriteit van zijn controlewerkzaamheden hebben of kunnen hebben;
  10° de bedrijfsrevisor heeft een passend beloningsbeleid ook ten aanzien van winstdeling, dat voldoende prestatieprikkels verschaft om de kwaliteit van de revisorale opdrachten te verzekeren. Met name de hoogte van de inkomsten die de bedrijfsrevisor ontleent aan het verstrekken van andere diensten dan revisorale opdrachten aan de gecontroleerde entiteit, vormt geen onderdeel van de prestatiebeoordeling en de beloning van personen die betrokken zijn bij of invloed kunnen uitoefenen op het verloop van de wettelijke controle van de jaarrekening;
  11° de bedrijfsrevisor ziet toe op en evalueert de toereikendheid en doeltreffendheid van zijn systemen, interne kwaliteitscontrolemechanismen en andere regelingen die zijn vastgesteld in overeenstemming met deze wet, met de in België toepasselijke (internationale) controlestandaarden en, in voorkomend geval, met verordening (EU) nr. 537/2014. Hij neemt passende maatregelen om eventuele tekortkomingen te verhelpen. De bedrijfsrevisor voert in het bijzonder jaarlijks een evaluatie uit van het interne kwaliteitsbeheersingssysteem als bedoeld onder 7°. Hij documenteert de bevindingen van deze evaluaties en alle voorgestelde maatregelen om het interne kwaliteitsbeheersingssysteem aan te passen.
  De in het eerste lid bedoelde gedragslijnen en procedures worden gedocumenteerd en aan de werknemers en medewerkers van de bedrijfsrevisor bekendgemaakt.
  Een eventuele uitbesteding van controletaken als bedoeld onder 4° is niet van invloed op de verantwoordelijkheid van de bedrijfsrevisor ten aanzien van de entiteit waarvoor een revisorale opdracht wordt uitgevoerd.
  § 2. De bedrijfsrevisor houdt bij de naleving van de eisen van paragraaf 1 rekening met de omvang en de complexiteit van zijn activiteiten.
  Hij kan tegenover het College aantonen dat de gedragslijnen en procedures met het oog op dergelijke naleving in overeenstemming zijn met de omvang en de complexiteit van zijn activiteiten.
  § 3. De commissaris legt in het geval van een wettelijke controle van de jaarrekening, alle betekenisvolle inbreuken op de bepalingen van deze wet, op de bepalingen van Boek IV, Titel VII, van het Wetboek van Vennootschappen inzake de wettelijke controle van de jaarrekening en van de geconsolideerde jaarrekening, alsook op de bepalingen van verordening (EU) nr. 537/2014 vast. Hij registreert tevens alle gevolgen van een dergelijke inbreuk, met inbegrip van de maatregelen die zijn genomen om de inbreuk te beëindigen en om het interne kwaliteitsbeheersingssysteem aan te passen. De commissaris stelt een jaarverslag op met een overzicht van alle genomen maatregelen en maakt dit intern bekend.
  De commissaris registreert ook alle schriftelijke klachten over de uitvoering van de wettelijke controles van de jaarrekening.

  Art. 20. § 1. De resultaatgebonden honoraria met betrekking tot de opdrachten inzake de wettelijke controle van de jaarrekening zijn verboden.
  Wanneer opdrachten uitgevoerd worden door de commissaris of door een lid van zijn netwerk in een vennootschap waarin de commissaris belast is met de wettelijke controle, of in een vennootschap die haar controleert of die zij controleert binnen de Europese Unie, is het in deze vennootschappen niet toegestaan aan de commissaris of aan een lid van zijn netwerk om opdrachten uit te voeren tegen vergoeding van resultaatgebonden honoraria, ongeacht de genomen veiligheidsmaatregelen.
  § 2. Onverminderd paragraaf 1 kan, wanneer opdrachten worden uitgevoerd bij een entiteit waar de wettelijke controle van de jaarrekening niet wordt uitgevoerd door een bedrijfsrevisor die met hetzelfde netwerk is verbonden, een contract worden gesloten waarin resultaatgebonden honoraria worden opgenomen.
  In dergelijk geval worden de onafhankelijkheidsrisico's beoordeeld en worden aangepaste veiligheidsmaatregelen genomen zodat het risico naar een aanvaardbaar niveau wordt gebracht. De onafhankelijkheidsrisico's en de genomen veiligheidsmaatregelen worden opgenomen in het dossier van de bedrijfsrevisor, zodanig dat dit een spoor bevat van de uitgevoerde beoordeling op het ogenblik van de aanvaarding van de opdracht.
  De in artikel 21 bedoelde opdrachtbrief vermeldt ook dat de honoraria resultaatgebonden zijn en dat gepaste veiligheidsmaatregelen werden genomen om het risico naar een aanvaardbaar niveau te brengen.

  Art. 21. De bedrijfsrevisor en zijn cliënt stellen een opdrachtbrief op voorafgaand aan de uitvoering van elke opdracht.
  Naast de omschrijving van de opdracht bepaalt de opdrachtbrief op een evenwichtige wijze de wederzijdse rechten en plichten van de cliënt en van de bedrijfsrevisor.

  Art. 22. § 1. Telkens wanneer een revisorale opdracht wordt toevertrouwd aan een bedrijfsrevisorenkantoor, dient dat bedrijfsrevisorenkantoor een bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon als vaste vertegenwoordiger aan te stellen. Deze bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon dient als vennoot of anderszins aan dat kantoor verbonden te zijn, en is belast met de uitvoering van deze opdracht in naam en voor rekening van het bedrijfsrevisorenkantoor. Bij de uitvoering van deze revisorale opdracht heeft de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon die het bedrijfsrevisorenkantoor vertegenwoordigt, als enige de handtekeningsbevoegdheid voor rekening van het bedrijfsrevisorenkantoor. Hij wordt actief betrokken bij de uitvoering van de revisorale opdracht.
  Die vaste vertegenwoordiger handelt in naam en voor rekening van het bedrijfsrevisorenkantoor. Inzake kwaliteitscontrole en toezicht is hij aan dezelfde voorwaarden en regels onderworpen alsof hij die opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou vervullen.
  Het bedrijfsrevisorenkantoor kan zijn vaste vertegenwoordiger enkel ontslaan als het tegelijkertijd zijn opvolger aanstelt.
  Een bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon die een arbeidsovereenkomst met een andere bedrijfsrevisor heeft gesloten, kan geen handtekeningsbevoegdheid voor rekening van het bedrijfsrevisorenkantoor dat zijn werkgever is, worden toegekend.
  § 2. Het bedrijfsrevisorenkantoor verstrekt de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon die het bedrijfsrevisorenkantoor vertegenwoordigt, voldoende middelen en personeelsleden die over de nodige deskundigheid en bekwaamheid beschikken om zijn taken juist uit te voeren.
  § 3. In het geval van een wettelijke controle bij een organisatie van openbaar belang of bij de belangrijke Belgische of buitenlandse dochterondernemingen van een dergelijke organisatie naar Belgisch recht wanneer deze geconsolideerde jaarrekeningen opstelt, is de commissaris verplicht ten minste de vaste vertegenwoordiger(s) van het bedrijfsrevisorenkantoor te vervangen, of, wanneer het mandaat door een commissaris-natuurlijk persoon wordt uitgeoefend, het mandaat aan een confrater over te dragen na uiterlijk zes jaar na zijn (hun) benoeming. De vervangen bedrijfsrevisor(en) neemt (nemen) na afloop van een periode van minstens drie jaar na het staken van deelname opnieuw deel aan de wettelijke controle van de gecontroleerde entiteit.
  Met toepassing van artikel 17, § 7, derde en vierde lid van de verordening (EU) nr. 537/2014, zet de commissaris tevens een passend systeem van geleidelijke rotatie op voor de hoogstgeplaatste personeelsleden binnen de hiërarchie die betrokken zijn bij de wettelijke controle, met inbegrip van ten minste de bedrijfsrevisoren die bij de controleopdracht zijn betrokken.
  § 4. Elk verslag, elke verklaring of certificering wordt ondertekend door een bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon, die in voorkomend geval optreedt als vaste vertegenwoordiger van een bedrijfsrevisorenkantoor.
  De bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon vermeldt of hij in eigen naam tekent, dan wel als vaste vertegenwoordiger van een bedrijfsrevisorenkantoor.
  Wanneer aan een bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon die deel uitmaakt van een bedrijfsrevisorenkantoor, in eigen naam een opdracht wordt toevertrouwd, dan kan hij niet tekenen in de hoedanigheid van vaste vertegenwoordiger van het bedrijfsrevisorenkantoor.
  Ingeval van overmacht kan de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon zijn bevoegdheid om te tekenen aan een andere bedrijfsrevisor delegeren.

  Art. 23. § 1. De bedrijfsrevisor die de wettelijke controle van de jaarrekening van organisaties van openbaar belang uitvoert, maakt uiterlijk vier maanden na afloop van elk boekjaar een jaarlijks transparantieverslag openbaar overeenkomstig de bepalingen van artikel 13 van de verordening (EU) nr. 537/2014.
  § 2. De bedrijfsrevisor die vrijwillig of krachtens een andere wettelijke of reglementaire bepaling een transparantieverslag openbaar maakt, voldoet minstens aan de bepalingen van artikel 13 van verordening (EU) nr. 537/2014.

  Art. 24.§ 1. De bedrijfsrevisoren zijn aansprakelijk, overeenkomstig het gemeen recht, voor de uitvoering van de opdrachten die hun door of krachtens de wet zijn toevertrouwd. Behoudens bij overtreding gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, wordt deze aansprakelijkheid beperkt tot een bedrag van drie miljoen euro voor de uitvoering van een van deze opdrachten bij een andere persoon dan een organisatie van openbaar belang, verhoogd tot twaalf miljoen euro voor de uitvoering van een van deze opdrachten bij een organisatie van openbaar belang. De Koning kan deze bedragen wijzigen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Het is de bedrijfsrevisoren verboden om zich, zelfs gedeeltelijk, aan deze aansprakelijkheid te onttrekken door een bijzondere overeenkomst.
  § 2. Zij zijn verplicht hun burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid te laten dekken door een adequaat verzekeringscontract dat aan volgende vereisten voldoet:
  1° een dekking van minimum drie miljoen euro per jaar; dit bedrag wordt verhoogd naar twaalf miljoen voor de opdrachten uitgevoerd bij organisaties van openbaar belang;
  2° de polis dekt ten minste alle opdrachten die voorbehouden zijn door of krachtens de wet aan de bedrijfsrevisoren.
  § 3. De bepalingen bedoeld in [1 paragraaf 1]1 zijn ook van toepassing op de opdrachten die door of krachtens de wet toevertrouwd worden aan de commissaris en op de opdrachten die hem zijn toevertrouwd in zijn hoedanigheid van commissaris en als dusdanig [1 ondertekend]1 of, bij gebrek aan een commissaris, aan een bedrijfsrevisor of aan een accountant, inclusief de gevallen waarbij deze opdrachten worden uitgeoefend door een accountant.
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/47, art. 82, 003; Inwerkingtreding : 15-09-2018>

  Art. 25. De bedrijfsrevisoren zijn aansprakelijk, overeenkomstig het gemeen recht, voor de uitvoering van hun andere professionele opdrachten dan deze die hun door of krachtens de wet zijn toevertrouwd.
  Het is de bedrijfsrevisoren verboden om zich, zelfs gedeeltelijk, aan deze aansprakelijkheid te onttrekken door een bijzondere overeenkomst in geval van een fout gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

  Art. 26.De bedrijfsrevisoren [1 en de in België geregistreerde auditkantoren]1 betalen jaarlijkse bijdragen ter financiering van de werkingskosten van het Instituut, waarvan het bedrag door de algemene vergadering van het Instituut wordt vastgesteld binnen de grenzen en volgens de modaliteiten bepaald in het huishoudelijk reglement van het Instituut.
  De in België geregistreerde auditors en auditorganisaties van een derde land betalen het bedrag van de aan hun inschrijving verbonden kosten. Dit bedrag wordt door de algemene vergadering van het Instituut vastgesteld binnen de grenzen en volgens de modaliteiten bepaald in het huishoudelijk reglement van het Instituut.
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/47, art. 83, 003; Inwerkingtreding : 15-09-2018>

  Art. 27. De bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon zet zijn permanente vorming op continue wijze voort om zijn theoretische kennis, zijn beroepsbekwaamheden en zijn beroepsethiek op een voldoende peil te houden.

  Art. 28. De Koning kan de specifieke maatregelen bepalen in verband met de deontologie van de bedrijfsrevisor, alsook de maatregelen die ertoe strekken de onafhankelijkheid van de bedrijfsrevisor te verzekeren.

  Afdeling 4. - Onverenigbaarheden

  Art. 29. § 1. Het is de bedrijfsrevisor niet toegestaan om werkzaamheden uit te oefenen of daden te stellen die onverenigbaar zijn met hetzij de waardigheid, de rechtschapenheid of de kiesheid, hetzij de onafhankelijkheid van zijn functie.
  § 2. Het is de bedrijfsrevisor niet toegestaan om revisorale opdrachten uit te voeren in de volgende omstandigheden:
  1° de functie van bediende uitoefenen, behalve bij een andere bedrijfsrevisor;
  2° rechtstreeks of onrechtstreeks een handelsactiviteit uitoefenen, onder andere in de hoedanigheid van bestuurder van een handelsvennootschap; het uitoefenen van een mandaat van bestuurder in burgerlijke vennootschappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, wordt niet geviseerd door deze onverenigbaarheid;
  3° de functie van minister of staatssecretaris bekleden.
  De bepaling onder 1° is niet van toepassing op een taak in het onderwijs.
  § 3. Wat de in paragraaf 2 bedoelde bepalingen 1° en 2° betreft, kan de Koning in uitzonderingen voorzien. Hij kan ook de maatregelen voor de toekenning van een afwijking door het College bepalen.

  Art. 30. § 1. De bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon die zich in een van de onverenigbaarheidssituaties bevindt bedoeld in artikel 29, § 2, en aan wie, in voorkomend geval, geen uitzondering of afwijking is verleend, verklaart bij het Instituut verhinderd te zijn om revisorale opdrachten uit te oefenen.
  § 2. De verhinderde bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon blijft in het openbaar register van het Instituut ingeschreven als "tijdelijk verhinderd bedrijfsrevisor" zolang hij verhinderd is.
  § 3. De rechten en verplichtingen die uit afdeling III voortvloeien, blijven van toepassing op de verhinderde bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon.
  § 4. In afwijking van paragraaf 3, betaalt de verhinderde bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon een verminderde jaarlijkse bijdrage, waarvan het bedrag door de algemene vergadering van het Instituut wordt bepaald overeenkomstig artikel 26.
  § 5. De Koning bepaalt de specifieke modaliteiten met betrekking tot de hoedanigheid van "tijdelijk verhinderd bedrijfsrevisor".

  HOOFDSTUK 3. - Goedkeuring van normen en aanbevelingen

  Art. 31. § 1. Onverminderd de internationale controlestandaarden formuleert het Instituut de normen en aanbevelingen met betrekking tot de uitvoering van opdrachten of die nuttig zijn voor de uitvoering van deze opdrachten.
  Het Instituut maakt de inhoud van elke ontwerpnorm of -aanbeveling openbaar.
  De Hoge Raad beraadslaagt over de ontwerpnormen of -aanbevelingen na de vertegenwoordiger van het Instituut te hebben gehoord. De Hoge Raad kan ter zake ook het College en, in voorkomend geval, voor alle aspecten van een ontwerpnorm of -aanbeveling met betrekking tot organisaties van openbaar belang, de FSMA en de Bank raadplegen.
  De opmerkingen van het College en, in voorkomend geval, van de FSMA en de Bank, worden overgemaakt aan de Hoge Raad binnen de zes weken na de overlegging van de vraag door de Hoge Raad.
  Na de vertegenwoordiger van het Instituut te hebben gehoord, alsook na de opmerkingen van het College en, in voorkomend geval, van de FSMA en de Bank te hebben ontvangen, kan de Hoge Raad het Instituut vragen om de ontwerpnorm of -aanbeveling te herformuleren op basis van zijn eigen opmerkingen, de hoorzitting of de opmerkingen van het College, de FSMA en/of de Bank.
  Als het Instituut het ontwerp niet herformuleert binnen de door de Hoge Raad bepaalde termijn, kan de Hoge Raad de ontwerpnorm of -aanbeveling op eigen initiatief herformuleren.
  § 2. Deze normen en aanbevelingen krijgen slechts uitwerking na goedkeuring door de Hoge Raad en de minister bevoegd voor Economie. De goedkeuring door de Hoge Raad gebeurt binnen drie maanden na de overlegging van de vraag door het Instituut. In geval van speciaal gemotiveerde hoogdringendheid kan de termijn worden beperkt tot één maand, in onderlinge overeenstemming tussen de Hoge Raad en het Instituut.
  § 3. De Hoge Raad of de minister bevoegd voor Economie kunnen het Instituut de opdracht geven om een ontwerpnorm of -aanbeveling op te stellen met betrekking tot een materie die nog niet is uitgewerkt, die onvoldoende is uitgewerkt of die moet worden aangepast aan de gewijzigde toepasselijke wettelijke of regelgevende bepalingen of aan de internationale controlestandaarden.
  De openbare raadpleging over een ontwerpnorm of -aanbeveling wordt gelanceerd binnen het jaar na de datum waarop die opdracht werd gegeven door de Hoge Raad of de minister bevoegd voor Economie. Wanneer binnen die termijn geen openbare raadpleging wordt gelanceerd, kan de Hoge Raad een ontwerpnorm of -aanbeveling opstellen en, in voorkomend geval na raadpleging van het College en/of het Instituut, dit ontwerp vervolgens ter goedkeuring voorleggen aan de minister bevoegd voor Economie.
  § 4. De normen zijn bindend voor de bedrijfsrevisoren.
  De aanbevelingen zijn eveneens bindend, tenzij de bedrijfsrevisor in bijzondere omstandigheden kan motiveren dat de afwijking ten aanzien van de aanbeveling geen afbreuk doet aan de criteria vastgesteld in artikelen 12 en 13.
  § 5. De toepassing van de normen en aanbevelingen is evenredig met de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de entiteiten waarvoor een revisorale opdracht wordt uitgevoerd.
  § 6. De normen en aanbevelingen evenals hun actualiseringen worden openbaar gemaakt op de website van het Instituut en de Hoge Raad.
  De goedkeuring van deze normen en aanbevelingen evenals de latere actualiseringen hiervan, door de minister bevoegd voor Economie, maakt het voorwerp uit van een bericht dat bekend wordt gemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  § 7. Het Instituut ontwikkelt de rechtsleer inzake de audittechnieken en de goede toepassing door de bedrijfsrevisoren van het wettelijk, reglementair en normatief kader dat de uitoefening van hun beroep regelt, in de vorm van adviezen of mededelingen.
  Het Instituut maakt de adviezen of mededelingen over aan de Hoge Raad.
  Indien hij een onverenigbaarheid vaststelt tussen deze adviezen of mededelingen en een wet, besluit, norm of aanbeveling, of als de aard van deze adviezen of mededelingen normatief is, nodigt de Hoge Raad het Instituut uit om dit te verhelpen, en, indien hij geen genoegdoening krijgt binnen de termijn die hij vaststelt, gaat hij over tot de openbaarmaking van zijn eigen stellingname.

  HOOFDSTUK 4. - Publiek toezicht

  Afdeling 1. - College van toezicht op de bedrijfsrevisoren

  Art. 32. Er wordt een College van toezicht op de bedrijfsrevisoren opgericht met als opdracht toe te zien op de naleving van de bepalingen van het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader, en de toepassing ervan te controleren.
  Het College draagt in het bijzonder de eindverantwoordelijkheid voor:
  - het toezicht op de toekenning van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, en op de inschrijving, de registratie in alsook het houden en het bijwerken van het openbaar register;
  - het toezicht op de permanente vorming;
  - het toezicht op de kwaliteitscontrolesystemen, en
  - op het toezicht.
  Het College is een autonome instelling met rechtspersoonlijkheid.
  In het kader van zijn opdrachten neemt het College deel aan de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten die wordt georganiseerd in het kader van het CEAOB als bedoeld in artikel 30 van verordening (EU) nr. 537/2014.
  Het College onderwerpt de bedrijfsrevisoren aan een kwaliteitscontrole en neemt de besluiten van de kwaliteitscontroles aan, is belast met het toezicht, neemt de in artikel 57 bedoelde maatregelen en beslist om de sanctiecommissie te adiëren.

  Art. 33. Het College kan in omzendbrieven alle maatregelen vaststellen voor de toepassing van de bepalingen van het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader. De omzendbrieven van het College worden gepubliceerd op internet.
  Alvorens een omzendbrief over de kwaliteitscontrole goed te keuren, raadpleegt het College de Hoge Raad.

  Art. 34. Het College is samengesteld uit een Comité, een secretaris-generaal en, in voorkomend geval, een adjunct-secretaris-generaal.

  Art. 35. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in deze wet, is het Comité het besluitvormingsorgaan van het College. Het is samengesteld uit de volgende leden:
  1° twee leden benoemd door de Bank, onder de leden van haar directiecomité of haar directiepersoneel, voor een hernieuwbare termijn van zes jaar. Het verlies van de hoedanigheid van lid van het directiecomité of van directiepersoneel van de Bank resulteert in het verlies van de hoedanigheid van lid van het Comité. De Bank kan, na het Comité te hebben geïnformeerd, één van de leden of de leden van het Comité die zij heeft benoemd, vervangen voor het einde van de termijn van zes jaar;
  2° twee leden benoemd door de FSMA, onder de leden van haar directiecomité of haar directiepersoneel, voor een hernieuwbare termijn van zes jaar. Het verlies van de hoedanigheid van lid van het directiecomité of van directiepersoneel van de FSMA resulteert in het verlies van de hoedanigheid van lid van het Comité. De FSMA kan, na het Comité te hebben geïnformeerd, één van de leden of de leden van het Comité die zij heeft benoemd, vervangen voor het einde van de termijn van zes jaar;
  3° een voormalig bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon benoemd door de Koning op voordracht van de minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Financiën, voor een niet-hernieuwbare termijn van zes jaar. Als geen andere voormalige bedrijfsrevisor tot lid van het Comité wordt aangesteld, blijft de aangestelde voormalige bedrijfsrevisor in functie tot het Comité voor het eerst in zijn nieuwe samenstelling vergadert;
  4° een deskundige die geen bedrijfsrevisor is geweest, benoemd door de Koning op voordracht van de minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Financiën voor een hernieuwbare termijn van zes jaar. Als er geen andere deskundige die geen bedrijfsrevisor is geweest, tot lid van het Comité wordt aangesteld, blijft de voormalige deskundige die geen bedrijfsrevisor is geweest in functie tot het Comité voor het eerst in zijn nieuwe samenstelling vergadert.
  De in het eerste lid bedoelde benoemingen worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  De leden van het Comité zijn personen die geen beroepsbeoefenaars zijn, maar wel de materies beheersen die verband houden met de wettelijke controle van de jaarrekening.
  Het Comité telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden.
  Als een mandaat van één van de onder 3° en 4° van het eerste lid bedoelde leden, om welke reden ook, openstaat, wordt voor de resterende duur van het mandaat een vervanger aangewezen. Die vervanging wordt via een bericht in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  Tijdens de drie jaar die hun benoeming voorafgaan, mogen de onder 3° en 4° van het eerste lid bedoelde leden geen deel hebben uitgemaakt van een orgaan of het personeel van de FSMA, of van een orgaan of het personeel van de Bank.
  De Koning bepaalt, op advies van de FSMA en van het College, het bedrag van het presentiegeld dat aan de andere onder 3° en 4° van het eerste lid bedoelde lid van het Comité dan de voorzitter wordt toegekend.

  Art. 36. § 1. De leden van de Wetgevende Kamers, het Europees Parlement, de Gemeenschaps- en Gewestparlementen, de personen die de hoedanigheid hebben van minister of staatssecretaris of van lid van een gemeenschaps- of gewestregering, en de leden van de kabinetten van een lid van de federale regering of van een gemeenschaps- of gewestregering mogen geen lid zijn van het Comité. Die hoedanigheid van lid neemt van rechtswege een einde wanneer de titularis ervan de eed aflegt voor de uitoefening van voornoemde functies of dergelijke functies uitoefent.
  § 2. De leden van het Comité mogen geen enkele functie of geen enkel mandaat uitoefenen van bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon of in een bedrijfsrevisorenkantoor of in een beroepsvereniging die de bedrijfsrevisoren vertegenwoordigt, noch diensten verstrekken ten gunste van een beroepsvereniging die de bedrijfsrevisoren vertegenwoordigt.
  De in het eerste lid vastgestelde verbodsbepalingen blijven geldig tot één jaar na beëindiging van het mandaat.
  Het directiecomité van de Bank, voor de leden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, 1°, het directiecomité van de FSMA, voor de leden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, 2°, en de minister bevoegd voor Economie, voor de leden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, 3° en 4°, kunnen, op advies van het College, afwijken van de voorziene verbodsbepaling voor de betrokken periode na de beëindiging van het mandaat, wanneer zij vaststellen dat de voorgenomen activiteit geen betekenisvolle invloed op de onafhankelijkheid van de persoon in kwestie heeft.
  § 3. De leden van het Comité kunnen niet beraadslagen in een aangelegenheid waarin zij een persoonlijk belang hebben dat hun oordeel zou kunnen beïnvloeden.
  Het Comité voert en publiceert een deontologisch beleid over mogelijke persoonlijke belangen die het oordeel van de leden van het Comité zouden kunnen beïnvloeden.

  Art. 37. De voorzitter van het Comité wordt door zijn leden verkozen uit de in artikel 35, eerste lid, 3° en 4°, bedoelde leden.
  Hij zit de werkzaamheden van het Comité voor en roept de vergaderingen van het Comité bijeen. Hij vertegenwoordigt het College ten aanzien van derden conform artikel 43, § 1.
  Bij afwezigheid wordt hij vervangen door een lid dat wordt aangewezen overeenkomstig het huishoudelijk reglement van het Comité.
  De Koning bepaalt, op advies van de FSMA en van het College, de bezoldiging van de voorzitter van het Comité.

  Art. 38. Het Comité komt ten minste tienmaal per jaar bijeen en telkens wanneer de voorzitter van het Comité en een lid daartoe een gemotiveerd verzoek formuleren.
  Het Comité kan slechts geldig beslissen als ten minste vier van zijn leden aanwezig zijn.
  Het Comité beslist bij eenparigheid. Indien geen eenparigheid kan worden bereikt, worden de beslissingen genomen bij meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. Bij staking van stemmen over een bepaald agendapunt wordt het betrokken voorstel van beslissing verworpen.
  De secretaris-generaal, die de beraadslagingen van het Comité zonder beraadslagende stem bijwoont, stelt de notulen van de beraadslagingen van het Comité op. De notulen worden door de aanwezige leden ondertekend.
  In hoogdringende gevallen vastgesteld door de voorzitter, kan het Comité, behalve voor de in artikel 57 bedoelde beslissingen, beslissen via schriftelijk procedure of via een vocaal telecommunicatiesysteem, volgens de nadere regels bepaald in het huishoudelijk reglement van het Comité.
  Het Comité stelt zijn huishoudelijk reglement vast.

  Art. 39. De secretaris-generaal is belast met de operationele leiding van het College. Hij bereidt de beslissingen van het Comité voor en voert ze uit.
  Hij wordt benoemd conform artikel 40.
  In voorkomend geval, staat de adjunct-secretaris-generaal de secretaris-generaal bij in de uitoefening van zijn functies en vervangt hij hem bij afwezigheid of indien geen secretaris-generaal is benoemd.

  Art. 40. Voor zover en zolang het Comité is samengesteld uit zes leden, van wie twee leden zijn aangewezen door de Bank en twee door de FSMA,
  1° heeft het College zijn zetel in de kantoren van de FSMA;
  2° stelt de FSMA haar kantoren ter beschikking van het College;
  3° wordt het secretariaat van het College waargenomen door de FSMA, die daarvoor de nodige middelen ter beschikking stelt in overeenstemming met de onder 5° bedoelde begroting. Het directiecomité van de FSMA benoemt één van de directieleden van de FSMA tot secretaris-generaal van het College en, in voorkomend geval, één van haar personeelsleden tot adjunct-secretaris-generaal van het College. Het secretariaat beschikt over alle onderzoeksbevoegdheden die deze wet aan het College toekent;
  4° bepalen de FSMA en het College in een protocol de modaliteiten van de administratieve, operationele en logistieke ondersteuning van het College door de FSMA;
  5° worden de werkingskosten van het College, inclusief die van zijn secretariaat, maar met uitzondering van de uitzonderlijke kosten, gedragen door de FSMA en mogen zij niet meer bedragen dan het bedrag van de begroting die door het College wordt vastgesteld op voorstel van de FSMA;
  6° stelt de Koning de maximale grens vast voor de begroting van het College en de werkingskosten van de sanctiecommissie in verband met het opleggen van de in artikel 59 bedoelde administratieve maatregelen en geldboetes. De som van de in de bepaling onder 5° gedefinieerde begroting van het College en de werkingskosten van de sanctiecommissie in verband met het opleggen van de in artikel 59 bedoelde administratieve maatregelen en geldboetes, mag niet meer bedragen dan de door de Koning vastgestelde maximale begrotingsgrens;
  7° worden de werkingskosten van het College, inclusief die van zijn secretariaat, de werkingskosten van de sanctiecommissie in verband met het opleggen van de in artikel 59 bedoelde administratieve maatregelen en geldboetes, alsook de onder 5° bedoelde uitzonderlijke kosten, gedekt door de bijdragen van de bedrijfsrevisoren, de in België geregistreerde auditkantoren en de in België geregistreerde auditors en auditorganisaties van derde landen volgens de nadere regels bepaald door de Koning, op advies van de FSMA en van het College. Die bijdragen worden geïnd door het Instituut, dat ze doorstort aan de FSMA.

  Art. 41. § 1. De volgende opdrachten van het College worden gedelegeerd aan het Instituut:
  1° de toekenning en de intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, conform de bepalingen van de artikelen 5 tot 9,
  2° de inschrijving, de registratie in alsook het houden en het bijwerken van het openbaar register als bedoeld in artikel 10, en
  3° de organisatie van de permanente vorming als bedoeld in artikel 27.
  Het College draagt de eindverantwoordelijkheid voor het toezicht op en de uitvoering van de aan het Instituut gedelegeerde opdrachten als bedoeld in het eerste lid. Het Instituut bezorgt het College alle documenten of informatie over die opdrachten in het formaat en volgens de frequentie die het College bepaalt.
  § 2. Conform paragraaf 1 voert het Instituut, krachtens een delegatie, de in de artikelen 5 tot 9 van deze wet bedoelde opdrachten van het College uit.
  Alvorens een beslissing te nemen over de toekenning van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, raadpleegt het Instituut de Procureur-generaal over de naleving van de voorwaarden als bedoeld in artikel 5, § 1, 2°, artikel 6, § 2, 2°, en artikel 7, § 1, 3° in fine. Als de Procureur-generaal niet heeft geantwoord of gereageerd binnen een termijn van twintig werkdagen, wordt ervan uitgegaan dat die voorwaarden zijn nageleefd.
  Het Instituut stelt het College in kennis van de krachtens de artikelen 5 tot 9 genomen beslissingen. Het College kan zich binnen een termijn van zeven werkdagen tegen die beslissingen verzetten.
  Het College kan het Instituut vragen bijkomende informatie over te maken of specifieke stappen te ondernemen. In dat geval begint een nieuwe termijn van 15 werkdagen te lopen wanneer het College de gevraagde bijkomende informatie ontvangt of door het Instituut in kennis wordt gesteld van de ondernomen stappen.
  De beslissingen van het Instituut hebben pas uitwerking na afloop van de termijn waarbinnen het College zich kan verzetten, en worden, eens die termijn is verstreken, geacht door het College te zijn genomen.
  § 3. Het College heeft te allen tijde toegang tot het openbaar register en kan, na het advies van het Instituut te hebben ingewonnen, de aanpassingen eisen die het nuttig acht.
  Het Instituut brengt het College onmiddellijk op de hoogte van de registratie in het register van een auditkantoor uit een andere lidstaat.
  Het College brengt de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst van het auditkantoor op de hoogte van de registratie van dat auditkantoor zodra die registratie is bevestigd.
  § 4. De Koning kan, op voorstel van het College, bij een in Ministerraad overlegd besluit, een einde stellen aan één of meer van de in paragraaf 1 bedoelde delegaties, of die delegatie(s) opschorten.
  De Koning bepaalt, op voorstel van het College, de praktische nadere regels met betrekking tot die beëindiging of opschorting. Hij kan inzonderheid de regels bepalen met betrekking tot de overdracht van de archieven en de lopende dossiers.
  § 5. Het College kan andere opdrachten aan het Instituut delegeren, inzonderheid op het vlak van de inzameling van informatie, op voorwaarde dat die delegatie in overeenstemming is met de bepalingen van richtlijn 2006/43/EG en verordening (EU) nr. 537/2014.
  De delegatie verduidelijkt de gedelegeerde opdrachten, alsook de wijze waarop daaraan invulling moet worden gegeven.
  Het College kan te allen tijde een volledig of gedeeltelijk einde stellen aan de in het eerste lid bedoelde delegatie.

  Art. 42. Het College voert zijn opdrachten uitsluitend in het algemeen belang uit. Het College, de leden van het Comité en de personeelsleden van de FSMA die aan de uitvoering van de opdrachten van het College meewerken, zijn niet burgerlijk aansprakelijk voor hun beslissingen, handelingen of gedragingen in het kader van de uitoefening van de wettelijke opdrachten van het College, behalve bij bedrog of zware fout.
  Het College is transparant. Dat houdt in dat het College jaarlijks zijn werkprogramma en een activiteitenverslag over zijn opdrachten publiceert.
  Het College kan de bevoegdheid om bepaalde beslissingen te nemen, delegeren aan de secretaris-generaal en, bij zijn afwezigheid, aan de adjunct-secretaris-generaal. Die delegaties kunnen te allen tijde door het College worden herzien of herroepen.

  Art. 43.§ 1. Jegens derden en in rechte wordt het College vertegenwoordigd door zijn voorzitter en, bij zijn afwezigheid, door een lid dat door het huishoudelijk reglement van het Comité wordt aangewezen.
  Het Comité kan bijzondere en beperkte vertegenwoordigingsbevoegdheden delegeren aan één of meer leden van het Comité of aan de secretaris-generaal.
  § 2. Het College kan één of meer leden van het Comité, de secretaris-generaal, de adjunct-secretaris-generaal of één of meer personen die het zelf aanwijst, de bevoegdheid verlenen om het College te vertegenwoordigen binnen door of krachtens de Europese en de nationale wetgeving opgerichte colleges, comités of andere groepen waaraan het verplicht deelneemt, [1 of binnen internationale groepen,]1 en om zich, binnen de door het College bepaalde grenzen, over de binnen die colleges, comités of andere groepen te nemen beslissing of uit te brengen stem uit te spreken namens het College. Deze delegaties kunnen te allen tijde door het College worden herzien of ingetrokken.
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/47, art. 86, 003; Inwerkingtreding : 15-09-2018>

  Afdeling 2. - Beroepsgeheim

  Art. 44. Het College, de voorzitter en de leden van het Comité, de leden van de sanctiecommissie, de personeelsleden van de FSMA die bijdragen tot de uitoefening van de opdrachten van het College, alsook de personen die voornoemde functies in het verleden hebben uitgeoefend, zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen de vertrouwelijke informatie waarvan zij kennis krijgen bij de uitoefening van hun taken, niet onthullen aan welke persoon of autoriteit ook.
  Het eerste lid is van toepassing op de inspecteurs en externe deskundigen, wat de informatie betreft waarvan zij kennis krijgen in het kader van de opdrachten die zijn toevertrouwd aan het College of van de verificaties, expertises of verslagen die het College hen, in het kader van zijn opdrachten als bedoeld in artikel 33, heeft gelast uit te voeren dan wel voor te leggen.
  Het eerste lid is niet van toepassing op de verstrekking van vertrouwelijke informatie aan de FSMA. Artikel 74, eerste lid, van de wet van 2 augustus 2002 is van toepassing op die informatie. Onverminderd artikel 45, § 1, 8°, kan de FSMA de betrokken informatie voor de uitvoering van haar andere opdrachten dan die bedoeld in het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader enkel gebruiken als het College daarmee instemt.
  Het eerste lid is niet van toepassing op de verstrekking van vertrouwelijke informatie door de leden van het Comité als bedoeld in artikel 35, eerste lid, 1°, aan de Bank. Artikel 35 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België is van toepassing op die informatie. Onverminderd artikel 45, § 1, 8°, kan de Bank, voor de uitvoering van haar andere wettelijke opdrachten dan deze die verband houden met het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader, de vertrouwelijke informatie die haar door de leden van het Comité als bedoeld in artikel 35, eerste lid, 1°, wordt meegedeeld, enkel gebruiken als het College daarmee instemt.

  Art. 45.§ 1. In afwijking van artikel 44 mag het College vertrouwelijke informatie meedelen:
  1° als de mededeling van dergelijke informatie wordt voorgeschreven of toegestaan door of krachtens deze wet en de wetten die de opdrachten van het College regelen;
  2° tijdens een getuigenis in rechte in strafzaken;
  3° voor de aangifte van strafrechtelijke misdrijven bij de rechterlijke overheden, met dien verstande dat artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is op de in artikel 44 bedoelde personen;
  4° in het kader van administratieve of gerechtelijke beroepsprocedures tegen de handelingen of beslissingen van het College of van de FSMA in de in artikel 59 bedoelde gevallen en in elk ander rechtsgeding waarbij het College partij is;
  5° in beknopte of samengevoegde vorm zodat individuele natuurlijke of rechtspersonen niet kunnen worden geïdentificeerd;
  6° binnen de grenzen van richtlijn 2006/43/EG en verordening (EU) nr. 537/2014, aan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten die één of meer bevoegdheden uitoefenen die vergelijkbaar zijn met de in artikel [2 32]2 bedoelde bevoegdheden;
  7° met inachtneming van richtlijn 2006/43/EG en verordening (EU) nr. 537/2014 en conform artikel 51, aan de bevoegde autoriteiten van derde landen die één of meer bevoegdheden uitoefenen die vergelijkbaar zijn met de in artikel [2 32]2 bedoelde bevoegdheden en waarmee het College een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 51, § 1, 6° ;
  8° aan de Bank en de FSMA in hun hoedanigheid van toezichthouder op de organisaties van openbaar belang, als die informatie van belang is voor de uitoefening van hun respectieve wettelijke opdrachten;
  9° aan het Instituut in de [2 in de artikelen 11, § 2, 26, 41 en 74]2 bedoelde gevallen;
  10° aan het CEAOB als bedoeld in artikel 30 van verordening (EU) nr. 537/2014.
  Het College kan de beslissing om bij de rechterlijke overheden aangifte te doen van strafrechtelijke misdrijven, openbaar maken;
  [1 11° binnen de grenzen van de Europese Richtlijnen en Verordeningen, aan de Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit.]1
  § 2. Het College mag vertrouwelijke informatie enkel meedelen [1 overeenkomstig § 1, 5° tot 11° ]1 als de autoriteiten of instellingen die er de geadresseerde van zijn, die informatie gebruiken voor de uitvoering van hun opdrachten, en als zij, wat die informatie betreft, aan een gelijkwaardig beroepsgeheim zijn gebonden als bedoeld in artikel 44. Bovendien mag de informatie die afkomstig is van een autoriteit van een andere lidstaat enkel met de uitdrukkelijke instemming van die autoriteit worden doorgegeven aan de autoriteiten of instellingen van derde landen in de gevallen als bedoeld in § 1, 7°, en, in voorkomend geval, enkel voor de doeleinden waarmee die autoriteit heeft ingestemd.
  § 3. Het College mag de vertrouwelijke informatie waarover het beschikt, gebruiken voor de uitvoering van al zijn opdrachten als bedoeld in artikel 33.
  § 4. Artikelen 44 en 80, § 1, zijn niet van toepassing op de mededeling van informatie aan het College die is voorgeschreven of toegestaan door de wettelijke of reglementaire bepalingen die de opdrachten van het College regelen.
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/10, art. 109, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>
  (2)<W 2019-05-02/28, art. 97, 005; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Afdeling 3. - Nationale, Europese en internationale samenwerking

  Art. 46. § 1. De minister bevoegd voor Economie, de Hoge Raad, het College en de sanctiecommissie werken samen wanneer dat nodig is voor de vervulling van hun respectieve opdrachten zoals bepaald door of krachtens deze wet of de wet van 2 augustus 2002. Zij verlenen elkaar onderling assistentie.
  § 2. Het College en het Instituut kunnen een overeenkomst sluiten waarin de modaliteiten voor hun samenwerking en onderlinge informatie-uitwisseling worden vastgesteld.
  § 3. De Koning kan bijkomende voorwaarden van nationale samenwerking bepalen. Hij bepaalt inzonderheid de voorwaarden voor de samenwerking tussen de Hoge Raad en het College met het oog op het verzekeren van de vertegenwoordiging in het CEAOB wanneer het CEAOB normatieve aspecten behandelt.

  Art. 47.§ 1. Onverminderd artikel 44 werkt het College samen met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten [1 ...]1 die verantwoordelijk zijn voor de toekenning van de hoedanigheid, de registratie, de kwaliteitscontrole, het toezicht en de administratieve maatregelen en sancties, en met ESMA, EBA en EIOPA binnen de grenzen van richtlijn 2006/43/EG en verordening (EU) nr. 537/2014 wanneer dat nodig is voor de vervulling van hun respectieve verantwoordelijkheden en opdrachten uit hoofde van deze wet, richtlijn 2006/43/EG en verordening (EU) nr. 537/2014.
  Het College beschikt daartoe inzonderheid over de ter zake door deze wet verleende bevoegdheden. Het College verleent assistentie aan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten. Het wisselt inzonderheid informatie uit en werkt samen met de andere bevoegde autoriteiten in het kader van onderzoeken of toezichtsactiviteiten, inclusief controles ter plaatse.
  § 2. Wanneer het College informatie verstrekt in het kader van de samenwerking, kan het verduidelijken dat die informatie niet openbaar mag worden gemaakt zonder zijn expliciete toestemming, of uitsluitend voor de doeleinden waarmee het heeft ingestemd.
  § 3. Het College verstrekt op verzoek en zonder onnodige vertraging alle informatie die voor het in paragraaf 1 genoemde doel noodzakelijk is. Indien nodig, stelt het College, wanneer het een dergelijk verzoek ontvangt, zonder onnodige vertraging de maatregelen vast die vereist zijn om de gevraagde informatie te verzamelen. De aldus verstrekte informatie valt onder het beroepsgeheim waartoe eenieder is gehouden die bij de bevoegde autoriteit die de informatie ontvangt, werkzaam is of is geweest.
  Indien het College niet bij machte is om de gevraagde informatie zonder onnodige vertraging te verstrekken, stelt het de verzoekende bevoegde autoriteit in kennis van de redenen daarvan.
  Het College kan weigeren om gevolg te geven aan een verzoek om informatie indien:
  1° het verstrekken van die informatie gevaar zou kunnen opleveren voor de soevereiniteit, de veiligheid of de openbare orde van België, of in strijd zou zijn met de nationale veiligheidsvoorschriften; of
  2° met betrekking tot dezelfde handelingen en tegen dezelfde personen al een gerechtelijke procedure is ingeleid bij de Belgische autoriteiten; of
  3° voor dezelfde handelingen en tegen dezelfde personen al een onherroepelijke uitspraak is gedaan door de bevoegde Belgische autoriteiten.
  Onverminderd zijn verplichtingen in het kader van gerechtelijke procedures, mag het College dat op grond van paragraaf 1 informatie ontvangt, die uitsluitend gebruiken voor de uitoefening van zijn functies in de zin van deze wet alsook in het kader van bestuursrechtelijke of gerechtelijke procedures die specifiek met de uitoefening van die functies verband houden.
  § 4. Wanneer het College vaststelt dat er op het grondgebied van een andere lidstaat handelingen worden of zijn uitgevoerd die strijdig zijn met de bepalingen van richtlijn 2006/43/EG en verordening (EU) nr. 537/2014, geeft het hiervan op zo specifiek mogelijke wijze kennis aan de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat.
  Wanneer het College er door een autoriteit van een andere lidstaat in kennis van wordt gesteld dat er in België handelingen worden of zijn uitgevoerd die strijdig zijn met de bepalingen van richtlijn 2006/43/EG en verordening (EU) nr. 537/2014, neemt het de nodige maatregelen en stelt het de kennisgevende bevoegde autoriteit van het eindresultaat daarvan in kennis, alsook, voor zover mogelijk, van belangrijke tussentijdse ontwikkelingen.
  § 5. Het College kan verzoeken dat door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat een onderzoek wordt verricht op het grondgebied van die lidstaat.
  Verder kan het verzoeken dat aan een aantal van haar personeelsleden toestemming wordt verleend om de personeelsleden van de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat gedurende het onderzoek te vergezellen.
  § 6. Wanneer het College door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat wordt verzocht om in België een onderzoek te verrichten of om toestemming te verlenen om de personeelsleden van het College gedurende het onderzoek te vergezellen, geeft het daaraan gevolg in het kader van zijn bevoegdheden:
  1° door zelf de controle of het onderzoek te verrichten;
  2° door de verzoekende autoriteit toestemming te geven om rechtstreeks tot de controle of het onderzoek over te gaan.
  Het onderzoek wordt volledig onder het toezicht van de Belgische autoriteiten geplaatst.
  Het College kan een verzoek om een onderzoek uit te voeren, of een verzoek dat leden van zijn personeel worden vergezeld door personeelsleden van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat zoals bedoeld in het eerste lid, van de hand wijzen indien:
  1° een dergelijk onderzoek gevaar zou kunnen opleveren voor de soevereiniteit, de veiligheid of de openbare orde van België, of in strijd zou zijn met de nationale veiligheidsvoorschriften; of
  2° met betrekking tot dezelfde handelingen en tegen dezelfde personen al een gerechtelijke procedure is ingeleid bij de Belgische autoriteiten; of
  3° tegen dezelfde bedrijfsrevisoren voor dezelfde handelingen al een onherroepelijke uitspraak is gedaan door de bevoegde Belgische autoriteiten.
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/47, art. 87, 003; Inwerkingtreding : 15-09-2018>

  Art. 48. Het College neem deel aan de colleges als bedoeld in artikel 32 van verordening (EU) nr. 537/2014.

  Art. 49. Het College verstrekt het CEAOB jaarlijks geaggregeerde informatie over alle administratieve maatregelen en geldboetes die overeenkomstig artikel 59 zijn opgelegd.
  Het College deelt de in artikel 59, § 1, eerste lid, 2° en 4°, bedoelde verboden onverwijld aan het CEAOB mee.

  Art. 50.De Koning kan bijkomende regelingen bepalen voor de samenwerking met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten [1 ...]1.
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/47, art. 87, 003; Inwerkingtreding : 15-09-2018>

  Art. 51.§ 1. Het College bezorgt, op vraag van een bevoegde autoriteit van een derde land, controle- of andere documenten die in het bezit zijn van bedrijfsrevisoren, alsook inspectie- of onderzoeksverslagen in verband met de betrokken controles, aan die bevoegde autoriteit, als aan alle hierna volgende voorwaarden is voldaan en onder voorbehoud van paragraaf 2:
  1° die controle- of andere documenten hebben betrekking op wettelijke controles bij vennootschappen die effecten hebben uitgegeven op de kapitaalmarkt van het betrokken derde land of die deel uitmaken van een groep die in dat derde land aan het toezicht op de geconsolideerde jaarrekening is onderworpen;
  2° deze overdracht is noodzakelijk voor de uitvoering van de opdracht van publiek toezicht, onderzoek of kwaliteitscontrole die gelijkwaardig is verklaard overeenkomstig artikel 46, lid 2, van richtlijn 2006/43/EG, van de bevoegde autoriteit van het derde land;
  3° deze autoriteit voldoet aan eisen die de Europese Commissie adequaat heeft verklaard overeenkomstig artikel 47, lid 3, van richtlijn 2006/43/EG;
  4° de overdracht van persoonsgegevens gebeurt conform de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens [2 alsook, vanaf 25 mei 2018, conform de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG]2;
  5° de autoriteit of de personen die de informatie ontvangen in derde landen, zijn onderworpen aan gelijkwaardige waarborgen inzake het beroepsgeheim als deze van toepassing op het College; en
  6° een overeenkomst op basis van wederkerigheid inzake de werkregelingen is gesloten tussen het College en deze autoriteit.
  § 2. Het College kan het in paragraaf 1 bedoelde verzoek weigeren van de bevoegde autoriteit van een derde land, indien:
  1° de verstrekking van de in paragraaf 1 bedoelde documenten gevaar zou kunnen opleveren voor de soevereiniteit, de nationale veiligheid of de openbare orde van België of van de andere lidstaten [1 ...]1;
  2° in België met betrekking tot dezelfde handelingen en tegen dezelfde personen als deze bedoeld in het verzoek, al een gerechtelijke procedure, inclusief een strafrechtelijke, is ingeleid;
  3° voor dezelfde handelingen en dezelfde bedrijfsrevisoren al een onherroepelijke uitspraak is gedaan door de bevoegde Belgische autoriteiten, of
  4° voornoemde voorwaarden bedoeld in paragraaf 1 niet zijn nageleefd.
  § 3. Het College stelt de Europese Commissie in kennis van de in paragraaf 1, 6°, bedoelde werkregelingen.
  § 4. De Koning bepaalt de specifieke regelingen van samenwerking met de derde landen.
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/47, art. 87, 003; Inwerkingtreding : 15-09-2018>
  (2)<W 2018-07-30/47, art. 88, 003; Inwerkingtreding : 15-09-2018>

  Afdeling 4. - Kwaliteitscontrole, toezicht, bevoegdheden en maatregelen

  Art. 52. § 1. Het College onderwerpt de bedrijfsrevisoren minstens om de zes jaar aan een kwaliteitscontrole op basis van een risico-analyse.
  De kwaliteitscontrole is een onderzoeksprocedure van de professionele activiteit van een bedrijfsrevisor. Die controle heeft onder meer tot doel na te gaan of de gecontroleerde bedrijfsrevisor over een organisatie beschikt die aangepast is aan de aard en de omvang van zijn activiteiten. Verder strekt de controle ertoe het publiek en de toezichthouders ervan te overtuigen dat de bedrijfsrevisoren hun activiteiten verrichten overeenkomstig de controlenormen en de toepasselijke deontologische regels.
  De kwaliteitsbeoordeling berust op een analyse van de door het bedrijfsrevisorenkantoor uitgewerkte maatregelen met betrekking tot het intern kwaliteitscontrolesysteem en van de doeltreffendheid van dat intern kwaliteitscontrolesysteem.
  De kwaliteitsbeoordeling, op basis van een adequate toetsing van een selectie van controledossiers, omvat een evaluatie van:
  1° de naleving van de toepasselijke wettelijke, reglementaire en normatieve bepalingen, inclusief de naleving van de onafhankelijkheidseisen;
  2° de kwantiteit en kwaliteit van de ingezette middelen in het kader van het gecontroleerde dossier;
  3° de door de bedrijfsrevisor in rekening gebrachte honoraria voor controles en de eventuele honoraria voor non-auditdiensten;
  4° de naleving van de verplichting inzake permanente vorming als bedoeld in artikel 27.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt bij de bedrijfsrevisoren die de controle uitvoeren van één of meer organisaties van openbaar belang die op individuele basis meer dan één van de criteria overschrijden als bedoeld in artikel 16, § 1, van het Wetboek van Vennootschappen, op basis van een risicoanalyse minstens om de drie jaar een kwaliteitscontrole uitgevoerd.
  § 3. Het College organiseert de kwaliteitscontroles en het verloop ervan, en definieert de methodologie die bij de uitvoering van alle kwaliteitscontroles moet worden gevolgd. De methodologie en de kwaliteitsbeoordelingen zijn passend en evenredig ten opzichte van de omvang en de complexiteit van de activiteit van de beoordeelde bedrijfsrevisor.
  § 4. Het College kan één of meer inspecteurs aanstellen om de kwaliteitsbeoordeling van elke bedrijfsrevisor uit te voeren op basis van de door het College gedefinieerde methodologie.
  Bij de uitvoering van hun inspecties maken de inspecteurs gebruik van de door het College goedgekeurde controleleidraad. Het College raadpleegt de Hoge Raad minstens eenmaal per jaar alvorens de controleleidraad aan te passen.
  De inspecteurs beschikken over passende beroepskwalificaties en relevante beroepservaring op het vlak van de wettelijke controle van de jaarrekening en de financiële verslaggeving, en hebben ook een specifieke opleiding genoten op het vlak van de kwaliteitsbeoordeling.
  De personen belast met het uitvoeren van een specifieke kwaliteitsbeoordeling worden geselecteerd volgens een objectieve procedure die is opgezet om belangenconflicten te voorkomen tussen die personen en de bedrijfsrevisor die wordt beoordeeld.
  Bij de selectie moet minstens aan volgend criterium zijn voldaan: geen enkele persoon die vennoot of werknemer van een bedrijfsrevisor is geweest, of anderszins met hem verbonden is geweest, mag minder dan drie jaar na de beëindiging van die relatie als inspecteur optreden bij een kwaliteitsbeoordeling van die bedrijfsrevisor.
  Onverminderd paragraaf 3, is (zijn) de inspecteur(s) (een) inspecteur(s) van buiten de beroepssector bij de kwaliteitsbeoordeling van een bedrijfsrevisor die de controle uitvoeren van één of meer organisaties van openbaar belang. De inspecteur(s) is (zijn) hetzij (een) personeelslid (personeelsleden) van de FSMA, hetzij (een) perso(o)n(en) die via een samenwerkingsovereenkomst met de FSMA is (zijn) verbonden.
  Onverminderd paragraaf 3 kan (kunnen) de inspecteur(s) (een) bedrijfsrevisor(en)-natuurlijk(e) perso(o)n(en) zijn in het kader van een kwaliteitsbeoordeling van een bedrijfsrevisor die bij geen enkele organisatie van openbaar belang de controle uitvoert.
  Daartoe stelt het College een lijst op van bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen op wie het een beroep kan doen om een beoordeling uit te voeren in het kader van de kwaliteitscontrole.
  Artikel 44 is van toepassing op de inspecteurs met betrekking tot de informatie waarvan zij kennis hebben genomen in het kader van de aan het College toevertrouwde opdrachten of in het kader van de verificaties, expertises of verslagen die het College hen, in het kader van zijn opdrachten als bedoeld in dit artikel, heeft gelast uit te voeren dan wel voor te leggen.
  § 5. De bevindingen en conclusies van een inspectie op basis waarvan aanbevelingen worden gedaan, worden, vóór de afronding van het inspectieverslag, meegedeeld aan en besproken met de bedrijfsrevisor bij wie de inspectie is verricht.
  § 6. Het College is bevoegd voor het aannemen van de besluiten van de kwaliteitscontrole.
  Indien na afloop van een kwaliteitscontrole aanbevelingen worden geformuleerd, gaat het College na of de bedrijfsrevisoren de geformuleerde aanbevelingen opvolgen binnen de termijn die het oplegt. Als de bedrijfsrevisor de aan hem gerichte aanbevelingen niet opvolgt, kan dat, in voorkomend geval, in functie van de ernst van de vastgestelde tekortkomingen, aanleiding geven tot het opleggen van maatregelen als bedoelde in artikel 57 en/of administratieve maatregelen of geldboetes als bedoeld in artikel 59.
  § 7. Het College maakt jaarlijks de algemene geaggregeerde resultaten van de kwaliteitscontrole openbaar.
  § 8. De nadere regels inzake de organisatie van de kwaliteitscontrole worden door de Koning bepaald.

  Art. 53. § 1. Voor de toepassing van artikel 32 ziet het College er met name op toe dat de bedrijfsrevisoren, in het kader van de hun toevertrouwde opdrachten, de toepasselijke wettelijke, reglementaire en normatieve verplichtingen naleven.
  § 2. Het College onderzoekt de klachten die het ontvangt, tenzij zij klaarblijkelijk onontvankelijk zouden zijn.
  § 3. Het College organiseert het toezicht en het verloop daarvan, en definieert de methodologie die bij de uitvoering van die toezichtstaak moet worden toegepast.
  § 4. Elke bedrijfsrevisor tegen wie een tucht, gerechtelijke of administratieve procedure loopt die betrekking heeft op de uitoefening van zijn beroep, moet het College hierover binnen de maand na de inleiding van de procedure inlichten. In het geval van een strafprocedure brengt de bedrijfsrevisor het College daarvan op de hoogte vanaf het ogenblik waarop hij in staat van beschuldiging is gesteld.
  De bedrijfsrevisor stelt het College ook in kennis van de tucht, administratieve of strafrechtelijke sancties die hem werden opgelegd door een autoriteit of een beroepsvereniging die in België, in een lidstaat of in een derde land, wat zijn beroepsactiviteiten betreft, gelijkaardige functies uitoefent als die van de Belgische Staat of van het College. Deze mededeling heeft plaats uiterlijk een maand nadat de bedoelde beslissingen definitief zijn geworden.
  § 5. Het College organiseert het toezicht op de geregistreerde auditkantoren voor wat de in België verrichte opdrachten van de wettelijke controle van de jaarrekening betreft.
  § 6. De Koning kan de modaliteiten bepalen van de organisatie van het toezicht op de bedrijfsrevisoren.

  Art. 54.§ 1. Voor de toepassing van artikel 32 kan het College
  1° toegang krijgen tot de gegevens in verband met de wettelijke controle van de jaarrekening of tot andere documenten, in welke vorm ook, die de bedrijfsrevisoren in hun bezit hebben en die relevant zijn voor de uitvoering van hun opdrachten, en het recht hebben om daarvan een kopie te ontvangen of te nemen;
  2° van iedere persoon informatie en documenten verkrijgen in verband met de wettelijke controle van de jaarrekening;
  3° binnen een termijn die het vastlegt, de voorlegging verkrijgen van bedrijfsrevisoren van elke informatie, elke verklaring of elk document, en meer in het bijzonder van:
  - de lijsten van de door hen aanvaarde revisorale opdrachten,
  - hun werkprogramma's en werkdocumenten,
  - elke informatie, elke verklaring of elk document over hun verbanden met andere personen die deel uitmaken van hun netwerk en die al dan niet in een lidstaat of in een derde land de hoedanigheid van wettelijke auditor, auditkantoor, auditor of auditorganisatie van een derde land hebben, en de opdrachten die door deze personen zijn aanvaard in een vennootschap, onderneming of vereniging waarin de bedrijfsrevisor een opdracht, waarvan de uitoefening is voorbehouden aan de bedrijfsrevisoren, vervult of heeft vervuld; en
  4° inspecties ter plaatse uitvoeren bij bedrijfsrevisoren, alsook ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk document, elk gegevensbestand en elke registratie, en toegang hebben tot elk informaticasysteem.
  Het College oefent de in het eerste lid bedoelde onderzoeksbevoegdheden op passende en met de omvang en de complexiteit van de activiteit van de betrokken bedrijfsrevisor evenredige wijze uit.
  Het College kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden alleen uitoefenen voor de in [1 artikel 32]1 bedoelde doelstellingen en ten aanzien van:
  1° de bedrijfsrevisoren en de auditkantoren;
  2° de personen die betrokken zijn bij de activiteiten van de bedrijfsrevisoren;
  3° de gecontroleerde organisaties van openbaar belang, de met hen verbonden entiteiten, en de met die entiteiten gelieerde derden;
  4° derden waaraan de bedrijfsrevisoren bepaalde functies of activiteiten hebben uitbesteed; en
  5° personen die anderszins gelieerd of verbonden zijn met de bedrijfsrevisoren.
  § 2. Voor de toepassing van [1 artikel 32]1 en in het bijzonder bij de kwaliteitscontrole van een bedrijfsrevisor die de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening verricht, of bij de uitvoering van de in artikel 53 bedoelde toezichtstaken met betrekking tot de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening van een groep van ondernemingen, stelt de groepsauditor het College, op zijn verzoek, de relevante documentatie ter beschikking die hij bijhoudt over de controlewerkzaamheden die, voor de doeleinden van de groepscontrole, zijn verricht door de auditor of auditors van derde landen, wettelijke auditors, auditorganisaties van derde landen of auditkantoren, met inbegrip van eventuele werkdocumenten die relevant zijn voor de groepscontrole.
  Het College kan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten, overeenkomstig artikel 47, om aanvullende documentatie verzoeken over de controlewerkzaamheden die voor het doel van de groepscontrole zijn verricht door wettelijke auditor(s) of auditkanto(o)r(en).
  Wanneer een moederonderneming of een dochteronderneming van een groep van ondernemingen wordt gecontroleerd door (een) auditor(s) of (een) auditorganisatie(s) van derde landen, kan het College de betrokken bevoegde autoriteiten van derde landen verzoeken om aanvullende documentatie over de controlewerkzaamheden die zijn verricht door (een) auditor(s) van een derde land of (een) auditorganisatie(s) van een derde land, door middel van de overeenkomst inzake de werkregelingen als bedoeld in artikel 51.
  In afwijking van het derde lid, is de groepsauditor, wanneer een moederonderneming of een dochteronderneming van een groep van ondernemingen wordt gecontroleerd door (een) auditor(s) of (een) auditorganisatie(s) van een derde land waarmee geen overeenkomst inzake de werkregeling als bedoeld in artikel 51 werd gesloten, op verzoek ook verantwoordelijk voor het waarborgen van een correcte levering van de aanvullende documentatie over de door (een) dergelijke auditor(s) of auditorganisatie(s) van derde landen verrichte controlewerkzaamheden, met inbegrip van de werkdocumenten die relevant zijn voor de groepscontrole. Om deze levering te verzekeren, behoudt de groepsauditor een kopie van deze documentatie of komt hij met de auditor(s) of de auditorganisatie(s) van derde landen overeen dat hij op verzoek onbeperkte toegang heeft tot dergelijke documentatie, of neemt hij andere passende maatregelen. Wanneer controledocumenten om juridische of andere redenen niet door een derde land kunnen worden doorgegeven aan de groepsauditor, omvat de door de groepsauditor bewaarde documentatie, bewijs dat hij de juiste procedures heeft gevolgd om toegang te krijgen tot de controledocumenten, alsook bewijs van eventuele niet-juridische beletsels die voortvloeien uit de wetgeving van het betrokken derde land.
  § 3. Het College kan de rechterlijke overheden verzoeken alle informatie en documenten te verzamelen die nuttig worden geacht voor de in paragraaf 1 bedoelde doeleinden. De rechterlijke overheden delen deze informatie en documenten aan het College mee, met dien verstande dat de informatie en documenten met betrekking tot hangende gerechtelijke procedures niet kunnen worden meegedeeld zonder de uitdrukkelijke toestemming van de Procureur-generaal.
  De bevoegde Procureur-generaal kan weigeren om gevolg te geven aan het in het eerste lid bedoelde verzoek wanneer al een gerechtelijke procedure is ingesteld wegens dezelfde feiten en tegen dezelfde personen of wanneer met betrekking tot die personen al een definitieve uitspraak is gedaan wegens dezelfde feiten.
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/47, art. 89, 003; Inwerkingtreding : 15-09-2018>

  Art. 54/1. [1 Voor de in artikel 54, § 1, eerste lid, 1°, 2° en 3°, bedoelde doelstellingen beschikt de secretaris-generaal over de bevoegdheid om iedere persoon als bedoeld in artikel 54, § 1, derde lid, op te roepen en te verhoren volgens de hieronder bepaalde regels.
   De oproeping voor een verhoor door de secretaris-generaal gebeurt hetzij door gewone kennisgeving, hetzij door een ter post aangetekende brief, hetzij door een dagvaarding.
   Eenieder die met toepassing van het eerste lid wordt opgeroepen, is gehouden te verschijnen.
   Bij het verhoor van personen, ongeacht in welke hoedanigheid, neemt de secretaris-generaal ten minste de volgende regels in acht:
   1° ieder verhoor begint met de mededeling aan de verhoorde persoon:
   a) dat hij kan vragen dat alle vragen die hem worden gesteld en alle antwoorden die hij geeft, in de gebruikte bewoordingen worden genoteerd;
   b) dat hij kan vragen dat een bepaalde onderzoekshandeling wordt verricht of een bepaald verhoor wordt afgenomen;
   c) dat zijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt;
   2° eenieder die wordt verhoord, mag gebruik maken van de documenten in zijn bezit, zonder dat het verhoor daardoor wordt uitgesteld. Hij mag, tijdens de ondervraging of later, eisen dat deze documenten bij het proces-verbaal van het verhoor worden gevoegd;
   3° aan het einde van het verhoor geeft de ondervrager de ondervraagde persoon het proces-verbaal van zijn verhoor ter nalezing, tenzij laatstgenoemde vraagt dat het hem wordt voorgelezen. Er wordt hem gevraagd of hij zijn verklaringen wil verbeteren of er iets wil aan toevoegen;
   4° indien de ondervraagde persoon zich in een andere taal dan die van de procedure wenst uit te drukken, worden zijn verklaringen genoteerd in zijn taal, ofwel wordt hem gevraagd zijn verklaring zelf te noteren;
   5° er wordt de ondervraagde persoon meegedeeld dat hij kosteloos een kopie van de tekst van zijn verhoor kan verkrijgen, die hem, desgevraagd, onmiddellijk of binnen een maand wordt overhandigd of verstuurd.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-07-30/47, art. 90, 003; Inwerkingtreding : 15-09-2018>
  

  Art. 54/2. [1 De bepalingen van de artikelen 57, 59 en 60 zijn van toepassing bij niet-naleving van de krachtens artikel 54/1 opgelegde verplichtingen of maatregelen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-07-30/47, art. 91, 003; Inwerkingtreding : 15-09-2018>
  

  Art. 54/3.[1 § 1. Onverminderd de uitzonderingen bedoeld in de artikelen 14, lid 5, met name punten c) en d), 17, lid 3, punt b), 18, lid 2, en 20, lid 3, van Verordening 2016/679, wordt, teneinde de doelstellingen te waarborgen van artikel 23, lid 1, punten d), e), g) en h), van de voornoemde verordening, de uitoefening van de rechten bedoeld in de artikelen 12 (transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene), 13 (te verstrekken informatie wanneer persoonsgegevens bij de betrokkene worden verzameld), 15 (recht van inzage), 16 (recht op rectificatie), 19 (kennisgevingsplicht inzake rectificatie of wissing van persoonsgegevens of verwerkingsbeperking), 21 (recht van bezwaar) en 34 (mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene) van deze verordening volledig beperkt voor verwerkingen van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4, lid 1, van dezelfde verordening die het College uitvoert als verwerkingsverantwoordelijke die belast is met taken van algemeen belang, met taken die betrekking hebben op de voorkoming en de opsporing van strafbare feiten, en van schendingen van de beroepscodes voor gereglementeerde beroepen alsook met taken op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag :
   a) met het oog op de uitoefening van de opdrachten die worden opgesomd in artikel 32 van deze wet, of van enige andere opdracht die aan het College wordt toegekend op grond van een andere bepaling van nationaal of Europees recht, wanneer die gegevens niet bij de betrokkene zijn verkregen; en
   b) in het kader van de procedures voor het opleggen van administratieve maatregelen en geldboetes die worden gevoerd met toepassing van de artikelen 56, 58 en 59, van deze wet, voor zover de desbetreffende persoonsgegevens verband houden met het voorwerp van het onderzoek of de controle.
   De in het eerste lid, a) bedoelde afwijkingen gelden zolang de betrokkene in voorkomend geval geen wettelijke toegang heeft verkregen tot het hem betreffend administratief dossier dat wordt bijgehouden door het College en dat de desbetreffende persoonsgegevens bevat.
   § 2. Artikel 5 van Verordening 2016/679 is niet van toepassing op de verwerkingen van persoonsgegevens door het College in dezelfde gevallen als die waarvan sprake in paragraaf 1, voor zover de bepalingen van dit artikel overeenstemmen met de rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22 van Verordening 2016/679.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2018-07-30/10, art. 110, 002; Inwerkingtreding : 20-08-2018>

  Art. 55. Het College kan, ten aanzien van de bedrijfsrevisoren of het Instituut, de regels vastleggen inzake de verslaggeving die periodiek of systematisch aan het College moet worden overgemaakt in verband met de activiteiten onder zijn toezicht.
  De betrokken personen of entiteiten zijn verplicht om deze informatie of documenten aan het College over te maken binnen de termijn en in de vorm bepaald door het College.

  Art. 56.§ 1. Indien de secretaris-generaal bij de uitoefening van zijn functie, inzonderheid op het vlak van de kwaliteitscontrole en het toezicht, ernstige aanwijzingen vaststelt van het bestaan van een praktijk die aanleiding kan geven tot het opleggen van een administratieve maatregel of een administratieve geldboete als bedoeld in artikel 59, ziet hij erop toe de beginselen en de verplichtingen die, in het stadium van het onderzoek, gelden met betrekking tot, naargelang het geval, administratieve maatregelen of sancties na te leven. [1 ...]1
  [1 § 1/1. Bij de uitoefening van zijn opdracht kan de secretaris-generaal, en in zijn afwezigheid de adjunct-secretaris-generaal, alle onderzoeksbevoegdheden uitoefenen die aan het College zijn toevertrouwd door de bepalingen van het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader.
   § 1/2. Nadat het onderzoek is afgerond, wordt een voorlopig onderzoeksverslag opgesteld dat aanduidt of de vastgestelde feiten aanleiding kunnen geven tot de oplegging van een administratieve maatregel of geldboete als bedoeld in artikel 59, dan wel of zij een strafrechtelijke inbreuk kunnen vormen. De secretaris-generaal, of in zijn afwezigheid de adjunct-secretaris-generaal, stuurt een kopie van het relaas der feiten aan de betrokken partijen die over een termijn van een maand beschikken om hun opmerkingen kenbaar te maken. De partijen kunnen de secretaris-generaal, of in zijn afwezigheid de adjunct-secretaris-generaal, tevens verzoeken bijkomende onderzoeksdaden te stellen. Als de secretaris-generaal, of in zijn afwezigheid de adjunct-secretaris-generaal, meent geen gevolg te moeten verlenen aan dat verzoek, vermeldt hij de reden daartoe in zijn onderzoeksverslag. De secretaris-generaal, of in zijn afwezigheid de adjunct-secretaris-generaal, brengt het College op de hoogte van het definitief verslag.]1
  § 2. Het Comité beslist over het gevolg dat het aan het verslag van de secretaris-generaal geeft.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 98, 005; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 57. § 1. Onverminderd de overige maatregelen bepaald door de wet, kan het College elke persoon als bedoeld in artikel 54, § 1, derde lid, een termijn opleggen waarbinnen deze zich dient te conformeren aan sommige bepalingen van het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader, en dient af te zien van herhaling van die gedraging.
  In geval van hoogdringendheid kan het College, voor deze termijn, de uitoefening van de volledige of van een deel van de activiteit door de bedrijfsrevisor verbieden en de inschrijving in het register schorsen.
  Als de betrokken persoon in gebreke blijft bij afloop van de hem opgelegde termijn, kan het College, na hem te hebben gehoord of ten minste behoorlijk te hebben opgeroepen,
  1° zijn standpunt met betrekking tot de krachtens het eerste lid gedane vaststellingen bekendmaken;
  2° de betaling van een dwangsom opleggen die, noch meer mag bedragen dan 50.000 euro, per kalenderdag waarop de aanmaning niet wordt nageleefd, noch in totaal 2.500.000 euro mag overschrijden, of
  3° de bedrijfsrevisor gelasten zich voorlopig te onthouden van iedere beroepsmatige dienstverlening of van bepaalde dienstverlening. Die maatregel is van toepassing gedurende de door het College bepaalde periode. Hij houdt van rechtswege op uitwerking te hebben als de sanctiecommissie niet binnen zes maanden na het opleggen van deze maatregel is geadieerd met aanwijzingen, feiten of tenlasteleggingen die de maatregel rechtvaardigen. Zijn effecten houden eveneens van rechtswege op wanneer de beslissing van de sanctiecommissie inzake deze aanwijzingen, feiten of tenlasteleggingen in kracht van gewijsde is gegaan.
  § 2. Indien het College een verbod uitspreekt in de zin van paragraaf 1, tweede lid, kan het zelf, op kosten van de bedrijfsrevisor, overgaan tot de publicatie van de maatregelen die het de bedrijfsrevisor oplegt, in de dagbladen en publicaties van zijn keuze en op de plaatsen en voor de duur die het vaststelt. Het College kan ook beslissen om die maatregelen te publiceren op internet, in voorkomend geval, op de wijze als bepaald in artikel 72, § 3, vierde tot zevende lid, van de wet van 2 augustus 2002.
  § 3. Wanneer een dwangsom die door het College is opgelegd op grond van het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader wordt verbeurd, maakt het College zijn beslissing tot oplegging van de dwangsom en de redenen hiervan, alsook de verbeuring van de dwangsom bekend op internet, volgens de modaliteiten en onder de voorwaarden die mutatis mutandis in artikel 72, § 3, vierde tot zevende lid, van de wet van 2 augustus 2002 worden bedoeld.
  § 4. Bij niet-naleving door een bedrijfsrevisor van een in paragraaf 1, tweede lid bedoelde schorsing of een in paragraaf 1, derde lid, 3°, bedoelde aanmaning om zich voorlopig van iedere beroepsmatige dienstverlening of van bepaalde dienstverlening te onthouden, kan een in paragraaf 1, derde lid, 2°, bedoelde dwangsom en een in artikel 59, paragraaf 1, 8°, bedoelde administratieve geldboete worden opgelegd.
  § 5. Onverminderd de overige maatregelen waarvan sprake in deze wet, kan het College, wanneer de feiten die de bedrijfsrevisor worden verweten, hoewel zij vaststaan, de oplegging van een in paragraaf 1 bedoelde termijn niet verantwoorden, de bedrijfsrevisor terechtwijzen.

  Art. 58. Indien het College beslist om, met toepassing van artikel 56, § 2, een procedure in te stellen die tot het opleggen van een administratieve maatregel of een administratieve geldboete kan leiden, stelt het de betrokken personen in kennis van de grieven en legt het hen het verslag van de secretaris-generaal over.
  Het College maakt de kennisgeving van de grieven over aan de voorzitter van de sanctiecommissie.
  Indien één van de in een kennisgeving vermelde grieven een strafrechtelijke inbreuk kan uitmaken, maakt het College deze kennisgeving over aan de bevoegde procureur des Konings. Het College kan beslissen om zijn beslissing openbaar te maken.
  Wanneer de procureur des Konings beslist een strafvordering in te stellen met betrekking tot de feiten waarop de kennisgeving van de grieven slaat, stelt hij het College daarvan onverwijld in kennis. De procureur des Konings kan het College ambtshalve of op verzoek van deze laatste, een kopie bezorgen van alle stukken die verband houden met de procedure met betrekking tot de feiten die zijn overgemaakt.
  Tegen de beslissing om een kennisgeving van de grieven over te maken aan de voorzitter van de sanctiecommissie, om kennisgeving van de grieven over te leggen aan de procureur des Konings of om die laatste beslissing openbaar te maken, kan geen beroep worden ingesteld.

  Art. 59.§ 1. Onverminderd de overige maatregelen bepaald door deze wet, is de sanctiecommissie van de FSMA het bevoegde orgaan voor het opleggen van administratieve maatregelen en geldboetes bij een inbreuk op de toepasselijke wettelijke, reglementaire en normatieve bepalingen. Onverminderd de overige maatregelen waarvan sprake in deze wet, kan de sanctiecommissie van de FSMA, indien zij, overeenkomstig artikel 58 en met naleving van de procedure als bedoeld in hoofdstuk III, afdeling 5, van de wet van 2 augustus 2002, met uitzondering van de artikelen 70 en 71, een inbreuk vaststelt op de toepasselijke wettelijke, reglementaire en normatieve bepalingen, de volgende maatregelen nemen ten aanzien van de bedrijfsrevisoren en
  - met betrekking tot de bepaling onder 6°, ten aanzien van een lid van het leidinggevend of bestuursorgaan van een organisatie van openbaar belang, en
  - met betrekking tot de bepaling onder 8°, ten aanzien van de persoon die de beroepswerkzaamheid van bedrijfsrevisor uitoefent in België, zonder daartoe erkend te zijn:
  1° een waarschuwing;
  2° een berisping;
  3° een openbare verklaring op de website van de FSMA, waarin de naam van de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon en de aard van de inbreuk worden vermeld;
  4° een tijdelijk verbod van maximaal drie jaar voor de bedrijfsrevisor, het geregistreerde auditkantoor of de vaste vertegenwoordiger om iedere beroepsmatige dienstverlening of bepaalde dienstverlening te verrichten;
  5° een openbare verklaring dat het controleverslag niet voldoet aan de eisen van artikel 28 van de richtlijn [1 2006/43/EG]1 of, in voorkomend geval, van artikel 10 van verordening (EU) nr. 537/2014;
  6° een tijdelijk verbod van maximaal drie jaar voor een lid van een bedrijfsrevisorenkantoor of van een leidinggevend of bestuursorgaan van een organisatie van openbaar belang om functies in bedrijfsrevisorenkantoren of organisaties van openbaar belang te bekleden;
  7° de intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor;
  8° een administratieve geldboete die niet meer mag bedragen dan 2.500.000 euro voor hetzelfde feit of geheel van feiten. Wanneer de inbreuk de overtreder een vermogensvoordeel heeft opgeleverd of hem in staat heeft gesteld een verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het drievoud van het bedrag van dat voordeel of dat verlies.
  De tijdelijke schorsingen als bedoeld in de bepalingen onder 4° en 6° gaan in op de dag waarop die schorsing ter kennis wordt gebracht van de persoon die wordt geschorst.
  Wanneer de sanctiecommissie een in de bepaling onder 4° bedoeld tijdelijk verbod oplegt aan een bedrijfsrevisor, geregistreerd auditkantoor of vaste vertegenwoordiger, die (dat) zich, op de dag van de kennisgeving van dat tijdelijke verbod, voorlopig van iedere beroepsmatige dienstverlening of van bepaalde dienstverlening onthoudt ingevolge een in artikel 57, § 1, derde lid, 3°, bedoelde aanmaning om zich voorlopig van iedere beroepsmatige dienstverlening of van bepaalde dienstverlening te onthouden, dat op grond van dezelfde feiten is uitgesproken, wordt het opgelegde tijdelijke verbod geacht te zijn ingegaan op de dag van de kennisgeving van de aanmaning om zich tijdelijk van iedere beroepsmatige dienstverlening of van bepaalde dienstverlening te onthouden.
  De sanctiecommissie stelt het College in kennis van de op basis van dit artikel genomen beslissingen.
  § 2. Bij verwijzing van een bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon naar de sanctiecommissie kan het bedrijfsrevisorenkantoor dat deze revisor, in voorkomend geval, vertegenwoordigt, enkel wegens een onderscheiden fout in hoofde van het bedrijfsrevisorenkantoor zelf worden doorverwezen.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 99, 005; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 60. De dwangsommen opgelegd met toepassing van artikel 57 en de administratieve geldboetes opgelegd met toepassing van artikel 59, worden ten voordele van de Schatkist geïnd door de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen.

  Afdeling 5. - Verhaalmiddelen

  Art. 61. § 1. Tegen de in artikel 57, § 1, derde lid, 2°, bedoelde beslissingen van het College kan beroep worden ingesteld bij het Hof van Beroep van Brussel.
  § 2. Onverminderd de strengere bijzondere bepalingen bepaald door of krachtens de wet, kan door de bij het College betrokken partijen beroep zoals bedoeld in paragraaf 1 worden ingesteld.
  Onverminderd de door of krachtens de wet bepaalde bijzondere voorschriften bedraagt de beroepstermijn, op straffe van nietigheid, 30 dagen.
  De termijn voor het instellen van beroep vangt aan, voor de personen die deze kennisgeving hebben ontvangen, met de kennisgeving van de betwiste beslissing, en voor alle andere belanghebbende personen, op de datum waarop deze beslissing is gepubliceerd of hen bekend werd. Wanneer het College geen uitspraak heeft gedaan binnen de door of krachtens de wet vastgestelde termijn, vangt de termijn na afloop van die termijn aan.
  § 3. Het in paragraaf 1 bedoelde beroep moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid die ambtshalve wordt uitgesproken, worden ingesteld bij ondertekend verzoekschrift ingediend ter griffie van het Hof van Beroep van Brussel in zoveel exemplaren als er partijen zijn.
  Op straffe van niet-ontvankelijkheid bevat het verzoekschrift:
  1° de vermelding van de dag, de maand en het jaar;
  2° indien de verzoeker een natuurlijk persoon is, zijn naam, voornamen en woonplaats; indien de verzoeker een rechtspersoon is, zijn naam, zijn rechtsvorm, zijn maatschappelijke zetel en het orgaan dat hem vertegenwoordigt;
  3° de vermelding van de beslissing waarop het beroep betrekking heeft;
  4° de uiteenzetting van de middelen;
  5° de aanduiding van de plaats, de dag en het uur van de verschijning vastgesteld door de griffie van het Hof van Beroep;
  6° de inventaris van de verantwoordingsstukken die samen met het verzoekschrift ter griffie zijn neergelegd.
  Het verzoekschrift wordt door de griffie van het Hof van Beroep van Brussel ter kennis gebracht van alle partijen die door de verzoeker in het geding zijn opgeroepen.
  Op ieder ogenblik kan het Hof van Beroep van Brussel ambtshalve alle andere partijen, van wie de toestand door de beslissing over het beroep dreigt te worden beïnvloed, in het geding oproepen.
  Het Hof van Beroep van Brussel stelt de termijn vast waarbinnen de partijen elkaar hun schriftelijke opmerkingen moeten overleggen en een kopie ervan ter griffie moeten neerleggen. Het Hof bepaalt ook de datum van de debatten.
  Elk van de partijen kan haar schriftelijke opmerkingen bij de griffie van het Hof van Beroep van Brussel neerleggen en ter plaatse het dossier op de griffie raadplegen. Het Hof van Beroep van Brussel bepaalt de termijn waarbinnen die opmerkingen moeten worden overgelegd. Zij worden door de griffie ter kennis gebracht van de partijen.
  § 4. De griffie van het Hof van Beroep van Brussel vraagt aan het College, binnen de vijf dagen na de inschrijving van de zaak op de rol, de toezending van het dossier van de rechtspleging. Binnen de vijf dagen na ontvangst van de vraag moet het dossier worden toegezonden.
  § 5. Het beroep tegen een beslissing van het College als bedoeld in artikel 57, § 1, derde lid, 2°, schort de beslissing van het College op. Het opschortende karakter van het beroep is beperkt tot de inning van de dwangsom. Het opschortende karakter belet niet dat de dwangsom verbeurt en staat de bekendmaking overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen niet in de weg.

  Afdeling 6. - Strafsancties

  Art. 62.§ 1. De inbreuken op de artikelen 44 [1 ...]1 en 52, § 4, laatste lid, worden gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.
  § 2. Elk gebruik door de partij die het voorwerp is van het onderzoek van de secretaris-generaal als bedoeld in artikel 56, van de inlichtingen verkregen over het onderzoek of over de gegevens die het voorwerp uitmaken van het onderzoek, dat tot doel en tot gevolg heeft het verloop van het onderzoek te hinderen of inbreuk te plegen op het privéleven, de fysieke of morele integriteit of de goederen van een in het dossier genoemde persoon, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 460ter van het Strafwetboek.
  Elke andere persoon die zijn medewerking dient te verlenen of verleent aan het onderzoek van de secretaris-generaal als bedoeld in artikel 56, is tot geheimhouding verplicht. Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.
  § 3. De bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek, zonder uitzondering van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de in paragrafen 1 en 2 bedoelde inbreuken.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 100, 005; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Afdeling 7. - Raadgevende vergadering voor het publiek toezicht op het beroep van de bedrijfsrevisoren

  Art. 63. § 1. De raadgevende vergadering voor het publiek toezicht op het beroep van de bedrijfsrevisoren is een raadgevend forum zonder rechtspersoonlijkheid. De raadgevende vergadering vergadert regelmatig en minstens eenmaal per jaar om van gedachten te wisselen over algemene kwesties in verband met het publiek toezicht op het beroep van de bedrijfsrevisoren.
  De raadgevende vergadering mag niet ingaan op individuele dossiers waarop deze wet betrekking heeft.
  Het College, de voorzitter en de leden van het Comité en de personeelsleden van de FSMA die bijdragen tot de uitoefening van de opdrachten van het College, zijn, ten aanzien van de andere leden van de raadgevende vergadering, gebonden door het beroepsgeheim zoals gedefinieerd in artikel 44.
  § 2. Naast de voorzitter van het Comité is de raadgevende vergadering samengesteld uit:
  1° twee vertegenwoordigers benoemd door het College uit de in artikel 35, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde leden;
  2° twee vertegenwoordigers benoemd door de Hoge Raad;
  3° vier vertegenwoordigers benoemd door het Instituut;
  4° twee vertegenwoordigers van de FOD Economie.
  § 3. De Voorzitter van het Comité roept de vergaderingen van de raadgevende vergadering bijeen, zit ze voor en organiseert ze met de hulp van het secretariaat.

  HOOFDSTUK 5. - Het Instituut van de bedrijfsrevisoren

  Afdeling 1. - Doel

  Art. 64. Het Instituut waarvan de zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad is gevestigd, is bekleed met rechtspersoonlijkheid en heeft als doel om te voorzien in de bestendige organisatie van een korps specialisten die bekwaam zijn de functie van bedrijfsrevisor te vervullen met alle vereiste waarborgen inzake competentie, onafhankelijkheid en beroepseer.

  Afdeling 2. - Werking van het Instituut

  Art. 65. De Koning stelt, op voorstel van of, in voorkomend geval, na advies van het Instituut gegeven binnen een termijn van drie maanden, de reglementen vast die noodzakelijk zijn voor de werking van het Instituut en voor de verwezenlijking van zijn bij deze wet omschreven doelstellingen.
  Deze reglementen worden vastgesteld op voorstel of na advies van de Hoge Raad.

  Art. 66. De algemene vergadering van het Instituut is samengesteld, met beslissende stem, uit alle bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen en, met raadgevende stem, uit alle bedrijfsrevisorenkantoren.
  Zij kiest de voorzitter, de ondervoorzitter, de andere leden van de Raad van het Instituut en van het Instituut en de commissarissen, keurt de jaarrekening goed, verleent de Raad kwijting voor zijn bestuur, beraadslaagt over alle onderwerpen waarvoor deze wet en de reglementen haar bevoegdheid verlenen.
  De vergadering neemt bovendien, door middel van berichten, voorstellen of aanbevelingen aan de Raad van het Instituut, kennis van alle onderwerpen die het Instituut aanbelangen en die regelmatig zijn voorgelegd.
  De beslissingen van de algemene vergadering zijn in België bindend voor alle bedrijfsrevisoren en stagiairs. Zij worden genomen bij meerderheid van de aanwezige of vertegenwoordigde bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen. Elke bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon heeft recht op één stem. De bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen kunnen aan een andere bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon schriftelijk volmacht geven om op de algemene vergadering in hun plaats te stemmen. Elke bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon kan houder zijn van ten hoogste twee volmachten.

  Art. 67. De algemene vergadering komt ten minste éénmaal per jaar bijeen. De datum en de modaliteiten van deze bijeenkomst worden in het huishoudelijk reglement bepaald.
  De Raad van het Instituut kan, telkens als hij het nuttig acht, de algemene vergadering bijeenroepen. Hij dient dit te doen wanneer één vijfde van de bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen het schriftelijk aanvraagt, met aanduiding van het onderwerp dat de betrokken bedrijfsrevisoren op de agenda geplaatst wensen te zien.
  De oproepingen voor de gewone algemene vergadering worden ten minste vijftien dagen vóór de vergadering verzonden, en de oproepingen voor de buitengewone algemene vergaderingen ten minste acht dagen vóór de vergadering; zij vermelden de agenda.
  De rekeningen worden opgemaakt volgens de bepalingen van het huishoudelijk reglement en bij uittreksel ter kennis gebracht van de bedrijfsrevisoren. Zij moeten door de penningmeester, gedurende de vijftien dagen die aan de algemene vergadering voorafgaan, ten zetel van het Instituut ter inzage worden gelegd voor de bedrijfsrevisoren.

  Art. 68. § 1. Het Instituut staat onder de leiding van een Raad, samengesteld uit:
  1° een voorzitter en een ondervoorzitter, die bij geheime stemming door de algemene vergadering voor drie jaar onder de bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen worden gekozen. Hun mandaat, dat verstrijkt op de dag zelf van de jaarlijkse algemene vergadering, kan éénmaal worden hernieuwd. Indien de voorzitter Franstalig is, moet de ondervoorzitter verplicht Nederlandstalig zijn of omgekeerd;
  2° twaalf leden, zes Franstalige en zes Nederlandstalige, die door de algemene vergadering, bij een van de vorige stemming verschillende geheime stemming voor drie jaar onder de bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen worden gekozen. Hun mandaat dat eindigt op dezelfde dag als de jaarlijkse algemene vergadering, kan worden hernieuwd.
  § 2. Onder deze twaalf leden wijst de Raad van het Instituut een Franstalige en een Nederlandstalige secretaris aan; één van beiden zal er door de Raad van het Instituut mee worden gelast ook het ambt van penningmeester waar te nemen.
  § 3. De beslissingen van de Raad van het Instituut worden bij meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is die van de voorzitter beslissend.
  § 4. Elke beslissing van de Raad van het Instituut die betrekking heeft op één welbepaalde persoon, wordt met redenen omkleed.

  Art. 69. § 1. De Raad van het Instituut vertegenwoordigt het Instituut bij rechtshandelingen en bij rechtsvorderingen, hetzij als eiser of als verweerder. De voorzitter of de ondervoorzitter kunnen optreden namens de Raad van het Instituut.
  § 2. Hij garandeert de werking van het Instituut overeenkomstig deze wet en de reglementen.
  § 3. Hij bezit alle bestuurs- en beschikkingsbevoegdheden, die hem niet door deze wet of de reglementen worden ontnomen. De reglementen met het oog op de inrichting of de beperking van die bevoegdheden kunnen slechts tegenstelbaar worden gesteld aan derden in zover het koninklijk besluit, waarbij zij worden vastgesteld, in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
  § 4. De Raad van het Instituut vertrouwt het dagelijks bestuur toe aan verscheidene leden, die, onder leiding van de voorzitter van het Instituut en onder de in het huishoudelijk reglement voorziene voorwaarden, het Uitvoerend Comité zullen vormen.
  § 5. Het Instituut voert zijn opdrachten uitsluitend in het algemeen belang uit. Het Instituut, de leden van zijn organen en zijn personeelsleden zijn niet burgerlijk aansprakelijk voor hun beslissingen, handelingen of gedragingen bij de uitvoering van de wettelijke opdrachten van het Instituut behalve in geval van bedrog of zware fout.

  Art. 70. Alleen bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen kunnen worden benoemd als voorzitter, ondervoorzitter of lid van de Raad van het Instituut, of meer algemeen als lid van een orgaan dat door of krachtens deze wet wordt opgericht.
  Deze taken worden niet bezoldigd, behoudens eventuele toekenning van zitpenningen en van een taakvergoeding.

  Art. 71. De ontvangsten van het Instituut alsook de voorschriften in verband met het opmaken van en de controle op de rekeningen en de begroting worden bepaald door het huishoudelijk reglement, met uitzondering van het bepaalde in de artikelen 72 en 73.

  Art. 72. De ontvangsten van het Instituut bestaan onder meer uit:
  1° de bijdragen van de bedrijfsrevisoren, de in België geregistreerde auditkantoren en de in België geregistreerde auditors en auditorganisaties van derde landen;
  2° de diverse inkomsten en opbrengsten van zijn vermogen;
  3° de toelagen, legaten en schenkingen.

  Art. 73.§ 1. Elk jaar legt de Raad van het Instituut ter goedkeuring aan de algemene vergadering voor:
  1° het verslag over de werkzaamheden van het Instituut tijdens het verlopen jaar;
  2° de jaarrekening op 31 december van het afgelopen jaar;
  3° het verslag van de commissarissen;
  4° de begroting voor het nieuwe boekjaar.
  § 2. De jaarrekening dient voorafgaandelijk te worden gecontroleerd door twee commissarissen. [1 De artikelen 130 tot 133/2, 134, §§ 1, 2, 3 en 6, 135 tot 140/1, 142 tot 144, met uitzondering van artikel 144, § 1, eerste lid, 6° en 8°, van het Wetboek van vennootschappen zijn van toepassing.]1 Ten behoeve van deze paragraaf moeten de woorden "wetboek" en "vennootschap" worden begrepen als respectievelijk "de wet van 7 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren" en "Instituut".
  § 3. De documenten bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 3°, worden door de Raad van het Instituut overgemaakt aan de minister bevoegd voor Economie alsook aan de Hoge Raad en aan het College binnen de maand na de algemene vergadering waarop zij werden voorgelegd.
  § 4. Het Instituut stelt jaarlijks een verslag op over de uitvoering van zijn gedelegeerde opdrachten dat hij overmaakt aan het College.
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/47, art. 92, 003; Inwerkingtreding : 15-09-2018>

  Afdeling 3. - Opdrachten van het Instituut

  Onderafdeling 1. - Stage van de bedrijfsrevisor

  Art. 74. Het Instituut richt voor hen die bedrijfsrevisor wensen te worden, de bij artikel 5, § 1, 4°, voorziene stage in.
  De stage duurt ten minste drie jaar.
  In afwijking van het tweede lid kan de duur van de stage worden ingekort als de stagiair al over een ervaring van minimum vijftien jaar beschikt met de uitoefening van het beroep van bedrijfsrevisor.
  Ten minste twee derde van de stage verloopt bij een bedrijfsrevisor.
  Het Instituut ziet erop toe dat de volledige opleiding wordt gevolgd bij personen die voldoende waarborgen bieden dat zij bekwaam zijn om een praktijkopleiding te geven.

  Art. 75.§ 1. Om tot de stage te worden toegelaten door de Stagecommissie, dient de betrokkene:
  1° de bij artikel 5, § 1, 1° en 2°, gestelde voorwaarden te vervullen;
  2° de diploma- en/of ervaringsvoorwaarden te vervullen die zijn vastgesteld met toepassing van artikel 5, § 1, 3° ;
  3° ten hoogste zestig jaar oud te zijn;
  4° een stageovereenkomst voor de totale duur van de stage te hebben gesloten met een bedrijfsrevisor [1 natuurlijke persoon]1 die ten minste vijf jaar in het openbaar register is ingeschreven, en die zich ertoe verbindt de stagiair bij zijn opleiding tot bedrijfsrevisor te begeleiden en bij te staan. De overeenkomst moet door de Stagecommissie worden goedgekeurd.
  § 2. De Koning bepaalt de samenstelling en de opdrachten van de Stagecommissie.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 101, 005; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 76. § 1. Tuchtsancties kunnen worden opgelegd aan stagiairs:
  1° die zijn tekortgekomen aan hun beroepsverplichtingen;
  2° die zijn tekortgekomen aan de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die ten grondslag liggen aan het beroep;
  3° die zijn tekortgekomen aan de rechtmatige achting die zij aan hun stagemeester, het Instituut of zijn organen zijn verschuldigd.
  § 2. Na de stagiair en de stagemeester te hebben gehoord of minstens rechtsgeldig te hebben opgeroepen per aangetekende brieven verstuurd minstens veertien dagen voor de hoorzitting, vergezeld van een verslag opgesteld door de verslaggevers aangesteld door de Raad van het Instituut, waarin de feiten worden uiteengezet die aan de stagiair worden verweten, met verwijzing naar de betrokken wettelijke, reglementaire en/of tuchtrechtelijke bepalingen, kan de stagecommissie tuchtrechtelijke sancties opleggen aan de stagiair die de regels inzake tucht en deontologie niet naleeft.
  § 3. De tuchtsancties die kunnen worden opgelegd zijn:
  1° de waarschuwing;
  2° de berisping;
  3° de schorsing voor ten hoogste een jaar;
  4° de schrapping.
  § 4. De beslissingen van de Stagecommissie zijn met redenen omkleed. Zij worden onverwijld, bij een ter post aangetekende brief, ter kennis gebracht van de stagiair, zijn stagemeester, de Raad van het Instituut en de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep.
  Samen met deze betekening worden alle gepaste inlichtingen verstrekt over de beroepstermijnen, en de wijze waarop beroep tegen de beslissing kan worden ingesteld. Bij ontstentenis van deze vermeldingen is de kennisgeving nietig.
  § 5. De stagiair of de Raad kan tegen de beslissing van de Stagecommissie beroep instellen bij de Raad van State binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de betekening.
  § 6. De Raad kan op elk ogenblik beslissen om tussen te komen bij de Raad van State met het oog op het uiteenzetten van zijn standpunt omtrent de lopende zaak.
  § 7. De beslissingen van de Raad van State zijn met redenen omkleed. Zij worden onverwijld, bij een ter post aangetekende brief, ter kennis gebracht van de betrokken stagiair, zijn stagemeester, de Raad van het Instituut en de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep.
  § 8. De voor de stagiairs geldende tuchtprocedure wordt door de Koning gepreciseerd.

  Art. 77. De modaliteiten betreffende de toegang tot het beroep van bedrijfsrevisor worden bepaald door de Koning.

  Onderafdeling 2. - Gedelegeerde opdrachten

  Art. 78. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie is het Instituut bevoegd voor de toekenning van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, alsook voor het houden en bijwerken van het openbaar register, volgens de modaliteiten bepaald door of krachtens deze wet.

  Art. 79. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie organiseert het Instituut de permanente vorming van de bedrijfsrevisoren om hun theoretische kennis, hun beroepsvaardigheden en hun beroepsethiek op een voldoende peil te houden.

  Onderafdeling 3. - Beroepsgeheim van het Instituut

  Art. 80. § 1. Onverminderd de bepalingen van paragrafen 2 en 3, is artikel 458 van het Strafwetboek van toepassing op het Instituut, zijn organen, de leden van zijn organen en zijn personeelsleden.
  § 2. Het Instituut deelt aan het College alle informatie, met inbegrip van de vertrouwelijke, die nuttig of noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de door of krachtens deze wet aan het College toevertrouwde opdrachten.
  § 3. Het Instituut deelt aan de FSMA of aan de Bank, op eigen initiatief of op hun verzoek, elke nuttige informatie voor de uitoefening van hun bevoegdheden mee.
  § 4. De informatie door het Instituut verkregen bij de uitoefening van één van zijn opdrachten, mag worden gebruikt in het kader van de uitoefening van één of meer andere opdrachten die hem door onderhavige wet zijn toegekend.

  Onderafdeling 4. - Terechtwijzing

  Art. 81. § 1. Wanneer een bedrijfsrevisor nalaat om, binnen een door het Instituut bepaalde termijn, alle of een deel van de bijdragen te betalen, om de documenten tot vaststelling van de bijdragen over te leggen, om de inlichtingen of de documenten mee te delen die hij aan het Instituut moet meedelen voor de uitvoering van de krachtens artikel 41 aan het Instituut gedelegeerde taken, om de inlichtingen of de documenten mee te delen die hij aan het College moet meedelen wanneer het College de inzameling van die inlichtingen of documenten aan het Instituut heeft toevertrouwd, kan het Instituut deze bedrijfsrevisor terechtwijzen.
  Het Instituut informeert het College over de genomen beslissingen.
  Indien het gedrag van de bedrijfsrevisor ook de niet-naleving van een aan het publiek toezicht onderworpen verplichting met zich meebrengt, kan het College, in voorkomend geval, beslissen om een andere maatregel op te leggen aan de bedrijfsrevisor, of een onderzoek te openen of te laten openen.
  § 2. De bedrijfsrevisor die de terechtwijzing niet aanvaardt, kan het College binnen een termijn van één maand nadat hem de terechtwijzing werd betekend, adiëren met het oog op de bevestiging of de weerlegging van die terechtwijzing. Dat beroep is opschortend.
  § 3. Iedere definitief geworden terechtwijzing wordt gedurende vijf jaar in het dossier van de bedrijfsrevisor vermeld, waarna zij automatisch wordt uitgewist.

  HOOFDSTUK 6. - Melding van inbreuken

  Art. 82. De Koning definieert doeltreffende mechanismen om de melding van inbreuken op het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader aan te moedigen, en/of verduidelijkt de voorwaarden waaraan dergelijke, door het College ingevoerde mechanismen dienen te voldoen.

  Art. 83. De in artikel 82 bedoelde mechanismen omvatten minstens:
  1° specifieke procedures voor de ontvangst van meldingen van inbreuken en de opvolging daarvan;
  2° bescherming van persoonsgegevens, zowel van de persoon die de vermoedelijke of feitelijke inbreuken meldt, als van de persoon die van een inbreuk wordt verdacht of die geacht wordt een inbreuk te hebben gepleegd, in overeenstemming met de beginselen van de wet van 8 december 1992;
  3° passende procedures om het recht van de voor een inbreuk verantwoordelijk geachte persoon op verdediging, om te worden gehoord vóór de vaststelling van een hem aangaand besluit, alsook op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een gerecht tegen een op hem betrekking hebbend(e) besluit of maatregel te waarborgen.

  Art. 84. § 1. De bedrijfsrevisorenkantoren voeren passende procedures in die het voor hun werknemers mogelijk maken om potentiële of reële inbreuken op het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader via een specifiek intern kanaal te melden.
  § 2. De Koning kan de modaliteiten bepalen voor de invulling van de in paragraaf 1 bedoelde verplichting.

  HOOFDSTUK 7. - Strafbepalingen

  Art. 85. § 1. Met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 200 tot 2.000 euro of met één van die straffen alleen worden gestraft:
  1° zij die zich publiekelijk en onrechtmatig de hoedanigheid van bedrijfsrevisor toe-eigenen of die artikel 11 overtreden;
  2° zij die de beroepswerkzaamheid van bedrijfsrevisor uitoefenen of deze titel voeren terwijl zij het voorwerp uitmaken van een uitvoerbare schorsingsmaatregel;
  3° zij die de onderzoeken en expertises van het College krachtens deze wet verhinderen of het College bewust onjuiste of onvolledige informatie verstrekken.
  § 2. De rechtbank kan bovendien bevelen:
  1° de definitieve of tijdelijke sluiting van een deel van de lokalen of van alle lokalen die worden gebruikt door degene die zich schuldig maakt aan één of meer van de hierboven bedoelde overtredingen;
  2° de bekendmaking van het vonnis of van een samenvatting ervan in één of meer dagbladen, of op enige andere wijze, op kosten van de veroordeelde.

  Art. 86.§ 1. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de bedrijfsrevisoren, de geregistreerde auditkantoren, de stagiairs en de personen voor wie zij instaan.
  Buiten de uitzonderingen op de geheimhoudingsplicht waarin dit artikel voorziet, geldt deze plicht evenmin voor:
  1° de mededeling van een attest of van een bevestiging verricht met de schriftelijke toestemming van de onderneming waar zij hun taak uitoefenen;
  2° de mededeling van een attest of van een bevestiging gericht tot een commissaris of een persoon die in een onderneming naar buitenlands recht een gelijkaardige taak als die van commissaris uitoefent, binnen het kader van de hun toevertrouwde controle over de jaarrekening of de geconsolideerde jaarrekening van een onderneming;
  3° de raadpleging door een bedrijfsrevisor in het kader van een opvolging in een revisorale opdracht, van de werkdocumenten van een bedrijfsrevisor die voorafgaandelijk dezelfde revisorale opdracht uitoefende;
  4° het contact van een bedrijfsrevisor met een andere bedrijfsrevisor wanneer de eerste ertoe wordt gebracht om het werk of de attestering van de tweede in het gedrang te brengen, behalve in geval van verzet van de persoon die de opdracht aan de eerste bedrijfsrevisor heeft toevertrouwd;
  5° het contact tussen de bedrijfsrevisor en het Instituut, zijn organen en in het bijzonder het College;
  6° de overdracht van informatie, waaronder vertrouwelijke, gevraagd door een bevoegde autoriteit in het kader van zijn opdrachten en van de nationale en internationale samenwerking overeenkomstig de in hoofdstuk IV, afdeling III, bepaalde voorwaarden en de ter uitvoering ervan genomen maatregelen;
  7° de uitwisseling van informatie tussen de commissarissen of de bedrijfsrevisoren van vennootschappen die betrokken zouden zijn bij verrichtingen van fusies, splitsingen, gelijkgestelde verrichtingen, inbrengen van een algemeenheid of van een bedrijfstak;
  8° de mededeling van vertrouwelijke informatie aan iedere persoon die een taak uitoefent die door of krachtens de wet is vastgelegd en die deelneemt of bijdraagt aan de taken die verband houden met het toezicht op instellingen uit de [1 bank-, financiële en verzekeringssector]1, die respectievelijk worden uitgevoerd door de Bank, de FSMA en, in voorkomend geval, de Europese Centrale Bank, als deze persoon is aangewezen door of met instemming van een van deze autoriteiten en met het oog op de uitvoering van deze taak, met name,
  - een speciaal commissaris die door deze autoriteiten is aangewezen met toepassing van de wetten waarvan zij moeten toezien op de naleving ervan;
  - de portefeuillesurveillant als bedoeld in artikel 16 van Bijlage III van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen;
  - de portefeuillebeheerder als bedoeld in artikel 8 van Bijlage III van de voornoemde wet van 25 april 2014; en
  - de revisor als bedoeld in artikel 87ter van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
  [1 9° de mededeling van vertrouwelijke informatie aan de Bank, de FSMA en, in voorkomend geval, de Europese Centrale Bank, voor de uitvoering van hun respectieve opdrachten.]1
  Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de in 8° bedoelde personen voor de vertrouwelijke informatie die zij met toepassing van 8° ontvangen.
  § 2. Wanneer een rechtspersoon een geconsolideerde jaarrekening opstelt, zijn de commissaris van de consoliderende rechtspersoon en de commissarissen van de geconsolideerde rechtspersonen, onderling, bevrijd van het beroepsgeheim, binnen het kader van de hun toevertrouwde controle over de geconsolideerde jaarrekening van een onderneming. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten opzichte van een persoon die in een rechtspersoon naar het recht van een land van de Europese Unie of van een derde land, een gelijkaardige taak uitoefent als deze van commissaris. In de zin van huidig lid wordt met de commissaris gelijkgesteld de bedrijfsrevisor die, zonder het mandaat van commissaris uit te oefenen, belast is met de controle over de geconsolideerde jaarrekening.
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/47, art. 93, 003; Inwerkingtreding : 15-09-2018>

  Art. 87. Rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe hun organen of aangestelden krachtens dit hoofdstuk zijn veroordeeld.

  TITEL 4. - Wijzigingen in de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten

  Art. 88. In artikel 48bis van de wet van 2 augustus 2002 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
  " § 1. De sanctiecommissie oordeelt over het opleggen van de administratieve geldboetes door de FSMA in de materies als bedoeld in artikel 45 en over het opleggen van administratieve maatregelen en geldboetes als bedoeld in artikel 59 van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.
  Deze sanctiecommissie bestaat uit 12 leden, aangeduid door de Koning:
  1° twee staatsraden of erestaatsraden, aangeduid op voordracht van de eerste voorzitter van de Raad van State;
  2° twee raadsheren bij het Hof van Cassatie of ereraadsheren bij het Hof van Cassatie aangeduid op voordracht van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie;
  3° twee magistraten die geen raadsheren bij het Hof van Cassatie of bij het hof van beroep van Brussel zijn;
  4° vier andere leden met passende deskundigheid op het vlak van de financiële diensten en markten, en
  5° twee andere leden met passende deskundigheid op het vlak van de wettelijke controle van de jaarrekening die geen beroepsbeoefenaars zijn in de zin van artikel 3, 28°, van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.";
  2° er wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, luidende:
  " § 1bis. De sanctiecommissie bestaat uit twee kamers.
  De kamer die bevoegd is om te beslissen over het opleggen van administratieve geldboetes door de FSMA in de materies als bedoeld in artikel 45, is samengesteld uit leden als bedoeld in paragraaf 1, 1°, 2°, 3° en 4°.
  De kamer die bevoegd is om te beslissen over het opleggen van administratieve maatregelen en geldboetes als bedoeld in artikel 59 van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, is samengesteld uit leden als bedoeld in paragraaf 1, 1°, 2°, 3° en 5°. De leden als bedoeld in paragraaf 1, 4°, kunnen als plaatsvervanger zetelen.";
  3° het tweede lid van paragraaf 2 wordt opgeheven;
  4° in paragraaf 3 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "Tijdens hun mandaat mogen de in paragraaf 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde leden geen enkele functie of geen enkel mandaat uitoefenen in een aan het permanente toezicht van de FSMA of het College onderworpen onderneming of in een beroepsvereniging die de aan het toezicht van de FSMA of het College onderworpen ondernemingen of personen vertegenwoordigt, noch diensten verstrekken ten gunste van een beroepsvereniging die aan het toezicht van de FSMA of het College onderworpen ondernemingen vertegenwoordigt. Tijdens hun mandaat mogen de in paragraaf 1, 5°, bedoelde leden geen enkele functie of geen enkel mandaat uitoefenen in een organisatie van openbaar belang of in een aan het toezicht van het College onderworpen onderneming of in een beroepsvereniging die de organisaties van openbaar belang of de aan het toezicht van het College onderworpen ondernemingen of personen vertegenwoordigt, noch diensten verstrekken ten gunste van een beroepsvereniging die de organisaties van openbaar belang of de aan het toezicht van het College onderworpen ondernemingen vertegenwoordigt.";
  5° in paragraaf 3, zesde lid, wordt de eerste zin vervangen als volgt:
  "De sanctiecommissie of een van haar kamers kan geldig beslissen als twee van haar leden en haar voorzitter aanwezig zijn.".

  Art. 89. In dezelfde wet wordt het opschrift van afdeling 5 van hoofdstuk III vervangen als volgt:
  "Afdeling 5. Procedureregels voor het opleggen van administratieve geldboetes door de FSMA in de materies als bedoeld in artikel 45 en voor het opleggen van administratieve maatregelen en geldboetes als bedoeld in artikel 59 van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.".

  Art. 90. In artikel 72 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 2bis wordt vervangen als volgt:
  " § 2bis. Indien zij dat vanuit het oogpunt van het recht op een eerlijk proces noodzakelijk acht, kan de sanctiecommissie het directiecomité voor de materies als bedoeld in artikel 45 of het College voor de materies als bedoeld in artikel 59 van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, verzoeken bijkomende onderzoeksdaden te laten stellen.";
  2° in paragraaf 3, vervangen bij de wet van 2 juli 2010 en gewijzigd bij de wetten van 30 juli 2013, 25 april 2014 en 27 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in het eerste lid worden de woorden "Bij het bepalen van het bedrag van de administratieve geldboete houdt de sanctiecommissie rekening met alle relevante omstandigheden, waaronder, in voorkomend geval:" vervangen als volgt:
  "Bij het bepalen van de administratieve maatregelen en geldboetes als bedoeld in artikel 59 van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, of van het bedrag van de door de FSMA opgelegde administratieve geldboete in de materies als bedoeld in artikel 45, houdt de sanctiecommissie rekening met alle relevante omstandigheden, waaronder, in voorkomend geval,:";
  b) het tweede lid wordt vervangen als volgt:
  "De sanctiecommissie beslist bij gemotiveerde beslissing. Er kunnen geen sancties worden uitgesproken zonder dat de betrokken persoon of zijn vertegenwoordiger is gehoord, of, bij ontstentenis, behoorlijk is opgeroepen. Het directiecomité voor de materies als bedoeld in artikel 45 of het College voor de materies als bedoeld in artikel 59 van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, wordt tijdens de hoorzitting vertegenwoordigd door een persoon naar keuze en kan zijn opmerkingen kenbaar maken.";
  c) het volgende lid wordt ingevoegd na paragraaf 8:
  "In afwijking van het vorige lid worden de beslissingen van de sanctiecommissie genomen op basis van artikel 59 van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, meegedeeld aan de voorzitter van het Comité van het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, die de leden van dit Comité hiervan op de hoogte brengt. In geval van beroep tegen de beslissingen van de sanctiecommissie genomen op basis van artikel 59 van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, wordt de FSMA vertegenwoordigd door de voorzitter van het Comité van het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren of door twee leden van het Comité van het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren.".

  Art. 91. In artikel 121 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 4bis° ingevoegd, luidende:
  "4bis°. tegen de beslissingen van de FSMA genomen met toepassing van artikel 59, § 1, 8°, van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, en tegen de beslissingen van de FSMA genomen met toepassing van artikel 59, § 1, 1° tot 7°, van de wet van 00 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, wanneer die maatregelen tegelijkertijd, voor dezelfde feiten en aan dezelfde personen worden opgelegd als een administratieve geldboete als bedoeld in artikel 59, § 1, 8°, van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren;";
  2° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "Onverminderd de bijzondere voorschriften bepaald door of krachtens de wet, bedraagt de beroepstermijn, op straffe van nietigheid, 15 dagen voor het beroep als bedoeld in § 1, 1° tot 3°. Die termijn bedraagt 30 dagen voor het beroep als bedoeld in § 1, 4° en 4bis°. ";
  3° paragraaf 6 wordt vervangen als volgt:
  " § 6. Het beroep bedoeld in § 1, 4° en 4bis°, schort de beslissing op waarop het beroep betrekking heeft. Het opschortende karakter van het beroep is beperkt tot de inning van de dwangsom of de boete. Het opschortende karakter belet niet dat de dwangsom verbeurt en staat de bekendmaking overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen niet in de weg. Het beroep als bedoeld in § 1, 1°, 2°, 3° en 6°, schort de beslissing waarop het beroep betrekking heeft, niet op, tenzij daarop door of krachtens de wet in uitzonderingen wordt voorzien. Het Hof van Beroep van Brussel kan evenwel, alvorens recht te spreken, de opschorting bevelen van de uitvoering van de beslissing waarop het beroep betrekking heeft, als de aanvrager ernstige middelen inroept die de herziening van de beslissing kunnen rechtvaardigen en als de onmiddellijke uitvoering ervan een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel dreigt te berokkenen. Het hof doet onverwijld uitspraak over de vraag tot opschorting.".

  TITEL 5. - Wijzigingen in het Wetboek van Vennootschappen

  Art. 92. In het Wetboek van Vennootschappen wordt het opschrift van boek I, titel II, hoofdstuk I, aangevuld met de woorden "en organisaties van openbaar belang."

  Art. 93. In hetzelfde wetboek wordt een artikel 4/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 4/1. Onder "organisatie van openbaar belang", moet worden verstaan:
  1° de genoteerde vennootschappen bedoeld in artikel 4;
  2° de kredietinstellingen: de kredietinstellingen bedoeld in boek II van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen;
  3° de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen: de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bedoeld in boek II van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
  4° de vereffeningsinstellingen alsook de met vereffeningsinstellingen gelijkgestelde instellingen: de vereffeningsinstellingen bedoeld in artikel 36/1, 14°, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, alsook de instellingen waarvan de activiteit erin bestaat om, geheel of gedeeltelijk, het operationeel beheer van de dienstverlening door dergelijke vereffeningsinstellingen te waarborgen."

  Art. 94. In hetzelfde wetboek wordt een artikel 4/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 4/2. Onder "verordening (EU) nr. 537/2014" moet worden verstaan: de verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controle van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie.".

  Art. 95. In boek I, titel II, van hetzelfde wetboek, wordt een hoofdstuk IV ingevoegd, luidende:
  "Hoofdstuk IV. Wettelijke controle van de jaarrekening."

  Art. 96. In hoofdstuk IV van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij artikel 95, wordt een artikel 16/1 ingevoegd, luidende:
  "Artikel 16/1. Onder "wettelijke controle van de jaarrekening" moet worden verstaan, een controle van de statutaire jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening, voor zover deze controle:
  1° door het recht van de Europese Unie wordt voorgeschreven;
  2° door het Belgisch recht wordt voorgeschreven met betrekking tot kleine vennootschappen;
  3° op vrijwillige basis op verzoek van kleine vennootschappen wordt uitgevoerd, wanneer deze opdracht gepaard gaat met de bekendmaking van het verslag bedoeld in artikel 144 of 148 van dit wetboek.".

  Art. 97. In hoofdstuk IV, ingevoegd bij artikel 95, wordt een artikel 16/2 ingevoegd als volgt:
  "Art. 16/2. Onder "netwerk" moet worden verstaan de grotere structuur:
  1° die op samenwerking is gericht en waartoe een bedrijfsrevisor of een geregistreerd auditkantoor behoort, en
  2° die duidelijk is gericht op winst- of kostendeling, of het delen van gemeenschappelijke eigendom, zeggenschap of bestuur, een gemeenschappelijk beleid en procedures inzake kwaliteitsbeheersing, een gemeenschappelijke bedrijfsstrategie, het gebruik van een gemeenschappelijke merknaam of een aanzienlijk deel van de bedrijfsmiddelen.".

  Art. 98. In hoofdstuk IV van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij artikel 95, wordt een artikel 16/3 ingevoegd als volgt:
  "Art. 16/3. Onder "geregistreerd auditkantoor" moet worden verstaan, een auditkantoor dat erkend is in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en dat voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 10, § 2, van de wet van 7 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, en dat apart vermeld wordt in het openbaar register van de bedrijfsrevisoren.".

  Art. 99. In boek IV, van hetzelfde wetboek, wordt het opschrift van titel VII vervangen als volgt:
  "Titel VII. De wettelijke controle van de jaarrekening en van de geconsolideerde jaarrekening.".

  Art. 100. In boek IV, titel VII, van hetzelfde wetboek, wordt het opschrift van hoofdstuk I, vervangen als volgt:
  "Hoofdstuk I. Algemene bepalingen inzake wettelijke controle.".

  Art. 101. Artikel 130, van hetzelfde wetboek, gewijzigd door de wetten van 25 april 2007 en 17 december 2008, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 130. § 1. De commissarissen worden benoemd, door de algemene vergadering, onder de bedrijfsrevisoren, ingeschreven in het openbaar register van de bedrijfsrevisoren of onder de geregistreerde auditkantoren, voor de opdracht van de wettelijke controle van de jaarrekening en, in voorkomend geval, van de geconsolideerde jaarrekening.
  § 2. Onverminderd de rol toegekend aan de ondernemingsraad zoals omschreven in de artikelen 156 en 157, beslist de algemene vergadering op basis van een voorstel geformuleerd door het bestuursorgaan.
  § 3. Indien de vennootschap krachtens de wet verplicht is om een auditcomité op te richten, wordt het voorstel voor benoeming tot commissaris, dat erop gericht is om door het bestuursorgaan aan de algemene vergadering te worden voorgelegd gericht, geformuleerd op aanbeveling van het auditcomité.
  De aanbeveling van het auditcomité wordt gemotiveerd.
  Indien het voorstel van het bestuursorgaan verschilt van de voorkeur zoals vermeld in de aanbeveling van het auditcomité, licht het bestuursorgaan de redenen toe waarom de aanbeveling van het auditcomité niet wordt gevolgd.
  § 4. Elke beslissing inzake benoeming of vernieuwing van het mandaat van een commissaris zonder naleving van de voorgaande paragrafen leden is nietig. De nietigheid wordt uitgesproken door de voorzitter van de rechtbank van koophandel van de zetel van de vennootschap, zitting houdend zoals in kort geding.
  § 5. Contractuele bepalingen die de keuze van de algemene vergadering beperken tot bepaalde categorieën of lijsten van bedrijfsrevisoren, bedrijfsrevisoren-kantoren of geregistreerde auditkantoren met betrekking tot de benoeming van een bepaalde commissaris of van een bepaalde bedrijfsrevisor belast met de controle van de geconsolideerde jaarrekening van die vennootschap, zijn verboden. Ingeval zulke bepalingen bestaan, zijn zij nietig.".

  Art. 102. In artikel 131, van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wet van 23 januari 2001, wordt het woord "bezoldiging" vervangen door het woord "honoraria".

  Art. 103. Het artikel 132, van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wet van 18 januari 2010, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 132. Ingeval een bedrijfsrevisorenkantoor of een geregistreerd auditkantoor wordt aangesteld als commissaris, wordt ten minste één bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon aangesteld als vaste vertegenwoordiger van het bedrijfsrevisorenkantoor of van het geregistreerd auditkantoor met handtekeningsbevoegdheid.
  Voor de aanstelling en de opdrachtbeëindiging van de vaste vertegenwoordiger van het bedrijfsrevisorenkantoor of van het geregistreerd auditkantoor die als commissaris wordt benoemd, gelden dezelfde bekendmakingregels als wanneer hij deze vaste vertegenwoordiger die opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou vervullen.".

  Art. 104. In artikel 132/1, van hetzelfde wetboek, ingevoegd door de wet van 29 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 4 worden de woorden "en onverminderd paragraaf 5," ingevoegd tussen "Na het verstrijken van de maximale termijnen bedoeld in de paragrafen 2 en 3" en "mogen noch de commissaris";
  2° een nieuwe paragraaf wordt ingevoegd als volgt:
  " § 5. Na het verstrijken van de maximale termijnen bedoeld in de paragrafen 2 en 3, kan de organisatie van openbaar belang bedoeld in artikel 4/1, op uitzonderlijke basis, het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren bedoeld in artikel 32 van de wet van 7 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren verzoeken een verlenging toe te staan op basis waarvan de organisatie van openbaar belang opnieuw dezelfde commissaris kan benoemen voor de wettelijke controleopdracht overeenkomstig de voorwaarden van paragraaf 3. De duur van dit nieuw mandaat bedraagt ten hoogste twee jaar.".

  Art. 105. In boek IV, titel VII, hoofdstuk I, van hetzelfde wetboek wordt na afdeling I/1 een afdeling I/2 ingevoegd als volgt:
  "Afdeling I/2. Verplichtingen.".

  Art. 106. In boek IV, titel VII, hoofdstuk I, van hetzelfde wetboek, wordt na afdeling I/2 een onderafdeling 1 ingevoegd als volgt:
  "Onderafdeling 1. Principes van onafhankelijkheid.".

  Art. 107. Artikel 133, van hetzelfde wetboek, laatst gewijzigd door de wet van 9 februari 2009, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 133. § 1. Diegenen die zich in een positie bevinden die een onafhankelijke taakuitoefening, overeenkomstig de regels geldend voor het beroep van bedrijfsrevisoren, in het gedrang kan brengen, kunnen niet tot commissaris benoemd worden. De commissarissen moeten er op toezien dat zij na hun benoeming niet in een dergelijke positie worden geplaatst. Hun onafhankelijkheid is in elk geval vereist zowel gedurende de periode waarop de te controleren jaarrekening betrekking heeft, als gedurende de periode waarin de wettelijke controle wordt uitgevoerd.
  § 2. Aldus mogen de commissarissen in de vennootschap die aan hun wettelijke controle is onderworpen, noch in een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 11, een andere taak, mandaat of opdracht aanvaarden, die zal worden vervuld tijdens de duur van hun mandaat of erna, en die de onafhankelijke uitoefening van hun taak als commissaris in het gedrang zou kunnen brengen.
  § 3. Zij kunnen gedurende een tijdvak van twee jaar na het einde van hun mandaat van commissaris, noch in de vennootschap die aan hun wettelijke controle is onderworpen, noch in een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 11, een mandaat van bestuurder, zaakvoerder of enige andere functie aanvaarden.
  De bedrijfsrevisor die als vennoot, medewerker of werknemer van de commissaris direct betrokken was bij de wettelijke controle, kan de mandaten of functies bedoeld in lid 1 pas aanvaarden nadat een periode van ten minste één jaar is verstreken sinds zijn directe betrokkenheid bij de wettelijke controle.
  § 4. Paragraaf 2 is eveneens van toepassing op de personen met wie de commissaris een arbeidsovereenkomst heeft afgesloten, of met wie hij beroepshalve in samenwerkingsverband staat, alsook de leden van het netwerk bedoeld in artikel 16/2 waartoe de commissaris behoort en op de met de commissaris verbonden vennootschappen of personen zoals bepaald in artikel 11.
  § 5. Gedurende twee jaar voorafgaand aan zijn benoeming tot commissaris, mag de bedrijfsrevisor of mogen de leden van het netwerk bedoeld in artikel 16/2 waartoe de bedrijfsrevisor behoort, geen prestaties verrichten die zijn onafhankelijkheid als commissaris in het gedrang zouden kunnen brengen.
  Behalve in uitzonderlijke naar behoren gemotiveerde gevallen, zal de bedrijfsrevisor niet als commissaris kunnen benoemd worden wanneer hij of een lid van het netwerk bedoeld in artikel 16/2 waartoe hij behoort, binnen de twee jaar voorafgaand aan de benoeming als commissaris:
  1° regelmatig bijstand heeft verleend of heeft deelgenomen aan het voeren van de boekhouding of aan de opstelling van de jaarrekening of de geconsolideerde jaarrekening van de betrokken vennootschap, van een Belgische vennootschap die haar controleert of één van haar belangrijke Belgische of buitenlandse dochtervennootschappen;
  2° tussengekomen is in de werving van personen die deel uitmaken van een orgaan of van het leidinggevend personeel van de betrokken vennootschap, van een Belgische vennootschap die haar controleert of van één van haar belangrijke Belgische of buitenlandse dochtervennootschappen.".

  Art. 108. Na artikel 133, van hetzelfde wetboek, wordt een onderafdeling 2 ingevoegd als volgt:
  "Onderafdeling 2. Niet-controlediensten.".

  Art. 109. In onderafdeling 2, ingevoegd bij artikel 108 wordt een artikel 133/1 ingevoegd als volgt:
  "Art. 133/1. § 1. Een commissaris alsook ieder lid van het netwerk bedoeld in artikel 16/2 waartoe een commissaris behoort, mogen noch direct, noch indirect verboden niet-controlediensten verstrekken aan de vennootschap onderworpen aan de wettelijke controle, haar moedervennootschap en de ondernemingen waarover zij de controle heeft binnen de Europese Unie tijdens:
  1° de periode tussen het begin van de gecontroleerde periode en het uitbrengen van het controleverslag; en
  2° het boekjaar onmiddellijk voorafgaand aan de onder 1° bedoelde periode, voor de diensten bedoeld in paragraaf 2, 3°.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 wordt onder verboden niet-controlediensten verstaan:
  1° diensten die het vervullen van een rol bij het beheer of de besluitvorming van de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, inhouden;
  2° boekhouding en het opstellen van boekhoudkundige documenten en financiële overzichten;
  3° het ontwikkelen en ten uitvoer leggen van procedures voor interne controle en risicobeheer die verband houden met de opstelling en/of controle van financiële informatie of het ontwikkelen en ten uitvoer leggen van financiële informatietechnologie-systemen;
  4° waarderingsdiensten, met inbegrip van waarderingen in verband met actuariële diensten of ondersteuningsdiensten bij rechtsgeschillen;
  5° diensten in verband met de interne controlefunctie van de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle;
  6° diensten met betrekking tot:
  a) het onderhandelen namens de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle;
  b) het optreden als belangenbehartiger bij het oplossen van geschillen;
  c) vertegenwoordiging van de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, bij de afwikkeling van fiscale of andere geschillen;
  7° personeelsdiensten met betrekking tot:
  a) leidinggevenden die zich in een positie bevinden waarin zij wezenlijke invloed kunnen uitoefenen op het opstellen van boekhoudkundige documenten of financiële overzichten waarop de wettelijke controle betrekking heeft, indien dergelijke diensten het volgende behelzen:
  i) het zoeken naar of benaderen van kandidaten voor een dergelijke functie; of
  ii) het controleren van de referenties van kandidaten voor dergelijke functies;
  b) het structuren van de opzet van de organisatie; en
  c) kostenbeheersing.
  § 3. Met toepassing van artikel 5, § 1, tweede lid, van de verordening (EU) nr. 537/2014, wordt in het geval van een wettelijke controle van een organisatie van openbaar belang bedoeld in artikel 4/1, voor de toepassing van paragraaf 1 eveneens onder verboden niet-controlediensten verstaan, naast de diensten bedoeld in paragraaf 2:
  1° het verlenen van belastingdiensten met betrekking tot:
  a) het opstellen van belastingformulieren;
  b) loonbelasting;
  c) douanerechten;
  d) het identificeren van overheidssubsidies en belastingstimulansen tenzij steun van de wettelijke auditor of het auditkantoor voor dit soort diensten bij wet verplicht is;
  e) bijstand van de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, bij belastinginspecties door de belastingautoriteiten;
  f) het berekenen van directe en indirecte belastingen en uitgestelde belastingen;
  g) het verstrekken van belastingadvies;
  2° juridische diensten met betrekking tot het geven van algemeen advies;
  3° loonadministratie;
  4° het aanbevelen van, handelen in of inschrijven op aandelen in de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle;
  5° diensten die verband houden met de financiering, de kapitaalstructuur en -toewijzing, en de investeringsstrategie van de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle met uitzondering van het verstrekken van assurancediensten in verband met financiële overzichten, waaronder het verschaffen van comfort letters met betrekking tot door de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, uitgegeven prospectussen.
  § 4. Met toepassing van artikel 5, § 3, van de verordening (EU) nr. 537/2014, zijn de niet-controlediensten bedoeld in paragraaf 2, 4°, en paragraaf 3, 1°, a) en d) tot en met g) tóch toegelaten op voorwaarde dat cumulatief aan de volgende vereisten is voldaan:
  a) de diensten hebben, hetzij afzonderlijk, hetzij gezamenlijk, geen direct effect op, of ze zijn, hetzij afzonderlijk, hetzij gezamenlijk, niet van materieel belang voor de gecontroleerde jaarrekening;
  b) de schatting van het effect op de gecontroleerde jaarrekening wordt uitvoerig gedocumenteerd en toegelicht in de aanvullende verklaring aan het auditcomité zoals bedoeld in artikel 11 van de verordening (EU) nr. 537/2014;
  c) de commissaris voldoet aan de algemene onafhankelijkheidsbeginselen.
  § 5. Krachtens artikel 5, § 4, van de verordening (EU) nr. 537/2014, mag de commissaris van een organisatie van openbaar belang bedoeld in artikel 4/1 en, indien de commissaris tot een netwerk behoort bedoeld in artikel 16/2, een lid van dat netwerk, niet-controlediensten die niet verboden zijn slechts leveren aan de betrokken organisatie van openbaar belang, aan haar moedervennootschap of aan ondernemingen waarover zij de controle heeft, op voorwaarde dat het auditcomité zijn goedkeuring verleent.
  Het auditcomité vaardigt in voorkomend geval richtsnoeren uit met betrekking tot de in paragraaf 4 bedoelde diensten.
  § 6. Indien een lid van het netwerk bedoeld in artikel 16/2 waartoe de commissaris behoort, één van de in paragrafen 2 of 3 bedoelde niet-controlediensten levert aan een onderneming met rechtspersoonlijkheid in een derde land die wordt beheerst door de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, beoordeelt de commissaris of zijn onafhankelijkheid in het gedrang zou worden gebracht door de levering van zulke diensten door het lid van het netwerk.
  Als zijn onafhankelijkheid in het gedrang komt, past de commissaris in voorkomend geval veiligheidsmaatregelen toe om de bedreigingen als gevolg van het leveren van zulke diensten in een derde land in te perken. De commissaris mag de wettelijke controle uitsluitend blijven uitvoeren als kan gewaarborgd worden dat het verlenen van deze diensten zijn professionele oordeelsvorming en controleverslag niet beïnvloedt.
  Voor de toepassing van deze paragraaf:
  a) worden betrokkenheid bij de besluitvorming van de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, en het leveren van de diensten bedoeld in paragraaf 2, 1° tot 3° in alle gevallen geacht deze onafhankelijkheid in het gedrang te brengen en niet te kunnen worden ingeperkt door welke veiligheidsmaatregel ook;
  b) wordt het verstrekken van de diensten andere dan deze bedoeld in paragraaf 2, 1° tot 3° geacht deze onafhankelijkheid in het gedrang te brengen en worden derhalve veiligheidsmaatregelen nodig geacht om de daardoor veroorzaakte dreigingen in te perken."

  Art. 110. Na artikel 133/1 van hetzelfde wetboek, wordt een onderafdeling III ingevoegd als volgt:
  "Onderafdeling III. Verhouding tussen de honoraria voor wettelijke controles en overige honoraria."

  Art. 111. In onderafdeling III, ingevoegd bij artikel 110, wordt een artikel 133/2 ingevoegd als volgt:
  "Art. 133/2. § 1. Onverminderd de verbodsbepalingen die voortvloeien uit artikel 133/1, mag de commissaris geen andere diensten verrichten dan de opdrachten die door de wet of door de wetgeving van de Europese Unie werden toevertrouwd aan de commissaris, voor zover het totale bedrag van de honoraria voor deze diensten meer dan zeventig procent bedraagt van het totaalbedrag van de in artikel 134, § 2, bedoelde honoraria.
  Deze bepaling is van toepassing op de organisaties van openbaar belang bedoeld in artikel 4/1.
  § 2. Op verzoek van de commissaris kan het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, zoals bedoeld in artikel 32 van de wet van ... 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren bij wijze van uitzondering toestaan dat de commissaris voor een periode van maximaal twee boekjaren wordt vrijgesteld van het verbod bedoeld in paragraaf 1.
  In dit geval wordt de afwijking en de verantwoording ervan vermeld:
  a) in de toelichting bij de geconsolideerde jaarrekening of, bij gebrek aan geconsolideerde jaarrekening, in de toelichting bij de jaarrekening van de vennootschap die gebruik maakt van de vrijstelling voorzien in artikel 113 van dit Wetboek, tenzij deze vennootschap een dochtervennootschap is van een Belgische vennootschap die gebruik maakt van de voornoemde vrijstelling,
  b) in de toelichting bij de jaarrekening van de vennootschap die geen moedervennootschap is als bedoeld in artikel 110 of vrijgesteld is van de verplichting om een geconsolideerde jaarrekening op te stellen krachtens artikel 112 en waarvan de commissaris de afwijking van het verbod bedoeld in deze paragraaf gekregen heeft, tenzij deze vennootschap een dochtervennootschap is van een Belgische vennootschap.
  Ingeval de vennootschap deze informatie niet vermeldt in de toelichting bij de jaarrekening, neemt de commissaris deze informatie zelf op in zijn controleverslag.
  § 3. Voor de vennootschappen die niet als organisaties van openbaar belang als bedoeld in artikel 4/1 worden beschouwd, maar die deel uitmaken van een groep die verplicht is geconsolideerde jaarrekeningen op te stellen en te publiceren geldt dat, onverminderd de verbodsbepalingen die voortvloeien uit artikel 133/1, de commissaris geen andere diensten mag verrichten dan de opdrachten die door de wet of door de wetgeving van de Europese Unie werden toevertrouwd aan de commissaris, voor zover het totale bedrag van de honoraria voor deze diensten hoger ligt dan het totaalbedrag van de in artikel 134, paragraaf 2, bedoelde honoraria.
  § 4. Van het bijkomend verbod bedoeld in § 3, kan worden afgeweken in elk van de volgende gevallen:
  1° na een gunstige beslissing van het krachtens de wet of statuten voorziene auditcomité van de betrokken vennootschap, of van een andere vennootschap die haar controleert, indien deze vennootschap Belgisch is of een vennootschap is volgens het recht van een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Organisatie voor de Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Indien de vennootschap krachtens de wet verplicht is om een auditcomité op te richten, wordt de bovenvermelde beslissing genomen door het auditcomité in de zin van artikel 526bis. Ingeval de taken die aan het auditcomité zijn opgedragen, worden uitgevoerd door de raad van bestuur als geheel, is evenwel de goedkeuring vereist van de onafhankelijk bestuurder of, indien er meerdere onafhankelijke bestuurders zijn benoemd, van de meerderheid van de onafhankelijke bestuurders;
  2° als op verzoek van de commissaris het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, zoals bedoeld in artikel 32 van de wet van 7 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren bij wijze van uitzondering toestaat dat de commissaris voor een periode van maximaal twee boekjaren wordt vrijgesteld van het verbod bedoeld in paragraaf 3;
  3° als binnen de vennootschap een college van elkaar onafhankelijke commissarissen is opgericht. Dit geval geldt enkel indien de vennootschap niet krachtens de wet verplicht is om een auditcomité op te richten.
  In de gevallen bedoeld in vorig lid wordt de afwijking en de verantwoording ervan vermeld:
  a) in de toelichting bij de geconsolideerde jaarrekening of, bij gebrek aan geconsolideerde jaarrekening, in de toelichting bij de jaarrekening van de vennootschap die gebruik maakt van de vrijstelling voorzien in artikel 113 van dit Wetboek, tenzij deze vennootschap een dochtervennootschap is van een Belgische vennootschap die gebruik maakt van de voornoemde vrijstelling;
  b) in de toelichting bij de jaarrekening van de vennootschap die geen moedervennootschap is zoals bedoeld in artikel 110 of vrijgesteld is van de verplichting om een geconsolideerde jaarrekening op te stellen krachtens artikel 112 en waarvan de commissaris de afwijking van het verbod bedoeld in deze paragraaf gekregen heeft, tenzij deze vennootschap een dochtervennootschap is van een Belgische vennootschap.
  Ingeval de vennootschap deze informatie niet vermeldt in de toelichting bij de jaarrekening, neemt de commissaris deze informatie zelf op in zijn controleverslag.
  § 5. Met de prestaties geleverd om de economische en financiële gegevens van een derde onderneming die de vennootschap of een van haar dochtervennootschappen wenst te verwerven of verworven heeft, te controleren, wordt voor de toepassing van paragrafen 3 en 4 geen rekening gehouden.
  De beoordeling van de verhouding tussen de honoraria voor wettelijke controle en de overige honoraria, zoals bedoeld in voorgaande paragrafen, moet uitgevoerd worden voor het geheel bestaande uit de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, haar moedervennootschap en de dochtervennootschappen, met dien verstande dat de honoraria voor de wettelijke controle van de rekeningen van buitenlandse moeder- of dochtervennootschappen deze zijn die voortvloeien uit de wettelijke en/of contractuele bepalingen die van toepassing zijn op deze moeder- of dochtervennootschappen.
  De beoordeling van de verhouding tussen de honoraria die hiervoor bedoeld worden, moet begrepen worden als uit te voeren door globaal, voor de duur van de drie boekjaren van het mandaat van de commissaris, de vergelijking te maken tussen:
  enerzijds, het totaal van de honoraria die betrekking hebben op de drie boekjaren en betreffende andere diensten dan de opdrachten die door de wet of door de wetgeving van de Europese Unie zijn toegekend aan de commissaris en die in hun globaliteit gedurende de drie boekjaren door de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, haar moedervennootschap en haar dochtervennootschappen zijn toegekend aan de commissaris en
  anderzijds, het totaal van de honoraria bedoeld in artikel 134, § 2, die betrekking hebben op de drie boekjaren, en die in hun globaliteit gedurende de drie boekjaren, zijn toegekend door de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, haar moedervennootschap en haar dochtervennootschappen, aan de commissaris.".

  Art. 112. In boek IV, titel VII, hoofdstuk I, afdeling II, van hetzelfde wetboek, wordt het opschrift vervangen als volgt:
  "Afdeling II. Honoraria.".

  Art. 113. Artikel 134 van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 april 2007, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 134. § 1. Voor de toepassing van onderhavig artikel wordt verstaan onder:
  1° "met de commissaris verbonden persoon": iedere persoon die deel uitmaakt van het netwerk bedoeld in artikel 16/2 waartoe de commissaris behoort alsook iedere vennootschap of persoon verbonden met de commissaris bedoeld in artikel 11;
  2° "gelijkgesteld mandaat": een mandaat uitgevoerd in een vennootschap naar buitenlands recht dat vergelijkbaar is met dat van commissaris in een Belgische vennootschap.
  § 2. Bij de aanvang van de opdracht van de commissarissen worden hun honoraria vastgesteld door de algemene vergadering. Deze honoraria bestaan in een vast bedrag dat de naleving van de controlenormen waarborgt. De honoraria kunnen niet worden gewijzigd dan met instemming van partijen. Ze worden vermeld in de toelichting bij de jaarrekening.
  De honoraria moeten voldoende zijn om de commissaris toe te laten zijn opdracht uit te voeren in alle onafhankelijkheid en met naleving van de beroepsnormen en -aanbevelingen, zoals goedgekeurd overeenkomstig artikel 31 van de wet van 7 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.
  § 3. De bedragen van de honoraria verbonden aan uitzonderlijke werkzaamheden of bijzondere opdrachten uitgevoerd binnen de vennootschap waarvan de commissaris de jaarrekening controleert, bedoeld in artikel 142, door de commissaris enerzijds, en door een met de commissaris verbonden persoon anderzijds, worden vermeld in de toelichting bij de jaarrekening volgens de volgende categorieën:
  1° andere controle-opdrachten;
  2° belastingadviesopdrachten; en
  3° andere opdrachten buiten de revisorale opdrachten.
  § 4. Het bedrag van de honoraria van de commissaris bedoeld in paragraaf 2 enerzijds, en het bedrag van de honoraria verbonden aan de mandaten van commissaris of aan gelijkgestelde mandaten uitgevoerd door een met de commissaris verbonden persoon anderzijds, in een Belgische vennootschap onderworpen aan de wettelijke controle van haar geconsolideerde jaarrekening, bedoeld in artikel 146, en binnen de dochtervennootschappen van deze laatste, worden vermeld:
  1° in de toelichting bij de geconsolideerde jaarrekening, of, bij gebrek aan geconsolideerde jaarrekening, in de toelichting bij de jaarrekening van de vennootschap die gebruik maakt van de vrijstelling voorzien in artikel 113 van dit Wetboek, tenzij deze vennootschap een dochtervennootschap is van een Belgische vennootschap die gebruik maakt van de voornoemde vrijstelling;
  2° alsook in de toelichting bij de jaarrekening van de vennootschap die vrijgesteld is van de verplichting om een geconsolideerde jaarrekening krachtens artikel 112 op te stellen, tenzij deze vennootschap een dochtervennootschap is van een Belgische vennootschap.
  § 5. De bedragen van de honoraria verbonden aan uitzonderlijke werkzaamheden of bijzondere opdrachten uitgevoerd binnen een Belgische vennootschap die onderworpen is aan de wettelijke controle van haar geconsolideerde jaarrekening, bedoeld in artikel 146, en binnen de dochtervennootschappen van deze laatste, door de commissaris enerzijds, en door een met de commissaris verbonden persoon anderzijds, worden vermeld volgens de volgende categorieën:
  1° andere controle-opdrachten;
  2° belastingadviesopdrachten; en
  3° andere opdrachten buiten de revisorale opdrachten
  1) in de toelichting bij de geconsolideerde jaarrekening, of, bij gebrek aan geconsolideerde jaarrekening, in de toelichting bij de jaarrekening van de vennootschap die gebruik maakt van de vrijstelling voorzien in artikel 113 van dit Wetboek, tenzij deze vennootschap een dochtervennootschap is van een Belgische vennootschap die gebruik maakt van de voornoemde vrijstelling;
  2) alsook in de toelichting bij de jaarrekening van de vennootschap die vrijgesteld is van de verplichting om een geconsolideerde jaarrekening op te stellen krachtens artikel 112, tenzij deze vennootschap een dochtervennootschap is van een Belgische vennootschap.
  § 6. De honoraria van de commissaris bedoeld in paragraaf 2 mogen niet worden bepaald of beïnvloed door het verlenen van bijkomende diensten aan de vennootschap waarvan hij de jaarrekening, bedoeld in artikel 142, controleert of van een Belgische vennootschap die onderworpen is aan de wettelijke controle van haar geconsolideerde jaarrekening, bedoeld in artikel 146. Buiten deze honoraria mogen de commissarissen geen enkel voordeel, in welke vorm ook, van de vennootschap ontvangen. De vennootschap mag hun geen leningen of voorschotten toestaan, noch te hunnen behoeve waarborgen stellen of geven.
  Wanneer er opdrachten uitgevoerd worden door de commissaris of door een lid van het netwerk bedoeld in artikel 16/2 waartoe de commissaris behoort, in een vennootschap waarin de commissaris belast is met de wettelijke controle, of in een vennootschap die haar controleert of die zij controleert binnen de Europese Unie, is het in deze vennootschappen niet toegestaan aan de commissaris of aan een lid van het netwerk waartoe hij behoort opdrachten uit te voeren tegen vergoeding van resultaatgebonden honoraria, ongeacht de genomen veiligheidsmaatregelen.
  § 7. Indien de totale honoraria die van een organisatie van openbaar belang, bedoeld in artikel 4/1, in elk van de laatste drie opeenvolgende boekjaren worden ontvangen, meer dan vijftien procent bedragen van de totale honoraria van de commissaris die de wettelijke controle in elk van die boekjaren uitvoert, stelt de commissaris, met toepassing van artikel 4, § 3, van de verordening (EU) nr. 537/2014, het auditcomité daarvan in kennis en bespreekt hij met het auditcomité de bedreigingen voor zijn onafhankelijkheid en de genomen veiligheidsmaatregelen om die bedreigingen in te perken.".

  Art. 114. In boek IV, titel VII, van hetzelfde wetboek, wordt het opschrift van afdeling III van hoofdstuk I vervangen als volgt:
  "Afdeling III. Ontslag en opzegging.".

  Art. 115. Artikel 135, van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wet van 17 december 2008, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 135. § 1. Overeenkomstig artikel 132/1, worden de commissarissen benoemd voor een hernieuwbare termijn van drie jaar.
  Op straffe van schadevergoeding kunnen zij tijdens hun opdracht alleen om wettige redenen worden opgezegd door de algemene vergadering. Meer in het bijzonder is een verschil van mening over een boekhoudkundige verwerking of een controleprocedure op zich geen wettige reden voor opzegging.
  In geval van een wettelijke controle van een organisatie van openbaar belang bedoeld in artikel 4/1, kan een verzoek worden ingediend voor de opzegging van de commissaris, indien daartoe gegronde redenen bestaan, bij de rechtbank van koophandel door:
  1° elke aandeelhouder die minstens vijf procent van de stemrechten of van het kapitaal vertegenwoordigt;
  2° het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, bedoeld in artikel 32 van de wet van 7 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.
  Behoudens gewichtige persoonlijke redenen mogen de commissarissen tijdens hun opdracht geen ontslag nemen tenzij ter algemene vergadering en nadat zij deze schriftelijk hebben ingelicht over de beweegredenen van hun ontslag.
  § 2. De gecontroleerde vennootschap en de commissaris stellen het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, bedoeld in artikel 32 van de wet van 7 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, in kennis hetzij van het ontslag, hetzij van de opzegging van de commissaris tijdens zijn opdracht en zetten op afdoende wijze de redenen hiervoor uiteen, ongeacht of de voortijdige onderbreking van het mandaat al dan niet in onderling overleg is overeengekomen."

  Art. 116. In artikel 136 van hetzelfde wetboek, worden in de Nederlandse tekst de woorden "het ontslag" vervangen door de woorden "de opzegging".

  Art. 117. In boek IV, titel VII, hoofdstuk I, van hetzelfde wetboek, wordt een artikel 140/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 140/1. De commissarissen zijn aansprakelijk, overeenkomstig het gemeen recht, voor de uitoefening van de opdrachten, hen toevertrouwd door of krachtens de wet. Behoudens bij overtreding gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, wordt deze aansprakelijkheid beperkt tot een bedrag van drie miljoen euro voor de uitoefening van een van deze opdrachten bij een andere persoon dan een organisatie van openbaar belang bedoeld in artikel 4/1, verhoogd tot twaalf miljoen euro voor de uitoefening van een van deze opdrachten bij een organisatie van openbaar belang bedoeld in artikel 4/1. De Koning kan deze bedragen wijzigen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Het is de commissarissen verboden zich aan deze aansprakelijkheid, zelfs gedeeltelijk, door een bijzondere overeenkomst te onttrekken.
  De bedrijfsrevisoren zijn verplicht hun burgerrechtelijke aansprakelijkheid te laten dekken door een adequaat verzekeringscontract, dat beantwoordt aan de criteria zoals gedefinieerd in artikel 24 van de wet van 7 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.".

  Art. 118. In boek IV, titel VII, van hetzelfde wetboek, wordt het opschrift van hoofdstuk II vervangen als volgt:
  "Hoofdstuk II. - Wettelijke controle van de jaarrekening.".

  Art. 119. Artikel 143 van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wet van 20 december 2010, wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Indien het bestuursorgaan in gebreke blijft om hen deze stukken binnen de wettelijke termijn, bedoeld in lid 1, te overhandigen, stellen de commissarissen een verslag van niet-bevinding op, bestemd voor de algemene vergadering van aandeelhouders en gericht aan het bestuursorgaan, voor zover zij niet in staat zijn om de termijnen na te leven die in onderhavig Wetboek zijn voorgeschreven in verband met de terbeschikkingstelling van hun verslag van commissaris.".

  Art. 120. Artikel 144 van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wetten van 13 januari 2006 en 18 december 2015, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 144. § 1. Het verslag van de commissarissen bedoeld in artikel 143, lid 1, moet minstens volgende elementen bevatten:
  1° een inleiding, waarin ten minste wordt vermeld op welke jaarrekening de wettelijke controle betrekking heeft, welke vennootschap onderworpen is aan de wettelijke controle, wie tussenkomt in de benoemingsprocedure van de commissarissen bedoeld in artikel 130, de datum van de benoeming van de commissarissen, de termijn van hun mandaat, het aantal opeenvolgende boekjaren dat het bedrijfsrevisorenkantoor of het geregistreerd auditkantoor, of, bij gebrek eraan, de bedrijfsrevisor belast is met de wettelijke controle van de jaarrekening van de vennootschap sinds de eerste benoeming, en volgens welk boekhoudkundig referentiestelsel de jaarrekening werd opgesteld, alsook de periode waarop de jaarrekening betrekking heeft;
  2° een beschrijving van de reikwijdte van de controle, waarin ten minste wordt aangegeven welke normen voor de controle bij de uitvoering ervan zijn in acht genomen en of zij van het bestuursorgaan en aangestelden van de vennootschap de toelichtingen en de informatie hebben bekomen die nodig is voor hun controle;
  3° een vermelding die aangeeft dat de boekhouding is gevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn;
  4° een oordeel waarin de commissarissen aangeven of volgens hen de jaarrekening een getrouw beeld geeft van het vermogen, van de financiële toestand en van de resultaten van de vennootschap overeenkomstig het toepasselijk boekhoudkundig referentiestelsel en, in voorkomend geval, of de jaarrekening aan de wettelijke vereisten voldoet. Het oordeel kan de vorm aannemen van een oordeel zonder voorbehoud, een oordeel met voorbehoud, een afkeurend oordeel, of indien de commissarissen zich geen oordeel kunnen vormen, een onthoudende verklaring;
  5° een verwijzing naar bepaalde aangelegenheden waarop de commissarissen in het bijzonder de aandacht vestigen ongeacht of al dan niet een voorbehoud werd opgenomen in het oordeel;
  6° een oordeel dat aangeeft of het jaarverslag in overeenstemming is met de jaarrekening voor hetzelfde boekjaar en of het is opgesteld overeenkomstig de artikelen 95 en 96;
  7° een verklaring betreffende materiële onzekerheden die verband houden met gebeurtenissen of omstandigheden die mogelijk aanzienlijke twijfel doen rijzen over het vermogen van de vennootschap om haar bedrijfsactiviteiten voort te zetten;
  8° een vermelding die aangeeft of de resultaatverwerking die aan de algemene vergadering wordt voorgelegd, in overeenstemming is met de statuten en met dit Wetboek;
  9° de vermelding of zij kennis hebben gekregen van verrichtingen gedaan of beslissingen genomen met overtreding van de statuten of van de bepalingen van dit Wetboek. Deze laatste vermelding kan echter worden weggelaten wanneer de openbaarmaking van de overtreding aan de vennootschap onverantwoorde schade kan berokkenen, onder meer omdat het bestuursorgaan gepaste maatregelen heeft genomen om de aldus ontstane onwettige toestand te verhelpen;
  10° een vermelding die aangeeft of de documenten die overeenkomstig artikel 100, § 1, 5°, 6° /1, 6° /2 en § 2 moeten worden neergelegd zowel qua vorm als inhoud de door dit Wetboek verplichte informatie bevatten;
  11° een vermelding ter bevestiging, enerzijds, dat zij geen opdrachten hebben verricht die onverenigbaar zijn met de wettelijke controle van de jaarrekening en dat zij in de loop van hun mandaat onafhankelijk zijn gebleven tegenover de vennootschap en, anderzijds, dat de bedragen voor de bijkomende opdrachten die verenigbaar zijn met de wettelijke controle van de jaarrekening bedoeld in artikel 134 desgevallend correct zijn vermeld en uitgesplitst in de toelichting bij de jaarrekening. Indien dit niet het geval is, vermelden de commissarissen de gedetailleerde informatie zelf in hun verslag van commissaris(sen);
  12° een vermelding van de vestigingsplaats van de commissaris(sen).
  Het verslag wordt ondertekend en gedagtekend door de commissarissen.
  § 2. Indien de wettelijke controle is toevertrouwd aan meer dan één commissaris, dienen zij overeenstemming te bereiken over de resultaten van de wettelijke controle en geven zij een gezamenlijk verslag over de wettelijke controle van de jaarrekening en een gezamenlijk oordeel af. In geval van verschil van mening geeft elke commissaris zijn mening in een afzonderlijke paragraaf van het verslag met vermelding van de redenen voor het verschil van mening.
  Indien de wettelijke controle is toevertrouwd aan meer dan één commissaris, wordt het verslag over de wettelijke controle van de jaarrekening ondertekend door alle commissarissen.
  § 3. Indien de wettelijke controle is toevertrouwd aan een bedrijfsrevisorenkantoor of aan een geregistreerd auditkantoor, wordt het verslag over de wettelijke controle van de jaarrekening ondertekend door ten minste de vaste vertegenwoordiger die de wettelijke controle van de rekeningen uitvoert namens het bedrijfsrevisorenkantoor of het geregistreerd auditkantoor.
  § 4. De wettelijke controle biedt geen zekerheid omtrent de toekomstige levensvatbaarheid van de vennootschap, noch van de efficiëntie of de doeltreffendheid waarmee het bestuursorgaan de bedrijfsvoering van de vennootschap ter hand heeft genomen of zal nemen.".

  Art. 121. In boek IV, titel VII, van hetzelfde wetboek, wordt het opschrift van hoofdstuk III vervangen als volgt:
  "Hoofdstuk III. Wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening.".

  Art. 122. In artikel 146, van hetzelfde wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, wordt de eerste zin aangevuld met de volgende woorden "of geregistreerd auditkantoor";
  2° in het eerste lid, worden de woorden "Deze laatsten worden benoemd" vervangen door de woorden "Indien de geconsolideerde jaarrekening niet wordt gecontroleerd door de commissaris(sen), gebeurt de benoeming";
  3° in het tweede lid, worden de woorden "of door een geregistreerd auditkantoor dat" ingevoegd tussen de woorden "of meer bedrijfsrevisoren die" en de woorden "daartoe met onderlinge";
  4° in het derde lid, worden de woorden ", 134, §§ 1 en 3, 135 en" vervangen door het woord "tot" en worden de woorden "of het geregistreerd auditkantoor dat" ingevoegd tussen de woorden "bedrijfsrevisor die" en "instaat voor de".

  Art. 123. In boek IV, titel VII, hoofdstuk III, van hetzelfde wetboek, wordt een artikel 147/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 147/1. § 1. De commissaris, de bedrijfsrevisor of het geregistreerd auditkantoor, belast met de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening:
  1° draagt de volledige verantwoordelijkheid voor het controleverslag bedoeld in artikel 148 en, waar van toepassing, artikel 10 van de verordening (EU) nr. 537/2014 en voor, waar van toepassing, de aanvullende verklaring aan het auditcomité als bedoeld in artikel 11 van die verordening;
  2° evalueert de controlewerkzaamheden die voor het doel van de groepscontrole zijn uitgevoerd door auditors van een derde land of door wettelijke auditors van een lidstaat van de Europese Unie of van een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, hetzij natuurlijke personen, hetzij rechtspersonen, en houdt documenten bij over de aard, tijdstippen en reikwijdte van de betrokkenheid bij de door die auditors uitgevoerde werkzaamheden, indien van toepassing met inbegrip van de beoordeling door hem als bedrijfsrevisor belast met de controle van de geconsolideerde jaarrekening van relevante onderdelen van de controledocumenten van de betreffende auditors;
  3° kijkt de controlewerkzaamheden na die voor het doel van de groepscontrole zijn uitgevoerd door de auditor(s) van een derde land of door de wettelijke auditor(s) van een lidstaat van de Europese Unie of van een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, hetzij natuurlijke personen, hetzij rechtspersonen, en houdt hierover documenten bij.
  De informatie bijgehouden door de commissaris, de bedrijfsrevisor of het geregistreerd auditkantoor belast met de controle van de geconsolideerde jaarrekening moet adequaat zijn om het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, bedoeld in artikel 32 van de wet van 7 december 2016 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren in staat te stellen het werk van de bedrijfsrevisor belast met de controle van de geconsolideerde jaarrekening te beoordelen.
  Voor de toepassing van punt 3° van het eerste lid van deze paragraaf, verzoekt de de commissaris, de bedrijfsrevisor of het geregistreerd auditkantoor belast met de controle van de geconsolideerde jaarrekening, de betrokken auditor(s) van derde landen of de wettelijke auditor(s) van een lidstaat van de Europese Unie of van een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, hetzij natuurlijke personen, hetzij rechtspersonen, om instemming met de overdracht van relevante documentatie tijdens de uitvoering van de controle van de geconsolideerde jaarrekening, als voorwaarde om zich te kunnen baseren op het werk van hen.
  § 2. Indien de commissaris, de bedrijfsrevisor of het geregistreerd auditkantoor belast met de controle van de geconsolideerde jaarrekening, niet kan voldoen aan de onder paragraaf 1, lid 1, 3°, gestelde eisen, neemt hij passende maatregelen en stelt hij het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren bedoeld in artikel 32 van de wet van 00 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren daarvan in kennis.
  Deze maatregelen kunnen, in voorkomend geval, onder meer inhouden dat, hetzij direct, hetzij door deze taken uit te besteden, aanvullende controlewerkzaamheden bij de betrokken dochteronderneming worden uitgevoerd.".

  Art. 124. Artikel 148 van hetzelfde wetboek, vervangen bij de wet van 13 januari 2006, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 148. § 1. De commissarissen, of de bedrijfsrevisoren, of de geregistreerde auditkantoren aangesteld voor de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening stellen een omstandig schriftelijk verslag op dat minstens de volgende elementen bevat:
  1° een inleiding, waarin ten minste wordt vermeld op welke geconsolideerde jaarrekening de wettelijke controle betrekking heeft en op welke groep onderworpen aan de wettelijke controle, wie tussenkomt in hun benoemingsprocedure, de datum van hun benoeming, de termijn van hun mandaat, het aantal opeenvolgende boekjaren dat het bedrijfsrevisorenkantoor of het geregistreerd auditkantoor of, bij gebrek eraan, de bedrijfsrevisor belast is met de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening van de vennootschap sinds hun eerste benoeming, en volgens welk boekhoudkundig referentiestelsel de geconsolideerde jaarrekening werd opgesteld, alsook de periode waarop de geconsolideerde jaarrekening betrekking heeft;
  2° een beschrijving van de reikwijdte van de controle, waarin ten minste wordt aangegeven welke normen voor de uitvoering van de controle in acht zijn genomen en of de commissarissen of de aangeduide bedrijfsrevisoren de toelichtingen en de informatie hebben bekomen die nodig is voor hun controle;
  3° een oordeel, waarin de commissarissen of de aangestelde bedrijfsrevisoren aangeven of volgens hen de geconsolideerde jaarrekening een getrouw beeld geeft van het vermogen, van de financiële toestand en van de resultaten van het geconsolideerd geheel overeenkomstig het toepasselijk boekhoudkundig referentiestelsel en, in voorkomend geval, of de geconsolideerde jaarrekening aan de wettelijke vereisten voldoet; het oordeel kan de vorm aannemen van een oordeel zonder voorbehoud, een oordeel met voorbehoud, een afkeurend oordeel of, indien de commissarissen of de bedrijfsrevisoren zich geen oordeel kunnen vormen, een onthoudende verklaring;
  4° een verwijzing naar bepaalde aangelegenheden waarop de commissarissen of de aangestelde bedrijfsrevisoren in het bijzonder de aandacht vestigen ongeacht of al dan niet een voorbehoud werd opgenomen in het oordeel;
  5° een oordeel dat aangeeft of het jaarverslag over de geconsolideerde jaarrekening in overeenstemming is met de geconsolideerde jaarrekening voor hetzelfde boekjaar en of het is opgesteld overeenkomstig de wet;
  6° een verklaring betreffende materiële onzekerheden die verband houden met gebeurtenissen of omstandigheden die mogelijk aanzienlijke twijfel doen rijzen over het vermogen van de groep om zijn bedrijfsactiviteiten voort te zetten;
  7° een vermelding ter bevestiging, enerzijds, dat zij geen opdrachten hebben verricht die onverenigbaar zijn met de wettelijke controle en dat zij in de loop van hun mandaat onafhankelijk zijn gebleven tegenover de groep en, anderzijds, dat de bedragen voor de bijkomende opdrachten die verenigbaar zijn met de wettelijke controle bedoeld in artikel 134 desgevallend correct zijn vermeld en uitgesplitst in de toelichting bij de jaarrekening. Indien dit niet het geval is, vermelden de commissarissen de gedetailleerde informatie zelf in hun verslag over de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening;
  8° een vermelding van de vestigingsplaats van de commissaris, de bedrijfsrevisor of het geregistreerd auditkantoor.
  Het verslag wordt door de commissarissen of aangestelde bedrijfsrevisoren ondertekend en gedagtekend.
  § 2. Indien de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening is toevertrouwd aan meer dan één bedrijfsrevisor, dienen zij overeenstemming te bereiken over de resultaten van de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening en geven zij een gezamenlijk verslag en een gezamenlijk oordeel af. In geval van verschil van mening geeft elke bedrijfsrevisor zijn mening in een afzonderlijke paragraaf van het verslag met vermelding van de redenen voor het verschil van mening.
  Indien de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening is toevertrouwd aan meer dan één bedrijfsrevisor, wordt het verslag over de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening ondertekend door alle bedrijfsrevisoren.
  § 3. Indien de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening is toevertrouwd aan een bedrijfsrevisorenkantoor of aan een geregistreerd auditkantoor, wordt het verslag over de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening ondertekend door ten minste de vaste vertegenwoordiger die de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening uitvoert namens het bedrijfsrevisorenkantoor of het geregistreerd auditkantoor.
  § 4. Ingeval de jaarrekening van de moedervennootschap aan de geconsolideerde jaarrekening is gehecht, kan het krachtens dit artikel vereiste verslag van de commissarissen of van de aangestelde bedrijfsrevisoren gecombineerd worden met het in artikel 144 vereiste verslag van de commissarissen betreffende de jaarrekening van de moedervennootschap."

  Art. 125. In artikel 156 van hetzelfde wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid, ingevoegd bij de wet van 17 december 2008, worden de woorden "op voorstel van het auditcomité" vervangen door de woorden "op aanbeveling van het auditcomité" en worden in de Nederlandse tekst de woorden "Dit voorstel" vervangen door de woorden "Deze aanbeveling";
  2° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende:
  "Indien de vennootschap krachtens de wet verplicht is om een auditcomité op te richten en het voorstel van het bestuursorgaan wordt uitgebracht op aanbeveling van het auditcomité aansluitend op de selectieprocedure, bedoeld in artikel 16 van de verordening (EU) nr. 537/2014, maakt het bestuursorgaan aan de ondernemingsraad ter informatie de aanbeveling van het auditcomité, alsook de essentiële punten van de documenten die betrekking hebben op de organisatie van de selectieprocedure, met inbegrip van de selectiecriteria, over.
  Indien het voorstel van het bestuursorgaan verschilt van de voorkeur zoals vermeld in de aanbeveling van het auditcomité, licht het bestuursorgaan de redenen toe waarom de aanbeveling van het auditcomité niet wordt gevolgd en maakt hij aan de ondernemingsraad de informatie over die hij aan de algemene vergadering zal verstrekken."

  Art. 126. In artikel 157 van hetzelfde wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt het woord "bezoldiging" vervangen door het woord "honoraria";
  2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
  "In de vennootschappen die een auditcomité moeten oprichten, benoemt de voorzitter van de rechtbank van koophandel een commissaris met naleving van artikel 132/1, maar is hij niet gebonden door de aanbeveling bedoeld in artikel 130, § 3, geformuleerd door het vermeld comité.";
  3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Indien de commissaris wordt aangesteld door de voorzitter van de rechtbank van koophandel in toepassing van de procedure zoals omschreven in lid 1, brengt de vennootschap het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, bedoeld in artikel 32 van de wet van 7 december 2016 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, hiervan op de hoogte."

  Art. 127. In artikel 158 van hetzelfde wetboek worden de woorden "bezoldiging" vervangen door het woord "honoraria" en worden de woorden "bezoldiging vergoedt" vervangen door de woorden "honoraria vergoeden".

  Art. 128. In artikel 159 van hetzelfde wetboek wordt in de Nederlandse tekst het woord "ontslagen" vervangen door het woord "opgezegd".

  Art. 129. In artikel 160 van hetzelfde wetboek wordt in de Nederlandse tekst het woord "ontslag" vervangen door het woord "opzegging".

  Art. 130. In artikel 171 van hetzelfde wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 23 januari 2001, wordt tweemaal het woord "wettelijke" ingevoegd tussen de woorden "tot de "en de woorden "controle op de";
  2° in paragraaf 2, eerste lid worden de woorden ", geregistreerd auditkantoor" ingevoegd tussen het woord "bedrijfsrevisor" en de woorden "of onafhankelijke deskundige".

  Art. 131. In artikel 526bis van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 worden de woorden "en beschikt over de nodige deskundigheid op het gebied van boekhouding en audit" opgeheven;
  2° paragraaf 2 wordt aangevuld met twee leden, luidende:
  "De voorzitter van het auditcomité wordt benoemd door de leden van het comité.
  De leden van het auditcomité beschikken over een collectieve deskundigheid op het gebied van de activiteiten van de gecontroleerde vennootschap. Ten minste één lid van het auditcomité beschikt over de nodige deskundigheid op het gebied van boekhouding en audit.";
  3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "hij het voorzitterschap van dit orgaan niet waarneemt als dit optreedt in de hoedanigheid van auditcomité" vervangen door de woorden "hij niet optreedt als voorzitter wanneer de raad van bestuur de functies van auditcomité uitoefent";
  4° de paragrafen 4 tot 7 worden vervangen als volgt:
  " § 4. Onverminderd de wettelijke opdrachten van de raad van bestuur heeft het auditcomité minstens de volgende taken:
  1) de raad van bestuur in kennis stellen van het resultaat van de wettelijke controle van de jaarrekening en, in voorkomend geval, van de geconsolideerde jaarrekening en toelichten op welke wijze de wettelijke controle van de jaarrekening en, in voorkomend geval, van de geconsolideerde jaarrekening heeft bijgedragen tot de integriteit van de financiële verslaglegging en welke rol het auditcomité in dat proces heeft gespeeld;
  2) monitoring van het financiële verslaggevingsproces en aanbevelingen of voorstellen te doen om de integriteit van het proces te waarborgen;
  3) monitoring van de doeltreffendheid van de systemen voor interne controle en risicobeheer van de vennootschap alsook, indien er een interne audit bestaat, monitoring van de interne audit en van zijn doeltreffendheid;
  4) monitoring van de wettelijke controle van de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening, inclusief opvolging van de vragen en aanbevelingen geformuleerd door de commissaris en, in voorkomend geval, door de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening;
  5) beoordeling en monitoring van de onafhankelijkheid van de commissaris en, in voorkomend geval, van de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening, waarbij met name wordt nagegaan of de verlening van bijkomende diensten aan de vennootschap passend is. Meer in het bijzonder analyseert het auditcomité met de commissaris de bedreigingen voor zijn onafhankelijkheid en de veiligheidsmaatregelen die genomen zijn om deze bedreigingen in te perken, wanneer de totale honoraria bij een organisatie van openbaar belang, bedoeld in artikel 4/1, meer bedragen dan de criteria bepaald in artikel 4, § 3, van de verordening (EU) nr. 537/2014;
  6) aanbeveling aan de raad van bestuur van de vennootschap voor de benoeming van de commissaris en, in voorkomend geval, van de bedrijfsrevisor die instaat voor de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening, overeenkomstig artikel 16, § 2, van verordening (EU) nr. 537/2014.
  Indien de hernieuwing van het mandaat bedoeld wordt in artikel 132/1, §§ 3 of 4, zal deze aanbeveling aan de raad van bestuur uitgewerkt worden aansluitend op de selectieprocedure bedoeld in artikel 16, § 3, van verordening (EU) nr. 537/2014.
  Het auditcomité brengt bij de raad van bestuur geregeld verslag uit over de uitoefening van zijn taken, en ten minste wanneer de raad van bestuur de jaarrekening, de geconsolideerde jaarrekening en, in voorkomend geval, de voor publicatie bestemde verkorte financiële overzichten opstelt.
  § 5. Onverminderd de wettelijke bepalingen die erin voorzien dat de commissaris verslagen of waarschuwingen richt aan organen van de vennootschap, bespreken, op vraag van de commissaris en, in voorkomend geval, van de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening of op vraag van het auditcomité of van de raad van bestuur, de commissaris en, in voorkomend geval de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening, met het auditcomité of zelfs met de raad van bestuur essentiële zaken die bij de uitoefening van hun wettelijke controle van de jaarrekeningen aan het licht zijn gekomen, die zijn opgenomen in de aanvullende verklaring aan het auditcomité, en meer bepaald de betekenisvolle tekortkomingen desgevallend ontdekt in het interne financiële controlesysteem van de vennootschap of, in het geval van geconsolideerde jaarrekening, van de moedervennootschap en/of in haar boekhoudsysteem.
  § 6. De commissaris en, in voorkomend geval, de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening of het geregistreerd auditkantoor:
  1) bevestigen jaarlijks schriftelijk aan het auditcomité dat, naargelang het geval, de commissaris of de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening, en zijn vennoten, alsook de hogere leidinggevenden en leidinggevenden die de wettelijke controle uitvoeren, onafhankelijk zijn van de vennootschap;
  2) melden jaarlijks alle voor de vennootschap verrichte bijkomende diensten aan het auditcomité;
  3) voeren overleg met het auditcomité over de bedreigingen voor hun onafhankelijkheid en de veiligheidsmaatregelen die genomen zijn om deze bedreigingen in te perken, zoals door hen onderbouwd. Meer in het bijzonder informeren zij en analyseren zij met het auditcomité de bedreigingen voor hun onafhankelijkheid en de veiligheidsmaatregelen die genomen zijn om deze bedreigingen in te perken, wanneer de totale honoraria die zij van een organisatie van openbaar belang, bedoeld in artikel 4/1, ontvangen meer bedragen dan de criteria bepaald in artikel 4, § 3, van de verordening (EU) nr. 537/2014;
  4) stellen een aanvullende verklaring op bedoeld in artikel 11 van de verordening (EU) nr. 537/2014;
  5) bevestigen dat het controleverslag consistent is met de aanvullende verklaring aan het auditcomité bedoeld in artikel 11 van de verordening (EU) nr. 537/2014.
  In de vennootschappen die voldoen aan de criteria omschreven in paragraaf 3 die geen auditcomité inrichten, blijven de opdrachten van de commissaris en, in voorkomend geval van de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening, zoals opgenomen onder paragraaf 6, van toepassing, maar worden zij uitgeoefend ten aanzien van de raad van bestuur.
  De commissaris en, in voorkomend geval de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening, maken jaarlijks aan het auditcomité, enerzijds, indien dergelijk comité is ingericht, en aan de raad van bestuur, anderzijds, de aanvullende verklaring bedoeld in artikel 11 van de verordening (EU) nr. 537/2014 over. Deze aanvullende verklaring wordt overgemaakt uiterlijk op de datum van indiening van het controleverslag bedoeld in de artikelen 144 en 148 en in artikel 10 van de verordening (EU) nr. 537/2014.
  Op gemotiveerd verzoek van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, maken het auditcomité of, in voorkomend geval, de raad van bestuur, de aanvullende verklaring bedoeld in artikel 11 van de verordening (EU) nr. 537/2014 over.
  § 7. Zijn vrijgesteld van de verplichting tot instelling van een auditcomité als bedoeld in de paragrafen 1 tot 5:
  1) elke vennootschap die een instelling voor collectieve belegging in effecten (ICBE's) is zoals gedefinieerd door de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen of de alternatieve instellingen voor collectieve belegging (AICB) zoals gedefinieerd door de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders;
  2) elke vennootschap waarvan de enige zakelijke activiteit bestaat in het uitgeven van door activa gedekte waardepapieren, zoals gedefinieerd in artikel 2, § 5, van Verordening (EG) nr. 809/2004 van de Europese Commissie; in dat geval zet de vennootschap aan het publiek uiteen waarom zij het niet dienstig acht hetzij een auditcomité in te stellen, hetzij de raad van bestuur te belasten met de uitvoering van de taken van een auditcomité.
  De opdrachten van de commissaris en, in voorkomend geval van de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening, zoals opgenomen onder paragraaf 6, blijven van toepassing, maar worden uitgeoefend ten aanzien van de raad van bestuur."

  TITEL 6. - Wijzigingen in de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen

  Art. 132. In artikel 3 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, wordt een bepaling onder 8° /4 ingevoegd, luidende:
  "8° /4. Verordening nr. 537/2014: de Verordening (EU) Nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie;".

  Art. 133. In artikel 27 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, worden de woorden "in meer dan twee van de voornoemde comités zetelen" vervangen door de woorden "in meer dan drie van de voornoemde comités zetelen";
  2° artikel 27 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "De meerderheid van de leden van het auditcomité is onafhankelijk in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen. De voorzitter van het auditcomité wordt benoemd door de leden van het comité.".

  Art. 134. In artikel 28 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
  "Het auditcomité heeft minstens de in artikel 526bis, § 4 van het Wetboek van Vennootschappen opgenomen taken.";
  2° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "de elementen in de in deze paragraaf opgenomen lijst" vervangen door de woorden "de in deze paragraaf bedoelde elementen";
  3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
  " § 3. De erkend commissaris is belast met de in artikel 526bis, § 6, leden 1 tot 3 van het Wetboek van Vennootschappen opgenomen opdrachten.".

  Art. 135. Artikel 33, § 2, van dezelfde wet, wordt aangevuld met drie leden, luidende:
  "Ongeacht de voorwaarden bepaald door de toezichthouder in toepassing van het eerste lid, maakt de erkend commissaris jaarlijks de in artikel 11 van verordening nr. 537/2014 bedoelde aanvullende verklaring over aan de bestemmelingen voorzien in artikel 225/1.
  Wanneer de voorwaarden bepaald door de toezichthouder in toepassing van het eerste lid aanleiding geven tot de oprichting van een auditcomité, zijn de in artikel 16, lid 5, van verordening nr. 537/2014 bedoelde modaliteiten van het voorstel van benoeming van een erkend commissaris van toepassing.
  De in artikel 28, § 3, opgenomen opdrachten van de erkend commissaris blijven van toepassing, maar worden uitgeoefend ten aanzien van het wettelijk bestuursorgaan wanneer de voorwaarden bepaald door de toezichthouder geen oprichting van een auditcomité opleggen.".

  Art. 136. Artikel 225/1 van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 225/1. De erkend commissaris maakt jaarlijks aan het auditcomité, enerzijds, indien dergelijk comité is opgericht, en aan het wettelijk bestuursorgaan, anderzijds, de in artikel 11 van verordening nr. 537/2014 bedoelde aanvullende verklaring over. Deze verklaring heeft met name betrekking op belangrijke zaken die bij de uitoefening van zijn wettelijke controle van de jaarrekening aan het licht zijn gekomen, en meer bepaald de ernstige tekortkomingen in de interne controle met betrekking tot de financiële verslaggeving. Deze aanvullende verklaring wordt overgemaakt uiterlijk op de datum van de indiening van het in artikel 220, in de artikelen 144 en 148 van het Wetboek van Vennootschappen en in artikel 10 van verordening nr. 537/2014 bedoelde controleverslag.
  Op verzoek van de toezichthouder, maakt het auditcomité of, in voorkomend geval, het wettelijk bestuursorgaan, de in het eerste lid bedoelde aanvullende verklaring over.".

  TITEL 7. - Wijzigingen van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen

  Art. 137. In artikel 15 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, wordt een bepaling onder 8° /1 ingevoegd, luidende:
  "8° /1. Verordening nr. 537/2014: de Verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie;".

  Art. 138. Artikel 48 van dezelfde wet, wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "De meerderheid van de leden van het auditcomité is onafhankelijk in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen. De voorzitter van het auditcomité wordt benoemd door de leden van het comité.".

  Art. 139. In artikel 49 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
  "Het auditcomité heeft minstens de in artikel 526bis, § 4, van het Wetboek van Vennootschappen opgenomen taken.";
  2° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "de elementen in de in deze paragraaf opgenomen lijst" vervangen door de woorden "de in deze paragraaf bedoelde elementen";
  3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
  " § 3. De erkend commissaris is belast met de in artikel 526bis, § 6, leden 1 tot 3 van het Wetboek van Vennootschappen opgenomen opdrachten.".

  Art. 140. In artikel 52 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "neemt hij het voorzitterschap van het wettelijk bestuursorgaan niet waar als dit optreedt in de hoedanigheid van één van de in artikel 48 bedoelde comités" vervangen door de woorden "oefent hij de functies van voorzitter niet uit zolang het wettelijk bestuursorgaan de functies uitoefent van één van de in artikel 48 bedoelde comités.";
  2° paragraaf 3 wordt aangevuld met drie leden, luidende:
  "Ongeacht de voorwaarden bepaald door de Bank in toepassing van het eerste lid, maakt de erkend commissaris jaarlijks de in artikel 11 van Verordening nr. 537/2014 bedoelde aanvullende verklaring over aan de bestemmelingen voorzien in artikel 79.
  Wanneer de voorwaarden bepaald door de Bank in toepassing van het eerste lid aanleiding geven tot de oprichting van een auditcomité, zijn de in artikel 16, paragraaf 5 van Verordening nr. 537/2014 bedoelde modaliteiten van het voorstel van benoeming van een erkend commissaris van toepassing.
  De in artikel 49, paragraaf 3, opgenomen opdrachten van de erkend commissaris blijven van toepassing, maar worden uitgeoefend ten aanzien van het wettelijk bestuursorgaan wanneer de voorwaarden bepaald door de Bank geen oprichting van een auditcomité opleggen.".

  Art. 141. Artikel 79 van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 79. De erkend commissaris maakt jaarlijks aan het auditcomité, enerzijds, indien dergelijk comité is opgericht, en aan het wettelijk bestuursorgaan, anderzijds, de in artikel 11 van Verordening nr. 537/2014 bedoelde aanvullende verklaring over. Deze verklaring heeft met name betrekking op belangrijke kwesties die bij de uitoefening van zijn wettelijke controle van de jaarrekening naar voren zijn gekomen, en inzonderheid de ernstige tekortkomingen in de interne controle met betrekking tot het financiële verslaggevingsproces. Deze aanvullende verklaring wordt overgemaakt uiterlijk op de datum van de indiening van het in artikel 325, in de artikelen 144 en 148 van het Wetboek van Vennootschappen en in artikel 10 van Verordening nr. 537/2014 bedoelde controleverslag.
  Op verzoek van de Bank, maakt het auditcomité of, in voorkomend geval, het wettelijk bestuursorgaan, de in het eerste lid bedoelde aanvullende verklaring over.".

  TITEL 8. - Wijzigingen in het Gerechtelijk Wetboek

  Art. 142. Artikel 605bis van het Gerechtelijk Wetboek wordt vervangen als volgt:
  "Art. 605bis. Het hof van beroep neemt kennis van het beroep als bedoeld in de artikelen 120, 121 en 123 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en in artikel 36/21 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, van het beroep als bedoeld in artikel 2 van de wet van 12 mei 2004 tot regeling van een beroepsprocedure in het kader van de bescherming tegen valsemunterij en de handhaving van de kwaliteit van de geldomloop, en van het beroep als bedoeld in artikel 61 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren."

  Art. 143. Artikel 1121/1, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek wordt vervangen als volgt:
  "Art. 1121/1. § 1. Het Hof van Cassatie doet uitspraak over de cassatieberoepen tegen de beslissingen in laatste aanleg van:
  1° de raden van beroep van de Orde van advocaten;
  2° de provinciale raden of de raden van beroep van de Orde van geneesheren;
  3° de provinciale raden of de raden van beroep van de Orde van apothekers;
  4° de gemengde raden van beroep van de Orde der dierenartsen;
  5°. ..
  6° de raden van beroep van de Orde van architecten;
  7° de Onderzoeksraad voor de scheepvaart;
  8° de beroepscommissie van het Instituut van accountants en belastingconsulenten, alsook van de uitvoerende kamers of de verenigde uitvoerende kamers, of van de kamers van beroep of van de verenigde kamers van beroep van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten;
  9° de beroepscommissie van het Instituut voor bedrijfsjuristen;
  10° de Federale Raad van beroep van de landmetersexperten;
  11° de commissie van beroep van de auto-experts;
  12° de uitvoerende kamers of de verenigde uitvoerende kamers, of van de kamers van beroep of van de verenigde kamers van beroep van het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars;
  13° de uitvoerende kamers of de verenigde uitvoerende kamers, of van de kamers van beroep of van de verenigde kamers van beroep ingesteld krachtens de Kaderwet van 3 augustus 2007 betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen."

  TITEL 9. - Opheffings- en diverse bepalingen

  Art. 144.§ 1. De wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en tot organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor, [1 gecoördineerd op 30 april 2007,]1 met uitzondering van de artikelen 43, § 3, eerste lid, tweede zin en § 4, en 44, §§ 1, 2 en 5, artikel 58, §§ 2 en 3, artikelen 60 tot en met 62, artikel 63, §§ 2 en 3, artikelen 64 tot en met 75, wordt opgeheven op de in artikel 156, § 1, vermelde datum.
  De artikelen 43, § 3, eerste lid, tweede zin en § 4, en 44, §§ 1, 2 en 5, van voornoemde wet worden opgeheven op de in artikel 156, § 2, 1°, vermelde datum.
  Het artikel 58, §§ 2 en 3, de artikelen 60 tot en met 62, het artikel 63, §§ 2 en 3, de artikelen 64 tot en met 75 van de voornoemde wet worden opgeheven op de in artikel 156, § 2, 3°, vermelde datum.
  § 2. Het artikel 43, § 4, van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en tot organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor, [1 gecoördineerd op 30 april 2007,]1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Om de overgang te garanderen tussen de Kamer van verwijzing en instaatstelling en het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, en om de overdrachtsverplichtingen waarvan sprake in artikel 150 van de wet van 00 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren te kunnen naleven, kan de Kamer van verwijzing en instaatstelling, in afwijking van § 3 en artikel 458 van het Strafwetboek, vertrouwelijke informatie over de dossiers in behandeling die zij ontvangt in het kader van de opdrachten die haar door of krachtens deze wet zijn toevertrouwd, verstrekken aan het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren en, zolang dat College niet is opgericht, aan de FSMA.".
  § 3. Het College van toezicht treedt niet in de rechten en verbintenissen van de Kamer van Verwijzing en Instaatstelling, maar ziet toe op een ordelijke administratieve vereffening van haar verbintenissen. Dit impliceert de uitsluiting van alle kwesties die verband houden met beloning, pensioenen en andere daarmee vergelijkbare rechten. De aan de ontbinding van de Kamer van Verwijzing en Instaatstelling verbonden administratieve kosten worden gedragen door het Instituut van de Bedrijfsrevisoren. Het overschot van de activa ten opzichte van de passiva komt het Instituut van de Bedrijfsrevisoren toe. Het College kan het sekwester van de activa bevelen gedurende de periode die nodig is om de verbintenissen van de Kamer van Verwijzing en Instaatstelling te vereffenen. Het sekwester wordt op verzoek van het College aangesteld door de Voorzitter van de rechtbank van koophandel, die uitspraak doet als in kort geding.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 102, 005; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 145. Worden opgeheven, op de datum bepaald door de Koning:
  1° het koninklijk besluit van 21 april 2007 tot omzetting van bepalingen van de Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad;
  2° het koninklijk besluit van 25 april 2007 tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen met het oog op het omzetten van bepalingen van de Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad;
  3° het koninklijk besluit van 26 april 2007 tot organisatie van het toezicht en de kwaliteitscontrole en houdende het tuchtreglement voor de bedrijfsrevisoren, met uitzondering van de artikelen 24 tot en met 35 en het artikel 36, §§ 2 en 3. De artikelen 24 tot en met 35 en 36, §§ 2 en 3 worden opgeheven op de in artikel 156, § 2, 3° datum;
  4° het koninklijk besluit van 30 april 2007 houdende coördinatie van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor en van het koninklijk besluit van 21 april 2007 tot omzetting van bepalingen van de Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad;
  5° het koninklijk besluit van 30 april 2007 betreffende de erkenning van bedrijfsrevisoren en het openbaar register;
  6° het koninklijk besluit van 30 april 2007 betreffende de toegang tot het beroep van bedrijfsrevisor en tot opheffing van het koninklijk besluit van 13 oktober 1987 betreffende de stage van de kandidaat-bedrijfsrevisoren;
  7° het koninklijk besluit van 30 april 2007 houdende benoeming van leden van de Tuchtcommissie bij het Instituut van de Bedrijfsrevisoren bedoeld in artikel 58 van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en tot organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor;
  8° het koninklijk besluit van 30 april 2007 houdende benoeming van leden van de Kamer van verwijzing en instaatstelling bedoeld in artikel 44, § 5, van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en tot organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor;
  9° het koninklijk besluit van 7 juni 2007 tot vaststelling van het huishoudelijk reglement van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren;
  10° het koninklijk besluit van 3 september 2010 betreffende de inschrijving van auditors en auditorganisaties van derde landen in het openbaar register van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren en het publiek toezicht, de kwaliteitscontrole en het toezicht op auditors en auditorganisaties van derde landen;
  11° het koninklijk besluit van 25 april 2014 tot uitvoering van artikel 77decies van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor, gecoördineerd op 30 april 2007;
  12° het koninklijk besluit van 10 januari 1994 betreffende de plichten van de bedrijfsrevisoren.

  TITEL 10. - Overgangsbepalingen

  Art. 146. De bedrijfsrevisor die zich in een van de in artikel 29, § 2, bedoelde situaties van onverenigbaarheid bevindt en die, op de datum van inwerkingtreding van deze wet, een afwijking geniet die hem toelaat om een functie van bediende, behalve bij een andere bedrijfsrevisor, of een handelsactiviteit, rechtstreeks of onrechtstreeks, onder andere in de hoedanigheid van bestuurder van een handelsvennootschap, uit te oefenen, behoudt het voorrecht van deze afwijking tot de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit in voorkomend geval genomen op basis van artikel 29, § 3.
  Het Instituut maakt aan het College de lijst van de bedrijfsrevisoren over die op de datum van inwerkingtreding van deze wet, genieten van een afwijking zoals bedoeld in het eerste lid.

  Art. 147.§ 1. Vanaf de datum [1 van inwerkingtreding van deze wet]1 wordt aan de Tuchtcommissie als bedoeld in artikel 58 van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en tot organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor, de bevoegdheid gedelegeerd om tuchtmaatregelen op te leggen aan de bedrijfsrevisoren voor de dossiers die haar op rechtsgeldige wijze zijn voorgelegd vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet. De Tuchtcommissie verricht die taken op de wijze en volgens de modaliteiten zoals voorzien in Hoofdstuk VIII, afdeling III, onderafdelingen 1, 3 en 4, van voornoemde wet van 22 juli 1953.
  § 2. De Koning kan de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel vaststellen.
  ----------
  (1)<W 2019-05-02/28, art. 103, 005; Inwerkingtreding : 01-06-2019>

  Art. 148.§ 1. Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet dient, tegen de op basis van [1 artikel 147]1 genomen beslissingen van de Tuchtcommissie, hoger beroep aanhangig te worden gemaakt bij de in artikel 63 van voornoemde wet van 22 juli 1953 bedoelde Commissie van Beroep.
  § 2. Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet zorgt de in artikel 63 van voornoemde wet van 22 juli 1953 bedoelde Commissie van Beroep voor de verdere afhandeling van de beroepen tegen de beslissingen van de Tuchtcommissie die haar op rechtsgeldige wijze zijn voorgelegd vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet of op basis van paragraaf 1 na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  § 3. Hoofdstuk VIII, afdeling III, onderafdelingen 2, 3 en 4, van voornoemde wet van 22 juli 1953 zijn van toepassing op de in paragrafen 1 en 2 bedoelde beroepen.
  § 4. De Koning kan de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel vaststellen.
  ----------
  (1)<W 2018-07-30/47, art. 94, 003; Inwerkingtreding : 15-09-2018>

  Art. 149. § 1. Op de datum van inwerkingtreding van deze wet worden de lopende toezichtsdossiers die door het Instituut worden behandeld, en die betrekking hebben op feiten van 2012, 2013, 2014, 2015 of 2016 aan het College overgedragen.
  Alle toezichtsdossiers die nog steeds door het Instituut worden behandeld op de datum van inwerkingtreding van deze wet, en die betrekking hebben op feiten van 2011 of eerder worden ambtshalve zonder verder gevolg afgesloten.
  § 2. Op de datum van inwerkingtreding van deze wet worden de lopende kwaliteitscontroledossiers met betrekking tot de op of na 31 december 2011 afgesloten rekeningen, die door het Instituut worden behandeld, aan het College overgedragen. Alle lopende kwaliteitscontroledossiers die op de datum van inwerkingtreding van deze wet nog steeds door het Instituut worden behandeld, en die betrekking hebben tot de vóór 31 december 2011 afgesloten rekeningen of eerder, worden ambtshalve zonder verder gevolg afgesloten.
  § 3. Het Instituut bezorgt het College alle pertinente informatie, documenten, stukken en gegevens waarover het beschikt, om het College in staat te stellen de krachtens paragrafen 1 en 2 overgedragen dossiers verder af te handelen. De Koning kan de toepassingsmodaliteiten van die verplichting bepalen.

  Art. 150. § 1. Op de datum van inwerkingtreding van deze wet worden de lopende toezichtsdossiers die door de Kamer van verwijzing en instaatstelling als bedoeld in artikel 44 van de wet van 22 juli 1953 worden behandeld, en die betrekking hebben op feiten van 2012, 2013, 2014, 2015 of 2016 aan het College overgedragen. Alle toezichtsdossiers die nog steeds door de Kamer van verwijzing en instaatstelling worden behandeld op de datum van inwerkingtreding van deze wet, en die betrekking hebben op feiten van 2011 of eerder worden ambtshalve zonder verder gevolg afgesloten.
  § 2. Op de datum van inwerkingtreding van deze wet worden de kwaliteitscontroledossiers met betrekking tot de op of na 31 december 2011 afgesloten rekeningen, die door de Kamer van verwijzing en instaatstelling worden behandeld, aan het College overgedragen. Alle kwaliteitscontroledossiers die op de datum van inwerkingtreding van deze wet nog steeds door de Kamer van verwijzing en instaatstelling worden behandeld, en die betrekking hebben op de vóór 31 december 2011 afgesloten rekeningen of eerder, worden ambtshalve zonder verder gevolg afgesloten.
  § 3. De Kamer van verwijzing en instaatstelling bezorgt het College alle pertinente informatie, documenten, stukken en gegevens waarover zij beschikt, om het College in staat te stellen de krachtens paragrafen 1 en 2 overgedragen dossiers verder af te handelen. De Koning kan de toepassingsmodaliteiten van die verplichting bepalen.

  Art. 151. De Koning kan de verplichtingen en de modaliteiten met betrekking tot de overdracht van de afgehandelde of lopende dossiers, en van informatie, gegevens en documenten door het Instituut, de Kamer van verwijzing en instaatstelling, en de tuchtinstanties aan het College en aan de sanctiecommissie bepalen.

  Art. 152. De bepalingen van artikel 131, § 2, stellen geen einde aan de lopende mandaten van voorzitter van het auditcomité op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  Deze mandaten worden verdergezet tot het verstrijken van hun oorspronkelijke termijn, onverminderd de mogelijkheid voor de bevoegde organen om hieraan voortijdig een einde te stellen overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen en van de statuten van de betrokken vennootschappen.

  Art. 153. De bepalingen van artikel 133 stellen geen einde aan de lopende mandaten van lid of van voorzitter van het auditcomité van kredietinstellingen op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  Deze mandaten worden verdergezet tot het verstrijken van hun oorspronkelijke termijn, onverminderd de mogelijkheid voor de bevoegde organen om hieraan voortijdig een einde te stellen overeenkomstig de bepalingen van deze wet, van het Wetboek van Vennootschappen en van de statuten van de betrokken vennootschappen.

  Art. 154. De bepalingen van artikel 138 stellen geen einde aan de lopende mandaten van lid of van voorzitter van het auditcomité van verzekeringsondernemingen en herverzekeringsondernemingen op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  Deze mandaten worden verdergezet tot het verstrijken van hun oorspronkelijke termijn, onverminderd de mogelijkheid voor de bevoegde organen om hieraan voortijdig een einde te stellen overeenkomstig de bepalingen van deze wet, van het Wetboek van Vennootschappen en van de statuten van de betrokken vennootschappen.

  Art. 155. De reserves gehouden door het Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris beschikbaar op datum van 31 december 2015 worden doorgestort naar de schatkist.
  De gelden die vanaf 1 januari 2016 tot het in werking treden van deze wet aan het Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris gestort werden, worden overgedragen aan de Commissie voor Boekhoudkundige Normen.

  Art. 156. § 1. Deze wet treedt in werking op een door de Koning vastgestelde datum, en uiterlijk op 31 december 2016.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 zijn de volgende specifieke bepalingen van toepassing met betrekking tot artikel 144, § 1, tweede en derde lid, en § 2 en artikel 145, 3° :
  1° artikel 144, § 1, tweede lid, treedt in werking op 31 december 2016;
  2° artikel 144, § 2, treedt in werking op de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  3° artikel 144, § 1, derde lid en artikel 145, 3°, treden in werking op de door de Koning vastgestelde datum.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 7 december 2016.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Werk, Economie en Consumenten
K. PEETERS
De Minister van Justitie,
K. GEENS
De Minister van Financiën,
J. VAN OVERTVELDT
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt :

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 20-07-2020 GEPUBL. OP 05-08-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 5; 6; 7; 8; 9)
  • originele versie
  • WET VAN 02-05-2019 GEPUBL. OP 22-05-2019
    (GEWIJZIGDE ART. : 45; 56; 59; 62; 75; 144; NL147)
  • originele versie
  • WET VAN 30-07-2018 GEPUBL. OP 05-09-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 8; 8/1; 9; F13; 24; ; 26. F32; F40; 43; 47; 51; 54; 54/1; 54/2; 73; 86; 148)
  • originele versie
  • WET VAN 30-07-2018 GEPUBL. OP 10-08-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 45; 54/3)
  • originele versie
  • WET VAN 11-07-2018 GEPUBL. OP 20-07-2018
    (GEWIJZIGD ART. : 3)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Kamer van volksvertegenwoordigers (www.dekamer.be) Stukken : 54 2083 Integraal verslag : 24 november 2016.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 12 uitvoeringbesluiten 5 gearchiveerde versies
    Franstalige versie