einde

Publicatie : 2016-02-19

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE

5 FEBRUARI 2016. - Wet tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie



FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
TITEL 1. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
TITEL 2. - Wijzigingen van het strafrecht
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het Strafwetboek
Art. 2. Artikel 9 van het Strafwetboek, vervangen bij de wet van 10 juli 1996, wordt aangevuld met de bepaling onder 5°, luidende : "5° dertig tot veertig jaar.".
Art. 3. Artikel 11 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 juli 1996, wordt aangevuld met de bepaling onder 5°, luidende : "5° dertig tot veertig jaar.".
Art. 4. In artikel 18 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 23 januari 2003, worden de woorden "of van dertig jaar tot veertig jaar" ingevoegd tussen de woorden "van twintig jaar tot dertig jaar" en de woorden "wordt bij uittreksel gedrukt".
Art. 5. In artikel 19, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 23 januari 2003, worden de woorden ", tot hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar of van vijftien jaar tot twintig jaar" vervangen door de woorden "of tot hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar of voor een langere termijn".
Art. 6. In artikel 25 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 21 december 2009, wordt het vijfde lid vervangen als volgt :
"Hij is ten hoogste achtentwintig jaar voor een met opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.
Hij is ten hoogste achtendertig jaar voor een met opsluiting van dertig jaar tot veertig jaar strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.
Hij is ten hoogste veertig jaar voor een met levenslange opsluiting strafbare misdaad die gecorrectionaliseerd is.".
Art. 7. In artikel 31 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, worden de woorden "Bij alle arresten van veroordeling tot levenslange opsluiting of levenslange hechtenis of tot opsluiting voor een termijn van tien tot vijftien jaar of een langere termijn" vervangen door de woorden "Bij alle vonnissen of arresten van veroordeling tot levenslange opsluiting of levenslange hechtenis, tot opsluiting van tien jaar of meer of tot gevangenisstraf van twintig jaar of meer";
2° in het tweede lid, worden de woorden "of vonnissen" ingevoegd tussen de woorden "De arresten" en de woorden "van veroordeling".
Art. 8. Artikel 32 van het hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 23 januari 2003 en 14 april 2009, wordt vervangen als volgt :
"Art. 32. De hoven en rechtbanken kunnen de veroordeelden tot opsluiting van vijf tot minder dan tien jaar, tot tijdelijke hechtenis of tot gevangenisstraf van tien tot minder dan twintig jaar, voor hun leven of voor tien jaar tot twintig jaar, geheel of ten dele ontzetten van de uitoefening van de rechten bedoeld in artikel 31.".
Art. 9. In artikel 33 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 april 2009, worden de woorden "De hoven en rechtbanken kunnen" vervangen door de woorden "Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 31 en 32 kunnen de hoven en rechtbanken".
Art. 10. In artikel 33bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 april 2009, worden de woorden "De hoven en rechtbanken zullen" vervangen door de woorden "Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 31 en 32 zullen de hoven en rechtbanken".
Art. 11. In artikel 34ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden "tot een criminele straf" vervangen door de woorden "tot een vrijheidsstraf van minstens vijf jaar".
Art. 12. In artikel 37ter, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 april 2002 en gewijzigd bij de wet van 17 mei 2006, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
"De werkstraf mag niet worden uitgesproken voor de feiten :
1° die strafbaar zouden zijn met een maximumstraf van meer dan twintig jaar opsluiting als ze niet in wanbedrijven werden omgezet;
2° die bedoeld zijn in de artikelen 375 tot 377;
3° die bedoeld zijn in de artikelen 379 tot 387, indien de feiten zijn gepleegd op of met behulp van minderjarigen;
4° die bedoeld zijn in de artikelen 393 tot 397.".
Art. 13. Artikel 52 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De pogingen tot misdaden die strafbaar zijn met levenslange opsluiting of levenslange hechtenis worden echter respectievelijk gestraft met twintig jaar tot dertig jaar opsluiting of met twintig jaar tot dertig jaar hechtenis.".
Art. 14. In artikel 56 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het derde lid, opgeheven door de wet van 9 april 1930, wordt hersteld als volgt :
"Zelfs in de gevallen bedoeld in het eerste en tweede lid, indien het nieuwe wanbedrijf een misdaad is die werd gecorrectionaliseerd of waarvoor het hof van assisen het bestaan van verzachtende omstandigheden heeft aanvaard, mag de gevangenisstraf de maximumduur van de opsluiting waarin de wet voorziet voor die misdaad of veertig jaar indien het om levenslange opsluiting gaat, niet te boven gaan.";
2° het artikel wordt aangevuld met een vierde lid, luidende :
"In geen geval mag de uitgesproken straf een jaar straf onder elektronisch toezicht, driehonderd uren werkstraf of twee jaar autonome probatiestraf te boven gaan.".
Art. 15. In artikel 60 van het hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 1 februari 1977 en gewijzigd bij de wet van 17 april 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° een zin, luidend als volgt, wordt ingevoegd tussen de eerste en de tweede zin :
"De uitgesproken straf mag niet hetzij twintig jaar gevangenisstraf, hetzij de zwaarste gevangenisstraf als deze meer dan twintig jaar gevangenis is, te boven gaan.";
2° in de tweede zin, die de derde wordt, worden de woorden "twintig jaar gevangenisstraf of" opgeheven.
Art. 16. Artikel 69, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de volgende zin : "Zij worden echter gestraft met twintig jaar tot dertig jaar opsluiting of twintig jaar tot dertig jaar hechtenis indien zij medeplichtig waren aan een misdaad die strafbaar is met levenslange opsluiting of met levenslange hechtenis.".
Art. 17. In artikel 80 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 december 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden "en van ten hoogste veertig jaar.";
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"Opsluiting van dertig jaar tot veertig jaar door opsluiting van achtendertig jaar of voor een kortere termijn, of door gevangenisstraf van ten minste drie jaar en van ten hoogste achtendertig jaar.
Opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar door opsluiting van achtentwintig jaar of voor een kortere termijn, of door gevangenisstraf van ten minste drie jaar en van ten hoogste achtentwintig jaar.";
3° het derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt aangevuld met de woorden "en van ten hoogste vijftien jaar.";
4° het vierde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt aangevuld met de woorden "en van ten hoogste tien jaar.";
5° het vijfde lid, dat het zesde lid wordt, wordt aangevuld met de woorden "en van ten hoogste vijf jaar.".
Art. 18. In artikel 81 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 23 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden "en van ten hoogste veertig jaar.";
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"Hechtenis van dertig jaar tot veertig jaar door hechtenis van achtendertig jaar of voor een kortere termijn, of door gevangenisstraf van ten minste één jaar en van ten hoogste achtendertig jaar.
Hechtenis van twintig jaar tot dertig jaar door hechtenis van achtentwintig jaar of voor een kortere termijn, of door gevangenisstraf van ten minste één jaar en van ten hoogste achtentwintig jaar.";
3° het derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt aangevuld met de woorden "en van ten hoogste vijftien jaar.";
4° in het vierde lid, dat het vijfde lid wordt, wordt de eerste zin aangevuld met de woorden "en van ten hoogste tien jaar.";
5° de tweede zin van het vierde lid wordt het zesde lid en wordt aangevuld met de woorden "en van ten hoogste vijf jaar.".
Art. 19. In artikel 92 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In het eerste lid worden de woorden "Correctionele straffen verjaren door verloop van vijf jaren" vervangen door de woorden "Behoudens straffen met betrekking tot misdrijven zoals bepaald in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater, die onverjaarbaar zijn, verjaren correctionele straffen door verloop van vijf jaren";
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Indien de uitgesproken gevangenisstraf twintig jaar te boven gaat, is de verjaringstermijn twintig jaren".
Art. 20. In artikel 121bis, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de besluitwet van 8 april 1917 en vervangen bij de wet van 23 januari 2003, in artikel 136quinquies, vierde en elfde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 5 augustus 2003, in artikel 400 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 26 juni 2000 en de wet van 23 januari 2003, in artikel 403 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 23 januari 2003, in artikel 442quater, § 2, 3°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 26 november 2011, en in artikel 488bis, § 2, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 april 1986 en gewijzigd bij de wet van 23 januari 2003, worden de woorden "blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid" of "blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk" telkens vervangen door "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
Art. 21. In artikel 246, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 februari 1999, worden de woorden "een voordeel van welke aard dan ook vraagt of aanneemt" vervangen door de woorden "een voordeel van welke aard dan ook vraagt, aanneemt of ontvangt".
Art. 22. Artikel 250 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 11 mei 2007, wordt vervangen als volgt :
"Art. 250. Indien de in de artikelen 246 tot 249 bepaalde omkoping een persoon betreft die een openbaar ambt uitoefent in een vreemde Staat of in een internationale publiekrechtelijke organisatie, worden het minimum van de geldboetes verdrievoudigd en het maximum van de geldboetes vervijfvoudigd.".
Art. 23. In artikel 347bis, § 4, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 2 juli 1975 en vervangen bij de wet van 28 november 2000, in de artikelen 417ter, tweede lid, 2°, en 417quater, tweede lid, 2°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 juni 2002, in artikel 428, § 4, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 november 2000 en gewijzigd bij de wet van 26 november 2011, in artikel 433septies, eerste lid, 5°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2005, in artikel 473, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 2 juli 1975 en gewijzigd bij de wet van 14 juni 2002, en in artikel 477sexies, § 2, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 april 1986, worden de woorden "blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid", "blijvende fysische of psychische ongeschiktheid" of "blijvende lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid" telkens vervangen door "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
Art. 24. In artikel 409, § 3, van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 9 april 1930 en hersteld bij de wet van 28 november 2000, worden de woorden "blijvende arbeidsongeschiktheid" vervangen door "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
Art. 25. Artikel 414 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 10 juli 1996, 26 juni 2000 en 23 januari 2003, wordt vervangen als volgt :
"Art. 414. Wanneer het verschonend feit bewezen is, wordt de straf verminderd :
- tot gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en tot geldboete van honderd euro tot vijfhonderd euro, indien het een misdaad betreft, waarop een maximumstraf van meer dan twintig jaar opsluiting gesteld is, ongeacht of deze al dan niet gecorrectionaliseerd is;
- tot gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en tot geldboete van vijftig euro tot tweehonderd euro, indien het enige andere al dan niet gecorrectionaliseerde misdaad betreft;
- tot gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en tot geldboete van zesentwintig euro tot honderd euro, indien het een ander wanbedrijf betreft.".
Art. 26. In boek II, titel VIII, hoofdstuk III van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van afdeling VIII, ingevoegd bij de wet van 10 april 2014, vervangen als volgt :
"Lokken van minderjarigen via informatie- en communicatietechnologieën met het oog op het plegen van een misdaad of een wanbedrijf.".
Art. 27. In artikel 433bis/1, 1°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 april 2014, wordt het woord "en" vervangen door het woord "of".
Art. 28. In artikel 476 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "artikelen 473 en 474" vervangen door de woorden "artikelen 473 tot 475".
Art. 29. Artikel 504bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 februari 1999, worden de woorden "een voordeel van welke aard dan ook vraagt of aanneemt" vervangen door de woorden "een voordeel van welke aard dan ook vraagt, aanneemt of ontvangt".
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen
Art. 30. In artikel 2bis, § 2, b), van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, ingevoegd bij de wet van 9 juli 1975, worden de woorden "blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid" vervangen door de woorden "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisscherij
Art. 31. In artikel 34, eerste lid, van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisscherij, gewijzigd bij de wet van 23 januari 2003, worden de woorden "blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid" vervangen door de woorden "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
Art. 32. Artikel 67, tweede lid, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt :
"behalve in geval van een misdaad die strafbaar is met levenslange opsluiting. In dat geval worden die personen gestraft met twintig jaar tot dertig jaar opsluiting.".
Art. 33. In artikel 69, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "de onmiddellijk lagere straf" vervangen door de woorden "twintig jaar tot dertig jaar opsluiting".
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der Luchtvaart
Art. 34. In artikel 30, § 2, 1°, van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der Luchtvaart, vervangen bij de wet van 20 juli 1976, worden de woorden "blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid" vervangen door de woorden "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie
Art. 35. In artikel 1, § 3, eerste lid, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, ingevoegd bij de wet van 22 maart 1999 en gewijzigd bij de wetten van 17 april 2002 en 27 december 2012, wordt het woord ", werkstraf" opgeheven.
Art. 36. In artikel 3 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "indien het feit niet van die aard schijnt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan vijf jaar correctionele gevangenisstraf of een zwaardere straf" vervangen door de woorden "indien het feit niet strafbaar is met een correctionele gevangenisstraf van meer dan twintig jaar, en het niet van die aard schijnt te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan vijf jaar correctionele gevangenisstraf";
2° in het tweede lid worden de woorden "onder dezelfde voorwaarden" ingevoegd tussen het woord "eveneens" en de woorden "worden gelast".
Art. 37. In artikel 8 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt :
"Indien de veroordeelde nog niet veroordeeld is geweest tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan drie jaar of tot een gelijkwaardige straf die in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek, kunnen de vonnisgerechten, wanneer zij niet tot één of meer hoofdvrijheidsstraffen van meer dan vijf jaar gevangenis veroordelen, gelasten dat de tenuitvoerlegging van de hoofd- en bijkomende straffen dan wel van een gedeelte ervan, wordt uitgesteld.
Een gewoon uitstel kan echter niet worden gelast indien de veroordeelde veroordeeld is geweest tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden of tot een gelijkwaardige straf die in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek.
In geen enkel geval kan worden uitgesteld de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot :
- een straf van verbeurdverklaring;
- een werkstraf;
- een vervangende straf.
De beslissing waarbij het uitstel en, in voorkomend geval, de probatie wordt toegestaan of geweigerd, moet met redenen omkleed zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering.";
2° in paragraaf 1, vierde lid, dat het zevende lid wordt, worden de woorden ", de werkstraffen" opgeheven;
3° paragraaf 3 wordt opgeheven.
Art. 38. In artikel 18bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 mei 1999 en gewijzigd bij de wetten van 26 juni 2000 en 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede streepje worden de woorden "vierentwintigduizend euro in plaats van twaalf maanden" vervangen door de woorden "tweeënzeventigduizend euro in plaats van drie jaar";
2° tussen het tweede en het derde streepje wordt een streepje ingevoegd, luidende :
"- in het tweede lid van § 1 van artikel 8 : vierentwintigduizend euro in plaats van twaalf maanden;";
3° in het derde streepje, dat het vierde streepje wordt, wordt het woord "vierde" vervangen door het woord "zevende".
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
Art. 39. In artikel 77quater, eerste lid, 5°, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2005, worden de woorden "blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid" vervangen door de woorden "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 7 mei 2004
inzake experimenten op de menselijke persoon
Art. 40. In artikel 33, § 1, tweede lid, van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon, worden de woorden "blijvende lichamelijke of psychische onbekwaamheid" vervangen door de woorden "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
HOOFDSTUK 8. - Wijziging van de wet van 30 december 2009
betreffende de strijd tegen piraterij op zee
Art. 41. In artikel 4, § 3, eerste lid, van de wet van 30 december 2009 betreffende de strijd tegen piraterij op zee, worden de woorden "blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid" vervangen door de woorden "ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden".
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van de wet van 7 februari 2014 tot invoering van het elektronisch toezicht als autonome straf
Art. 42. De artikelen 3, 4, 5 en 10 tot 13 van de wet van 7 februari 2014 tot invoering van het elektronisch toezicht als autonome straf worden opgeheven.
Art. 43. In artikel 6 van dezelfde wet wordt het woord "Vter" vervangen door het woord "Vbis".
Art. 44. Artikel 7 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 7. In afdeling Vbis, ingevoegd bij artikel 6, wordt een artikel 37ter ingevoegd luidende :
"Art. 37ter. § 1. Indien een feit van die aard is om gestraft te worden met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar, kan de rechter als hoofdstraf een straf onder elektronisch toezicht opleggen van dezelfde duur als de gevangenisstraf die hij anders zou opleggen en die van toepassing kan worden ingeval de straf onder elektronisch toezicht niet wordt uitgevoerd. Voor de bepaling van de duur van deze vervangende gevangenisstraf staat een dag van de opgelegde straf onder elektronisch toezicht gelijk aan een dag gevangenisstraf.
Een straf onder elektronisch toezicht bestaat uit de verplichting om gedurende een door de rechter overeenkomstig paragraaf 2 bepaalde termijn aanwezig te zijn op een bepaald adres, behoudens toegestane verplaatsingen of afwezigheden, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van elektronische middelen om dit te controleren, en waaraan overeenkomstig paragraaf 5 voorwaarden worden gekoppeld.
De straf onder elektronisch toezicht mag niet worden uitgesproken voor de feiten die :
1° bedoeld zijn in de artikelen 375 tot 377,
2° bedoeld zijn in de artikelen 379 tot 387, indien de feiten zijn gepleegd op of met behulp van minderjarigen;
3° bedoeld zijn in de artikelen 393 tot 397.
§ 2. De duur van de straf onder elektronisch toezicht bedraagt minstens een maand en ten hoogste een jaar. De strafrechter kan overeenkomstig artikel 85 rekening houden met verzachtende omstandigheden, zonder evenwel de duur van het elektronisch toezicht als autonome straf te bepalen op minder dan één maand.
De straf onder elektronisch toezicht moet een aanvang nemen binnen zes maanden na de dag waarop de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Indien de overschrijding van deze termijn te wijten is aan de veroordeelde, beslist het openbaar ministerie ofwel tot verder uitstel van de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht ofwel tot uitvoering van de vervangende gevangenisstraf. Indien de overschrijding van deze termijn niet te wijten is aan de veroordeelde, moet de straf een aanvang nemen binnen zes maanden na de afloop van de eerste termijn, bij gebreke daarvan is de straf verjaard.
§ 3. Met het oog op het opleggen van een straf onder elektronisch toezicht, kunnen respectievelijk het openbaar ministerie, de onderzoeksrechter, de onderzoeksgerechten of de vonnisgerechten aan de bevoegde dienst voor de organisatie en de controle van het elektronisch toezicht, hierna "de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht" genoemd, van het gerechtelijk arrondissement van de verblijfplaats van de inverdenkinggestelde, de beklaagde of de veroordeelde de opdracht geven een beknopt voorlichtingsrapport en/of een maatschappelijke enquête uit te voeren.
Dit rapport of dit onderzoek bevat alleen de pertinente elementen die van aard zijn de overheid die het verzoek tot de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht richtte in te lichten over de opportuniteit van de overwogen straf.
Iedere meerderjarige waarmee de beklaagde samenwoont wordt in het kader van deze maatschappelijke enquête gehoord in zijn opmerkingen. Het beknopt voorlichtingsrapport of het verslag van de maatschappelijke enquête wordt binnen de maand na de aanvraag aan het dossier toegevoegd.
§ 4. Indien een straf onder elektronisch toezicht door de rechter wordt overwogen, door het openbaar ministerie wordt gevorderd of door de beklaagde wordt gevraagd, licht de rechter deze laatste vóór de sluiting van de debatten in over de draagwijdte van een dergelijke straf, de eventuele aanwijzingen over de concrete invulling die hij kan geven en de geïndividualiseerde voorwaarden die hij overeenkomstig paragraaf 5 kan opleggen en hoort hem in zijn opmerkingen. De rechter kan hierbij eveneens rekening houden met de belangen van de eventuele slachtoffers. De rechter kan de straf onder elektronisch toezicht slechts uitspreken als de beklaagde op de terechtzitting aanwezig is of vertegenwoordigd is en nadat hij, hetzij in persoon, hetzij via zijn raadsman, zijn instemming heeft gegeven. Iedere meerderjarige samenwonende van de beklaagde die in het kader van de maatschappelijke enquête niet is gehoord, of in het geval geen maatschappelijke enquête is verricht, kan door de rechter worden gehoord in zijn opmerkingen.
De rechter die weigert een door het openbaar ministerie gevorderde of door de beklaagde gevraagde straf onder elektronisch toezicht uit te spreken, moet zijn beslissing met redenen omkleden.
§ 5. De rechter bepaalt de duur van de straf onder elektronisch toezicht en kan aanwijzingen geven omtrent de concrete invulling ervan.
Aan de straf onder elektronisch toezicht worden steeds de volgende algemene voorwaarden verbonden :
1° geen strafbare feiten plegen;
2° een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, de nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht;
3° gevolg geven aan de oproepingen van de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht en de concrete invulling bepaald door deze dienst naleven.
De rechter kan de veroordeelde bovendien aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden onderwerpen in het belang van het slachtoffer. Deze voorwaarden hebben betrekking op het verbod om op bepaalde plaatsen te komen of met het slachtoffer contact op te nemen en/of op diens vergoeding.".".
Art. 45. Artikel 8 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 8. In dezelfde afdeling Vbis, wordt een artikel 37quater ingevoegd, luidende :
"Art. 37quater. § 1. Zodra de veroordeling tot de straf onder elektronisch toezicht in kracht van gewijsde is gegaan, licht de griffier de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht daarover in, zodat de straf kan worden uitgevoerd. De dienst neemt daartoe binnen zeven werkdagen nadat hij werd ingelicht, contact op met de veroordeelde, bepaalt, na de veroordeelde gehoord te hebben en rekening houdend met zijn opmerkingen, de concrete invulling van de straf en deelt deze onverwijld mee aan het bevoegde openbaar ministerie.
§ 2. Onverminderd de toepassing van artikel 20 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, is het openbaar ministerie belast met de controle op de veroordeelde. De ambtenaren van de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht controleren de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht en begeleiden de veroordeelde.
§ 3. Indien de straf onder elektronisch toezicht niet of slechts gedeeltelijk in overeenstemming met de bepalingen van artikel 37ter, § 5, wordt uitgevoerd, meldt de ambtenaar van de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht dit onverwijld aan het bevoegde openbaar ministerie. Deze laatste kan dan beslissen de in de rechterlijke beslissing voorziene gevangenisstraf uit te voeren, waarbij rekening wordt gehouden met het gedeelte van de straf onder elektronisch toezicht dat reeds door de veroordeelde werd uitgevoerd In dit geval staat een dag van de straf onder elektronisch toezicht die werd uitgevoerd gelijk aan een dag gevangenisstraf. Ingeval de niet of slechts gedeeltelijke uitvoering nieuwe strafbare feiten betreffen, moet bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing vastgesteld zijn dat de veroordeelde tijdens de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht een wanbedrijf of een misdaad, of een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis, heeft gepleegd.
Het bevoegde openbaar ministerie motiveert zijn beslissing en deelt deze via het snelst mogelijk schriftelijke communicatiemiddel mee :
- aan de veroordeelde;
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft;
- aan de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- aan de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht.
§ 4. Als de straf onder elektronisch toezicht drie maanden bedraagt of overschrijdt, wordt de veroordeelde vanaf de uitvoerlegging door de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht ingelicht over de mogelijkheid tot het aanvragen van een schorsing van de controle met elektronische middelen na een derde van de strafduur. De veroordeelde kan vanaf het moment dat hij aan de tijdsvoorwaarden voldoet een schriftelijk verzoek tot toekenning van deze schorsing indienen bij het bevoegde openbaar ministerie. Een kopie van dit schriftelijk verzoek wordt door de veroordeelde gericht aan de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht.
De bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht brengt binnen vijftien dagen een advies uit aan het bevoegde openbaar ministerie, dat betrekking heeft op de naleving van het programma van de concrete invulling van het elektronisch toezicht en, in voorkomend geval, van de aan de veroordeelde opgelegde geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden. Dit advies vermeldt of de veroordeelde tijdens de tenuitvoerlegging van de straf onder elektronisch toezicht nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Het omvat bovendien een met redenen omkleed voorstel tot toekenning of afwijzing van de schorsing van de controle met elektronische middelen en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht nodig acht op te leggen aan de veroordeelde.
Het bevoegde openbaar ministerie kent binnen de maand na de ontvangst van het advies de schorsing van de controle met elektronische middelen toe in geval de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd en het programma van de concrete invulling van het elektronisch toezicht en, in voorkomend geval, de hem opgelegde geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden heeft nageleefd.
Wanneer de schorsing van de controle met elektronische middelen wordt toegekend, ondergaat de veroordeelde een proeftijd voor het gedeelte van de straf onder elektronisch toezicht dat hij nog moet ondergaan. In dit geval staat een dag van de proeftijd gelijk aan een dag van de straf onder elektronisch toezicht die werd opgelegd. De veroordeelde is onderworpen aan de algemene voorwaarden alsook, in voorkomend geval, aan de hem opgelegde bijzondere voorwaarden.
Het bevoegde openbaar ministerie deelt zijn beslissing via het snelst mogelijk schriftelijke communicatiemiddel mee :
- aan de veroordeelde;
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft;
- aan de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- aan de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht.
Indien het verzoek tot schorsing wordt verworpen, kan een nieuw verzoek slechts worden ingediend na een termijn van twee maanden na de verwerping ervan.
Bij niet-naleving van de algemene voorwaarden en, in voorkomend geval, van de hem opgelegde bijzondere voorwaarden, kan er overgegaan worden tot herroeping van de schorsing van de controle met elektronische middelen.
Het bevoegde openbaar ministerie hoort de veroordeelde in zijn opmerkingen ter zake. Ingeval de veroordeelde niet ingaat op de uitnodiging om te worden gehoord, kan dit openbaar ministerie beslissen tot herroeping van de schorsing van de controle met elektronische middelen of tot uitvoering van de vervangende gevangenisstraf. Ingeval de niet naleving de algemene voorwaarde van geen nieuwe strafbare feiten plegen betreft, moet bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing vastgesteld zijn dat de veroordeelde tijdens de uitvoering van de straf onder elektronisch toezicht of tijdens de schorsing van de controle met elektronische middelen een wanbedrijf of een misdaad, of een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis, heeft gepleegd.
De beslissing tot herroeping van de schorsing van de controle met elektronische middelen omvat een beslissing over :
- de bijzondere voorwaarden verbonden aan de schorsing, opgelegd door het openbaar ministerie;
- het uitvoeren van het elektronisch toezicht voor de resterende proeftijd;
- het opnieuw van kracht worden van de bijzondere voorwaarden in voorkomend geval opgelegd door de vonnisrechter.
Het bevoegde openbaar ministerie deelt zijn beslissing via het snelst mogelijk schriftelijk communicatiemiddel mee :
- aan de veroordeelde;
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft;
- aan de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- aan de bevoegde dienst voor het elektronisch toezicht.
§ 5. Het in de paragrafen 1 tot 4 bedoelde openbaar ministerie is het openbaar ministerie bij het vonnisgerecht dat de veroordeling tot een straf onder elektronisch toezicht heeft uitgesproken.".".
Art. 46. In artikel 9 van dezelfde wet, wordt het woord "37octies" vervangen door het woord "37septies".
Art. 47. In artikel 16 van dezelfde wet worden de woorden "op een door de Koning te bepalen datum" vervangen door de woorden "op de dag waarop de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van de artikelen 217, 223, 224 en 231 van het Gerechtelijk Wetboek in werking treedt.".
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van de wet van 10 april 2014 tot invoering van de probatie als autonome straf in het Strafwetboek en tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie
Art. 48. Artikel 2 van de wet van 10 april 2014 tot invoering van de probatie als autonome straf in het Strafwetboek en tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, wordt vervangen als volgt :
"Art. 2. In artikel 7 van het Strafwetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 april 2007, worden de woorden "In correctionele zaken en in politiezaken :
1° gevangenisstraf,
2° werkstraf.
De in het 1° en 2° bepaalde straffen mogen niet samen worden toegepast." vervangen door de woorden "In correctionele zaken en in politiezaken :
1° gevangenisstraf;
2° straf onder elektronisch toezicht;
3° werkstraf;
4° autonome probatiestraf.
De in het 1° tot 4° bepaalde straffen mogen niet samen worden toegepast.".".
Art. 49. Artikel 3 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 50. In artikel 6 van dezelfde wet wordt het woord "37octies" vervangen door het woord "37septies" en worden de woorden ", dat artikel 37septies wordt" opgeheven.
Art. 51. In artikel 8 van dezelfde wet, dat artikel 37octies in het Strafwetboek invoegt, wordt § 1, vierde lid, vervangen als volgt :
"De autonome probatiestraf mag niet worden uitgesproken voor de feiten :
1° die strafbaar zouden zijn met een maximumstraf van meer dan twintig jaar opsluiting als ze niet in wanbedrijven werden omgezet;
2° die bedoeld zijn in de artikelen 375 tot 377;
3° die bedoeld zijn in de artikelen 379 tot 387, indien de feiten zijn gepleegd op of met behulp van minderjarigen;
4° die bedoeld zijn in de artikelen 393 tot 397.".
Art. 52. Artikel 12 van dezelfde wet, dat artikel 58 van het Strafwetboek wijzigt, wordt vervangen als volgt :
"Art. 12. Artikel 58 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 17 april 2002, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"Indien straffen onder elektronisch toezicht worden uitgesproken, kan de duur ervan maximum een jaar bedragen.
Indien autonome probatiestraffen worden uitgesproken, kan de duur ervan maximum twee jaar bedragen.".".
Art. 53. Artikel 13 van dezelfde wet, dat artikel 59 van het Strafwetboek wijzigt, wordt vervangen als volgt :
"Art. 13. In artikel 59 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 17 april 2002, worden de woorden "alle geldboeten, werkstraffen" vervangen door de woorden "alle geldboeten, autonome probatiestraffen, werkstraffen, straffen onder elektronisch toezicht".".
Art. 54. Artikel 14 van dezelfde wet, dat artikel 60 van het Strafwetboek wijzigt, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 14. In artikel 60 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 1 februari 1977 en gewijzigd bij de wet van 17 april 2002, wordt de laatste zin vervangen door wat volgt :
"In geen geval mag de uitgesproken straf één jaar straf onder elektronisch toezicht, driehonderd uren werkstraf of twee jaar autonome probatiestraf te boven gaan.".".
Art. 55. Artikel 15 van dezelfde wet, dat artikel 85 van het Strafwetboek wijzigt, wordt vervangen als volgt :
"Art. 15. In artikel 85, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 17 april 2002, worden de woorden "kunnen de gevangenisstraffen, de werkstraffen en de geldboeten onderscheidenlijk tot beneden acht dagen, vijfenveertig uren en zesentwintig euro" vervangen door de woorden "kunnen de gevangenisstraffen, de straffen onder elektronisch toezicht, de werkstraffen, de autonome probatiestraffen en de geldboeten respectievelijk tot beneden acht dagen, een maand, vijfenveertig uren, twaalf maanden en zesentwintig euro".".
Art. 56. In artikel 17 van dezelfde wet, dat artikel 595 van het Strafwetboek wijzigt, worden de woorden "en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 7 februari 2014" opgeheven.
Art. 57. Artikel 18 van dezelfde wet, dat artikel 596 van het Strafwetboek wijzigt, wordt vervangen als volgt :
"Art. 18. In artikel 596, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 8 augustus 1997 en gewijzigd bij de wet van 31 juli 2009, worden de woorden "de beslissingen bedoeld in artikel 594, 4° tot 6°, " ingevoegd tussen de woorden "vermeldt het uittreksel behalve de veroordelingen en de beslissingen bedoeld in het eerste lid, ook" en de woorden "de veroordelingen bedoeld in artikel 590, eerste lid, 1° en 17°, ".".
Art. 58. Artikel 19 van dezelfde wet, dat artikel 8 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie wijzigt, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt vervangen als volgt :
"Art. 19. In artikel 8, § 1, derde lid, van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, worden de woorden "een werkstraf" vervangen met de woorden "een straf onder elektronisch toezicht, een werkstraf of een autonome probatiestraf".
TITEL 3. - Wijzigingen van de strafvordering
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering
Art. 59. Artikel 21 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, ingevoegd bij de wet van 30 mei 1961 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 oktober 2015, wordt vervangen als volgt :
"Art. 21. Behoudens wat de misdrijven betreft omschreven in de artikelen 136bis, 136ter en 136quater van het Strafwetboek, en behoudens de overige bij de wet bepaalde uitzonderingen, verjaart de strafvordering, te rekenen van de dag waarop het misdrijf is gepleegd :
1° door verloop van twintig jaren voor :
- een misdaad die strafbaar is met levenslange opsluiting, of
- een van de misdaden omschreven in de artikelen 102, tweede lid, 122, derde punt, 138, § 1, eerste lid, 9°, 376, eerste lid, 393 of 417ter, derde lid, van het Strafwetboek, 30, § 2, van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der Luchtvaart, 34, 35, 68, derde lid, 69, tweede en derde lid, van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisscherij of 4, § 3, derde lid, van de wet van 30 december 2009 betreffende de strijd tegen piraterij op zee, ingeval het is gepleegd op een persoon van minder dan achttien jaar;
2° door verloop van vijftien jaren voor :
- een van de misdaden bedoeld in 1°, tweede streepje, ingeval het niet is gepleegd op een persoon van minder dan achttien jaar, of
- een van de misdrijven omschreven in de artikelen 372 tot 377, 377quater, 379, 380, 409 en 433quinquies, § 1, eerste lid, 1°, van het Strafwetboek, ingeval het is gepleegd op een persoon van minder dan achttien jaar;
3° door verloop van tien jaren voor een andere misdaad;
4° door verloop van vijf jaren voor een ander wanbedrijf;
5° door verloop van een jaar voor een wanbedrijf dat in een overtreding wordt omgezet;
6° door verloop van zes maanden voor een andere overtreding.
Nochtans blijven de verjaringstermijnen van de strafvordering die worden bepaald in het eerste lid, 1° en 2°, alsook voor de misdaden die strafbaar zijn met opsluiting van meer dan twintig jaar, ongewijzigd indien de straf wordt verminderd of gewijzigd wegens verzachtende omstandigheden.".
Art. 60. Artikel 21bis van dezelfde voorafgaande titel, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 april 2014, wordt vervangen als volgt :
"Art. 21bis. In de gevallen bedoeld in artikel 21, eerste lid, 2°, tweede streepje, begint de verjaringstermijn van de strafvordering pas te lopen vanaf de dag waarop het slachtoffer de leeftijd van achttien jaar bereikt.
De verjaringstermijn voor de misdrijven bedoeld in artikel 21, eerste lid, 2°, tweede streepje die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet zijn, begint pas te lopen vanaf de dag waarop het jongste slachtoffer de leeftijd van achttien jaar bereikt, behalve indien de termijn tussen twee van die opeenvolgende misdrijven de verjaringstermijn overschrijdt.".
Art. 61. Artikel 24 van dezelfde voorafgaande titel, vervangen bij de wet van 16 juli 2002 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt aangevuld met een lid luidende :
"De verjaring van de strafvordering is geschorst wanneer een beklaagde verzet aantekent dat onontvankelijk of ongedaan wordt verklaard, gedurende de behandeling ervan. De schorsing geldt vanaf de akte van verzet tot de beslissing die vaststelt dat het verzet onontvankelijk of ongedaan is.".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
Art. 62. In artikel 28quater van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998, wordt het woord "143ter" vervangen door het woord "143quater".
Art. 63. In artikel 28septies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998 en vervangen bij de wet van 27 december 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "de onderzoekshandelingen als bedoeld in de artikelen 56bis, tweede lid, en 89ter en de huiszoeking," worden vervangen door de woorden "en de onderzoekshandelingen als bedoeld in de artikelen 56bis, tweede lid, en 89ter,".
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
"In geval van een nieuwe vordering op grond van het eerste lid in hetzelfde dossier, wordt de zaak aanhangig gemaakt bij dezelfde onderzoeksrechter indien die nog in functie is.".
Art. 64. In artikel 35ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 december 2002 en vervangen bij de wet van 11 februari 2014, wordt paragraaf 1 vervangen als volgt :
" § 1. Ingeval er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan dat de verdachte een vermogensvoordeel in de zin van de artikelen 42, 3°, of 43quater, § 2, van het Strafwetboek heeft verkregen, en de zaken die dit vermogensvoordeel vertegenwoordigen als zodanig niet of niet meer in het vermogen van de verdachte dat zich in België bevindt kunnen aangetroffen worden of zich hebben vermengd met wettige goederen, kan het openbaar ministerie beslag leggen op andere zaken die zich in het vermogen van de verdachte bevinden ten belope van het vermoedelijke bedrag van voornoemd vermogensvoordeel. In zijn beslissing motiveert het openbaar ministerie de raming van dit bedrag en geeft het aan welke de ernstige en concrete aanwijzingen zijn die de inbeslagneming rechtvaardigen. Deze gegevens worden opgenomen in het proces-verbaal dat wordt opgemaakt naar aanleiding van de inbeslagneming.
Het eerste lid is ook van toepassing op de zaken die het voorwerp zijn van de in het artikel 505 van het Strafwetboek bedoelde misdrijven.".
Art. 65. In artikel 88bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 10 juni 1998, en gewijzigd bij de wetten van 8 juni 2008 en 27 december 2012, worden de woorden "rechtstreeks of via de tussenkomst van een politiedienst aangewezen door de Koning" ingevoegd tussen de woorden "door daartoe" en de woorden "de medewerking van de operator van een telecommunicatienetwerk".
Art. 66. In artikel 90quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 januari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, tweede lid, wordt het eerste zinsdeel vervangen als volgt :
"De beschikking wordt gedagtekend en vermeldt :";
2° paragraaf 2, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
" § 2. Indien de maatregel een bewerking op een communicatienetwerk inhoudt, is de operator van dit netwerk of de verstrekker van de telecommunicatiedienst ertoe gehouden zijn technische medewerking te verlenen, wanneer de onderzoeksrechter hierom rechtstreeks of via de tussenkomst van een politiedienst aangewezen door de Koning verzoekt.";
3° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "rechtstreeks of via de tussenkomst van een politiedienst aangewezen door de Koning," ingevoegd tussen de woorden "te beveiligen of te versleutelen," en de woorden "bevelen inlichtingen te verlenen".
Art. 67. Artikel 90sexies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wet van 10 juni 1998, wordt vervangen als volgt :
"Art. 90sexies. § 1. De aangewezen officieren van gerechtelijke politie stellen aan de onderzoeksrechter ter beschikking :
1° het bestand bevattende de opnames verricht als gevolg van de maatregelen genomen met toepassing van de artikelen 90ter, 90quater en 90quinquies;
2° de overschrijving van de door de aangewezen officieren van gerechtelijke politie voor het onderzoek van belang geachte gedeelten van de opgenomen communicaties of telecommunicaties, en de eventuele vertaling ervan;
3° de loutere vermelding van de aangehaalde onderwerpen en van de identificatiegegevens van de gebruikte communicatiemiddelen wat betreft de niet van belang geachte communicaties of telecommunicaties.
§ 2. Onverminderd de selectie door de officieren van gerechtelijke politie bedoeld in paragraaf 1, beoordeelt de onderzoeksrechter welke gedeelten van alle opgenomen communicaties en telecommunicaties van belang zijn voor het onderzoek. In zoverre deze gedeelten van communicaties of telecommunicaties niet overgeschreven of vertaald zijn overeenkomstig paragraaf 1, worden zij bijkomend overgeschreven en vertaald. De onderzoeksrechter laat daarvan proces-verbaal opmaken.
§ 3. De communicatie of telecommunicatie die onder het beroepsgeheim valt, wordt niet opgetekend in het proces-verbaal. Deze communicatie of telecommunicatie wordt in een bestand onder verzegelde omslag neergelegd ter griffie. Gaat het om personen bedoeld in artikel 90octies, eerste lid, dan wordt ter zake gehandeld overeenkomstig artikel 90octies, tweede lid.
§ 4. De beschikkingen van de onderzoeksrechter, de verslagen van de officieren van gerechtelijke politie bedoeld in artikel 90quater, § 3, en de processen-verbaal die betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van de maatregel, worden uiterlijk na het beëindigen van de maatregel bij het dossier gevoegd.".
Art. 68. In artikel 90septies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 juni 1998 en gewijzigd bij de wet van 28 november 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid worden de woorden "de van belang geachte communicaties en telecommunicaties van de opname" vervangen door de woorden "de van belang geachte gedeelten van de opgenomen communicaties of telecommunicaties";
2° in het derde lid worden de woorden "de van belang geachte communicaties en telecommunicaties" vervangen door de woorden "de van belang geachte gedeelten van de opgenomen communicaties of telecommunicaties";
3° in het vierde lid, in de bepaling onder 1°, worden de woorden "de van belang geachte communicaties en telecommunicaties" vervangen door de woorden "de van belang geachte gedeelten van de opgenomen communicaties of telecommunicaties";
4° in het vierde lid, in de bepaling onder 6°, worden de woorden "de van belang geachte communicaties en telecommunicaties" vervangen door de woorden "de van belang geachte gedeelten van de opgenomen communicaties of telecommunicaties";
5° tussen het vijfde en het zesde lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende :
"De inverdenkinggestelde, de beklaagde, de burgerlijke partij, de burgerrechtelijk aansprakelijke partij of hun raadsman ontvangen op eenvoudig verzoek een kopie van het geheel van de opnames van de communicaties en telecommunicaties waarvan bepaalde van belang geachte gedeelten overgeschreven werden en opgenomen werden in een proces-verbaal waarvan ze inzage hebben.";
6° in het zesde lid, dat het zevende lid wordt, wordt het woord "andere" ingevoegd tussen de woorden "het geheel of gedeelten van de" en de woorden "ter griffie neergelegde opnamen".
Art. 69. In artikel 103 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "directeur van de speciale eenheden" vervangen door de woorden "directeur van de centrale directie van de operaties inzake gerechtelijke politie";
2° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "directie van de speciale eenheden" vervangen door de woorden "Getuigenbeschermingsdienst".
Art. 70. In artikel 136bis van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 12 maart 1998 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 31 mei 2005, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
"De procureur des Konings doet verslag aan de procureur-generaal omtrent alle zaken waarover de raadkamer geen uitspraak heeft gedaan binnen een jaar te rekenen van de eerste vordering.".
Art. 71. Artikel 136ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2005 en vervangen bij de wet van 30 december 2009, wordt opgeheven.
Art. 72. Artikel 145 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2013, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De dagvaarding blijft geldig in geval van verdaging van de zaak tot een bepaalde datum of in geval van voortzetting op een bepaalde datum.".
Art. 73. Artikel 149 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 12 februari 2003, wordt opgeheven.
Art. 74. Artikel 150 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 31 mei 2000 en 12 februari 2003, wordt opgeheven.
Art. 75. Artikel 151 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 9 maart 1908 en 12 februari 2003, wordt opgeheven.
Art. 76. Artikel 152 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 12 februari 2003, wordt vervangen als volgt :
"Art. 152. § 1. De partijen die wensen te concluderen en nog geen conclusies hebben neergelegd vragen op de inleidingszitting om conclusietermijnen te bepalen.
De rechter legt in dat geval de termijnen vast waarop de conclusies ter griffie moeten worden neergelegd en aan de andere partijen moeten worden toegezonden en bepaalt de rechtsdag, na de partijen te hebben gehoord. De beslissing wordt vermeld in het proces-verbaal van de zitting. De conclusies worden opgesteld overeenkomstig de artikelen 743 en 744 van het Gerechtelijk Wetboek.
De conclusies die niet voor het verstrijken van de vastgestelde termijnen zijn neergelegd en meegedeeld aan het openbaar ministerie, indien deze betrekking hebben op de strafvordering, en in voorkomend geval, aan alle andere betrokken partijen, worden ambtshalve uit de debatten geweerd.
§ 2. Tenzij de rechter vaststelt dat de laattijdige neerlegging of mededeling louter dilatoire doeleinden nastreeft of de rechten van de andere partijen of het verloop van de rechtspleging schendt, kunnen conclusies worden neergelegd na het verstrijken van de overeenkomstig paragraaf 1 vastgelegde termijnen :
- mits het akkoord van de betrokken partijen, of
- bij ontdekking van een nieuw en ter zake dienend stuk of feit dat nieuwe besluiten rechtvaardigt.
De rechter kan ten gevolge hiervan nieuwe conclusietermijnen vastleggen en een nieuwe rechtsdag bepalen. In dat geval is paragraaf 1 van toepassing.
§ 3. Tegen de beslissingen van de rechter die beoogd zijn in de paragrafen 1 en 2 staat geen rechtsmiddel open.
§ 4. De bepalingen van paragrafen 1 en 2 zijn van toepassing op het openbaar ministerie.".
Art. 77. In boek II, titel I, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek, wordt een paragraaf II ingevoegd, luidende "Verloop van de procedure voor de politierechtbanken", die de artikelen 145 tot 171 bevat.
Art. 78. In boek II, titel I, hoofdstuk I, van hetzelfde Wetboek, wordt paragraaf 2, gewijzigd bij de wet van 28 juni 1984 en waarvan de inhoud is opgeheven bij de wet van 28 juni 1984 en bij het koninklijk besluit nr. 59 van 10 januari 1935, opgeheven.
Art. 79. Artikel 171 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij het koninklijk besluit nr. 59 van 10 januari 1935, wordt hersteld als volgt :
"Art. 171. Tegen de verstekvonnissen kan in verzet worden gekomen in dezelfde vormen, onder dezelfde voorwaarden, volgens dezelfde modaliteiten en binnen dezelfde termijnen als tegen de verstekvonnissen van de correctionele rechtbanken.
De bepalingen van de artikelen 185 tot 187 gelden ook voor de politierechtbank.".
Art. 80. In boek II, titel I, hoofdstuk II, van hetzelfde Wetboek, wordt een paragraaf I ingevoegd, luidende "Bevoegdheid van de correctionele rechtbanken", die artikel 179 bevat.
Art. 81. In boek II, titel I, hoofdstuk II, van hetzelfde Wetboek, wordt een paragraaf II ingevoegd, luidende "Verloop van de procedure voor de correctionele rechtbanken", die de artikelen 181 tot 198 bevat.
Art. 82. Artikel 182 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 17 maart 2013, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De dagvaarding blijft geldig in geval van verdaging van de zaak tot een bepaalde datum of in geval van voortzetting op een bepaalde datum.".
Art. 83. Artikel 187 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 9 maart 1908 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 december 2009, wordt vervangen als volgt :
"Art. 187. § 1. De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend.
Is de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon gedaan, dan kan hij die bij verstek veroordeeld is, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen.
Indien hij hiervan kennis heeft gekregen door de betekening van een Europees aanhoudingsbevel of een uitleveringsverzoek of indien de lopende termijn van vijftien dagen nog niet verstreken was op het ogenblik van zijn aanhouding in het buitenland, kan hij in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij werd overgeleverd of in het buitenland terug in vrijheid werd gesteld.
Indien niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan hij die bij verstek veroordeeld is in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn. Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis.
De burgerlijke partij en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij kunnen alleen in verzet komen overeenkomstig de bepaling van het eerste lid.
§ 2. Het verzet wordt betekend aan het openbaar ministerie, aan de andere vervolgende partij of aan de andere partijen in de zaak.
Indien het verzet niet is betekend binnen een termijn van vijftien dagen na de betekening van het vonnis, kunnen de veroordelingen ten uitvoer gelegd worden; ingeval hoger beroep is ingesteld door de vervolgende partijen of door een van hen, kan de behandeling in hoger beroep voortgang vinden.
§ 3. Het verzet brengt van rechtswege dagvaarding mee tegen de eerstkomende terechtzitting na het verstrijken van een termijn van vijftien dagen, of van drie dagen indien de eiser in verzet zich in hechtenis bevindt.
§ 4. Ten gevolge van het verzet wordt de veroordeling voor niet bestaande gehouden, behoudens in de gevallen bedoeld in paragrafen 5 tot 7.
§ 5. Het verzet wordt inzonderheid onontvankelijk verklaard :
1° behoudens overmacht, indien het niet overeenkomstig de wettelijke vormen en termijnen is betekend;
2° indien het bestreden vonnis niet bij verstek is gewezen;
3° indien de eiser in verzet vooraf een ontvankelijk hoger beroep heeft ingesteld tegen dezelfde beslissing.
§ 6. Het verzet wordt als ongedaan beschouwd :
1° indien de eiser in verzet, wanneer hij persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt en vaststaat dat hij kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan, geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechtspleging, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden overgelaten wordt aan het soevereine oordeel van de rechter;
2° indien de eiser in verzet nogmaals verstek laat gaan bij zijn verzet, en dat in alle gevallen, ongeacht de redenen voor de opeenvolgende verstekken en zelfs indien het verzet reeds ontvankelijk werd verklaard.
§ 7. De partij die verzet heeft gedaan kan ervan afstand doen of dat beperken volgens de nadere regels inzake afstand of beperking in hoger beroep, verduidelijkt in artikel 206.
§ 8. De partij in verzet die zich een tweede keer laat vonnissen bij verstek, mag geen nieuw verzet meer aantekenen.
§ 9. Tegen de beslissing die op verzet is gewezen staat hoger beroep open of, indien zij gewezen is in hoger beroep, cassatieberoep.
Hoger beroep tegen de beslissing die het verzet als ongedaan beschouwt, houdt in dat de grond van de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechter in hoger beroep, ook al is er geen hoger beroep ingesteld tegen het bij verstek gewezen vonnis.
§ 10. De door het verzet veroorzaakte kosten en uitgaven, met inbegrip van de kosten van uitgifte en van de betekening van het vonnis, blijven evenwel ten laste van de eiser in verzet, indien het verstek aan hem te wijten is.".
Art. 84. Artikel 188 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 februari 1956 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 februari 2003, wordt opgeheven.
Art. 85. In het artikel 189 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 8 april 2002 en 2 augustus 2002, worden de woorden "De bepalingen van de artikelen 157, 158, 158bis, 158ter, 158quater, 159, 160 en 161 gelden ook voor de correctionele rechtbanken" vervangen door de woorden "De bepalingen van de artikelen 152, 157, 158, 158bis, 158ter, 158quater, 159, 160 en 161 gelden ook voor de correctionele rechtbanken".
Art. 86. In artikel 197bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 maart 2003 en vervangen bij de wet van 11 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in paragraaf 1, vierde lid, worden de woorden ", door toedoen van de voorzitter van het bevoegde aankoopcomité" vervangen door het woord "kosteloos".
b) In paragraaf 4, tweede lid, wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt :
"3° de directeur-generaal van de algemene directie gerechtelijke politie of de door hem aangewezen vertegenwoordiger;";
c) in paragraaf 4, tweede lid, worden in de bepaling onder 6° de woorden "de coördinatie van" opgeheven;
d) paragraaf 4, tweede lid, wordt aangevuld met de bepalingen onder 9° en 10°, luidende :
"9° een vertegenwoordiger van de Federale overheidsdienst Justitie;
10° een vertegenwoordiger aangewezen door de Raad van Arbeidsauditeurs.".
Art. 87. In boek II, titel I, hoofdstuk II, van hetzelfde Wetboek wordt een paragraaf III ingevoegd, luidende "Hoger beroep van correctionele vonnissen", die de artikelen 199 tot 216 bevat.
Art. 88. In artikel 203 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 mei 1955 en gewijzigd bij de wet van 15 juni 1981, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden "vijftien dagen" telkens vervangen door de woorden "dertig dagen";
2° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Het openbaar ministerie beschikt over een bijkomende termijn van tien dagen om hoger beroep in te stellen, nadat de beklaagde of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij hoger beroep heeft ingesteld.";
3° in paragraaf 2 worden de woorden "vijf dagen" vervangen door de woorden "tien dagen".
Art. 89. Het artikel 204 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
"Art. 204. Op straffe van verval van het hoger beroep bepaalt het verzoekschrift nauwkeurig de grieven die tegen het vonnis worden ingebracht, met inbegrip van de procedurele grieven, en wordt het verzoekschrift binnen dezelfde termijn en op dezelfde griffie ingediend als de in artikel 203 bedoelde verklaring. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de eiser in beroep of zijn advocaat, of door een ander bijzonder gevolmachtigde. In dit laatste geval wordt de volmacht bij het verzoekschrift gevoegd.
Dit verzoekschrift kan ook rechtstreeks worden ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof waarvoor het hoger beroep wordt gebracht.
Daartoe kan een formulier, waarvan het model wordt bepaald door de Koning, worden gebruikt.
Deze bepaling geldt ook voor het openbaar ministerie.".
Art. 90. In artikel 205 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 juni 1981 en gewijzigd bij de wet van 28 maart 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "vijfentwintig dagen" worden vervangen door de woorden "veertig dagen";
2° de zin "Het exploot bevat dagvaarding binnen zestig dagen te rekenen van hetzelfde tijdstip of binnen vijfenveertig dagen te rekenen van de uitspraak van het vonnis in het kader van de procedure van onmiddellijke verschijning bedoeld in artikel 216quinquies." wordt vervangen als volgt :
"Het exploot bevat dagvaarding. In het kader van de procedure van onmiddellijke verschijning bedoeld in artikel 216quinquies gebeurt deze dagvaarding binnen zestig dagen te rekenen van de uitspraak van het vonnis.".
Art. 91. Het artikel 206 van hetzelfde Wetboek, opgeheven door de wet van 10 juli 1967, wordt hersteld als volgt :
"Art. 206. De partijen in het geding kunnen afstand doen van het ingesteld hoger beroep of het ingesteld hoger beroep beperken, met een verklaring, ingediend op de griffie van de rechtbank of het hof die van het hoger beroep kennis moet nemen.
De verklaring kan in voorkomend geval ook worden gedaan op de griffie van de gevangenis of van het gemeenschapscentrum voor minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd.
Van de verklaring wordt proces-verbaal opgemaakt in het daartoe bestemd register.
Bij de in het tweede lid voorziene gevallen geven de bestuurders van de inrichtingen van die verklaring onmiddellijk bericht aan het openbaar ministerie bij de rechtbank of het hof die van het hoger beroep kennis moet nemen en stelt hem, binnen vierentwintig uren, een uitgifte van het proces-verbaal in handen. Bericht en uitgifte worden bij het dossier gevoegd.
Van de afstand of beperking door het openbaar ministerie gedaan, worden de beklaagde, en in voorkomend geval de burgerlijke partij, of hun advocaten, binnen de vierentwintig uren op de hoogte gesteld.
De partijen in het geding kunnen ook op de zitting afstand doen van het ingesteld hoger beroep of het ingesteld hoger beroep beperken.
De afstand of beperking van het ingesteld hoger beroep kan worden ingetrokken totdat er akte van is verleend door het hof of de rechtbank die van het hoger beroep kennis moet nemen.
Ingeval van hoger beroep met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering, kan de partij tegen wie het hoger beroep gericht is, evenwel beslissen de afstand niet te aanvaarden indien incidenteel beroep is ingesteld.".
Art. 92. Artikel 208 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 februari 2003, wordt vervangen als volgt :
"Art. 208. Tegen de arresten, in hoger beroep bij verstek gewezen, kan in verzet worden gekomen in dezelfde vormen, onder dezelfde voorwaarden, volgens dezelfde modaliteiten en binnen dezelfde termijnen als tegen de verstekvonnissen van de correctionele rechtbanken.
De bepalingen van de artikelen 185 tot 187 gelden ook voor het hof van beroep.".
Art. 93. Artikel 209bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 maart 2000, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De bepalingen van artikel 152 gelden ook voor de hoven van beroep.".
Art. 94. Artikel 210 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 februari 2003, aangevuld met een lid, luidende :
"Behoudens de grieven opgeworpen zoals bepaald in artikel 204, kan de beroepsrechter slechts de grieven van openbare orde ambtshalve opwerpen die betrekking hebben op de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen dan wel op :
- zijn bevoegdheid;
- de verjaring van de feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt;
- het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantasten.
De partijen worden verzocht om zich uit te spreken over de ambtshalve opgeworpen middelen.".
Art. 95. Artikel 216 van hetzelfde Wetboek wordt vernummerd tot 215bis.
Art. 96. In boek II, titel I, van hetzelfde Wetboek, wordt een hoofdstuk IIbis ingevoegd, luidende "Voorafgaande erkenning van schuld".
Art. 97. In hoofdstuk IIbis, ingevoegd bij artikel 96, wordt een artikel 216 ingevoegd, luidende :
"Art. 216. § 1. Voor feiten die niet van die aard schijnen te zijn dat ze gestraft moeten worden met een hoofdstraf van meer dan vijf jaar correctionele gevangenisstraf, kan de procureur des Konings, indien de verdachte of de beklaagde de schuld van de hem tenlastegelegde feiten erkent, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de verdachte of de beklaagde of zijn advocaat, de toepassing voorstellen van de in dit artikel omschreven procedure van voorafgaande erkenning van schuld.
In dat geval kan hij, in de voorwaarden voorzien in de wet, lagere straffen voorstellen dan hij meende te moeten vorderen, of een straf met geheel of gedeeltelijk uitstel of probatie-uitstel, of een gewone opschorting of een probatie-opschorting.
Deze procedure is niet toepasselijk voor de feiten :
1° die strafbaar zouden zijn met een maximumstraf van meer dan twintig jaar opsluiting als ze niet in wanbedrijven werden omgezet;
2° die bedoeld zijn in de artikelen 375 tot 377 van het Strafwetboek;
3° die bedoeld zijn in de artikelen 379 tot 387 van het Strafwetboek, indien deze zijn gepleegd op of met behulp van minderjarigen;
4° die bedoeld zijn in de artikelen 393 tot 397 van het Strafwetboek.
§ 2. Wanneer de onderzoeksrechter met een onderzoek is gelast, kan de procureur des Konings slechts de toepassing van de in huidig artikel omschreven procedure voorstellen na de beschikking of het arrest van verwijzing naar de feitenrechter. Hij kan dit ook voorstellen wanneer de zaak reeds bij de feitenrechter aanhangig is gemaakt, voor zover er nog geen eindvonnis of arrest is gewezen op strafgebied.
§ 3. De verklaringen waarmee de verdachte of de beklaagde de schuld aan de hem tenlastegelegde feiten erkent, worden afgelegd in het bijzijn van een advocaat naar keuze of een hem toegewezen advocaat.
Indien de verdachte of de beklaagde over onvoldoende inkomsten beschikt, zijn de artikelen 508/13 tot 508/18 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de toekenning van de gedeeltelijke of volledige kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand onverminderd van toepassing.
De advocaat neemt kennis van het dossier en de aan de verdachte of de beklaagde tenlastegelegde feiten en licht hem in over zijn rechten, de gevolgen van het erkennen van de schuld in de voorliggende procedure en het verdere verloop ervan. De verdachte of de beklaagde kan ten allen tijde een vertrouwelijk overleg hebben met zijn advocaat buiten de aanwezigheid van de procureur des Konings.
Na het aanhoren van de door de procureur des Konings voorgestelde straffen, kan de verdachte of de beklaagde een bedenktijd vragen van maximaal tien dagen alvorens aan de procureur des Konings mee te delen of hij al dan niet de schuld aan de tenlastegelegde feiten erkent en de weerhouden wettelijke kwalificaties en de voorgestelde straffen aanvaardt.
In voorkomend geval, worden de verklaringen waarmee de verdachte of de beklaagde de schuld aan de hem tenlastegelegde feiten erkent en de straffen die de procureur des Konings voorstelt aanvaardt, vastgelegd in een overeenkomst waarin de feiten en hun kwalificatie precies worden omschreven en dat zowel door de verdachte of de beklaagde en zijn advocaat, als door de procureur des Konings wordt ondertekend.
Deze overeenkomst bepaalt met name de kosten die dienen te worden gedekt en de goederen of vermogensvoordelen die moeten worden afgegeven en verbeurdverklaard.
Als de zaak nog niet is vastgesteld voor een rechter ten gronde bepaalt de overeenkomst de plaats, dag en uur van de zitting van de rechtbank waarop de verdachte of de beklaagde dient te verschijnen, binnen een termijn die niet korter mag zijn dan tien dagen en niet langer dan twee maanden. Aan de verdachte of de beklaagde wordt onmiddellijk een kopie van de overeenkomst overhandigd. Deze kennisgeving geldt als dagvaarding. Wanneer de zaak evenwel al is vastgesteld voor de rechter ten gronde, wordt de overeenkomst op die zitting ter bekrachtiging voorgelegd.
Zolang er geen ondertekende overeenkomst is, kunnen de stukken opgesteld in het kader van de paragrafen 1 en 2 en van deze paragraaf niet aan het dossier worden gevoegd, noch ingezien.
In voorkomend geval bezorgt de procureur des Konings de gekende slachtoffers een kopie van de ondertekende overeenkomst. Het slachtoffer en zijn advocaat krijgen inzage in het strafdossier.
§ 4. De rechtbank hoort de beklaagde en zijn advocaat over de afgesloten overeenkomst en de erkende feiten.
In voorkomend geval, hoort de rechtbank ook het slachtoffer en zijn advocaat over de feiten en de vergoeding van de schade. Het slachtoffer kan zich op de zitting van de rechtbank, die de afgesloten overeenkomst dient te bekrachtigen, burgerlijke partij stellen en vergoeding van zijn schade vragen. De gedaagden worden gehoord met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering.
De rechtbank verifieert of voldaan is aan alle voorwaarden van de paragrafen 1 tot 3, of de overeenkomst op een vrije en weloverwogen manier is gesloten en met de werkelijkheid van de feiten en met hun correcte juridische kwalificatie overeenstemt en of de door de procureur des Konings voorgestelde straffen proportioneel zijn aan de ernst van de feiten, de persoonlijkheid van de beklaagde en de bereidheid tot vergoeding van de eventuele schade.
Indien ze oordeelt dat dit het geval is, bekrachtigt ze de afgesloten overeenkomst en spreekt ze de voorgestelde straffen uit bij erkenning van schuld door de beklaagde. Op strafgebied staat geen rechtsmiddel open.
Zoniet wijst ze het verzoek tot bekrachtiging van de afgesloten overeenkomst bij een met redenen omklede beslissing af. In dit geval wordt het dossier terug ter beschikking gesteld van de procureur des Konings en wordt de zaak toegewezen aan een anders samengestelde kamer.
De door de beklaagde en de procureur des Konings ondertekende overeenkomst en de documenten die werden opgemaakt en mededelingen die werden gedaan tijdens het overleg in het kader van de procedure alsook alle andere gerelateerde procedurestukken, worden dan uit het dossier verwijderd en neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg.
Zolang de overeenkomst niet is bekrachtigd bij vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan kunnen de hierboven bedoelde stukken niet ten laste van de verdachte of de beklaagde worden aangewend in een andere strafrechtelijke, burgerrechtelijke, administratieve, arbitrale of andere procedure en zijn ze niet toelaatbaar als bewijs, zelfs niet als buitengerechtelijke bekentenis.
§ 5. De rechtbank doet uitspraak over het verzoek tot bekrachtiging, hetzij tijdens de zitting, hetzij binnen een maand na de eerste zitting, behalve indien een uitstel van het onderzoek van de zaak tot een latere zitting zich opdringt teneinde de burgerlijke partij in staat te stellen haar belangen te verdedigen of de beklaagde in staat te stellen de elementen te verschaffen in verband met diens wil om de schade te herstellen.
§ 6. Het bij de eerste en tweede paragraaf bepaalde recht behoort ook, ten aanzien van dezelfde feiten, aan de arbeidsauditeur, de federale procureur en de procureur-generaal in hoger beroep en, ten aanzien van de personen bedoeld in de artikelen 479 en 483, aan de procureur-generaal bij het hof van beroep.".
Art. 98. In artikel 216bis, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 april 2011, worden de woorden "voor zover er nog geen vonnis of arrest is uitgesproken dat kracht van gewijsde heeft verkregen" vervangen door de woorden "voor zover er nog geen eindvonnis of eindarrest is gewezen in strafzaken".
Art. 99. In artikel 235bis, § 6, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 12 maart 1998, gewijzigd bij de wetten van 4 juli 2001 en 14 december 2012 en gedeeltelijk vernietigd bij arrest nr. 86/2002 van het Grondwettelijk Hof, worden de woorden ", na het verstrijken van de termijn voor cassatieberoep", opgeheven.
Art. 100. Artikel 235ter, § 6, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2005, vernietigd bij arrest nr. 105/2007 van het Grondwettelijk Hof, en hersteld bij de wet van 16 januari 2009, wordt opgeheven.
Art. 101. In artikel 326 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "in de persoon van het hoofd van de jury" opgeheven;
2° het vierde lid wordt opgeheven;
3° in het vijfde lid, dat vierde lid wordt, worden de woorden "van de jury" opgeheven.
Art. 102. In artikel 327 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
"Nadat de vragen gesteld zijn, begeven de gezworenen zich met het hof naar de beraadslagingskamer.";
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"Het aldus samengestelde college, voorgezeten door de voorzitter van het hof, beraadslaagt over de schuldvraag.";
3° in het derde lid worden de woorden "leest het hoofd van de jury" vervangen door de woorden "leest de voorzitter aan dit college".
Art. 103. In artikel 328 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt het woord "gezworenen" vervangen door de woorden "leden van het college";
2° in het tweede lid wordt de tweede zin, beginnend met de woorden "Deze zal er niet binnentreden" en eindigend met de woorden "de griffier." opgeheven;
3° in het derde lid worden de woorden "is gehouden aan de bevelhebber van de betrokken politiedienst schriftelijk het bepaalde bevel te geven" vervangen door de woorden "geeft het bepaalde bevel schriftelijk aan de bevelhebber van de betrokken politiedienst";
4° in het vierde lid worden de woorden "de jury" vervangen door de woorden "het college".
Art. 104. In artikel 329 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de woorden "De gezworenen beraadslagen" vervangen door de woorden "Het college beraadslaagt".
Art. 105. In artikel 329bis, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2009, worden de woorden "door de jury" opgeheven.
Art. 106. In artikel 329ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "het hoofd van de jury" vervangen door de woorden "de voorzitter";
2° in het derde lid worden de woorden "aan het hoofd van de jury" vervangen door de woorden "aan de voorzitter".
Art. 107. Artikel 329quinquies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2009, wordt vervangen als volgt :
"De tafel dienende tot de werkzaamheden van het college wordt zodanig geschikt dat niemand kan zien waarmee een ander lid van het college bezig is.".
Art. 108. In artikel 329sexies, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2009, worden de woorden "de jury" vervangen door de woorden "het college".
Art. 109. In artikel 330 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de woorden "het hoofd van de jury de stemmen op in tegenwoordigheid van de gezworenen" vervangen door de woorden "de voorzitter de stemmen op in tegenwoordigheid van het college".
Art. 110. Artikel 332 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, wordt opgeheven.
Art. 111. Artikel 333 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, wordt opgeheven.
Art. 112. In artikel 334 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt opgeheven;
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"Zonder dat het moet antwoorden op alle neergelegde conclusies, formuleert het college de voornaamste redenen van de beslissing van de jury.";
3° tussen het tweede lid, dat het eerste lid wordt, en het derde lid, wordt het volgende lid ingevoegd :
"De vragenlijst met de beslissing van de jury wordt bij de formulering van de redenen gevoegd.".
Art. 113. In artikel 337 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wet van 14 februari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"De voorzitter doet de beschuldigde binnenkomen en leest in zijn aanwezigheid het arrest voor. Het arrest bevat de beslissing van het college, en maakt melding van de motivering.";
2° in het derde lid worden de woorden "en toepassing van artikel 336" opgeheven.
Art. 114. Artikel 356, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2009, wordt aangevuld met de woorden "met uitzondering van paragraaf 6".
Art. 115. In artikel 420 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 februari 2014, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
"Er kan niettemin onmiddellijk cassatieberoep worden aangetekend tegen de beslissingen :
1° inzake bevoegdheid;
2° die inzake de burgerlijke rechtsvordering uitspraak doen over het beginsel van aansprakelijkheid;
3° die overeenkomstig artikel 524bis, § 1, uitspraak doen over de strafvordering en een bijzonder onderzoek naar vermogensvoordelen bevelen.".
Art. 116. Artikel 442bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 1 april 2007, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"Hetzelfde geldt in geval van een beslissing of arrest waarbij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens akte neemt van de minnelijke schikking tussen de partijen en waarin de Belgische regering deze schending erkent, overeenkomstig artikel 39 van het Europees Verdrag, of waarbij het akte neemt van de unilaterale verklaring van erkenning van de schending, overeenkomstig artikel 37, § 1, van het Europees Verdrag, en dientengevolge beslist de zaak van de rol te schrappen.
Het verzoek tot heropening is niet ontvankelijk wanneer de regering het bewijs levert dat de veroordeelde akkoord is gegaan met een minnelijke schadeloosstelling, dat het akkoord werd uitgevoerd en dat de vaststelling van schending geen ernstige twijfel kan doen rijzen over de uitkomst van de bestreden rechtspleging.".
Art. 117. Artikel 545 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 12 maart 1998 en gewijzigd bij de wet van 10 juni 2001, wordt vervangen als volgt :
"Art. 545. Na inzage van het verzoekschrift en van de bewijsstukken doet de kamer van het Hof van Cassatie die kennis neemt van het cassatieberoep in criminele, correctionele en politiezaken, onmiddellijk einduitspraak indien het verzoek kennelijk onontvankelijk is of wanneer de in het verzoekschrift en de bewijsstukken overgelegde gegevens daartoe volstaan.
Indien daarenboven een geldboete wegens kennelijk onontvankelijk verzoek verantwoord kan zijn, wordt, bij dezelfde beslissing, een rechtsdag bepaald op een nabije datum, waarop alleen dit punt zal worden behandeld. De griffier roept de partijen bij gerechtsbrief op om tegen die datum hun opmerkingen schriftelijk mee te delen.
De geldboete bedraagt honderdvijfentwintig euro tot tweeduizend vijfhonderd euro. De Koning mag het minimum- en maximumbedrag om de vijf jaar aanpassen aan de kosten van het levensonderhoud. De geldboete wordt geïnd door de Administratie der Registratie en Domeinen met aanwending van alle middelen van recht.
Wanneer niet voldaan is aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden voor een onmiddellijke einduitspraak, beveelt het Hof van Cassatie ten spoedigste en uiterlijk binnen acht dagen :
1° a) dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de rechter in de politierechtbank tegen wie onttrekking wordt gevorderd, teneinde binnen de door het Hof bepaalde termijn een verklaring op de uitgifte van het arrest te stellen;
b) dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de eerste voorzitter of de voorzitter, naargelang van het gerecht waartegen onttrekking wordt gevorderd, teneinde binnen de door het Hof bepaalde termijn, een verklaring op de uitgifte van het arrest te stellen in overleg met de leden van het gerecht die met naam worden vermeld en deze verklaring mede ondertekenen;
2° dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan de niet-verzoekende partijen en dat hun de termijn wordt meegedeeld voor de neerlegging van hun conclusies ter griffie en de dag van verschijning voor het Hof; deze dag van verschijning vindt plaats uiterlijk binnen twee maanden na het indienen van het verzoekschrift; het Hof is daartoe evenwel niet gehouden wanneer het, onder opgave van redenen, deze mededeling en de kennisgeving van de dag van verschijning nadelig acht voor het onderzoek;
3° dat van het arrest, het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken mededeling wordt gedaan aan het openbaar ministerie bij het gerecht waartegen de verwijzing wordt gevorderd en dat de termijn wordt meegedeeld voor de neerlegging van een advies, indien het Hof van Cassatie dit nodig acht;
4° dat een van de raadsheren die in het arrest wordt aangewezen, op een bepaalde dag verslag uitbrengt.
Behoudens de onder de bepaling 2° bepaalde uitzondering, worden de conclusies en, in voorkomend geval, het advies van het openbaar ministerie ten laatste op de dag van de neerlegging ter griffie meegedeeld aan de partijen.".
Art. 118. In artikel 548 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 12 maart 1998, wordt het woord "alsook" vervangen door de woorden "en, behoudens wanneer het Hof in zijn arrest, onder opgave van redenen deze toezending nadelig acht voor het onderzoek,".
Art. 119. Artikel 590, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 augustus 1997 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 mei 2014, wordt aangevuld met een bepaling onder 19°, luidende :
"19° beslissingen tot vaststelling van het verval van de strafvordering met toepassing van artikel 216bis, § 2.".
Art. 120. In artikel 594 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 8 augustus 1997 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 10 april 2014, wordt de bepaling onder 3° aangevuld met de woorden "of tot vaststelling van het verval van de strafvordering met toepassing van artikel 216bis, § 2".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden
Art. 121. In artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, vervangen bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2012 en 14 januari 2013, wordt het derde lid opgeheven.
Art. 122. In artikel 3, derde lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 1 februari 1977 en gewijzigd bij de wetten van 11 juli 1994 en 8 juni 2008, worden de woorden "en daarvoor in aanmerking komt op grond van artikel 2, derde lid" opgeheven.
Art. 123. In artikel 5 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 11 juli 1994 en 8 juni 2008, wordt het tweede lid opgeheven.
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 236 van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerden
Art. 124. In artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 236 van 20 januari 1936 tot vereenvoudiging van sommige vormen van de strafvordering ten opzichte van de gedetineerden, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 december 2006 en de wet van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "en het vereischte bedrag niet in zijn bezit heeft om de kosten van de akte van deurwaarder te dekken" opgeheven;
2° in het tweede lid wordt de zin "In dit proces-verbaal wordt melding gemaakt van het feit dat hij die verzet doet, niet in het bezit is van het vereischte bedrag om de kosten van de deurwaardersakte te dekken." opgeheven.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 125. Artikel 40, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 19 oktober 2015, wordt aangevuld met de volgende zin : "De betekening door het openbaar ministerie aan het openbaar ministerie wordt geacht te zijn verricht door het aanbrengen, door een griffier van een rechtbank of van een hof, in de akte, van vermeldingen die een vaste dagtekening eraan toekennen.".
Art. 126. In artikel 57, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 19 oktober 2015, worden de woorden "of in voorkomend geval aan de procureur des Konings" vervangen door de woorden "of bij de betekening door het openbaar ministerie aan het openbaar ministerie".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis
Afdeling 1. - Wijzigingsbepalingen
Art. 127. In artikel 20, § 6, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, ingevoegd bij de wet van 12 januari 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "en cassatieberoep overeenkomstig artikel 31" worden opgeheven;
2° het lid wordt aangevuld met de volgende zin :
"Tegen de beslissing in hoger beroep kan geen onmiddellijk cassatieberoep worden ingesteld.".
Art. 128. In artikel 22 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "of, vanaf de derde beslissing, om de twee maanden" ingevoegd tussen de woorden "van maand tot maand" en de woorden "over het handhaven van de voorlopige hechtenis";
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"Vanaf de derde beslissing, levert de beschikking tot handhaving van de voorlopige hechtenis en over de modaliteit van uitvoering hiervan een titel van vrijheidsbeneming voor twee maanden op.";
3° het achtste lid, beginnend met de woorden "Ingeval een beschikking overeenkomstig het tweede lid" en eindigend met de woorden "die door de griffier voor eensluidend zijn verklaard." wordt opgeheven.
Art. 129. Artikel 22bis, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2005 en gewijzigd bij de wetten van 30 december 2009 en 27 december 2012, wordt opgeheven.
Art. 130. In artikel 23 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 31 mei 2005 en 27 december 2012, worden de woorden "artikelen 21, 22 en 22bis" vervangen door de woorden "artikelen 21 en 22".
Art. 131. Artikel 24bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2012 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
" § 3. Ingeval van handhaving van een hechtenis onder elektronisch toezicht overeenkomstig artikel 26, § 3, tweede lid, worden de bevoegdheden bedoeld in de paragrafen 1 en 2, uitsluitend op vordering van het openbaar ministerie, uitgeoefend door de in artikel 27, § 1, bedoelde rechtsinstanties.
Het verzoekschrift wordt neergelegd ter griffie van het gerecht dat uitspraak moet doen en ingeschreven in een daartoe bestemd register. Over het verzoekschrift wordt in raadkamer beslist binnen vijf dagen na de neerlegging ervan, het openbaar ministerie, de betrokkene en diens raadsman gehoord, waarbij aan deze laatste bericht wordt gegeven overeenkomstig artikel 21, § 2.
Indien er binnen die termijn van vijf dagen, eventueel verlengd overeenkomstig artikel 32, geen beslissing over het verzoekschrift is genomen, blijft de voorlopige hechtenis uitgevoerd onder elektronisch toezicht.
De beslissing wordt met redenen omkleed overeenkomstig artikel 16, § 5, eerste en tweede lid.".
Art. 132. In artikel 26 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 11 juli 1994, 4 augustus 1996 en 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 3 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Indien de verdachte in hechtenis onder elektronisch toezicht staat, kan de raadkamer bij een met redenen omklede beslissing de hechtenis onder elektronisch toezicht handhaven.";
2° paragraaf 5 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"In voorkomend geval is paragraaf 4 van toepassing.".
Art. 133. Artikel 27 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 11 juli 1994, 12 maart 1998 en 30 juni 2000, wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
" § 4. Indien het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidsstelling is verworpen, kan een nieuw verzoekschrift slechts worden ingediend na een termijn van een maand na de verwerping ervan.".
Art. 134. In artikel 28, § 2, van dezelfde wet worden de woorden " § 1, 1° " vervangen door de woorden " § 1, 1° en 2° ".
Art. 135. In artikel 29 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "en het strafproces" worden ingevoegd tussen de woorden "het onderzoek" en "vereiste oproepingen";
2° de woorden "of indien hij is ingeschreven op een nieuw adres in het Rijksregister" worden ingevoegd tussen de woorden "een wijzigingsbericht doet geworden" en de woorden ", worden de oproepingen en betekeningen geldig op die plaats gedaan."
Art. 136. In artikel 30 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt het woord ", 22bis" opgeheven;
2° in paragraaf 4, eerste lid, wordt het woord ", 22bis" opgeheven;
3° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden ", of voor drie maanden te rekenen van de beslissing, indien het hoger beroep wordt ingesteld tegen de bij artikelen 22, tweede lid, en 22bis bedoelde beschikking." vervangen door de woorden "indien zij betrekking heeft op de eerste of de tweede beschikking van de raadkamer, of voor twee maanden te rekenen van de beslissing indien zij betrekking heeft op een daaropvolgende beschikking.";
4° in paragraaf 4, tweede lid, worden de woorden "een maand" vervangen door de woorden "twee maanden".
Art. 137. In artikel 31, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 11 juli 1994, worden de woorden "Tegen deze beslissingen kan cassatieberoep" vervangen door de woorden "Tegen deze beslissingen kan geen onmiddellijk cassatieberoep worden ingesteld behoudens tegen de arresten gewezen door de kamer van inbeschuldigingstelling op het beroep tegen de beslissingen bedoeld in artikel 21, § 1, tweede lid, waartegen cassatieberoep kan".
Art. 138. In artikel 32 van dezelfde wet worden de woorden "22, 25" vervangen door de woorden "22, 24bis, § 3, 25".
Art. 139. Artikel 33, § 2, derde lid, van dezelfde wet, wordt aangevuld met de volgende zin :
"Ze zijn vatbaar voor cassatieberoep voor zover dit rechtsmiddel ook tegen de veroordelende beslissing wordt ingesteld.".
Afdeling 2. - Overgangsbepaling
Art. 140. De beslissingen tot handhaving van de voorlopige hechtenis overeenkomstig artikel 22, eerste en tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en artikel 30, § 4, van dezelfde wet, genomen voor 1 juli 2016, blijven gelden voor de duur waarvoor zij zijn uitgesproken.
De artikelen 22, achtste lid, en 22bis van dezelfde wet blijven bij wijze van overgangsmaatregel van kracht voor de beslissingen tot handhaving van de voorlopige hechtenis genomen voor 1 juli 2016 overeenkomstig artikel 22, tweede lid, van dezelfde wet.
Afdeling 3. - Inwerkingtredingsbepaling
Art. 141. De artikelen 128 tot 130, 136 en 140 treden in werking op 1 juli 2016.
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel
Art. 142. In artikel 13 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingbevel wordt paragraaf 4, opgeheven bij de wet van 25 april 2014, hersteld als volgt :
" § 4. De beslissing van de procureur des Konings om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen overeenkomstig paragraaf 3, levert de titel van vrijheidsbeneming op tot de daadwerkelijke overlevering van de persoon aan de uitvaardigende Staat.
De procureur des Konings kan, onder de voorwaarden bedoeld in artikel 11, §§ 4 en 5, evenwel voorzien in de voorwaardelijke invrijheidstelling of in de invrijheidstelling tegen borgstelling van de betrokken persoon tot de daadwerkelijke overlevering van de persoon aan de uitvaardigende Staat.".
HOOFDSTUK 8. - Bepalingen betreffende de inwerkingtreding
Art. 143. De artikelen 73 tot 76, 79, 83 tot 85, 88 tot 90, 92 tot 94 en 114 van deze titel treden in werking op 1 maart 2016.
Artikel 83 is van toepassing op het verstek dat een partij na 29 februari 2016 laat gaan.
Artikel 121 is van toepassing op de zaken die nog niet in beraad zijn genomen inzake de regeling van de rechtspleging door de kamer van inbeschuldigingstelling op de datum van de inwerkingtreding van dit artikel.
TITEL 4. - Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten
Art. 144. In de Nederlandstalige versie van de artikelen 5, 7, 16 en 95/11 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten wordt het woord "verontrusten" telkens vervangen door de woorden"lastig vallen".
Art. 145. In artikel 12 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden tussen het woord "nageleefd," en het woord "kan" de woorden "of indien er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van toekenning van de uitgaansvergunning," ingevoegd;
2° in paragraaf 2 worden tussen het woord "verlof" en het woord "kan" de woorden ", of in geval er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van toekenning van het penitentiair verlof," ingevoegd;
3° artikel 12 wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidende :
" § 3. In het geval de veroordeelde niet meer aan de tijdsvoorwaarden voldoet voor een beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning verleend met een zekere periodiciteit of van een penitentiair verlof, herroept de minister of zijn gemachtigde de beslissing.".
Art. 146. Artikel 20 van dezelfde wet wordt vernummerd tot artikel 19/1.
Art. 147. In titel IV van dezelfde wet wordt een hoofdstuk IVbis ingevoegd, luidende "Bepaling die gemeen is aan de hoofdstukken I, II, III en IV".
Art. 148. In hoofdstuk IVbis, ingevoegd bij artikel 147, wordt een artikel 20 ingevoegd, luidende :
"Art. 20. De uitgaansvergunning als bedoeld in artikel 4, § 3, het penitentiair verlof en de onderbreking van de strafuitvoering worden niet toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk."
Art. 149. In artikel 20/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 maart 2012 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid wordt het woord "twee" vervangen door het woord "zes";
2° artikel 20/1 wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"Indien de veroordeelde binnen de twee jaar na de invrijheidstelling door de minister terugkeert naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. De procureur des Konings deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de minister of zijn gemachtigde.
De minister of zijn gemachtigde neemt binnen zeven dagen volgend op de voorlopige aanhouding van de veroordeelde een beslissing tot uitvoering van het resterende gedeelte van de straffen. Deze beslissing wordt binnen een werkdag schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, de procureur des Konings en de directeur.".
Art. 150. In artikel 21, § 1, van dezelfde wet wordt het woord "twaalf" vervangen door het woord "zestien".
Art. 151. In artikel 25, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 17 maart 2013 en 10 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de bepaling onder c) worden de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf" vervangen door de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting";
2° in de bepaling onder d), worden de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf" telkens vervangen door de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting";
3° in de bepaling onder e) worden de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf" vervangen door de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting".
Art. 152. In titel V van dezelfde wet wordt een hoofdstuk IIbis ingevoegd, luidende "Bepaling die gemeen is aan de hoofdstukken I en II".
Art. 153. In hoofdstuk IIbis, ingevoegd bij artikel 152, wordt een artikel 25/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 25/2. De beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de voorwaardelijke invrijheidstelling worden niet toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.".
Art. 154. In titel V, hoofdstuk III van dezelfde wet wordt een artikel 25/3 ingevoegd, luidende :
"Art. 25/3. § 1. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde, van wie op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat hij niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk, zijn straf ondergaat buiten de gevangenis in een ander land dan België, mits naleving van de voorwaarden die hem gedurende een bepaalde proeftijd worden opgelegd.
§ 2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering wordt toegestaan aan de veroordeelde die op grond van een uitvoerbaar vonnis of een uitvoerbare titel overgebracht dient te worden naar een ander land.".
Art. 155. In artikel 26, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 17 maart 2013 en 10 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de bepaling onder c) worden de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf" vervangen door de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting";
2° in de bepaling onder d), worden de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf" telkens vervangen door de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting";
3° in de bepaling onder e) worden de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf" vervangen door de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting".
Art. 156. Artikel 37 van dezelfde wet wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De beslissing tot uitstel wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur indien de veroordeelde gedetineerd is.".
Art. 157. Artikel 43 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"Art. 43. § 1. Indien de veroordeelde penitentiair verlof vraagt bij zijn verzoek tot beperkte detentie of elektronisch toezicht, beslist de strafuitvoeringsrechter hierover op het ogenblik van de toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht.
§ 2. Indien de veroordeelde na de toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht om penitentiair verlof verzoekt, wordt het schriftelijk verzoek ingediend op de griffie van de gevangenis.
De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen een werkdag over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift aan de directeur.
De directeur brengt een advies uit omtrent het voorgestelde verlofadres uiterlijk binnen zes weken na de ontvangst van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde. De directeur kan de Dienst Justitiehuizen opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijk onderzoek te houden in het door de veroordeelde voor het penitentiair verlof voorgestelde opvangmilieu.
Het advies van de directeur wordt overgezonden aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en een afschrift ervan wordt meegedeeld aan het openbaar ministerie en de veroordeelde.
Het openbaar ministerie stelt binnen een werkdag volgend op de ontvangst van het advies een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechter en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en de directeur.
De strafuitvoeringsrechter neemt een beslissing binnen zeven dagen na de ontvangst van het advies van de directeur.
De artikelen 39 en 40 zijn van toepassing.
§ 3. De strafuitvoeringsrechter bepaalt de duur van het penitentiair verlof, dat niet minder dan driemaal zesendertig uur per trimester mag zijn. Het penitentiair verlof is elk trimester van rechtswege hernieuwd.
§ 4. Artikel 46 is van toepassing.".
Art. 158. In artikel 46, § 2, tweede streepje, van dezelfde wet, in artikel 58, § 2, tweede streepje, van dezelfde wet, in artikel 68, § 7, tweede streepje, van dezelfde wet, in artikel 78, § 6, tweede streepje, van dezelfde wet, in artikel 95/7, § 4, tweede streepje, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, in artikel 95/14, § 5, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, in artikel 95/16, § 5, derde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, en in artikel 95/30, § 6, derde lid, tweede streepje, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, worden de woorden "de nationale gegevensbank zoals bedoeld in artikel 44/4 van de wet van 5 augustus 1992" telkens vervangen door de woorden "de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992".
Art. 159. In het artikel 47 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 14 december 2012 en 15 december 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de eerste zin aangevuld met de woorden "waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden";
2° in paragraaf 2 wordt de eerste zin aangevuld met de woorden "waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden";
3° in paragraaf 2 wordt de bepaling onder 1° opgeheven.
Art. 160. Artikel 52, § 1, tweede lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
"De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.".
Art. 161. In artikel 55 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in de bepaling onder 2° worden de woorden "en voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied" ingevoegd tussen de woorden "beperkte detentie" en de woorden "een vast adres";
b) het artikel wordt aangevuld met de bepaling onder 4°, luidende :
"4° voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied, de verplichting om het grondgebied effectief te verlaten en het verbod om tijdens de proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de strafuitvoeringsrechtbank.".
Art. 162. In artikel 58, § 1, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "bij gerechtsbrief" vervangen door de woorden "bij ter post aangetekende brief".
Art. 163. Artikel 59 van dezelfde wet wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"Deze strafuitvoeringsmodaliteiten, met uitzondering van de in artikel 4, § 2, bedoelde uitgaansvergunning, worden niet toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.
De artikelen 64, 67, 68 en 70 zijn van toepassing."
Art. 164. In artikel 60, vierde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 maart 2012, wordt het woord "tien" vervangen door het woord "twintig".
Art. 165. In artikel 61, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "bij gerechtsbrief" telkens vervangen door de woorden "bij een ter post aangetekende brief";
2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.".
Art. 166. Artikel 64 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 8 juni 2008 en 25 april 2014, wordt aangevuld met de bepalingen onder 7° en 8°, luidende :
"7° wanneer de veroordeelde zich niet meer in de tijdsvoorwaarden voor de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit bevindt;
8° wanneer de veroordeelde na de toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied nalaat of weigert om het grondgebied effectief te verlaten, niet meewerkt aan zijn verwijdering, niet meewerkt aan zijn identificatie met het oog op het bekomen van een reisdocument of terugkeert zonder de in artikel 55, 4°, vereiste toestemming van de strafuitvoeringsrechtbank.".
Art. 167. In artikel 66 van dezelfde wet wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, luidende :
" § 2/1. In geval van schorsing kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank een uitgaansvergunning overeenkomstig de artikelen 4 en 5 of een penitentiair verlof overeenkomstig de artikelen 7 en 8 toekennen, tenzij op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.".
Art. 168. In artikel 67 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt de tweede zin aangevuld met de woorden "of een andere strafuitvoeringsmodaliteit toekennen";
2° in paragraaf 1 wordt de derde zin aangevuld met de woorden "of met de nieuwe strafuitvoeringsmodaliteit";
3° in paragraaf 2 worden de woorden "of een andere strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen" ingevoegd tussen het woord "leggen" en het woord ", bepaalt".
Art. 169. In artikel 68 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006 en 15 december 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "per gerechtsbrief" vervangen door de woorden "per ter post aangetekende brief".
2° in paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden "en een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied" ingevoegd tussen de woorden "voorwaardelijke invrijheidstelling" en het woord ", bepaalt";
3° paragraaf 5 wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"Behoudens in geval van een herroeping overeenkomstig artikel 64, 1°, bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank in haar vonnis de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen.
Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis indien de veroordeelde een of meer correctionele hoofdgevangenisstraffen ondergaat die samen niet meer dan vijf jaar bedragen. Deze termijn is maximum een jaar in geval van criminele straffen of als het geheel van de correctionele hoofdgevangenisstraffen meer dan vijf jaar bedraagt. Deze termijn is minimum zes maanden en maximum achttien maanden indien de zaak een veroordeling betreft tot een vrijheidsstraf van dertig jaar of meer of een levenslange vrijheidsstraf, met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek.".
Art. 170. In artikel 71 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006, 17 maart 2013 en 15 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid worden de woorden "of betreffende de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering" ingevoegd tussen de woorden "voorwaardelijke invrijheidstelling" en het woord "uitvoerbaar";
2° in het vierde lid worden de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar of tot een levenslange vrijheidsstraf" vervangen door de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of tot een levenslange opsluiting".
Art. 171. In artikel 74 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006 en 15 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2 worden het eerste en het tweede lid vervangen als volgt :
"Het verzoek wordt ingediend bij de directeur. De directeur verzamelt onverwijld en uiterlijk binnen zeven dagen de adviezen van de in paragraaf 1 vermelde geneesheren. De griffie van de gevangenis zendt het verzoek, samen met de in paragraaf 1 bedoelde adviezen, onmiddellijk over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en aan het openbaar ministerie.";
2° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "indiening van het verzoek van de veroordeelde" vervangen door de woorden "ontvangst van het dossier zoals bepaald in paragraaf 2, eerste lid" en de woorden "bij gerechtsbrief" vervangen door de woorden "bij ter post aangetekende brief";
3° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
" § 4. Het vonnis tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- aan de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft.".
Art. 172. In dezelfde wet wordt een artikel 75/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 75/1. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 20 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt is het openbaar ministerie belast met de controle op de veroordeelde. In voorkomend geval is de justitieassistent belast met de opvolging van en het toezicht op alle door de strafuitvoeringsrechter aan de veroordeelde opgelegde voorwaarden.
§ 2. Ingeval er bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, roept de justitieassistent, onmiddellijk na het uitvoerbaar worden van het vonnis, de veroordeelde op om hem alle nuttige informatie voor een goed verloop van de invrijheidstelling om medische redenen te bezorgen.
§ 3. Binnen een maand na de toekenning van de invrijheidstelling brengt de justitieassistent verslag uit over de veroordeelde aan de strafuitvoeringsrechter en verder telkens hij het nuttig acht of wanneer de strafuitvoeringsrechter hem erom verzoekt, en ten minste om de zes maanden. Dit verslag bevat alle voor de strafuitvoeringsrechter relevante informatie met betrekking tot de veroordeelde waarover de justitieassistent beschikt. Het verslag bevat ten minste een opsomming van alle aan de veroordeelde opgelegde voorwaarden alsook de mate waarin die in acht worden genomen. De justitieassistent stelt, in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij nuttig acht.
De mededelingen tussen de strafuitvoeringsrechter en de justitieassistenten gebeuren in de vorm van verslagen, die in afschrift aan het openbaar ministerie worden overgezonden.".
Art. 173. In dezelfde wet wordt een artikel 75/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 75/2. § 1. De strafuitvoeringsrechter kan, op verzoek van de veroordeelde of van het openbaar ministerie, een of meer opgelegde voorwaarden schorsen, nader omschrijven of aanpassen aan de omstandigheden, zonder evenwel deze te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen.
Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank zendt onverwijld een afschrift van dit verzoek over aan de andere partij.
§ 2. Indien zij opmerkingen hebben, delen de veroordeelde of het openbaar ministerie deze schriftelijk mee binnen zeven dagen na ontvangst van het afschrift aan de strafuitvoeringsrechter.
Indien de strafuitvoeringsrechter het nuttig acht, organiseert hij een zitting, die ten laatste een maand na de ontvangst van het in paragraaf 1 bedoelde schriftelijk verzoek moet plaatsvinden. De veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie worden gehoord.
De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 3. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het schriftelijk verzoek of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de strafuitvoeringsrechter. Het vonnis wordt bij een ter post aangetekende brief meegedeeld aan de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie.
De wijzigingen worden eveneens meegedeeld aan de autoriteiten en instanties die overeenkomstig artikel 74, § 4, op de hoogte moeten worden gebracht.".
Art. 174. In artikel 76 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006 en 25 april 2014, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de bepaling onder 3°, tweede zin, worden de woorden "ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie" ingevoegd tussen de woorden "kan hiertoe" en de woorden "op elk ogenblik";
2° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
" § 2. In de in paragraaf 1 bedoelde gevallen kan de strafuitvoeringsrechter de bij voorlopige invrijheidstelling om medische redenen opgelegde voorwaarden herzien. In dat geval kan de strafuitvoeringsrechter de opgelegde voorwaarden verscherpen of bijkomende voorwaarden opleggen. De voorlopige invrijheidstelling om medische redenen wordt evenwel herroepen indien de veroordeelde niet instemt met de nieuwe voorwaarden.".
Art. 175. In artikel 78 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 december 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden "in de in artikel 76, 1° tot 3° " vervangen door de woorden "of een herziening van de voorwaarden in de in artikel 76, § 1, 1° tot 3° ";
2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "per gerechtsbrief" vervangen door de woorden "bij een ter post aangetekende brief";
3° paragraaf 4 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Indien de strafuitvoeringsrechter beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen, bepaalt hij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt.";
4° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden "bij gerechtsbrief" vervangen door de woorden "bij een ter post aangetekende brief".
Art. 176. In artikel 79 van dezelfde wet, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden "of het openbaar ministerie" ingevoegd tussen de woorden "waarvan de veroordeelde zich bevindt" en de woorden ", zijn voorlopige aanhouding";
2° in paragraaf 4, derde lid, worden de woorden "Artikel 78, § 5, is" vervangen door de woorden "Artikel 78, §§ 5 en 6, zijn".
Art. 177. In artikel 80 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt de eerste zin aangevuld met de woorden "met een maximum van tien jaar".
Art. 178. In artikel 83, § 1, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden "bij gerechtsbrief" vervangen door de woorden "bij een ter post aangetekende brief".
Art. 179. In artikel 86 van dezelfde wet worden de woorden "bij gerechtsbrief" vervangen door de woorden "bij een ter post aangetekende brief".
Art. 180. In artikel 89, § 1, van dezelfde wet wordt het tweede lid vervangen als volgt :
"De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en, ingeval de veroordeelde gedetineerd is, schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.".
Art. 181. In artikel 95, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "bij gerechtsbrief" vervangen door "bij een ter post aangetekende brief".
Art. 182. In artikel 95/3, § 2, derde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, worden de woorden "de artikelen 372, 373, tweede en derde lid, 375, 376, tweede en derde lid, of 377, eerste, tweede, vierde en zesde lid, van het Strafwetboek" vervangen door de woorden "de artikelen 372 tot 378 van het Strafwetboek, of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming".
Art. 183. In artikel 95/5, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
"De dag, het uur en de plaats van de zitting wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en, indien de veroordeelde gedetineerd is, schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.".
Art. 184. In artikel 95/12, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, wordt tussen het derde en vierde lid een lid ingevoegd, luidende :
"Artikel 31 is van toepassing.".
Art. 185. In artikel 95/16 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 15 december 2013 worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2 worden de woorden "artikel 66" vervangen door de woorden "artikel 66, §§ 2 en 3,";
2° in paragraaf 5, eerste lid, worden de woorden "bij gerechtsbrief" vervangen door de woorden "bij een ter post aangetekende brief".
Art. 186. Artikel 95/21, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, wordt aangevuld met de volgende zin :
"De vrijheidsbeneming van de ter beschikking gestelde veroordeelde wordt gehandhaafd indien in zijn hoofde een risico op het plegen van ernstige strafbare feiten, die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten, bestaat dat in geval van een invrijheidstelling onder toezicht niet kan worden ondervangen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.".
Art. 187. In artikel 95/23, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, wordt het derde lid vervangen als volgt :
"De dag, het uur en de plaats van de zitting wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.".
Art. 188. In artikel 95/24, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007, worden de woorden "Onder voorbehoud van" vervangen door het woord "Onverminderd".
Art. 189. In artikel 95/27 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden "herroeping of de schorsing" vervangen door de woorden "herroeping, schorsing of herziening";
2° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt : "De artikelen 68, §§ 1 tot 4, en 70 zijn van toepassing.".
Art. 190. In artikel 95/30 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 15 december 2013, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt :
"De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.";
2° in paragraaf 6, eerste lid, worden de woorden "bij gerechtsbrief" vervangen door de woorden "bij een ter post aangetekende brief".
Art. 191. In artikel 96 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 26 april 2007 en 17 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "en tot de herziening van de bijzondere voorwaarden" opgeheven;
2° in het eerste lid worden de woorden "of met betrekking tot de herroeping" vervangen door de woorden ", de herziening of de herroeping";
3° in het tweede lid, in de bepaling onder b) worden de woorden "en tot de herziening van de bijzondere voorwaarden" opgeheven;
4° in het tweede lid, in de bepaling onder b) worden tussen het woord "afwijzing" en het woord "of" de woorden ", de herziening" ingevoegd;
5° in het tweede lid, in de bepaling onder c) worden de woorden "en tot de herziening van de bijzondere voorwaarden" opgeheven;
6° in het tweede lid, in de bepaling onder c) worden tussen het woord "afwijzing" en het woord "of" de woorden ", de herziening" ingevoegd;
7° in het tweede lid, in de bepaling onder d) worden de woorden "en tot de herziening van de bijzondere voorwaarden" opgeheven;
8° in het tweede lid, in de bepaling onder d) worden tussen het woord "afwijzing" en het woord "of" de woorden ", de herziening" ingevoegd;
9° in het tweede lid, in de bepaling onder e) worden de woorden "en tot de herziening van de bijzondere voorwaarden" opgeheven;
10° in het tweede lid, in de bepaling onder e) worden tussen het woord "afwijzing" en het woord "of" de woorden ", de herziening" ingevoegd;
11° in het tweede lid, in de bepaling onder f) worden het woord "en tot de herziening van de bijzondere voorwaarden" opgeheven;
12° in het tweede lid, in de bepaling onder f) worden tussen het woord "afwijzing" en het woord "of" de woorden ", de herziening" ingevoegd.
Art. 192. In artikel 97, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 februari 2009 en 19 december 2014, wordt het woord "vijftien" vervangen door het woord "vijf".
TITEL 5. - Wijzigingen van diverse bepalingen
HOOFDSTUK 1. - Rechterlijke organisatie
Afdeling 1. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
Art. 193. In artikel 115, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 16 juli 1993, worden de woorden "het hof van beroep in algemene vergadering" vervangen door de woorden "de eerste voorzitter van het hof van beroep".
Art. 194. In artikel 120 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 13 november 1987, 9 juli 1997 en 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "een lid van het hof van beroep of een wegens leeftijd in rust gesteld lid van het hof van beroep die nog niet de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt" vervangen door de woorden "een lid van het hof van beroep, een lid van dat hof dat wegens zijn leeftijd tot de inruststelling is toegelaten en nog niet de leeftijd van 73 jaar heeft bereikt of een lid van dat hof dat op eigen verzoek voor de wettelijke leeftijd is toegelaten tot de inruststelling en dat bovendien werd gemachtigd tot het voeren van de eretitel van zijn ambt";
2° in het derde lid worden de woorden "onder de leden van dat hof of een wegens hun leeftijd in rust gestelde leden van het hof van beroep die nog niet de leeftijd van 70 jaar hebben bereikt" vervangen door de woorden "onder de leden van dat hof, de leden van dat hof die wegens hun leeftijd tot de inruststelling zijn toegelaten en nog niet de leeftijd van 73 jaar hebben bereikt of de leden van dat hof die op eigen verzoek voor de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt".
Art. 195. In artikel 121 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009 en gewijzigd bij de wet van 19 juli 2012, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :
"Zij kunnen eveneens aangewezen worden door de eerste voorzitter van het hof van beroep in overleg met de betrokken voorzitters van de rechtbank van eerste aanleg onder de ondervoorzitters en rechters toegelaten tot de inruststelling wegens hun leeftijd en die nog niet de leeftijd van 73 jaar hebben bereikt of die op eigen verzoek voor de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt.".
Art. 196. In artikel 122 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bestaande tekst, die het eerste lid zal worden, wordt vervangen als volgt :
"De eerste voorzitter van het hof van beroep kan, in uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met de organisatie van de hoven en rechtbanken, op vordering van de procureur-generaal, beslissen dat een of meer leden van het hof die hij aanwijst als assessor of plaatsvervangend assessor zullen optreden in plaats van de leden van de rechtbank van eerste aanleg.";
2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De assessoren en de plaatsvervangende assessoren kunnen eveneens aangewezen worden door de eerste voorzitter van het hof van beroep onder de leden van dat hof die zijn toegelaten tot de inruststelling wegens hun leeftijd en die nog niet de leeftijd van 73 jaar hebben bereikt of die op eigen verzoek voor de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt.".
Art. 197. Artikel 162, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 april 2007, wordt aangevuld met vijf leden, luidende :
"Bij een met redenen omklede individuele beschikking en na positief advies van de bevoegde procureur-generaal, kan de korpschef de uitoefening van alle bevoegdheden van het openbaar ministerie toekennen aan de bij het parket-generaal, het auditoraat-generaal, het federaal parket, het parket of het arbeidsauditoraat aangewezen vastbenoemde parketjuristen, voor zover deze over een anciënniteit van ten minste twee jaar als jurist binnen de rechterlijke orde beschikken.
De in het derde lid bedoelde parketjuristen kunnen de strafvordering voor de politierechtbank uitoefenen, behoudens wat inbreuken op artikel 419, tweede lid, van het Strafwetboek betreft.
Uitgesloten zijn :
- de bevoegdheid van het uitoefenen van de strafvordering voor de hoven van assisen, voor de kamers voor correctionele zaken van de hoven van beroep en voor de correctionele rechtbanken;
- de bevoegdheden van het openbaar ministerie in het kader van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis;
- het vorderingsrecht tot het opleggen van maatregelen op grond van als misdrijf omschreven feiten voor de jeugdkamers van de hoven van beroep of de jeugdrechtbank.
De bevoegdheden die enkel parketmagistraten die daartoe een bijzondere, door de wet voorgeschreven opleiding hebben gevolgd, kunnen uitoefenen, kunnen de parketjuristen enkel uitoefenen mits eenzelfde opleiding gevolgd te hebben.
De werkelijk gepresteerde diensten in de hoedanigheid van contractueel jurist worden in aanmerking genomen voor de berekening van de vereiste anciënniteit. Deze toekenning van bevoegdheden kan op elk ogenblik door de korpschef worden ingetrokken. De parketjurist staat onder het gezag en toezicht van zijn korpschef en oefent de hem toegekende bevoegdheden uit onder de verantwoordelijkheid van een of meerdere magistraten.".
Art. 198. In artikel 223, eerste lid, 2°, d), van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 2009, worden de woorden "de gerechtelijke arrondissementen Verviers en Eupen" vervangen door de woorden "het gerechtelijk arrondissement Eupen en de kantons Limburg-Aubel, Malmedy-Spa-Stavelot, Verviers-Herve en Verviers".
Art. 199. In artikel 226, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 maart 1980 en gewijzigd bij de wet van 23 september 1985, worden de woorden "de gerechtelijke arrondissementen Verviers en Eupen" vervangen door de woorden "het gerechtelijk arrondissement Eupen en de kantons Limburg-Aubel, Malmedy-Spa-Stavelot, Verviers-Herve en Verviers".
Art. 200. In artikel 229, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 23 september 1985, worden de woorden "de arrondissementen Verviers en Eupen" telkens vervangen door de woorden "het gerechtelijk arrondissement Eupen en de kantons Limburg-Aubel, Malmedy-Spa-Stavelot, Verviers-Herve en Verviers".
Art. 201. Artikel 237 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 19 juli 2012, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Bij toepassing van artikel 115, derde lid, geschiedt de loting van de gezworenen in de definitieve lijst van het gerechtelijk arrondissement waar de zitting van het hof van assisen door die beslissing geopend wordt. In voorkomend geval geschiedt de bijkomende loting bedoeld in artikel 238, tweede lid, in dezelfde definitieve lijst van gezworenen.".
Art. 202. In artikel 259quater, § 5, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en vervangen bij de wet van 8 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt aangevuld met de volgende zin :
"In voorkomend geval geeft de aanwijzing in het mandaat van federale procureur bovendien aanleiding tot een gelijktijdige aanwijzing in subsidiaire orde, in overtal, als federaal magistraat.";
2° paragraaf 5 wordt aangevuld met een lid luidende :
"Uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van zijn mandaat of binnen de maand voorafgaand aan het verstrijken van zijn mandaat wanneer dit niet verlengd werd, licht de federale procureur de minister van Justitie in of hij opteert om terug te keren naar zijn functie waarin hij laatstelijk benoemd werd en overeenkomstig het zevende lid, in voorkomend geval met het adjunct-mandaat waarin hij was aangewezen, ofwel zijn mandaat van federaal magistraat uit te oefenen.".
Art. 203. In artikel 259sexies, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 juni 2006, wordt het vierde lid vervangen als volgt :
"De verbindingsmagistraten in jeugdzaken en de bijstandsmagistraten worden aangewezen voor een termijn van vijf jaar, die na evaluatie tweemaal kan worden hernieuwd. De federale magistraten worden aangewezen voor een termijn van vijf jaar die na een positieve evaluatie telkens voor vijf jaar kan worden hernieuwd. Na twee hernieuwingen kan het mandaat van federaal magistraat maar hernieuwd worden mits een bijkomende positief advies van het College van procureurs-generaal.".
Art. 204. In boek II, titel I, van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk VI ingevoegd, luidende "Magistraten gemachtigd om een opdracht te vervullen in het kader van Eurojust".
Art. 205. In hoofdstuk VI, ingevoegd bij artikel 204, wordt een artikel 309ter ingevoegd, luidende :
"Art. 309ter. § 1. De minister van Justitie wijst na advies van de federale procureur en van de procureur-generaal die bevoegd is voor de internationale betrekkingen onder de federale magistraten het Belgische lid bij Eurojust en de adjunct van het Belgische lid bij Eurojust aan.
De aanwijzingen gelden voor een termijn van vijf jaar en kunnen verlengd worden na advies van de federale procureur en van de procureur-generaal die bevoegd is voor de internationale betrekkingen. Indien het Belgische lid echter de functie van voorzitter of vice-voorzitter van Eurojust bekleedt, geldt zijn aanwijzing ten minste tot het einde van zijn ambtstermijn als voorzitter of vice-voorzitter.
De adjunct van het Belgische lid bij Eurojust kan hem vervangen.
Het Belgische lid bij Eurojust oefent zijn functie uit op de zetel van Eurojust.
De adjunct kan zijn functies op de zetel van Eurojust uitoefenen na een beslissing van de minister van Justitie volgend op een advies van de federale procureur en van de procureur-generaal die bevoegd is voor de internationale betrekkingen.
De adjunct oefent zijn functies echter uit op de zetel van Eurojust indien het Belgische lid de functie van voorzitter van Eurojust bekleedt.
§ 2. De magistraten bedoeld in paragraaf 1 behouden tijdens hun aanwijzing hun statuut van federaal magistraat en behouden de aan dit ambt verbonden wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen met uitzondering van de artikelen 355bis, § 2, en 357, § 4, vijfde lid.
Zij blijven als federaal magistraat onderworpen aan de evaluatie bedoeld in artikel 259undecies.
§ 3. De magistraten bedoeld in paragraaf 1 oefenen hun bevoegdheden van federaal magistraat uit onder de rechtstreekse leiding en toezicht van de federale procureur.
Wanneer het Belgische lid evenwel voorzitter of vice-voorzitter van Eurojust is, is in afwijking van het eerste lid, artikel 28, 3, van het besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken van toepassing.
§ 4. Onverminderd de evaluatie bedoeld in artikel 259undecies, evalueert het College van procureurs-generaal onder andere op grond van de verslagen van het Belgische lid en na hem te hebben gehoord, de wijze waarop hij de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid heeft uitgevoerd en zijn bevoegdheden uitoefent met inachtneming van de taken en doelstellingen van Eurojust. Deze evaluatie wordt opgenomen in het in artikel 143bis, § 7, bedoelde verslag.
Het Belgische lid bij Eurojust bezorgt daartoe aan de minister van Justitie, aan de federale procureur en aan de procureur-generaal die bevoegd is voor internationale betrekkingen een omstandig tweemaandelijks activiteitenverslag over zijn werkzaamheden binnen Eurojust.".
Art. 206. In hetzelfde hoofdstuk VI wordt een artikel 309quater ingevoegd, luidende :
"Art. 309quater. De minister van Justitie wijst op advies van de federale procureur onder de federale magistraten de nationale correspondenten van België bij Eurojust aan.
Wanneer het Belgische lid bij Eurojust en de adjunct niet beschikbaar zijn, oefent de nationaal correspondent van België bij Eurojust de bevoegdheden van het Belgische lid bij Eurojust uit.".
Art. 207. In hetzelfde hoofdstuk VI, wordt een artikel 309quinquies ingevoegd, luidende :
"Art. 309quinquies. § 1. De minister van Justitie wijst het Belgische lid van het gemeenschappelijk controleorgaan bedoeld in artikel 23 van het besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken, aan onder de leden van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
§ 2. De aanwijzing geldt voor een termijn van vijf jaar die tweemaal kan worden verlengd.
§ 3. Het bij het gemeenschappelijk controleorgaan aangewezen lid ontvangt een presentiegeld waarvan het bedrag door de Koning wordt vastgesteld en dat volgens de door Hem bepaalde regels wordt toegekend.".
Art. 208. In boek II, titel I, van hetzelfde Wetboek wordt een hoofdstuk VII ingevoegd, luidende "Parketjurist gemachtigd om een opdracht te vervullen in het kader van Eurojust".
Art. 209. In hoofdstuk VII, ingevoegd bij artikel 208, wordt een artikel 309sexies ingevoegd, luidende :
"Art. 309sexies. § 1. De minister van Justitie wijst, op advies van de federale procureur en van de procureur-generaal die bevoegd is voor internationale betrekkingen, een parketjurist aangewezen bij het federaal parket als medewerker bij Eurojust aan om het Belgische lid en de adjunct bij te staan.
De medewerker mag noch het lid noch de adjunct vervangen.
De medewerker kan zijn functies op de zetel van Eurojust uitoefenen na een beslissing van de minister van Justitie volgend op een advies van de federale procureur en van de procureur-generaal die bevoegd is voor de internationale betrekkingen.
§ 2. De parketjurist bedoeld in paragraaf 1 blijft de aan dit ambt verbonden wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen behouden.
De Koning stelt de postvergoeding van de medewerker vast.".
Art. 210. In artikel 309septies, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 april 2014, worden de woorden "bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad" opgeheven.
Art. 211. In artikel 363bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 april 2014 en vervangen bij de wet van 10 augustus 2015, wordt het woord "309ter," ingevoegd tussen het woord "309bis," en het woord "323bis".
Art. 212. In artikel 411, § 1, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het woord "309ter," wordt ingevoegd tussen het woord "308," en het woord "323bis";
2° het vierde lid wordt aangevuld met de volgende zin :
"Het mandaat van niet-magistraat, aangewezen als assessor bij de tuchtrechtbank of bij de tuchtrechtbank in hoger beroep neemt een einde wanneer de betrokkene een in artikel 309sexies of in artikel 309septies bedoelde opdracht aanvaardt.".
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 21 juni 2004 tot omzetting van het besluit van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken
Art. 213. Artikel 2 van de wet van 21 juni 2004 tot omzetting van het besluit van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken wordt vervangen als volgt :
"Art. 2. Het Belgisch bureau bij Eurojust is samengesteld uit een Belgisch lid, een adjunct van het Belgische lid en een medewerker van het Belgische lid. Zij worden aangewezen overeenkomstig de artikelen 309ter en 309sexies van het Gerechtelijk Wetboek.
De nationale correspondenten van België bij Eurojust worden aangewezen overeenkomstig artikel 309quater van hetzelfde Wetboek.
Het Belgische lid van het gemeenschappelijk controleorgaan bedoeld in artikel 23 van het besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken, wordt aangewezen overeenkomstig artikel 309quinquies van hetzelfde Wetboek.".
Art. 214. De artikelen 3 tot 6 van dezelfde wet worden opgeheven.
Afdeling 3. - Wijziging van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting
Art. 215. In artikel 2 van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting, hersteld bij de wet van 4 maart 1997, vervangen bij de wet van 21 juni 2001 en gewijzigd bij de wetten van 14 december 2004 en 30 december 2009, wordt het cijfer "24" vervangen door het cijfer "28".
Afdeling 4. - Wijzigingen van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen
Art. 216. In titel VII, hoofdstuk IV van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering van personen wordt een artikel 135/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 135/1. Een examen met het oog op de werving van werkende en plaatsvervangende assessoren in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie, kan georganiseerd worden overeenkomstig het koninklijk besluit van 2 oktober 2006 tot vaststelling van de nadere regels voor de examens met het oog op de werving van werkende en plaatsvervangende assessoren in strafuitvoeringszaken gespecialiseerd in penitentiaire zaken en van werkende en plaatsvervangende assessoren gespecialiseerd in sociale re-integratie, vóór de inwerkingtreding van artikel 196bis van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd bij deze wet.".
Art. 217. Artikel 136 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 19 oktober 2015, wordt vervangen als volgt :
"Deze wet treedt in werking op 1 juli 2016, met uitzondering van :
1° artikel 6, § 1, tweede lid, dat in werking treedt op 1 januari 2020;
2° artikel 135/1 en dit artikel die in werking treden op de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
De Koning kan data van inwerkingtreding bepalen voorafgaand aan de data vermeld in het eerste lid.".
Afdeling 5. - Opheffingsbepaling
Art. 218. De wet van 17 december 2002 tot het verlenen van de titel van advocaat-generaal aan het lid van het openbaar ministerie dat België in de Eurojust-eenheid vertegenwoordigt en tot regeling van zijn financiële toestand wordt opgeheven.
Afdeling 6. - Overgangsbepalingen
Art. 219. § 1. De magistraten die op grond van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, tot de inruststelling zijn toegelaten in de vijf jaren die voorafgaan aan de inwerkingtreding van deze wet kunnen aan de minister van Justitie binnen een termijn van zes maanden na inwerkingtreding van deze wet een verzoek richten om te mogen worden aangewezen overeenkomstig de artikelen 120, 121 of 122 van het Gerechtelijk Wetboek.
De minister van Justitie vraagt binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek een met redenen omkleed schriftelijk advies aan :
1° de eerste voorzitter van het hof van beroep;
2° desgevallend de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg waar verzoeker laatst werkzaam was;
§ 2. De adviezen worden binnen dertig dagen na het verzoek om advies bedoeld in paragraaf 1 gezonden aan de minister van Justitie en binnen dezelfde termijn meegedeeld aan de verzoeker.
§ 3. De minister van Justitie zendt het dossier binnen zeventig dagen na ontvangst van het verzoek aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie, bedoeld in artikel 259bis-8 van het Gerechtelijk Wetboek.
De voordracht door de benoemings- en aanwijzingscommissie neemt de vorm aan van een met redenen omklede beslissing tot aanvaarding of weigering van het verzoek tot aanwijzing.
De voordracht wordt binnen veertig dagen na ontvangst van de voordracht door de benoemings- en aanwijzingscommissie overgezonden.
§ 4. De Koning beschikt vanaf de ontvangst van de adviezen over zestig dagen om een beslissing te nemen en deze mee te delen aan de verzoeker en aan de eerste voorzitter van het hof van beroep, evenals aan de procureur-generaal van de plaats waar de eed moet worden afgelegd.
Art. 220. § 1. Het Belgische lid bij Eurojust dat werd aangewezen op grond van artikel 2 van de wet van 21 juni 2004 tot omzetting van het besluit van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken, verkrijgt van rechtswege het bijzonder mandaat van federaal magistraat, desgevallend in overtal, en voltooit zijn opdracht dewelke op 30 mei 2002 inging en tweemaal verlengd werd met een termijn van vijf jaar.
§ 2. Het Belgische lid van het gemeenschappelijk controleorgaan dat bedoeld wordt in artikel 23 van het besluit van de Raad 2002/187/JBZ van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken, dat aangewezen is op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet, voltooit zijn huidige opdracht.
§ 3. In afwachting van de vaststelling van de postvergoeding door de Koning wordt het Belgisch lid en de adjunct een jaarlijkse toelage van 20 000 euro toegekend indien zij hun vaste werkplek hebben op de zetel van Eurojust. De toelage wordt per maand betaald.
Deze toelage wordt gekoppeld aan de mobiliteitsregeling toepasselijk op de bezoldiging van het Rijkspersoneel in actieve dienst. Ze wordt aan het spilindexcijfer 138,01 gekoppeld.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van bepalingen betrekking hebbende op de actoren binnen het domein veiligheid
Afdeling 1. - Wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse
Art. 221. In artikel 35, § 2, eerste lid, van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse, gewijzigd bij de wetten van 4 februari 2010 en 6 januari 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "om de zes maanden" wordt vervangen door het woord "jaarlijks";
2° de woorden "artikel 16/2 en" worden ingevoegd tussen de woorden "over de toepassing van" en de woorden "artikel 18/2";
3° het woord "halfjaarlijks" wordt vervangen door "jaarlijks";
4° de woorden "alsook aan de Veiligheid van de Staat en de Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid" worden ingevoegd tussen de woorden "de ministers van Justitie en van Landsverdediging" en de woorden ", die de mogelijkheid hebben".
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst
Art. 222. In de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst wordt een artikel 16/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 16/2. De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen, in het belang van de uitoefening van hun opdrachten, de medewerking vorderen van een operator van een elektronisch communicatienetwerk of de verstrekker van een elektronische communicatiedienst om over te gaan tot :
1° het identificeren van de abonnee of de gewoonlijke gebruiker van een elektronische communicatiedienst of van het gebruikte elektronische communicatiemiddel;
2° het identificeren van de elektronische communicatiediensten en -middelen waarop een bepaald persoon is geabonneerd of die door een bepaald persoon gewoonlijk worden gebruikt.
De vordering gebeurt schriftelijk door het diensthoofd of zijn gedelegeerde. In geval van hoogdringendheid kan het diensthoofd of zijn gedelegeerde deze gegevens mondeling vorderen. Deze mondelinge vordering wordt binnen vierentwintig uur bevestigd door een schriftelijke vordering.
Iedere operator van een elektronisch communicatienetwerk en iedere verstrekker van een elektronische communicatiedienst die wordt gevorderd, verstrekt aan het diensthoofd of zijn gedelegeerde de gegevens waar om werd verzocht binnen een termijn en overeenkomstig de nadere regels te bepalen bij koninklijk besluit genomen op het voorstel van de minister van Justitie, de minister van Landsverdediging en de minister bevoegd voor de elektronische communicatie.
Het diensthoofd of zijn gedelegeerde kan, mits naleving van de principes van proportionaliteit en subsidiariteit en mits de registratie van de raadpleging, de bedoelde gegevens ook verkrijgen met behulp van toegang tot de klantenbestanden van de operator of van de dienstenverstrekker. De Koning bepaalt, op voorstel van de minister van Justitie, de minister van Landsverdediging en de minister bevoegd voor de elektronische communicatie, de technische voorwaarden waaronder deze toegang mogelijk is.
Eenieder die weigert de aldus gevraagde gegevens mee te delen of de vereiste toegang te verschaffen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.
Beide inlichtingen- en veiligheidsdiensten houden een register bij van alle gevorderde identificaties en van alle via rechtstreekse toegang verkregen identificaties. Het Vast Comité I ontvangt van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdiensten maandelijks een lijst van de gevorderde identificaties en van elke toegang.".
Art. 223. In artikel 18/2, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt :
"4° de identificatie of de lokalisatie, met behulp van een technisch middel, van de elektronische communicatiediensten en -middelen waarop een bepaald persoon is geabonneerd of die door een bepaald persoon gewoonlijk worden gebruikt;";
b) er wordt een bepaling onder 4° /1 ingevoegd, luidende :
"4° /1 de vordering van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van een verstrekker van een elektronische communicatiedienst tot het bekomen van de gegevens betreffende de betalingswijze, de identificatie van het betalingsmiddel en het tijdstip van betaling voor het abonnement of voor het gebruik van de elektronische communicatiedienst;".
Art. 224. Artikel 18/7, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010, wordt vervangen als volgt :
" § 1. Wanneer dit een belang vertoont voor de uitoefening van de opdrachten, kan het diensthoofd, bij schriftelijke beslissing, overgaan of doen overgaan tot :
1° de identificatie of de lokalisatie, met behulp van een technisch middel, van de elektronische communicatiediensten en -middelen waarop een bepaald persoon is geabonneerd of die door een bepaald persoon gewoonlijk worden gebruikt;
2° de vordering van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van een verstrekker van een elektronische communicatiedienst tot het bekomen van de gegevens betreffende de betalingswijze, de identificatie van het betalingsmiddel en het tijdstip van betaling voor het abonnement of voor het gebruik van de elektronische communicatiedienst. Een inlichtingen- en veiligheidsdienst kan de bedoelde gegevens ook verkrijgen met behulp van toegang tot de bestanden van de klanten van de operator of van de verstrekker van de dienst.".
Afdeling 3. - Wijzigingen van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus
Art. 225. In artikel 118 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, gewijzigd bij de wetten van 28 december 2006 en 31 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "en artikel 138bis" ingevoegd tussen de woorden "toepassing van artikel 138, § 1, 3° en 4° " en de woorden ", bestaat het administratief en logistiek kader";
2° in het vierde lid worden de woorden "en in artikel 138bis" ingevoegd tussen de woorden "in artikel 138, § 1, 3° en 4" en de woorden ", mogen geen politieopdrachten uitvoeren".
Art. 226. In dezelfde wet wordt een artikel 138bis ingevoegd, luidende :
"Art. 138bis. § 1. Zijn bekleed met de hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie : de leden van het administratief en logistiek kader van de federale politie en van de lokale politie, minstens houder van een graad van het niveau C en respectievelijk aangewezen door de directeur-generaal van de bestuurlijke politie van de federale politie of door de korpschef van de lokale politie om vaststellingen te doen gesteund op materiële bewijsmiddelen die door bemande of onbemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, overeenkomstig artikel 62 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.
§ 2. Om hun ambt te kunnen uitoefenen, leggen de in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden de in artikel 137 vermelde eed af.
§ 3. Het tweede en het derde lid van artikel 138, § 2 zijn ook op hen van toepassing.".
Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme
Art. 227. In artikel 35, § 2, van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende :
"Paragraaf 1 is evenmin van toepassing op de mededelingen in het kader van wederzijdse samenwerking tussen enerzijds de Cel en anderzijds de Veiligheid van de Staat, de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht en het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse, in het kader van de bestrijding van terrorisme, de financiering van terrorisme en witwasverrichtingen die hiermee verband zouden kunnen houden.".
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 5 februari 2016.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
De Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken,
J. JAMBON
De Minister van Defensie,
S. VANDEPUT
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
K. GEENS
_______
Nota
1) Kamer van volksvertegenwoordigers
(www.dekamer.be) :
Stukken : 54-1418
Integraal verslag : 14 en 28 januari 2016


begin

Publicatie : 2016-02-19