J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 8 uitvoeringbesluiten 4 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1976/07/19/1976071950/justel

Titel
19 JULI 1976. - Wet tot instelling van een verlof voor de uitoefening van een politiek mandaat. -
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 28-07-1999 en tekstbijwerking tot 21-12-2018)

Publicatie : 24-08-1976 nummer :   1976071950 bladzijde : 10489
Dossiernummer : 1976-07-19/01
Inwerkingtreding : 01-01-1977

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-4, 4bis, 5-6, 6bis, 7

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1.Deze wet is van toepassing op de werknemers en werkgevers van de privé-sector.
  Voor de toepassing van deze wet wordt onder werknemer verstaan, elke persoon die tegen loon arbeid verricht onder het gezag van een ander persoon.
  [1 Voor de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, wordt onder "bijzonder comité voor de sociale dienst" verstaan, het comité als bedoeld in hoofdstuk 6 van titel 1 van deel 2 van het Vlaams decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017.
   Voor de toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden gelijkgesteld :
   - met voorzitter van een bureau van een districtsraad, de "districtsburgemeester" zoals bedoeld in het Vlaams decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017;
   - met lid van een bureau van een districtsraad, de "districtsschepen" zoals bedoeld in het Vlaams decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017.]1
  Deze wet is evenwel niet van toepassing op de onderwijsinrichtingen van de vrije gesubsidieerde sector en hun personeelsleden.
  ----------
  (1)<W 2018-12-14/02, art. 22, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 2.§ 1. De werknemers die lid zijn van een provincieraad, een agglomeratieraad, een federatieraad, een gemeenteraad, (districtsraad,) (de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie, de Vlaamse gemeenschapscommissie, de Franse gemeenschapscommissie, een raad voor maatschappelijk welzijn, [1 een bijzonder comité voor de sociale dienst,]1 van (het Parlement) van de Duitstalige Gemeenschap) of die het ambt bekleden van voorzitter van een van die instellingen of lid zijn van hun uitvoerend college, hebben recht op een politiek verlof om hun mandaat of ambt uit te oefenen. <W 1999-05-04/91, art. 8, 002; Inwerkingtreding : onbepaald> <W 2001-03-23/31, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2001> <W 2006-03-27/35, art. 6, 004; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  (§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing op de bestendig afgevaardigden.) <W 2001-03-23/31, art. 3, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  ----------
  (1)<W 2018-12-14/02, art. 23, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2019>

  Art. 3. (De Koning bepaalt, na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, voor elk van de mandaten of ambten, opgesomd in artikel 2, behalve voor het mandaat of ambt van burgemeester, schepen, voorzitter of lid van een bureau van een districtsraad of voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, en volgens de criteria en voorwaarden die Hij vaststelt :
  - hetzij de duur van de ononderbroken periode(s);
  - hetzij het maximum aantal arbeidsdagen of gedeelten van arbeidsdagen per maand;
  die als politiek verlof beschouwd worden.) <W 2001-03-23/31, art. 4, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2001>
  Tijdens dit politiek verlof hebben de werknemers die één van deze mandaten of ambten vervullen, het recht van het werk afwezig te blijven met behoud van hun normaal loon met het het oog op het uitoefenen van hun mandaat of ambt.
  De Koning bepaalt eveneens het bedrag van het normaal loon of de in aanmerking te nemen elementen voor de vaststelling hiervan.

  Art. 4. Overeenkomstig de door de Koning te bepalen voorwaarden en modaliteiten, betalen de in artikel 2 bedoelde instellingen aan de werkgever van de werknemer die er zijn mandaat of ambt waarneemt, een bedrag terug dat overeenstemt met het brutoloon, vermeerderd met de werkgeversbijdrage welke aan de instellingen voor de sociale zekerheid werden gestort, voor de periode tijdens welke de werknemer van het werk afwezig is geweest om zijn mandaat of ambt waar te nemen.
  Wanneer de werknemer één van de mandaten of ambten bedoeld in artikel 2 uitoefent, wordt het bedrag waarvan sprake in het vorige lid voorafgenomen op de vergoeding welke verbonden is aan de functie volgens de voorwaarden die door de Koning bepaald worden zonder dat deze voorafneming meer dan de helft van de vergoeding mag belopen.

  Art. 4bis. <Ingevoegd bij W 2001-03-23/31, art. 5; Inwerkingtreding : 01-01-2001> § 1. De werknemer, die het ambt of mandaat van burgemeester, schepen, voorzitter of lid van een bureau van een districtsraad of voorzitter van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn opneemt, heeft het recht om, met het oog op de uitoefening van zijn mandaat of ambt, van het werk afwezig te zijn gedurende maximaal twee arbeidsdagen per week.
  De Koning kan de nadere regelen bepalen voor de uitoefening van dit recht.
  § 2. De werknemer, die het ambt of mandaat van burgemeester, schepen, voorzitter of lid van een bureau van een districtsraad of voorzitter van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn opneemt, heeft het recht om voor de uitoefening van zijn ambt of mandaat de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst volledig te schorsen tijdens de periode van zijn mandaat of ambt. Dit recht wordt slechts toegekend voor de uitoefening van één enkel mandaat of ambt.
  De duur van de schorsing wordt vastgesteld op ten minste 12 maanden; in voorkomend geval kan de schorsing meermaals worden opgenomen met of zonder onderbreking tussen de periodes telkens voor een duur van ten minste 12 maanden.
  De Koning bepaalt de nadere regelen voor de uitoefening van dit recht.
  § 3. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de maatregelen nemen die nodig zijn om de wetgeving inzake sociale zekerheid aan te passen ten voordele van de werknemers die een beroep doen op het recht bedoeld in de §§ 1 en 2.

  Art. 5. § 1. De werknemer die kandidaat is bij één van de in artikel 2 vermelde instellingen bericht zijn werkgever hiervan per aangetekend schrijven binnen zes maanden vóór een verkiezing.
  § 2. Vanaf de ontvangst van het schrijven en tot de verkiezing, mag de werkgever geen daad stellen die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking, behalve om redenen die vreemd zijn aan het feit dat de werknemer kandidaat is.
  § 3. Voor zover de werknemer daadwerkelijk op de kandidatenlijsten voorkomt, blijft de door § 2 ingestelde bescherming van kracht gedurende drie maanden na de verkiezing, zelfs als de werknemer niet verkozen wordt.
  § 4. Ingeval de werknemer wordt verkozen, blijft de door § 3 ingestelde bescherming van kracht tijdens de hele duur van het mandaat en tijdens de zes maanden die er onmiddellijk op volgen.
  § 5. Het bewijs van de in § 2 aangehaalde redenen is ten laste van de werkgever. Indien de voor het ontslag aangevoerde reden niet beantwoordt aan de bovenvermelde voorschriften of bij ontstentenis van redenen zal de werkgever aan de werknemer een forfaitaire vergoeding betalen, gelijk aan het brutoloon van zes maanden, onverminderd de vergoedingen verschuldigd in geval van beëindiging van een arbeidsovereenkomst.

  Art. 6. Elk beding dat strijdig is met de bepalingen vervat in vorige artikelen is nietig.

  Art. 6bis. (Opgeheven) <W 2001-03-23/31, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2001>

  Art. 7. Deze wet heeft uitwerking op 1 januari 1977, behalve artikel 5, dat in werking treedt de dag waarop de wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • WET VAN 14-12-2018 GEPUBL. OP 21-12-2018
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 2)
  • originele versie
  • WET VAN 27-03-2006 GEPUBL. OP 11-04-2006
    (GEWIJZIGD ART. : 2)
  • originele versie
  • WET VAN 23-03-2001 GEPUBL. OP 05-04-2001
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 4BIS; 6BIS)
  • originele versie
  • WET VAN 04-05-1999 GEPUBL. OP 28-07-1999
    (GEWIJZIGDE ART. : 2; 3; 6BIS)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Buitengewone zitting 1974. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementair stuk. - Wetsvoorstel nr. 19-1. Zitting 1974-1975. Parlementaire stukken. - Amendementen, nrs. 19-2 en 3. Zitting 1975-1976. Parlementaire stukken. - Amendementen, nrs. 19-4 tot 9. Verslag, nr. 19-10. - Amendementen, nr. 19-11 tot 13. - Aanvullend verslag, nr. 19-14. - Amendementen, nrs. 19-15 en 16. Parlementaire Handelingen. - Bespreking. Vergaderingen van 17 juni 1976 en 22 juni 1976. - Aanneming. Vergadering van 22 juni 1976. Senaat. Parlementaire stukken. - Ontwerp overgezonden door de kamer van volksvertegenwoordigers. nr. 908-1. - Verslag, nr. 908-2. - Amendementen, nrs. 908-3 tot 7. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 30 juni 1976. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire stukken. - Ontwerp gewijzigd door de Senaat, nr. 19-17. - Amendement, nrs. 19-18. - Verslag, nr. 19-19. - Amendementen, nrs. 19-20 en 21. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 7 juli 1976. |

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 8 uitvoeringbesluiten 4 gearchiveerde versies
    Franstalige versie