J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 450 uitvoeringbesluiten 7 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1989/01/16/1989021010/justel

Titel
16 JANUARI 1989. - Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten.
(NOTA : art. 3, 4, 5 en 11, 2° gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij W 2013-12-26/12, art. 3, 4, 5 en 6, 2°; Inwerkingtreding : onbepaald; treden in werking vanaf de beėindiging van de heffing van het gebruiksrecht bedoeld in artikel 17, 2°, van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk Belgiė, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, en ten vroegste op 1 januari 2016.)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-07-1993 en tekstbijwerking tot 31-01-2014)

Bron : EERSTE MINISTER
Publicatie : 17-01-1989 nummer :   1989021010 bladzijde : 850
Dossiernummer : 1989-01-16/30
Inwerkingtreding : 01-01-1989

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 1, 1bis, 1ter, 1quater
TITEL II. - EIGEN NIET-FISCALE ONTVANGSTEN.
Art. 2, 2bis
TITEL III. - GEWESTELIJKE BELASTINGEN.
Art. 3-5
TITEL III/1. - [1 Gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting]1
Art. 5/1, 5/2, 5/3, 5/4, 5/5, 5/6, 5/7, 5/8
TITEL IV. - TOEGEWEZEN GEDEELTEN VAN DE OPBRENGST VAN BELASTINGEN.
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 6-9, 9bis, 10-11
HOOFDSTUK II. - DE GEWESTEN.
Afdeling 1. - Overgangsperiode.
Art. 12
Onderafdeling 1. - Het eerste gedeelte.
Art. 13-16, 16bis, 16ter, 17-21
Onderafdeling 2. - Het tweede gedeelte.
Art. 22-23, 23bis, 24-27
Onderafdeling 3. - Het derde gedeelte.
Art. 28-32
Onderafdeling 4. - Het vierde gedeelte. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 105, Inwerkingtreding : 1993-07-30>
Art. 32bis
Afdeling 2. - Definitief stelsel.
Art. 33, 33bis, 34
Afdeling 3.
Art. 35
Afdeling 4. - Bijkomende middelen. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 108, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
Art. 35bis, 35ter, 35quater, 35quinquies, 35sexies, 35septies, 35octies, 35nonies, 35decies
HOOFDSTUK III. - DE GEMEENSCHAPPEN.
Art. 36
Afdeling 1. - (opgeheven) <W 1993-07-16/30, art. 121, Inwerkingtreding : 1993-07-30>
Art. 37
Afdeling 2. - Het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde.
Art. 38-40, 40bis, 40ter, 40quater, 40quinquies, 41
Afdeling 3. - [1 Het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de federale personenbelasting]1
Onderafdeling 1. - Overgangsperiode.
Art. 42-45, 45bis, 45ter, 46
Onderafdeling 2. - Definitief stelsel.
Art. 47, 47/1, 47/2
Afdeling 4. - <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 33; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld.
Art. 47/3
TITEL IV/1. [1 Federale dotaties aan de gemeenschappen]1
Art. 47/4, 47/5, 47/6, 47/7, 47/8, 47/9, 47/10, 47/11
TITEL V. - [1 Mechanisme van nationale solidariteit]1
Art. 48
TITEL V/1. [1 Overgangsmechanisme]1
Art. 48/1
TITEL VI. - LENINGEN.
Art. 49, 49bis
TITEL VII. - BEPALINGEN VAN BUDGETTAIRE EN FINANCIELE ORGANISATIE.
Art. 50-54, 54/1, 54/2
TITEL VIII. - DIVERSE BEPALINGEN.
Art. 55-62, 62bis, 62ter, 63-64, 64bis, 64ter, 64quater, 64quinquies, 65, 65bis, 65ter, 65quater, 65quinquies, 66-68, 68bis, 68ter, 68quater, 68quinquies
TITEL IX. - OPHEFFINGS- EN WIJZIGINGSBEPALINGEN.
Art. 69-70
TITEL X. - OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN.
Art. 71-81, 81bis, 81ter, 81quater, 81quinquies, 82
BIJLAGE
Art. N

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Artikel 1.§ 1. [1 Onverminderd artikel 170, § 2, van de Grondwet, gebeurt de financiering van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap en van de Franse Gemeenschap door :
   1° niet fiscale ontvangsten;
   2° toegewezen gedeelten van de opbrengst van belastingen en heffingen;
   3° federale dotaties;
   4° voor de periode van 2015 tot en met 2033, een overgangsmechanisme;
   5° leningen.]1
  § 2. [1 Onverminderd artikel 170, § 2, van de Grondwet, gebeurt de financiering van de begroting van het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, door :
   1° niet fiscale ontvangsten;
   2° fiscale ontvangsten als bedoeld in deze wet;
   3° ontvangsten uit de uitoefening van de fiscale autonomie inzake de personenbelasting als bedoeld in titel III/1;
   4° toegewezen gedeelten van de opbrengst van belastingen en heffingen;
   5° federale dotaties;
   6° een mechanisme van nationale solidariteit;
   7° voor de periode van 2015 tot en met 2033, een overgangsmechanisme;
   8° leningen.]1
  § 3. (Het Vlaams Parlement mag alle financiėle middelen die krachtens de bepalingen van deze wet aan dat parlement toekomen)e aanwenden voor de financiering zowel van de begroting voor de aangelegenheden bedoeld [1 in artikel 39]1 van de Grondwet, als van de begroting voor de aangelegenheden bedoeld [1 in de artikelen 127 tot 129]1 van de Grondwet. <W 2006-03-27/33, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  (lid opgeheven) <W 1993-07-16/30, art. 121, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 2, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 1bis. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De uitwisseling van informatie in het kader van de uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten bedoeld in deze wet en van de federale overheid wordt geregeld bij een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

  Art. 1ter.[1 De uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten als bedoeld in deze wet gebeurt met naleving van de in artikel 143 van de Grondwet bedoelde federale loyauteit en het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid, alsmede van de volgende principes :
   1° de uitsluiting van elke deloyale fiscale concurrentie;
   2° de vermijding van dubbele belasting;
   3° het vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal.
   Bij een door een overheid gegrond geacht verzoek van een belastingplichtige houdende vermijding van dubbele belasting treedt die overheid in overleg met de andere betrokken overheden teneinde de belastingheffing die strijdig is met het in het eerste lid, 2°, vermelde principe ongedaan te maken.
   In het raam van het Overlegcomité als bedoeld in artikel 31 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen wordt jaarlijks een overleg gehouden over het fiscaal beleid en over de in het eerste lid bedoelde principes.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 3, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 1quater. [1 De gewesten kunnen geen opcentiemen of belastingvermeerderingen heffen of kortingen, belastingverminderingen of belastingkredieten toestaan op de in deze wet bedoelde belastingen, behalve die welke bedoeld zijn in artikel 5/1, § 1.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 4, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  TITEL II. - EIGEN NIET-FISCALE ONTVANGSTEN.

  Art. 2. De eigen niet-fiscale ontvangsten verbonden aan de uitoefening van de door of krachtens de Grondwet aan de Gemeenschappen en Gewesten toegekende bevoegdheden komen aan de bevoegde overheid toe.
  De Gemeenschappen en de Gewesten kunnen schenkingen en legaten ontvangen.

  Art. 2bis. [1 De ontvangsten van de onmiddellijke inningen, de minnelijke schikkingen en de strafrechtelijke boeten die verband houden met de inbreuken op de reglementering inzake verkeersveiligheid, die krachtens artikel 6, § 1, XII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen tot de bevoegdheid van de gewesten behoort, worden aan de gewesten volgens de plaats van de overtreding toegekend.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 5, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  TITEL III. - GEWESTELIJKE BELASTINGEN.

  Art. 3.<W 2001-07-13/35, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Volgende belastingen zijn gewestelijke belastingen :
  1° de belasting op de spelen en weddenschappen;
  2° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen;
  3° de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken;
  4° het successierecht van rijksinwoners en het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners;
  5° de onroerende voorheffing;
  6° het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in Belgiė gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap;
  7° het registratierecht op :
  a) de vestiging van een hypotheek op een in Belgiė gelegen onroerend goed;
  b) de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in Belgiė gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder medeėigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is;
  8° het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen;
  9° het kijk- en luistergeld;
  10° de verkeersbelasting op de autovoertuigen;
  11° de belasting op de inverkeerstelling;
  12° het eurovignet.
  Deze belastingen zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 4, 5, 8 en 11.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 3. <W 2001-07-13/35, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Volgende belastingen zijn gewestelijke belastingen :
  1° de belasting op de spelen en weddenschappen;
  2° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen;
  3° de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken;
  4° het successierecht van rijksinwoners en het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners;
  5° de onroerende voorheffing;
  6° het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in Belgiė gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap;
  7° het registratierecht op :
  a) de vestiging van een hypotheek op een in Belgiė gelegen onroerend goed;
  b) de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in Belgiė gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder medeėigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is;
  8° het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen;
  9° het kijk- en luistergeld;
  10° de verkeersbelasting op de autovoertuigen;
  11° de belasting op de inverkeerstelling;
  12° [1 ...]1
  Deze belastingen zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 4, 5, 8 en 11.

  ----------
  (1)<W 2013-12-26/12, art. 3, 007; Inwerkingtreding : onbepaald, en ten vroegste op 1 januari 2016>

  Art. 4.<W 2001-07-13/35, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 4° en 6° tot 9° bedoelde belastingen te wijzigen.
  § 2. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting te wijzigen. Het federaal kadastraal inkomen kunnen ze echter niet wijzigen. Het gezamenlijk beheer van de gegevens van de patrimoniale documentatie gebeurt bij wege van een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
  § 3. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 10° en 11°, bedoelde belastingen te wijzigen. Ingeval de belastingplichtige van deze belastingen een vennootschap, zoals bedoeld in de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van vennootschappen, een autonoom overheidsbedrijf of een vereniging zonder winstgevend doel met leasingactiviteiten is, is de uitoefening van deze bevoegdheden afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
  § 4. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 12°, bedoelde belasting te wijzigen. Voor voertuigen die in het buitenland zijn ingeschreven, is de uitoefening van deze bevoegdheden afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
  § 5. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de betrokken gewestregeringen, regelt de Koning de toewijzing van de nalatigheidsinteresten, de last van de verwijlinteresten alsook de toewijzing van de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op de belastingen bedoeld in artikel 3 zolang de federale overheid de dienst van deze belastingen verzekert.
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 4. <W 2001-07-13/35, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 4° en 6° tot 9° bedoelde belastingen te wijzigen.
  § 2. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting te wijzigen. Het federaal kadastraal inkomen kunnen ze echter niet wijzigen. Het gezamenlijk beheer van de gegevens van de patrimoniale documentatie gebeurt bij wege van een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
  § 3. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 10° en 11°, bedoelde belastingen te wijzigen. Ingeval de belastingplichtige van deze belastingen een vennootschap, zoals bedoeld in de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van vennootschappen, een autonoom overheidsbedrijf of een vereniging zonder winstgevend doel met leasingactiviteiten is, is de uitoefening van deze bevoegdheden afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
  § 4. [1 ...]1
  § 5. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de betrokken gewestregeringen, regelt de Koning de toewijzing van de nalatigheidsinteresten, de last van de verwijlinteresten alsook de toewijzing van de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op de belastingen bedoeld in artikel 3 zolang de federale overheid de dienst van deze belastingen verzekert.

  ----------
  (1)<W 2013-12-26/12, art. 4, 007; Inwerkingtreding : onbepaald, en ten vroegste op 1 januari 2016>

  Art. 5.§ 1. (De in artikel 3 bedoelde belastingen worden aan de gewesten toegewezen in functie van hun lokalisatie.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. Voor de toepassing van § 1 worden deze belastingen geacht als volgt te zijn gelokaliseerd :
  1° de belasting op de spelen en weddenschappen : op de plaats waar de spelen plaatsvinden en de weddenschappen worden aangegaan;
  2° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen : op de plaats waar het toestel opgesteld is;
  3° de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken : op de plaats waar het lokaal dienende tot slijting gelegen is;
  4° (- het successierecht van rijksinwoners : op de plaats waar de overledene, op het ogenblik van zijn overlijden, zijn fiscale woonplaats had. Als de fiscale woonplaats van de overledene tijdens de periode van vijf jaar voor zijn overlijden op meer dan één plaats in Belgiė gelegen was : op de plaats in Belgiė waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
  - het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners : in het gewest waar de goederen gelegen zijn; indien zij gelegen zijn in meerdere gewesten, in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  5° de onroerende voorheffing : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;
  (6° het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in Belgiė gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voorzover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is.
  Als bij een ruil onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn : in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  7° (- het registratierecht op de vestiging van een hypotheek op een in Belgiė gelegen onroerend goed : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is. Indien, bij eenzelfde handeling, de onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn : in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;
  - het registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in Belgiė gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder medeėigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (8° - het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen door een rijksinwoner : op de plaats waar de schenker, op het ogenblik van de schenking, zijn fiscale woonplaats heeft. Als de fiscale woonplaats van de schenker tijdens de periode van vijf jaar voor zijn schenking op meer dan één plaats in Belgiė gelegen was : op de plaats in Belgiė waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
  - het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van in Belgiė gelegen onroerende goederen door een niet-rijksinwoner : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;
  9° het kijk- en luistergeld : op de plaats waar het televisietoestel wordt gehouden en, wat de toestellen in autovoertuigen betreft, op de plaats waar de houder van het toestel gevestigd is;
  10° de verkeersbelasting : op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn.
  Wanneer de belastingschuldige, natuurlijke persoon of rechtspersoon, in Belgiė geen woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, wordt de belasting geacht gelokaliseerd te zijn op de plaats van zijn verblijfplaats of voornaamste inrichting in Belgiė;
  11° de belasting op de inverkeerstelling : op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn;
  12° het eurovignet : op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn.
  Het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere landen dan de lidstaten die deelnemen aan het eurovignetsysteem en dat aan Belgiė wordt toegekend, en het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere lidstaten dan Belgiė die deelnemen aan het eurovignetsysteem : worden geacht gelokaliseerd te zijn in elk gewest naar verhouding van zijn aandeel in het belastbaar wegennet zoals bepaald in het koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2bis. (opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 3. (Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgt de Staat met inachtneming van de door hem vastgestelde procedureregels kosteloos voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12° bedoelde belastingen voor rekening van en in overleg met het betrokken gewest. Vanaf het tweede begrotingsjaar volgend op de datum van notificatie van de gewestregering aan de federale regering van de beslissing tot het zelf verzekeren van de dienst van de betrokken belastingen, zorgt het betrokken gewest voor de dienst van deze belastingen. De overheveling van de dienst van de belastingen naar een gewest kan slechts per groep van belastingen geschieden :
  - de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 3°, bedoelde belastingen;
  - de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting;
  - de in artikel 3, eerste lid, 4° en 6° tot 8°, bedoelde belastingen;
  - de in artikel 3, eerste lid, 10° tot 12° bedoelde belastingen.
  De gewesten staan ten minste tot en met 31 december 2003 in voor de dienst van de belastingen waarvoor zij reeds vóór de inwerkingtreding van de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten instonden.
  Zolang de federale overheid de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12°, bedoelde belastingen verzekert, wordt de overlegprocedure met betrekking tot de technische uitvoerbaarheid van de voorgenomen wijzigingen inzake voormelde gewestelijke belastingen bepaald in het in artikel 1bis bedoelde samenwerkingsakkoord.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 3bis. Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgen de gemeenschappen tot en met 31 december 2004, met inachtneming van de door de Staat vastgestelde procedureregels, voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 9°, bedoelde belasting voor rekening van en in overleg met de gewesten. De gemeenschaps- en gewestregeringen sluiten een overeenkomst om de inningskosten te bepalen.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 4. De gewesten zijn bevoegd voor de vaststelling van de administratieve procedureregels met betrekking tot de in artikel 3 bedoelde belastingen met ingang van het begrotingsjaar vanaf hetwelk zij de dienst van de belastingen verzekeren.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 5. § 1. (De in artikel 3 bedoelde belastingen worden aan de gewesten toegewezen in functie van hun lokalisatie.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. Voor de toepassing van § 1 worden deze belastingen geacht als volgt te zijn gelokaliseerd :
  1° de belasting op de spelen en weddenschappen : op de plaats waar de spelen plaatsvinden en de weddenschappen worden aangegaan;
  2° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen : op de plaats waar het toestel opgesteld is;
  3° de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken : op de plaats waar het lokaal dienende tot slijting gelegen is;
  4° (- het successierecht van rijksinwoners : op de plaats waar de overledene, op het ogenblik van zijn overlijden, zijn fiscale woonplaats had. Als de fiscale woonplaats van de overledene tijdens de periode van vijf jaar voor zijn overlijden op meer dan één plaats in Belgiė gelegen was : op de plaats in Belgiė waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
  - het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners : in het gewest waar de goederen gelegen zijn; indien zij gelegen zijn in meerdere gewesten, in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  5° de onroerende voorheffing : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;
  (6° het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in Belgiė gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voorzover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is.
  Als bij een ruil onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn : in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  7° (- het registratierecht op de vestiging van een hypotheek op een in Belgiė gelegen onroerend goed : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is. Indien, bij eenzelfde handeling, de onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn : in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;
  - het registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in Belgiė gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder medeėigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (8° - het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen door een rijksinwoner : op de plaats waar de schenker, op het ogenblik van de schenking, zijn fiscale woonplaats heeft. Als de fiscale woonplaats van de schenker tijdens de periode van vijf jaar voor zijn schenking op meer dan één plaats in Belgiė gelegen was : op de plaats in Belgiė waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
  - het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van in Belgiė gelegen onroerende goederen door een niet-rijksinwoner : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;
  9° het kijk- en luistergeld : op de plaats waar het televisietoestel wordt gehouden en, wat de toestellen in autovoertuigen betreft, op de plaats waar de houder van het toestel gevestigd is;
  10° de verkeersbelasting : op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn.
  Wanneer de belastingschuldige, natuurlijke persoon of rechtspersoon, in Belgiė geen woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, wordt de belasting geacht gelokaliseerd te zijn op de plaats van zijn verblijfplaats of voornaamste inrichting in Belgiė;
  11° de belasting op de inverkeerstelling : op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn;
  12° [1 ...]1
  Het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere landen dan de lidstaten die deelnemen aan het eurovignetsysteem en dat aan Belgiė wordt toegekend, en het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere lidstaten dan Belgiė die deelnemen aan het eurovignetsysteem : worden geacht gelokaliseerd te zijn in elk gewest naar verhouding van zijn aandeel in het belastbaar wegennet zoals bepaald in het koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2bis. (opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 3. (Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgt de Staat met inachtneming van de door hem vastgestelde procedureregels kosteloos voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en [1 10° en 11°]1 bedoelde belastingen voor rekening van en in overleg met het betrokken gewest. Vanaf het tweede begrotingsjaar volgend op de datum van notificatie van de gewestregering aan de federale regering van de beslissing tot het zelf verzekeren van de dienst van de betrokken belastingen, zorgt het betrokken gewest voor de dienst van deze belastingen. De overheveling van de dienst van de belastingen naar een gewest kan slechts per groep van belastingen geschieden :
  - de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 3°, bedoelde belastingen;
  - de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting;
  - de in artikel 3, eerste lid, 4° en 6° tot 8°, bedoelde belastingen;
  - de in artikel 3, eerste lid, [1 10° en 11°]1 bedoelde belastingen.
  De gewesten staan ten minste tot en met 31 december 2003 in voor de dienst van de belastingen waarvoor zij reeds vóór de inwerkingtreding van de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten instonden.
  Zolang de federale overheid de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en [1 10° en 11°]1, bedoelde belastingen verzekert, wordt de overlegprocedure met betrekking tot de technische uitvoerbaarheid van de voorgenomen wijzigingen inzake voormelde gewestelijke belastingen bepaald in het in artikel 1bis bedoelde samenwerkingsakkoord.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 3bis. Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgen de gemeenschappen tot en met 31 december 2004, met inachtneming van de door de Staat vastgestelde procedureregels, voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 9°, bedoelde belasting voor rekening van en in overleg met de gewesten. De gemeenschaps- en gewestregeringen sluiten een overeenkomst om de inningskosten te bepalen.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 4. De gewesten zijn bevoegd voor de vaststelling van de administratieve procedureregels met betrekking tot de in artikel 3 bedoelde belastingen met ingang van het begrotingsjaar vanaf hetwelk zij de dienst van de belastingen verzekeren.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  ----------
  (1)<W 2013-12-26/12, art. 5, 007; Inwerkingtreding : onbepaald, en ten vroegste op 1 januari 2016>

  TITEL III/1. - [1 Gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 6, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 5/1. [1 § 1. Op basis van de lokalisatie van de personenbelasting kunnen de gewesten :
   1° opcentiemen heffen op een deel van de personenbelasting. Het deel van de personenbelasting waarop de opcentiemen worden geheven, is de gereduceerde belasting Staat;
   2° kortingen toestaan en belastingverminderingen en belastingvermeerderingen toepassen op de in 1° bedoelde opcentiemen zonder dat daaruit een vermindering of een vermeerdering van de belastbare grondslag ontstaat.
   Het totaal van de opcentiemen, kortingen en belastingverminderingen en -vermeerderingen, eventueel na toepassing van artikel 5/3, § 1, 2°, vormt de gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting, hierna "de gewestelijke personenbelasting".
   Bovendien kunnen de gewesten belastingkredieten toestaan.
   § 2. Voor de toepassing van deze wet wordt de personenbelasting geacht te zijn gelokaliseerd op de plaats waar de belastingplichtige zijn fiscale woonplaats heeft gevestigd op 1 januari van het aanslagjaar in de personenbelasting.
   § 3. De gereduceerde belasting Staat, verhoogd met de belasting die betrekking heeft op de dividenden, intresten, royalty's, loten van effecten van leningen en meerwaarden op roerende waarden en titels en na toepassing van de federale belastingverminderingen die nog niet zijn toegepast om de gereduceerde belasting Staat te bekomen en na eventuele toepassing van artikel 5/3, § 1, 1°, is "de federale personenbelasting" in de zin van deze wet.
   § 4. De invoering van de gewestelijke personenbelasting mag geen afbreuk doen aan het recht van de gemeenten en de agglomeraties van gemeenten om aanvullende belastingen te heffen.
   § 5. Enkel de federale overheid is bevoegd voor de bepalingen inzake de roerende en de bedrijfsvoorheffing en voor de dienst van de personenbelasting.
   Van het totale netto inkomen kunnen enkel de onderhoudsgelden worden afgetrokken binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zijn bepaald in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
   Onverminderd artikel 5/5, § 4, kan de federale overheid belastingverminderingen invoeren zonder enige beperking.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 7, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 5/2. [1 § 1. De gereduceerde belasting Staat is de belasting Staat verminderd met een bedrag dat gelijk is aan de belasting Staat vermenigvuldigd met de autonomiefactor.
   De autonomiefactor is gelijk aan 25,990 % voor de aanslagjaren 2015, 2016 en 2017.
   Voor aanslagjaar 2018 en voor de volgende aanslagjaren is de autonomiefactor gelijk aan de verhouding tussen :
   1° in de teller :
   A+B-C waarin :
   A = het voor het begrotingsjaar 2015 bepaalde bedrag krachtens artikel 33 voor de drie gewesten samen;
   B = het voor het begrotingsjaar 2015 toegekende bedrag krachtens artikel 35decies voor de drie gewesten samen, vermenigvuldigd met 4/6;
   C = een bedrag dat als volgt wordt berekend :
   a) voor elk gewest wordt het bedrag dat met toepassing van artikel 33 voor het begrotingsjaar 2015 wordt bekomen, uitgedrukt in een percentage van het bedrag dat met toepassing van datzelfde artikel voor hetzelfde begrotingsjaar wordt bekomen voor de drie gewesten samen; dat percentage wordt hierna "PB-sleutel" genoemd;
   b) voor elk gewest wordt het bedrag dat met toepassing van artikel 33bis voor het begrotingsjaar 2015 wordt bekomen, gedeeld door zijn PB-sleutel;
   C is gelijk aan het kleinste van deze bedragen;
   2° in de noemer :
   de belasting Staat van het aanslagjaar 2015 op basis van de tot en met 31 december 2016 geļnde ontvangsten.
   De autonomiefactor wordt uitgedrukt in procent en wordt afgerond op de hogere of lagere derde decimaal naargelang het cijfer van de vierde decimaal al of niet 5 bereikt.
   De in het derde en vierde lid bedoelde autonomiefactor wordt bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gewestregeringen op grond van de in artikel 81ter bedoelde verslagen van het Rekenhof.
   § 2. De belasting Staat wordt bekomen door met toepassing van de federale fiscale wetgeving achtereenvolgens :
   1° het belastbaar inkomen te bepalen waarvan een deel gezamenlijk belastbaar is en een deel afzonderlijk belastbaar is;
   2° de basisbelasting te bepalen door op het gezamenlijk belastbaar inkomen het belastingtarief van de personenbelasting toe te passen;
   3° de om te slane belasting te bepalen door de basisbelasting te verminderen met de belasting op de belastingvrije som;
   4° de hoofdsom te bepalen door op de om te slane belasting de volgende verminderingen toe te passen :
   a) de vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten;
   b) de vermindering voor inkomsten uit het buitenland;
   5° de totale belasting op de afzonderlijk belaste inkomsten te bepalen door op die inkomsten de overeenstemmende belastingtarieven toe te passen;
   6° de in het 4° bedoelde hoofdsom en de in het 5° bedoelde totale belasting op afzonderlijk belaste inkomsten samen te voegen;
   7° het in 6° bekomen totaal te verminderen met de belasting die betrekking heeft op de dividenden, intresten, royalty's, loten van effecten van leningen en meerwaarden op roerende waarden en titels.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 8, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 5/3. [1 § 1. In geval van een overschot van federale of gewestelijke belastingverminderingen :
   1° bepaalt de federale overheid of het overschot van een federale belastingvermindering kan verrekend worden op het saldo dat overblijft van de gewestelijke opcentiemen en vermeerderingen na aanrekening van de gewestelijke kortingen en belastingverminderingen;
   2° bepaalt elk gewest of het overschot van een gewestelijke korting of belastingvermindering kan worden verrekend op het saldo dat overblijft van de federale belasting na aanrekening van de federale belastingverminderingen.
   § 2. Na toepassing van § 1 vormt de optelling van de federale personenbelasting en de gewestelijke personenbelasting de totale belasting.
   De totale belasting wordt achtereenvolgens :
   1° verhoogd met de federale belastingvermeerderingen;
   2° verminderd met de federale verrekenbare, niet terugbetaalbare bestanddelen;
   3° verminderd met de federale en gewestelijke terugbetaalbare belastingkredieten;
   4° verminderd met federale verrekenbare en terugbetaalbare bestanddelen;
   5° verhoogd met de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting en de aanvullende agglomeratiebelasting op de personenbelasting.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 9, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 5/4. [1 § 1. De in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde opcentiemen zijn proportioneel en al dan niet gedifferentieerd per belastingschijf.
   § 2. In geval van toepassing van gedifferentieerde opcentiemen, voor de gezamenlijk belaste inkomsten, wordt als volgt te werk gegaan :
   1° de basisbelasting wordt berekend op het gezamenlijk belastbaar inkomen overeenkomstig artikel 5/2, § 2, 2° ;
   2° de aldus berekende basisbelasting wordt omgedeeld in gewestelijke belastingschijven;
   3° de belasting op de belastingvrije som en de vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten worden afgetrokken van de basisbelasting berekend op het gezamenlijk belastbaar inkomen, te beginnen met de laagste belastingschijf;
   4° de vermindering voor inkomsten uit het buitenland wordt proportioneel aangerekend op de bij toepassing van de bepalingen onder 1° tot 3° vastgestelde belastingschijven.
   Vervolgens wordt de belasting die betrekking heeft op de gezamenlijke belaste dividenden, intresten, royalty's, loten van effecten van leningen en meerwaarden op roerende waarden en titels afgetrokken te beginnen met de hoogste belastingschijf.
   Tot slot wordt het bedrag van iedere belastingschijf verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van die belastingschijf vermenigvuldigd met de autonomiefactor bedoeld in artikel 5/2, § 1, tweede of derde lid, naargelang het geval.
   § 3. In geval van toepassing van gedifferentieerde opcentiemen is het tarief van de opcentiemen op de belasting met betrekking tot de afzonderlijk belaste inkomsten :
   1° eenvormig, dit wil zeggen zonder differentiėring volgens de aard of het bedrag van de afzonderlijk belaste inkomsten;
   2° uniek, dit wil zeggen één enkel tarief ongeacht het federale belastingtarief op die inkomsten;
   3° niet lager dan het tarief dat op de gewestelijke belastingschijf wordt toegepast waarvoor de geraamde ontvangst van de gewestelijke personenbelasting het hoogste is.
   De aldus vastgestelde opcentiemen worden toegepast op het deel van de belasting in de gereduceerde belasting Staat dat betrekking heeft op afzonderlijk belaste inkomsten.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 10, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 5/5. [1 § 1. De in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde kortingen zijn forfaitaire kortingen die worden toegepast op alle personen die personenbelasting verschuldigd zijn in het desbetreffende gewest.
   § 2. De in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde belastingverminderingen zijn :
   1° verbonden aan de materiėle bevoegdheden van de gewesten;
   2° proportioneel of forfaitair.
   De in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde belastingvermeerderingen zijn :
   1° verbonden aan de materiėle bevoegdheden van de gewesten;
   2° proportioneel.
   § 3. De in artikel 5/1, § 1, derde lid, bedoelde belastingkredieten zijn :
   1° verbonden aan de materiėle bevoegdheden van de gewesten;
   2° proportioneel of forfaitair.
   § 4. De gewesten zijn exclusief bevoegd voor de belastingverminderingen en belastingkredieten met betrekking tot de volgende uitgaven :
   1° uitgaven voor het verwerven of het behouden van de eigen woning;
   2° uitgaven ter beveiliging van woningen tegen inbraak of brand;
   3° uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde monumenten en landschappen;
   4° uitgaven betaald voor prestaties in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen en voor prestaties betaald met dienstencheques andere dan sociale dienstencheques;
   5° energiebesparende uitgaven in een woning met uitzondering van de interesten die betrekking hebben op leningovereenkomsten als bedoeld in artikel 2 van de economische herstelwet van 27 maart 2009;
   6° uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid;
   7° uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, is de eigen woning de woning die de belastingplichtige als eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker tijdens het belastbare tijdperk :
   1° ofwel zelf betrekt;
   2° ofwel niet zelf betrekt om één van volgende redenen :
   a) beroepsredenen;
   b) redenen van sociale aard;
   c) wettelijke of contractuele belemmeringen die het de belastingplichtige onmogelijk maken om de woning zelf te betrekken;
   d) de stand van de bouwwerkzaamheden of van de verbouwingswerkzaamheden die het de belastingplichtige niet toelaten de woning daadwerkelijk te betrekken.
   De eigen woning omvat niet het deel van de woning dat tijdens het belastbare tijdperk :
   a) wordt gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige of van één van zijn gezinsleden;
   of
   b) in de in het tweede lid, 1° en 2°, a) en b), bedoelde gevallen wordt betrokken door personen die geen deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige.
   Wanneer een belastingplichtige meer dan één woning betrekt, wordt de woning waar zijn fiscale woonplaats is gevestigd als de eigen woning beschouwd.
   Wanneer een belastingplichtige zowel een woning bezit bedoeld in het tweede lid, 1°, als een woning bedoeld in het tweede lid, 2°, wordt de woning die hij zelf betrekt als de eigen woning beschouwd.
   Wanneer een belastingplichtige enkel woningen bezit bedoeld in het tweede lid, 2°, wijst hij de woning aan die hij als de eigen woning beschouwt. Die keuze is onherroepelijk tot op het moment dat de belastingplichtige ofwel een woning zelf betrekt ofwel niet langer het bezit van de aangeduide woning heeft.
   Voor gehuwde belastingplichtigen of wettelijk samenwonenden kan slechts één woning als de eigen woning worden beschouwd. Het tweede tot het zesde lid worden voor de beide belastingplichtigen samen toegepast.
   Bij wijziging tijdens het belastbaar tijdperk wordt de kwalificatie of een woning een eigen woning is, van dag tot dag beoordeeld.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 11, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 5/6. [1 § 1. De uitoefening van de bevoegdheden van de gewesten met betrekking tot de opcentiemen, de kortingen, de belastingverminderingen of-vermeerderingen en de belastingkredieten gebeurt zonder vermindering van de progressiviteit van de personenbelasting. Het principe van de progressiviteit wordt begrepen als volgt : naarmate de in artikel 5/2, § 2, 2°, bedoelde basisbelasting stijgt, mag de verhouding tussen het bedrag van de opcentiemen en belastingvermeerderingen tot de basisbelasting niet afnemen en de verhouding tussen het bedrag van de kortingen, belastingverminderingen en belastingkredieten tot de basisbelasting niet toenemen.
   § 2. Wanneer de gewesten de opcentiemen differentiėren per belastingschijf, mag het tarief van de gewestelijke opcentiemen afwijken van § 1 op voorwaarde dat :
   1° het gewestelijke opcentiementarief op een belastingschijf niet lager is dan 90 % van het hoogste gewestelijke opcentiementarief van alle lagere belastingschijven;
   en
   2° het belastingvoordeel per belastingplichtige ingevolge de afwijking op de progressiviteitsregel niet meer dan 1.000 euro per jaar bedraagt.
   Het al of niet overschrijden van de grens van 1.000 euro wordt berekend door het verschil te maken tussen het bedrag van de gewestelijke personenbelasting berekend volgens het barema dat het gewest wenst toe te passen en het bedrag van de gewestelijke personenbelasting berekend door de percentages van de belastingschijven die niet overeenstemmen met de progressiviteitsregel te vervangen door de percentages die zouden moeten worden toegepast opdat de voornoemde progressiviteitsregel wordt nageleefd.
   Dit bedrag van 1.000 euro wordt jaarlijks aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast. De aanpassing wordt verwezenlijkt met de coėfficiėnt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2013. Na de toepassing van de coėfficiėnt worden de bedragen afgerond tot het hogere of lagere veelvoud van 10 euro naargelang het cijfer van de eenheden al dan niet 5 bereikt.
   § 3. Voor contracten die zijn afgesloten vóór 1 januari 2015 en die verband houden met uitgaven als bedoeld in artikel 5/5, § 4, eerste lid, 1°, mogen de gewesten een belastingvermindering blijven toepassen die afwijkt van de in § 1 bedoelde progressiviteitsregel. Deze afwijking geldt tot wanneer het gewest zelf beslist om het toe te passen tarief van de belastingvermindering te wijzigen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 5/7. [1 De ontwerpen en de voorstellen van een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel die aangelegenheden regelen als bedoeld in artikel 5/6 worden, naargelang het geval, vóór neerlegging in het betrokken parlement of na goedkeuring in de bevoegde commissie van het betrokken parlement medegedeeld, voor advies omtrent de technische uitvoerbaarheid, aan de federale regering, aan de andere gewestregeringen en, voor advies omtrent het respect van het in artikel 1ter, eerste lid, 1°, bedoelde principe, aan het Rekenhof. Hetzelfde geldt voor de amendementen die zijn goedgekeurd.
   De overlegprocedure met betrekking tot de technische uitvoerbaarheid van de invoering van gedifferentieerde opcentiemen of van in artikel 5/1, § 1, bedoelde kortingen, belastingverminderingen of -vermeerderingen, of belastingkredieten wordt bepaald in het in artikel 1bis bedoelde samenwerkingsakkoord.
   De aan het Rekenhof overgezonden ontwerpen en voorstellen zijn in voldoende mate cijfermatig onderbouwd. De algemene vergadering van het Rekenhof geeft binnen een maand na ontvangst van het ontwerp of voorstel, in het kader van het respect van het in artikel 1ter, eerste lid, 1°, bedoelde principe, een gedocumenteerd en met redenen omkleed advies over de naleving van het principe inzake progressiviteit, als bedoeld in artikel 5/6. Dit advies wordt medegedeeld aan de federale regering en de gewestregeringen.
   In het kader van zijn in het derde lid bedoelde adviesverstrekking ontwikkelt het Rekenhof een transparant en uniform evaluatiemodel in akkoord met de federale regering en de gewestregeringen.
   Het Rekenhof stelt elk jaar een rapport op dat analoog is aan het in het derde lid bedoelde advies en dat betrekking heeft op de weerslag, tijdens het vorige aanslagjaar, van de van kracht zijnde gewestelijke fiscale maatregelen. Dit rapport wordt medegedeeld aan de federale regering en de gewestregeringen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 13, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 5/8. [1 De invoering van opcentiemen, kortingen, belastingverminderingen, belastingvermeerderingen of belastingkredieten als bedoeld in artikel 5/1, § 1, wordt door de betrokken gewestregering voorafgaandelijk meegedeeld aan de federale regering en de andere gewestregeringen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 14, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  TITEL IV. - TOEGEWEZEN GEDEELTEN VAN DE OPBRENGST VAN BELASTINGEN.

  HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 6.§ 1. Een gedeelde belasting is een Rijksbelasting die op uniforme wijze over het gehele grondgebied van het Rijk wordt geheven en waarvan de opbrengst geheel of gedeeltelijk aan de Gemeenschappen wordt toegewezen overeenkomstig de bepalingen van deze wet.
  De in deze titel bedoelde gedeelde belastingen zijn :
  1° (...) <W 1993-07-16/30, art. 121, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  2° de belasting over de toegevoegde waarde;
  3° [1 de federale personenbelasting.]1
  § 2. Een samengevoegde belasting is een rijksbelasting :
  1° die op uniforme wijze over het gehele grondgebied van het Rijk wordt geheven;
  2° waarvan een bepaald gedeelte van de opbrengst aan de Gewesten wordt toegewezen overeenkomstig de bepalingen van deze wet;
  3° [1 en waarop de gewesten een aanvullende belasting kunnen heffen overeenkomstig titel III/1;]1
  (4° [1 ...]1) <W 2001-07-13/35, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 De in deze titel bedoelde samengevoegde belasting is de federale personenbelasting.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 15, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 7.[1 Voor de toepassing van deze titel worden de volgende gegevens vastgelegd, na overleg met de gemeenschaps- en gewestregeringen, bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad :
   1° de ontvangsten inzake de federale personenbelasting;
   2° het aantal inwoners.
   Voor de begrotingsjaren 2014 en 2015 wordt onder ontvangsten inzake de federale personenbelasting verstaan, de ontvangsten inzake de globale belasting Staat voor de aanslagjaren 2013 en 2014 die is vastgesteld bij het verstrijken van de aanslagtermijn als bepaald in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. De globale belasting Staat is de belasting voor verrekening van de gewestelijke belastingverminderingen zoals ze voor dat aanslagjaar van toepassing zijn en die zijn genomen op basis van artikel 6, § 2, eerste lid, 4°, zoals dat artikel bestond alvorens het is gewijzigd door artikel 15 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden.
   Voor het begrotingsjaar 2016 en elk van de daaropvolgende begrotingsjaren worden de ontvangsten inzake de federale personenbelasting vastgesteld bij het verstrijken van de aanslagtermijn bepaald in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van het laatste gekende aanslagjaar.
   Onder het aantal inwoners wordt verstaan de toestand van de bevolking op 1 januari van het in het tweede en derde lid bedoelde aanslagjaar.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 16, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 8.
  <Opgeheven bij W 2014-01-06/48, art. 17, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 9.
  <Opgeheven bij W 2014-01-06/48, art. 18, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 9bis.
  <Opgeheven bij W 2014-01-06/48, art. 19, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 10. (opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>

  Art. 11.<W 1993-07-16/30, art. 96, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> [3 ...]3
  (lid opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Onder voorbehoud van de bij deze wet bepaalde gevallen zijn de Gemeenschappen en de Gewesten niet gemachtigd belastingen te heffen op de materies waarop een bij deze wet bedoelde belasting wordt geheven [1 , met uitzondering van de in artikel 3, eerste lid, 10°, 11° en 12° bedoelde belastingen]1 .
  
  TOEKOMSTIG RECHT
  
  Art. 11. <W 1993-07-16/30, art. 96, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> [3 ...]3
  (lid opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Onder voorbehoud van de bij deze wet bepaalde gevallen zijn de Gemeenschappen en de Gewesten niet gemachtigd belastingen te heffen op de materies waarop een bij deze wet bedoelde belasting wordt geheven [1 , met uitzondering van de in artikel 3, eerste lid, 10°, [2 en 11°]2 bedoelde belastingen]1 .

  ----------
  (1)<W 2013-12-26/12, art. 6,1°, 007; Inwerkingtreding : 31-12-2013>
  (2)<W 2013-12-26/12, art. 6,2°, 007; Inwerkingtreding : onbepaald, en ten vroegste op 1 januari 2016>
  (3)<W 2014-01-06/48, art. 20, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  HOOFDSTUK II. - DE GEWESTEN.

  Afdeling 1. - Overgangsperiode.

  Art. 12. § 1. De middelen per Gewest worden tijdens de overgangsperiode jaarlijks als volgt samengesteld :
  1° het in artikel 21 bedoelde eerste gedeelte middelen;
  2° het in artikel 27 bedoelde tweede gedeelte middelen;
  3° het in artikel 32 bedoelde derde gedeelte middelen;
  (3°bis voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999, het in artikel 32bis, § 3, bedoelde vierde gedeelte middelen;) <W 1993-07-16/30, art. 97, § 1, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  4° de in artikel 48 bedoelde nationale solidariteitstussenkomst.
  § 2. De middelen bedoeld in § 1, 1° (tot 3°bis), worden gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting. <W 1993-07-16/30, art. 97, § 2, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>

  Onderafdeling 1. - Het eerste gedeelte.

  Art. 13. § 1. De berekening van het eerste gedeelte middelen geschiedt aan de hand van (drie) gegevens, waarvan het eerste steunt op de volgende basisbedragen : <W 1993-07-16/30, art. 98, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  - voor het Vlaamse Gewest : 30,7745 miljard frank;
  - voor het Waalse Gewest : 21,0463 miljard frank;
  - voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest : 10,3431 miljard frank.
  § 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden die bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen. In afwachting van de definitieve vaststelling van dit indexcijfer, worden de bedragen aangepast in functie van de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer gedurende het voorgaande jaar.
  § 3. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt van de in § 1 bedoelde bedragen 97,9 % in aanmerking genomen.
  § 4. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden de met toepassing van § 2 bekomen bedragen vervolgens in twee gedeelten opgesplitst :
  1° een gedeelte van 85,7 %;
  2° een gedeelte van 14,3 %.

  Art. 14. § 1. Vanaf het begrotingsjaar 1990, en voor elk Gewest, wordt het met toepassing van artikel 13, § 4, 2°, bekomen gedeelte van 14,3 % in aanmerking genomen naar verhouding van negen constante opeenvolgende annuļteiten die overeenkomen met de aflossing van dat gedeelte en met de interest berekend op grond van de effectieve rentevoet van de eerste openbare lening met een langere looptijd dan vijf jaar die door de Staat in Belgische frank uitgegeven wordt tijdens het betrokken begrotingsjaar.
  Voordat die rentevoet bekend is, geschiedt de voorlopige berekening op grond van de effectieve rentevoet van de laatste openbare lening van hetzelfde type.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1991 tot en met 1999 wordt uitgegaan van het bedrag dat wordt bekomen door de overeenkomstig § 1 vastgestelde annuļteiten voor de voorgaande begrotingsjaren op te tellen.

  Art. 15. § 1. De berekening van het eerste gedeelte middelen geschiedt bovendien aan de hand van een tweede gegeven waarbij wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen :
  - voor het Vlaamse Gewest : 19,5104 miljard frank;
  - voor het Waalse Gewest : 12,8198 miljard frank;
  - voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest : 4,8361 miljard frank.
  § 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden deze bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.
  § 3. De met toepassing van §§ 1 en 2 bekomen bedragen worden gespreid over drie jaar in drie gelijke delen. Zij worden in aanmerking genomen voor één derde tijdens het betrokken begrotingsjaar en voor één derde tijdens elk van de twee volgende begrotingsjaren.

  Art. 16. § 1. Vanaf het begrotingsjaar 1989 en voor elk Gewest wordt het globaal bedrag van de, voor het betrokken begrotingsjaar, in artikel 15, § 3, weerhouden derdedelen omgezet in tien opeenvolgende constante annuļteiten die overeenkomen met de aflossing van die delen en met de interest berekend tegen de in artikel 14, § 1, bepaalde rentevoet.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 1999 wordt uitgegaan van het bedrag dat wordt bekomen door de overeenkomstig § 1 vastgestelde annuļteiten voor de voorgaande begrotingsjaren op te tellen.
  § 3. Elk jaar worden de in § 2 bedoelde annuļteiten en die welke voortkomen uit de toepassing van artikel 14, § 2, opgeteld en in twee gedeelten opgesplitst :
  1° een gedeelte van 85,7 %;
  2° een gedeelte van 14,3 %.

  Art. 16bis. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 99, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Vanaf het begrotingsjaar 1993 geschiedt de berekening van het eerste gedeelte middelen bovendien aan de hand van een derde gegeven, waarbij wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen :
  - voor het Vlaamse Gewest : 0,3230 miljard frank;
  - voor het Waalse Gewest : 0,1673 miljard frank;
  - voor het Brusselse Hoofdstedelijk Grewest : 0,0403 miljard frank.
  § 2. Voor 1993 wordt er evenwel een uitzonderlijke en niet-terugkerende vermindering van 0,0548 miljard frank toegepast op het bedrag bedoeld in § 1 voor het Vlaamse Gewest, van 0,0263 miljard frank op het bedrag bedoeld in § 1 voor het Waalse Gewest en van 0,0096 miljard frank op het bedrag bedoeld in § 1 voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
  § 3. Vanaf het begrotingsjaar 1994 worden de in § 1 bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddeld indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.
  § 4. Vanaf het begrotingsjaar 1993 worden de overeenkomstig §§ 1, 2 en 3 verkregen bedragen vervolgens opgesplitst in twee gedeelten :
  1° een gedeelte van 85,7 pct.;
  2° een gedeelte van 14,3 pct. "

  Art. 16ter. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 100, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Vanaf het begrotingsjaar 1993, en voor elk Gewest, wordt het met toepassing van artikel 16bis, § 4, 2°, verkregen gedeelte van 14,3 pct. in aanmerking genomen naar verhouding van zes constante opeenvolgende annuļteiten die overeenkomen met de aflossing van dat gedeelte en met de interest berekend tegen de in artikel 14, § 1, bepaalde rentevoet.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999 wordt uitgegaan van het bedrag dat wordt verkregen door de overeenkomstig § 1 vastgestelde annuļteiten voor de voorgaande begrotingsjaren op te tellen.
  § 3. De overeenkomstig § 2 berekende bedragen worden opgesplitst in twee gedeelten :
  1° een gedeelte van 85,7 pct.;
  2° een gedeelte van 14,3 pct.

  Art. 17. <W 1993-07-16/30, art. 101, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> Voor elk Gewest worden de bedragen die overeenkomen met de met toepassing van de artikelen 13, § 4, 1°, en 16, § 3, 1°, en vanaf het begrotingsjaar 1993 eveneens de met toepassing van de artikelen 16bis, § 4, 1°, en 16ter, § 3, 1°, verkregen gedeelten van 85,7 pct. opgeteld. Het aldus verkregen totaal wordt verminderd met het bedrag van de in artikel 48 bedoelde nationale solidariteitstussenkomst waarop het betrokken Gewest recht heeft.

  Art. 18. De bedragen die met toepassing van artikel 17 worden bekomen voor elk van de drie Gewesten, worden opgeteld. De verhouding van dat totaalbedrag tot de totale ontvangsten inzake personenbelasting wordt uitgedrukt in percenten met vijf decimalen.
  Het basisbedrag voor elk Gewest wordt verkregen door dat percentage toe te passen op het bedrag van de ontvangsten inzake personenbelasting, volgens de gewestelijke lokalisatie ervan.

  Art. 19. Voor elk Gewest wordt een overgangscorrectie berekend.
  Voor het begrotingsjaar 1990 is het basisbedrag van die correctie gelijk aan het verschil tussen de som die met toepassing van artikel 17 aan het Gewest toekomt en het met toepassing van artikel 18, tweede lid, bekomen basisbedrag.
  Voor het begrotingsjaar 1991 is de overgangscorrectie gelijk aan die van het begrotingsjaar 1990.
  Voor de begrotingsjaren 1992 tot en met 1998 is de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 12,5 punten verminderend percentage van het voor het jaar 1990 bekomen bedrag van de overgangscorrectie.
  Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.

  Art. 20. § 1. (De met toepassing van de artikelen 16, § 3, 2°, en 16ter, § 3, 2°, voor elk van de drie Gewesten verkregen bedragen worden opgeteld.) <W 1993-07-16/30, art. 102, § 1, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  § 2. Het met toepassing van § 1 bekomen bedrag wordt over de drie Gewesten verdeeld in verhouding tot de in elk Gewest gelokaliseerde ontvangsten van de personenbelasting, zoals bepaald overeenkomstig artikel 7, § 2.
  § 3. (Voor elk Gewest wordt het verschil berekend tussen het totaal van de met toepassing van de artikelen 16, § 3, 2°, en 16ter, § 3, 2°, verkregen bedragen worden enerzijds, en het met toepassing van § 2 van dit artikel verkregen resultaat anderzijds.) <W 1993-07-16/30, art. 102, § 2, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>

  Art. 21. § 1. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt het eerste gedeelte middelen gevormd door de overeenkomstig artikel 13, § 3, per Gewest bekomen bedragen.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 1999 wordt het eerste gedeelte middelen per Gewest als volgt samengesteld :
  1° het basisbedrag bekomen met toepassing van artikel 18, tweede lid;
  2° het bedrag van de overgangscorrectie bekomen met toepassing van artikel 19;
  3° het bedrag bekomen met toepassing van artikel 20, § 3.

  Onderafdeling 2. - Het tweede gedeelte.

  Art. 22. § 1. Voor de berekening van het tweede gedeelte middelen wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen :
  - voor het Vlaamse Gewest : 37,0089 miljard frank;
  - voor het Waalse Gewest : 28,3451 miljard frank;
  - voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest 5,5293 miljard frank.
  § 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden deze bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.
  § 3. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt van de in § 1 bedoelde bedragen 98 % in aanmerking genomen.
  § 4. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden de met toepassing van § 2 bekomen bedragen vervolgens opgesplitst in twee gedeelten :
  1° een gedeelte van 85,7 %;
  2° een gedeelte van 14,3 %.

  Art. 23. § 1. De annuļteiten van de bedragen bekomen met toepassing van artikel 22, § 4, 2°, worden jaarlijks berekend op dezelfde wijze als bepaald in artikel 14, § 1, en opgeteld op dezelfde wijze als bepaald in artikel 14, § 2.
  § 2. De overeenkomstig § 1 berekende bedragen worden opgesplitst in twee gedeelten :
  1° een gedeelte van 85,7 %;
  2° een gedeelte van 14,3 %.

  Art. 23bis. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 103, Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Vanaf het begrotingsjaar 1995 geschiedt de berekening van het tweede gedeelte middelen bovendien aan de hand van een tweede gegeven, waarbij wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen in het begrotingsjaar 1993 :
  - voor het Vlaamse Gewest : 0,6089 miljard frank;
  - voor het Waalse Gewest : 0,3647 miljard frank;
  - voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest : 0,5224 miljard frank.
  § 2. Vanaf het begrotingsjaar 1994 worden deze bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddeld indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.

  Art. 24. § 1. De bedragen bekomen met toepassing van artikel 22, § 4, 1°, en 23, § 2, 1°, worden, voor ieder Gewest, opgeteld.
  § 2. Voor ieder Gewest wordt het met toepassing van § 1 bekomen bedrag uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van de in het betrokken Gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, zoals bepaald overeenkomstig artikel 7, § 2.
  § 3. Het hoogste percentage bekomen met toepassing van § 2 wordt weerhouden. Dit percentage wordt toegepast op de in elk der Gewesten gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De aldus bekomen resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden Gewesten.

  Art. 25. § 1. Voor ieder Gewest wordt jaarlijks het verschil berekend tussen het met toepassing van artikel 24, § 1, bekomen resultaat en het met toepassing van artikel 24, § 3, bekomen basisbedrag. Dit verschil vormt het jaarlijks basisbedrag van de overgangscorrectie.
  § 2. Voor het begrotingsjaar 1990 is de overgangscorrectie gelijk aan 90 % van het basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Voor de begrotingsjaren 1991 tot en met 1998 is de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 10 punten verminderd percentage van het voor het overeenstemmend jaar bekomen basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.

  Art. 26. § 1. De met toepassing van artikel 23, § 2, 2°, voor elk van de drie Gewesten bekomen bedragen worden opgeteld.
  § 2. Het met toepassing van § 1 bekomen bedrag wordt over de drie Gewesten verdeeld in verhouding tot de in elk Gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, zoals bepaald overeenkomstig artikel 7, § 2.
  § 3. Voor elk Gewest wordt het verschil berekend tussen de met toepassing van artikel 23, § 2, 2°, en van § 2 van dit artikel bekomen resultaten.

  Art. 27. § 1. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt het tweede gedeelte middelen gevormd door de met toepassing van artikel 22, § 3, per Gewest bekomen bedragen.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met (1994) wordt het tweede gedeelte middelen per Gewest als volgt samengesteld : <W 1993-07-16/30, art. 104, § 1, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  1° het basisbedrag bekomen met toepassing van artikel 24, § 3;
  2° het bedrag van de overgangscorrectie bekomen met toepassing van artikel 25, § 2;
  3° het bedrag bekomen met toepassing van artikel 26, § 3.
  § 3. (Voor de begrotingsjaren 1995 tot en met 1999 wordt het tweede gedeelte middelen per Gewest als volgt samengesteld :
  1° het bedrag verkregen met toepassing van artikel 23bis, § 2;
  2° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 24, § 3;
  3° het bedrag van de overgangscorrectie verkregen met toepassing van artikel 25, § 2;
  4° het bedrag verkregen met toepassing van artikel 26, § 3.) <W 1993-07-16/30, art. 104, § 2, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>

  Onderafdeling 3. - Het derde gedeelte.

  Art. 28. § 1. Voor de berekening van het derde gedeelte middelen wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen :
  - voor het Vlaamse Gewest : 33,8303 miljard frank;
  - voor het Waalse Gewest : 25,0478 miljard frank;
  - voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest : 5,5993 miljard frank.
  § 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden deze bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.
  § 3. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden de met toepassing van § 2 bekomen bedragen vervolgens opgesplitst in twee gedeelten :
  1° een gedeelte van 85,7 %;
  2° een gedeelte van 14,3 %.

  Art. 29. De annuļteiten van de bedragen bekomen met toepassing van artikel 28, § 3, 2°, worden jaarlijks berekend op dezelfde wijze als bepaald in artikel 14, § 1, en opgeteld op dezelfe wijze als bepaald in artikel 14, § 2.

  Art. 30. § 1. De bedragen bekomen met toepassing van artikel 28, § 3, 1°, en artikel 29 worden voor ieder Gewest opgeteld.
  § 2. Voor ieder Gewest wordt het bedrag bekomen met toepassing van § 1 uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van de in het betrokken Gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, zoals bepaald overeenkomstig artikel 7, § 2.
  § 3. Het hoogste percentage bekomen met toepassing van § 2 wordt weerhouden. Dit percentage wordt toegepast op de in elk der Gewesten gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De aldus bekomen resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden Gewesten.

  Art. 31. § 1. Voor ieder Gewest wordt jaarlijks het verschil berekend tussen het met toepassing van artikel 30, § 1, bekomen resultaat en het met toepassing van artikel 30, § 3, bekomen basisbedrag. Dit verschil vormt het jaarlijks basisbedrag van de overgangscorrectie.
  § 2. Voor het begrotingsjaar 1990 is de overgangscorrectie gelijk aan 90 % van het basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Voor de begrotingsjaren 1991 tot en met 1998 is de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 10 punten verminderend percentage van het voor het overeenstemmend jaar bekomen basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.

  Art. 32. § 1. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt het derde gedeelte middelen gevormd door de in artikel 28, § 1, bedoelde bedragen.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 1999 wordt het derde gedeelte middelen per Gewest als volgt samengesteld :
  1° het basisbedrag bekomen met toepassing van artikel 30, § 3;
  2° het bedrag van de overgangscorrectie bekomen met toepassing van artikel 31, § 2.

  Onderafdeling 4. - Het vierde gedeelte. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 105, Inwerkingtreding : 1993-07-30>

  Art. 32bis. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 105, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999 wordt jaarlijks voor de drie Gewesten samen het totaal bepaald van :
  1° het in artikel 21 bedoelde eerste gedeelte middelen;
  2° het in artikel 27 bedoelde tweede gedeelte middelen;
  3° het in artikel 32 bedoelde derde gedeelte middelen.
  § 2. Het in § 1 verkregen totaal wordt jaarlijks vermenigvuldigd met een procentueel gedeelte van de reėle groei van het bruto nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar, en vanaf het begrotingsjaar 1995 verhoogd met het voor het vorige begrotingsjaar, in § 3 voor de drie Gewesten samen in aanmerking genomen bedrag, nadat dit laatste aangepast is aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, evenals aan een procentueel gedeelte van de reėle groei van het bruto nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar.
  Het in vorig lid in aanmerking te nemen procentueel gedeelte van de reėle groei van het bruto nationaal produkt bedraagt :
  - in het begrotingsjaar 1994 : 10 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1995 : 15 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1996 : 20 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1997 : 70 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1998 : 75 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1999 : 97,5 pct.
  In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reėle groei van het bruto nationaal produkt worden de bedragen aangepast in functie van de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer en van de reėle groei van het bruto nationaal produkt van het voorgaande jaar.
  § 3. Voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999 wordt jaarlijks de verhouding bepaald van het in § 2 verkregen resultaat tot de totale ontvangsten inzake personenbelasting uitgedrukt in percenten met vijf decimalen.
  Het vierde gedeelte middelen voor elk Gewest wordt verkregen door dat percentage toe te passen op het bedrag van de ontvangsten inzake personenbelasting, volgens de Gewestelijke lokalisatie ervan.

  Afdeling 2. - Definitief stelsel.

  Art. 33.§ 1. [1 Voor de vaststelling van de bedragen voor elk van de begrotingsjaren 2000 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag en de in artikel 5/2, § 1, bedoelde autonomiefactor, wordt uitgegaan van de middelen per gewest van het voorgaande begrotingsjaar, na aftrek van de aan het betrokken gewest toegekende nationale solidariteitstussenkomst en de in artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde vermindering per gewest.]1
  § 2. (Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen alsook aan de reėle groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar.
  In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reėle groei van het [1 bruto binnenlands product]1 worden de bedragen aangepast aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de geraamde reėle groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 2001-07-13/35, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2bis. (Indien het rekenkundig gemiddelde van de jaarlijkse reėle groei van het bruto nationaal produkt tijdens de periode 1993 tot en met 2004 lager is dan 2 pct., wordt het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag opnieuw bepaald, doch op basis van een uniforme reėle groei van 2 pct. tijdens de begrotingsjaren 1993 tot en met 2005.
  Indien het verschil tussen het in vorig lid en het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag meer dan 0,25 pct. bedraagt van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 bepaalde bedrag, dan wordt voor het begrotingsjaar 2005 een bedrag in aanmerking genomen gelijk aan het op basis van § 2 voor het begrotingsjaar 2005 verkregen bedrag, vermeerderd met 0,25 pct. van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 verkregen bedrag.
  Indien het verschil tussen het in het eerste lid en het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag minder dan 0,25 pct. bedraagt van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 bepaalde bedrag, dan wordt voor het begrotingsjaar 2005 het in het eerste lid bepaalde bedrag in aanmerking genomen.) <W 1993-07-16/30, art. 106, § 2, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  § 3. (Ieder jaar wordt het in § 2 verkregen bedrag of, in voorkomend geval, het voor het begrotingsjaar 2005 in § 2bis in aanmerking genomen bedrag, voor de drie Gewesten samen uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van de totale ontvangsten inzake personenbelasting.) <W 1993-07-16/30, art. 107, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  § 4. Het aldus bekomen percentage wordt jaarlijks toegepast op de in elk Gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 21, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 33bis.<Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 17; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. De met toepassing van artikel 33, § 4, verkregen bedragen worden [1 voor elk van de begrotingsjaren 2002 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag en de in artikel 5/2, § 1, bedoelde autonomiefactor,]1 jaarlijks verminderd met een bedrag bepaald bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad en na voorafgaand overleg met de gewestregeringen.
  Het in het eerste lid bedoelde bedrag stemt overeen met de som van :
  1° de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belastingen zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 7° tot 8° en 10° tot 12°;
  2° de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten zoals bedoeld in artikel 4, § 5, in de mate dat deze laatste tot en met het begrotingsjaar 2001 nog niet aan de gewesten werden toegewezen;
  3° 58,592 % van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de in artikel 3, eerste lid, 6°, bedoelde belasting;
  4° de gemiddelde netto-ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belasting zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 9°.
  De met toepassing van de 1° tot 3° van het tweede lid verkregen bedrag van de vermindering wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reėle groei van het bruto nationaal inkomen op de wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
  De met toepassing van de 4° van het tweede lid verkregen bedrag van de vermindering wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.
  § 2. Voor het begrotingsjaar 2002 wordt voor elk gewest vertrokken van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belastingen zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 7° tot 8° en 10° tot 12°, en van 58,592 % van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de in artikel 3, eerste lid, 6°, bedoelde belasting.
  De met toepassing van het eerste lid verkregen bedragen per belasting worden voor elk gewest opgeteld.
  [1 Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag en de in artikel 5/2, § 1, bedoelde autonomiefactor,]1 worden voor elk gewest de met toepassing van het eerste lid verkregen bedragen voor elke belasting aangepast aan de evolutie van de ontvangsten bij ongewijzigd beleid. Deze aangepaste bedragen per belasting worden voor elk gewest opgeteld.
  Voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2012 wordt jaarlijks voor elk gewest het verschil berekend tussen het bedrag verkregen met toepassing van het tweede lid en het bedrag verkregen met toepassing van het derde lid.
  Het met toepassing van het vierde lid verkregen verschil, zo dit positief is, vormt jaarlijks het basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2007 is voor elk gewest de overgangscorrectie gelijk aan 100 % van het voor het overeenstemmend jaar verkregen basisbedrag van de overgangscorrectie voor het betrokken gewest.
  Voor de begrotingsjaren 2008 tot en met 2012 is voor elk gewest de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 16,67 punten verminderend percentage van het voor het overeenstemmend jaar verkregen basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Vanaf het begrotingsjaar 2013 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ontvangsten bij ongewijzigd beleid verstaan de werkelijke ontvangsten tenzij deze beļnvloed zijn door het betrokken gewest in het kader van de uitoefening van zijn fiscale bevoegdheden met betrekking tot de betrokken belasting. In dat geval gebeurt de jaarlijkse aanpassing bedoeld in het derde lid aan de hand van bij wet per belasting vastgestelde objectieve criteria. Het betrokken wetsontwerp wordt vóór 1 januari 2002 ingediend bij de Kamer.
  Het met toepassing van deze paragraaf per gewest verkregen bedrag komt in mindering van de in § 1 bedoelde vermindering.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 22, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 34.[1 § 1.]1 <W 2001-07-13/35, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> [1 Voor de begrotingsjaren 2000 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag en de in artikel 5/2, § 1, bedoelde autonomiefactor, worden de middelen per gewest jaarlijks samengesteld als volgt :]1
  1° de bedragen verkregen met toepassing van artikel 33, § 4;
  2° de bedragen verkregen met toepassing van artikel 33bis;
  3° de nationale solidariteitstussenkomst bedoeld in artikel 48.
  De middelen bedoeld in het eerste lid, worden gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting.
  [1 § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden de in artikel 1, § 2, 4° en 6°, bedoelde middelen per gewest jaarlijks samengesteld uit de in afdeling 4 bedoelde bijkomende middelen en het in artikel 48 bedoelde nationaal solidariteitsbedrag.
   De in het eerste lid bedoelde middelen worden gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de federale personenbelasting.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 23, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Afdeling 3.
  <Opgeheven bij W 2014-01-06/48, art. 24, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 35.
  <Opgeheven bij W 2014-01-06/48, art. 24, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Afdeling 4. - Bijkomende middelen. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 108, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>

  Art. 35bis. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 109, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 bedragen de bijkomende middelen voor het Vlaamse Gewest :
  - in het begrotingsjaar 1993 : 0,2768 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1994 : 0,5424 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1995 : 0,8535 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1996 : 1,3382 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1997 : 1,3633 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1998 : 1,5540 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1999 : 1,7207 miljard frank.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 bedragen de bijkomende middelen voor het Waalse Gewest :
  - in het begrotingsjaar 1993 : 0,4695 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1994 : 0,5954 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1995 : 0,7431 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1996 : 0,8781 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1997 : 0,9849 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1998 : 1,0755 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1999 : 1,1545 miljard frank.

  Art. 35ter.<ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 110, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. [1 Voor de vaststelling van de bedragen voor elk van de begrotingsjaren 2000 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 35octies, § 1, tweede lid, 1°, bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, wordt uitgegaan van de bijkomende middelen verkregen met toepassing van, naargelang het geval, artikel 35bis of dit artikel, voor het vorige begrotingsjaar, voor het Vlaamse en het Waalse Gewest samen.]1
  § 2. Ieder jaar wordt het met toepassing van § 1 verkregen totaal aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de reėle groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
  § 3. Het met toepassing van § 2 verkregen resultaat wordt omgeslagen over het Vlaamse en het Waalse Gewest volgens de verdeelsleutel :
  - voor het Vlaamse Gewest : 61,96 pct.;
  - voor het Waalse Gewest : 38,04 pct.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 25, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 35quater.<Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 20; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. Voor het begrotingsjaar 2002 bedragen de aanvullende bijkomende middelen voor het Vlaams Gewest 21 653 499,39 EUR, voor het Waals Gewest 13 292 050,80 EUR en voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 917 206,04 EUR.
  § 2. [1 Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 35octies, § 1, tweede lid, 1°, bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, worden de in § 1 bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 26, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 35quinquies.<Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 21; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Voor het begrotingsjaar 2002 bedragen de bijkomende middelen voor het Vlaams Gewest 21 425 437,35 EUR en voor het Waals Gewest 19 268 763,68 EUR.
  [1 Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 35octies, § 1, tweede lid, 1°, bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, worden de in het eerste lid bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 27, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 35sexies.<Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 22; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Voor het begrotingsjaar 2002 worden er bijkomende middelen overgedragen aan het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor de drie gewesten samen zijn deze middelen gelijk aan 14 873 611,49 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2002.
  Voor de vaststelling van de bedragen [1 voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 35octies, § 1, tweede lid, 1°, bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,]1 wordt uitgegaan van de bijkomende middelen verkregen voor het vorige begrotingsjaar.
  [1 Ieder jaar wordt het met toepassing van het tweede lid verkregen totaal bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2, en verdeeld volgens de ontvangsten inzake de federale personenbelasting gelokaliseerd in elk gewest.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 28, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 35septies.<Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 23; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Voor het begrotingsjaar 2002 worden er bijkomende middelen overgedragen aan het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor de drie gewesten samen zijn deze middelen gelijk aan 6 114 434,94 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2002.
  Voor de vaststelling van de bedragen [1 voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 35octies, § 1, tweede lid, 1°, bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,]1 wordt uitgegaan van de bijkomende middelen verkregen voor het vorige begrotingsjaar.
  Ieder jaar wordt het met toepassing van het tweede lid verkregen totaal bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen alsook aan de reėle groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bepaald in artikel 33, § 2, en over de gewesten verdeeld volgens het aandeel van elk gewest in het totaal van het met toepassing van de artikelen 33, § 4, 35, 35ter, 35quater, 35quinquies, 35sexies en 48 voor de drie gewesten samen verkregen bedrag.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 29, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 35octies.[1 § 1. Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden er bijkomende middelen toegekend aan het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
   Voor het begrotingsjaar 2015 zijn deze middelen, voor de drie gewesten samen, gelijk aan de som van de volgende bedragen :
   1° het bedrag verkregen door de optelling te maken van de met toepassing van de artikelen 35ter tot 35septies bekomen bedragen voor het begrotingsjaar 2015, voor de drie gewesten samen;
   2° een bedrag gelijk aan 625.887.632 euro;
   3° een bedrag gelijk aan 5 miljoen euro.
   Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden de middelen die zijn toegekend voor het vorige begrotingsjaar jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan een percentage van de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
   Het in het derde lid bedoelde percentage, is gelijk aan :
   1° voor het begrotingsjaar 2016 : 100 %;
   2° vanaf het begrotingsjaar 2017 :
   a) 55 % op het deel van de reėle groei dat niet hoger is dan 2,25 %;
   b) 100 % op het deel van de reėle groei dat hoger is dan 2,25 %;
   Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden deze middelen tussen de gewesten verdeeld volgens de verdeelsleutel :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 50,33 %;
   b) voor het Waalse Gewest : 41,37 %;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 8,30 %.
   § 2. De bedragen bekomen in § 1, worden verminderd voor de begrotingsjaren 2015 tot en met 2019 met de volgende bedragen :
   1° voor het begrotingsjaar 2015 :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 9.253.026 euro;
   b) voor het Waalse Gewest : 13.245.455 euro;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 5.141.684 euro;
   2° voor het begrotingsjaar 2016 :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 5.559.685 euro;
   b) voor het Waalse Gewest : 7.239.762 euro;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 2.724.530 euro;
   3° voor het begrotingsjaar 2017 :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 4.375.792 euro;
   b) voor het Waalse Gewest : 5.554.417 euro;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 2.314.311 euro;
   4° voor het begrotingsjaar 2018 :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 2.850.247 euro;
   b) voor het Waalse Gewest : 3.298.120 euro;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 1.499.915 euro;
   5° voor het begrotingsjaar 2019 :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 650.405 euro;
   b) voor het Waalse Gewest : 493.544 euro;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 294.241 euro.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 30, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 35nonies. [1 § 1. Aan het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest worden met ingang van het begrotingsjaar 2015 jaarlijks bijkomende middelen overgedragen waarvan het basisbedrag wordt vastgesteld op 3.953.242.907 euro.
   Voor het begrotingsjaar 2015 is het toegewezen bedrag voor de drie gewesten samen gelijk aan de som van de in het 1° en 2° vermelde bedragen verminderd met de in het 3° en 4° vermelde bedragen :
   1° het in het eerste lid bedoelde basisbedrag vermenigvuldigd met een factor 0,9 en aangepast aan :
   a) de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2014 en aan de reėle groei van het bruto binnenlands product van dat zelfde begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2;
   b) de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2015 en aan de reėle groei van het bruto binnenlands product van dat zelfde begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2;
   2° een bedrag van 434.491.222 euro;
   3° een bedrag van 707.935.702 euro;
   4° een bedrag van 831.348.000 euro.
   Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het toegekende bedrag voor het begrotingsjaar 2015 eerst aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan een percentage van de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2, en vervolgens verminderd met 831 348 000 euro.
   Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het toegekende bedrag voor het vorige begrotingsjaar aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan een percentage van de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
   Het in het derde en het vierde lid vermelde percentage is gelijk aan :
   1° voor het begrotingsjaar 2016 : 75 %;
   2° vanaf het begrotingsjaar 2017 :
   a) 55 % op het deel van de reėle groei dat niet hoger is dan 2,25 %;
   b) 100 % op het deel van de reėle groei dat hoger is dan 2,25 %;
   De middelen worden vanaf het begrotingsjaar 2015 tussen de drie gewesten verdeeld volgens de ontvangsten inzake de federale personenbelasting gelokaliseerd in elk gewest.
   § 2. Met toepassing van artikel 6, § 1, IX, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wordt de financiėle tussenkomst die door een gewest aan de federale overheid wordt toegekend wanneer, in de loop van een jaar, het aantal vrijgestelde dagen om redenen van opleiding, studies of stage ten opzichte van het aantal dagen van volledig vergoede werkloosheid van hetzelfde jaar meer bedraagt dan 12 % in dat gewest, in mindering gebracht van de aan dat gewest toegekende middelen overeenkomstig § 1.
   Die financiėle tussenkomst wordt bekomen door de som van de volgende bedragen :
   1° een bedrag van 35,50 euro, vermenigvuldigd met het aantal werkloosheidsdagen van het vorige jaar vrijgesteld om redenen van vorming, studie of stage, dat meer dan 12 % bedraagt, zonder 14 % te overtreffen, van het aantal volledig vergoede werkloosheidsdagen van hetzelfde jaar, vermenigvuldigd met een factor 0,5;
   2° een bedrag van 35,50 euro vermenigvuldigd met het aantal werkloosheidsdagen van het vorige jaar vrijgesteld om redenen van vorming, studie of stage, dat meer bedraagt dan 14 % van het aantal volledig vergoede werkloosheidsdagen van hetzelfde jaar.
   Het bedrag van 35,50 euro wordt vanaf het begrotingsjaar 2016 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan een percentage van de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in § 1, vijfde lid.
   De vrijstellingen voor vormingen voorbereidend op een knelpuntberoep en de vrijstellingen die toegekend worden in het kader van een activiteitencoöperatie worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van deze paragraaf.
   § 3. Indien het aantal personen dat in het systeem van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen (PWA) is tewerkgesteld gemiddeld over het jaar hoger is dan het aantal dat voor het Waalse Gewest en het Vlaamse Gewest is vastgesteld door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is vastgesteld door artikel 4, vierde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, dan worden, met toepassing van artikel 6, § 1, IX, 11°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de door het betrokken gewest aan de federale overheid verschuldigde middelen in mindering gebracht van de aan dat gewest overeenkomstig § 1 toegekende middelen.
   De middelen die door een gewest voor een gegeven begrotingsjaar zijn verschuldigd, worden bekomen door het bedrag van 6.000 euro te vermenigvuldigen met het verschil tussen enerzijds, het aantal personen dat het vorige jaar in het PWA-systeem is tewerkgesteld en dat gedomicilieerd is op het grondgebied van het betrokken gewest en anderzijds, het aantal begunstigden dat voor het Waalse Gewest en het Vlaamse Gewest is vastgesteld door artikel 6, § 1, IX, 11°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is vastgesteld door artikel 4, vierde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen.
   Het bedrag van 6.000 euro wordt vanaf begrotingsjaar 2016 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan een percentage van de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in § 1, vijfde lid.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 31, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 35decies. [1 Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden aan het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bijkomende middelen overgedragen omwille van de bevoegdheden die door artikel 5/5, § 4, aan de gewesten worden toegewezen.
   Voor de drie gewesten samen wordt het referentiebedrag van de in het eerste lid bedoelde middelen voorlopig vastgesteld op 3.047.959.879 euro. Het referentiebedrag bij ongewijzigd beleid zal, op grond van het in artikel 81ter, 1°, bedoelde verslag van het Rekenhof, definitief worden bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gewestregeringen.
   Voor het begrotingsjaar 2015 is het toegewezen bedrag gelijk aan het in het tweede lid bedoelde referentiebedrag, vermenigvuldigd met een factor 0,6.
   Vanaf het begrotingsjaar 2016 wordt het toegekende bedrag voor het vorige begrotingsjaar aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, en aan een percentage van de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in artikel 35nonies, § 1, vijfde lid.
   De middelen worden vanaf het begrotingsjaar 2015 jaarlijks tussen de drie gewesten verdeeld volgens de ontvangsten inzake de federale personenbelasting gelokaliseerd in elk gewest]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 32, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  HOOFDSTUK III. - DE GEMEENSCHAPPEN.

  Art. 36.<W 2001-07-13/35, art. 25, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> [1 Voor elk van de begrotingsjaren 1989 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, worden jaarlijks de middelen per gemeenschap als volgt samengesteld :]1
  1° het in artikel 41 bedoelde toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde;
  2° het, naargelang het geval, in artikel 46 of 47 bedoelde toegewezen gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting;
  3° [1 de in artikel 47/3 bedoelde dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld met ingang van het begrotingsjaar 2002.]1
  [1 Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden jaarlijks de in artikel 1, § 1, 2°, bedoelde middelen per gemeenschap als volgt samengesteld :
   1° het in artikel 41 bedoelde toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde;
   2° het met toepassing van artikel 47/2, § 4, verkregen bedrag van het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de federale personenbelasting.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 33, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Afdeling 1. - (opgeheven) <W 1993-07-16/30, art. 121, Inwerkingtreding : 1993-07-30>

  Art. 37. (opgeheven) <W 1993-07-16/30, art. 121, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>

  Afdeling 2. - Het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde.

  Art. 38.§ 1. De basisbedragen worden vastgesteld op :
  - voor de Vlaamse Gemeenschap : 167,4389 miljard frank;
  - voor de Franse Gemeenschap : 128,9468 miljard frank.
  § 2. Voor 1989 wordt er evenwel een uitzonderlijke en niet terugkerende vermindering van 6,1023 miljard frank toegepast op het bedrag bedoeld in § 1 voor de Vlaamse Gemeenschap en van 4,6902 miljard frank op het bedrag bedoeld in § 1 voor de Franse Gemeenschap.
  § 3. ([1 Voor elk van de begrotingsjaren 1990 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,]1 worden de in § 1 bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen.
  In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar worden de verkregen bedragen aangepast aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 2001-07-13/35, art. 26, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 3bis. Voor beide gemeenschappen samen worden de volgende bedragen bepaald :
  1° voor het begrotingsjaar 2002 : een bedrag van 198 314 819,82 EUR;
  2° voor het begrotingsjaar 2003 : een bedrag van 148 736 114,86 EUR;
  3° voor het begrotingsjaar 2004 : een bedrag van 148 736 114,86 EUR;
  4° voor het begrotingsjaar 2005 : een bedrag van 371 840 287,16 EUR;
  5° voor het begrotingsjaar 2006 : een bedrag van 123 946 762,39 EUR;
  6° voor de begrotingsjaren 2007 tot en met 2011 : een bedrag van 24 789 352,48 EUR.) <W 2001-07-13/35, art. 26, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 3ter. Voor het begrotingsjaar 2002 is het totaal bedrag gelijk aan het met toepassing van § 3 voor beide gemeenschappen samen verkregen bedrag verhoogd met het voor het begrotingsjaar 2002 in § 3bis bepaalde bedrag.
  Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2006 is het totaal bedrag gelijk aan het voor het betrokken begrotingsjaar in § 3bis bepaalde bedrag dat wordt verhoogd met het voor het voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bedoeld in § 3.
  Voor elk van de begrotingsjaren 2007 tot en met 2011 is het totaal bedrag gelijk aan het voor het betrokken begrotingsjaar in § 3bis bepaalde bedrag dat wordt verhoogd met het voor het voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reėle groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar.
  [1 Voor elk van de begrotingsjaren 2012 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, is het totaal bedrag, voor beide gemeenschappen samen, gelijk aan het voor het vorige begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2.]1
  In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reėle groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar gebeurt de in het derde en vierde lid bedoelde aanpassing aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de geraamde reėle groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 2001-07-13/35, art. 26, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 4. De met toepassing van § 3 bekomen bedragen worden jaarlijks vermenigvuldigd met een aanpassingsfactor.
  Deze aanpassingsfactor wordt bekomen door voor de Vlaamse respectievelijk de Franse Gemeenschap de verhouding te berekenen van :
  1° enerzijds het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk Franse Gemeenschap, op 30 juni van het voorgaande begrotingsjaar, vermeerderd met 20 % van de daling of in voorkomend geval verminderd met 20 % van de stijging van dat aantal in vergelijking met 30 juni 1988;
  2° en anderzijds het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk Franse Gemeenschap op 30 juni 1988.
  De grootste verhouding wordt weerhouden.
  De aanpassingsfactor wordt jaarlijks vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit in overleg met de Gemeenschapsexecutieven.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot de vlaamse Gemeenschap geacht gelijk te zijn aan het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot het Nederlands taalgebied, vermeerderd met 20 % van het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot de Franse Gemeenschap geacht gelijk te zijn aan het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot het Frans taalgebied, vermeerderd met 80 % van het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
  (§ 5. Voor elk van de begrotingsjaren 2002 tot en met 2011 wordt het met toepassing van § 3ter verkregen totaal bedrag, na aftrek van het in § 3bis voor het betrokken begrotingsjaar bepaalde bedrag, jaarlijks vermenigvuldigd met de in § 4 bedoelde aanpassingsfactor.
  Het met toepassing van het eerste lid verkregen bedrag wordt verhoogd met het in § 3bis voor het betrokken begrotingsjaar bepaalde bedrag.
  [1 Voor elk van de begrotingsjaren 2012 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag en het in het artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,]1 wordt het met toepassing van § 3ter verkregen totaal bedrag jaarlijks vermenigvuldigd met de in § 4 bedoelde aanpassingsfactor.) <W 2001-07-13/35, art. 26, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 34, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 39. (§ 1. De met toepassing van artikel 38, § 4 verkregen bedragen worden jaarlijks opgeteld.) <W 2001-07-13/35, art. 27, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. Het met toepassing van § 1 bekomen bedrag wordt voor de begrotingsjaren 1989 tot en met 1998 omgeslagen over de Gemeenschappen volgens de verdeling van het huidig aantal leerlingen, te weten :
  - voor de Vlaamse Gemeenschap : 57,55 %;
  - voor de Franse Gemeenschap ; 42,45 %.
  Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt deze verdeelsleutel aangepast aan de verdeling van het aantal leerlingen aan de hand van bij wet vastgestelde objectieve criteria.
  Het aldus bekomen resultaat vormt het basisbedrag voor iedere Gemeenschap.

  Art. 40. § 1. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt voor iedere Gemeenschap het verschil berekend tussen het met toepassing van artikel 38 bekomen resultaat en het met toepassing van artikel 39, § 2, bekomen basisbedrag. Dit verschil vormt het basisbedrag van de overgangscorrectie.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1989, 1990 en 1991 is de overgangscorrectie gelijk aan het basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Voor de begrotingsjaren 1992 tot en met 1998 is de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 12,5 punten verminderd percentage van het basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.

  Art. 40bis.<Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 28; Inwerkingtreding : 01-01-2002> [1 Voor elk van de begrotingsjaren 2002 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag, het in artikel 47/2 bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,]1 wordt jaarlijks het verschil bepaald tussen het met toepassing van artikel 38, § 5, verkregen totaal bedrag enerzijds en het met toepassing van artikel 39, § 1, verkregen totaal bedrag anderzijds.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 35, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 40ter.<Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 29; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. Voor de begrotingsjaren 2002 tot en met 2011 wordt het met toepassing van artikel 40bis verkregen bedrag in twee gedeelten opgesplitst.
  Het eerste gedeelte bedraagt :
  1° voor het begrotingsjaar 2002 : 35 %;
  2° voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2009 : een jaarlijks met 5 punten toenemend percentage vertrekkende van het in het 1° vastgestelde percentage;
  3° voor de begrotingsjaren 2010 tot en met 2011 : een jaarlijks met 10 punten toenemend percentage vertrekkende van het in het 2° voor het begrotingsjaar 2009 verkregen percentage.
  Voor elk van de betrokken begrotingsjaren is het tweede gedeelte gelijk aan het verschil tussen het in het eerste lid bedoelde bedrag en het in het tweede lid bepaalde gedeelte.
  § 2. Het met toepassing van § 1, tweede lid, bepaalde gedeelte wordt voor elk van de betrokken begrotingsjaren over de twee gemeenschappen verdeeld in verhouding tot de in elke gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, overeenkomstig artikel 44, § 2, tweede tot vierde lid.
  § 3. Het met toepassing van § 1, derde lid, bepaalde gedeelte wordt voor elk van de betrokken begrotingsjaren over de twee gemeenschappen verdeeld volgens het aantal leerlingen in elke gemeenschap dat wordt vastgesteld overeenkomstig de criteria bedoeld in artikel 39, § 2.
  § 4. [1 Voor elk van de begrotingsjaren 2012 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag, het in artikel 47/2 bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,]1 wordt het met toepassing van artikel 40bis verkregen bedrag over de twee gemeenschappen verdeeld in verhouding tot de in elke gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, overeenkomstig artikel 44, § 2, tweede tot vierde lid.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 36, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 40quater. [1 Het verschil wordt berekend tussen :
   1° de impact, voor het begrotingsjaar 2015, van de met ingang van het begrotingsjaar 2007 toegepaste jaarlijkse aanpassing aan 91 % van de reėle groei van het bruto binnenlands product van het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde; die impact wordt berekend als het verschil tussen :
   a) de herberekening voor het begrotingsjaar 2015 van het met toepassing van artikel 38, § 5, verkregen totaal bedrag waarbij de in artikel 38, § 3bis, vastgestelde bedragen nul zijn;
   b) het met toepassing van artikel 39, § 1, verkregen totaal bedrag voor het begrotingsjaar 2015;
   2° de impact, voor het begrotingsjaar 2010 van de met ingang van het begrotingsjaar 2007 toegepaste jaarlijkse aanpassing aan 91 % van de reėle groei van het bruto binnenlands product van het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde; die impact wordt berekend als het verschil tussen :
   a) de herberekening voor het begrotingsjaar 2010 van het met toepassing van artikel 38, § 5, verkregen totaal bedrag waarbij de in artikel 38, § 3bis, vastgestelde bedragen nul zijn en geen rekening wordt gehouden met de aanpassing aan de reėle groei van het bruto binnenlands product voor het begrotingsjaar 2010, als bedoeld in artikel 38, § 3ter;
   b) het met toepassing van artikel 39, § 1, verkregen totaal bedrag voor het begrotingsjaar 2010.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 37, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 40quinquies. [1 Voor het begrotingsjaar 2015 wordt een nieuw basisbedrag bepaald dat gelijk is aan de som van :
   1° het in artikel 40quater bedoelde totaal bedrag voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen;
   2° het met toepassing van het artikel 39, § 2, verkregen bedrag voor het begrotingsjaar 2015 voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen;
   3° het met toepassing van artikel 47/3 verkregen bedrag voor het begrotingsjaar 2015 voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen;
   4° een bedrag gelijk aan 158 542 548 euro voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen.
   Het met toepassing van het eerste lid verkregen basisbedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2016 :
   1° jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2.
   2° vermenigvuldigd met de verhouding van de in artikel 38, § 4, bedoelde aanpassingsfactor voor het betrokken begrotingsjaar en de in artikel 38, § 4, bedoelde aanpassingsfactor voor het voorgaande begrotingsjaar.
   Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt het, naargelang het geval, met toepassing van het eerste of het tweede lid verkregen bedrag jaarlijks over de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap verdeeld op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 39.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 38, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 41.[1 Voor de begrotingsjaren 1989 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015, maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, worden de in deze afdeling bedoelde middelen jaarlijks per gemeenschap als volgt samengesteld :]1
  1° het basisbedrag bekomen met toepassing van artikel 39, § 2;
  2° het bedrag van de overgangscorrectie bekomen met toepassing van artikel 40, § 2.
  3° (het bedrag verkregen met toepassing van artikel 40ter [1 met ingang van het begrotingsjaar 2002.]1 ) <W 2001-07-13/35, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden de in deze afdeling bedoelde middelen jaarlijks gevormd door het met toepassing van artikel 40quinquies, derde lid, verkregen bedrag.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 39, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Afdeling 3. - [1 Het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de federale personenbelasting]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 40, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Onderafdeling 1. - Overgangsperiode.

  Art. 42. § 1. De basisbedragen worden vastgesteld op :
  - voor de Vlaamse Gemeenschap : 47,6638 miljard frank;
  - voor de Franse Gemeenschap : 37,5229 miljard frank.
  § 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden deze bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele veranderingen van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.
  § 3. De in de §§ 1 en 2 bedoelde bedragen worden vervolgens opgesplitst in twee gedeelten :
  1° een gedeelte van 85,7 %;
  2° een gedeelte van 14,3 %.

  Art. 43. De annuļteiten van de bedragen bedoeld in artikel 42, § 3, 2°, worden jaarlijks berekend op analoge wijze als bepaald in artikel 16, § 1, en opgeteld op analoge wijze als bepaald in artikel 16, § 2.

  Art. 44. § 1. De bedragen bekomen met toepassing van artikel 42, § 3, 1°, en artikel 43 worden voor iedere Gemeenschap opgeteld.
  § 2. Voor iedere Gemeenschap wordt het met toepassing van § 1 bekomen bedrag uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van de in de betrokken Gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting.
  Wat de Vlaamse Gemeenschap betreft wordt de opbrengst van de personenbelasting gevormd door de in het Nederlands taalgebied gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting, verhoogd met 20 % van de in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting.
  Wat de Franse Gemeenschap betreft wordt de opbrengst van de personenbelasting gevormd door de in het Frans taalgebied gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting, verhoogd met 80 % van de opbrengst van de in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting.
  Voor de toepassing van dit artikel worden de ontvangsten, gelokaliseerd in elk taalgebied, inzake personenbelasting zoals bedoeld in artikel 7, § 2, jaarlijks vastgesteld, op basis van de meest recente gegevens, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na voorafgaand overleg met de Gewest- en Gemeenschapsexecutieven.
  § 3. Het hoogste percentage bekomen met toepassing van § 2 wordt weerhouden. Dit percentage wordt toegepast op de in elk der Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De aldus bekomen resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden Gemeenschappen.

  Art. 45. § 1. Voor iedere Gemeenschap wordt jaarlijks het verschil berekend tussen het met toepassing van artikel 44, § 1, bekomen resultaat en het met toepassing van artikel 44, § 3, bekomen basisbedrag. Dit verschil vormt het jaarlijks basisbedrag van de overgangscorrectie.
  § 2. Voor het begrotingsjaar 1989 is de overgangscorrectie gelijk aan het basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 1998 is de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 10 punten verminderend percentage van het door het overeenstemmend jaar bekomen basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.

  Art. 45bis. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 111, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Voor het begrotingsjaar 1993 wordt een basisbedrag bepaald van 4,5 miljard frank.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999 wordt jaarlijks voor de beide Gemeenschappen samen het totaal bepaald van :
  1° de basisbedragen verkregen met toepassing van artikel 44, § 3;
  2° de bedragen van de overgangscorrectie verkregen met toepassing van artikel 45, § 2.
  § 3. Het in § 2 verkregen totaal wordt jaarlijks vermenigvuldigd met een procentueel gedeelte van de reėle groei van het bruto nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar, en vanaf het begrotingsjaar 1994 verhoogd met het voor het vorige begrotingsjaar, in § 4 voor de beide Gemeenschappen samen in aanmerking genomen bedrag, nadat dit laatste aangepast is aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan een procentueel gedeelte van de reėle groei van het bruto nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar.
  Het in het vorige lid in aanmerking te nemen procentueel gedeelte van de reėle groei van het bruto nationaal produkt bedraagt :
  - in het begrotingsjaar 1994 : 10 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1995 : 15 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1996 : 20 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1997 : 70 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1998 : 75 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1999 : 97,5 pct.
  In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reėle groei van het bruto nationaal produkt worden de bedragen aangepast in functie van de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer en van de reėle groei van het bruto nationaal produkt van het voorgaande jaar.
  § 4. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 wordt jaarlijks de verhouding bepaald van, naargelang het geval, het in § 1 bepaalde bedrag of het in § 3 verkregen resultaat, tot het totaal van de in beide Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, zoals bepaald in artikel 44, § 2, uitgedrukt in percenten met vijf decimalen.
  Dit percentage wordt toegepast op de in elk der Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De aldus verkregen resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden Gemeenschappen.

  Art. 45ter. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 112, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Voor het begrotingsjaar 1993 wordt een basisbedrag vastgesteld van 5,065 miljard frank.
  Vanaf het begrotingsjaar 1994 tot en met het begrotingsjaar 1999 wordt dit bedrag jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan de reėle groei van het bruto nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar. In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reėle groei van het bruto nationaal produkt worden de bedragen aangepast in functie van de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reėle groei van het bruto nationaal produkt van het voorgaande jaar.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 wordt jaarlijks de verhouding van het in § 1 verkregen bedrag tot het totaal van de in beide Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, zoals bepaald in artikel 44, § 2, uitgedrukt in percenten met vijf decimalen.
  § 3. Dit percentage wordt toegepast op de in elk der Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De aldus verkregen resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden Gemeenschappen.

  Art. 46. <W 1993-07-16/30, art. 113, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Voor de begrotingsjaren 1989 tot en met 1992 worden de middelen bedoeld in deze onderafdeling, per Gemeenschap, als volgt samengesteld :
  1° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 44, § 3;
  2° het bedrag van de overgangscorrectie verkregen met toepassing van artikel 45, § 2.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 worden de middelen bedoeld in deze onderafdeling, per Gemeenschap, als volgt samengesteld :
  1° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 44, § 3;
  2° het bedrag van de overgangscorrectie verkregen met toepassing van artikel 45, § 2;
  3° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 45bis, § 4;
  4° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 45ter, § 3.

  Onderafdeling 2. - Definitief stelsel.

  Art. 47.§ 1. Voor de vaststelling van de bedragen voor het begrotingsjaar 2000 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren [1 tot en met het begrotingsjaar 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 47/2 bedoelde basisbedrag en het in het artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,]1 wordt uitgegaan van de middelen per Gemeenschap van het voorgaande begrotingsjaar.
  § 2. (Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan de reėle groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar. In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reėle groei van het [1 bruto binnenlands product]1 worden de bedragen aangepast aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de geraamde reėle groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 2001-07-13/35, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2bis. (Indien het rekenkundig gemiddelde van de jaarlijkse reėle groei van het bruto nationaal produkt tijdens de periode 1993 tot en met 2004 lager is dan 2 pct., wordt het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag opnieuw bepaald, doch op basis van een uniforme reėle groei van 2 pct. tijdens de begrotingsjaren 1993 tot en met 2005.
  Indien het verschil tussen het in vorig lid en het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag méér dan 0,25 pct. bedraagt van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 bepaalde bedrag, dan wordt voor het begrotingsjaar 2005 een bedrag in aanmerking genomen gelijk aan het op basis van § 2 voor het begrotingsjaar 2005 verkregen bedrag, vermeerderd met 0,25 pct. van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 verkregen bedrag.
  Indien het verschil tussen het in het eerste lid en het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag minder dan 0,25 pct. bedraagt van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 bepaalde bedrag, dan wordt voor het begrotingsjaar 2005 het in het eerste lid bepaalde bedrag in aanmerking genomen.) <W 1993-07-16/30, art. 114, § 2, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  § 3. (Ieder jaar wordt het in § 2 verkregen bedrag of, in voorkomend geval, het voor het begrotingsjaar 2005 in § 2bis in aanmerking genomen bedrag, voor de twee gemeenschappen samen uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van het totaal van de in beide gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting.) <W 2001-07-13/35, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 4. Het aldus bekomen percentage wordt jaarlijks toegepast op de in elke Gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, overeenkomstig artikel 44, § 2.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 41, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 47/1. [1 Voor het begrotingsjaar 2015 wordt het verschil berekend tussen :
   1° het met toepassing van artikel 40bis verkregen bedrag voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen;
   2° het met toepassing van artikel 40quater verkregen bedrag voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 42, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 47/2. [1 § 1. Voor het begrotingsjaar 2015 wordt een nieuw basisbedrag bepaald dat gelijk is aan de som van :
   1° het in artikel 47/1 bedoelde totaal bedrag voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen;
   2° het in artikel 47 bedoelde totaal bedrag voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen;
   3° een negatief bedrag gelijk aan 356.292.000 euro.
   § 2. Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het voor het begrotingsjaar 2015 toegekende bedrag eerst aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan een percentage van de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2 en vervolgens verminderd met 356.292.000 euro. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in artikel 35nonies, § 1, vijfde lid.
   Het met toepassing van het eerste lid verkregen basisbedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2017 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan een percentage van de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in artikel 35nonies, § 1, vijfde lid.
   § 3. Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt het, naargelang het geval, met toepassing van § 1 of § 2 verkregen bedrag jaarlijks uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van het totaal van de ontvangsten van de federale personenbelasting die geacht worden in beide gemeenschappen gelokaliseerd te zijn.
   § 4. Het aldus bekomen percentage wordt jaarlijks toegepast op de ontvangsten van de federale personenbelasting die geacht worden in elke gemeenschap gelokaliseerd te zijn.
   De ontvangsten worden als volgt tussen de gemeenschappen verdeeld :
   1° 100 % van die ontvangsten van de belasting gelokaliseerd in het Nederlandse taalgebied, verhoogd met 20 % van die ontvangsten van de belasting gelokaliseerd in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, worden geacht gelokaliseerd te zijn in de Vlaamse Gemeenschap;
   2° 100 % van die ontvangsten van de belasting gelokaliseerd in het Franse taalgebied, verhoogd met 80 % van die ontvangsten van de belasting gelokaliseerd in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, worden geacht gelokaliseerd te zijn in de Franse Gemeenschap.
   § 5. Voor de toepassing van dit artikel worden de ontvangsten van de federale personenbelasting gelokaliseerd in elk taalgebied jaarlijks vastgesteld op basis van het laatste gekende aanslagjaar en vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gewest- en gemeenschapsregeringen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 43, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Afdeling 4. - <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 33; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld.

  Art. 47/3.[1 oud Art. 47bis.]1 <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 34; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. Aan de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap wordt jaarlijks een dotatie toegekend ter compensatie van het kijk- en luistergeld. Het basisbedrag van deze dotatie wordt per gemeenschap bepaald als het gemiddelde voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 van de in de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de Franse Gemeenschap gelokaliseerde netto-opbrengst van het kijk- en luistergeld, met inachtneming van de lokalisatiecriteria zoals bepaald in § 3. De netto-opbrengst wordt uitgedrukt in prijzen van 2002.
  § 2. [1 Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,]1 wordt het met toepassing van § 1 verkregen bedrag per gemeenschap jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.
  § 3. Voor de toepassing van § 1 wordt het kijk- en luistergeld geacht gelokaliseerd te zijn als volgt :op de plaats waar het televisietoestel wordt gehouden en, wat de toestellen in autovoertuigen betreft, op de plaats waar de houder van het toestel gevestigd is.
  Aan de Franse Gemeenschap wordt het gedeelte van de netto-opbrengst toegewezen van het in het Franse taalgebied gelokaliseerde kijk- en luistergeld, verhoogd met 80 % van het gedeelte van de netto-opbrengst van deze belasting in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
  Aan de Vlaamse Gemeenschap wordt het gedeelte van de netto-opbrengst toegewezen van het in het Nederlandse taalgebied gelokaliseerde kijk- en luistergeld, verhoogd met 20 % van het gedeelte van de netto-opbrengst van deze belasting in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 44, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  TITEL IV/1. [1 Federale dotaties aan de gemeenschappen]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 45, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 47/4. [1 Voor de gemeenschappen worden jaarlijks in de algemene uitgavenbegroting van de federale overheid de in de artikelen 47/5 tot 47/11 bedoelde dotaties ingeschreven.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 46, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 47/5. [1 § 1. Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een dotatie toegekend waarvan het basisbedrag gelijk is aan 6 403 683 360 euro.
   § 2. Voor het begrotingsjaar 2015 wordt het bedrag dat aan de in § 1, bedoelde entiteiten samen wordt toegewezen, verkregen door achtereenvolgens :
   1° het in § 1 bedoelde bedrag aan te passen op de in het tweede lid bedoelde wijze, en dit voor het begrotingsjaar 2014;
   2° het met toepassing van het 1° bekomen bedrag aan te passen op de in het tweede lid bedoelde wijze, en vervolgens te verminderen op de in het derde lid bedoelde wijze, en dit voor het begrotingsjaar 2015.
   De in het eerste lid bedoelde aanpassing gebeurt op basis van :
   1° de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 38, § 3;
   2° de evolutie van het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar van het Rijk op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar ten opzichte van dat aantal op 1 januari van het vorige begrotingsjaar, waarbij het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar wordt vastgesteld op de in § 5 bepaalde wijze. In afwachting van de definitieve vaststelling van dat aantal inwoners op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar wordt het geraamd aantal op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar weerhouden, zoals voorzien in de economische begroting als bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.
   Het met toepassing van het tweede lid bekomen bedrag wordt verminderd met een percentage dat bekomen wordt door de verhouding te berekenen van het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar behorende tot de Duitstalige Gemeenschap op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar tot het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar van het Rijk op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar, en waarbij het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar wordt vastgesteld op de in § 5 bepaalde wijze.
   § 3. Voor het begrotingsjaar 2015 worden de middelen per entiteit bekomen door het met toepassing van § 2 bekomen bedrag tussen de in § 1 bedoelde entiteiten te verdelen volgens de sleutel van het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar, die bekomen wordt door per entiteit de verhouding te berekenen van :
   1° het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar behorende tot de betrokken entiteit;
   2° de som van het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar behorende tot alle in § 1 bedoelde entiteiten;
   en waarbij het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar wordt vastgesteld op de in § 5 bepaalde wijze.
   § 4. Voor het begrotingsjaar 2016 en elk van de daaropvolgende begrotingsjaren worden voor de vaststelling van de middelen per in § 1 bedoelde entiteit de voor het vorige begrotingsjaar verkregen middelen jaarlijks aangepast aan :
   1° de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3;
   2° de evolutie van het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar van de betrokken entiteit op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar ten opzichte van dat aantal op 1 januari van het vorige begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in § 2, tweede lid, 2°, en waarbij het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar wordt vastgesteld op de in § 5 bepaalde wijze;
   3° 25 % van de reėle groei van het bruto binnenlands product per inwoner. In afwachting van de definitieve vaststelling van die reėle groei per inwoner van het betrokken begrotingsjaar, wordt de geraamde reėle groei per inwoner van het betrokken begrotingsjaar weerhouden, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld als in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.
   § 5. Voor de toepassing van de §§ 1 tot 4 is het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar van :
   1° de Vlaamse Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar behorende tot het Nederlandse taalgebied;
   2° de Franse Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar behorende tot het Franse taalgebied;
   3° de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie gelijk aan het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar behorende tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
   4° de Duitstalige Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar behorende tot het Duitse taalgebied.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 47, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 47/6. [1 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de sociale partners als bedoeld in de wet van 23 december 2005 betreffende het Generatiepact, een deel van de welvaartsenveloppe toewijzen aan de verhoging van de in artikel 47/5 bedoelde dotaties die toegekend worden aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, indien de sociale partners vaststellen dat de participatiegraad van de jongeren in het hoger onderwijs aanzienlijk is toegenomen in een of meerdere taalgebieden tussen het voorgaande jaar en het laatste jaar waarvoor een deel van de welvaartsenveloppe werd toegewezen aan een verhoging van de toegekende dotaties aan voormelde entiteiten of bij gebrek daaraan het jaar 2015.
   De participatiegraad wordt bepaald per taalgebied als de verhouding tussen het aantal jongeren van 19 tot en met 24 jaar dat gedomicilieerd is in het betrokken taalgebied en ingeschreven is voor een opleiding die leidt tot een academische graad van het hoger onderwijs, en het aantal jongeren van diezelfde leeftijd dat gedomicilieerd is in dat taalgebied.
   De verhoging van de dotatie van een in het eerste lid bedoelde entiteit wordt bepaald volgens het aandeel van de betrokken entiteit in de toename van de participatiegraad van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie samen, waarbij de toename wordt waargenomen tijdens de in het eerste lid bedoelde periode en waarbij :
   1° het aandeel in de verhoging dat wordt toegewezen aan de Vlaamse Gemeenschap overeenstemt met het aandeel van het Nederlandse taalgebied in de toename van de participatiegraad;
   2° het aandeel in de verhoging dat wordt toegewezen aan de Franse Gemeenschap overeenstemt met het aandeel van het Franse taalgebied in de toename van de participatiegraad;
   3° het aandeel in de verhoging dat wordt toegewezen aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie overeenstemt met het aandeel van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad in de toename van de participatiegraad.
   Het aldus bekomen bedrag dat toekomt aan één of meerdere van de in het eerste lid bedoelde entiteiten wordt nominaal constant gehouden en jaarlijks toegevoegd aan de middelen die krachtens artikel 47/5, §§ 1 tot 5 aan die betrokken entiteiten wordt toegewezen.
   De nadere toepassingsregels van de in het eerste lid bedoelde verhoging worden geregeld na overleg met de gemeenschapsregeringen en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 48, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 47/7. [1 § 1. Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een dotatie toegekend waarvan het basisbedrag gelijk is aan 3 339 352 178 euro.
   § 2. Voor het begrotingsjaar 2015 wordt het bedrag dat aan de in § 1, bedoelde entiteiten samen wordt toegewezen, verkregen door achtereenvolgens :
   1° het in § 1 bedoelde basisbedrag aan te passen op de in het tweede lid bedoelde wijze en dit voor het begrotingsjaar 2014;
   2° het met toepassing van het 1° bekomen bedrag aan te passen op de in het tweede lid bedoelde wijze en vervolgens te verminderen op de in het derde lid bedoelde wijze, en dit voor het begrotingsjaar 2015.
   De in het eerste lid bedoelde aanpassing gebeurt op basis van :
   1° de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 38, § 3;
   2° de evolutie van het aantal inwoners ouder dan 80 jaar van het Rijk op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar ten opzichte van dat aantal op 1 januari van het vorige begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47/5, § 2, tweede lid, 2° en waarbij het aantal inwoners ouder dan 80 jaar wordt vastgesteld op de in § 5 bepaalde wijze;
   3° de reėle groei van het bruto binnenlands product per inwoner van het betrokken begrotingsjaar en vastgesteld op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 47/5, § 4, 3°.
   Het met toepassing van het tweede lid bekomen bedrag wordt verminderd met een percentage dat bekomen wordt door de verhouding te berekenen van het aantal inwoners ouder dan 80 jaar behorende tot de Duitstalige Gemeenschap op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar tot het aantal inwoners ouder dan 80 jaar van het Rijk op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar, en waarbij het aantal inwoners ouder dan 80 jaar wordt vastgesteld op de in § 5 bepaalde wijze.
   § 3. Voor het begrotingsjaar 2015 worden de middelen per entiteit bekomen door het met toepassing van § 2 bekomen bedrag tussen de in § 1 bedoelde entiteiten te verdelen volgens de sleutel van het aantal inwoners ouder dan 80 jaar op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar, die bekomen wordt door per entiteit de verhouding te berekenen van :
   1° het aantal inwoners ouder dan 80 jaar behorende tot de betrokken entiteit;
   2° de som van het aantal inwoners ouder dan 80 jaar behorende tot alle in § 1 bedoelde entiteiten;
   en waarbij het aantal inwoners ouder dan 80 jaar wordt vastgesteld op de in § 5 bepaalde wijze.
   Van de in het eerste lid vastgestelde middelen voor elke entiteit wordt een bedrag in mindering gebracht om rekening te houden met de geļsoleerde geriatriediensten, als bedoeld in artikel 5, § 1, I, eerste lid, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, die op 1 januari 2013 bestaan maar op datum van 1 januari 2015 geen dergelijke diensten meer zijn. Dat bedrag wordt bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de betrokken gemeenschapsregering of het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Het stemt overeen met het bedrag dat voor het begrotingsjaar 2013 voor deze diensten werd toegekend, zonder rekening te houden met de middelen voor de infrastructuur van deze diensten, en wordt aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reėle groei van het bruto binnenlands product van het begrotingsjaar 2014 en 2015 op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2. Het aangepaste bedrag wordt in mindering gebracht van de in het eerste lid vastgestelde middelen voor de entiteit die voor deze diensten bevoegd zou zijn geweest.
   § 4. Voor het begrotingsjaar 2016 en elk van de daaropvolgende begrotingsjaren worden voor de vaststelling van de middelen per entiteit de voor het vorige begrotingsjaar verkregen middelen jaarlijks aangepast aan :
   1° de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3;
   2° de evolutie van het aantal inwoners ouder dan 80 jaar in de betrokken entiteit op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar ten opzichte van dat aantal op 1 januari van het vorige begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47/5, § 2, tweede lid, 2°, en waarbij het aantal inwoners ouder dan 80 jaar wordt vastgesteld op de in § 5 bepaalde wijze;
   3° een percentage van de reėle groei van het bruto binnenlands product per inwoner van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47/5, § 4, 3°.
   Het in het eerste lid, 3°, vermelde percentage is gelijk aan :
   1° voor het begrotingsjaar 2016 : 82,5 %;
   2° vanaf het begrotingsjaar 2017 :
   a) 65 % op het deel van de reėle groei dat niet hoger is dan 2,25 %;
   b) 100 % op het deel van de reėle groei dat hoger is dan 2,25 %;
   § 5. Voor de toepassing van de §§ 1 tot 4 is het aantal inwoners ouder dan 80 jaar van :
   1° de Vlaamse Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners ouder dan 80 jaar behorende tot het Nederlandse taalgebied;
   2° de Franse Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners ouder dan 80 jaar behorende tot het Franse taalgebied;
   3° de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie gelijk aan het aantal inwoners ouder dan 80 jaar behorende tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
   4° de Duitstalige Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners ouder dan 80 jaar behorende tot het Duitse taalgebied.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 49, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 47/8. [1 Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een dotatie toegekend waarvan het basisbedrag gelijk is aan :
   a) 472.033.613 euro voor de Vlaamse Gemeenschap;
   b) 257.732.297 euro voor de Franse Gemeenschap;
   c) 128.644.410 euro voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
   Er wordt een bedrag in mindering gebracht om rekening te houden met de gespecialiseerde geļsoleerde diensten voor revalidatie en behandeling, als bedoeld in artikel 5, § 1, I, eerste lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, die op 1 januari 2013 bestaan maar op datum van 1 januari 2015 geen dergelijke diensten meer zijn. Dat bedrag wordt bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de betrokken gemeenschapsregering of het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschaps-commissie. Het stemt overeen met het bedrag dat voor het begrotingsjaar 2013 voor deze diensten werd toegekend, zonder rekening te houden met de middelen voor de infrastructuur van deze diensten, en wordt aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reėle groei van het bruto binnenlands product van de begrotingsjaren 2014 en 2015 op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2. Het aangepaste bedrag wordt in mindering gebracht van de middelen voor de entiteit die voor deze diensten bevoegd zou zijn geweest.
   Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden de middelen die aan de in het eerste lid bedoelde entiteiten worden toegekend, verkregen door jaarlijks de middelen van het vorige begrotingsjaar aan te passen aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan een percentage van de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in artikel 47/7, § 4, tweede lid.
   De middelen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van 1 januari van het betrokken begrotingsjaar ten opzichte van 1 januari van het vorige begrotingsjaar, van de verhouding tussen het aantal inwoners van de betrokken entiteit ten opzichte van het van de inwoners van het ganse Rijk.
   Voor de toepassing van het vierde lid, is het aantal inwoners van :
   1° de Vlaamse Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners behorende tot het Nederlandse taalgebied;
   2° de Franse Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners behorende tot het Franse taalgebied;
   3° de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie gelijk aan het aantal inwoners behorende tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 50, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 47/9. [1 § 1. Vanaf het begrotingsjaar 2016 wordt jaarlijks aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een dotatie toegekend omwille van hun bevoegdheid inzake financiering van ziekenhuisinfrastructuur en de medisch-technische diensten.
   Het basisbedrag van de in het eerste lid bedoelde dotatie is gelijk aan 566 185 617 euro.
   § 2. Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het in § 1 bedoelde bedrag aangepast aan :
   1° de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2014 en aan de reėle groei van het bruto binnenlands product van datzelfde begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2;
   2° de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2015 en aan de reėle groei van het bruto binnenlands product van datzelfde begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2;
   3° de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2016 en aan de reėle groei van het bruto binnenlands product van datzelfde begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
   Vanaf het begrotingsjaar 2017 worden de middelen die aan de in § 1, eerste lid, bedoelde entiteiten worden toegekend, verkregen door jaarlijks de middelen van het vorige begrotingsjaar aan te passen aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan een percentage van de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in artikel 47/7, § 4, tweede lid.
   § 3. Het overeenkomstig § 2 berekende bedrag wordt jaarlijks opgesplitst in twee delen; een eerste deel van 84,40 % en een tweede deel van 15,60 %. Beide delen worden aan de in § 1, eerste lid, bedoelde entiteiten toegewezen volgens de regels vermeld in het derde, respectievelijk vierde lid.
   Het eerste deel wordt verminderd met een percentage dat bekomen wordt door de verhouding te berekenen van het aantal inwoners behorende tot de Duitstalige Gemeenschap op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar tot het aantal inwoners van het Rijk op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar.
   Het met toepassing van het tweede lid bekomen bedrag wordt tussen de in § 1, eerste lid, bedoelde entiteiten verdeeld in functie van het aantal inwoners van het betrokken begrotingsjaar, door per entiteit de verhouding te berekenen van :
   1° het aantal inwoners behorende tot de betrokken entiteit;
   2° de som van het aantal inwoners behorende tot alle in § 1, eerste lid, bedoelde entiteiten.
   Het tweede deel wordt verdeeld onder de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap in verhouding tot het aantal inwoners als volgt :
   1° voor de Vlaamse Gemeenschap : het deel dat overeenstemt met de verhouding tussen enerzijds, de bevolking van het Vlaamse Gewest en 20 % van de bevolking van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en anderzijds, de bevolking van het Rijk op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar;
   2° voor de Franse Gemeenschap : het deel dat overeenstemt met de verhouding tussen enerzijds, de bevolking van het Waalse Gewest en 80 % van de bevolking van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en anderzijds, de bevolking van het Rijk op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar.
   Voor de toepassing van het tweede tot het vierde lid, is het aantal inwoners van :
   1° de Vlaamse Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners behorende tot het Nederlandse taalgebied;
   2° de Franse Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners behorende tot het Franse taalgebied;
   3° de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie gelijk aan het aantal inwoners behorende tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
   4° de Duitstalige Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners behorende tot het Duitse taalgebied.
   Het aantal inwoners op 1 januari van een begrotingsjaar wordt bepaald op dezelfde wijze als in artikel 47/5, § 2, tweede lid, 2°.
   § 4. De federale overheid verzekert, voor rekening van de gemeenschappen, de financiering van de investeringen in de infrastructuur en de medisch-technische diensten van de ziekenhuizen als bedoeld in artikel 5, § 1, I, 1°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, voor zover deze investeringen :
   1° uiterlijk op 31 december 2015 het voorwerp hebben uitgemaakt van een eerste aflossing;
   2° of, de nieuwbouw of de prioritaire verbeteringswerken betreffen die door de gemeenschappen worden gesubsidieerd en die werden voorzien op de bouwkalender die in het protocolakkoord afgesloten op de interministeriėle conferentie Volksgezondheid van 19 juni 2006 is voorzien;
   3° of, niet prioritaire verbeteringswerken betreffen, voor zover de investeringen conform zijn aan de van kracht zijnde federale regels en voor 31 december 2015 werden aangevangen.
   De uitgaven die door de federale overheid overeenkomstig het eerste lid worden uitgevoerd in de ziekenhuizen die afhangen van elk van de betrokken entiteiten, worden elk jaar in mindering gebracht van de respectievelijke dotaties van die entiteiten. Er wordt rekening gehouden met de raming van die uitgaven voor de doorstorting van de in artikel 54 bedoelde voorschotten.
   § 5. Elke gemeenschap of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie kan met de federale overheid een samenwerkingsakkoord afsluiten dat de omzetting van ziekenhuisbedden tot voorwerp heeft met het oog op de ten lasteneming van patiėnten buiten het ziekenhuis door een dienst die tot de bevoegdheid van de gemeenschap of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie behoort. In dit geval wordt in dat samenwerkingsakkoord voorzien dat bijkomende middelen worden toegekend aan de gemeenschap, de gemeenschappen of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie die in dat samenwerkingsakkoord betrokken partij zijn. Die middelen kunnen de kostprijs van de omgezette ziekenhuisbedden niet overschrijden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 51, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 47/10. [1 Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt aan de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap een dotatie toegekend waarvan het basisbedrag gelijk is aan :
   1° 51 737 934 euro voor de Vlaamse Gemeenschap;
   2° 34 610 699 euro voor de Franse Gemeenschap.
   Voor het begrotingsjaar 2016 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren worden de aan elke gemeenschap toegekende middelen bekomen door de middelen toegekend voor het vorige begrotingsjaar, of desgevallend, het verhoogde basisbedrag bekomen met toepassing van het derde lid aan te passen aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
   Vanaf het begrotingsjaar 2019 en vervolgens elke drie jaar berekent het Rekenhof per gemeenschap de evolutie over de laatste drie voorbije jaren van het aantal opdrachten in uitvoering van de federale wetgeving. Indien die evolutie hoger is dan de toename van de dotatie berekend overeenkomstig het tweede lid over dezelfde periode, wordt, voor de vaststelling van het bedrag van de aan de gemeenschap toe te kennen dotatie voor het volgende begrotingsjaar en voor elk van de daarop volgende begrotingsjaren, rekening gehouden met de hogere stijging van het aantal opdrachten gedurende die voorbije drie laatste jaren.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 52, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 47/11. [1 Vanaf het begrotingsjaar 2018 wordt jaarlijks aan de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap een dotatie toegekend waarvan het basisbedrag gelijk is aan :
   1° 17.704.421 euro voor de Vlaamse Gemeenschap;
   2° 13.910.617 euro voor de Franse Gemeenschap.
   Voor het begrotingsjaar 2019 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren worden de aan elke gemeenschap toegekende middelen vastgesteld door de voor het vorige begrotingsjaar bekomen middelen aan te passen aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 53, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  TITEL V. - [1 Mechanisme van nationale solidariteit]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 54, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 48.§ 1. [1 Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat betreft de vaststelling van het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, wordt jaarlijks een nationaal solidariteitsbedrag]1 toegekend aan het Gewest waarvan de gemiddelde opbrengst van de personenbelasting per inwoner lager ligt dan de gemiddelde opbrengst van de personenbelasting per inwoner voor het Rijk.
  § 2. Het basisbedrag van [1 nationale solidariteit]1 bedraagt 468 frank per inwoner en per procentpunt dat de gemiddelde opbrengst lager ligt. De gemiddelde opbrengst wordt berekend op basis van de cijfers vastgesteld overeenkomstig artikel 7, § 2.
  Vanaf het begrotingsjaar 1989 wordt het basisbedrag jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2. (Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.) <W 2001-07-13/35, art. 35, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 § 3. Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt jaarlijks een nationaal solidariteitsbedrag toegekend aan elk gewest waarvan het procentueel aandeel in de totale opbrengst van de federale personenbelasting lager is dan het procentueel aandeel in de bevolking van het Rijk.
   § 4. Voor het begrotingsjaar 2015 wordt een basisbedrag bepaald dat gelijk is aan de som, voor alle gewesten samen, van :
   1° het bedrag dat overeenstemt met de teller van de in artikel 5/2, § 1, derde lid, 1°, bedoelde verhouding die berekend wordt voor het begrotingsjaar 2015;
   2° het in artikel 35nonies bedoelde bedrag voor het begrotingsjaar 2015 voor de drie gewesten samen waarbij geen rekening wordt gehouden met de toepassing van de §§ 2 en 3 van dat artikel;
   3° het in artikel 35decies bedoelde bedrag voor het begrotingsjaar 2015 voor de drie gewesten samen;
   4° 50 % van de in artikel 47/2 bedoelde middelen voor het begrotingsjaar 2015 voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen.
   Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het in het eerste lid bedoelde basisbedrag :
   1° eerst aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2;
   2° en vervolgens verminderd met 1.009.494.000 euro.
   Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het bedrag van het vorige begrotingsjaar jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
   § 5. Het nationaal solidariteitsbedrag van het betrokken gewest wordt bepaald als het product van het in § 4 bedoelde basisbedrag en 80 % van de absolute waarde van het verschil tussen het procentueel aandeel van dat gewest in de totale opbrengst van de federale personenbelasting en het procentueel aandeel van dat gewest in de bevolking van het Rijk, waarbij de federale personenbelasting en de bevolking worden bepaald overeenkomstig artikel 7.
   § 6. Het totaal nationaal solidariteitsbedrag wordt gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de federale personenbelasting.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 55, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  TITEL V/1. [1 Overgangsmechanisme]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 56, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 48/1. [1 § 1. Bij wijze van overgangsmaatregel wordt voor het begrotingsjaar 2015 voor respectievelijk de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een overgangsbedrag bepaald als de som van :
   1° het bedrag verkregen door het verschil te maken voor het begrotingsjaar 2015 tussen :
   a) het met toepassing van artikel 36, tweede lid, bekomen bedrag van het toegewezen gedeelte van de opbrengst van belastingen, waarbij geen rekening wordt gehouden met het in artikel 47/2, § 1, 3°, bedoelde negatief bedrag;
   b) het met toepassing van artikel 36, eerste lid, bekomen bedrag van het toegewezen gedeelte van de opbrengst van belastingen;
   2° het bedrag verkregen door het in artikel 47/5, § 2, voor het begrotingsjaar 2015 bepaald bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 47/5, § 3, bedoelde verdeelsleutel en de volgende verdeelsleutel :
   a) voor de Vlaamse Gemeenschap : 54,20 %;
   b) voor de Franse Gemeenschap : 33,62 %;
   c) voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : 12,18 %;
   3° het bedrag verkregen door het in artikel 47/7, § 2, voor het begrotingsjaar 2015 bepaald bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 47/7, § 3, eerste lid, bedoelde verdeelsleutel en de volgende verdeelsleutel :
   a) voor de Vlaamse Gemeenschap : 61,98 %;
   b) voor de Franse Gemeenschap : 30,73 %;
   c) voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : 7,29 %;
   4° het bedrag verkregen door het verschil tussen het respectievelijke bedrag bepaald in artikel 47/8, eerste lid, voor het begrotingsjaar 2015 en het volgende bedrag :
   a) voor de Vlaamse Gemeenschap : 506.258.597 euro;
   b) voor de Franse Gemeenschap : 285.971.297 euro;
   c) voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : 28.798.525 euro;
   5° het bedrag verkregen door het in artikel 47/10 voor het begrotingsjaar 2015 bepaald bedrag te verminderen met :
   a) voor de Vlaamse Gemeenschap : 41.991.968 euro;
   b) voor de Franse Gemeenschap : 44.454.922 euro;
   6° het negatieve bedrag verkregen door het in artikel 40quinquies, eerste lid, 4°, voor het begrotingsjaar 2015 bepaald bedrag te vermenigvuldigen met de volgende verdeelsleutel :
   a) voor de Vlaamse Gemeenschap : 63,485 %;
   b) voor de Franse Gemeenschap : 36,505 %;
   c) voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : 0,01 %.
   7° de volgende bedragen :
   a) voor de Vlaamse Gemeenschap : een negatief bedrag van 4.553.362 euro;
   b) voor de Franse Gemeenschap : 4.526.332 euro.
   Wanneer instellingen die in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad zijn gevestigd, wegens hun organisatie moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap tijdens het begrotingsjaar 2013, en die tijdens hetzelfde begrotingsjaar een betoelaging hebben ontvangen in het kader van de aangelegenheden als bedoeld in artikel 5, § 1, I, eerste lid, 2° tot 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wordt het bedrag van die betoelaging voor het begrotingsjaar 2015 toegevoegd aan het in het eerste lid bedoelde overgangsbedrag van de betrokken gemeenschap en afgetrokken van het overgangsbedrag van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie indien, als gevolg van de wijziging van hun organisatie, die instellingen op 1 januari 2015 beschouwd moeten worden als niet meer uitsluitend behorend tot de ene of de andere gemeenschap en dit voor zover ze deze wijzigingen van hun organisatie ten laatste op 31 december 2014 ter kennis hebben gebracht van de betrokken gemeenschap en van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
   Wanneer instellingen die in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad zijn gevestigd, wegens hun organisatie moeten worden beschouwd als niet uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap tijdens het begrotingsjaar 2013, en die tijdens hetzelfde begrotingsjaar een betoelaging hebben ontvangen in het kader van de aangelegenheden als bedoeld in artikel 5, § 1, I, eerste lid, 2° tot 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wordt het bedrag van die betoelaging voor het begrotingsjaar 2015 toegevoegd aan het in het eerste lid bedoelde overgangsbedrag van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en afgetrokken van het overgangsbedrag van de betrokken gemeenschap indien, als gevolg van een wijziging van hun organisatie, die instellingen op 1 januari 2015 beschouwd moeten worden als uitsluitend behorend tot die gemeenschap en dit voor zover ze deze wijzigingen van hun organisatie ten laatste op 31 december 2014 ter kennis hebben gebracht van de betrokken gemeenschap en van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
   Het tweede en het derde lid zijn eveneens van toepassing voor dergelijke wijzigingen van het bicommunautaire statuut naar een unicommunautair statuur of omgekeerd, wanneer die instellingen dit ter kennis brengen tussen 1 januari en 31 december 2015 en mits het akkoord van de regering van de betrokken gemeenschap en van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschaps-commissie.
   § 2. Bij wijze van overgangsmaatregel wordt voor het begrotingsjaar 2015 voor respectievelijk het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een overgangsbedrag bepaald als de som van :
   1° het bedrag verkregen door de som te maken van :
   a) het in artikel 35ter voor het begrotingsjaar 2015 bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 35octies, § 1, vijfde lid, bedoelde verdeelsleutel en de in artikel 35ter, § 3, bedoelde verdeelsleutel;
   b) het in artikel 35quater voor het begrotingsjaar 2015 bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 35octies, § 1, vijfde lid, bedoelde verdeelsleutel en de in artikel 35quater, § 1, bedoelde verdeelsleutel;
   c) het in artikel 35quinquies voor het begrotingsjaar 2015 bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 35octies, § 1, vijfde lid, bedoelde verdeelsleutel en de in artikel 35quinquies, eerste lid, bedoelde verdeelsleutel;
   d) het in artikel 35sexies voor het begrotingsjaar 2015 bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 35octies, § 1, vijfde lid, bedoelde verdeelsleutel en de in artikel 35sexies, derde lid, bedoelde verdeelsleutel;
   e) het in artikel 35septies voor het begrotingsjaar 2015 bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 35octies, § 1, vijfde lid, bedoelde verdeelsleutel en de in artikel 35septies, derde lid, bedoelde verdeelsleutel;
   2° het bedrag verkregen door het in artikel 35octies, § 1, tweede lid, 2°, bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 35octies, § 1, vijfde lid, bedoelde verdeelsleutel en de volgende verdeelsleutel :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 49,35 %;
   b) voor het Waalse Gewest : 38,02 %;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 12,63 %;
   3° het bedrag verkregen door het in artikel 35nonies, § 1, tweede lid, 1° tot 3°, voor het begrotingsjaar 2015 bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 35nonies, § 1, zesde lid, bedoelde verdeelsleutel en de volgende verdeelsleutel :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 51,705 %;
   b) voor het Waalse Gewest : 34,765 %;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 13,53 %;
   4° de negatieve waarde van een bedrag gelijk aan een negende van het in artikel 35nonies, § 1, tweede lid, 1° en 2°, bedoelde bedrag verdeeld tussen de gewesten volgens de volgende verdeelsleutel :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 52,43 %;
   b) voor het Waalse Gewest : 34,51 %;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 13,06 %;
   5° de som van de volgende twee bedragen :
   a) het bedrag verkregen door het in artikel 35decies, tweede lid, bepaalde referentiebedrag voor het begrotingsjaar 2015 te vermenigvuldigen met 60 % van het verschil tussen de in artikel 35decies, vijfde lid, bedoelde verdeelsleutel en de verdeelsleutel van de in artikel 5/5, § 4, bedoelde fiscale uitgaven voor het aanslagjaar 2015, uitgedrukt bij ongewijzigd beleid en vastgesteld bij het verstrijken van de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalde aanslagtermijn;
   b) het bedrag verkregen door het in artikel 35decies, tweede lid, bepaalde referentiebedrag voor het begrotingsjaar 2015 te vermenigvuldigen met 40 % van het verschil tussen de in artikel 5/2, § 1, derde lid, 1°, gedefinieerde PB-sleutel en de verdeelsleutel van de in artikel 5/5, § 4, bedoelde fiscale uitgaven voor het aanslagjaar 2015, uitgedrukt bij ongewijzigd beleid en vastgesteld bij het verstrijken van de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalde aanslagtermijn;
   6° het bedrag dat verkregen wordt door het bedrag dat overeenstemt met de teller van de in artikel 5/2, § 1, derde lid, 1°, bedoelde verhouding, die berekend wordt voor het begrotingsjaar 2015, te vermenigvuldigen met het verschil tussen de "verdeelsleutel ontvangsten" en de in datzelfde artikel gedefinieerde "PB-sleutel" voor het begrotingsjaar 2015;
   7° het bedrag verkregen door het verschil te maken tussen het in artikel 33bis voor het begrotingsjaar 2015 bepaalde bedrag en het in artikel 5/2, § 1, derde lid, 1°, bepaald bedrag C dat vooraf wordt vermenigvuldigd met de "PB-sleutel" zoals gedefinieerd in datzelfde artikel;
   8° het bedrag verkregen door het verschil te maken tussen het in artikel 48, §§ 3 tot 6, bepaalde bedrag, voor het begrotingsjaar 2015, waarbij rekening wordt gehouden met een in artikel 48, § 4, eerste lid, bepaalde bedrag dat is verhoogd met 1.009.494.000 euro, en het in artikel 48, §§ 1 en 2, berekende bedrag voor het begrotingsjaar 2015;
   9° de volgende bedragen :
   a) voor het Waalse Gewest : 192 017 euro;
   b) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : een negatief bedrag van 630.647 euro.
   Voor de in het eerste lid, 5°, bepaalde bedrag wordt, zolang de verdeelsleutel van de in artikel 5/5, § 4, bedoelde fiscale uitgaven voor het aanslagjaar 2015, uitgedrukt bij ongewijzigd beleid en vastgesteld bij het verstrijken van de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalde aanslagtermijn, niet is vastgesteld, de volgende verdeelsleutel toegepast :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 65,17 %;
   b) voor het Waalse Gewest : 28,73 %;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 6,10 %.
   Onder de in het eerste lid, 6°, bedoelde "verdeelsleutel ontvangsten" wordt verstaan : het aandeel van elk gewest, uitgedrukt in procenten, in de ontvangsten voor de drie gewesten samen van de in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde opcentiemen voor het aanslagjaar 2015, uitgedrukt bij ongewijzigd beleid en vastgesteld bij het verstrijken van de in artikel 359 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aanslagtermijn.
   § 3. In de mate dat voor de vaststelling van het in de §§ 1 en 2 bedoelde overgangsbedrag per gewest en per gemeenschap voor het begrotingsjaar 2015, de toepassing van de artikelen 5/2, § 1, derde lid, 1°, 35nonies, 35decies, 36, tweede lid, 2°, en 48, §§ 3 tot 5, gebaseerd is op de federale personenbelasting, wordt de vaststelling van het overgangsbedrag op definitieve wijze uitgevoerd op basis van de federale personenbelasting van het aanslagjaar 2015, uitgedrukt bij ongewijzigd beleid en vastgesteld bij het verstrijken van de aanslagtermijn bepaald in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
   § 4. Het per entiteit overeenkomstig de §§ 1 tot 3 vastgestelde overgangsbedrag, zal gedurende de jaren 2015 tot en met 2024 in nominale waarde constant blijven en vanaf 2025 tot en met 2034 over tien jaar lineair afnemen tot nul.
   Evenwel wordt aan het in de §§ 1 en 3 bepaalde overgangsbedrag voor de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie vanaf het begrotingsjaar 2016 een bedrag toegevoegd dat overeenstemt met het verschil, voor het begrotingsjaar 2016, tussen :
   1° het in artikel 47/9, § 2, eerste lid, bepaalde bedrag, verdeeld volgens artikel 47/9, § 3, en verminderd met het bedrag van de financieringen die door de federale overheid voor de betrokken entiteit overeenkomstig artikel 47/9, § 4, worden verzekerd;
   2° het in artikel 47/9, § 2, eerste lid, bepaalde bedrag, verminderd met het bedrag van de financieringen die door de federale overheid voor de drie entiteiten samen overeenkomstig artikel 47/9, § 4, worden verzekerd en vermenigvuldigd met de volgende verdeelsleutel :
   a) voor de Vlaamse Gemeenschap : 57,76 %;
   b) voor de Franse Gemeenschap : 34,01 %;
   c) voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : 7,69 %;
   Het overeenkomstig het tweede lid toegevoegde bedrag blijft gedurende de jaren 2016 tot en met 2024 in nominale waarde constant en zal vanaf 2025 tot en met 2034 over tien jaar lineair afnemen tot nul.
   § 5. Is het overgangsbedrag positief dan wordt het met toepassing van § 4 bekomen bedrag gedurende de periode 2015 tot en met 2033 jaarlijks in mindering gebracht van :
   1° voor de gewesten : de middelen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk II, afdeling 4, die toegekend worden aan het betrokken gewest;
   2° voor de gemeenschappen : de middelen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk III, afdeling 3, onderafdeling 2, die toegekend worden aan de betrokken gemeenschap;
   3° voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : de haar toegekende middelen bedoeld in artikel 65 en in voorkomend geval de middelen als bedoeld in de artikelen 47/8 en 47/7.
   Is het overgangsbedrag negatief wordt de absolute waarde van het met toepassing van § 4 bekomen bedrag gedurende de periode 2015 tot en met 2033 jaarlijks toegevoegd aan :
   1° voor de gewesten : de middelen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk II, afdeling 4, die toegekend worden aan het betrokken gewest;
   2° voor de gemeenschappen : de middelen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk III, afdeling 3, onderafdeling 2, die toegekend worden aan de betrokken gemeenschap;
   3° voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : de haar toegekende middelen als bedoeld in artikel 65.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 57, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  TITEL VI. - LENINGEN.

  Art. 49. (§ 1. De gemeenschappen en de gewesten kunnen leningen aangaan in euro of in deviezen.
  § 2. De programmatie van de openbare leningen wordt vastgesteld door de Ministerraad na overleg met de regeringen.
  De voorwaarden en de uitgiftekalender van elke openbare lening worden ter goedkeuring aan de minister van Financiėn voorgelegd.
  Indien deze goedkeuring door de Minister van Financiėn wordt geweigerd, kan de betrokken regering vragen dat de kwestie ter beslissing aan de Ministerraad wordt voorgelegd.
  § 3. De gemeenschappen en de gewesten kunnen privé-leningen en kortlopende effecten uitgeven na de Minister van Financiėn terzake te hebben geļnformeerd. De modaliteiten van de mededeling en de inhoud van deze informatie maken het voorwerp uit van een overeenkomst tussen de Minister van Financiėn en de regeringen.) <W 2001-07-13/35, art. 36, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 4. (opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 36, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 5. De instellingen van openbaar nut die afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten zijn onderworpen aan de bepalingen (van § 2). Deze bepalingen worden op hen toegepast door tussenkomst van de betrokken Executieve. <W 2001-07-13/35, art. 36, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 6. Binnen de Hoge Raad van Financiėn richt de Koning een afdeling " Financieringsbehoeften van de overheid " op. Deze afdeling telt twaalf leden, aangeduid door de Koning, op grond van hun bijzondere bevoegdheid en ervaring op financieel-economisch gebied, op voordracht van de Ministers van Financiėn en van Begroting. De helft van de leden wordt voorgedragen op voorstel van de Executieven. De andere helft omvat de vertegenwoordiger van de Minister van Financiėn in het bureau van deze Raad, alsook drie leden voorgesteld door de Nationale Bank van Belgiė, waaronder de vertegenwoordiger van de Nationale Bank van Belgiė in het genoemde bureau. De afdeling telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden. De Koning regelt de samenstelling en werking van de afdeling evenals het stelsel van de onverenigbaarheden bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen na advies van de Executieven.
  De afdeling stelt jaarlijks een advies op over de financieringsbehoeften van de overheden.
  De afdeling kan ambtshalve of op vraag van de Minister van Financiėn een advies uitbrengen over de opportuniteit de leningcapaciteit van een overheid te beperken, in functie van de noodzaak om de economische unie en de monetaire eenheid niet in het gedrang te brengen, verstoringen van het interne en externe monetaire evenwicht te vermijden en een structurele ontsporing van de financieringsbehoeften te voorkomen.
  Ieder advies van de afdeling wordt medegedeeld aan de Regering en desgevallend aan de betrokken Executieve.
  Bij de beoordeling van de financieringsbehoeften van de overheden houden de ter uitvoering van deze paragraaf opgestelde adviezen niet alleen rekening met de financieringsbehoeften van de betrokken overheden zelf, maar ook met die van de instellingen waarvan de financiėle dienst de begroting van die overheden bezwaart.
  § 7. Na het advies van de in § 6 genoemde afdeling te hebben ontvangen, kan de Koning, op voorstel van de Minister van Financiėn en bij een in Ministerraad overlegd besluit, voor een periode van ten hoogste twee jaar de leningmogelijkheid van een Gemeenschap of Gewest beperken. Dat besluit wordt genomen na overleg met de betrokken Executieve.
  Zolang het in voorgaand lid vermelde besluit van kracht is, worden alle leningen bedoeld in § 3 van de betrokken Gemeenschap, het betrokken Gewest of de instellingen bedoeld in § 5 voorgelegd aan de goedkeuring van de Minister van Financiėn.
  § 8. Jaarlijks wordt bij de middelenbegroting van de Gemeenschappen en de Gewesten een staat gevoegd om hun totale uitstaande schuld op 31 december van de laatste drie jaren.
  Maandelijks wordt een gedetailleerde staat van de totale uitstaande schuld van iedere Gemeenschap en ieder Gewest medegedeeld aan de Minister van Financiėn. Deze staat wordt maandelijks bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  Onder schuld wordt in deze paragraaf verstaan de schuld van de Gemeenschappen en Gewesten, met inbegrip van de verbintenissen van instellingen waarvan de financiėle dienst de begroting van de Gemeenschappen en Gewesten bezwaart.

  Art. 49bis. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 37; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De bepalingen van artikel 49 met uitzondering van § 6, eerste lid, zijn van toepassing op de krachtens artikel 138 van de Grondwet toegekende bevoegdheden aan de Franse Gemeenschapscommissie.

  TITEL VII. - BEPALINGEN VAN BUDGETTAIRE EN FINANCIELE ORGANISATIE.

  Art. 50. § 1. (Elk Parlement) keurt jaarlijks de begroting goed en sluit de rekeningen af. <W 2006-03-27/33, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  De algemene rekening van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt, samen met de opmerkingen van het Rekenhof, aan (hun Parleent) overgezonden. <W 2006-03-27/33, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  Alle ontvangsten en uitgaven worden ingeschreven in de begroting en de rekeningen.
  § 2. De wet bepaalt de algemene bepalingen die van toepassing zijn op de begrotingen en de boekhouding van de Gemeenschappen en de Gewesten, alsook op de organisatie van de controle uitgeoefend door het Rekenhof.
  Wat de instellingen van openbaar nut betreft die afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten, bepaalt de wet de algemene bepalingen betreffende de organisatie van de controle door het Rekenhof.
  De wet bepaalt de algemene bepalingen op de controle inzake het verlenen en het gebruik van subsidies.

  Art. 51. De Gemeenschappen en de Gewesten organiseren een eigen administratieve- en begrotingscontrole en doen daartoe een beroep op inspecteurs van Financiėn die hun ter beschikking worden gesteld en onder hun gezag staan.
  De inspecteurs van Financiėn stellen hun verslagen op in volle onafhankelijkheid, en delen deze alleen mee aan de Executieve waaronder zij ressorteren.
  Na akkoord van de Executieven, organiseert de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het korps van de Inspectie van Financiėn, de betrokkenheid van de Gemeenschappen en de Gewesten aan het beheer ervan alsook de terbeschikkingstelling van de inspecteurs van Financiėn bij de Gemeenschappen en Gewesten met het oog op de uitvoering van de opdrachten die hun krachtens het eerste lid zijn toevertrouwd.

  Art. 52. De Gemeenschappen en de Gewesten organiseren hun eigen thesaurie, volgens modaliteiten bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na akkoord van de Executieven. Gedurende een overgangsperiode van twee jaar eindigend op 31 december 1990 wordt de thesaurie van de Gemeenschappen en de Gewesten evenwel waargenomen door de thesaurie van de Staat, volgens modaliteiten bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na akkoord van de Executieven.

  Art. 53. De Rijksmiddelenbegroting bepaalt :
  1° de bedragen vastgesteld, per Gewest, van de belastingen bedoeld in artikel 3, behalve wanneer het Gewest gebruik maakt van de mogelijkheid voorzien in artikel 5, § 3;
  1°bis (opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 38, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° de bedragen vastgesteld per Gemeenschap en bedoeld in artikel 36;
  3° de bedragen vastgesteld per Gewest en bedoeld in de artikelen 12 en 34.
  Over het ontwerp houdende de Rijksmiddelenbegroting wordt inzake deze punten vooraf overleg gepleegd tussen de nationale overheid en de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven. Over het bedrag van de nationale solidariteitstussenkomst bedoeld in artikel 48 wordt hetzelfde voorafgaand overleg gepleegd.

  Art. 54.§ 1. De middelen bedoeld [1 in artikel 2]1 , die krachtens een internationaal verdrag aan de nationale overheid worden gestort, worden door deze laatste aan de bevoegde instelling van de Gemeenschap of van het Gewest overgemaakt op het einde van de maand die volgt op de maand waarin ze worden geļnd.
  [1 Wanneer de federale overheid, omwille van haar bevoegdheden inzake politie en justitie, in artikel 2bis bedoelde ontvangsten int, stort zij die ontvangsten door aan de bevoegde instelling van het gewest op het einde van de maand die volgt op de maand waarin zij door de federale overheid werden geļnd.]1
  Onverminderd artikel 5, § 3, worden de middelen bedoeld in titel III en [1 ...]1, door het Ministerie van Financiėn aan de bevoegde instelling van het Gewest overgemaakt op het einde van de maand die volgt op de maand waarin ze door het Ministerie van Financiėn worden geļnd.
  De middelen bedoeld in titel IV, met uitzondering van deze bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 3°, [1 en de in de titels V en V/1 en in de artikelen 64quater, 64quinquies, 65, 65bis en 65ter bedoelde middelen]1 worden, op de eerste werkdag van elke maand, door het Ministerie van Financiėn aan de bevoegde instelling van de Gemeenschap of van het Gewest overgemaakt ten belope van één twaalfde van het begrote bedrag. Elke twaalfde is een voorschot dat verrekend wordt met de opbrengst van de inning van de betrokken belasting gedurende dezelfde maand. Na afloop van het jaar deelt het Ministerie van Financiėn aan de bevoegde instelling van de Gemeenschap of van het Gewest een tabel mee die, voor iedere maand van het afgelopen jaar, het bedrag van het gestorte twaalfde en het bedrag van het overeenkomstige deel van de werkelijk ontvangen opbrengst van de toegewezen belasting aangeeft. Het positieve saldo ten voordele van de Gemeenschap of van het Gewest wordt maandelijks geboekt als een lening aan het Ministerie van Financiėn. Het positieve saldo ten voordele van het Ministerie van Financiėn wordt maandelijks geboekt als een lening aan de betrokken Gemeenschap of het betrokken Gewest. De financiėle modaliteiten van deze verrichtingen worden geregeld door een overeenkomst tussen de Minister van Financiėn en de Executieven.
  De middelen bedoeld [1 in titel IV/1]1 worden, op de eerste werkdag van elke maand, door het Ministerie van Financiėn aan de bevoegde instelling van het Gewest overgemaakt ten belope van één twaalfde van het begrote bedrag.
  [1 Wanneer de in artikel 35decies bedoelde referentiebedragen, de in artikel 48/1, § 2, eerste lid, 5°, bedoelde verdeelsleutel van de fiscale uitgaven, de op basis van artikel 48/1, § 3, bekomen verdeelsleutel van de federale personenbelasting en bijgevolg de krachtens de artikelen 48 en 48/1 toe te kennen bedragen definitief zijn vastgesteld, wordt het verschil tussen de op basis van de voorlopige bedragen toegekende bedragen en de bedragen toe te wijzen op basis van de definitieve bedragen geboekt, ten behoeve van de federale overheid of ten behoeve van elk van de gemeenschappen, gewesten of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, naargelang het verschil positief of negatief is. Het verschil wordt, naargelang het geval, afgetrokken of toegevoegd aan de in het vierde of het vijfde lid voorziene maandelijkse storting of stortingen die volgen op de maand tijdens dewelke de referentiebedragen en verdeelsleutels in kwestie definitief worden vastgesteld, met dien verstande dat de verrekening op elk van de maandelijkse stortingen niet meer mag bedragen dan 2 % van die maandelijkse stortingen.
   Wanneer de in artikel 5/2, § 1, bedoelde autonomiefactor definitief is bepaald, wordt per gewest het verschil berekend tussen enerzijds, de ontvangsten van de gewestelijke opcentiemen van het aanslagjaar 2015 die geļnd worden tot en met 31 december 2016 en als bedoeld in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 1°, en anderzijds, het bedrag dat verkregen wordt door de definitieve waarde van de noemer van de autonomiefactor te vermenigvuldigen met het procentueel aandeel van het betrokken gewest in de ontvangsten, voor de drie gewesten samen, van de gewestelijke opcentiemen van datzelfde aanslagjaar die geļnd worden tot en met 31 december 2016 en als bedoeld in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 1°.
   Vervolgens wordt de som gemaakt van :
   1° het bedrag gelijk aan het in het zevende lid bepaalde verschil;
   2° het bedrag dat bekomen wordt door het in 1° bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2016 en aan de reėle groei van het bruto binnenlands product van het begrotingsjaar 2016 op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2;
   3° het bedrag dat bekomen wordt door het in 2° bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2017 en aan de reėle groei van het bruto binnenlands product van het begrotingsjaar 2017 op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
   Tenslotte wordt, naargelang de in het achtste lid bepaalde som gelijk is aan een positief of een negatief bedrag, haar absolute waarde, in mindering gebracht of toegevoegd aan de in het vierde en het vijfde lid bedoelde maandelijkse storting of stortingen voor de tweede maand die volgt op de maand waarin de autonomiefactor definitief wordt vastgesteld, met dien verstande dat de verrekening op elk van de maandelijkse stortingen niet meer mag bedragen dan 2 % van die maandelijkse stortingen.
   Het bedrag van de maatregelen die voor rekening van de gewesten werden uitgevoerd overeenkomstig artikel 6, § 1, IX, 7°, a) en b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen wordt in mindering gebracht van de in het vierde lid bedoelde middelen volgens nadere regels die worden vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gewesten.]1
  § 2. In geval van overschrijding van [1 de in § 1 bepaalde termijnen]1 of van ontoereikende storting en na mededeling daarvan aan de Minister van Financiėn, heeft de betrokken Gemeenschap of het betrokken Gewest het recht een lening aan te gaan bij een vooraf in akkoord met de Minister van Financiėn aangeduide kredietinstelling. Deze lening geniet van rechtswege de staatswaarborg. Het financiėle stelsel van deze lening maakt het voorwerp uit van een algemene vooraf gesloten overeenkomst tussen de Minister van Financiėn, elke Executieve en de betrokken kredietinstelling.
  De financiėle dienst van deze lening is rechtstreeks ten laste van de Staat.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 58, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 54/1. [1 § 1. De Federale Overheidsdienst Financiėn zendt maandelijks, uiterlijk de laatste dag van de maand volgend op de inning van de personenbelasting, aan de gewesten een overzicht per aanslagjaar.
   Het maandelijks overzicht bevat de volgende gegevens :
   1° de aard van de belasting;
   2° de maand en het jaar van inning;
   3° het aanslagjaar waarvoor de inning is gebeurd;
   4° het bedrag van de gewestelijke personenbelasting;
   5° de gewestelijke belastingkredieten.
   § 2. De Federale Overheidsdienst Financiėn zendt na afsluiten van de termijn als bedoeld in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en na de termijn als bedoeld in artikel 354, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, een opgave met volgende bedragen :
   1° het bedrag van de gewestelijke opcentiemen;
   2° het bedrag van de gewestelijke kortingen;
   3° het bedrag van de gewestelijke belastingvermeerderingen per categorie;
   4° het bedrag van de gewestelijke belastingverminderingen per categorie;
   5° het bedrag van de gewestelijke belastingkredieten per categorie;
   6° het bedrag van de gewestelijke belastingverminderingen die zijn verrekend met de federale personenbelasting, per categorie.
   § 3. Inzake personenbelasting worden de in artikel 5/1, § 1, bedoelde middelen voor een gegeven begrotingsjaar, op de eerste werkdag van elke maand, door de Federale Overheidsdienst Financiėn aan de bevoegde instelling van het gewest overgemaakt ten belope van een twaalfde van het geraamde bedrag voor het aanslagjaar waarvoor de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aanslagtermijn aanvangt op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar.
   Het in het eerste lid vermelde bedrag wordt bekomen door de vermoedelijke ontvangsten voor dat bedoelde aanslagjaar te ramen na verloop van de termijn als bedoeld in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 volgens de methodologie die wordt vastgesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gewestregeringen. Dit bedrag is :
   1° aan te vullen met de door de Federale Overheidsdienst Financiėn geraamde budgettaire impact van de discretionaire maatregelen van het gewest als bedoeld in artikel 5/1, § 1, die van toepassing zijn op het aanslagjaar waarvoor de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aanslagtermijn aanvangt op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar;
   2° en in voorkomend geval, te vervolledigen met de discretionaire maatregelen die door het gewest werden beslist in het raam van de opmaak van zijn initiėle begroting voor het betrokken begrotingsjaar.
   Elk twaalfde is een voorschot dat verrekend wordt met de geļnde opbrengst van het aanslagjaar waarvoor de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aanslagtermijn aanvangt op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar.
   § 4. Na afloop van de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aanslagtermijn wordt een eerste afrekening opgemaakt. Daartoe deelt de Federale Overheidsdienst Financiėn op het einde van de derde maand die volgt op het verstrijken van die aanslagtermijn, aan de bevoegde instelling van het gewest een overzicht mee dat de volgende gegevens bevat :
   1° het bedrag van de aan het gewest gestorte maandelijkse voorschotten tijdens het betrokken begrotingsjaar;
   2° de som van de door de Federale Overheidsdienst Financiėn geļnde bedragen voor de in artikel 5/1, § 1, bedoelde ontvangsten van het gewest tijdens de twintig maanden die zijn verlopen sinds de aanvang van het aanslagjaar.
   Met ingang van de derde maand die volgt op het verstrijken van de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aanslagtermijn wordt een maandelijkse afrekening van de ontvangsten en uitgaven opgemaakt. Daartoe deelt de Federale Overheidsdienst Financiėn op het einde van elke maand die daarop volgt, aan de bevoegde instelling van het gewest een overzicht mee dat voor de verlopen maand de volgende gegevens bevat :
   1° de effectief ontvangen gewestelijke belasting;
   2° de eventueel op de gewestelijke belasting verrichte terugbetalingen, de verrekening van gewestelijke belastingverminderingen en de gewestelijke belastingkredieten.
   § 5. De nadere financiėle regels van de in paragrafen 3 en 4 bedoelde verrichtingen worden geregeld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gewestregeringen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 59, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 54/2. [1 § 1. Het belastingstelsel van de niet-inwoners wordt zo toegepast dat rekening wordt gehouden met de gewestelijke belastingregels, zijnde de in artikel 5/1, § 1, bedoelde opcentiemen, kortingen, belastingverminderingen en -vermeerderingen en belastingkredieten, teneinde het principe van vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal in het kader van de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte na te leven alsmede de non-discriminatiebepalingen uit de verdragen ter vermijding van de dubbele belasting.
   Om te bepalen met welke gewestelijke belastingregels rekening moet worden gehouden, wordt de lokalisatie van de niet-inwoners bij wet vastgelegd na overleg met de gewestregeringen.
   § 2. De Federale Overheidsdienst Financiėn zendt maandelijks, uiterlijk de laatste dag van de maand volgend op de inning van de belasting van niet-inwoners, aan de gewesten een overzicht per aanslagjaar.
   Het maandelijks overzicht bevat de volgende gegevens :
   1° de aard van de belasting;
   2° de maand en het jaar van inning;
   3° het aanslagjaar waarvoor de inning is gebeurd;
   4° het verschil tussen de referentiebelasting en de individueel berekende verschuldigde belasting.
   De referentiebelasting is gelijk aan de verschuldigde belasting die berekend worden volgens de federale belastingregels zonder toepassing van § 1 en van artikel 5/2, § 1.
   § 3. Inzake de belasting van niet-inwoners wordt het in § 2 bedoelde verschil uiterlijk op het einde van de maand die volgt op die waarin het overzicht is verstuurd, betaald.
   § 4. De nadere financiėle regels van de in de § 3 bedoelde verrichtingen worden geregeld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gewestregeringen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 60, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2013>

  TITEL VIII. - DIVERSE BEPALINGEN.

  Art. 55. § 1. De aandelen en vorderingen van de Nationale Maatschappij voor de Herstructurering van de Nationale Sectoren (NMNS) in en ten opzichte van de ondernemingen, investen inbegrepen, die in het Vlaamse Gewest, in het Waalse Gewest en in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest zijn gevestigd, worden respectievelijk aan het Fonds voor de Herstructurering van de Nationale Sectoren in het Vlaamse Gewest (FNSV), aan het " Fonds pour la restructuration des Secteurs nationaux en Région wallonne (FSNW) " en aan de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Brussel (GIMB) overgedragen.
  Deze overdrachten zijn zonder verdere formaliteiten van rechtswege tegenstelbaar aan derden, vanaf de inwerkingtreding van deze wet.
  De inventaris van de aandelen en vorderingen die aan iedere instelling worden overgedragen, wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, ten laatste één maand na de inwerkingtreding van deze wet.
  § 2. Op de datum van inwerkingtreding van onderhavige wet worden aan de fondsen en de GIMB bedoeld in § 1, ieder voor wat hem betreft, de financiėle middelen overgedragen die overeenstemmen met de saldi van de op die datum bestaande reconversie-enveloppes. De fondsen moeten de beleggingsopbrengst van deze financiėle middelen aan de NMNS storten, zolang die middelen niet voor reconversieprojecten aangewend zijn.
  De stortingsmodaliteiten van de beleggingsopbrengst zullen, na overleg met de betrokken Executieven, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden bepaald.
  § 3. Iedere verkrijgende instelling bedoeld onder § 1 draagt kapitaalsaandelen over aan de overdragende instelling, voor een bedrag dat overeenstemt met de krachtens §§ 1 en 2 ontvangen aandelen, vorderingen en financiėle middelen.
  § 4. De Nationale Maatschappij voor de Nationale Sectoren draagt onverwijld aan de Staat alle aandelen over, die zij bezit in de instellingen bedoeld onder § 1, met inbegrip van de aandelen bedoeld in § 3. De Staat draagt deze op zijn beurt onverwijld en kosteloos over aan de bevoegde Gewesten.
  § 5. De overdracht van aandelen, vorderingen en financiėle middelen bedoeld in §§ 1 en 2 zijn vrijgesteld van registratierechten.
  § 6. Vanaf 1 januari 1989 worden de in artikel 12 van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en de lasten van het verleden van de Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren bedoelde bevoegdheden van de Staat uitgeoefend door het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, ieder voor wat betreft de ondernemingen die op zijn grondgebied zijn gevestigd.
  § 7. De Gewesten moeten, ieder voor wat hem betreft, in de nodige middelen voorzien om de verbintenissen na te komen, die werden aangegaan respectievelijk door het FNSV en het FSNW, en die reeds bestonden op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  § 8. De Staatswaarborg toegekend bij koninklijk besluit van 29 juni 1981 tot oprichting van een Belgische Maatschappij voor de Financiering van de Nijverheid wordt, tot 31 december 2004, behouden ten belope van een bedrag van 20 miljard frank voorzien voor de staalsector, aan de voorwaarden bepaald in voormeld koninklijk besluit.
  De Staatswaarborg toegekend in toepassing van de wet van 23 augustus 1948 strekkende tot het in stand houden en het uitbreiden van de koopvaardij- en de vissersvloot en de scheepsbouw en houdende instelling ten dien einde, van een Fonds voor het uitreden en het aanbouwen van zeeschepen, wordt, tot 31 december 2004, behouden op het huidige bedrag van 18 miljard frank, aan de voorwaarden in deze wet voorzien.
  § 9. De schuldvorderingen op het FSNW, ingevolge de Overeenkomst betreffende de leningen door dit fonds uitgegeven op 4 juni 1984, genieten een bijzonder voorrecht op :
  1° de successierechten aan het Waalse Gewest toegekend met toepassing van de artikelen 4 tot 11, ten bedrage van de vaststaande en eisbare schuldvorderingen voor ieder begrotingsjaar;
  2° de schuldvorderingen die het FSNW bezit op de ondernemingen behorende tot de sectoren van de steenkolenmijnen, de scheepsbouw en de scheepsherstelling, de glasverpakkingsnijverheid, de textielnijverheid en de staalnijverheid, met inbegrip van het vervoer van ertsen en cokes, en de aandelen en winstbewijzen die zij in deze ondernemingen bezit.
  De schuldvorderingen op het FNSV, ingevolge de Overeenkomst betreffende de leningen door dit fonds uitgegeven op 16 juli 1987, genieten een bijzonder voorrecht op :
  1° de successierechten aan het Vlaamse Gewest toegekend met toepassing van de artikelen 4 tot 11, ten bedrage van de vaststaande en eisbare schuldvorderingen voor ieder begrotingsjaar;
  2° de schuldvorderingen die het FNSV bezit op de ondernemingen behorende tot de sectoren van de steenkolenmijnen, de scheepsbouw en de scheepsherstelling, de glasverpakkingsnijverheid, de textielnijverheid en de staalnijverheid, met inbegrip van het vervoer van ertsen en cokes, en de aandelen en winstbewijzen die zij in deze ondernemingen bezit.
  Het bijzonder voorrecht bedoeld in onderhavige paragraaf neemt rang onmiddellijk na deze voorzien bij artikel 20, 4°, van de wet van 16 december 1851, betreffende de voorrechten en hypotheken.
  § 10. De vorderingen van het Fonds voor het Scheepskrediet alsook het saldo van het Fonds op postcheckrekening worden aan het Vlaamse Gewest overgedragen bij de inwerkingtreding van deze wet.
  Deze overdrachten zijn zonder verdere formaliteiten van rechtswege tegenstelbaar aan derden, vanaf de inwerkingtreding van deze wet.
  § 11. De Staat is ertoe gehouden alle uitgaven ten laste te nemen welke voortvloeien uit beslissingen die door de nationale overheid vóór de inwerkingtreding van deze wet werden genomen met toepassing van de wet van 17 juli 1959 tot invoering en ordening van maatregelen ter bevordering van de economische expansie en de oprichting van nieuwe industrieėn, de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie of de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriėntering en die betrekking hebben op ondernemingen die behoren tot de sectoren van de steenkolenmijnen, de scheepsbouw en scheepsherstelling, de glasverpakkingsnijverheid, de textielnijverheid en de staalnijverheid, met inbegrip van het vervoer van ersten en cokes.

  Art. 56. § 1. Als saldi voor de eerste, tweede en derde opdracht van het Fonds voor Industriėle Vernieuwing, bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit nr 31 van 15 december 1978 tot instelling van een Fonds voor Industriėle Vernieuwing, worden aan de Gewesten de volgende bedragen overgedragen :
  876,8 miljoen frank aan het Vlaamse Gewest;
  547,3 miljoen frank aan het Waalse Gewest;
  237,7 miljoen frank aan het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.
  Deze bedragen worden bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, genomen na overleg met de betrokken Executieven, verminderd met de na 30 november 1988 op de begroting van het jaar 1988 geordonnanceerde bedragen. Dat koninklijk besluit wordt genomen binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet.
  § 2. Voor het jaar 1989 wordt aan het Fonds voor Industriėle Vernieuwing een bedrag van 400 miljoen frank toegekend voor de betaling van de voor de inwerkingtreding van deze wet aangegane verbintenissen voor het Brusselse Gewest. Het saldo van dit bedrag op 31 december 1989 zal aan het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest worden overgedragen bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, genomen, na overleg met de betrokken Executieve, vóór 1 april 1990.

  Art. 57. § 1. In afwijking van artikel 12 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, worden de roerende en onroerende goederen van de Staat, zowel behorend tot het openbaar als tot het privaat domein, die uitsluitend voor het Nederlandstalig of voor het Franstalig onderwijs worden aangewend, overgedragen, zonder vergoeding, respectievelijk aan de Vlaamse Gemeenschap en aan de Franse Gemeenschap.
  § 2. In afwijking van artikel 12 van voornoemde wet van 8 augustus 1980, worden de roerende en onroerende goederen van de Staat, zowel behorend tot het openbaar als tot het privaat domein, die ressorteren onder de bevoegdheid van de Gewesten krachtens artikel 6, § 1, III, 8° en X, van dezelfde wet, alsmede de grote waterbouwkundige werken, overgedragen, zonder vergoeding, aan het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest naar gelang van hun ligging.
  § 3. In afwijking van artikel 12 van voornoemde wet van 8 augustus 1980 worden zonder vergoeding naar de Gewesten overgedragen, ieder wat hem betreft, de roerende en onroerende goederen van de Staat, zowel behorende tot het openbaar als tot het privaat domein, die verworven of gebouwd werden, ingevolge beraadslagingen na 1 januari 1975 van de ministeriėle comités voor de Gewestelijke Vlaamse, Waalse en Brusselse aangelegenheden, ingesteld door de wet van 1 augustus 1974 tot oprichting van de gewestelijke instellingen ter voorbereiding van de toepassing van artikel 107quater van de Grondwet.
  In afwijking van artikel 12 van voornoemde wet van 8 augustus 1980 worden zonder vergoeding overgedragen naar de Gemeenschappen, ieder wat haar betreft, de roerende en onroerende goederen van de Staat, zowel behorende tot het openbaar als tot het privaat domein, die verworven of gebouwd werden :
  1° hetzij ingevolge een beslissing die na 1 januari 1972 door de Ministers van Cultuur werd genomen;
  2° hetzij ingevolge beraadslagingen na 1 januari 1980 van de ministeriėle comités voor de Nederlandse Gemeenschap en voor de Franse Gemeenschap, ingesteld door de wet van 5 juli 1979.
  § 4. De in §§ 1 tot 3 bedoelde overdrachten worden van rechtswege uitgevoerd. Zij zijn zonder verdere formaliteiten van rechtswege tegenstelbaar aan de derden, vanaf de inwerkingtreding van onderhavige wet.
  Onverminderd het eerste lid van deze paragraaf, wordt de lijst van de goederen waarvan sprake is in de §§ 1 tot 3 opgemaakt bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, op eensluidend advies van de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven, en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  § 5. De Gemeenschappen en de Gewesten nemen de rechten en verplichtingen van de Staat betreffende de hen krachtens dit artikel overgedragen goederen over, met inbegrip van de rechten en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige gerechtelijke procedures.
  De Staat blijft echter de verantwoordelijkheid dragen voor de verplichtingen waarvan de betaling of de uitvoering kon worden geėist voor de eigendomsoverdracht wat de goederen betreft waarvan sprake is in dit artikel.
  § 6. Voor ieder goed dat wordt overgedragen, bezorgt de Staat aan de betrokken Gemeenschap of aan het betrokken Gewest de akten en bescheiden, met inbegrip van de uittreksels uit de kadastrale leggers en uit het kadastraal plan, met vermelding van de rechten, lasten en verplichtingen verbonden aan het goed.
  De inventaris van deze akten en bescheiden wordt zo spoedig mogelijk opgemaakt. Deze inventaris wordt ondertekend door de Minister van Financiėn of door de Minister die het goed beheerde of door hun afgevaardigde en door de betrokken Executieve of haar afgevaardigde.
  § 7. Indien er een geschil rijst in verband met een overgedragen goed, kan de betrokken Gemeenschap of het betrokken Gewest de Staat bij de zaak betrekken en kan deze laatste steeds in de zaak tussenkomen.

  Art. 58. § 1. De Gewestelijke Economische Raad voor Brabant wordt afgeschaft op de door de Koning bepaalde datum, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
  § 2. Met het oog op de afschaffing van de in § 1 vermelde instelling regelt de Koning, bij in Ministerraad overlegde besluiten, de ontbinding alsmede alle daarmee verband houdende vraagstukken, met name de overdracht van de personeelsleden, goederen, rechten en verplichtingen van de instelling aan de Gewesten, ieder wat hem betreft.
  De bestaande schuldenlast in de Gewestelijke Economische Raad van Brabant zal worden verdeeld over de Gewesten en dat in functie van de ongelijkmatige bijdrage die ieder van hen in de voorbije jaren heeft geleverd met het oog op de beheersing of vermindering van die schuldenlast.
  § 3. In de in § 2 bedoelde koninklijke besluiten worden, na overleg met de representatieve vakorganisaties van het personeel, de modaliteiten inzake de overdracht van personeelsleden en de maatregelen voor het waarborgen van hun rechten vastgesteld, met inachtneming van de beginselen vermeld in artikel 88, § 2, tweede, derde en vierde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.
  § 4. Het bedrag van het pensioen dat, ter uitvoering van § 2, aan de overgedragen personeelsleden zal worden toegekend, alsook het bedrag van het pensioen van hun rechthebbenden mag niet minder zijn dan het bedrag van het pensioen dat aan de belanghebbende zou zijn toegekend overeenkomstig de wettelijke of reglementaire bepalingen die op hen van toepassing waren op het ogenblik van de overdracht, waarbij echter rekening wordt gehouden met de wijzigingen die later in deze bepalingen zijn aangebracht krachtens algemene maatregelen die van toepassing zijn op alle instellingen die behoren tot de categorie waarvan de af te schaffen instelling deel uitmaakt.
  De modaliteiten betreffende de tenlasteneming van de bijkomende uitgaven die voortvloeien uit de bij het voorgaande lid ingestelde waarborg, kunnen door de Koning worden vastgesteld, op voorstel van de Minister tot wiens bevoegdheid de Administratie der Pensioenen behoort.
  § 5. De in §§ 2 en 3 bedoelde koninklijke besluiten worden genomen na advies van de betrokken Gewestexecutieven.
  § 6. De bepalingen van de wet van 15 juli 1970 houdende organisatie van de planning en economische decentralisatie worden, op de datum van inwerkingtreding van het in § 1 bedoelde koninklijk besluit, opgeheven voor zover ze betrekking hebben op de Gewestelijke Economische Raad voor Brabant.
  De Koning kan voormelde wet aanpassen teneinde de tekst ervan in overeenkomst te brengen met de in het vorig lid vermelde opheffingen.
  Daartoe kan Hij :
  1° de volgorde, de nummering en, in het algemeen, de vorm van de bepalingen wijzigen;
  2° de verwijzingen wijzigen die zouden zijn vervat in de te vereenvoudigen bepalingen met het oog op de overeenstemming ervan met de nieuwe nummering;
  3° de tekst van de te coördineren bepalingen wijzigen met het oog op de overeenstemming ervan en de eenvormigheid in de terminologie, zonder dat afbreuk mag worden gedaan aan de in deze bepalingen vastgestelde beginselen.

  Art. 59. <wijzigingsbepaling van artikel 91bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen>

  Art. 60. <wijzigingsbepaling van artikel 18 van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen>

  Art. 61.§ 1. Tenzij in deze wet anders wordt bepaald, nemen de Gemeenschappen en Gewesten de rechten en verplichtingen van de Staat over die betrekking hebben op de bevoegdheden die hen worden toegekend bij de wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures.
  Blijven echter ten laste van de Staat de verplichtingen bedoeld in het eerste lid met betrekking tot de leningen aangegaan vóór de inwerkingtreding van deze wet :
  - door het Wegenfonds;
  - in het kader van de wet van 8 januari 1981 met betrekking tot de consolidatieleningen ten gunste van de Brusselse ondergeschikte besturen en van artikel 51 van de wet van 26 juli 1971 houdende organisatie van de agglomeraties en de federaties van gemeenten;
  - in het kader van het koninklijk besluit nr. 31 van 15 december 1978 tot instelling van een Fonds voor industriėle vernieuwing;
  - door de maatschappijen voor intercommunaal gemeenschappelijk vervoer die aanleiding geven tot een tussenkomst door de Staat ten laste van artikel 31.03 van de begroting van het Ministerie van Verkeerswezen;
  - door de N.V. Zeekanaal en Haveninrichtingen van Brussel die aanleiding geven tot een tussenkomst door de Staat ten laste van artikel 21.02 en artikel 51.08 van de begroting van Openbare Werken.
  - in toepassing van de raamcontracten van 30 maart 1979, van 1 juni 1981 en van 15 juni 1981 met de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid en van 2 juli 1979 aangegaan met de Algemene Spaar- en Lijfrentekas.
  Onverminderd het bepaalde bij artikel 73, § 1, blijft de Staat daarenboven alléén gebonden door de contractuele verplichtingen die hij heeft aangegaan en vastgelegd vóór de inwerkingtreding van deze wet ten laste van de gesplitste kredieten van het Deel I - Kredieten bestemd voor de uitvoering van het Investeringsprogramma, van de Titel II - Kapitaaluitgaven, of van de Fondsen van de Titel IV - Afzonderlijke sectie van de begroting, die worden gestijfd door niet gesplitste kredieten van het voormelde Deel I van de Titel II van de begroting.
  Dezelfde regeling is van toepassing op de contractuele verplichtingen die door het Wegenfonds werden aangegaan vóór de inwerkingtreding van deze wet ten laste van de vastleggingskredieten die voorkomen in de begroting van deze instelling.
  De in de twee voorgaande leden bedoelde contractuele verplichtingen hebben betrekking op de vóór de inwerkingtreding van deze wet aangegane vastleggingen, zoals blijkt uit de boekhouding der controleurs der vastleggingen of uit de boekhouding van het Wegenfonds.
  Wat andere uitgaven betreft dan deze die beoogd worden in de hierboven vermelde leden 2, 3 en 4 blijft de Staat eveneens gebonden door de bestaande verplichtingen op 31 december 1988 :
  - hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen betalingsaanvraag moet voorgelegd worden;
  - hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum in overeenstemming met geldende wetten en reglementen.
  De Staat bezorgt onverwijld aan de Gemeenschappen en Gewesten, ieder wat hem betreft, de akten en bescheiden die de rechten en verplichtingen vermelden die door hen krachtens deze paragraaf worden overgenomen. Een inventaris van de verstrekte akten en documenten wordt opgemaakt en ondertekend door de bevoegde Minister of zijn afgevaardigde en door de bevoegde Executieve of haar afgevaardigde.
  In geval van geschil kan de Gemeenschap of het Gewest steeds de Staat bij de zaak betrekken en kan laatstgenoemde steeds in de zaak tussenkomen.
  § 2. De artikelen 1, 2 en 8 van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en lasten van het verleden van de Gemeenschappen en Gewesten en betreffende de nationale economische sectoren blijven van toepassing, voor zover zij verwijzen naar aangelegenheden bedoeld bij de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en bij de wet tot oprichting van gemeenschaps- en gewestelijke instellingen, gecoördineerd op 20 juli 1979, zonder dat rekening wordt gehouden met de wijzigingen in deze wetten aangebracht na de inwerkingtreding van voornoemde wet van 5 maart 1984.
  De artikelen 1, 2 en 8 van voornoemde wet kunnen niet worden gewijzigd dan bij de meerderheid vermeld in [1 artikel 4, derde lid]1, van de Grondwet.
  Voor de toepassing van deze paragraaf wordt met de woorden " van de begroting van het Ministerie van het Brusselse Gewest " en " het krediet voor het Ministerie voor het Brusselse Gewest vastgesteld met toepassing van het artikel 7 van de in § 1 bedoelde wet " respectievelijk vermeld in § 1 en § 3 van artikel 8 van de voornoemde wet van 5 maart 1984, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet, bedoeld respectievelijk " van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest " en " de financiėle middelen die aan het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest toekomen krachtens de bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten ".
  § 3. De Gemeenschappen en Gewesten nemen, ieder wat hem betreft, de goederen, rechten en verplichtingen over van de instellingen van openbaar nut waarvan de taken ressorteren onder de bevoegdheden van de Gewesten en Gemeenschappen, op de bij de wet vastgestelde wijze, met inachtneming van de beginselen vervat in artikel 57 en in § 1, tweede tot achtste lid, van dit artikel.
  [1 In afwijking van het eerste lid worden de nadere regels betreffende de overdracht van goederen, rechten en verplichtingen van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau aan de federale overheid en aan de gewesten, ieder wat hem betreft, door of krachtens de wet bepaald, zonder dat de lasten uit het verleden kunnen worden overgedragen aan de gewesten.]1
  § 4. De Gewesten nemen op de datum van inwerkingtreding van deze wet van de Gemeenschappen de rechten en de verplichtingen over inzake de monumenten en de landschappen gelegen op hun grondgebied.
  § 5. De Staat is ertoe gehouden alle uitgaven ten laste te nemen welke voortvloeien uit de verbintenissen die vóór de inwerkingtreding van deze wet werden aangegaan inzake de sociale begeleiding van de herstructurering van de ondernemingen die behoren tot de sectoren van de steenkolenmijnen, de scheepsbouw en de scheepsherstelling, de glasverpakkingsnijverheid, de textielnijverheid en de staalnijverheid, met inbegrip van het vervoer van ersten en cokes.
  § 6. (Met betrekking tot de verbintenissen die vóór 1 januari 1993 werden aangegaan inzake het Landbouwinvesteringsfonds, behoudt de Staat alle rechten en verplichtingen.
  Wat de andere uitgaven betreft dan die welke beoogt worden in het vorige lid blijft de Staat eveneens gebonden door de bestaande verplichtingen op 31 december 1992 :
  - hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen betalingsaanvraag moet worden voorgelegd;
  - hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum in overeenstemming met de geldende wetten en reglementen.) <W 1993-07-16/30, art. 116, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  (§ 7. Tenzij in deze paragraaf anders is bepaald, nemen de gewesten de rechten en verplichtingen over van de Staat die betrekking hebben op de bevoegdheden die hen worden toegekend door de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures.
  Met betrekking tot de verbintenissen aangegaan voor 1 januari 2002 inzake deze overgedragen bevoegdheden, blijft de Staat gebonden door de bestaande verplichtingen op 31 december 2001 :
  - hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen betalingsaanvraag moet worden voorgelegd;
  - hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum in overeenstemming met de geldende wetten en reglementen.
  Met betrekking tot de prefinanciering door de Staat, voor rekening van de lokale besturen die een beroep doen op de diensten van een gewestelijke ontvanger, van de kosten die verband houden met de bezoldigingen en andere vaste uitgaven voor de gewestelijke ontvangers en met de werkingsuitgaven van de gewestelijke gemeenteontvangerijen, behoudt de Staat zijn rechten tot terugvordering, op die lokale besturen, van de tot en met 31 december 2001 door hem geprefinancierde bedragen.) <W 2001-07-13/35, art. 39, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 § 8. Tenzij deze paragraaf er anders over beschikt, nemen de gewesten en de gemeenschappen de rechten en de verplichtingen over van de federale overheid die betrekking hebben op de bevoegdheden die hen worden toegekend door de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures.
   Met betrekking tot de verbintenissen aangegaan voor 1 juli 2014 inzake deze overgedragen bevoegdheden, blijft de federale overheid gebonden door de op 30 juni 2014 bestaande verplichtingen :
   1° hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen betalingsaanvraag moet worden voorgelegd;
   2° hetzij voor andere schulden, wanneer deze vaststaan en de betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum in overeenstemming met de geldende wetten en reglementen.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 61, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 62. § 1. Onverminderd de toepassing van deze wet wordt jaarlijks, in de Rijksbegroting, voor de Gemeenschappen een krediet vastgesteld voor de financiering van het universitair onderwijs dat aan buitenlandse studenten wordt verstrekt.
  Voor het begrotingsjaar 1989 zijn deze bedragen respectievelijk 1.200 miljoen voor de Franse Gemeenschap en 300 miljoen voor de Vlaamse Gemeenschap.
  (Voor het begrotingsjaar 2000 zijn deze bedragen respectievelijk 56 162 756,97 EUR voor de Franse Gemeenschap en 27 662 438,42 EUR voor de Vlaamse Gemeenschap.) <W 2001-07-13/35, art. 40, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. Voor het begrotingsjaar 1990 en voor elk van de volgende begrotingsjaren worden de bedragen vermeld in § 1 aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.
  (Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.) <W 2001-07-13/35, art. 40, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 3. De in § 2 bedoelde bedragen kunnen vanaf 1990 worden verhoogd, inzonderheid om rekening te houden met de eventuele financiėle gevolgen voor de Gemeenschappen van beslissingen die de nationale overheid bij de uitoefening van haar eigen bevoegdheid heeft genomen.
  Voor het wetsontwerp tot vaststelling van het onder § 1 bedoelde krediet wordt op dat punt ieder jaar vooraf overleg gepleegd tussen de nationale Regering en de Gemeenschapsexecutieven.
  § 4. Artikel 54, § 1, vierde lid, en § 2 is op dit krediet van toepassing.

  Art. 62bis.<Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 41; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Vanaf het begrotingsjaar 2002 wordt jaarlijks een bedrag bepaald dat overeenstemt met 27,44 % van de te verdelen winst van de Nationale Loterij, zoals bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Het met toepassing van het eerste lid verkregen bedrag wordt jaarlijks verminderd met een bedrag dat overeenstemt met 0,8428 % van het in het eerste lid verkregen bedrag.
  Het met toepassing van het tweede lid verkregen bedrag wordt jaarlijks over de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap verdeeld volgens het aandeel van elke gemeenschap in het totaal van de met toepassing van [1 artikel 36, eerste lid, 1° en 2°,]1 voor beide gemeenschappen samen verkregen bedrag.
  De voormelde bedragen worden gestort bij middel van voorschotten die op 30 juni en 31 december van het betrokken boekjaar niet hoger mogen zijn dan respectievelijk 50 % en 80 % van de voorlopige winstverdeling van de Nationale Loterij zoals in Ministerraad bepaald.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 62, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 62ter.<Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 42; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Vanaf het begrotingsjaar waarin de Nationale Plantentuin van Belgiė wordt overgedragen, worden aan de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap bijkomende middelen toegekend gelijk aan een bedrag van 5 659 409,17 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2002. De verdeling van dit bedrag over beide gemeenschappen geschiedt volgens een sleutel die in overeenstemming is met de taalrol van het effectief personeelsbestand van de Nationale Plantentuin op de dag van de overdracht, zoals bedoeld in artikel 18, 4°, van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen.
  Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan de reėle groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47, § 2.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 63, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 63. <W 1993-07-16/30, art. 117, 002; Inwerkingtreding : 1994-01-01> § 1. Een bijzonder krediet wordt jaarlijks uitgetrokken op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Openbaar Ambt voor de gemeenten op het grondgebied waarvan zich eigendommen bevinden die zijn vrijgesteld van de onroerende voorheffing.
  § 2. Deze eigendommen zijn :
  1° de onroerende goederen, eigendom van een vreemde Staat of van een instelling van internationaal publiek recht;
  2° de onroerende goederen, uitsluitend eigendom of medeėigendom van de federale overheid, van een federale instelling van openbaar nut of van een federaal autonoom overheidsbedrijf, die aangewend worden voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut, waarvan de werking zich uitstrekt over het Rijk, een Gemeenschap, een Gewest of ten minste een provincie.
  De eigendommen bedoeld in het eerste lid, 2°, zijn niet :
  1° de gebouwen bestemd voor de buitendiensten van de bedoelde administratieve diensten, instellingen en bedrijven, met uitzondering van die welke de gewestelijke, provinciale of daarmee gelijkgestelde besturen onderbrengen van de ministeriėle departementen, van De Post, van Belgacom en van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
  2° de gebouwen bestemd voor de diensten van de rechterlijke macht, met uitzondering van het Hof van cassatie, de hoven van beroep, het Militair Gerechtshof en de arbeidshoven;
  3° de ziekenhuizen;
  4° de gebouwen bestemd voor de centra van de administratieve diensten die bevoegd zijn voor sport en openluchtrecreatie;
  5° de gebouwen bestemd voor de diensten die bevoegd zijn voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding;
  6° de onderwijsinstellingen, met inbegrip van de universiteiten en de administratieve gebouwen die afhankelijk zijn van de genoemde instellingen;
  7° de gebouwen bestemd voor de erediensten;
  8° de stations.
  Onder onroerende goederen worden verstaan de gebouwde en ongebouwde percelen met uitsluiting van het materieel en de outillering bedoeld in artikel 471 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
  De vereiste voorwaarden worden beoordeeld per volledig kadastraal perceel en, in voorkomend geval, volgens de bestemming van het belangrijkste deel van het kadastraal perceel.
  § 3. Dat bijzonder krediet dekt [1 volledig]1 de niet-inning van de gemeentelijke opcentiemen op deze voorheffing.
  Dat krediet wordt berekend :
  - op basis van de gewestelijke aanslagvoeten en de gemeentelijke opcentiemen [1 vastgesteld op 1 januari van het voorgaande jaar]1;
  - op basis van de meest recent beschikbare officiėle gegevens over de kadastrale inkomens;
  - met toepassing van de indexering van de kadastrale inkomens ingevoerd vanaf 1 januari 1991;
  - voor de onroerende goederen waarvan de federale overheid medeėigenaar is, op basis van het gedeelte van het kadastrale inkomen dat overeenstemt met het aandeel van de federale overheid in de medeėigendom.
  Het wordt verdeeld op basis van het bedrag aan fiscale minderopbrengst per gemeente, berekend overeenkomstig het tweede lid.
  De berekeningswijze en de verdeling van dat krediet worden, overeenkomstig de vorenstaande leden, bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na overleg met de betrokken Gewestregeringen.
  Het krediet dat overeenstemt met dat van de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest wordt aan het Gewest overgedragen.
  [1 § 4. Jaarlijks wordt op de begroting van de FOD Binnenlandse Zaken een bijzonder krediet uitgetrokken ten gunste van de gewesten op het grondgebied waarvan zich eigendommen bevinden die zijn vrijgesteld van de onroerende voorheffing. Dit krediet, dat wordt berekend op de in de paragrafen 1 tot 3 bepaalde wijze, dekt volledig de niet-inning van de onroerende voorheffing door de gewesten. Voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest dekt deze vergoeding ook volledig de niet-inning van de opcentiemen van de agglomeratie op die voorheffing waartoe op 1 januari van het voorgaande jaar is beslist. ]1
  ----------
  (1)<W 2012-07-19/31, art. 1, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 64. § 1. Aan de Stad Brussel wordt een bijzondere dotatie toegekend. Het basisbedrag van deze dotatie bedraagt 2,5654 miljard frank.
  § 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 wordt dit bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.
  (Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.) <W 2001-07-13/35, art. 43, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 3. Dit krediet zal jaarlijks worden ingeschreven op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Openbaar Ambt.

  Art. 64bis. [1 Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een bijzondere dotatie gestort omwille van het mobiliteitsbeleid. Die dotatie bedraagt 45 miljoen euro in 2012, 75 miljoen euro in 2013, 105 miljoen euro in 2014 en 135 miljoen euro in 2015.
   Vanaf het begrotingsjaar 2016 wordt het bedrag van het voorgaande jaar jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, evenals aan 50 % van de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op de in artikel 47, § 2, bepaalde wijze.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-07-19/31, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2012>

  Art. 64ter. [1 § 1. Een voorafneming op de opbrengst van de personenbelasting wordt toegewezen aan het tweede deelfonds, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen.
   Deze voorafneming bedraagt 55 miljoen euro vanaf het begrotingsjaar 2012.
   De uitgaven, met inbegrip van de toelagen voor de lokale politiezones en gemeenten, die kunnen worden gedaan ten laste van het in het eerste lid bedoelde fonds, zijn uitgaven die verbonden zijn aan de veiligheid voortvloeiend uit de organisatie van de Europese Toppen in Brussel en uitgaven voor veiligheid en preventie die verbonden zijn aan de nationale en internationale hoofdstedelijke functie van Brussel.
   § 2. De gewestelijke leden van de samenwerkingscommissie bedoeld in artikel 43 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, beslissen, na advies van de federale leden van deze commissie, over het gebruik van de in paragraaf 1 bedoelde middelen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-07-19/31, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2012>

  Art. 64quater. [1 § 1. Aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest worden jaarlijks middelen toegekend die een deel van het inkomstenverlies als gevolg van de netto stroom van pendelaars zal compenseren.
   De in het eerste lid bedoelde middelen bedragen :
   1° voor het begrotingsjaar 2014 : 32 miljoen euro;
   2° voor het begrotingsjaar 2015 : 48 miljoen euro;
   3° voor het begrotingsjaar 2016 : 49 miljoen euro;
   4° vanaf het begrotingsjaar 2017 : 44 miljoen euro.
   § 2. De financiering van de in § 1 bedoelde middelen wordt jaarlijks verdeeld tussen het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest in verhouding tot hun aandeel in de netto stroom van pendelaars naar het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
   De in het eerste lid bedoelde netto stroom van pendelaars is de optelling van de netto stroom van pendelaars vanuit het Vlaamse Gewest en de netto stroom van pendelaars vanuit het Waalse Gewest.
   De netto stroom van pendelaars vanuit een in het tweede lid bedoelde gewest wordt geacht overeen te stemmen met het positieve verschil tussen :
   1° het aantal personen dat zich voor de uitoefening van hun beroepsactiviteit verplaatst vanuit het betrokken gewest naar het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
   2° het aantal personen dat zich voor de uitoefening van hun beroepsactiviteit verplaatst vanuit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest naar het betrokken gewest.
   Onder de in het derde lid bedoelde aantal personen wordt verstaan het laatst gekende aantal op het ogenblik van de in artikel 54 bedoelde definitieve vaststelling van de middelen van het betrokken begrotingsjaar.
   § 3. De met toepassing van § 2 verkregen bedragen die ten laste vallen van het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest worden in mindering gebracht van de middelen die hen voor het betrokken begrotingsjaar worden toegekend krachtens artikel 35decies.
   In afwijking van het eerste lid worden de bedragen verkregen voor het begrotingsjaar 2014 in mindering gebracht van de middelen die hen worden toegekend krachtens artikel 33.
   De in § 1 bedoelde middelen worden gevormd door een gedeelte van de federale personenbelasting.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 64, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 64quinquies. [1 Aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest worden jaarlijks middelen toegekend die het inkomstenverlies als gevolg van de aanwezigheid van de ambtenaren van de internationale instellingen gedeeltelijk zal compenseren.
   De in het eerste lid bedoelde middelen bedragen :
   1° voor het begrotingsjaar 2014 : 117 miljoen euro;
   2° voor het begrotingsjaar 2015 : 175 miljoen euro;
   3° vanaf het begrotingsjaar 2016 : een bedrag gelijk aan 159 miljoen euro dat met ingang van hetzelfde begrotingsjaar jaarlijks wordt aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 38, § 3;
   4° uitsluitend voor het begrotingsjaar 2016 wordt het in 3° bepaalde bedrag verhoogd met 16 miljoen euro.
   De in het eerste lid bedoelde middelen worden gevormd door een gedeelte van de federale personenbelasting.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 65, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 65.§ 1. De financiering van de begroting van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie voor de uitoefening van de bevoegdheden vermeld in artikel 63 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, gebeurt door :
  1° eigen niet-fiscale middelen vermeld in § 3;
  2° [1 voor elk van de begrotingsjaren 1989 tot en met 2014, een dotatie ten laste van de begroting van de federale overheid, waarvan het bedrag wordt bepaald overeenkomstig § 4;]1
  [1 2°/1 vanaf het begrotingsjaar 2015, middelen die gevormd worden door een gedeelte van de opbrengst van de federale personenbelasting;]1
  3° leningen;
  [1 4° in voorkomend geval een door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest toegekende dotatie.]1
  § 2. De bepalingen van artikel 49 zijn van toepassing op de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
  § 3. De eigen niet-fiscale ontvangsten verbonden aan de uitoefening van de bevoegdheden vermeld in § 1 komen toe aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie kan schenkingen en legaten ontvangen. Artikel 54, § 1, eerste lid, en § 2, zijn desgevallend van toepassing op deze inkomsten.
  § 4. Op de Staatsbegroting van 1989 is het globaal krediet voor de bevoegdheden vermeld in § 1, 2°, gelijk aan 2,3817 miljard frank.
  [1 Voor elk van de begrotingsjaren 1990 tot en met 2014,]1 wordt dat bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2. (Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.) <W 2001-07-13/35, art. 44, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Voor 1989 en 1990 wordt er evenwel een uitzonderlijk en niet terugkerende vermindering van respectievelijk 264 miljoen en 132 miljoen toegepast op dit krediet.
  Artikel 54, § 1, vierde lid, en § 2, is van toepassing op dat krediet.
  § 5. In akkoord met de bevoegde overheden worden de bedragen bedoeld in artikel 42, § 1, door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, verhoogd met de middelen die bestemd zijn voor de betoelaging van de instellingen en organisaties, behorend tot de private sector, die vóór 30 juni 1989 opteren voor een unicommunautair statuut. De Koning regelt de modaliteiten voor de uitvoering van deze bepaling na overleg met de betrokken Executieven.
  Het bedrag bedoeld in § 4, eerste lid, wordt door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, met eenzelfde bedrag als bedoeld in het vorige lid, verminderd.
  [1 § 6. De in § 1, 2° /1, bedoelde middelen voor het begrotingsjaar 2015 zijn gelijk aan het met toepassing van § 4 bekomen bedrag voor het begrotingsjaar 2014, aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2015 op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 38, § 3, en vervolgens verminderd met 10.200.000 euro.
   Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het bedrag toegekend voor het begrotingsjaar 2015 eerst aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan een percentage van de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2, en vervolgens verminderd met 10.200.000 euro.
   Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het voor het vorige begrotingsjaar toegekende bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan een percentage van de reėle groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2.
   Het in het tweede en het derde lid vermelde percentage, is gelijk aan het percentage zoals bepaald in artikel 47/7, § 4, tweede lid.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 66, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 65bis.<Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 45, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Vanaf het begrotingsjaar 2002 worden bijzondere middelen ten laste van de federale overheid toegekend aan de Vlaamse Gemeenschapscommissie en aan de Franse Gemeenschapscommissie ingesteld bij artikel 60, tweede en derde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. Het basisbedrag van die middelen is gelijk aan 24 789 352,48 EUR.
  Vanaf het begrotingsjaar 2003 wordt dat basisbedrag jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reėle groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47, § 2.
  Deze middelen bestaan uit een gedeelte van de opbrengst uit de personenbelasting.
  80 % van dat bedrag gaat naar de Franse Gemeenschapscommissie en 20 % naar de Vlaamse Gemeenschapscommissie.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 67, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 65ter. [1 Aan het bedrag dat jaarlijks wordt verkregen met toepassing van artikel 65bis wordt in 2012, 2013, 2014 en 2015 jaarlijks een bijkomend bedrag van 10 miljoen euro toegevoegd. Deze bijkomende bedragen worden cumulatief toegevoegd aan de bedragen die berekend zijn op basis van artikel 65bis voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 en evolueren volgens de bij datzelfde artikel bepaalde mechanismen, vanaf het jaar dat volgt op de toevoeging ervan aan het basisbedrag.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2012-07-19/31, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 01-09-2012>

  Art. 65quater. [1 § 1. In het kader van een nationale klimaatstrategie die past in de internationale en Europese doelstellingen inzake klimaatbeleid, wordt er een mechanisme ingesteld.
   § 2. Er wordt voor elk gewest een meerjarig traject met doelstellingen inzake het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in de gebouwen uit de residentiėle en tertiaire sectoren, ongeacht hun omvang, vastgelegd bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na akkoord van de gewesten, op basis van een voorstel van de Nationale Klimaatcommissie, volgens de door de gewone wet vastgestelde nadere regels. Indien de Nationale Klimaatcommissie geen voorstel doet binnen de door deze gewone wet voorgeschreven termijn, kan hieraan worden voorbijgegaan.
   Bij gebreke aan koninklijk besluit dat het traject vastlegt overeenkomstig het eerste lid zijn de trajecten voor de periode van 1 januari 2015 tot 31 december 2030 deze die zijn vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij deze wet.
   § 3. De overeenkomstig § 2, eerste lid, opgestelde meerjarige trajecten worden vastgesteld voor een periode van vier jaar en worden daarenboven aangepast bij elke herziening van de toepasbare Belgische doelstelling en in ieder geval om de vier jaar.
   In afwijking van het eerste lid worden de eerste overeenkomstig § 2, eerste lid, vastgestelde meerjarige trajecten vastgesteld voor de periode van 1 januari 2015 tot 31 december 2020.
   § 4. De eerste overeenkomstig § 2, eerste lid, vastgestelde meerjarige trajecten worden uiterlijk op 1 juli 2014 bepaald.
   De trajecten voor de volgende periode worden ten minste twee jaar voor het einde van de voorafgaande periode vastgelegd.
   § 5. Voor elk jaar wordt het verschil tussen enerzijds de jaarlijkse emissies aan broeikasgassen in elk gewest, zoals gerapporteerd in de inventarissen die de gewesten aan de Nationale Klimaatcommissie overmaken voor de gebouwen van de residentiėle en tertiaire sectoren, en anderzijds de door het meerjarige traject van elk gewest voor datzelfde jaar bepaalde doelstelling, vastgesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gewestregeringen, op voorstel van de Nationale Klimaatcommissie, en rekening houdend met een in functie van de graaddagen van het betrokken jaar desgevallend aan te brengen correctie, zoals medegedeeld door het Koninklijk Meteorologisch Instituut. Indien de Nationale Klimaatcommissie geen voorstel doet binnen de door de wet voorgeschreven termijn, is het voorstel niet meer vereist.
   Vanaf het begrotingsjaar 2016, wordt jaarlijks een bedrag toegekend :
   1° aan het gewest dat zijn doelstelling heeft overschreden gedurende het jaar dat voorafgaat aan het betrokken jaar, door de voorafname van hetzelfde bedrag op het federale aandeel van de opbrengsten uit het veilen van de emissierechten;
   2° aan de federale overheid als een gewest zijn doelstelling niet haalt gedurende het jaar dat voorafgaat aan het betrokken jaar, door het in mindering brengen van dit bedrag op de in titel IV, hoofdstuk II, afdeling 4, bedoelde en aan het betrokken gewest toegekende middelen.
   § 6. De in § 5, tweede lid, bedoelde bedragen worden vastgelegd op basis van het verschil, gedurende het jaar dat het begrotingsjaar voorafgaat, tussen de broeikasgasemissies en de in § 2 bedoelde doelstellingen, vermenigvuldigd met de gemiddelde prijs per emissierecht op jaarbasis van de door Belgiė geveilde emissierechten voor het jaar waarin dit verschil zich voordeed.
   Deze bedragen behoren tot de ten minste 50 % van de opbrengsten uit de in lid 2 van artikel 10 van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad bedoelde veiling van emissierechten die overeenkomstig lid 3 van hetzelfde artikel zouden moeten worden gebruikt voor één of meerdere van de in hetzelfde lid opgesomde doelstellingen.
   § 7. De opbrengsten uit de veiling van emissierechten worden verdeeld onder de federale overheid en de gewesten volgens de nadere regels die worden vastgesteld door een samenwerkingsakkoord dat wordt gesloten tussen deze entiteiten.
   Tenzij een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten er anders over beschikt, is de dienst die verantwoordelijk is voor de veiling alsook voor de inning van de inkomsten en de verdeling ervan overeenkomstig het samenwerkingsakkoord bedoeld in het eerste lid, de registeradministrateur die is aangewezen overeenkomstig artikel 3, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 18 juni 2008 tussen de federale overheid, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de organisatie en het administratief beheer van het gestandaardiseerd en genormaliseerd registersysteem van Belgiė overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad.
   § 8. De in § 5, tweede lid, 1°, bedoelde bedragen worden beperkt tot een bovengrens gelijk aan het federale gedeelte van de opbrengsten uit het veilen van emissierechten in de loop van het begrotingsjaar waarin het verschil zich voordeed. Indien de overeenkomstig § 6 berekende bedragen deze bovengrens overschrijden, wordt het bedrag pondspondsgewijs verdeeld onder de gewesten.
   De in § 5, tweede lid, 2°, bedoelde bedragen worden, voor elk gewest, beperkt tot 50 % van hun respectievelijke gedeelte in de opbrengsten uit het veilen van emissierechten in de loop van het begrotingsjaar waarin het verschil zich voordeed.
   § 9. Indien in de loop van het begrotingsjaar de in § 5, eerste lid, bedoelde verschillen voor het voorgaande jaar niet definitief kunnen worden vastgesteld, worden deze bedragen voorlopig bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op basis van de door de gewesten gerapporteerde voorlopige gegevens. Wanneer deze verschillen definitief zijn vastgesteld, maken de aan of door de gewesten te betalen bedragen het voorwerp uit van een regularisatie in de loop van het begrotingsjaar waarin deze verschillen definitief zijn vastgesteld.
   § 10. De wet bepaalt de goedkeuringsprocedure van de in § 2 bedoelde doelstellingen ter reductie van de emissies van broeikasgassen en de aanvullende nadere regels van de jaarlijkse evaluatie ervan, evenals de berekeningsregels van de vermelde bedragen in § 6 en de voorafname ervan.
   De wet kan :
   1° het overeenkomstig § 2 vastgestelde traject wijzigen indien Europese of internationale normen een ander traject opleggen;
   2° de andere door dit artikel vastgestelde nadere regels wijzigen indien deze wijzigingen noodzakelijk zijn geworden door Europese of internationale normen.
   § 11. Dit artikel zal het voorwerp uitmaken van een wetgevingsevaluatie in de loop van het jaar 2020, als gevolg waarvan het desgevallend gewijzigd zal worden.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 68, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 65quinquies. [1 § 1. De Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zijn voor de begrotingsjaren 2015 en volgende een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd voor de pensioenen van hun ambtenaren.
   Voor de begrotingsjaren 2015 tot en met 2020 worden de responsabiliseringsbijdragen als volgt bepaald :
   1° voor de Vlaamse Gemeenschap de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel :
   201584.463.244 EUR
   201693.781.301 EUR
   2017103.099.358 EUR
   2018112.417.416 EUR
   2019121.735.473 EUR
   2020131.053.530 EUR
   2° voor de Franse Gemeenschap de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel :
   201555.938.253 EUR
   201662.109.209 EUR
   201768.280.166 EUR
   201874.451.122 EUR
   201980.622.079 EUR
   202086.793.035 EUR
   3° voor het Waalse Gewest de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel :
   20153.881.061 EUR
   20164.309.074 EUR
   20174.737.087 EUR
   20185.165.101 EUR
   20195.593.114 EUR
   20206.021.127 EUR
   4° voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel :
   2015766.156 EUR
   2016850.541 EUR
   2017934.926 EUR
   20181.019.310 EUR
   20191.103.695 EUR
   20201.188.080 EUR
   5° voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel :
   201530.292 EUR
   201633.553 EUR
   201736.814 EUR
   201840.075 EUR
   201943.336 EUR
   202046.597 EUR
   6° voor de Franse Gemeenschapscommissie de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel :
   2015142.186 EUR
   2016157.675 EUR
   2017173.164 EUR
   2018188.652 EUR
   2019204.141 EUR
   2020219.630 EUR
   Vanaf begrotingsjaar 2021 wordt de responsabiliseringsbijdrage per entiteit bepaald door een bijdragepercentage toe te passen op de weddenmassa die door de betrokken entiteit in het voorgaande kalenderjaar werd betaald.
   Het in het derde lid bedoelde bijdragepercentage wordt als volgt vastgesteld :
   1° voor het begrotingsjaar 2021 : op 3/10de van het percentage van de sociale bijdrage die iedere werkgever moet betalen voor zijn werknemers die onderworpen zijn aan het pensioenstelsel dat geldt voor werknemers;
   2° voor de begrotingsjaren 2022 tot en met 2027 wordt de teller van de breuk uit het 1° jaarlijks met een eenheid verhoogd;
   3° vanaf begrotingsjaar 2028 is het bijdragepercentage gelijk aan het percentage van de sociale bijdrage die iedere werkgever moet betalen voor zijn werknemers die onderworpen zijn aan het pensioenstelsel dat geldt voor werknemers.
   § 2. De in aanmerking te nemen weddenmassa's zijn deze die onderworpen zijn aan de afhouding als bedoeld in artikel 60 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
   Voor de vaststelling van de in § 1, derde lid, bedoelde weddenmassa wordt rekening gehouden met het geheel van de wedden en de pensioenen die betaald worden in de loop van het betrokken kalenderjaar.
   § 3. De Koning bepaalt jaarlijks vanaf begrotingsjaar 2021, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de regeringen van de in § 1, eerste lid, bedoelde entiteiten, het bedrag van de door elke entiteit voor het lopende begrotingsjaar verschuldigde responsabiliseringsbijdrage.
   De in § 1, eerste lid, bedoelde entiteiten delen ten laatste tegen 1 maart volgend op het kalenderjaar aan de federale minister van Financiėn het bedrag mee van de weddenmassa als bedoeld in § 2.
   § 4. De in § 1, eerste lid, bedoelde bedragen en de overeenkomstig § 3 vastgelegde bedragen worden in mindering gebracht van :
   1° voor de gewesten : de middelen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk II, afdeling 4, die toegekend worden aan het betrokken gewest;
   2° voor de gemeenschappen : de middelen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk III, afdeling 3, onderafdeling 2, die toegekend worden aan de betrokken gemeenschap;
   3° voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : de haar toegekende middelen als bedoeld in artikel 65 en in voorkomend geval de middelen bedoeld in de artikelen 47/8 en 47/7.
   4° voor de Franstalige Gemeenschapscommissie : de haar toegekende middelen als bedoeld in artikel 65bis.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 69, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 66. <wijzigingsbepaling van artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen>

  Art. 67. <wijzigingsbepaling van artikel 94 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen>

  Art. 68. <wijzigingsbepaling van de bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989, art. 124bis>

  Art. 68bis. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 118, Inwerkingtreding : 1993-07-30> In afwijking van artikel 273 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 is de Vlaamse Gemeenschap geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de eindejaarstoelagen welke het " Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs " voor 1991 en 1992 rechtstreeks heeft betaald aan de personeelsleden.
  Deze bepaling blijft zonder gevolg ten aanzien van de fiscale toestand inzake personenbelasting van de verkrijgers van de bedoelde toelage.

  Art. 68ter. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 46; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Vanaf het begrotingsjaar waarin het gewest de dienst van de in het tweede lid bedoelde belastingen verzekert, en ten vroegste vanaf het begrotingsjaar 2004, wordt jaarlijks een dotatie op de begroting van het Ministerie van Financiėn voor het betrokken gewest ingeschreven. Deze dotatie stemt overeen met de met toepassing van het tweede en derde lid bepaalde kostprijs voor de betrokken belasting en zal slechts worden doorgestort in de mate dat het gewest het personeel van de betrokken administraties heeft overgenomen.
  De totale kostprijs van de dienst van de belastingen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12°, wordt vóór 31 december 2003 bij wet, na voorafgaand overleg met de betrokken gewestregeringen bepaald. Deze totale kostprijs wordt per belasting berekend als het gemiddelde van de voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 bepaalde kostprijs die vooraf werd uitgedrukt in prijzen van 2002.
  De verhouding wordt bepaald van de met toepassing van het tweede lid verkregen totale kostprijs tot het totaal van de in de drie gewesten gelokaliseerde ontvangsten van de betrokken belasting. Dit percentage wordt toegepast op de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de betrokken belasting. De in dit lid bedoelde ontvangsten worden berekend als het gemiddelde van de ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, nadat eventuele interregionale tariefverschillen werden geneutraliseerd.
  Het met toepassing van het derde lid verkregen bedrag, per belasting en per gewest, wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.

  Art. 68quater. <Ingevoegd bij W 2001-07-13/35, art. 57; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Op basis van de overeenstemmende middelen, zoals voorzien in de begroting 2001 en volgens de verschillende verdeelsleutels, respectievelijk voor de gemeenschappen en de gewesten, zoals die uit deze bijzondere wet kunnen worden afgeleid, worden de voor de overdracht van de bevoegdheden inzake ontwikkelingssamenwerking noodzakelijke financiėle middelen overgeheveld. De in artikel 6ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, ingevoegd bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, bedoelde werkgroep bereidt deze overheveling voor.

  Art. 68quinquies. [1 § 1. Zolang de federale overheid of de instellingen die ervan afhangen instaan voor het administratief beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslagen overeenkomstig artikel 94, § 1bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, neemt elke gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, elk wat haar betreft, daarvoor de kosten op zich.
   De totale kost van het administratief beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslagen bedraagt [214.296.029] euro. Die kost wordt ten laste gelegd van elke gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie waarvoor de federale overheid of de instellingen die ervan afhangen, instaan voor het administratief beheer en de uitbetaling van gezinsbijslagen volgens de verhouding van het aantal kinderen van 0 tot en met 18 jaar dat op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar is ingeschreven in de bevolkingsregisters van de gemeenten van het taalgebied waar de betrokken gemeenschap of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie haar bevoegdheid inzake gezinsbijslagen uitoefent, tot het aantal kinderen van 0 tot en met 18 jaar dat op die datum is ingeschreven in de bevolkingsregisters. (ERRATUM, zie B.St. 05-05-2014, p. 36144)
   Het aldus vastgestelde bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 47/5, § 4.
   § 2. De uitgaven die zijn uitgevoerd door de instellingen die ten laatste tot 31 december 2019 belast zijn met het administratief beheer en de uitbetalingen van de gezinsbijslagen overeenkomstig artikel 94, 1bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, en die ten laste van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie vallen, worden elk jaar verrekend op de respectievelijke, in de artikelen 47/5 en 47/8 bedoelde dotaties van deze entiteiten.
   Er wordt rekening gehouden met de schatting van deze uitgaven voor de in artikel 54 voorziene doorstorting van de voorschotten.
   § 3. De in artikel 94, § 1ter, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bedoelde vergoeding, bedraagt 80 % van de persoonlijke aandelen voor de in artikel 5, § 1, I, eerste lid, 3° tot 5°, van dezelfde bijzondere wet bedoelde zorgverstrekkingen. Ze is verschuldigd door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie naargelang de genieters ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van een gemeente van het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Deze vergoeding wordt in mindering gebracht van de respectievelijke, in artikel 47/7 bedoelde dotaties.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 70, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  TITEL IX. - OPHEFFINGS- EN WIJZIGINGSBEPALINGEN.

  Art. 69. § 1. Worden opgeheven :
  1° de artikelen 1 tot 15 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, behoudens in de mate dat zij van toepassing zijn op de Duitstalige Gemeenschap en in de mate dat zij noodzakelijk zijn voor de door de Staat op 31 december 1988 verschuldigde ristorno's;
  2° de artikelen 13, §§ 1, 2 en 4, wat het Rekenhof betreft, en 14 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, behoudens in de mate dat zij van toepassing zijn op de Duitstalige Gemeenschap;
  3° artikel 76 van de wet van 5 januari 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1975-1976;
  4° de artikelen 5 tot 7 en 8bis van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en de lasten van het verleden van de Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren;
  5° de artikelen 15, 16, 22 en 26 van het koninklijk besluit van 31 maart 1984 betreffende de financieringsmaatschappijen voor de herstructurering van de nationale economische sectoren (A), gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 489 van 31 december 1986.
  § 2. <wijzigingsbepaling van artikel 13, § 5, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen>
  § 3. In artikel 48 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen worden de woorden " met uitzondering van artikel 7 " geschrapt.
  § 4. Artikel 4, § 1, van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en de lasten van het verleden van de Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren wordt opgeheven met ingang van 1 januari 1991.

  Art. 70. <wijzigingsbepaling van artikel 6, § 1, IX, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen>

  TITEL X. - OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN.

  Art. 71. § 1. Tot de inwerkingtreding van de wet bedoeld in artikel 50, § 2, zijn de vigerende bepalingen betreffende de organisatie van de controle van het Rekenhof en de controle op het verlenen en het gebruik van subsidies, evenals de bepalingen inzake de Rijkscomptabiliteit, onverminderd hetgeen in § 2 omtrent artikel 32bis van de wet van 28 juni 1963 tot wijziging en aanvulling van de wetten op de Rijkscomptabiliteit is gesteld, van overeenkomstige toepassing op de Gemeenschappen en de Gewesten.
  § 2. Tot de organisatie van een administratieve en begrotingscontrole, bedoeld in artikel 51, zijn de bepalingen vermeld in artikel 32bis van de wet van 28 juni 1963 van overeenkomstige toepassing op de Gemeenschappen en de Gewesten.
  § 3. Tot de inwerkingtreding van de wet bedoeld in artikel 50, § 2, blijven de bepalingen van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, wat de wijze van uitoefening van de controle van het Rekenhof betreft, van overeenkomstige toepassing op de instellingen van openbaar nut die afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten.

  Art. 72. Tot de datum vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit worden de bedragen en het percentage vermeld in artikel 13, §§ 1 en 3, en in artikel 38, §§ 1 en 2, als volgt vastgesteld :
  - in artikel 13, § 1 :
  - voor het Vlaamse Gewest : 30,7054 miljard frank;
  - voor het Waalse Gewest : 21,0052 miljard frank;
  - voor het Brusselse Gewest : 10,3383 miljard frank;
  - in artikel 13, § 3 : 98 %;
  - in artikel 38, § 1 :
  - voor de Vlaamse Gemeenschap : 164,3399 miljard frank;
  - voor de Franse Gemeenschap : 126,5602 miljard frank;
  - in artikel 38, § 2 : 4,4961 miljard frank en 3,4532 miljard frank.
  <NOTA : Volgens KB 1989-10-17/30, de datum bedoeld in artikel 72 wordt vatgesteld op 29 september 1989>

  Art. 73. § 1. De saldi, die op 31 december 1988 als betalingsmiddelen beschikbaar zullen zijn op elk van de artikelen van de afzonderlijke sectie van de begroting van de Gemeenschappelijke Culturele Aangelegenheden en van Nationale Opvoeding van het Nederlandse stelsel, van het Franse stelsel en van de sector, die gemeen is aan beide stelsels, en met inbegrip van de stijving, die voor het lopend jaar is voorzien maar niet aangewend, worden aan de Gemeenschappen toegekend voor zover de saldi betrekking hebben op aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren.
  Bij de inwerkingtreding van deze wet, nemen de Gemeenschappen inzonderheid de verplichtingen over die verband houden met de begrotingsartikelen bedoeld in het vorige lid.
  § 2. Van het bedrag waarvoor, overeenkomstig artikel 22, § 3, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, het Nationaal Waarborgfonds voor schoolgebouwen machtiging tot lening met staatswaarborg en rentetoelagen kan verlenen, vervalt het deel dat op 31 december 1988 niet is aangewend of waarvoor geen principiėle beloften zijn gedaan.
  In de plaats daarvan wordt aan elke Gemeenschap voor elk van de jaren 1989 tot 1998 een krediet toegestaan, telkens gelijk aan 5,28 % van haar nominaal deel in het vervallen deel.
  § 3. De verbintenissen welke ter uitvoering van het bepaalde in artikel 22, § 1, § 1bis, en § 2, van dezelfde wet van 29 mei 1959, vóór de inwerkingtreding van deze wet lastens de Staat zijn aangegaan, blijven voor de geheelheid te zijnen laste.
  § 4. De bepalingen van dezelfde wet van 29 mei 1959 hebben geen uitwerking in de mate dat zij de stijving bepalen van de Fondsen die ze oprichten.

  Art. 74. Voor het begrotingsjaar 1989 worden de financiėle middelen die toekomen aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie krachtens deze wet, verminderd met het totaal bedrag van de sommen die de Ministers bevoegd voor de persoonsgebonden aangelegenheden die krachtens artikel 59bis, § 4bis, van de Grondwet niet tot de bevoegdheid van de Gemeenschappen behoren, als dusdanig hebben geordonnanceerd tot aan de installatie van de Verenigde Vergadering en van het Verenigd College.
  Dat bedrag wordt vastgesteld binnen twee weken na de installatie van de Verenigde Vergadering en van het Verenigd College, bij een in Ministerraad overlegd Koninklijk besluit genomen op het advies van het Verenigd College.

  Art. 75.§ 1. De vastlegging, de ordonnancering en de vereffening van de uitgaven die betrekking hebben op de over te dragen administratieve diensten, en die noch effectief noch in hun geheel ten laste worden genomen door de Gemeenschappen, de Gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, worden gemachtigd ten laste van de kredieten geopend door de wet. De nationale overheid houdt daartoe op de aan de Gemeenschappen en Gewesten over te dragen middelen de bedragen in die nodig zijn voor het dekken van die uitgaven.
  Deze inhoudingen worden vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit na overleg met de betrokken Executieven of met het Verenigd College.
  Deze paragraaf is niet langer van toepassing, wat de administratieve diensten betreft, uiterlijk op 31 december 1990.
  § 1bis. (De vastlegging, de ordonnancering en de vereffening van de uitgaven die betrekking hebben op de over te dragen administratieve diensten, en die noch effectief noch in hun geheel ten laste worden genomen door de Gewesten, worden gemachtigd ten laste van de kredieten geopend door de wet. De federale overheid houdt daartoe op de aan de Gewesten over te dragen middelen de bedragen in die nodig zijn voor het dekken van deze uitgaven.
  Deze inhoudingen worden vastgelegd bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit na overleg met de betrokken Executieven.
  Deze paragraaf is niet langer van toepassing, wat de administratieve diensten betreft, uiterlijk op 31 december 1994.) <W 1993-07-16/30, art. 119, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  (§ 1ter. De vastlegging, de ordonnancering en de vereffening van de uitgaven die betrekking hebben op de over te dragen administratieve diensten, en die noch effectief noch in hun geheel ten laste worden genomen door de gewesten en de gemeenschappen, worden gemachtigd ten laste van de kredieten geopend door de wet gedurende een periode van 12 maanden. De federale overheid houdt daartoe op de aan de gewesten en de gemeenschappen over te dragen middelen de bedragen in die nodig zijn voor het dekken van deze uitgaven.
  Deze inhoudingen worden vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de betrokken regeringen.) <W 2001-07-13/35, art. 47, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 § 1quater. De vastlegging, de ordonnancering en de vereffening van de uitgaven die betrekking hebben op de over te dragen administratieve diensten, en die noch effectief noch in hun geheel ten laste worden genomen door de gewesten, de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, worden gemachtigd ten laste van de door de wet geopende kredieten gedurende een periode tot uiterlijk 31 december 2015. De federale overheid houdt daartoe op de aan de gewesten, de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, over te dragen middelen de bedragen in die nodig zijn voor het dekken van deze uitgaven.
   Deze inhoudingen worden vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de betrokken regeringen.]1
  § 2. De Gemeenschappen, de Gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie dragen bij tot de financiering van de instellingen van openbaar nut die hun moeten worden overgedragen, zolang deze laatste niet daadwerkelijk zijn overgedragen.
  Indien er geen akkoord is over deze bijdragen en de betrokken instelling de toezichthoudende minister daarover inlicht, worden deze bijdragen vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit na overleg met de betrokken Executieven of met het Verenigd College. In dat geval is § 1, eerste en tweede lid, van toepassing.
  § 3. In afwijking van § 2, eerste lid, neemt de Staat de schuld van het Hulpfonds voor financieel herstel van de gemeenten, opgericht bij koninklijk besluit nr. 208 van 23 september 1983, ten laste, die overeenkomt met de als oninbaar beschouwde schuldvorderingen die het Fonds op de gemeenten en de Brusselse Agglomeratie heeft, krachtens de overeenkomsten bepaald in artikel 6 van het voornoemd koninklijk besluit. Een in Ministerraad, na overleg met de Gewestexecutieven, overlegd koninklijk besluit bepaalt de berekeningswijze en raamt de schuldvorderingen.
  Voor de schuld die met de inbare schuldvorderingen van het Fonds overeenstemt, bepaalt een, na overleg met de Gewestexecutieven, in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, de nadere regels van de tenlasteneming, door elk Gewest, van de verplichtingen van het Fonds alsmede de nadere regels voor de overdracht van de rechten aan ieder Gewest.
  § 4. In afwijking van § 2 kan de Koning, na overleg met de Gewestexecutieven, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de Regie der Luchtwegen, onder de voorwaarden die Hij vaststelt, ermee belasten om gedurende een periode van drie jaar, die aanvangt op de datum van inwerkingtreding van deze wet, de deficits van de gewestelijke openbare luchthavens en vliegvelden voor het geheel of voor een deel ten laste te nemen.
  De Koning kan, onder dezelfde voorwaarden als bepaald in het vorige lid, de Regie der Luchtwegen ermee belasten om gedurende een beperkte tijd bepaalde investeringen in de gewestelijke openbare luchthavens en vliegvelden ten laste te nemen.
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 71, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2015>

  Art. 76. Onverminderd de bepalingen van artikel 35 neemt elk Gewest de verplichtingen van de Staat over inzake de projecten en overeenkomsten voor wedertewerkstelling van werklozen goedgekeurd vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet voor de werknemers in dienst genomen vóór deze datum van inwerkingtreding en die hun woonplaats hebben op zijn grondgebied. Elk Gewest ontvangt voor deze werknemers het bedrag bedoeld bij artikel 35, § 1.

  Art. 77.(§ 1.) Onverminderd artikel 75, wordt gedurende het jaar 1989 aan de nationale overheid machtiging verleend om, ten laste van de bij de wet geopende kredieten, voor rekening van de Executieven van de Gemeenschappen en de Gewesten, vastleggingen, ordonnanceringen en betalingen te verrichten voor uitgaven waartoe de Executieven hebben beslist met betrekking tot de nieuwe bevoegdheden die vanaf de inwerkingtreding van deze wet door of krachtens de Grondwet aan de Gemeenschappen en de Gewesten werden toegewezen. <W 2001-07-13/35, art. 48, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Gedurende deze periode wordt de nationale overheid gemachtigd om ten laste van door de wet geopende voorlopige kredieten aan de Gemeenschappen en Gewesten dotaties te storten die gelijk zijn aan de in 1988 gestorte dotaties, aangepast in functie van de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen voor 1988.
  De in 1989 krachtens deze wet aan de betrokken Gemeenschap of Gewest te verstrekken middelen worden verminderd ten belope van het bedrag van de uitgaven vermeld in het eerste lid en van de stortingen vermeld in het tweede lid.
  De modaliteiten voor de uitoefening van de machtiging bedoeld in het eerste lid worden vastgesteld bij overeenkomst tussen de Regering en iedere Executieve. De overeenkomst wordt onmiddellijk medegedeeld aan (het bevoegde Parlement). Deze machtiging houdt op te bestaan met ingang van de inwerkingtreding van het decreet of de ordonnantie tot goedkeuring van de begroting van de Gemeenschap of van het Gewest waartoe de betrokken Executieve behoort. <W 2006-03-27/33, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  (§ 2. Onverminderd artikel 75, wordt gedurende het jaar 2002 aan de federale overheid machtiging verleend om, ten laste van de bij de wet geopende kredieten, voor rekening van de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten, vastleggingen, ordonnanceringen en betalingen te verrichten voor uitgaven waartoe de regeringen hebben beslist met betrekking tot de nieuwe bevoegdheden die vanaf 1 januari 2002 door of krachtens de Grondwet aan de gemeenschappen en de gewesten werden toegewezen.) <W 2001-07-13/35, art. 48, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 § 3. Bij wijze van overgangsmaatregel verricht de federale overheid gedurende de periode van 1 juli 2014 tot 31 december 2014, en in afwijking van artikel 75, ten laste van de bij de wet geopende kredieten, voor rekening van de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de vastleggingen, de ordonnanceringen en de betalingen die voortvloeien uit de toepassing van wetten, reglementeringen of beslissingen met betrekking tot de nieuwe bevoegdheden die aan de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie werden toegewezen door de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming.
   Geen enkel decreet, geen enkele in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, geen enkel besluit en geen enkele beslissing waarvan de uitvoering van aard is om directe of indirecte gevolgen te hebben op de uitgaven die ten laste worden genomen door de federale overheid overeenkomstig het eerste lid of door een federale instelling die belast is met bevoegdheden door de in het eerste lid bedoelde wetten en reglementen, kan in werking treden voor 1 januari 2015, indien deze niet voorafgaandelijk is voorgelegd voor verslag aan de inspecteur van Financiėn die geaccrediteerd is bij de voor deze uitgaven bevoegde federale minister of federale instelling. In zijn verslag, dat hij uitbrengt binnen de vijftien dagen vanaf de dag van de ontvangst van de vraag, maakt de inspecteur van Financiėn een schatting van het bedrag van de directe of indirecte gevolgen die het decreet, de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, het besluit of de beslissing zal hebben op deze uitgaven zoals die voorzien zijn in de begroting van de federale overheid of de federale betrokken instelling.
   Het in het tweede lid bedoelde advies wordt medegedeeld aan de betrokken regering of aan het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, evenals aan de federale minister bevoegd voor Begroting en de federale minister bevoegd voor Financiėn. De minister van Begroting en de minister van Financiėn stellen na overleg met de betrokken regering of het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, op basis van het verslag van de inspecteur van Financiėn, het voorlopig bedrag vast, in plus of in min, al naargelang het geval, dat wordt verrekend op de in artikel 54 bedoelde voorschotten die nog dienen gestort te worden voor het jaar 2014 aan de betrokken entiteit.
   Op het einde van het begrotingsjaar 2014, wordt het bedrag bepaald van de impact van de overeenkomstig het tweede lid genomen maatregelen voor dat begrotingsjaar bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op basis van het verslag van de inspecteur van Financiėn, en genomen na overleg met de betrokken regering of het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Dat bedrag wordt, na aftrek van het in het derde lid bedoelde voorlopig bedrag, in rekening gebracht, in plus of in min, van het in artikel 54 bedoelde saldo van de opbrengst van de belasting die wordt toegekend aan de betrokken entiteit.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 72, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 78. <wijzigingsbepaling van titel VI van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen>

  Art. 79. De artikelen 2, 3, 4, § 2, en 8 van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en de lasten van het verleden van de Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren blijven van toepassing.

  Art. 80.[1 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gemeenschaps- en gewestregeringen de bepalingen van deze wet, geheel of gedeeltelijk coördineren.
   Daartoe kan Hij :
   1° de volgorde en de nummering van de te coördineren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;
   2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen met de nieuwe nummering in overeenstemming te brengen;
   3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen om ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen;
   4° de uitgedrukte formules en beginselen die tot een basisbedrag of basispercentage hebben geleid, zonder wijziging van het resultaat vervangen door het numeriek uitgedrukte basisbedrag of basispercentage.
   De coördinatie zal het volgende opschrift dragen : "Bijzondere wet betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten".
   Ze treedt in werking op de dag van de bekrachtiging ervan bij een wet die aangenomen wordt met de in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet bepaalde meerderheid.]1
  ----------
  (1)<W 2014-01-06/48, art. 73, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 81. De beslissingen die, vanaf 1 januari 1989 tot de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, worden genomen door organen van de nationale overheid over aangelegenheden die vanaf de inwerkingtreding van deze wet door of krachtens de Grondwet aan de Gemeenschappen en aan de Gewesten werden toegewezen, worden geacht genomen te zijn door de ten aanzien van die materies bevoegd geworden organen van de Gemeenschappen en de Gewesten, ieder wat hem betreft.
  De middelen die in 1989 aan iedere Gemeenschap en aan ieder Gewest krachtens deze wet worden overgedragen, worden tot beloop van het bedrag van de overeenstemmende uitgaven, die verricht werden met toepassing van het vorige lid, verminderd, behalve indien het gaat om uitgaven die krachtens deze wet ten laste blijven van de nationale overheid. De Koning bepaalt deze verminderingen bij een in Ministerraad overlegd besluit, na overleg met de betrokken Executieven.

  Art. 81bis. <ingevoegd bij W 1993-07-16/30, art. 120, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> De beslissingen die, vanaf 1 januari 1993 tot de dag van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, worden genomen door organen van de federale overheid over aangelegenheden die vanaf de inwerkingtreding van deze wet door of krachtens de Grondwet aan de Gewesten werden toegewezen, worden geacht genomen te zijn door de ten aanzien van die materies bevoegd geworden organen van de Gewesten, ieder wat hem betreft.
  De middelen die in 1993 aan ieder Gewest krachtens deze wet worden overgedragen, worden tot beloop van het bedrag van de overeenstemmende uitgaven, die verricht werden met toepassing van het vorige lid, verminderd, behalve indien het gaat om uitgaven die krachtens deze wet ten laste blijven van de federale overheid. De Koning bepaalt deze verminderingen bij een in Ministerraad overlegd besluit, na overleg met de betrokken Executieven.

  Art. 81ter. [1 Het Rekenhof stelt :
   1° tegen 31 december 2016 een verslag op dat de in artikel 5/5, § 4, bedoelde fiscale uitgaven evenals hun regionale verdeling weergeeft voor het aanslagjaar 2015, uitgedrukt bij ongewijzigd beleid en vastgesteld bij het verstrijken van de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bepaalde aanslagtermijn, op basis van de gegevens die uiterlijk op 31 oktober 2016 door de minister van Financiėn hiertoe aan het Rekenhof werden overgemaakt;
   2° tegen 30 april 2017 een verslag op dat het bedrag van de in artikel 5/2, § 1, derde lid, bedoelde noemer weergeeft, op basis van de gegevens die uiterlijk op 1 maart 2017 door de minister van Financiėn hiertoe aan het Rekenhof werden overgemaakt.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 74, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>

  Art. 81quater. [1 Voor de aanslagjaren 2015 en volgende zijn de volgende regels van toepassing tot wanneer de gewesten hun eigen regels hebben aangenomen inzake gewestelijke opcentiemen, alsmede inzake elke gewestelijke belastingvermeerdering, korting of belasting-vermindering of elk belastingkrediet :
   1° de gewestelijke opcentiemen zijn gelijk aan de breuk met in de teller de autonomiefactor zoals bepaald in artikel 5/2, § 1, en in de noemer de factor 1 min de autonomiefactor. De gewestelijke opcentiemen worden uitgedrukt in procent en worden afgerond op de hogere of lagere derde decimaal naargelang het cijfer van de vierde decimaal al of niet 5 bereikt;
   2° de gewestelijke belastingverminderingen en -kredieten met betrekking tot de in artikel 5/5, § 4, bedoelde uitgaven zijn de verminderingen en kredieten zoals ze zijn opgenomen in de op 30 juni 2014 bestaande fiscale wetgeving;
   3° in toepassing van artikel 5/3, § 1, 2°, is het saldo van de gewestelijke kortingen en belastingverminderingen dat niet kan worden verrekend op de gewestelijke opcentiemen en de gewestelijke belastingvermeerderingen, verrekenbaar op het eventuele saldo dat overblijft van de federale belasting na toepassing van de federale belastingverminderingen.
   Ieder gewest brengt de fiscale regeling met betrekking tot de uitgaven als bedoeld in artikel 5/5, § 4, eerste lid, 1°, die zijn verbonden met contracten afgesloten vanaf 1 januari 2015, in overeenstemming met het principe van de progressiviteit vermeld in artikel 5/6, § 1. De bestaande belastingverminderingen die niet voldoen aan de bepalingen bedoeld in artikel 5/6, § 1 en § 3, en die door een gewest niet in overeenstemming zijn gebracht met die bepalingen tegen 1 januari 2015, worden op die datum in dat gewest omgezet in een belastingvermindering tegen een tarief van 45 %.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 75, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 81quinquies. [1 § 1. Voor het begrotingsjaar 2014 worden volgende bedragen in mindering gebracht van hun respectievelijke middelen :
   1° 104.835.061 euro voor het Vlaamse Gewest;
   2° 53.325.028 euro voor het Waalse Gewest;
   3° 17.728.103 euro voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
   4° 46.331.615 euro voor de Vlaamse Gemeenschap;
   5° 25.259.550 euro voor de Franse Gemeenschap;
   6° 2.067.211 euro voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.".
   De in het eerste lid vermelde bedragen worden vanaf 1 juli 2014 in mindering gebracht van :
   1° voor de gewesten : de in titel IV, hoofdstuk II, afdeling 2, bedoelde en aan het betrokken gewest toegekende middelen;
   2° voor de gemeenschappen : de in titel IV, hoofdstuk III, afdeling 3, onderafdeling 2, bedoelde en aan de betrokken gemeenschap toegekende middelen;
   3° voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : de haar toegekende middelen als bedoeld in artikel 65.
   § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden de middelen van de Vlaamse Gemeenschap bepaald in artikel 40quinquies, verminderd met een bedrag van 1 205 046 euro.
   Vanaf begrotingsjaar 2016 wordt het bedrag vermeld in het eerste lid jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 38, § 3.
   De vermindering van de middelen wordt definitief stopgezet van zodra de personeelsleden van de gesloten jeugdinstelling te Tongeren niet langer geheel of gedeeltelijk werkzaam zijn als federaal personeelslid in die gesloten instelling en ten laatste op 31 december 2018. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de regering van de in het eerste lid bedoelde overheid, bepalen dat deze vermindering wordt stopgezet in de loop van een ander begrotingsjaar en kan in voorkomend geval het bedrag pro rata temporis voor dat begrotingsjaar bepalen.]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 76, 008; Inwerkingtreding : 01-01-2014>

  Art. 82. Deze wet treedt in werking op 1 januari 1989.

  BIJLAGE

  Art. N.[1 Trajecten voor de periode van 1 januari 2015 tot 31 december 2030, als bedoeld in artikel 65quater, § 2, tweede lid
   Broeikasgasemissiereductiedoelstellingen in de gebouwen van de residentiėle en tertiaire sector (in kilo-ton CO2)
  

  
Jaren201520162017201820192020
Vlaamse Gewest142061408113956138301370513580
Waalse Gewest711970897059702969996969
Brusselse Hoofdstedelijke Gewest232523172309230122932285



  
Jaren2021202220232024202520262027202820292030
Vlaamse Gewest13339130981285812617123761213611895116551141411173
Waalse Gewest6845672265986475635162286104598158575734
Brusselse Hoofdstedelijke Gewest2244220421632123208220422001196119201880

]1
  ----------
  (1)<Ingevoegd bij W 2014-01-06/48, art. 77, 008; Inwerkingtreding : 01-07-2014>
  

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 06-01-2014 GEPUBL. OP 31-01-2014
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 1ter; 1quater; 2bis; 5/1-5/8; 6:7; 8; 9; 9bis; 11; 33; 33bis; 34; 35; 35ter-35decies; 36; 38; 40bis-40quinquies; 41; 47; 47/1; 47/2; 47bis; 47/4-47/11; 48; 48/1; 54; 54/1; 54/2; 61; 62bis; 62ter; 64quater; 64quinquies; 65; 65bis; 65quater; 65quinquies; 68quinquies; 75; 77; 80; 81ter-81quinquies; N)
  • BEELD
  • WET VAN 26-12-2013 GEPUBL. OP 31-12-2013
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 4; 5; 11) Inwerkingtreding nader te bepalen
  • BEELD
  • WET VAN 26-12-2013 GEPUBL. OP 31-12-2013
    (GEWIJZIGD ART. : 11)
  • BEELD
  • WET VAN 19-07-2012 GEPUBL. OP 22-08-2012
    (GEWIJZIGDE ART. : 63; 64bis; 64ter; 65ter)
  • BEELD
  • WET VAN 27-03-2006 GEPUBL. OP 11-04-2006
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 9BIS; 50; 77)
  • BEELD
  • WET VAN 13-07-2001 GEPUBL. OP 03-08-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 1BIS; 1TER; 3; 4; 5; 5BIS; 6; 7; 9)
    (GEWIJZIGDE ART. : 9BIS; 10; 11; 33; 33BIS; 34; 35)
    (GEWIJZIGDE ART. : 35QUA-35OCT; 36; 38; 39)
    (GEWIJZIGDE ART. : 40BIS; 40TER; 41; 47; 47BIS; 48)
    (GEWIJZIGDE ART. : 49; 49BIS; 53; 61; 62; 62BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 62TER; 64; 65; 65BIS; 68TER)
    (GEWIJZIGDE ART. : 68QUA; 75; 77)
  • WET VAN 16-07-1993 GEPUBL. OP 20-07-1993
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 3; 4; 5; 5BIS; 6; 7; 10; 11; 12; 13)
    (GEWIJZIGDE ART. : 16BIS; 16TER; 17; 20; 23BIS; 27)
    (GEWIJZIGDE ART. : 32BIS; 33; 35BIS; 35TER; 36; 37)
    (GEWIJZIGDE ART. : 45BIS; 45TER; 46; 47; 53; 61; 63)
    (GEWIJZIGDE ART. : 68BIS; 75; 81BIS)
  • WET VAN 21-03-1991 GEPUBL. OP 27-03-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 75)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Gewone zitting 1988-1989. Kamer van Volksvertegenwoordigers. Parlementaire stukken. Ontwerp van wet + advies van de Raad van State, nr. 635/1. - Amendementen, nrs. 635/2 t.e.m. 13. - Advies van de Raad van State, nr. 635/14. - Amendementen, nr. 635/15. - Advies van de Raad van State, nr. 635/16. - Verslag (algemene bespreking), nr. 635/17. - Verslag (artikelsgewijze bespreking), nr. 635/18. - Tekst aangenomen door de Commissie, nr. 635/19. - Verslag (bijlagen), nr. 635/20. - Amendementen, nr. 635/21. - Advies van de Raad van State, nr. 635/22. - Amendementen, nrs. 635/23 en 24. Parlementaire handelingen. - Bespreking. Vergaderingen van 4, 5 en 6 januari 1989. - Aanneming. Vergadering van 9 januari 1989. Senaat. Parlementaire stukken. - Ontwerp overgezonden door de Kamer van Volksvertegenwoordigers, nr. 562/1. - Verslag, nr. 562/2. - Amendementen voorgesteld in de Commissie, nr. 562/2bis. - Bijlagen, nr. 562/2ter. - Amendementen, nr. 562/3 t.e.m. 61. Parlementaire handelingen. - Bespreking. Vergaderingen van 12 en 13 januari 1989. - Aanneming. Vergadering van 14 januari 1989.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 450 uitvoeringbesluiten 7 gearchiveerde versies
    Franstalige versie