J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 134 uitvoeringbesluiten 38 gearchiveerde versies
Erratum Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1994/12/21/1994021468/justel

Titel
21 DECEMBER 1994. - Wet houdende sociale en diverse bepalingen.
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-04-1995 en tekstbijwerking tot 20-12-2016)

Bron : EERSTE MINISTER
Publicatie : 23-12-1994 nummer :   1994021468 bladzijde : 31878
Dossiernummer : 1994-12-21/31
Inwerkingtreding : 02-01-1995
Opheffing : 31-07-1995 (ART. 169 - ART. 171)

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - SOCIALE ZAKEN.
HOOFDSTUK I. - Begrotingsmaatregelen.
Art. 1-7
HOOFDSTUK II. - Het beheer van de sociale zekerheid.
Art. 8-14
HOOFDSTUK III. - Geneeskundige verzorging.
Afdeling 1. - De commissies van akkoorden.
Art. 15
Afdeling 2. - Het sociaal statuut van de geneesheren.
Art. 16
Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen inzake klinische biologie.
Art. 17-18
Afdeling 4. - Financiële verantwoordelijkheid van de voorschrijvende geneesheren.
Art. 19
Afdeling 5. - De commissie voor de controle op de overconsumptie.
Art. 20
Afdeling 6. - Nomenclatuur inzake medische beeldvorming.
Art. 21
Afdeling 7. - Financiële verantwoordelijkheid van de verzekeringsinstellingen.
Art. 22
Afdeling 8. - Sociale vrijstelling van het remgeld.
Art. 23
Afdeling 9. - Het persoonlijk aandeel.
Art. 24-25
HOOFDSTUK IV. - Wet op de ziekenhuizen.
Art. 26-33
HOOFDSTUK V. - Gezinsbijslag.
Art. 34-36
HOOFDSTUK VI. - Beroepsziekten.
Art. 37-39
HOOFDSTUK VII. - Wachtregister van de kandidaat politieke vluchtelingen.
Art. 40
HOOFDSTUK VIII. - Dienst voor de overzeese sociale zekerheid.
Art. 41-51
TITEL II. - PENSIOENEN.
Art. 52-55
TITEL III. - VOLKSGEZONDHEID.
HOOFDSTUK I. - Instituut voor veterinaire keuring.
Art. 56
HOOFDSTUK II. - Retributies betreffende gevaarlijke stoffen.
Art. 57-58
TITEL IV. - TEWERKSTELLING EN ARBEID.
HOOFDSTUK I. - Begrotingsmaatregelen.
Art. 59
HOOFDSTUK II. - Banenplan ter bevordering van de tewerkstelling van werkzoekenden.
Art. 60-66
HOOFDSTUK III. - Harmonisering van de inhoudingen op het conventioneel brugpensioen.
Art. 67-70
HOOFDSTUK IV. - Loopbaanonderbreking.
Art. 71-75
HOOFDSTUK V. - Betaald educatief verlof.
Art. 76
HOOFDSTUK VI. - Wijziging van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdecimes op de strafrechtelijke geldboeten.
Art. 77
HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen van de arbeidswet van 16 maart 1971 en van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.
Afdeling 1. - Wijzigingen van de arbeidswet van 16 maart 1971.
Art. 78-81
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.
Art. 82-84
HOOFDSTUK VIII. - Nationale Arbeidsraad.
Art. 85-87
HOOFDSTUK IX. - Collectief ontslag.
Art. 88
TITEL V. - ALTERNATIEVE FINANCIERING VAN DE SOCIALE ZEKERHEID.
Art. 89-90
TITEL VI. - PLAATSELIJKE WERKGELEGENHEIDSAGENTSCHAPPEN.
Art. 91-98
TITEL VII. - VASTGOEDBELEGGINGSVENNOOTSCHAPPEN MET VAST KAPITAAL OF VASTGOED BEVAKS.
Art. 99-106
TITEL VIII. - HERVORMING VAN HET APPARAAT VOOR DE STATISTIEK EN DE ECONOMISCHE VOORUITZICHTEN VAN DE FEDERALE REGERING.
HOOFDSTUK I. - Het Instituut voor de nationale rekeningen.
Art. 107-120
HOOFDSTUK II. - Het verzamelen en verwerken van gegevens.
Art. 121-122
HOOFDSTUK III. - Het Nationaal Instituut voor de statistiek.
Art. 123
HOOFDSTUK IV. - Het Federaal Planbureau.
Art. 124-131
HOOFDSTUK V. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen.
Art. 132-135
HOOFDSTUK VI. - Inwerkingtreding.
Art. 136
TITEL IX. - DIVERSE BEPALINGEN.
HOOFDSTUK I. - Justitie.
Afdeling 1. - Krijgsgerechten.
Art. 137-146
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten.
Art. 147
Afdeling 3. - Privé-leven.
Art. 148
Afdeling 4. - Strafregister - Informatisering.
Art. 149-151
HOOFDSTUK II. - Binnenlandse Zaken.
Afdeling 1. - Wijziging van de nieuwe gemeentewet.
Art. 152
Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen, en de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.
Art. 153-155
HOOFDSTUK III. - Ambtenarenzaken.
Afdeling 1. - Wijziging van de wet inzake ambtenarenzaken.
Art. 156-158
Afdeling 2. - Loonmatiging in de overheidssector.
Art. 159
Afdeling 3. - In-de-plaatsstelling inzake door de Staat gedragen kosten.
Art. 160
Afdeling 4. - Betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden.
Art. 161
Afdeling 5. - Uitzendarbeid.
Art. 162-164
Afdeling 6. - Diverse wijzigings- en opheffingsbepalingen.
Art. 165-166
HOOFDSTUK IV. - Financiën.
Afdeling 1. - Verlenging en uitbreiding van de bevoegdheden van de Koning inzake de verkoop van activa.
Art. 167-172
Afdeling 2. - Opheffing van artikel 86 van de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen.
Art. 173
Afdeling 3. - Wijziging van ee regeling voor euro-obligaties.
Art. 174
Afdeling 4. - Nationale Loterij.
Art. 175-176
HOOFDSTUK V. - Financiën en Economische Zaken.
Afdeling 1. - Wijziging van artikel 1 van de wet op de handelspraktijken.
Art. 177
Afdeling 2. - Wijziging van de regeling op de Kredietrisicocentrale om er ook de verzekeringsondernemingen in onder te brengen.
Art. 178-179
Afdeling 3. - Bepaling betreffende de participatie van gemeenten in bedrijven voor produktie, vervoer en distributie van energie.
Art. 180
HOOFDSTUK VI. - Economische Zaken.
Art. 181-183
HOOFDSTUK VII. - Landbouw.
Afdeling 1. - Wijzigingen van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987.
Art. 184-185
Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977.
Art. 186-187
Afdeling 3. - Wijzigingen van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen - rubriek 31.
Art. 188-189
HOOFDSTUK VIII. - Volksgezondheid.
Art. 190-201
HOOFDSTUK IX. - Economische overheidsbedrijven.
Afdeling 1. - Organisatie van de technische medewerking van de operatoren voor de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke bewakingsmaatregelen.
Art. 202-204
Afdeling 2. - Pensioenfonds van Belgacom.
Art. 205

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - SOCIALE ZAKEN.

  HOOFDSTUK I. - Begrotingsmaatregelen.

  Artikel 1. § 1. Een bedrag van 400 miljoen frank wordt afgenomen van de opbrengst van de sociale zekerheidsbijdragen die voor het jaar 1994 worden toegekend aan de Rijksdienst voor kinderbijslag voor werknemers.
  Dit bedrag wordt toegewezen aan de Rijksdienst voor pensioenen.
  § 2. De minister van Sociale Zaken is ertoe gemachtigd het in § 1 bedoelde bedrag in schijven over te dragen volgens de kasbehoeften en binnen de perken van de beschikbare middelen van de betrokken sociale-zekerheidsinstellingen.

  Art. 2. § 1. Een bedrag van 1 900 miljoen frank wordt afgenomen van de opbrengst van de sociale zekerheidsbijdragen die voor het jaar 1994 worden toegekend aan het Fonds voor arbeidsongevallen.
  Dit bedrag wordt toegewezen aan de Rijksdienst voor pensioenen.
  § 2. De minister van Sociale Zaken is ertoe gemachtigd het in § 1 bedoelde bedrag in schijven over te dragen volgens de kasbehoeften en binnen de perken van de beschikbare middelen van de betrokken sociale-zekerheidsinstellingen.

  Art. 3. § 1. Een bedrag van 2 000 miljoen frank wordt afgenomen van de opbrengst van de sociale zekerheidsbijdragen die voor het jaar 1994 worden toegekend aan het Fonds voor beroepsziekten.
  Dit bedrag wordt toegewezen ten belope van 1 500 miljoen frank aan de Rijksdienst voor pensioenen en ten belope van 500 miljoen frank aan de sector geneeskundige verzorging van de algemene regeling van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
  § 2. De minister van Sociale Zaken is ertoe gemachtigd het in § 1 bedoelde bedrag in schijven over te dragen volgens de kasbehoeften en binnen de perken van de beschikbare middelen van de betrokken sociale-zekerheidsinstellingen.

  Art. 4. § 1. Een bedrag van 2 000 miljoen frank wordt afgenomen van de opbrengst van de sociale zekerheidsbijdragen die voor het jaar 1994 worden toegekend aan de sector uitkeringen van de algemene regeling van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
  Dit bedrag wordt toegewezen aan de sector geneeskundige verzorging van de algemene regeling van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
  § 2. De minister van Sociale Zaken is ertoe gemachtigd het in § 1 bedoelde bedrag in schijven over te dragen volgens de kasbehoeften en binnen de perken van de beschikbare middelen van de betrokken sociale-zekerheidsinstellingen.

  Art. 5. Voor 1995 wordt een bedrag van 500 miljoen frank afgenomen op de inhouding bedoeld in artikel 19, § 1, van de wetten betreffnde de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971.
  Dit bedrag wordt toegewezen aan de Rijksdienst voor pensioenen en zal worden ingehouden op de bedragen die kunnen worden gestort, ter uitvoering van artikel 22bis van dezelfde wetten, aan het bijzonder Fonds ter bevordering van de jaarlijkse vakantie der werknemers.

  Art. 6. Artikel 202 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt aangevuld als volgt :
  " In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, kan de Koning bijzondere regelen bepalen voor de storting van de voorschotten die betrekking hebben op de uitkeringen. "

  Art. 7. Voor de toepassing van artikel 14 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, worden niet als loon beschouwd :
  1° de maaltijdscheques toegekend in de periode 1990-1992 aan de volgende categorieën van personeelsleden, rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd ten laste van de Franse Gemeenschap :
  - de personeelsleden bedoeld in artikel 79 van de wetten op het lager onderwijs gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 20 augustus 1957, bij de wet van 1 april 1960 op de Diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de psycho-medisch-sociale centra, zoals gewijzigd bij de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut van de personeelsleden van het rijksonderwijs, alsook voor het wetenschappelijk personeel van de universitaire instellingen;
  - de leden van het personeel bedoeld bij de wet van 1 april 1960 op de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de psycho-medisch-sociale centra, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 467 van 1 oktober 1986;
  - het personeel dat een weddetoelage of een wachtweddetoelage geniet krachtens de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, inzonderheid artikel 26;
  - het administratief personeel, meesters-, vak- en dienstpersoneel van het onderwijs van de Franse Gemeenschap, bedoeld bij de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut van het personeel van het rijksonderwijs, alsook voor het administratief, technisch en werkliedenpersoneel van de universitaire instellingen waarop de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen toepasselijk is;
  - het academisch personeel van de universitaire instellingen;
  2° de maaltijdcheques toegekend in 1990 aan de volgende categorieën van personeelsleden, rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd ten laste van de Vlaamse Gemeenschap :
  - de leden van de inspectiedienst van het gesubsidieerd kleuter- en lager onderwijs bedoeld in artikel 79 van de wetten op het lager onderwijs, gecoördineerd op 20 augustus 1957;
  - de gesubsidieerde personeelsleden van de gesubsidieerde onderwijsinstellingen bedoeld in de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving;
  - de gesubsidieerde personeelsleden van de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra bedoeld in de wet van 1 april 1960 betreffende de psycho-medisch-sociale centra;
  - de leden van de inspectiedienst bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 13 augustus 1962 tot regeling van de psycho-medisch-sociale centra;
  - de leden van de inspectiedienst bedoeld in artikel 1, eerste lid, 3°, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs;
  - de personeelsleden bedoeld in artikel 55, § 1, van het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het gemeenschapsonderwijs;
  - de personeelsleden van de Hogere Zeevaartschool te Oostende en te Antwerpen en de personeelsleden van de Hogere Radio-Navigatieschool te Oostende;
  3° de eindejaarstoelagen toegekend in 1991 en 1992 aan de in 2° bedoelde werknemers.

  HOOFDSTUK II. - Het beheer van de sociale zekerheid.

  Art. 8. In artikel 5 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid de werknemers, gewijzigd bij de wet van 30 maart 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de inleidende zin van het eerste lid, 2°, tweede lid, worden de woorden : " Te dien einde zorgt de Rijksdienst onder andere voor : " vervangen door de woorden " Te dien einde zorgt de Rijksdienst, onder het gezag van het Beheerscomité van de Sociale zekerheid, onder andere voor : ";
  2° in het tweede, vierde en vijfde lid wordt het woord " Beheerscomité " vervangen door de woorden " Beheerscomité van de sociale zekerheid ".

  Art. 9. In artikel 3 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, worden tussen de woorden " van elke instelling " en " op lijsten " de woorden " en de leden van het beheerscomité van de sociale zekerheid, bedoeld in artikel 4ter, tweede lid, 2° " ingevoegd.

  Art. 10. Artikel 4ter van dezelfde wet, inevoegd bij de wet van 30 maart 1994, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 4ter. -
  Voor het uitvoeren van de opdracht bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der werknemers, wordt een Beheerscomité van de sociale zekerheid ingesteld.
  Dit Beheerscomité is samengesteld uit :
  1° een voorzitter;
  2° een gelijk aantal vertegenwoordigers van de representatieve werknemers- en werkgeversorganisaties, die stemgerechtigd zijn;
  3° vijf vertegenwoordigers van de overheid, die stemgerechtigd zijn;
  4° twee vertegenwoordigers van het Nationaal Intermutualistisch College, met raadgevende stem.
  De Koning benoemt de voorzitter, die de voorwaarden bedoeld in artikel 5 moet vervullen en de vertegenwoordigers van de overheid. Hij stelt na advies van de werkgevers- en werknemersorganisaties, die verzocht zijn kandidaten voor te dragen, het aantal leden vast, bedoeld in het tweede lid, 2°. De Koning benoemt ook de vertegenwoordigers van het Nationaal Intermutualistisch College, op voordracht van dit laatste.
  De Koning kan voor alle leden, bedoeld in het tweede lid, plaatsvervangers benoemen.
  De regeringscommissarissen aangewezen door de minister bevoegd voor Sociale Voorzorg en de minister bevoegd voor Begroting, wonen de vergaderingen van het beheerscomité van de sociale zekerheid bij, met raadgevende stem.
  Het secretariaat wordt waargenomen door de Rijksdienst voor sociale zekerheid. "

  Art. 11. Artikel 6 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 29 december 1990, wordt aangevuld als volgt :
  " Dit artikel is van toepassing op het Beheerscomité van de sociale zekerheid, de vertegenwoordigers van de overheid, bedoeld in artikel 4ter, tweede lid, 3°, uitgezonderd. "

  Art. 12. Artikel 8ter, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 maart 1994, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 8ter. -
  Bij het Beheerscomité van de sociale zekerheid wordt een comité voor advies opgericht, samengesteld uit de leidende ambtenaren van de door de Koning aangewezen openbare instellingen voor sociale zekerheid, of hun vertegenwoordigers, alsmede uit de secretaris-generaal van het ministerie van Sociale Voorzorg. De Koning kan de samenstelling van het comité voor advies aanvullen.
  Het comité voor advies staat het Beheerscomité van de sociale zekerheid bij in de uitvoering van zijn opdracht.
  Het comité wijst in zijn midden een voorzitter aan, overeenkomstig de bepalingen vervat in zijn huishoudelijk reglement. Het secretariaat wordt waargenomen door de Rijksdienst voor sociale zekerheid.
  De Koning kan de opdracht van het comité voor advies nader bepalen. "

  Art. 13. Artikel 19bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 30 maart 1994, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 19bis. -
  Het Beheerscomité van de sociale zekerheid stelt zijn huishoudelijk reglement op, dat inzonderheid :
  1° de regelen bepaalt in verband met de bijeenroeping van het Beheerscomité, op verzoek van de minister van Sociale Voorzorg of de minister van Tewerkstelling en Arbeid of de minister van Pensioenen, de voorzitter of van twee leden;
  2° de regelen bepaalt in verband met het voorzitterschap van het Beheerscomité, in geval van afwezigheid of verhindering van de voorzitter;
  3° de aanwezigheid voorschrijft van ten minste de helft van de vertegenwoordigers van de meest representatieve werkgeversorganisaties, van de meest representatieve werknemersorganisaties en van de vertegenwoordigers van de overheid om op geldige wijze te beraadslagen en te beslissen;
  4° de wijze van stemmen bepaalt in het Beheerscomité, met dien verstande dat de voorstellen slechts kunnen worden goedgekeurd wanneer zij de meerderheid van de stemmen behalen van de leden van het beheerscomité, met inbegrip van de stemmen van alle leden bedoeld in artikel 4ter, tweede lid, 3°;
  5° de betrekking bepaalt tussen het Beheerscomité en het comité voor advies, onder meer de eventuele vertegenwoordiging van de leden van laatstgenoemd Comité in het beheerscomité;
  6° bepaalt onder welke voorwaarden het Beheerscomité voor het onderzoek van speciale vraagstukken een beroep kan doen op bijzonder bevoegde personen;
  7° in de mogelijkheid voorziet dat de leden van het Beheerscomité zich laten bijstaan door technische raadgevers;
  8° bepaalt welke handelingen behoren tot het dagelijks beheer. "

  Art. 14. In artikel 23, vierde lid, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd bij de wet van 30 maart 1994, worden de woorden " 37,83 pct. " en " 24,76 pct. " respectievelijk vervangen door de woorden " 37,94 pct. " en " 24,87 pct. ".

  HOOFDSTUK III. - Geneeskundige verzorging.

  Afdeling 1. - De commissies van akkoorden.

  Art. 15. Artikel 50, § 2, derde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt vervangen als volgt :
  " De Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen en de Nationale Commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen worden voorgezeten door een voorzitter die door de Koning wordt benoemd, na advies van de betrokken commissie. "

  Afdeling 2. - Het sociaal statuut van de geneesheren.

  Art. 16. § 1. In artikel 54, § 1, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden " renten of pensioenen waarborgen " vervangen door de woorden " renten, pensioenen of een kapitaal waarborgen ".
  § 2. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van dit artikel.

  Afdeling 3. - Bijzondere bepalingen inzake klinische biologie.

  Art. 17. Artikel 63, tweede lid, van dezelfde wet, wordt aangevuld als volgt :
  " Er kan ook rekening worden gehouden met het feit dat deze activiteiten, alhoewel uitgeoefend in centra gelegen op verschillende plaatsen, één geheel vormen in het kader van de procedures noodzakelijk ter uitvoering van hun taken of, in voorkomend geval, op vraag van dezelfde voorschrijvers. De Koning bepaalt wat dient te worden verstaan onder de gemeenschappelijke uitvoeringsprocedures. "

  Art. 18. In artikel 67 van dezelfde wet wordt het woord " kwaliteitscontrole " vervangen door het woord " controle ".

  Afdeling 4. - Financiële verantwoordelijkheid van de voorschrijvende geneesheren.

  Art. 19. Artikel 77, § 2, van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt :
  " § 2. De Koning kan, na advies van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen, uitgebracht binnen een termijn die Hij vaststelt, bepalen dat de in artikel 60 bedoelde forfaitaire honoraria die Hij aanwijst, noch aan de verzekering voor geneeskundige verzorging, noch aan fde rechthebbende mogen worden aangerekend, indien de voorschriften die aanleiding geven tot die honoraria, uitgaan van geneesheren wier voorschrijfgedrag de normen overschrijdt die door de Koning zijn vastgesteld op grond van de criteria en parameters die Hij bepaalt. In dit geval zijn de hiervoren bedoelde forfaitaire honoraria ten laste van de voorschrijvende geneesheren, volgens de door de Koning te bepalen regelen. "

  Afdeling 5. - De commissie voor de controle op de overconsumptie.

  Art. 20. § 1. Artikel 142, § 1, tweede lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Deze Commissie wordt onderverdeeld in tien provinciale afdelingen en twee regionale afdelingen voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
  De provinciale afdeling van Luik neemt kennis van de zaken die in het Frans en in het Duits worden behandeld.
  In het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad neemt een van de afdelingen kennis van de zaken die in het Nederlands worden behandeld en de andere neemt kennis van de zaken die in het Frans worden behandeld.
  De zetel van alle afdelingen is gevestigd in de lokalen van de hoofdzetel van het Instituut te Brussel. "
  § 2. Dit artikel treedt in werking op 1 januari 1995.

  Afdeling 6. - Nomenclatuur inzake medische beeldvorming.

  Art. 21. In hoofdstuk V van titel III van dezelfde wet wordt een nieuwe afdeling XIIbis ingevoegd, die de artikelen 69bis, 69ter, 69quater, 69quinquies, 69sexies, 69septies en 69octies bevat, luidend als volgt :
  " Afdeling XIIbis : Bepalingen in verband met nomenclatuur van de medische beeldvorming en andere verstrekkingen.
  Art. 69bis. In artikel 14, g), van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 november 1984, 23 mei 1985, 30 januari 1986, 31 januari 1986, 7 januari 1987, 22 juli 1988 en 21 december 1988, wordt de omschrijving en de betrekkelijke waarde van de verstrekking nr. 1204 432353-432364 als volgt gewijzigd en de volgende toepassingsregel toegevoegd :
  " Invasieve obstetrische procedure (amniocentese, foetale punctie, cordocentese) onder echografische controle K 40.
  Het honorarium voor verstrekking nr. 432353-432364 omvat ook het honorarium voor de begeleidende echografie(ën). "
  Art. 69ter. In artikel 17 van de bijlage bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 30 januari 1986, 28 november 1986, 7 januari 1987 et 22 juli 1988, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  § 1. In § 1, 2°, wordt de verstrekking nr. 5012 450553-450564 geschrapt.
  § 2. In § 1, 3° :
  1° wordt de betrekkelijke waarde " N 80 " van de verstrekking nr. 5054 451533-451544 veranderd in " N 64 ";
  2° wordt de betrekkelijke waarde " N 120 " van de verstrekking nr. 5056 451570-451581 veranderd in " N 96 ";
  3° wordt de betrekkelijke waarde " N 145 " van de verstrekking nr. 5057 451592-451603 veranderd in " N 116 ".
  § 3. In § 1, 5°, wordt in het eerste lid van de toepassingsregel die volgt op de verstrekking nr. 5101 453530-453541, de verstrekking nr. 450553-450564 geschrapt.
  § 4. In § 1, 6°, worden de verstrekkingen nrs. 5115 454090-454101 en 5116 454112-454123 geschrapt.
  § 5. In § 1, 7° :
  1° wordt de betrekkelijke waarde " N 50 " van de verstrekking nr. 5147 455350-455361 veranderd in " N 60 ";
  2° wordt de betrekkelijke waarde " N 10 " van de verstrekking nr. 5148 455372-455383 veranderd in " N 5 ";
  3° wordt de betrekkelijke waarde " N 90 " van de verstrekking nr. 5149 455394-455405 veranderd in " N 80 ";
  4° wordt de betrekkelijke waarde " N 55 " van de verstrekking nr. 5153 455475-455486 veranderd in " N 80 ";
  5° wordt de betrekkelijke waarde " N 15 " van de verstrekking nr. 5154 455490-455501 veranderd in " N 7 ";
  6° wordt de betrekkelijke waarde " N 145 " van de verstrekking nr. 5155 455512-455523 veranderd in " N 108 ";
  7° wordt de betrekkelijke waarde " N 50 " van de verstrekking nr. 5156 455534-455545 veranderd in " N 60 ";
  8° worden de verstrekkingen nrs. 5157 455556-455560 en 5158 455571-455582 geschrapt;
  9° wordt de betrekkelijke waarde " N 12,5 " van de verstrekking nr. 5162 455652-455663 veranderd in " N 7 ";
  10° wordt de betrekkelijke waarde " N 105 " van de verstrekking nr. 5163 455674-455685 veranderd in " N 83 ".
  § 6. In § 1, 8° :
  1° wordt de betrekkelijke waarde " N 28 " van de verstrekking nr. 5180-456013-456024 veranderd in " N 26 ";
  2° wordt de betrekkelijke waarde " N 14 " van de verstrekking nr. 5181-456035-456046 veranderd in " N 13 ";
  3° wordt de betrekkelijke waarde " N 9 " van de verstrekking nr. 5182-456050-456061 veranderd in " N 8 ";
  4° wordt de betrekkelijke waarde " N 50 " van de verstrekking nr. 5183-456072-456083 veranderd in " N 45 ";
  5° wordt de betrekkelijke waarde " N 45 " van de verstrekking nr. 5184-456094-456105 veranderd in " N 41 ";
  6° wordt de verstrekking nr. 5189-456190-456201 geschrapt.
  § 7. In § 1, 9° :
  1° wordt de betrekkelijke waarde " N 60 " van de verstrekking nr. 5206-456632-456643 veranderd in " N 80 ";
  2° wordt de betrekkelijke waarde " N 12,5 " van de verstrekking nr. 5207-456654-456665 veranderd in " N 7 ";
  3° wordt de betrekkelijke waarde " N 120 " van de verstrekking nr. 5208-456676-456680 veranderd in " N 108 ";
  4° worden de verstrekkingen nrs. 5209-456691-456702, 5210-456713-456724 en 5211-456735-456746 gechrapt;
  5° wordt de betrekkelijke waarde " N 60 " van de verstrekking nr. 5212-456750-456761 veranderd in " N 30 ";
  6° wordt de betrekkelijke waarde " N 10 " van de verstrekking nr. 5213-456772-456783 veranderd in " N 5 ";
  7° wordt de betrekkelijke waarde " N 80 " van de verstrekking nr. 5214-456794-456805 veranderd in " N 50 ";
  8° wordt de betrekkelijke waarde " N 60 " van de verstrekking nr. 5215-456816-456820 veranderd in " N 80 ";
  9° wordt de betrekkelijke waarde " N 12,5 " van de verstrekking nr. 5216-456831-456842 veranderd in " N 7 ";
  10° wordt de betrekkelijke waarde " N 120 " van de verstrekking nr. 5217-456853-456864 veranderd in " N 101 ";
  11° wordt de betrekkelijke waarde " N 12,5 " van de verstrekking nr. 5219-456890-456901 veranderd in " N 7 ";
  12° wordt de betrekkelijke waarde " N 140 " van de verstrekkking nr. 5220-456912-456923 veranderd in " N 101 ";
  13° worden in het vierde en het zesde lid van de toepassingsregel die volgt op de vestrekkingen nr. 5220-456912-456923, de verstrekkingen nrs. 456691-456702, 456713-456724, 456735-456746 geschrapt;
  § 8. In § 1, 10° :
  1° wordt de verstrekking nr. 5250-457015-457026 geschrapt;
  2° wordt de verstrekking nr. 457096-457100 geschrapt en vervangen door de volgende verstrekkingen en toepassingsregelen :
  " 457096-457100.
  Bidimensionele echografische zwangerschapsevaluatie met protocol en documenten, maximum één keer per kwartaal N 45.
  De verstrekking 457096-457100 omvat een basisechografie met het oog op de evaluatie van de foetus en de placenta en het opsporen van eventuele foetale anomalieën tijdens elk kwartaal van de zwangerschap.
  457811-457822.
  Functioneel echografisch onderzoek dat een biometrie en een biofysisch profiel van de foetus omvat, alsmede het meten van de ombilicale bloedstroom in geval van gedocumenteerd hoog obstetrisch of foetaal risico N 70.
  457833-457844.
  Systematische echografische exploratie van alle foetale orgaanstelsels met protocol en documenten in geval van ernstige aangeboren misvorming of bewezen risico N 135.
  De verstrekking 457833-457844 omvat uitgebreid onderzoek van het centraal zenuwstelsel, de wervelzuil, het cardiovasculair en urogenitaal stelsel, het locomotorisch stelsel, het gelaat, de oropharynx, de gastro-intestinale tractus, de lever en galblaas, het diafragma en de buikwand, met fotodocumentatie en protocol en mag slechts worden vergoed na voorafgaand akkoord van de adviserend geneesheer. "
  3° punt b) 1 wordt aangevuld met de volgende verstrekking en toepassingsregel :
  " 457450-457461.
  Bidimensionele echografie met protocol en documenten, verkregen na inbrengen van endoluminale sonde (in het spijsverteringskanaal, de blaas, de vagina) N 60.
  De verstrekking 457450-457461 mag in voorkomend geval worden gecumuleerd met de desbetreffende endoscopie. "
  4° de tekst die begint met de woorden " Per dag en per patiënt... " en die eindigt met de woorden " ... of een andere geneesheer van hetzelfde specialisme " wordt vervangen door de volgende bepalingen :
  " Per dag en per patiënt mag door de geneesheren van hetzelfde specialisme slechts één enkele van de verstrekkingen nrs. 457192-457203, 457214-457225, 457236-457240, 457251-457262, 457273-457284, 457295-457306, 457310-457321, 457332-457343, 457354-457365, 457376-457380, 457391-457402, 457413-457424, 457435-457446, 457612-457623, 476416-476420, 457450-457461, 476490-476501, 476512-476523, 476534-476545 in rekening worden gebracht.
  De verstrekkingen nrs. 457192-457203, 457214-457225, 457236-457240, 457251-457262, 457273-457284, 457295-457306, 457310-457321, 457332-457343, 457354-457365, 457376-457380, 457391-457402, 457413-457424, 457435-457446, 457450-457461 mogen niet gecumuleerd worden met het honorarium voor de raadpleging van de geneesheer die deze verstrekkingen uitvoert of van een andere geneesheer van hetzelfde specialisme. "
  § 9. § 1, 11°, wordt aangevuld met de volgende verstrekking :
  " 458312-458323.
  Bioptische punctie onder medische beeldvormingscontrole K 40. "
  § 10. § 5 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 5. Voor elke behandeling moet een verslag worden opgemaakt door de geneesheer-specialist voor röntgendiagnose, of, als het gaat om verstrekkingen inzake röntgendiagnose die hem toegankelijk zijn, door de algemeen geneeskundige, of door de geneesheer-specialist die bevoegd is, om in zijn specialisme, de röntgendiagnose als verwante behandeling voor zijn eigen patiënten, toe te passen, zoals is voorgeschreven in § 14, 3), behalve als het gaat om de verstrekkingen nrs. 456013-456024, 456035-456046, 456050-456061, 456072-456083, 456094-456105, 456116-456120, 456131-456142 die door een tandheelkundige of door een geneesheer, specialist voor stomatologie, voor zijn eigen patiënten zijn uitgevoerd. "
  § 11. § 6 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 6. De geneesheren die zijn erkend als specialist voor een andere discipline dan röntgendiagnose, mogen, voor de zieken die zij in het raam van hun specialisme verzorgen, de röntgendiagnoseverstrekkingen aanrekenen die zijn opgenomen in § 1, 1° tot en met 9° en 11°, en die verwant zijn met dat specialisme.
  De geneesheren die zijn erkend als specialist in een andere discipline dan röntgendiagnose, mogen de verstrekkingen die zijn opgenomen in § 1, 10°, en die verwant zijn met hun specialisme aanrekenen.
  Voor de verstrekkingen beoogd in de twee bovenstaande alinea's ontvangen vorengenoemde geneesheren honoraria die worden vastgeseld op grond van betrekkelijke waarden, gelijk aan 65 pct. van de in de nomenclatuur vermelde waarden, met uitzondering van de volgende verstrekkingen, opgenomen onder de punten A en B :
  A. Verstrekkingen waarvoor de honoraria worden vastgesteld op grond van de betrekkelijke waarden gelijk aan 85 pct. van de in de nomenclatuur vermelde waarden :
  1° de verstrekkingen die zijn opgenomen in § 1 waarvoor het teken ° staat;
  2° de volgende verstrekkingen opgenomen in § 1 :
  a) 450015-450026, 450030-450041, 450052-450063, 450074-450085, 450133-450144, 457391-457402, 458150-458161, als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor gynecologie en verloskunde;
  b) 450531-450542, 450575-450586, 450590-450601, 450634-450645, 450671-450682, 450715-450726, 450752-450763, 457376-457380, 457391-457402, 457413-457424, 457450-457461, als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor urologie;
  c) 451135-451146, 451393-451404, 451430-451441, 451710-451721, 451754-451765, 451791-451802, 451813-451824, 451850-451861, 457295-457306, 457310-457321, 457450-457461, 458290-458301, als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor gastro-enterologie;
  d) 452690-452701, 452712-452723, 452771-452782, als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor pneumologie;
  e) 453235-453246, 453515-453526, 453530-453541, als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor cardiologie;
  f) 454156-454160, 454193-454204, als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor neurologie;
  g) de verstrekkingen, vermeld onder de littera c), d), e), f), als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor inwendige geneeskunde;
  h) 454016-454020, 454031-454042, 454053-454064, 454075-454086, 454090-454101, 454112-454123, 454134-454145, 454156-454160, 454193-454204, 454215-454226, als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor neurochirurgie;
  i) 455232-455243, 455254-455265, 455276-455280, 455350-455361, 455372-455383, 455394-455405, 455416-455420, 455475-455486, 455490-455501, 455512-455523, 455534-455545, 455556-455560, 455571-455582, 455593-455604, 455615-455626, 459071-459082, 459115-459126, als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor reumatologie of voor orthopedie of voor fysiotherapie en fysische geneeskunde;
  j) 451614-451625, 451776-451780, 453250-453261, 453272-453283, 453294-453305, 453316-453320, 453331-453342, 453353-453364, 453375-453386, 453736-453740, 453751-453762, 453810-453821, 458010-458021, 458032-458043, 458054-458065, 458076-458080, 458091-458102, 458231-458242, 459071-459082, 459115-459126, 459196-459200, als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor heelkunde;
  k) 452793-452804, 452830-452841, 455630-455641, 455652-455663, 455674-455685, 455696-455700, 456153-456164, 456175-456186, 458135-458146, 458172-458183, als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor otorhinolaryngologie;
  l) 455630-455641, 455652-455663, 455674-455685, 456153-456164, 456175-456186, 458135-458146, als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor stomatologie;
  m) 452690-452701, 452712-452723, als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor anesthesiologie.
  B. Verstrekkingen waarvoor de honoraria vastgesteld blijven op basis van 100 pct. van de in de nomenclatuur vermelde waarden :
  a) 457096-457100, 457811-457822, 457833-457844, 458312-458323, als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor gynecologie en verloskunde;
  b) 458312-458323, als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor urologie, of voor gastro-enterologie, of voor pneumologie of voor heelkunde;
  c) 453073-453084, 453095-453106, 453110-453121, 453132-453143, 453714-453725, 453832-453843, 453795-453806, 458312-458323, als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor cardiologie of voor inwendige geneeskunde;
  d) 456212-456223, 457214-457225, als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor oftalmologie;
  e) 456013-456024, 456035-456046, 456050-456061, 456072-456083, 456094-456105, 456116-456120, 456131-456142, 458113-458124, als ze worden verricht door een geneesheer-specialist voor stomatologie of door een tandheelkundige. "
  § 12. § 9 wordt aangevuld als volgt :
  " of in analoge of gedigitaliseerde vorm op een magnetische of optische drager vastgelegd. "
  § 13. § 11 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 11. De radiografische en radioscopische vestrekkingen zijn voorbehouden voor de geneesheren wier toestellen en lokalen beantwoorden aan de veiligheidscriteria die zijn bepaald in het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen.
  Voor die verstrekkingen mag derhalve door de verzekering geen tegemoetkoming worden verleend wanneer ze worden verricht door geneesheren wier toestellen en lokalen niet beantwoorden aan vorengenoemde veiligheidscriteria.
  Om te laten vaststellen dat die criteria worden nageleefd moeten geneesheren op elk verzoek van de geneesheren-inspecteurs van de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering een getuigschrift voorleggen dat is opgemaakt door een instelling die door het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid en door de minister die Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, is erkend voor de controle inzake ioniserende stralingen als bedoeld in artikel 74 van evengenoemd algemeen reglement. Dat getuigschrift moet het bewijs leveren dat de toestellen en lokalen, overeenkomstig vorengenoemd algemeen reglement, de driemaandelijkse of jaarlijkse controle hebben ondergaan die is vastgesteld respectievelijk voor de inrichtingen van klasse II en klasse III bedoeld in artikel 3, b) en c), van evengenoemd algemeen reglement en dat ze beantwoorden aan de vastgestelde veiligheidscriteria. "
  § 14. § 12 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 12. Om te mogen worden aangerekend moeten de verstrekkingen die zijn verricht door een geneesheer-specialist voor röntgendiagnose aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1. Zij moeten zijn voorgeschreven door een geneesheer die de patiënt in behandeling heeft, hetzij in het kader van de algemene geneeskunde, hetzij in het kader van een geneeskundig specialisme met uitzondering van de radiologie, ofwel door een tandheelkundige die de patiënt in behandeling heeft in het kader van de tandverzorging.
  Het voorschrift dient te beantwoorden aan de naderde regelen die hieronder zijn gespecifieerd.
  2. Op het voorschrift moeten worden vermeld :
  - de naam en de voornaam van de patiënt;
  - de naam, de voornaam, het adres en het identificatienummer van de voorschrijver;
  - de datum van het voorschrift;
  - de handtekening van de voorschrijver.
  Het voorschrift dient een explicitering te bevatten van de diagnostische vraagstelling naar de radioloog toe en een aanduiding van het gewenste type van onderzoek.
  3. Van het onderzoek moet een schriftelijk protocol worden opgesteld en bewaard.
  Dit protocol dient gestructureerd te zijn als een antwoord op de diagnostische vraagstelling en de verantwoording in te houden van de gebruikte technieken en procedures.
  4. Op het getuigschrift voor verstrekte hulp moeten de naam, de voornaam en het identificatienummer van de voorschrijver vermeld staan. De verstrekkingen die zijn uitgevoerd naar aanleiding van eenzelfde voorschrift moeten gegroepeerd zijn op het getuigschrift voor verstrekte hulp.
  5. De radioloog moet de voorschriften twee jaar bewaren. De voorschriften moeten chronologisch worden opgeborgen op basis van de datum waarop de verstrekking is uitgevoerd. Zij zijn ter verificatie eisbaar zelfs buiten elke enquęte, door de Orde, de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en de gerechtelijke instanties.
  Een dubbel van het protocol dient samen met het voorschrift te worden bewaard. "
  Art. 69quater. In artikel 20, § 1, e), van de bijlage bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 30 januari 1986, 7 januari 1987 en 22 juli 1988, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de betrekkelijke waarde " K 18 " van de verstrekking nr. 475650-475661 wordt veranderd in " K 15 ";
  2° de betrekkelijke waarde " K 63 " van de verstrekking nr. 475731-475742 wordt veranderd in " K 50 ";
  3° de verstrekkingen nrs. 5551 476431-476442 en 5552 476453-476464 worden geschrapt;
  4° de volgende verstrekkingen worden bijgevoegd :
  " 476490-476501.
  Transthoracale mono- en bidimensionele echografie (met respectievelijk ten minste 3 en 2 coupes en registratie op papier en/of magneetband) K 51.
  476512-476523.
  Transthoracale mono- en bidimensionele echocardiografie (met respectievelijk ten minste 3 en 2 coupes en registratie op papier en/of magneetband), gecombineerd met registratie van minimum 3 snelheden in continue of gepulseerde Doppler K 90.
  476534-476545.
  Transthoracale mono- en bidimensionele echografie (met respectievelijk ten minste 3 en 2 coupes en registratie op papier en/of magneetband), gecombineerd met de kleurenregistratie ervan van minimum 3 snelheden in continue of gepulseerde Doppler K 100. "
  5° wordt de eerste toepassingsregel volgend op verstrekking nr. 475775-475786 vervangen door de volgende bepaling :
  " De verstrekkingen nrs. 476416-476420, 476490-476501, 476512-476523 en 476534-476545 mogen niet worden gecumuleerd met de verstrekkingen nrs. 475672-475683, 475694-475705, 475716-475720, 475731-475742 en 475753-475764. "
  6° worden de volgende toepassingsregels toegevoegd :
  " De verstrekkingen nrs. 476173-476184, 476490-476501 en 475775-475786 zijn onderling niet cumuleerbaar.
  De verstrekking nr. 476173-476184 kan slechts als supplement worden aangerekend bij de verstrekkingen nrs. 453073-453084, 453095-453106.
  De verstrekkingen nrs. 476490-476501, 476512-476523 en 476534-476545 zijn onderling niet cumuleerbaar. "
  Art. 69quinquies. In artikel 21 van de bijlage bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninlijk besluit van 30 januari 1986, worden de omschrijving van de verstrekkingen 5950 532416-532420 en 5951 532512-532523 en de toepassingsregel daaropvolgend vervangen door de volgende omschrijvingen en toepassingsregelen :
  " 5950 532416-532420.
  Algemene PUVA-behandeling in een bestralingskabine onder continue monitoring van de UVA-intensiteit (in mW/cm2), met protocol dat de toegediende UVA-dosis (in Joules/cm2) per zitting en cumulatief vermeldt, per zitting K 15.
  De verstrekking 532416-532420 is uitsluitend vergoedbaar voor gevallen van lichen ruber planus, mycosis fungoďdis, parapsoriasis, psoriasis en door lichttesten aangetoonde lichtgevoeligheid.
  5951 532512-532523.
  PUVA-behandeling van dermatologische aandoeningen, met controle van de patiënt en dosimetrie, bij elke zitting, door de geneesheer-specialist voor dermatologie : lokale behandeling (één of meer streken), per zitting K 5.
  De verstrekkingen 532416-532420 en 532512-532523 mogen noch onderling, noch met de raadplegingen of andere handelingen inzake fysiotherapie worden gecumuleerd. "
  Art. 69sexies. In artikel 24, § 3, van de bijlage van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 januari 1985, 23 mei 1985, 14 oktober 1985, 30 januari 1986, 31 januari 1986, 7 januari 1987, 22 juli 1988, 21 december 1988 en 22 maart 1989, wordt de term " Voor het jaar 1990 zal het forfait worden aangepast als volgt : " vervangen door de volgende tekst :
  " Voor het jaar 1990 zal het forfaitair honorarium voor dringende verstrekkingen voor in een ziekenhuis opgenomen patiënten worden getarifeerd onder het volgend codenummer en de volgende omschrijving :
  - 591183.
  Forfaitair honorarium, gekoppeld aan de continuďteit van de verzorging per verpleegdag in een algemeen ziekenhuis in één of meer van de acute diensten : A, C, D, E, G, H, I, K, L, M, N of S, voorbehouden voor de geneesheren, specialisten voor klinische biologie of voor nucleaire geneeskunde, of voor de apothekers en licentiaten in de wetenschappen die door de minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, zijn erkend om verstrekkingen inzake klinische biologie te verrichten.
  Het zal worden berekend op de volgende manier : "
  Art. 69septies. In artikel 26, § 9, van de bijlage bij hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 9 januari 1985, 30 en 31 januari 1986, 28 november 1986, 7 januari 1987, 22 juli 1988 en 21 december 1988, moet in de lijst de verstrekking nummer 450553-450564 worden geschrapt.
  Art. 69octies. De bepalingen van deze afdeling hebben uitwerking vanaf 1 januari 1990.
  De Koning kan wijzigingen aanbrengen in deze bepalingen. " (Bij arrest nr 37/96 van 13 juni 1996, B.St. 29-06-1996, p. 17905, heeft Arbitragehof dit artikel vernietigd ; Opheffing : 02-06-1991)

  Afdeling 7. - Financiële verantwoordelijkheid van de verzekeringsinstellingen.

  Art. 22. Het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 tot uitvoering van artikel 204, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt bekrachtigd.

  Afdeling 8. - Sociale vrijstelling van het remgeld.

  Art. 23. In artikel 43 van de programmatwet van 24 december 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, 1°, worden de woorden " de in artikel 23, 5°, van die wet vermelde verstrekkingen " vervangen door " de verstrekkingen bedoeld in artikel 34, 5°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en de verblijfskosten verbonden aan de verstrekkingen bedoeld in artikel 34, 11°, 14° en 18° van dezelfde wet. ";
  2° een nieuwe § 4bis wordt ingevoegd, luidende :
  " § 4bis. De verzekeringsinstellingen en andere rechtspersonen die tussenkomen in het persoonlijk aandeel van één jaar geven hiervan aangifte aan de Administratie der directe belastingen, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde uitvoeringsregelen en modaliteiten. Deze tussenkomst wordt afgetrokken van de som die diezelfde Administratie dient terug te storten of te verrekenen op grond van § 2. "

  Afdeling 9. - Het persoonlijk aandeel.

  Art. 24. In de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt een artikel 37bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " Art. 37bis. § 1. Het persoonlijk aandeel van de rechthebbende, behalve van de rechthebbende die de in artikel 37, §§ 1 en 2, bedoelde verhoogde verzekeringstegemoetkoming geniet, in het honorarium voor sommige verstrekkingen beoogd in de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen wordt als volgt vastgesteld :
  A. 30 pct. van het honorarium voor de raadplegingen van de algemeen geneeskundige en bijkomend honorarium voor dringende raadpleging uit artikel 2, I, A, van bedoelde bijlage onder de codenummers :
  101010, 101032, 101054, 102454, 102476, 102410, 102432, 104650 en 104355.
  B. 35 pct. van het honorarium voor de bezoeken en bijkomend honorarium voor dringend bezoek uit artikel 2, I, A, van bedoelde bijlage onder de volgende codenummers :
  - bezoeken van de algemeen geneeskundige :
  103110, 103213, 103235, 103316 tot 103353, 104510 tot 104576, 104591 tot 104635, 103132, 103412, 103434, 103515 tot 103552, 104215 tot 104274 en 104296 tot 104333.
  - bezoeken van de geneesheer, specialist voor kindergeneeskunde :
  103751, 103773, 103795, 103810, 103832, 103854, 103876, 103891, 104812, 104834, 104856 en 104871.
  C. 40 pct. van het honorarium voor de raadplegingen van de geneesheren-specialisten en bijkomend honorarium voor dringende raadplegingen uit artikel 2, I, A, van bedoelde bijlage onder de codenummers :
  102012, 102034, 102174 tot 102211, 102071 tot 102152, 103014, 102491 en 102513.
  D. 35 pct. met een maximum van 200 frank per verstrekking, van het honorarium voor toezicht op de in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, beoogd in artikel 25, § 1, van bedoelde bijlage.
  E. 15 pct., met een maximum van 350 frank per verstrekking, van het honorarium voor de volgende verstrekkingen verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden :
  1° de verstrekkingen bedoeld onder de codenummers :
  350055, 350512, 350571, 350593, 351035, 353253, 355390 tot 355434, 355471 tot 355515 en 355596 tot 355913, opgenomen in artikel 11 van bedoelde bijlage.
  2° de verstrekking bedoeld onder het codenummer 214211 opgenomen in artikel 13 van bedoelde bijlage.
  3° de verstrekkingen bedoeld onder de codemummers :
  220091, 220290, 230333, 243633, 248511 tot 248916, 248953, 248975, 227091, 227452, 228152, 254995 tot 255076, 255113, 255135, 256594, 257294, 257316, 257596 tot 257670, 257692, 257714, 257736, 257773, 257795, 257913, 257935, 258296, 258510, 258613, 258812, 258834, 260271, 260293, 260330, 261531, 261914 tot 261995, 262356, 262371, 280173 tot 280210, 280770, 300252 en 300274, opgenomen in artikel 14 van bedoelde bijlage.
  4° de verstrekkingen bedoeld onder de codenummers :
  442212, 442234, 442411 tot 442492, 442610 tot 442654, 442816 tot 442853, 442934 en 442971, opgenomen in artikel 18 van bedoelde bijlage.
  5° de verstrekkingen bedoeld onder de codenummers 470050, 471015 tot 471052, 471251 tot 471413, 471516, 471575, 471715 tot 471752, 471811, 472076, 472113, 472135, 472194 tot 472253, 472356, 472371, 472415 tot 472474, 472511 tot 472533, 473012 tot 473196, 473233, 473255, 473351 tot 473454, 473491, 473594 tot 473631, 474095 tot 474191, 474235 tot 474272, 474353, 474493, 474530 tot 474596, 475031, 475075, 475090, 475112, 475311, 475333, 475451, 475532 tot 475576, 475650, 475753, 475812, 475834, 475856 tot 475893, 476011 tot 476070, 476276 tot 476313, 476114 tot 476254, 476615, 476630, 477116, 477131, 477190 tot 477256 en 477315 tot 477536 opgenomen in artikel 20 van bedoelde bijlage.
  6° de verstrekkingen bedoeld onder de codenummers 532011, 532114 en 532534 tot 532571 opgenomen in artikel 21 van bedoelde bijlage.
  7° alle verstrekkingen opgenomen in de artikelen 22, I, 32 en 33 van bedoelde bijlage.
  F. 300 frank voor het consultancehonorarium beoogd in artikel 17 van bedoelde bijlage, onder het codenummer 460670.
  G. 250 frank voor het consultancehonorarium beoogd in artikel 17 van bedoelde bijlage, onder het codenummer 460703.
  H. 300 frank voor de forfaitaire honoraria beoogd in artikel 24, § 3, van bedoelde bijlage onder het codenummer 591102.
  § 2. Het persoonlijk aandeel van de rechthebbende, behalve van de rechthebbende die de in artikel 37, §§ 1 en 2, bedoelde verhoogde verzekeringstegemoetkoming geniet in de forfaitaire honoraria voor de klinische biologie verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen patiënten en bedoeld in de artikelen 2, § 2, a), en 3, § 2, van het koninklijk besluit van 24 september 1992 tot vaststelling van nadere regelen betreffende de forfaitaire honoraria voor sommige verstrekkingen inzake klinische biologie, verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden alsmede de onderaanneming van deze verstrekkingen, wordt als volgt vastgesteld :
  450 frank voor de volgnummers 591334, 591356 en 591371.
  § 3. Het persoonlijk aandeel van de rechthebbende, behalve van de rechthebbende die de in artikel 37, §§ 1 en 2, bedoelde verhoogde verzekeringstegemoetkoming geniet, wordt verhoogd met een aandeel van 1 000 frank de eerste dag van zijn opneming in een ziekenhuis of van zijn verblijf in een revalidatie- of vakherscholingscentrum in de zin van het koninklijk besluit van 20 augustus 1980 tot vaststelling van het bedrag van de vermindering van de verzekeringstegemoetkoming in geval van opneming in een ziekenhuis of van verblijf in een revalidatiecentrum. "

  Art. 25. In dezelfde wet wordt een artikel 37ter ingevoegd luidende :
  " Art. 37ter. De bepalingen van artikel 37bis hebben uitwerking op 1 oktober 1993 met uitzondering van de bepalingen van § 1, A, B en C die uitwerking hebben op 1 januari 1994.
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, wijzigingen aanbrengen in de bepalingen van het voormelde artikel 37bis. "

  HOOFDSTUK IV. - Wet op de ziekenhuizen.

  Art. 26. Het opschrift van afdeling 8 van de titel I, hoofdstuk I, ingevoegd bij de wet van 30 december 1988, wordt aangevuld als volgt :
  " en samenwerkingsverband inzake palliatieve verzorging ".

  Art. 27. In artikel 9bis van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, ingevoegd bij de wet van 30 december 1988, worden tussen de woorden " psychiatrische instellingen en diensten " en " zoals deze door Hem nader worden omschreven " de woorden " evenals tot de samenwerkingsverbanden inzake palliatieve verzorging tussen verzorgingsinstellingen en diensten " ingevoegd.

  Art. 28. In dezelfde wet, wordt een artikel 40bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 40bis. De Koning kan, per toestel van de in artikel 38 bedoelde lijst van de zware medische apparatuur, nadere regelen bepalen inzake het aantal dat mag ingebruik genomen worden. "

  Art. 29. In dezelfde wet worden een artikel 44bis en 44ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 44bis. Het aantal hartcatheterisatiediensten voor invasief onderzoek, het aantal hartcatheterisatiediensten voor interventionele cardiologie, het aantal diensten voor chronische hemodialyse in een ziekenhuis en het aantal diensten voor collectieve autodialyse worden beperkt tot het aantal dat, op het ogenblik van de bekendmaking van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, in het Belgisch Staatsblad, erkend was overeenkomstig de desbetreffende vigerende erkenningsnormen.
  Teneinde rekening te kunnen houden met de technische en wetenschappelijke evolutie terzake, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en modaliteiten omschrijven onder dewelke mag afgeweken worden van de in het vorig lid bedoelde blokkering.
  Art. 44ter. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, per soort van dienst bedoeld in artikel 44, andere dan deze bedoeld in artikel 44bis, nadere regelen bepalen inzake het maximum aantal diensten dat uitgebaat mag worden. "

  Art. 30. In artikel 69, 3°, van dezelfde wet worden de woorden " en fusies " vervangen door de woorden " , fusies en associaties ".

  Art. 31. In dezelfde wet worden een artikel 76ter en 76quater ingevoegd, luidende :
  " Art. 76ter. Het aantal ziekenhuisafdelingen voor diagnose van wiegedood wordt beperkt tot het aantal dat, op het ogenblik van de bekendmaking van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, in het Belgisch Staatsblad, erkend was overeenkomstig de desbetreffende vigerende erkenningsnormen.
  Teneinde rekening te kunnen houden met de technische en wetenschappelijke evolutie terzake, kan de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en modaliteiten omschrijven onder dewelke mag afgeweken worden van de in het vorig lid bedoelde blokkering.
  Art. 76quater. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, per soort van afdeling, andere dan deze bedoeld in artikel 76ter, en per soort van functie, nadere regelen bepalen inzake het maximum aantal dat uitgebaat mag worden. "

  Art. 32. § 1. Titel III, hoofdstuk V van dezelfde wet, wordt aangevuld met een afdeling 7, luidende :
  " Afdeling 7. - Associaties van ziekenhuizen.
  Art. 107ter. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit en de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen gehoord, de bepalingen van dit hoofdstuk, geheel of gedeeltelijk en met aanpassingen, uitbreiden tot de in artikel 69, 3°, bedoelde associaties. "
  § 2. Paragraaf 1 treedt in werking op 1 januari 1996. Niettemin kan de Koning de inwerkingtreding bepalen op een vroegere datum.

  Art. 33. § 1. In artikel 34, 6°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, worden tussen de woorden " in een ziekenhuis " en " ter observatie " de woorden " of in een ziekenhuisdienst die afhangen van een associatie van ziekenhuizen, bedoeld in artikel 69, 3°, van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, " ingevoegd.
  § 2. Paragraaf 1 treedt in werking op 1 januari 1996. Niettemin kan de Koning de inwerkingtreding bepalen op een vroegere datum.

  HOOFDSTUK V. - Gezinsbijslag.

  Art. 34. In de wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, samengeordend op 19 december 1939, wordt een artikel 32bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 32bis. De Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten neemt te zijnen laste de kosten van de medische onderzoeken uitgevoerd te zijnen behoeve met toepassing van de artikelen 47, 62, § 3, en 63 en de daaraan verbonden administratiekosten. "

  Art. 35. Artikel 101, laatste lid, van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 22 december 1989, wordt vervangen door de volgende leden :
  " De Rijksdienst neemt te zijnen laste de kosten van de medische onderzoeken, uitgevoerd met toepassing van de bepalingen van de bepalingen van de artikelen 47, 56septies, 62, § 3, en 63 en de daaraan verbonden administratiekosten, ten behoeve van de bij de artikelen 18bis, 19, 31 en 33 bedoelde kinderbijslaginstellingen.
  De Rijksdienst neemt de kosten van de medische onderzoeken en de daaraan verbonden administratiekosten niet te zijnen laste wanneer deze onderzoeken uitgevoerd werden in het raam van de betalingen van de gezinsbijslag gedaan met toepassing van het derde lid, 2°, 3°, 4°, 7° en 8°. "

  Art. 36. De artikelen 34 en 35 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1994.

  HOOFDSTUK VI. - Beroepsziekten.

  Art. 37. In artikel 16, eerste lid, 3°, van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, worden de woorden " artikel 32, tweede lid " vervangen door de woorden " artikel 32, vierde lid ".

  Art. 38. Artikel 32 van dezelfde wetten, gewijzigd bij de wet van 29 december 1990, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 32. Schadeloosstelling voor beroepsziekten en voor ziekten zoals bedoeld in artikel 30bis is verschuldigd wanneer de door deze ziekte getroffen persoon aan het beroepsrisico van deze ziekte blootgesteld geweest is gedurende de ganse periode of een deel van de periode in de loop waarvan hij behoorde tot een der categorieën van personen bedoeld in artikel 2 of gedurende welke hij krachtens artikel 3 verzekerd was.
  Er is een beroepsrisico, zoals bedoeld in het eerste lid, indien de blootstelling aan de schadelijke invloed inherent is aan de beroepsuitoefening en beduidend groter is dan de blootstelling van de bevolking in het algemeen, en indien deze blootstelling volgens algemeen aanvaarde medische inzichten, van aard is om de ziekte te veroorzaken.
  De Koning kan voor sommige beroepsziekten en voor ziekten zoals bedoeld in artikel 30bis, op voorstel van het Beheerscomité en na advies van de Technische Raad, blootstellingscriteria vastleggen.
  Ieder werk dat gedurende de in het eerste lid bedoelde perioden is verricht in de bedrijfstakken, beroepen of categorieën van ondernemingen die de Koning op advies van de Technische Raad opsomt per beroepsziekte, wordt vermoed de getroffene aan dat risico te hebben blootgesteld, tenzij het tegendeel bewezen wordt.
  Voor een ziekte zoals bedoeld in artikel 30bis moeten het slachtoffer of zijn rechthebbenden het bewijs leveren dat het slachtoffer gedurende de in het eerste lid bedoelde perioden aan het beroepsrisico was blootgesteld. "

  Art. 39. In artikel 35bis van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 529 van 31 maart 1987 en de wet van 30 maart 1994, wordt het volgende lid tussen het eerste en het tweede lid ingevoegd :
  " Nochtans kan de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid die op 31 december 1993 toegekend was aan een slachtoffer van een beroepsziekte die de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft vóór 1 januari 1994 slechts verminderd worden indien de lichamelijke arbeidsongeschiktheid verminderd is. "

  HOOFDSTUK VII. - Wachtregister van de kandidaat politieke vluchtelingen.

  Art. 40. Artikel 5 van de wet van 08 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, gewijzigd bij de wetten van 15 januari 1990, 19 juli 1991, 8 december 1992 en 24 mei 1994, wordt aangevuld met een 11°, luidende :
  " 11° de Kruispuntbank van de sociale zekerheid en de instellingen van sociale zekerheid zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid. "

  HOOFDSTUK VIII. - Dienst voor de overzeese sociale zekerheid.

  Art. 41. § 1. In afwijking van artikel 8, tweede lid, van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid, zoals het van toepassing was vóór de wijziging bij deze wet, worden de bedragen van der rijkstoelage bestemd voor het stelsel van de overzeese sociale zekerheid, vervangen door een enig en vast bedrag van 1 979,2 miljoen frank voor 1985, van 2 479,4 miljoen frank voor 1987, van 2 479,4 miljoen frank voor 1988, van 2 546,0 miljoen frank voor 1989, van 2 546,0 miljoen frank voor 1990, van 2 546,0 miljoen frank voor 1991 en van 5 215,0 miljoen frank voor 1992.
  § 2. De door de Staat toegekende voorschotten aan het Solidariteits- en perequatiefonds van de Dienst voor de overzeese sociale zekerheid zijn voor hem definitief verworven.

  Art. 42. Artikel 1 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, gewijzigd bij de wet van 25 februari 1964, het koninklijk besluit nr. 66 van 10 november 1967, de wetten van 12 december 1968, 10 februari 1981, 15 januari 1990 en 29 december 1990, wordt aangevuld als volgt :
  " De Dienst voor de overzeese sociale zekerheid. "

  Art. 43. In artikel 2 van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid, gewijzigd bij de wet van 15 januari 1990, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de §§ 1, 2 en 3 worden de woorden " een Raad van beheer " en " de Raad van beheer " telkens vervangen door de woorden " het Beheerscomité ";
  2° in § 1, derde lid, worden de woorden " de Raad " vervangen door de woorden " het Beheerscomité ";
  3° in § 1, zesde lid, worden tussen de woorden " Veertien leden " en " van wie " de woorden " die alleen stemgerechtigd zijn en " ingevoegd.

  Art. 44. Artikel 4 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Art. 4. - De Koning bepaalt de door de Dienst toe te passen tarieven en barema's. "

  Art. 45. In artikel 5, § 1, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden " de Raad van beheer " vervangen door de woorden " het Beheerscomité ".

  Art. 46. Artikel 8, zevende lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Voor wat het Solidariteits- en Perequatiefonds betreft, bevat het aandeel bedoeld in het eerste lid, voor elk boekjaar het verschil tussn het totale bedrag van de uitgaven ten laste van dit fonds en dit van zijn inkomsten. "

  Art. 47. In hoofdstuk I van dezelfde wet wordt afdeling 3, die het artikel 11 bevat, opgeheven.

  Art. 48. In artikel 13, tweede lid, van dezelfde wet worden de woorden " na advies van de Technische Commissie " vervangen door de woorden " na advies van het Beheerscomité ".

  Art. 49. Artikel 15, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 16 februari 1970, wordt vervangen als volgt :
  " De Koning bepaalt het minimum en maximum bedrag van de maandelijkse bijdragen, met dien verstande dat de maandelijkse minimumbijdrage niet minder dan 1 500 frank en de maandelijkse maximumbijdrage niet meer dan 10 000 frank mag bedragen. "

  Art. 50. In artikel 18, § 1, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 16 februari 1970, 22 februari 1971 en 20 juli 1990, worden de volgende wijzigigen aangebracht :
  1° § 1 wordt vervangen als volgt :
  " § 1. De personen van vreemde nationaliteit hebben de mogelijkheid hun deelneming te beperken tot de ouderdoms- en overlevingsverzekering. In dat geval storten ze :
  a) hetzij een maandelijkse bijdrage die ten belope van 77,78 pct. wordt besteed aan het financieren van de ouderdoms- en weduwenrenten ten laste van het Pensioenfonds en ten belope van 22,22 pct. aan het financieren van de prestaties ten laste van het Solidariteits- en Perequatiefonds;
  b) hetzij een maandelijkse bijdrage die ten belope van 87,5 pct. wordt besteed aan het financieren van de ouderdoms- en weduwenrenten ten laste van het Pensioenfonds en ten belope van 12,5 pct. aan het financieren van de wezenuitkeringen zoals bepaald in de artikelen 24 tot 26.
  De Koning bepaalt het minimum en maximum bedrag van de maandelijkse bijdragen bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat de maandelijkse minimumbijdrage niet minder dan 1 200 frank en de maandelijkse maximumbijdrage niet meer dan 10 000 frank mag bedragen. ";
  2° in § 2, eerste lid, worden de woorden " die onderdanen zijn van een Lidstaat van de Europese Economische Gemeenschap " vervangen door de woorden " die onderdanen zijn van een Lidstaat van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte ".

  Art. 51. De bepalingen van dit hoofdstuk treden in werking op een door de Koning vast te stellen datum, met uitzondering van artikel 41 dat in werking treedt op 31 december 1994.

  TITEL II. - PENSIOENEN.

  Art. 52. In artikel 67, § 1, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, wordt het cijfer " 7 000 " vervangen door het cijfer " 8 000 ".

  Art. 53. In artikel 68 van dezelfde wet worden het vierde, vijfde, zesde en zevende lid vervangen als volgt :
  " Artikel 52, 7°, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 is van toepassing op de krachtens dit artikel verrichte afhouding.
  De Koning bepaalt :
  1° wat verstaan moet worden onder alleenstaande begunstigde en onder begunstigde met gezinslast in de zin van dit artikel;
  2° welke instellingen met de afhouding worden belast en in welke gevallen de afhouding aan het Fonds voor het evenwicht van de pensioenstelsels wordt gestort;
  3° de wijze waarop de door de instelling te innen afhouding wordt vastgesteld en de berekeningselementen waarmee hierbij rekening moet worden gehouden;
  4° de pensioenen waarop de afhouding daadwerkelijk wordt verricht en de volgorde waarin deze afhouding tot beloop van het geheel of een gedeelte op deze pensioenen moet worden toegepast. "

  Art. 54. In artikel 11 van de wet van 28 mei 1971 tot verwezenlijking van de eenmaking en de harmonisering van de kapitalisatiestelsels ingericht in het raam van de wetten betreffende de verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ouderdom en vroegtijdige dood, gewijzigd bij de wet van 26 juni 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het 7° wordt vervangen als volgt :
  " 7° het maximumbedrag dat, in functie van de in artikel 2 bedoelde reserves, het aantal lopende verzekeringen, het aantal brevetten en een vast bedrag, als beheerskosten in de winst- en verliesrekening betreffende het beheer van de reserves mag worden ingeschreven. ";
  2° een 8° wordt toegevoegd, luidende :
  " 8° het bedrag van een eventueel voorschot op het batig saldo van de winst- en verliesrekening van het jaar, zoals bedoeld in artikel 10, dat aan de Rijksdienst voor pensioenen moet worden overgedragen. "

  Art. 55. De artikelen 52 en 54 hebben uitwerking met ingang van respectievelijk 1 januari 1994 en 10 juli 1992.
  Artikel 53 treedt in werking op 1 januari 1995.

  TITEL III. - VOLKSGEZONDHEID.

  HOOFDSTUK I. - Instituut voor veterinaire keuring.

  Art. 56. In artikel 6 van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel, vervangen bij de wet van 13 juli 1981, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste en het tweede lid worden vervangen als volgt :
  " Rechten kunnen worden geďnd lastens de exploitant van een inrichting aangehaald in artikel 14 en lastens de natuurlijke of rechtspersoon die vlees of voedingsmiddelen die vlees bevatten invoert. Deze rechten kunnen de kosten dekken die voortvloeien uit keuringen, onderzoeken en gezondheidscontroles evenals uit de behandeling van de aanvragen tot erkenning en de laboratoriumanalyses aangehaald in artikel 3, tweede lid. ";
  2° de volgende leden worden toegevoegd :
  " Ingeval de in dit artikel bedoelde rechten niet worden betaald door de exploitant van een slachthuis, zelfs indien de betaling het voorwerp uitmaakt van een betwisting voor de rechtbanken, kan de minister bevoegd voor de Volkgezondheid, de uitvoering van de keuring, aangehaald in artikel 2, in het betrokken slachthuis opschorten en de erkenning van de inrichting opschorten vanaf de vijftiende werkdag volgend op die waarop de ingebrekestelling bij ter post aangetekende brief werd betekend.
  De ingebrekestelling herneemt de tekst van de voorgaande alinea.
  De ministeriële beslissingen nemen van rechtswege een einde op de werkdag volgend op die waarop de verschuldigde rechten effectief op de rekening van het Instituut voor veterinaire keuring werden gecrediteerd. "

  HOOFDSTUK II. - Retributies betreffende gevaarlijke stoffen.

  Art. 57. § 1. Stoffen in de betekenis van dit artikel zijn de gevaarlijke stoffen, de preparaten, de bestaande stoffen en de bestrijdingsmiddelen voor niet-landbouwkundig gebruik, gereglementeerd in :
  - het koninklijk besluit van 5 juni 1975 betreffende het bewaren, het verkopen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen voor niet-landbouwkundig gebruik;
  - het koninklijk besluit van 19 maart 1981 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en preparaten met het oog op het op de markt brengen of het gebruik ervan;
  - het koninklijk besluit van 24 mei 1982 houdende reglementering van het in de handel brengen van stoffen die gevaarlijk kunnen zijn voor de mens of voor zijn leefmilieu;
  - het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot regeling van de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten met het oog op het op de markt brengen of he gebruik ervan;
  - verordening (EEG) nr. 2455/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de in- en uitvoer van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen;
  - verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad van 23 maart 1993 inzake de beoordeling en de beperking van de risico's van bestaande stoffen.
  § 2. Wat betreft de stoffen aangehaald in § 1, kan de Koning aan het betalen van retributies onderwerpen :
  1° de registratie, de erkenning en de gegevensverstrekking;
  2° de certificaten en de vergunningen;
  3° de notificaties;
  4° de controles;
  5° de wijzigingen en de derogaties bij 1°, 2° en 3°.
  § 3. De retributies aangehaald in § 2 zijn ten laste van de aanvrager voor wat betreft de registratie, de notificatie en de certificaten en vergunningen. Ze zijn ten laste van de fabrikanten voor de stoffen geproduceerd in België en van de invoerders voor de stoffen ingevoerd in het land, en dit voor wat de controles betreft.
  § 4. Deze retributies zijn uitsluitend bestemd ter financiering van de personeels-, administratie- en werkingskosten, kosten voor studies, investeringen en toezicht en alle kosten van om het even welke aard voortvloeiend uit de toepassing en de controle van de bepalingen van :
  - de hiervoor opgesomde koninklijke besluiten en verordeningen;
  - het koninklijk besluit van 27 oktober 1988 betreffende de toepassing van de beginselen van goede laboratoriumpraktijken en het toezicht op de uitvoering ervan bij proeven op scheikundige stoffen.
  Zij worden gestort op een speciale rekening van de begroting van het Ministerie van Volksgezondheid en Leefmilieu.
  § 5. De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de bedragen en de wijze van betaling van de retributies vast.
  § 6. Er wordt een verplichting ingesteld zich bekend te maken en gegevens te verstrekken voor iedere fabrikant of importeur die in de drie jaar vóór 5 juni 1993 bestaande stoffen als zodanig of in preparaten heeft geproduceerd of ingevoerd zoals bepaald in verordening (EEG) nr 793/93 van de Raad van 23 maart 1993 inzake de beoordeling en de beperking van de risico's van bestaande stoffen en dit in een hoeveelheid van meer dan 10 ton per jaar, met uitzondering van de stoffen opgesomd in bijlage II van dezelfde verordening. Onverminderd het bepaalde in voornoemde verordening bepaalt de Koning de nadere regelen betreffende deze verplichting zich bekend te maken en gegevens te verstrekken.

  Art. 58. (opgeheven) <W 2003-03-28/42, art. 21, 028; Inwerkingtreding : 09-05-2003>

  TITEL IV. - TEWERKSTELLING EN ARBEID.

  HOOFDSTUK I. - Begrotingsmaatregelen.

  Art. 59. In afwijking van artikel 26 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid van de werknemers, wordt de rijkstoelage voor de uitgaven voor de werkloosheidsuitkeringen voor de jaren 1993 en 1994 vastgesteld op 10 442 miljoen frank.

  HOOFDSTUK II. - Banenplan ter bevordering van de tewerkstelling van werkzoekenden.

  Art. 60. (opgeheven) <W 2002-12-24/31, art. 362, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 61. (opgeheven) <W 2002-12-24/31, art. 362, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 62. (opgeheven) <W 2002-12-24/31, art. 362, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 63. (opgeheven) <W 2002-12-24/31, art. 362, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 64. (opgeheven) <W 2002-12-24/31, art. 362, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 65. De bepalingen van hoofdstuk VII van titel III van de programmawet van 30 december 1988, gewijzigd bij de wetten van 6 juli 1989, 29 december 1990, 30 december 1992 en 30 maart 1994 en het koninklijk besluit van 24 december 1993, worden opgeheven.
  (lid 2 opgeheven) <W 2002-12-24/31, art. 362, 027; Inwerkingtreding : 01-01-2004>

  Art. 66. Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces wordt aangevuld met een derde lid, luidende :
  " De Koning kan, na advies van de Nationale Arbeidsraad, de halftijdse stages algemeen of gedeeltelijk verplicht stellen en daartoe de bepalingen van dit koninklijk besluit wijzigen. "

  HOOFDSTUK III. - Harmonisering van de inhoudingen op het conventioneel brugpensioen.

  Art. 67. (opgeheven) <W 2006-12-27/32, art. 146, 031; Inwerkingtreding : 01-04-2010>

  Art. 68. Het koninklijk besluit nr. 33 van 30 maart 1982 betreffende een inhouding op invaliditeitsuitkeringen en brugpensioenen, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 52 van 2 juli 1982, bij de wetten van 22 januari 1985 en van 30 maart 1994 en bij de koninklijke besluiten van 13 april 1989, 24 april 1990, 1 maart 1991, 27 januari 1992 en 23 december 1993, en 24 augustus 1994, wordt gewijzigd als volgt :
  1° in het opschrift worden de woorden " en brugpensioenen " geschrapt;
  2° artikel 1, eerste lid, 2°, 3° en 5°, vierde lid, en zesde tot negende lid, wordt opgeheven;
  3° in artikel 1, tweede lid, wordt de volzin " In het geval van halftijds brugpensioen wordt dit bedrag gehalveerd. " geschrapt;
  4° in artikel 5 worden de woorden " Onze minister van Tewerkstelling en Arbeid " geschrapt en worden de woorden " Onze staatssecretaris voor Pensioenen " vervangen door de woorden " onze minister van Pensioenen ".

  Art. 69. Artikel 50 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, wordt opgeheven.

  Art. 70. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk.

  HOOFDSTUK IV. - Loopbaanonderbreking.

  Art. 71. Artikel 99, derde lid, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, vervangen door het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986, wordt vervangen als volgt :
  " De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, onder de nadere regelen en voorwaarden die Hij bepaalt, de bij deze afdeling bepaalde voordelen uitbreiden tot het vastbenoemd of het tijdelijk personeel van de besturen en andere diensten van de administraties en van de organismen van openbaar nut die krachtens de bepalingen van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, beheersautonomie verkregen hebben. "

  Art. 72. Artikel 100, eerste lid, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, vervangen door het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986, wordt vervangen als volgt :
  " Een uitkering wordt toegekend aan de werknemers die met zijn werkgever overeenkomt de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst volledig te schorsen, ofwel de toepassing vraagt van een collectieve arbeidsovereenkomst die in een dergelijke schorsing voorziet, ofwel beroep doet op de bepalingen van artikel 100bis. Behalve in geval van een beroep op artikel 100bis, dient de werknemer vervangen te worden door een vergoede volledige werklozen die uitkeringen geniet voor alle dagen van de week. "

  Art. 73. In dezelfde wet wordt een artikel 100bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 100bis. § 1. Een werknemer heeft recht op de volledige schorsing van zijn arbeidsovereenkomst, in geval van palliatieve verzorging van een persoon.
  § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder palliatieve verzorging verstaan, elke vorm van bijstand en inzonderheid medische, sociale, administratieve en psychologische bijstand aan en verzorging van personen die lijden aan een ongeneeslijke ziekte en die zich in een terminale fase bevinden.
  § 3. De periode tijdens welke de werknemer zijn arbeidsovereenkomst kan schorsen, wordt vastgesteld op 1 maand. Deze periode kan met één maand verlengd worden.
  § 4. Het bewijs van de in § 2 aangehaalde reden van de schorsing van de arbeidsovereenkomst is ten laste van de werknemer.
  De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad ovelegd besluit, de nadere regelen met betrekking tot het leveren van dit bewijs. "

  Art. 74. Artikel 102, § 1, eerste lid, vandezelfde wet, vervangen bij het koninklijk besluit nr. 424 van 1 augustus 1986, wordt vervangen als volgt :
  " Een uitkering wordt toegekend aan de werknemer die met zijn werkgever overeenkomt om zijn arbeidsprestaties te verminderen, ofwel de toepassing vraagt van een collectieve arbeidsovereenkomst die in een dergelijke regeling voorziet, ofwel een beroep doet op de bepalingen van artikel 102bis. Behalve in geval van een beroep op de bepalingen van artikel 102bis, dient de werknemer vervangen te worden door een volledig uitkeringsgerechtigde werkloze die uitkeringen geniet voor alle dagen van de week. "

  Art. 75. In dezelfde wet wordt een artikel 102bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 102bis. Een werknemer heeft recht op een vermindering van zijn arbeidsprestaties voor de palliatieve verzorging van een persoon, onder de voorwaarden bepaald bij artikel 100bis, §§ 2 tot en met 4. "

  HOOFDSTUK V. - Betaald educatief verlof.

  Art. 76. § 1. Na advies van de Nationale Arbeidsraad, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, uiterlijk vóór 31 maart 1995 het geheel of een gedeelte van de bepalingen van hoofdstuk IV, afdeling 6 " Toekenning van betaald educatief verlof in het kader van de voortdurende vorming van de werknemers ", behoudens de bepalingen van de artikelen 131 tot en met 136 van de herstelwet van 22 januari 1985, wijzigen, aanpassen of aanvullen, teneinde, enerzijds, de toekomstige uitgaven van het stelsel van betaald educatief verlof beter te beheersen en, anderzijds, een regeling uit te vaardigen voor een snellere aanzuivering van de schulden van het verleden.
  De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van deze paragraaf genomen besluiten. Indien de Wetgevende Kamers deze besluiten niet hebben bekrachtigd uiterlijk op 31 maart 1996 houden de ter uitvoering van deze paragraaf genomen besluiten op gelding te hebben vanaf 1 september 1996.
  § 2. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de bepalingen van hoofdstuk IV, afdeling 6, van de herstelwet van 22 januari 1985, coördineren met de bepalingen uit te vaardigen op grond van § 1.
  Daartoe kan hij :
  1° de volgorde, de nummering van de te coördineren bepalingen en, in het algemeen, de teksten naar de vorm wijzigen;
  2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen met de nieuwe nummering overeenbrengen;
  3° de redactie van de te coördineren bepalingen wijzigen teneinde ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen, zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in deze bepalingen vervat zijn.

  HOOFDSTUK VI. - Wijziging van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdecimes op de strafrechtelijke geldboeten.

  Art. 77. In de wet van 5 maart 1952 betreffnde de opdecimes op de strafrechtelijke geldboeten, gewijzigd bij de wet van 24 december 1993, wordt een artikel 1bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 1bis. - De verhoging bepaald bij artikel 1 bedraagt negenhonderdnegentig decimes voor de strafrechtelijke geldboeten, bedoeld in :
  1° artikel 27, 1°, inleidende zin, en 2°, inleidende zin, en artikel 29 van het koninklijk besluit nr. 34 van 20 juli 1967 betreffende de tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit;
  2° de artikelen 15, 2°, en 16, van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie;
  3° artikel 11, § 2, eerste en tweede lid, § 3, eerste en tweede lid, en § 4 van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten;
  4° artikel 172, § 1, inleidende zin, § 2, en artikel 173 van de programmawet van 22 december 1989;
  5° artikel 92 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen. "

  HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen van de arbeidswet van 16 maart 1971 en van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.

  Afdeling 1. - Wijzigingen van de arbeidswet van 16 maart 1971.

  Art. 78. Artikel 20bis, § 1, van de arbeidswet van 16 maart 1971, ingevoegd bij de wet van 22 januari 1985, wordt vervangen als volgt :
  " § 1. Een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, of het arbeidsreglement in de ondernemingen die gewoonlijk gemiddeld minder dan vijftig werknemers tewerkstellen en die geen vakbondsafvaardiging hebben opgericht, kan de overschrijding van de bij artikel 19 vastgestelde grenzen toestaan.
  Het arbeidsreglement en, in voorkomend geval, de collectieve arbeidsovereenkomst vermelden ten minste :
  1° de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur alsmede het aantal arbeidsuren dat over de referteperiode, waarvan de duur één jaar niet mag overschrijden, moet worden gepresteerd;
  2° het aantal uren dat beneden of boven de dagelijkse grens van de arbeid, zoals vastgesteld in het uurrooster vermeld in het arbeidsreglement, mag worden gepresteerd, zonder dat de uren die meer of minder worden gepresteerd twee uren mogen overschrijden en zonder dat de dagelijkse arbeidsduur negen uren mag overschrijden;
  3° het aantal uren dat beneden of boven de wekelijkse grens van de arbeid, zoals vastgesteld in het uurrooster vermeld in het arbeidsreglement, mag worden gepresteerd, zonder dat de uren die meer of minder worden gepresteerd vijf uren mogen overschrijden en zonder dat de wekelijkse arbeidsduur vijfenveertig uren mag overschrijden.
  De nieuwe uurroosters die voortvloeien uit de toepassing van het eerste lid moeten het voorwerp uitmaken van een aanpassing van het arbeidsreglement overeenkomstig de beginselen van het tweede lid volgens de bepalingen van artikel 6, 1°, van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen. "

  Art. 79. Artikel 26bis, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit nr. 225 van 7 december 1983 en gewijzigd bij de wetten van 22 januari 1985 en 10 juni 1993, wordt vervangen als volgt :
  " § 1. De overschrijdingen bedoeld in de artikelen 22, 1° en 2°, 23, 24, 25, en 26, § 1, 3°, en § 2, zijn enkel toegelaten op voorwaarde dat gedurende een periode van een trimester, gemiddeld niet langer dan veertig uren per week wordt gewerkt.
  Die bepaling is eveneens van toepassing op de overschrijdingen begaan in strijd met de bepalingen van deze wet of van andere wetsbepalingen.
  De referteperiode van een trimester kan worden verlengd tot ten hoogste een jaar :
  - door de Koning;
  - door een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
  - of bij ontstentenis, door het arbeidsreglement in de ondernemingen die gewoonlijk gemiddeld minder dan vijftig werknemers tewerkstellen en die geen vakbondsafvaardiging hebben opgericht.
  In geval van toepassing van de door artikel 20bis bepaalde afwijking, is de periode bedoeld in het eerste lid, voor de toepassing van de artikelen 25 en 26, dezelfde als de periode vastgesteld door de collectieve arbeidsovereenkomst of het arbeidsreglement.
  Om dit gemiddelde te berekenen, wordt geen rekening gehouden met de overschrijdingen van de in de artikelen 19 en 20 vastgestelde grenzen die voortvloeien uit de toepassing van artikel 26, § 1, 1° en 2°.
  De rustdagen bepaald bij de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen, alsmede door of krachtens een collectieve arbeidsovereenkomst, de periodes van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst bepaald in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en de rustdagen toegekend met toepassing van artikel 29, § 4, van deze wet, gelden als arbeidsduur voor de berekening van de gemiddelde arbeidsduur, bedoeld in het eerste lid.
  In de loop van de refertepeiode, mag op geen enkel ogenblik de totale duur van de verrichte arbeid de toegelaten gemiddelde arbeidsduur over dezelfde referteperiode, vermenigvuldigd met het aantal weken of delen van een week die reeds in deze referteperiode verlopen zijn, overschreven worden met meer dan vijfenzestig uren.
  Onder trimester in de zin van dit artikel wordt verstaan de periode gedekt door de uitbetalingen waarvan de sluitingsdag in eenzelfde kalenderkwartaal is gelegen. "

  Art. 80. In artikel 6, eerste lid, 1°, vierde lid, a), van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, gewijzigd bij de wet van 22 januari 1985, worden de woorden " een jaar " vervangen door de woorden " een referteperiode ".

  Art. 81. In dezelfde wet wordt een artikel 26ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 26ter. - Voor de toepassing van de artikelen 20bis en 26bis wordt het gemiddelde van vijftig werknemers die gewoonlijk tewerkgesteld worden, bepaald overeenkomstig de regels vastgesteld bij of krachtens artikel 1, § 4, b), van de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen. De referteperiode is die welke het trimester voorafgaat waarin de wijzigingsprocedure van het arbeidsreglement aangevangen is. "

  Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.

  Art. 82. In artikel 12 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen, gewijzigd bij de wet van 23 juni 1981, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het derde en het vierde lid worden vervangen als volgt :
  " Gedurende een termijn van vijftien dagen te rekenen van de dag van de aanplakking, houdt de werkgever een register ter beschikking van de werknemers waarin zij, individueel of door toedoen van een personeelsafvaardiging of door toedoen van de vakbondsafvaardiging, hun opmerkingen kunnen optekenen.
  Gedurende dezelfde termijn van vijftien dagen kunnen de werknemers of hun afgevaardigden bedoeld in het vorige lid, hun opmerkingen ook bij een behoorlijk ondertekend schrijven toezenden aan de ambtenaar door de Koning aangewezen krachtens artikel 21. Hun naam mag niet medegedeeld of ruchtbaar gemaakt worden. "
  2° het negende lid wordt vervangen als volgt :
  " Indien hij daarin niet slaagt, zendt de door de Koning aangewezen ambtenaar onmiddellijk een afschrift van het proces-verbaal van niet-verzoening over aan de Voorzitter van het bevoegd paritair comité. Voor de ondernemingen die gewoonlijk gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstellen en die geen vakbondsafvaardiging hebben opgericht, moet deze ambtenaar in het proces-verbaal van niet-verzoening, indien het geschil betrekking heeft op de toepassing van de afwijking bedoeld in artikel 20bis of op de verlenging van de referentieperiode van een trimester, bedoeld in artikel 26bis van de arbeidswet van 16 maart 1971, melding maken enerzijds van de door de werkgever aangevoerde motieven die de invoering van deze afwijking of van deze verlenging rechtvaardigen en van de door de werkgever vermelde positieve gevolgen voor de werkgelegenheid of voor de vermindering van de periodes van volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en van de regeling van gedeeltelijke arbeid geregeld door of krachtens artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst, en anderzijds van de opmerkingen van de werknemers die hetzij opgetekend zijn in dat register van de opmerkingen, hetzij hem rechtstreeks toegezonden zijn, hetzij gemaakt zijn tijdens de verzoeningspogingen betreffende deze afwijkingen of deze verlenging. "
  3° het twaalfde lid wordt vervangen als volgt :
  " Indien voor een bedrijfstak geen paritair comité bestaat, maakt de door de Koning aangewezen ambtenaar de zaak aanhangig bij de Nationale Arbeidsraad. "

  Art. 83. In dezelfde wet wordt een artikel 12ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 12ter. - De werkgever mag geen handeling stellen die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de arbeidsovereenkomst van de werknemer die in het kader van de bepalingen van artikel 20bis, § 1, laatste lid, en artikel 26bis, § 1, derde lid, opmerkingen heeft gemaakt in het register bepaald bij artikel 12, derde lid, van deze wet, gedurende een periode van zes maanden die aanvangt op het ogenblik waarop de opmerkingen ingeschreven werden in het register, behalve om redenen die vreemd zijn aan het inschrijven van deze opmerkingen.
  De werkgever dient te bewijzen dat zulke redenen voorhanden zijn.
  Zo de ingeroepen reden tot staving van het ontslag niet beantwoordt aan he bepaalde in het eerste lid of bij ontstentenis van reden, moet de werkgever een forfaitaire vergoeding betalen gelijk aan het loon voor zes maanden, onverminderd de vergoedingen verschuldigd in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst. "

  Art. 84. Artikel 15, vijfde lid, van dezelfde wet gewijzigd bij de wet van 26 juni 1992, wordt aangevuld als volgt :
  " Binnen dezelfde termijn wordt eveneens een afschrift gezonden naar de voorzitter van het bevoegde paritair comité, wanneer in een onderneming die gewoonlijk gemiddeld minder dan vijftig werknemers tewerkstelt en die geen vakbondsafvaardiging heeft opgericht, toepassing wordt gemaakt van artikel 20bis van de arbeidswet of van de mogelijkheid om de referentieperiode te verlengen door het arbeidsreglement zoals bepaald in artikel 26bis, § 1, van dezelfde wet. "

  HOOFDSTUK VIII. - Nationale Arbeidsraad.

  Art. 85. In artikel 2, § 1, van de wet van 29 mei 1952 tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad, wordt het woord " vierentwintig " vervangen door het woord " zesentwintig ".

  Art. 86. Artikel 2, § 2, tweede lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " De leden die de meest representatieve werkgeversorganisaties uit de nijverheid, de landbouw, de handel, het ambachtswezen en de niet-commerciële sector vertegenwoordigen, (worden gekozen op een door die organisaties) voorgedragen dubbele lijst van kandidaten, van wie een bepaald aantal de kleine ondernemingen alsmede de familiebedrijven vertegenwoordigen. " (Erratum, zie B.St. 26-09-1994)

  Art. 87. Tussen het tweede en het derde lid van § 2 van artikel 2 van de wet van 29 mei 1952, wordt een lid ingevoegd, luidende :
  " De Koning kan, op voorstel van de Nationale Arbeidsraad, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de nadere regelen vastleggen van de uitbreiding van de samenstelling van de Nationale Arbeidsraad tot de meest representatieve werkgeversorganisaties die de niet-commerciële sector vertegenwoordigen. "

  HOOFDSTUK IX. - Collectief ontslag.

  Art. 88. Artikel 18, eerste lid, van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel wordt vervangen als volgt :
  " De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het collectief ontslag van werknemers afhankelijk stellen van een voorafgaande toestemming, overeenkomstig de regelgeving van de Europese Unie. "

  TITEL V. - ALTERNATIEVE FINANCIERING VAN DE SOCIALE ZEKERHEID.

  Art. 89. (Opgeheven) <W 2001-01-02/30, art. 67, 021 ; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

  Art. 90. (Opgeheven) <W 2001-01-02/30, art. 67, 021 ; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

  TITEL VI. - PLAATSELIJKE WERKGELEGENHEIDSAGENTSCHAPPEN.

  Art. 91. Artikel 31, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 30 maart 1994, wordt opgeheven.

  Art. 92. Artikel 38 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 6 van de wet van 28 juli 1992, bij artikel 1 van de wet van 6 augustus 1993 en bij artikel 7 van de wet van 6 juli 1994, wordt aangevuld als volgt :
  " 13° de vergoedingen verkregen voor prestaties geleverd in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen. ".

  Art. 93. Het opschrift van titel II, hoofdstuk III, afdeling I, onderafdeling IIquater, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 6 van de wet van 30 maart 1994, wordt vervangen als volgt :
  " Onderafdeling 2quater. - Vermindering voor uitgaven betaald voor prestaties in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen ".

  Art. 94. Artikel 145.21. van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 7 van de wet van 30 maart 1994, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 145.21. - Binnen de perken en onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 145.2. en 145.22., wordt een belastingvermindering verleend die wordt berekend op de uitgaven tot ten hoogste 73 000 frank die geen beroepskosten zijn en die tijdens het belastbaar tijdperk werkelijk zijn betaald voor prestaties, te verrichten door een werkloze in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen.
  Voor het bepalen van het bedrag van de in het eerste lid vermelde uitgaven wordt alleen rekening gehouden met de nominale waarde van de PWA-cheques vermeld in de reglementering betreffende de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen. "

  Art. 95. In artikel 146, 3°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 10 van de wet van 30 maart 1994, worden de woorden " met inbegrip van de door de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen betaalde vergoedingen tot het beloop van het maximumbedrag vastgesteld in de ter zake geldende regeling " geschrapt.

  Art. 96. Artikel 154, 3°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 12 van de wet van 30 maart 1994, wordt vervangen als volgt :
  " 3° wanneer het inkomen uitsluitend uit werkloosheidsuitkeringen bestaat en het bedrag van die uitkeringen niet hoger is dan het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering, in voorkomend geval met inbegrip van de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, indien de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt; ".

  Art. 97. In artikel 243, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij artikel 36 van de wet van 6 juli 1994, worden de woorden " 145.17. tot 145.20. " vervangen door de woorden " 145.17. tot 145.23. ".

  Art. 98. De artikelen 91 tot 97 treden in werking met ingang van het aanslagjaar 1995.

  TITEL VII. - VASTGOEDBELEGGINGSVENNOOTSCHAPPEN MET VAST KAPITAAL OF VASTGOED BEVAKS.

  Art. 99. In artikel 46, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 28 juli 1992, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
  " Het eerste lid, 2°, is niet van toepassing wanneer de verkrijger van de inbreng een door de Commissie voor he Bank- en Financiewezen erkende vastgoedbeleggingsvenootschap met vast kapitaal is. "

  Art. 100. Artikel 203, tweede lid, 3°, van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen als volgt :
  " 3° door een belegginsgsvennootschap, namelijk een vennootschap die het gemeenschappelijk beleggen van kapitaal tot doel heeft; ".

  Art. 101. Artikel 210, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 augustus 1993, wordt aangevuld met een 5°, luidende :
  " 5° bij de erkenning als vastgoedbeleggingsvennootschap met vast kapitaal door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen. ".

  Art. 102. Artikel 211, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 6 augustus 1993, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Het eerste lid is evenmin van toepassing op verrichtingen waaraan een door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen erkende vastgoedbeleggingsvennootschap met vast kapitaal deelneemt. "

  Art. 103. In artikel 216 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij artikel 35 van de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij artikel 29 van de wet van 6 juli 1994 houdende fiscale bepalingen, wordt een 1°bis ingevoegd, luidende :
  " 1°bis 19,5 pct. voor wat de belastbare bedragen betreft bij een in de artikelen 210, § 1, 5°, en 211, § 1, derde lid, vermelde verrichting; "

  Art. 104. In artikel 231, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 26 van de wet van 28 juli 1992, wordt een tweede lid ingevoegd, luidende :
  " Het eerste lid is niet van toepassing wanneer een door de Commissie voor he Bank- en Financiewezen erkende vastgoedbeleggingsvennootschap met vast kapitaal heeft deelgenomen aan voormelde verrichting. "

  Art. 105. In artikel 246 van hetzelfde Wetboek wordt een tweede lid ingevoegd, luidende :
  " In het in artikel 231, § 2, tweede lid, vermelde geval, wordt de belasting berekend tegen het in artikel 216, 1°bis, bepaalde tarief, onverminderd de toepassing van artikel 218; ".

  Art. 106. In artikel 463bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 juli 1993 en gewijzigd bij de wet van 30 maart 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, eerste streepje, worden de woorden " de artikelen 157 tot 168, 175 tot 177, 218, 226, 243, laatste lid, en 246, 1° " vervangen door de woorden " de artikelen 157 tot 168, 175 tot 177, 218, 226, 243, derde lid en 246, eerste lid ";
  2° in het tweede lid, gewijzigd bij de wet van 30 maart 1994, worden de woorden " de artikelen 157 tot 168, 175 tot 177, 218, 226, 243, derde lid, en 246, 1° " vervangen door de woorden " de artikelen 157 tot 168, 175 tot 177, 218, 226, 243, derde lid, en 246, eerste lid ".

  TITEL VIII. - HERVORMING VAN HET APPARAAT VOOR DE STATISTIEK EN DE ECONOMISCHE VOORUITZICHTEN VAN DE FEDERALE REGERING.

  HOOFDSTUK I. - Het Instituut voor de nationale rekeningen.

  Art. 107. Er wordt een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid opgericht, genaamd " Instituut voor de nationale rekeningen ", afgekort " INR ".
  De zetel van het INR is gevestigd in het arrondissement Brussel-Hoofdstad. Het Instituut werkt onder het gezag van de minister van Economische Zaken.

  Art. 108.Het INR heeft tot taak met de medewerking van de instellingen bedoeld in artikel 109, hierna geassocieerde instellingen genoemd, doch onder zijn eigen verantwoordelijkheid, [1 de volgende economische statistieken, analyses en vooruitzichten]1 op te stellen :
  a) de reële nationale rekeningen;
  b) de financiële nationale rekeningen;
  c) de jaarlijkse en driemaandelijkse rekeningen van de openbare besturen;
  d) de driemaandelijkse nationale rekeningen;
  e) de bruto regionale produkten;
  f) de statistieken van de buitenlandse handel, zowel binnen als buiten de Europese Unie, alsook de statistieken betreffende de doorvoer;
  g) [2 de economische vooruitzichten die vereist zijn voor het opstellen van de begrotingen, ook economische begroting genoemd, en de meerjarige begrotingskaders van de verschillende overheden;]2
  h) de input-outputtabellen, met eventuele bijbehorende sectoriële rekeningen;
  [1 i) de prijsobservatie en -analyse;]1
  [2 j) de statistieken inzake de procedure bij buitensporige tekorten;]2
  [3 k) de berekening van een set aanvullende indicatoren voor het meten van levenskwaliteit, menselijke ontwikkeling, sociale vooruitgang en de duurzaamheid van onze economie alsook de integratie ervan in de bestaande publicaties van de gebruikelijke economische indicatoren. Deze set aanvullende indicatoren moet voldoen aan de volgende principes :
   - de aanvullende indicatoren worden ingedeeld in een zo beperkt mogelijk aantal categorieën of hoofdindicatoren;
   - de indeling van de aanvullende indicatoren wordt gebaseerd op de indeling gehanteerd in het finale rapport Sponsorship Group on Measuring Progress, Well-being and Sustainable Development van het European Statistical System Committee;
   - de selectie van indicatoren wordt in het bijzonder gebaseerd op de werkzaamheden "GDP and beyond" in het kader van de Europesee Unie (Eurostat; Quality of Life). Deze selectie kan eventueel worden aangevuld met indicatoren die specifiek nuttig zijn voor de Federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten;
   - de uitwerking van die aanvullende indicatoren gebeurt op basis van de participatie van de bevoegde overheidsdiensten en het Belgische middenveld en in overleg met de diensten van Eurostat en de OESO;
   - voor elk van de geselecteerde indicatoren dient de set van indicatoren te worden weergegeven per inkomenscategorie van de bevolking. Hiertoe moet de bevolking onderverdeeld worden in voor de betreffende indicatoren relevante categorieën.]3
  [2 Een gevoeligheidsanalyse en een vergelijking met de vooruitzichten van de Europese Commissie, en desgevallend ook van andere onafhankelijke instellingen, worden bij de bekendmaking van de in het eerste lid, letter g), bedoelde vooruitzichten gevoegd.
   Om de drie jaar laat het INR, door een wetenschappelijk Comité dat voor een deel samengesteld is uit leden extern aan het INR, een evaluatie uitvoeren van de in het eerste lid, letter g), bedoelde vooruitzichten. Het resultaat van de evaluatie wordt bekendgemaakt en geďntegreerd in de daaropvolgende macro-economische vooruitzichten. Indien uit deze evaluatie een betekenisvolle afwijking blijkt over een periode van minstens vier opeenvolgende jaren, worden de nodige maatregelen genomen en openbaar gemaakt.]2
  ----------
  (1)<W 2009-03-08/55, art. 2, 033; Inwerkingtreding : 30-04-2009>
  (2)<W 2014-02-28/16, art. 2, 036; Inwerkingtreding : 14-04-2014>
  (3)<W 2014-03-14/10, art. 2, 037; Inwerkingtreding : 14-04-2014>

  Art. 109.§ 1. Het Nationaal Instituut voor de Statistiek verzamelt de statistische basisgegevens die het INR nodig heeft om zijn opdrachten te vervullen, met uitzondering van die bedoeld in artikel 108, f), van deze wet en die welke de Nationale Bank van België reeds verzamelt krachtens de wet.
  § 2. Het INR vertrouwt aan het Federaal Planbureau het opstellen toe van de statistische tabellen en van de vooruitzichten bedoeld in artikel 108, g) en h) van deze wet. Het Federaal Planbureau baseert zich daarbij meer bepaald op gegevens verzameld dor het Nationaal Instituut voor de Statistiek en opgesteld door het INR.
  § 3. Het INR vertrouwt aan de Nationale Bank van België het opstellen toe van de statistische tabellen bedoeld in artikel 108, a), b), d) en e) van deze wet. De Nationale Bank van België baseert zich daarbij meer bepaald op gegevens verzameld door het Nationaal Instituut voor de Statistiek en opgesteld door het INR.
  Het INR vertrouwt aan de Nationale Bank van België, in nauwe samenwerking met het Federaal Planbureau, het opstellen toe van de statistische tabellen bedoeld in artikel 108, c), van deze wet. De Nationale Bank baseert zich daarbij meer bepaald op gegevens verzameld door het Nationaal Instituut voor de Statistiek en opgesteld door het INR.
  Het INR vertrouwt aan de Nationale Bank van België het opstellen toe van de statistische tabellen bedoeld in artikel 108, f), van deze wet.
  [2 Het INR vertrouwt aan de Nationale Bank van België het opstellen toe van de statistieken bedoeld in artikel 108, eerste lid, letter j). De Nationale Bank van België baseert zich daarbij zowel op gegevens verzameld door het Nationaal Instituut voor de Statistiek en opgesteld door het INR, als op gegevens die de rapporteringsplichtige entiteiten rechtstreeks aan het INR overmaken.]2
  [1 § 4. Het INR vertrouwt aan de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, het uitvoeren toe van de analyses bedoeld in artikel 108, i), van deze wet.]1
  [3 § 5. Het INR vertrouwt aan het Federaal Planbureau de berekening toe van de nieuwe set aanvullende indicatoren, als bedoeld in artikel 108, eerste lid, k).]3
  ----------
  (1)<W 2009-03-08/55, art. 3, 033; Inwerkingtreding : 30-04-2009>
  (2)<W 2014-02-28/16, art. 3, 036; Inwerkingtreding : 14-04-2014>
  (3)<W 2014-03-14/10, art. 3, 037; Inwerkingtreding : 14-04-2014>

  Art. 110. Het INR stuurt en coördineert de uitvoering van de opdrachten bedoeld in artikel 109 en zorgt tevens voor de optimale samenwerking tussen de geassocieerde instellingen.
  De wijze waarop de opdrachten worden toevertrouwd aan de geassocieerde instellingen wordt bepaald in een bestek, dat wordt opgemaakt door de Raad van bestuur van het INR en goedgekeurd door de minister van Economische Zaken.
  Het bestek omvat ten minste bepalingen betreffende de methodologische referentienormen, de uitvoeringstermijnen van de opdrachten, de toewijzing van de kosten voor de publikatie van de statistieken en vooruitzichten, algemene richtlijnen voor de methode van uitvoering, het inzagerecht van het INR en de wijze van samenwerking met de geassocieerde instellingen.

  Art. 111.[1 § 1. Elke geassocieerde instelling en elke statistische dienst die wordt opgericht door de gemeenschappen en gewesten en die beschikt over de hoedanigheid van statistische autoriteit, waarvan de voorwaarden waaraan moet worden voldaan bepaald worden in hoofdstuk V van het Samenwerkingsakkoord van 15 juli 2014 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de nadere regels voor de werking van het Interfederaal Instituut voor de Statistiek, van de raad van bestuur en de Wetenschappelijke Comités van het Instituut voor de Nationale Rekeningen, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 20 oktober 2014, heeft op elk ogenblik het recht de statistische tabellen en vooruitzichten die werden opgemaakt door de andere geassocieerde instellingen in het kader van de opdrachten bedoeld in artikel 109 te raadplegen en hergebruiken, zelfs indien deze voorlopig zijn.
   § 2. Elke geassocieerde instelling heeft, in het kader van de uitvoering van zijn opdrachten zoals bepaald in artikel 109, op elk ogenblik het recht de vertrouwelijke gegevens die door de andere geassocieerde instellingen werden ingezameld in het kader van de hoger vernoemde opdrachten te raadplegen en hergebruiken.
   § 3. Elke geassocieerde instelling en elke statistische dienst die wordt opgericht door de gemeenschappen en gewesten en die beschikt over de hoedanigheid van statistische autoriteit moet tegenover derden de verplichtingen naleven die voortvloeien uit het statistisch geheim, overeenkomstig de wet van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek en de voorwaarden die worden vastgelegd in hoofdstuk V van het samenwerkingsakkoord bedoeld in paragraaf 1.
   § 4. De leden, waarnemers en experts die aan de vergaderingen van de raad van bestuur van het INR of aan de vergaderingen van de wetenschappelijke comités deelnemen moeten eveneens de verplichtingen naleven die voortvloeien uit het statistisch geheim overeenkomstig de wet van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek.]1
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/21, art. 2, 038; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 112. De statistische tabellen en de vooruitzichten opgemaakt door het INR worden zonder verwijl medegedeeld aan de minister van Economische Zaken. Ze worden regelmatig gepubliceerd op initiatief van het INR.

  Art. 113.[1 § 1. Het INR wordt bestuurd door een raad van bestuur waarvan de samenstelling en de werking geregeld worden in het samenwerkingsakkoord bedoeld in artikel 111, § 1.
   § 2. Van de twaalf leden waaruit de raad van bestuur is samengesteld, zijn van rechtswege lid :
   1° de voorzitter van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, die erin zetelt als vertegenwoordiger van de minister bevoegd voor Economie;
   2° de gouverneur van de Nationale Bank van België;
   3° de commissaris van het plan;
   4° de directeur-generaal van het Nationaal Instituut voor de Statistiek.
   § 3. De andere leden van de raad van bestuur hebben een mandaat van vier jaar dat hernieuwbaar is. Wanneer een lid om welke reden ook voortijdig ophoudt deel uit te maken van de raad van bestuur, voltooit de persoon die als zijn vervanger werd aangewezen het lopende mandaat.
   § 4. De raad van bestuur zetelt geldig indien een meerderheid van de leden aanwezig is.
   Wanneer er geen consensus wordt bereikt, beslist de raad bij meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend.
   § 5. De raad van bestuur bepaalt zijn huishoudelijk reglement.]1
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/21, art. 3, 038; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 114. § 1. De Raad van bestuur doet al het nodige opdat het INR zijn opdrachten zou kunnen uitvoeren en waakt over de goede werking ervan.
  Hij kan een of meer van zijn leden belasten met de uitvoering van specifieke beslissingen of opdrachten, met inbegrip van de vertegenwoordiging van het IRN bij internationale instellingen.
  Onder voorbehoud van het bepaalde in het tweede lid hierboven, vertegenwoordigt de Raad van bestuur het INR in alle gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen.
  § 2. De Raad van bestuur kan coördinatiecellen samenstellen, die in het bijzonder moeten toezien op het goede verloop van het geheel of een gedeelte van elke opdracht van het INR, onder meer door harmonisering van de werkmethoden gebruikt door de geassocieerde instellingen. De cellen kunnen zich laten bijstaan door externe experts met raadgevende bevoegdheid.

  Art. 115.
  <Opgeheven bij W 2015-12-18/21, art. 4, 038; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 116.[1 § 1. Bij het INR worden vier wetenschappelijke comités opgericht : het wetenschappelijk comité voor de nationale rekeningen, het wetenschappelijk comité voor de overheidsrekeningen, het wetenschappelijk comité voor de economische begroting en het wetenschappelijk comité voor de prijsobservatie en -analyse.
   Het wetenschappelijk comité voor de nationale rekeningen is bevoegd voor de opdrachten bedoeld in artikel 108, eerste lid, a), b), c), d), e) en h).
   Het wetenschappelijk comité voor de economische begroting is bevoegd voor de opdracht bedoeld in artikel 108, eerste lid, g).
   Het wetenschappelijk comité voor de prijsobservatie en -analyse is bevoegd voor de opdracht bedoeld in artikel 108, eerste lid, i).
   Het wetenschappelijk comité voor de overheidsrekeningen is bevoegd voor de opdracht bedoeld in artikel 108, eerste lid, j). Het onderzoekt de vragen om advies zoals bepaald in artikel 32, eerste lid van het samenwerkingsakkoord bedoeld in artikel 111, § 1.
   Deze vier comités hebben als opdracht advies te verstrekken over de wetenschappelijke waarde en de objectiviteit van de door het INR toegepaste methoden en van de resultaten van zijn werkzaamheden. Het INR kan deze comités te allen tijde raadplegen betreffende kwesties die binnen hun respectieve bevoegdheden vallen.
   Het INR raadpleegt deze comités wanneer het de gebruikte methodologie in een belangrijke mate wijzigt, al naargelang hun respectieve bevoegdheden. Het INR moet ze eveneens raadplegen nadat het in eerste lezing de in artikel 108, eerste lid, a), c), e), g), h), i) en j) bedoelde economische statistieken, analyses en vooruitzichten heeft aangenomen. Indien de raad van bestuur na beraadslaging van oordeel is dat hij geen gevolg kan geven aan een volledig of gedeeltelijk ongunstig advies van het comité, moet hij dit advies bij de betrokken statistische tabellen, analyses of vooruitzichten voegen.
   Voor de taken bedoeld in artikel 108, eerste lid, k), worden de publicaties van de resultaten jaarlijks in een publieke zitting van de Kamer van volksvertegenwoordigers besproken. De Kamer evalueert de evolutie van de resultaten, evenals de indeling en methodologie van de aanvullende indicatoren. Een samenvatting van de resultaten maakt deel uit van het jaarverslag van de Nationale Bank van België betreffende de financiële en economische ontwikkelingen in binnen- en buitenland.
   § 2. Met uitzondering van de door de respectieve gewest- en gemeenschapsregeringen aangewezen leden, worden de leden van de wetenschappelijke comités benoemd door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit.
   § 3. De samenstelling en de werking van de wetenschappelijke comités worden geregeld in het samenwerkingsakkoord bedoeld in artikel 111, § 1.
   § 4. Het mandaat van de leden van de comités duurt vier jaar en is hernieuwbaar. Wanneer een lid om welke reden ook voortijdig ophoudt deel uit te maken van een comité, voltooit de persoon die hetzij door de Koning, hetzij door de betrokken gewest- of gemeenschapsregering wordt aangewezen om hem te vervangen, zijn mandaat.]1
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/21, art. 5, 038; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 117.
  <Opgeheven bij W 2015-12-18/21, art. 6, 038; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 118.[1 § 1. De financiering van de kosten van de werking van het INR wordt geregeld in artikel 35 van het samenwerkingsakkoord bedoeld in artikel 111, § 1.
   De werkingskosten van het INR die ten laste zijn van de federale overheid worden ingeschreven op de begroting van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.
   De federale overheid vergoedt jaarlijks en vooraf de Nationale Bank van België voor de kosten van de bijkomende taken die specifiek voortvloeien uit het opstellen van de statistieken bedoeld in artikel 108, eerste lid, j. De federale overheid en de Nationale Bank van België komen overeen over het bedrag van de vergoeding en de modaliteiten van de betaling.
   § 2. Het secretariaat van het INR heeft zijn zetel in de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie. De werking, de samenstelling en de rol van het secretariaat worden bepaald in het samenwerkingsakkoord bedoeld in artikel 111, § 1.]1
  ----------
  (1)<W 2015-12-18/21, art. 7, 038; Inwerkingtreding : 01-01-2016>

  Art. 119. Elke geassocieerde instelling kan, ongeacht enige andersluidende bepaling die betrekking heeft op het statuut van haar personeel, personeelsleden detacheren bij het INR, zo het Instituut erom verzoekt.
  Personeelsleden die worden gedetacheerd, behouden alle administratieve en geldelijke voordelen die verbonden zijn aan de normale uitoefening van hun functies in de geassocieerde instelling, welke ook de aard van hun rechtsverhouding met deze instelling zij.

  Art. 120. Het INR maakt jaarlijks, ten laatste tegen 31 maart, een activiteitenrapport op evenals de rekeningen over het voorbije jaar.
  Het activiteitenrapport wordt overgezonden aan de minister van Economische Zaken evenals aan de geassocieerde instellingen.
  De jaarrekeningen worden overgezonden aan de minister van Economische Zaken en onderworpen aan de controle van het Rekenhof.

  HOOFDSTUK II. - Het verzamelen en verwerken van gegevens.

  Art. 121. Voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk I van deze titel bepaalt de Koning welke informatie door de natuurlijke personen en door de publiek- en privaatrechtelijke rechtspersonen aan de Nationale Bank van België moet worden meegedeeld en stelt Hij de wijze vast waarop die mededeling gebeurt.

  Art. 122. Voor de toepassing van de artikelen 2, 15 en 18 tot 23 van de wet van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek, worden het INR en de geassocieerde instellingen gelijkgesteld met het Nationaal Instituut voor de statistiek wanneer ze handelen ter uitvoering van deze wet. De leden van de Raad van bestuur van het INR en de personeelsleden van de geassocieerde instellingen, handelend in het kader van deze wet, hebben dezelfde rechten en verplichtingen als de personeelsleden van het Nationaal Instituut voor de statistiek. Schendingen van de artikelen 111 en 128 van deze wet alsook van de besluiten genomen krachtens artikel 121 hierboven worden gelijkgesteld met schendingen van de artikelen 18 (, 21bis) en 22 van de bovengenoemde wet van 4 juli 1962. <W 2008-12-22/33, art. 92, 1°, 032; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
  (De leden van de Raad van Bestuur van het INR bepalen de nadere regelen van toezending van de processen-verbaal voor de overtredingen vastgesteld door de geassocieerde instellingen op basis van artikel 21bis van bovengenoemde wet van 4 juli 1962, aan de leidende ambtenaar van het Nationaal Instituut voor de Statistiek, aan het openbaar ministerie en aan de overtreder.
  De Raad van Bestuur van het INR kan de leidende ambtenaar van het Nationaal Instituut voor de Statistiek richtlijnen meedelen betreffende het algemeen beleid inzake de administratieve sanctionering van de inbreuken aan onderhavige wet, onverminderd de bijzondere beslissingsbevoegdheid toevertrouwd aan deze laatste door artikel 21octies van voormelde wet van 4 juli 1962, rekening houdend met alle elementen uit het dossier waarover hij beschikt.) <W 2008-12-22/33, art. 92, 2°, 032; Inwerkingtreding : 08-01-2009>

  HOOFDSTUK III. - Het Nationaal Instituut voor de statistiek.

  Art. 123. (Opgeheven) <W 2002-08-02/45, art. 167, 026; Inwerkingtreding : 29-08-2002>

  HOOFDSTUK IV. - Het Federaal Planbureau.

  Art. 124. Er wordt een instelling van openbaar nut met rechtspersoonlijkheid opgericht, het Federaal Planbureau genoemd.
  Het Federaal Planbureau wordt ondergebracht in de categorie A van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut. Voor de toepassing van deze wet staat die instelling onder het gezamenlijk gezag van de Eerste minister en de minister van Economische Zaken.
  Het Federaal Planbureau krijgt de richtlijnen voor zijn werkzaamheden van de Ministerraad.

  Art. 125. In artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, worden onder categorie A, in de juiste alfabetische volgorde, de woorden " Federaal Planbureau " ingevoegd.

  Art. 126. Het Federaal Planbureau beschikt over een jaarlijkse toelage ten laste van de Staat, die wordt ingeschreven op de begroting van het ministerie van Economische Zaken.

  Art. 127.§ 1. Het Federaal Planbureau wordt ermee belast de sociaal-economische evolutie en de factoren die deze evolutie bepalen, te analyseren en te voorzien en de gevolgen van de keuzes inzake economisch en sociaal beleid in te schatten ten einde de rationaliteit, de doeltreffendheid en de transparantie ervan te verbeteren.
  Het Federaal Planbureau voert eveneens structurele analyses uit op middellange en lange termijn en voornamelijk op economisch en sociaal vlak en op het vlak van het leefmilieu.
  Het Federaal Planbureau brengt minstens eenmaal per jaar verslag uit aan de Centrale Raad voor het bedrijfsleven en aan de Nationale Arbeidsraad over zijn studies betreffende de evolutie van de economie op middellange termijn. Op verzoek van de Wetgevende Kamers, de Centrale Raad voor het bedrijfsleven of de Nationale Arbeidsraad, kan het overgaan tot elke andere vorm van evaluatie van het economisch, sociaal en ecologisch beleid bepaald door de federale overheid.
  § 2. Het Federaal Planbureau wordt belast met de uitwisseling van prognosegegevens met betrekking tot het gewestelijke, federale en internationale niveau. Die opdracht behelst het economische en sociale vlak alsook het milieu.
  [1 Voor wat de mobiliteit aangaat, bezorgt het Federaal Planbureau de FOD Mobiliteit en Vervoer statistische inlichtingen. Het ontwikkelt en onderhoudt een geďntegreerde gegevensbank met vervoersindicatoren en opmaak van satellietrekeningen voor transport. Op vraag van en in overleg met de FOD Mobiliteit en Vervoer maakt het ook regelmatig transportsimulaties met een impactanalyse en analyseert het de beleidsopties. Deze diensten worden verleend op basis van een samenwerkingsakkoord tussen beide partijen dat een beschrijving geeft van het jaarlijkse werkprogramma, de uitvoeringswijze en de timing waarmee de diensten worden gerealiseerd, en de wijze waarop de informatie wordt gecommuniceerd.]1
  § 3. Het Federaal Planbureau verleent bovendien zijn medewerking aan het Instituut voor de nationale rekeningen, overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk I van deze titel.
  (§ 4. Het Federaal Planbureau wordt belast met het deelnemen aan de coördinatie en de uitvoering van de verschillende aspecten van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling zoals gedefinieerd door de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling.) <W 1997-05-05/35, art. 20, 011; Inwerkingtreding : 28-06-1997>
  (§ 5. Het Federaal Planbureau wordt belast met het secretariaat van de Studiecommissie voor de vergrijzing opgericht bij artikel 6 van de wet van 5 september 2001 [2 tot oprichting van een Vergrijzingscommissie]2 en de deelname aan de uitvoering van de aan haar toevertrouwde opdracht.) <W 2001-09-05/30, art. 39, 022; Inwerkingtreding : 14-09-2001>
  ----------
  (1)<W 2009-12-23/04, art. 2, 035; Inwerkingtreding : 09-01-2010>
  (2)<W 2016-12-18/01, art. 71, 039; Inwerkingtreding : 01-01-2017>

  Art. 128. Voor de uitvoering van artikel 127, §§ 1 en 2, van deze titel, verstrekt het Nationaal Instituut voor de statistiek aan het Federaal Planbureau alle nodige inlichtingen voor de uitvoering van zijn opdrachten.
  Het Federaal Planbureau en zijn personeelsleden zijn tegenover derden onderworpen aan de verplichtingen voortvloeiend uit het statistisch geheim, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek.
  De federale besturen, openbare ondernemingen en instellingen verstrekken aan het Federaal Planbureau alle nodige inlichtingen voor de uitvoering van zijn opdrachten.
  In het kader van de uitvoering van zijn opdrachten coördineert en harmoniseert het Federaal Planbureau de verzamelde, uitgewerkte of gebruikte statistische en prognostische informatie. Het stelt deze ter beschikking van de administraties en openbare instellingen, volgens de nadere regelen bepaald door de Koning.

  Art. 129. Het Federaal Planbureau omvat ten minste twee en ten hoogste drie algemene directies.
  De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, na raadpleging van de Centrale Raad voor het bedrijfsleven, de andere nadere regelen vast die nodig zijn voor de organisatie en de werking van het Federaal Planbureau.

  Art. 130. § 1. De leden van het Planbureau en de personeelsleden van het Planbureau worden op de datum van de inwerkingtreding van dit hoofdstuk aan het Federaal Planbureau overgedragen, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, genomen op de gezamenlijke voordracht van de Eerste minister en de minister van Economische Zaken.
  Deze overdrachten worden niet beschouwd als een nieuwe benoeming.
  De Koning bepaalt de nadere regelen voor de overdracht van dit personeel.
  Zij behouden tenminste hun hoedanigheid, hun graad en hun administratieve en geldelijke anciënniteit. Ze behouden ook de toelagen, de vergoedingen of premies en andere voordelen waarvan zij bij het Planbureau het genot hadden, overeenkomstig de reglementering krachtens welke deze verleend werden.
  § 2. Het Federaal Planbureau treedt in de rechten en verplichtingen van de Staat die verbonden zijn met de werking van het Planbureau, dat werd opgericht door de wet van 15 juli 1970 houdende organisatie van de planning en economische decentralisatie.
  De besluiten en maatregelen genomen ter uitvoering van voornoemde wet van 15 juli 1970 blijven van toepassing, zolang zij niet gewijzigd of opgeheven worden. De wijzigingen of opheffingen van de ter uitvoering van de wet van 15 juli 1970 genomen maatregelen mogen geen afbreuk doen aan de rechten van het personeel.
  § 3. De eigendom van de goederen die verbonden zijn met de werking van het Planbureau wordt, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, aan het Federaal Planbureau overgedragen.

  Art. 131. De artikelen 1 tot en met 8 van de wet van 15 juli 1970 houdende organisatie van de planning en economische decentralisatie, evenals hoofdstuk I van de wet van 20 januari 1978 tot organisatie van de associatie der holdings bij de economische planning en tot wijziging van het statuut der portefeuillemaatschappijen, worden opgeheven voor wat betreft de federale Staat.
  In alle andere wets- en reglementsbepalingen waarin de woorden " het Planbureau " worden vermeld, dienen deze woorden te worden gelezen als " het Federaal Planbureau ".

  HOOFDSTUK V. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen.

  Art. 132. In de wet van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek, gewijzigd bij de wet van 1 augustus 1985, wordt een artikel 2bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 2bis. - De gegevens die het Nationaal Instituut voor de statistiek in zijn bezit heeft voor zuiver statistische doeleinden, hetzij rechtstreeks ingezameld bij de aangevers krachtens de artikelen 1, 5, 9, 10 en 12 van deze wet, hetzij onrechtstreeks uit administratieve bestanden krachtens artikel 24bis, worden geregeld en beschermd door deze wet, ongeacht alle andersluidende wettelijke bepalingen. "

  Art. 133. Artikel 14, § 2, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " § 2. De Koning regelt de samenstelling van het coördinatiecomité. Het omvat ten minste de voorzitter en de ondervoorzitter van de Hoge Raad van de statistiek alsmede de directeur-generaal van het Nationaal Instituut voor de statistiek.
  De Gewest- en Gemeenschapsregeringen zijn vertegenwoordigd in het comité volgens de nadere regelen bepaald in een samenwerkingsakkoord. "

  Art. 134. In artikel 20 van dezelfde wet worden de woorden " uit de personen bedoeld onder 1 van artikel 19 " vervangen door de woorden " uit de personeelsleden van het Nationaal Instituut voor de statistiek ".

  Art. 135. Artikel 22, eerste lid, van dezelfde wet wordt aangevuld met een 4°, luidende :
  " 4° hij die de verplichtingen of verbodsbepalingen betreffende de inzameling van statistische gegevens, opgelegd door een rechtsbepaling die rechtstreeks van toepassing is en uitgaat van een instelling van de Europese Unie, niet nakomt. "

  HOOFDSTUK VI. - Inwerkingtreding.

  Art. 136. De artikelen 107 tot 135 treden in werking op 1 januari 1995.

  TITEL IX. - DIVERSE BEPALINGEN.

  HOOFDSTUK I. - Justitie.

  Afdeling 1. - Krijgsgerechten.

  Art. 137. In het opschrift van hoofdstuk II van titel II van de wet van 15 juni 1899 houdende titels I en II van het Wetboek van strafrechtspleging voor het leger, worden de woorden " bestendige krijgsraden " vervangen door de woorden " De bestendige krijgsraad ".

  Art. 138. Artikel 45 van de wet van 15 juni 1899 houdende titels I en II van het Wetboek van strafrechtspleging voor het leger, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 45. Voor heel het Koninkrijk is er één bestendige krijgsraad met zetel te Brussel.
  De bestendige krijgsraad kan zijn zittingen houden in heel het Koninkrijk en zelfs daarbuiten. "

  Art. 139. In artikel 49 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, eerste lid, worden de woorden " bij de krijgsraden " vervangen door de woorden " bij de krijgsraad ";
  2° in § 1, tweede lid, worden de woorden " te Luik " geschrapt;
  3° in § 2, tweede lid, worden de woorden " van de krijgsauditoraten " vervangen door de woorden " van het krijgsauditoraat ";
  4° in § 2 worden het derde lid en de eerste zin van het vierde lid geschrapt;
  5° Paragraaf 2, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " De helft van de burgerlijke leden van de krijgsraad en hun plaatsvervangers moeten door hun diploma bewijzen dat zij de examens van het licentiaat in de rechten in de Nederlandse taal hebben afgelegd; de andere helft van die magistraten moeten door hun diploma bewijzen dat zij de examens van het licentiaat in de rechten in de Franse taal hebben afgelegd. ";
  6° in § 3, eerste lid, worden de woorden " de burgerlijke leden van de krijgsraden " vervangen door de woorden " de burgerlijke leden van de krijgsraad ".

  Art. 140. In artikel 53, § 3, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, worden de woorden " en de krijgsraad " ingevoegd na de woorden " de hoven ".

  Art. 141. In artikel 54, § 2, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) Na het eerste lid wordt een nieuw lid ingevoegd, luidende :
  " De hoofdgriffier van de krijgsraad moet het bewijs leveren van de kennis van de Nederlandse en de Franse taal. De helft van het aantal griffiers bij de krijgsraad moet het bewijs leveren van de kennis van het Nederlands, de andere helft van de kennis van het Frans. Dat bewijs wordt geleverd hetzij overeenkomstig de bepalingen van artikel 55 van de wetten op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, gecoördineerd bij het besluit van de Regent van 31 december 1949, hetzij overeenkomstig § 6 van artikel 53. ";
  b) Het huidige tweede lid, waarin de woorden " te Luik " worden geschrapt, wordt het derde lid.

  Art. 142. In artikel 45bis van de wet van 15 juni 1899 houdende titels I en II van het Wetboek van strafrechtspleging voor het leger, worden de woorden " de bestendige krijgsraden " vervangen door de woorden " de bestendige krijgsraad ".

  Art. 143. Artikel 315 van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld als volgt :
  " Als een militair magistraat wordt benoemd of aangewezen bij het openbaar ministerie van de rechtbank van eerste aanleg of van de arbeidsrechtbank, heeft hij rang vanaf de datum van zijn benoeming of aanwijzing in die hoedanigheid bij de krijgsraad.
  Als een lid van de griffie van een krijgsraad wordt benoemd tot lid van de griffie van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel, het vredegerecht of de politierechtbank, heeft hij rang vanaf de datum van zijn benoeming in die hoedanigheid bij dezelfde krijgsraad. "

  Art. 144. De artiken 14 en 15 van de wet van 20 december 19368 tot wijziging van de wetten van 3 april 1953 inzake de gerechtlijke organisatie, van 15 juni 1899 houdende titel II van het Wetboek van strafrechtspleging voor het leger, en van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek, worden opgeheven.

  Art. 145. De toepassing van de artikelen 137 tot 144 van deze wet kan geen afbreuk doen aan de wedden, weddeverhogingen, weddebijslagen en pensioenen van de magistraten, griffiers en personeel van de griffies van de krijgsgerechten die thans in functie zijn.

  Art. 146. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van de artikelen 137 tot 145 en ten laatste op 1 maart 1995.

  Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten.

  Art. 147. In artikel 65, § 2, tweede lid, van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten, gewijzigd bij de wet van 15 december 1993, worden tussen de woorden " van een Vast Comité " en de woorden " wordt op verlof gesteld " de woorden " of tot hoofd van een Dienst enquętes " ingevoegd.

  Afdeling 3. - Privé-leven.

  Art. 148. In de artikelen 6, eerste lid, en 8, § 1, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, dienen de woorden " vastgestelde doeleinden ingevolge de wet " te worden geďnterpreteerd als de machtiging die aan de Koning wordt gegeven om de doeleinden en de omstandigheden vast te stellen binnen welke de persoonsgegevens mogen worden verwerkt, overeenkomstig de andere bepalingen van de wet van 8 december 1992.

  Afdeling 4. - Strafregister - Informatisering.

  Art. 149. Artikel 7, 2° van het Kieswetboek van 12 april 1894, gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 5 juli 1976, wordt vervangen als volgt :
  " 2° Zij die tot een gevangenisstraf van meer dan vier maanden zijn veroordeeld, met uitsluiting van degenen die veroordeeld zijn op grond van de artikelen 419 en 420 van het Strafwetboek.
  De onbekwaamheid duurt zes jaar wanneer de straf meer dan vier maanden tot minder dan drie jaar bedraagt en twaalf jaar wanneer de straf ten minste drie jaar bedraagt. "

  Art. 150. Artikel 15, § 1, 3° en 4°, van de gecoördineerde dienstplichtwetten van 30 april 1962, wordt vervangen als volgt :
  " 3° hij die tot een gevangenisstraf van meer dan vier maanden is veroordeeld wegens een als misdaad of poging tot misdaad gekwalificeerd feit, of wegens alle wanbedrijven omschreven bij de artikelen 373, 377, 379 tot 381, 383 tot 386, 463, 464, 466, 491, 493, 494 en 496 van het Strafwetboek;
  4° hij die tot een gevangenisstraf van meer dan vier maanden is veroordeeld. "

  Art. 151. Artikel 24, § 1, 2° en 3°, van de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980, gewijzigd bij de wet van 20 april 1989, wordt vervangen als volgt :
  " 2° hij die tot een gevangenisstraf van meer dan vier maanden is veroordeeld wegens een als misdaad of poging tot misdaad gekwalificeerd feit, of wegens alle wanbedrijven omschreven bij de artikelen 373, 377, 379 tot 381, 383 tot 386, 463, 464, 466, 491, 493, 494 en 496 van het Strafwetboek;
  3° hij die tot een gevangenisstraf van meer dan vier maanden is veroordeeld. "

  HOOFDSTUK II. - Binnenlandse Zaken.

  Afdeling 1. - Wijziging van de nieuwe gemeentewet.

  Art. 152. In artikel 140 van de nieuwe gemeentewet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° tussen het derde en het vierde lid wordt het volgende lid ingevoegd :
  " Voor de bijdrage in de wedde gebeurt die inhouding bij wijze van maandelijkse voorschotten, op de door de Koning bepaalde wijze ";
  2° in het laatste lid wordt het woord " voorschotten " vervangen door het woord " uitgaven ".

  Afdeling 2. - Wijziging van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen, en de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen.

  Art. 153. Artikel 69 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, wordt aangevuld als volgt :
  " De Koning stelt bovendien de voorwaarden vast waaronder de minister van Binnenlandse Zaken, binnen de grenzen van de daartoe beschikbare kredieten, een toelage toekent aan de lokale besturen voor de opleiding van de gemeentelijke politieagenten en voor de coördinatie van de politietaken, ook samen met andere politiediensten.
  Wanneer de toelage dient om de opleiding van gemeentelijke politieagenten te financieren, kan zij eveneens worden toegekend aan de erkende trainings- en opleidingscentra. "

  Art. 154. Artikel 1, § 2quater, eerste lid, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, ingevoegd bij de wet van 30 maart 1994, wordt aangevuld als volgt :
  " , voor de verwezenlijking van de initiatieven inzake criminaliteitspreventie, voor de werving en de opleiding van de gemeentelijke politieagenten en voor het uitwerken van maatregelen tot coördinatie van de politietaken.
  Wanneer de toelage dient om de opleiding van gemeentelijke politieagenten te financieren, kan zij eveneens worden toegekend aan de erkende trainings- en opleidingscentra. "

  Art. 155. Artikel 68 van de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen, wordt opgeheven.

  HOOFDSTUK III. - Ambtenarenzaken.

  Afdeling 1. - Wijziging van de wet inzake ambtenarenzaken.

  Art. 156. In artikel 9, eerste lid, van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, worden de woorden " de secretaris-generaal van het ministerie van Ambtenarenzaken " ingevoegd tussen de woorden " de vaste wervingssecretaris " en de woorden " de administrateur-generaal van de Dienst van Algemeen Bestuur ".

  Art. 157. In artikel 13 van dezelfde wet wordt het tweede streepje vervangen als volgt :
  " - ofwel het bezigen van de vastbenoemde en stagedoende personeelsleden in hun overheidsdienst of in een andere overheidsdienst dan die waartoe ze behoren. "

  Art. 158. Artikel 14, tweede lid, van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt :
  " De betrekking waarin de personeelsleden kunnen worden gebezigd, moet definitief vacant zijn of een betrekking zijn voorzien door het koninklijk besluit vermeld in artikel 4, § 4, op voorwaarde dat dit koninklijk besluit niet voorziet in de toekenning van een premie ter uitvoering van artikel 94 van de programmawet van 30 december 1988. "

  Afdeling 2. - Loonmatiging in de overheidssector.

  Art. 159. De akkoorden die moeten worden gesloten ter uitvoering van het protocol nr. 59/1 van 13 juni 1991 van het Gemeenschappelijk Comité voor alle overheidsdiensten, betreffende het intersectorieel akkoord van sociale programmatie voor de jaren 1991-1994 kunnen tot na de datum van 31 december 1994 worden gesloten.
  De assimilatieprocedure bedoeld in artikel 5, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij artikel 90 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, is voor de in het eerste lid bedoelde akkoorden niet vereist.

  Afdeling 3. - In-de-plaatsstelling inzake door de Staat gedragen kosten.

  Art. 160. (§ 1.) De Staat treedt van rechtswege in de rechten en vorderingen van de begunstigden ten opzichte van aansprakelijke derden die ten laste van de Staat zijn uitgegeven, voor geneeskundige kosten, voor de wedden, toelagen en vergoedingen die ten gunste van het personeelslid voorgeschoten zijn tijdens de periode van afwezigheid om gezondheidsredenen die het gevolg is van de schadeverwekkende handeling en voor alle andere door de Staat gedragen kosten.
  Deze in-de-plaatsstelling geldt voor het geheel der bedragen die, krachtens de Belgische of vreemde wetgeving, verschuldigd zijn als gehele of gedeeltelijke vergoeding van de schade die het personeelslid door toedoen van de aansprakelijke derden, opgelopen heeft.
  (§ 2. § 1 is van toepassing op het geheel van de federale overheidsdiensten, ongeacht zij al dan niet rechtspersoonlijkheid bezitten.) <W 1995-12-20/31, art. 74, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995>

  Afdeling 4. - Betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden.

  Art. 161. In artikel 1 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, gewijzigd bij de wetten van 20 juni 1975, 19 juli 1983, 6 juli 1989, 21 maart 1991 en 22 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, 3°, worden de woorden " bedoeld in de artikelen 108, 108bis en 108ter van de Grondwet " vervangen door de woorden " bedoeld in de artikelen 162 en 165 van de Grondwet ";
  2° § 1 wordt aangevuld met een 6°, luidende :
  " 6° instellingen bedoeld in artikel 60 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 ";
  3° in § 2, 1°, worden de woorden " personeel van de diensten van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat, en leden en personeel van het Rekenhof " vervangen door de woorden
  " personeel van de diensten van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat, leden en personeel van het Rekenhof, en leden, griffiers en personeel van het Vast Comité van toezicht op de politiediensten en van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingendiensten alsmede het hoofd, de leden en het pesoneel van de aan elk van die Comités verbonden Dienst enquętes, bedoeld in de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten ";
  4° § 2, 8°, wordt opgeheven;
  5° in § 3, 2°, worden de woorden " de Nationale Maatschappij van buurtspoorwegen " geschrapt.

  Afdeling 5. - Uitzendarbeid.

  Art. 162. In artikel 48 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, worden de woorden " voorwaarden en regels " ingevoegd tussen de woorden " andere procedures " en de woorden " vastleggen dan deze bedoeld bij de artikelen 1 en 32 van deze wet ".

  Art. 163. In de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, wordt een artikel 75bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 75bis. De inwerkingtreding van artikel 75 wordt verdaagd tot de datum waarop de Koning de in artikel 48 van voormelde wet van 24 juli 1987 bedoelde procedures, voorwaarden en regels zal hebben vastgesteld. "

  Art. 164. De overeenkomsten die afgesloten zouden zijn op grond van artikel 75 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen en waarvan de uitvoering aan de gang is op de datum waarop deze wet in werking treedt, hebben uitwerking tot aan het einde van de vervanging waarvan in die overeenkomsten sprake is.

  Afdeling 6. - Diverse wijzigings- en opheffingsbepalingen.

  Art. 165. In artikel 159, eerste lid, van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen, worden de woorden " die behoort tot de Diensten van de Eerste minister " vervangen door de woorden " die behoort tot het ministerie van Ambtenarenzaken ".

  Art. 166. Opgeheven worden :
  1° de wetten van 3 augustus 1919 en 27 mei 1947 tot verzekering van de wederopneming der gemobiliseerde Belgen in hun bediening en tot toekenning aan de oorlogsinvaliden, oudstrijders, leden van de weerstand, politieke gevangenen, oorlogsweduwen en -wezen, gedeporteerden, arbeidsweigeraars en andere slachtoffers van de oorlogen 1914-1918 en 1940-1945 van een prioriteitsrecht voor de toegang tot de openbare betrekkingen, zoals gecoördineerd bij het besluit van de Regent van 19 juni 1947, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1957, 1 december 1969, 12 december 1983 en 22 december 1989, het koninklijk besluit nr. 103 van 20 oktober 1982 en de koninklijke besluiten van 27 juni 1962 en 12 april 1965;
  2° de artikelen 3, 4 en 7 van het koninklijk besluit nr. 4 van 28 januari 1953 waarbij verschillende in oorlogstijd geldende wetsbepalinen op de leden van het expeditiekorps van Korea van toepassing worden verklaard;
  3° artikel 6 van de wetten betreffende het personeel van Afrika, gecoördineerd op 21 mei 1964, gewijzigd bij de wetten van 2 april 1965 en 22 juli 1969 en het koninklijk besluit nr. 103 van 20 oktober 1982;
  4° het koninklijk besluit nr. 3 van 18 april 1967 ter bevordering van een gemakkelijke werving, in overheidsdienst, van personen ontslagen wegens geheel of gedeeltelijke sluiting van steenkolenmijnen, gewijzigd bij de wet van 4 juni 1970 en het koninklijk besluit van 28 juli 1969;
  5° (opgeheven) <W 1995-12-20/31, art. 75, 003; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  6° artikel 33 van de wet van 13 juli 1976 betreffende de getalsterkte aan officieren en de statuten van het personeel van de krijgsmacht;
  7° artikel 21, § 2, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen.

  HOOFDSTUK IV. - Financiën.

  Afdeling 1. - Verlenging en uitbreiding van de bevoegdheden van de Koning inzake de verkoop van activa.

  Art. 167. In artikel 98, in fine, van de wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiële bepalingen, worden de woorden " Nationale Maatschappij voor krediet aan de nijverheid, het Centraal Bureau voor hypothecair krediet en de Nationale Investeringsmaatschappij " vervangen door de woorden " Nationale Maatschappij voor krediet aan de nijverheid en het Centraal Bureau voor hypothecair krediet ".

  Art. 168. Artikel 99 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Art. 99. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Holding gelasten aan elke Belgische of buitenlandse natuurlijke of rechtspersoon in een of meer schijven alle of een deel van de deelnemingen over te dragen die zij bezit in het maatschappelijk kapitaal van het Nationaal Instituut voor landbouwkrediet en de Nationale Kas voor beroepskrediet, alsmede in iedere andere vennootschap of instelling, waarvan de overdracht toegelaten is door artikel 98 of door een bepaling met gelijkaardige draagwijdte en waarvan de Staat vooraf zijn deelneming heeft overgedragen aan de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Holding. "

  Art. 169. Met het oog op de voorbereiding en de totstandbrenging van de in de artikelen 98 en 99 van de wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiële bepalingen, bepaalde overdrachten, kan de Koning, bij in Ministerraad overlegde besluiten :
  1° de regelen vastleggen ter voorbereiding en voor de totstandkoming van de nodige verrichtingen, met inbegrip van :
  a) de overdrachten of omwisselingen van schuldvorderingen, roerende waarden of verhandelbare rechten en de overdrachten van overeenkomsten, alsook alle vormen van overdracht in het kader van een verrichting van effectisering;
  b) elke afschaffing van bestaande waarborgen of oprichting van nieuwe waarborgsystemen door de Staat voor de verrichtingen van voornoemde entiteiten;
  c) de afstand van het voorkeurrecht van de aandeelhouders of obligatiehouders in geval van :
  - kapitaalverhoging,
  - inschrijving op een converteerbare lening,
  - inschrijving op een lening met inschrijvingsrecht;
  d) de kapitaalverhogingen tegen inbreng van schuldvorderingen, roerende waarden of verhandelbare rechten;
  e) alle fusies of splitsingen, inbrengen of overdrachten van een bedrijfstak of een algemeenheid van goederen, inbreng of overdracht van een portefeuille van schuldvorderingen, al dan niet in het kader van een verrichting die aanleiding geeft tot de uitgifte van verhandelbare effecten;
  f) de uitgifte van obligaties, converteerbare obligaties, omwisselbare obligaties of inschrijvingsrechten en van al dan niet stemrecht verlenende verhandelbare rechten of roerende waarden die al dan niet het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen;
  g) elke ontbinding of vereffening van de openbare financiële instellingen vermeld in artikel 99 van voornoemde wet van 22 juli 1993, alsook van hun publiekrechtelijke dochters of kleindochters en alle publiekrechtelijke vennootschappen waarin zij rechtstreeks of onrechtstreeks deelnemingen bezitten;
  h) iedere oprichting of deelneming in de hoedanigheid van oprichter van vennootschappen of entiteiten met het oog op de latere overdracht van de effecten;
  2° de bepalingen wijzigen betreffende de benaming, oprichting, organisatie, taak, werkwijze, financiering, controle, ontbinding en vereffening van de openbare financiële instellingen vermeld in de artikelen 98 en 99 van voornoemde wet van 22 juli 1993, alsook van hun publiekrechtelijke dochters of kleindochters en van alle publiekrechtelijke vennootschappen waarin zij rechtstreeks of onrechtstreeks deelnemingen bezitten, alsmede alle vormen en modaliteiten van erkenning van vennootschappen, werkzaam in de kredietsector, door de openbare financiële instellingen bedoeld in de artikelen 98 en 99.

  Art. 170. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, en teneinde de markt van het hypothecaire krediet op een meer efficiënte wijze te organiseren en de overdracht voorzien in artikel 98 van bovengenoemde wet van 22 juli 1993 voor te bereiden, het koninklijk besluit nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen en tot inrichting van de controle op de ondernemingen van hypothecaire leningen, bevestigd door de wet van 4 mei 1936, de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, en het koninklijk besluit nr. 226 van 7 januari 1936 houdende instelling van een Centraal Bureau voor hypothecair krediet, bevestigd door de wet van 4 mei 1936, wijzigen en coördineren, met inbegrip van de oprichting van nieuwe instellingen van organisatie of van toezicht en de afschaffing van de bestaande waarborgen of de oprichting van nieuwe waarborgsystemen door de Staat voor de verrichtingen van de betrokken entiteiten.

  Art. 171. De Koning kan, bij een in Ministerraard overlegd besluit, de wet van 17 juni 1991 tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare sector in bepaalde privaatrechtelijke financiële vennootschappen, coördineren en, teneinde over te gaan tot de aanpassing van de organisatie van de openbare kredietsector in het kader van de reeds verwezenlijkte of nog uit te voeren overdrachten van deelnemingen in bepaalde openbare kredietinstellingen of privaatrechtelijke financiële vennootschappen, dezelfde wet wijzigen.

  Art. 172. § 1. De bij de artikelen 169 tot 171 aan de Koning verleende bevoegdheden vervallen op 31 juli 1995.
  § 2. De krachtens deze bevoegdheden genomen besluiten kunnen de geldende wetsbepalingen opheffen, aanvullen, wijzigen en vervangen of ervan afwijken.
  § 3. Wanneer de bij deze wet verleende bevoegdheden zijn vervallen, kunnen deze besluiten enkel bij wet worden opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen.
  § 4. De ontwerpbesluiten bedoeld in de artikelen 169 tot 171 worden besproken in een verslag aan de Koning en voor advies voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State.
  De met toepassing van de artikelen 169 tot 171 genomen koninklijke besluiten zullen onverwijld aan de wetgevende Kamers worden medegedeeld.

  Afdeling 2. - Opheffing van artikel 86 van de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen.

  Art. 173. Artikel 86 van de wet van 6 augustus 1993 houdende sociale en diverse bepalingen, wordt opgeheven.

  Afdeling 3. - Wijziging van ee regeling voor euro-obligaties.

  Art. 174. Artikel 34, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 185 van 9 juli 1935 op de bankcontrole en het uitgifteregime voor titels en effecten, ingevoegd bij de wet van 4 december 1990 en gewijzigd bij de wet van 22 maart 1993, wordt vervangen als volgt :
  " Onder euro-obligaties wordt verstaan, de obligaties, kasbons en andere leningsbewijzen die cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoen :
  1° de emissie waarvan ze deel uitmaken, overschrijdt een door de Koning vast te stellen bedrag;
  2° ze worden vast overgenomen en geplaatst door een syndicaat van tenminste vier niet verbonden leden die elk hun zetel hebben in een verschillende Staat. De Koning kan dit aantal herzien rekening houdend met de evolutie van de markt;
  3° ze worden voor een aanzienlijk deel aangeboden in meerdere Staten andere dan die van de zetel van de uitgevende instelling onder voorwaarden die zowel institutionele als privé-beleggers kunnen interesseren;
  4° ze kunnen alleen worden onderschreven of in eerste instantie alleen worden gekocht door of door bemiddeling van een kredietinstelling of een beursvennootschap;
  5° de uitgevende instelling heeft zich ertoe verbonden hun opneming aan te vragen in de officiële notering van een effectenbeurs van de Europese Gemeenschap (ofwel van een effectenbeurs van buiten de Europese Gemeenschap waar gelijkaardige toelatingsvoorwaarden van toepassing zijn als die bepaald in richtlijn 79/279/EEG van de Raad van 5 maart 1979 tot coördinatie van de voorwaarden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs);
  6° een afdoende informatie die beantwoordt aan de gangbare internationale marktpraktijk, moet op het ogenblik van de uitgifte ter beschikking zijn van de beleggers. "

  Afdeling 4. - Nationale Loterij.

  Art. 175. De Nationale Loterij zal in 1994 aan de Staat een buitengewone bijdrage storten waarvan het bedrag op vijftien miljard frank is bepaald.
  De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de nadere regelen voor de betaling van die bijdrage.

  Art. 176. In de wet van 22 juli 1991 betreffende de Nationale Loterij, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° artikel 2 wordt aangevuld als volgt :
  " Artikel 1965 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing noch op de openbare loterijen noch op de vormen van weddenschappen, wedstrijden en kansspelen die bij de wet zijn toegestaan en die door de Nationale Loterij worden georganiseerd met toepassing van dit artikel. ";
  2° in hoofdstuk II wordt een artikel 18bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 18bis. - Met het oog op de toepassing van dit hoofdstuk, is de minister van Financiën gemachtigd om een deel van de winst van een bepaald boekjaar te bestemmen vooraleer dat boekjaar is afgesloten.
  Met dat doel kan de Raad van bestuur van de Nationale Loterij voorschotten ter beschikking stellen van de minister van Financiën.
  Deze voorschotten mogen op 30 juni en op 31 december van het betreffend boekjaar niet hoger zijn dan respectievelijk 50 pct. en 80 pct. van het winstbedrag geraamd bij het opstellen van de jaarbegroting van de Nationale Loterij. ";
  3° in hoofdstuk II wordt een artikel 18ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 18ter. - De minister van Financiën kan de Nationale Loterij opdragen om, op haar kosten, het administratief beheer waar te nemen van de verrichtingen betreffende de verdeling en de bestemming van haar winsten. ";
  4° artikel 22 wordt aangevuld als volgt :
  " In afwijking van artikel 12, § 2, van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 4 van 18 april 1967, mogen de door de Nationale Loterij onder staatswaarborg aangegane leningen gebruikt worden tot nakoming van haar wettelijke verplichtingen. "

  HOOFDSTUK V. - Financiën en Economische Zaken.

  Afdeling 1. - Wijziging van artikel 1 van de wet op de handelspraktijken.

  Art. 177. In artikel 1 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument, wordt het laatste lid aangevuld als volgt :
  " Onder de voorwaarden en rekening houdend met de aanpassingen die Hij bepaalt, kan de Koning evenwel sommige bepalingen van deze wet van toepassing verklaren op voornoemde effecten en andere financiële instrumenten of op categorieën daarvan. "

  Afdeling 2. - Wijziging van de regeling op de Kredietrisicocentrale om er ook de verzekeringsondernemingen in onder te brengen.

  Art. 178. In artikel 91, § 1, tweede lid, 4°, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, worden de woorden " financiële instellingen " vervangen door de woorden " financiële instellingen en verzekeringsondernemingen ".

  Art. 179. In artikel 92, eerste lid, 2°, tweede zin, van dezelfde wet, worden de woorden " tot de financiële instellingen " vervangen door de woorden " tot de financiële instellingen en de verzekeringsondernemingen ".

  Afdeling 3. - Bepaling betreffende de participatie van gemeenten in bedrijven voor produktie, vervoer en distributie van energie.

  Art. 180. De gemeenten kunnen rechtstreeks of onrechtstreeks participeren in bedrijven voor produktie, vervoer en distributie van energie.
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en de nadere regels voor die participaties vaststellen.

  HOOFDSTUK VI. - Economische Zaken.

  Art. 181. § 1. Er wordt een Fonds voor de organisatie van internationale tentoonstellingen opgericht, dat een begrotingsfonds vormt in de zin van artikel 45 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.
  § 2. In de tabel gevoegd bij de wet van 24 december 1993 tot oprichting van begrotingsfondsen en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990, wordt de rubriek 32 - Economische Zaken, aangevuld als volgt :
  " Benaming van het organiek begrotingsfonds.
  32-8 - Fonds voor de organisatie van internationale tentoonstellingen.
  Aard van de toegewezen ontvangsten.
  Ontvangsten voortvloeiend uit stortingen van derden evenals alle andere ontvangsten verwezenlijkt ingevolge de uitoefening van de opdracht van de Commissariaten-generaal van de Belgische Regering bij internationale tentoonstellingen.
  Aard van de toegestane uitgaven.
  Allerhande kosten, met inbegrip van het herstel van de schade berokkend aan derden, voortvloeiend uit de deelneming van België aan internationale tentoonstellingen. "

  Art. 182. § 1. De Fondsen voor de Wereldtentoonstellingen te Sevilla in 1992 en voor de Internationale Tentoonstelling te Taejon in 1993 worden afgeschaft.
  § 2. Artikel 1 van de wet van 24 december 1993 tot oprichting van begrotingsfondsen en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 wordt opgeheven.
  § 3. In de tabel gevoegd bij dezelfde wet worden de rubrieken 32-4 en 32-6 geschrapt.

  Art. 183. In de tabel gevoegd bij dezelfde wet wordt in de rubriek 32-2 het gedeelte " Aard van de toegestane uitgaven " vervangen door de volgende bepaling : " Dekking van de beoordelings-, accreditatie-, certificatie-, toezichts- en controlekosten van de laboratoria van de keurings- en certificatieinstellingen ter uitvoering van de opdracht van het Fonds. "

  HOOFDSTUK VII. - Landbouw.

  Afdeling 1. - Wijzigingen van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987.

  Art. 184. Artikel 9bis van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, ingevoegd bij de wet van 29 december 1990, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 9bis. - De Koning kan de lijst vaststellen van de ziekten waarvoor alsmede, in voorkomend geval, de voorwaarden waaronder de minister gemachtigd is, in geval van ernstig gevaar voor besmetting en tot de uitroeiing van de besmetting van dieren, elke bestrijdingsmaatregel te nemen, met inbegrip van de opeising van ondernemingen, goederen en personen, de slachting of afmaking van dieren en de bepaling van de bestemming van dieren, dierlijke produkten en andere voorwerpen. "

  Art. 185. In artikel 32, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten 29 december 1990, 20 juli 1991 en 6s augustus 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, tweede zin, wordt de volgende tekst ingevoegd na de woorden " en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke produkten " :
  " evenals met betrekking tot het onderzoek en de controle op de aanwezigheid van residu's van verboden of niet-gewenste stoffen ";
  2° het tweede lid, 2°, wordt vervangen als volgt :
  " 2° de retributies en de rechten geheven met het oog op de uitvoering van de jaarlijkse programma's in het kader van het Fonds, op de uitvoering van de controles op het verkeer, de invoer, uitvoer en doorvoer van dieren en dierlijke produkten en op de uitvoering van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, alsmede van de maatregelen die deze ordening aanvullen. ";
  3° het tweede lid wordt aangevuld als volgt :
  " 6° de betaling van de monsternemingen of, in voorkomend geval, van de analyses, voorzien bij artikel 7 van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of produktiestimulerende werking, uitgevoerd door of voor rekening van het ministerie van Landbouw. ";
  4° tussen het zevende en het achtste lid worden de volgende nieuwe leden ingevoegd :
  " De koninklijke besluiten betreffende de verplichte bijdragen worden opgeheven wanneer zij door de wetgever niet werden bekrachtigd in het jaar volgend op dat van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Het koninklijk besluit van 11 december 1987 betreffende de verplichte bijdragen aan het Fonds voor de gezondheid en de produktie van de dieren, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 8 april 1989, 23 november 1990 en 19 april 1993, wordt bekrachtigd met ingang van 1 januari 1988 wat de nationale dieren betreft. Wat de ingevoerde dieren betreft, worden de verplichte bijdragen, die met ingang van 1 januari 1988 werden betaald met toepassing van het koninklijk besluit van 11 december 1987, terugbetaald aan de schuldeisers die het bewijs leveren dat de door hen betaalde verplichte bijdragen betrekking hadden op ingevoerde dieren, dat deze verplichte bijdragen door hen nie werden doorberekend aan de producent of dat hun doorberekening werd ongedaan gemaakt en dat zij de verplichte bijdragen voor de nationale dieren volledig betaald hebben.
  Het koninklijk besluit van 14 juni 1993 betreffende de verplichte bijdragen aan het Fonds voor de gezondheid en de produktie van de dieren, vastgesteld volgens de sanitaire risico's verbonden aan bedrijven waar varkens worden gehouden wordt bekrachtigd vanaf de datum van zijn inwerkingtreding.
  De Koning bepaalt, na het advies van de Raad van het Fonds, het bedrag van de retributies en rechten evenals de nadere regelen voor de inning ervan. ";
  5° in het achtste lid worden tussen de woorden " van deze wet " en de woorden " worden het bedrag " de volgende woorden ingevoegd : " en de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of produktiestimulerende werking ".

  Afdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977.

  Art. 186. Het opschrift van hoofdstuk VI van de wet van 24 december 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1976-1977, en het opschrift van afdeling 1 van dat hoofdstuk worden vervangen als volgt :
  " Hoofdstuk VI. - Verplichte bijdragen en retributies, Afdeling 1. Oprichting van een Begrotingsfonds voor de grondstoffen. "

  Art. 187. Artikel 82 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Art. 82. - De Koning kan een verplichte bijdrage opleggen ten laste van natuurlijke of rechtspersonen die landbouwbestrijdingsmiddelen, grondstoffen of gemedicineerde diervoerders voortbrengen of verhandelen.
  Hij kan eveneens een retributie opleggen voor elke verrichting van de administratie in verband met :
  - de toepassing van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt;
  - de toepassing van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijprodukten;
  - de toepassing van de wet van 21 juni 1983 betreffende gemedicineerde diervoeders.
  De geldsommen, als retributie of verplichte bijdrage verschuldigd, zijn bestemd voor de financiering van de opdrachten die voortvloeien uit de drie bovenvermelde wetten en het desbetreffend wetenschappelijk onderzoek.
  De Koning bepaalt de opdrachten en de samenstelling van de Raad van het Fonds voor de grondstoffen.
  Het koninklijk besluit genomen krachtens het eerste lid wordt opgeheven wanneer het door de werkgever niet wordt bekrachtigd in het jaar volgend op dat van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. ".

  Afdeling 3. - Wijzigingen van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen - rubriek 31.

  Art. 188. In de tabel gevoegd bij de wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, gewijzigd bij de wet van 6 augustus 1993, worden in de subrubriek " 31-1 Fonds voor de gezondheid en de produktie van de dieren " van de rubriek " 31-Landbouw ", de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° onder de vermelding " Aard van de toegewezen ontvangsten " :
  1) wordt na de woorden " of verhandelen; " de volgende tekst ingevoegd : " de retributies en de ontvangen rechten met het oog o de uitvoering van de jaarlijkse programma's in het kader van het Fonds, met het oog op de uitvoering van de controles op het verkeer, de invoer, uitvoer en doorvoer van dieren en dierlijke produkten ";
  2) wordt de volgende tekst toegevoegd : " betalingen van de monsternemingen of van de analyses, bepaald in artikel 7 van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of produktie-stimulerende werking, uitgevoerd door of voor rekening van het ministerie van Landbouw. ";
  2° onder de vermelding " Aard van de gemachtigde uitgaven " :
  worden tussen de woorden " dierlijke produkten " en de woorden " en met betrekking tot " de volgende woorden ingevoegd : " , met betrekking tot het onderzoek naar en de controle op de aanwezigheid van residu's van verboden of niet-gewenste stoffen ".

  Art. 189. In dezelfde tabel gevoegd bij dezelfde wet, worden in de subrubriek " 31-2 Fytopharmaceutisch fonds " van de rubriek " 31-Landbouw " de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° onder de vermelding " Benaming van het organiek begrotingsfonds ", wordt de benaming van de subrubriek 31-2 vervangen als volgt :
  " 31-2 Fonds voor de grondstoffen ";
  2° onder de vermelding " Aard van de toegewezen ontvangsten ", wordt de tekst vervangen als volgt :
  " Verplichte bijdragen ten laste van natuurlijke of rechtspersonen die landbouwbestrijdingsmiddelen, grondstoffen of gemedicineerde diervoeders fabriceren of verhandelen; bijdrage van de EG in de uitgaven in het kader van de verrichte opdrachten; ontvangsten van de Rijkslaboratoria belast met de ontleding van de grondstoffen; administratieve boeten; retributies voor de verrichtingen van de admnistratie in het kader van de toepassing van de wet van 11 juli 1969 betreffende de bestrijdingsmiddelen en de grondstoffen voor de landbouw, tuinbouw, bosbouw en veeteelt, van de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijprodukten en van de wet van 21 juni 1983 betreffende gemedicineerde diervoeders. ";
  3° onder de vermelding " Aard van de gemachtigde uitgaven ", wordt de tekst vervangen als volgt :
  " Financiering van de opdrachten die voortvloeien uit genoemde wetten van 11 juli 1969, 28 maart 1975 en 21 juni 1983 en van het desbetreffend wetenschappelijk onderzoek. "

  HOOFDSTUK VIII. - Volksgezondheid.

  Art. 190. Het " Instituut voor hygiëne en epidemiologie ", hierna " het Instituut " te noemen, wordt omgevormd tot een instelling met rechtspersoonlijkheid van categorie A in de zin van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.

  Art. 191. § 1. Het Instituut heeft de volgende opdracht :
  1° de studie van de wetenschappelijke hygiëneproblemen in verband met de preventie en correctie van factoren die de gezondheid en het welzijn van de mens kunnen aantasten;
  2° de epidemiologische studie van agressiefactoren en hun mechanisme en de middelen ter bestrijding van die factoren;
  3° het verrichten van onderzoek ter ondersteuning van de actie van de federale overheid op het gebied van leefmilieu.
  § 2. Het Instituut kan opdrchten vervullen voor de Gemeenschappen, de Gewesten en andere derden, op hun verzoek en voor hun rekening.

  Art. 192. Het Instituut hangt af van de minister die bevoegd is voor Volksgezondheid en Leefmilieu.
  Het dagelijks bestuur van het Instituut is opgedragen aan het hoofd van de instelling.
  De minister kan sommige uitvoeringsbevoegdheden overdragen aan het hoofd van de instelling alsook aan de ambtenaren van het Instituut die hij aanwijst.

  Art. 193. De Koning regelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de organisatie en de werking van het Instituut.

  Art. 194. De Koning regelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de overdracht van de statutaire en contractuele personeelsleden van de Wetenschappelijke Inrichting " Instituut voor hygiëne en epidemiologie " aan het Instituut.
  Deze personeelsleden worden overgedragen met hun graad of een gelijkwaardige graad en in hun hoedanigheid.
  Zij behouden te minste de bezoldiging en de anciënniteit die zij hadden of verkregen zuden hebben indien zij in de wetenschappelijke inrichting het ambt hadden blijven uitoefenen dat zij bij hun overdracht bekleedden.

  Art. 195. § 1. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de retributies vaststellen die ten gunste van het Instituut worden geďnd van :
  1° de aanvragers van een machtiging tot het verrichten van proefnemingen met of het commercialiseren van produkten met genetisch gemodificeerde stoffen en de aanvragers van wetenschappelijke adviezen betreffende de beoordeling van de risico's van die produkten;
  2° (Opgeheven) <W 2001-12-30/30, art. 47, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  3° de aanvragers van controles op sera, vaccins, antigenen en geneesmiddelen die van menselijk bloed of plasma zijn afgeleid.
  Die retributies zijn bestemd om de kosten van de administratie, de werking, de vergunning, het toezicht en controle van het Instituut te dekken.
  De Koning stelt het bedrag en de betaalwijze van die retributies vast.
  § 2. De Koning kan bovendien de retributies vaststellen die door derden moeten worden betaald voor analyses die het Instituut voor hun rekening verricht.

  Art. 196. Het Instituut wordt gefinancierd door :
  a) de kredieten die hiertoe zijn ingeschreven op de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en van Volksgezondheid en Leefmilieu, alsmede toelagen en overeenkomsten in het kader van de steun aan het wetenschappelijk onderzoek;
  b) de vergoedingen die door derden voor bijzondere opdrachten worden betaald;
  c) de opbrengst van de retributies die krachtens artikel 178 zijn geďnd;
  d) de inkomsten van de verkoop van produkten, brochues of ander drukwerk of van de vervreemding van goederen die deel uitmaken van het eigen vermogen van het Instituut;
  e) de opbrengst van leningen;
  f) de schenkingen en legaten.

  Art. 197. Het Instituut is gemachtigd leningen aan te gaan met de instemming van de ministers van Financiën en van Begroting.

  Art. 198. Het Instituut kan de nodige uitrusting en installaties verwerven of huren en een beroep doen op elke andere medewerking om zijn opdrachten uit te voeren. De nodige diensten, uitrusting en installaties kunnen door de Staat ter beschikking van het Instituut worden gesteld om niet of tegen betaling.

  Art. 199. Het Instituut neemt de goederen, rechten en plichten over die het eigen vermogen van de Wetenschappelijke Inrichting uitmaken ter uitvoering van het koninklijk besluit van 14 oktober 1987 waarbij de rechtspersoonlijkheid aan het Instituut voor hygiëne en epidemiologie voor het beheer van zijn eigen vermogen wordt verleend.

  Art. 200. In artikel 1 van de wet van 16 maart 1954, worden onder kategorie A, in de juiste alfabetische volgorde, de woorden " Instituut voor hygiëne en epidemiologie " ingevoed.

  Art. 201. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de datum van inwerkingtreding van de artikelen 190 tot 200.

  HOOFDSTUK IX. - Economische overheidsbedrijven.

  Afdeling 1. - Organisatie van de technische medewerking van de operatoren voor de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke bewakingsmaatregelen.

  Art. 202. In de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven wordt een artikel 70bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 70bis. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit, de technische middelen waarmee Belgacom en de door Hem aangewezen uitbaters van de niet-gereserveerde diensten, in voorkomend geval, eventueel gezamenlijk, moeten instaan om het opsporen, afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-telecommunicaties onder de voorwaarden bepaald door de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-commnicatie en -telecommunicatie, mogelijk te maken. "

  Art. 203. Artikel 95, eerste lid, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt :
  " 5° het eindapparaat de middelen ondoeltreffend maakt die het opsporen, afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-telecommunicatie onder de voorwaarden bepaald door de artikelen 88bis en 90ter tot 90decies van het Wetboek van Strafvordering mogelijk maken. "

  Art. 204. De artikelen 203 en 204 van deze wet treden in werking op de datum van inwerkingtreding van de wet van 30 juni 1994 ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer tegen het afluisteren, kennisnemen en opnemen van privé-communicatie en -telecommunicatie.

  Afdeling 2. - Pensioenfonds van Belgacom.

  Art. 205. In de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van smmige economische overheidsbedrijven, wordt een artikel 59/6 ingevoegd, luidende :
  Art. 59/6. Overeenkomstig artikel 22 van de wet van 19 juli 1930 houdende oprichting van de Regie van Telegraaf en Telefoon en de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en de regieën ingesteld door de Staat, kan de Koning Belgacom ertoe machtigen een pensioenfonds in te stellen met rechtspersoonlijkheid, onderworpen aan de belasting van de rechtspersonen evenals aan de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, met uitzondering van artikel 9, met dien verstande dat Belgacom de uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt voor de lasten voortvloeiende uit de betaling van de rustpensioenen van haar statutair en gewezen statutair personeel.
  De statuten van het pensioenfonds, het beleggingreglement, de beheersovereenkomst gesloten tussen Belgacom en het pensioenfonds en de wijze van controle door een Regeringscommissaris, evenals hun latere wijzigingen, worden aan de minister onder wie Belgacom ressorteert en aan de minister van Pensioenen ter goedkeuring voorgelegd. "
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 21 december 1994.
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
J.-L. DEHAENE
De Minister van Verkeerswezen en Overheidsbedrijven,
E. DI RUPO
De Minister van Justitie en Economische Zaken,
M. WATHELET
De Minister van Begroting,
H. VAN ROMPUY
De Minister van Financiën,
Ph. MAYSTADT
De Minister van Pensioenen,
M. COLLA
De Minister van Tewerkstelling en Arbeid,
Mevr. M. SMET
De Minister van de kleine en Middelgrote Ondernemingen en Landbouw,
A. BOURGEOIS
De Minister van Sociale Zaken,
Mevr. M. DE GALAN
De Minister van Volksgezondheid en Leefmilieu,
J. SANTKIN
De Minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken,
J. VANDE LANOTTE
Gezien en met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. WATHELET

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   ALBERT II, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :
Erratum Tekst Begin

BEELD
1995021260
PUBLICATIE :
1995-06-30
bladzijde : 18534

Errata



Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 18-12-2016 GEPUBL. OP 20-12-2016
    (GEWIJZIGD ART. : 127)
  • BEELD
  • WET VAN 18-12-2015 GEPUBL. OP 29-12-2015
    (GEWIJZIGDE ART. : 111; 113; 115; 116; 117; 118)
  • BEELD
  • WET VAN 14-03-2014 GEPUBL. OP 04-04-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 108; 109; 116)
  • BEELD
  • WET VAN 28-02-2014 GEPUBL. OP 04-04-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 108; 109; 118)
  • BEELD
  • WET VAN 23-12-2009 GEPUBL. OP 30-12-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 127)
  • BEELD
  • WET VAN 17-06-2009 GEPUBL. OP 26-06-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 127)
  • BEELD
  • WET VAN 08-03-2009 GEPUBL. OP 30-04-2009
    (GEWIJZIGDE ART. : 108; 109; 116; 117)
  • BEELD
  • WET VAN 22-12-2008 GEPUBL. OP 29-12-2008
    (GEWIJZIGD ART. : 122)
  • BEELD
  • WET VAN 27-12-2006 GEPUBL. OP 28-12-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 67)
  • BEELD
  • WET VAN 27-12-2004 GEPUBL. OP 31-12-2004
    (GEWIJZIGD ART. : 67) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 01-04-2003 GEPUBL. OP 16-05-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 67) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 28-03-2003 GEPUBL. OP 29-04-2003
    (GEWIJZIGD ART. : 58)
  • BEELD
  • WET VAN 24-12-2002 GEPUBL. OP 31-12-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 60-64; 65)
  • BEELD
  • WET VAN 02-08-2002 GEPUBL. OP 29-08-2002
    (GEWIJZIGD ART. : 123)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 30-11-2001 GEPUBL. OP 29-01-2002
    (GEWIJZIGDE ART. : 62; 64)
  • BEELD
  • WET VAN 30-12-2001 GEPUBL. OP 31-12-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 195; 67)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-12-2001 GEPUBL. OP 22-12-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 67)
  • BEELD
  • WET VAN 05-09-2001 GEPUBL. OP 14-09-2001
    (GEWIJZIGD ART. : 127)
  • BEELD
  • WET VAN 02-01-2001 GEPUBL. OP 03-01-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 61; 89; 90)
  • BEELD
  • WET VAN 20-12-1999 GEPUBL. OP 26-01-2000
    (GEWIJZIGD ART. : 89)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 11-04-1999 GEPUBL. OP 02-06-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 67)
  • BEELD
  • WET VAN 03-05-1999 GEPUBL. OP 04-05-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 89)
  • BEELD
  • WET VAN 26-03-1999 GEPUBL. OP 01-04-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 61; 64)
  • BEELD
  • WET VAN 25-01-1999 GEPUBL. OP 06-02-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 62)
  • BEELD
  • WET VAN 15-01-1999 GEPUBL. OP 26-01-1999
    (GEWIJZIGD ART. : 89)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-03-1998 GEPUBL. OP 31-03-1998
    (GEWIJZIGD ART. : 67)
  • BEELD
  • WET VAN 22-02-1998 GEPUBL. OP 03-03-1998
    (GEWIJZIGDE ART. : 60; 61; 63)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 08-08-1997 GEPUBL. OP 29-08-1997
    (GEWIJZIGD ART. : 89)
  • BEELD
  • WET VAN 05-05-1997 GEPUBL. OP 18-06-1997
    (GEWIJZIGD ART. : 127)
  • 1997012149; 1997-04-11
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-03-1997 GEPUBL. OP 11-04-1997
    (GEWIJZIGD ART. : 67)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-11-1996 GEPUBL. OP 31-12-1996
    (GEWIJZIGD ART. : 67)
  • WET VAN 26-07-1996 GEPUBL. OP 01-08-1996
    (GEWIJZIGD ART. : 89)
  • WET VAN 26-07-1996 GEPUBL. OP 01-08-1996
    (GEWIJZIGDE ART. : 61; 64)
  • ARREST ARBITRAGEHOF VAN 13-06-1996 GEPUBL. OP 29-06-1996
    (GEWIJZIGD ART. : 21)
  • WET VAN 29-04-1996 GEPUBL. OP 30-04-1996
    (GEWIJZIGD ART. : 89) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • WET VAN 22-12-1995 GEPUBL. OP 30-12-1995
    (GEWIJZIGD ART. : 61)
  • WET VAN 20-12-1995 GEPUBL. OP 23-12-1995
    (GEWIJZIGD ART. : 89)
  • WET VAN 20-12-1995 GEPUBL. OP 23-12-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 160; 166)
  • WET VAN 03-04-1995 GEPUBL. OP 22-04-1995
    (GEWIJZIGD ART. : 64)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Gewone zitting 1994-1995. Senaat. Parlementaires stukken. - Ontwerp van wet houdende sociale en diverse bepalingen, nr. 1218/1. - Verslagen nr. 1218/2 tot 9. - Tekst aangenomen door de Commissies, nr. 1218/10. - Advies van de Raad van State, nr. 1218/11. - Amendementen, nr. 1218/12 tot 25. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergaderingen van 1 en 2 december 1994. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire stukken. - Ontwerp overgezonden door de Senaat, nr. 1630/1. - Amendementen, nr. 1630/2 en 3. - Verslagen, nr. 1630/4 tot 11. - Amendement, nr. 1630/12. - Gewijzigd artikel, nr. 1630/13. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 20 december 1994.
    TA:

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 134 uitvoeringbesluiten 38 gearchiveerde versies
    Erratum Franstalige versie