J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 399 uitvoeringbesluiten 32 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1963/08/09/1963080914/justel

Titel
9 AUGUSTUS 1963. - [Wet tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.] <W 1993-02-15/33, art. 1, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
(NOTA 1 : De woorden " Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen " worden vervangen door de woorden " Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding " ; zie KB 2004-10-18/32, art. 38 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005)
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 13-04-1984 en tekstbijwerking tot 10-05-2011)

Publicatie : 01-11-1963 nummer :   1963080914 bladzijde : 10555
Dossiernummer : 1963-08-09/01
Inwerkingtreding : 01-01-1964

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 1-5, 5bis, 5ter, 5quater, 5quinquies
TITEL II. - RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING.
Art. 6-9
TITEL III. - VERZEKERING VOOR GENEESKUNDIGE VERZORGING.
HOOFDSTUK I. - Organen.
Afdeling 1. - Dienst voor geneeskundige verzorging.
Art. 10
Afdeling 2. - (Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging). <W 1993-02-15/33, art. 10, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Art. 11-12
Afdeling 2bis. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 13, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> - Commissie voor begrotingscontrole.
Art. 12bis, 12ter
Afdeling 3. - (De Wetenschappelijke Raad). <W 1993-02-15/33, art. 16, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Art. 13-14
Afdeling 3bis. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 20, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> - Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging.
Art. 15, 15bis
Afdeling 4. - (College van geneesheren-directeurs en Raad voor advies inzake revalidatie). <W 1993-02-15/33, art. 23, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Art. 16-17
Afdeling 4bis. - (opgeheven). <W 1993-02-15/33, art. 27, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Afdeling 5. - (Bijzonder solidariteitsfonds). <W 1993-02-15/33, art. 28, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Art. 18, 18bis
Afdeling 5bis. - (opgeheven). <W 1993-02-15/33, art. 31, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Afdeling 6. - (Overeenkomsten- en akkoordencommissies). <W 1993-02-15/33, art. 31, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
Art. 19, 19bis
Afdeling 7. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 34, Inwerkingtreding : 01-01-1993> - Technische raden.
Art. 20, 20bis, 20ter
Afdeling 8. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 36, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> - Profielencommissies.
Art. 20quater
Afdeling 9. <Ingevoegd bij W 1994-03-30/31, art. 24, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994> - De Geneesmiddelencommissie.
Art. 20quinquies
HOOFDSTUK II. - Toepassingssfeer.
Art. 21-22
HOOFDSTUK III. - Geneeskundige verstrekkingen.
Art. 23-24, 24bis, 24ter, 25
HOOFDSTUK IIIbis. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 42, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> - Opmaken van de begroting voor geneeskundige verzorging.
Art. 25bis, 25ter, 25quater, 25quinquies
HOOFDSTUK IV. - (Betrekkingen met de zorgverstrekkers, de diensten en de instellingen). <KB533 1987-03-31/41, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-05-1987>
Afdeling 1. - Overeenkomsten.
A. Algemene bepalingen.
Art. 26-27
B. Overeenkomsten met (...) de vroedvrouwen, de verpleegsters, de kinésitherapeuten en de verstrekkers van prothesen en toestellen. <W 08-04-1965, art. 18>
Art. 28-30
C. Overeenkomsten met de verplegingsinrichtingen.
Art. 31
Cbis. <KB58 22-07-1982, art. 5> Overeenkomsten met de in (artikel 23, 12° en 13°), bedoelde diensten en inrichtingen. <KB132 30-12-1982, art. 5>
Art. 31bis
D. Overeenkomst met de apothekers.
Art. 32
E. Gemene bepalingen.
Art. 33
(Afdeling 1bis. - Betrekkingen met de geneesheren en de tandheelkundigen.) <W 26-03-1970, art. 2>
Art. 34
Afdeling 1ter. - <W 08-04-1965, art. 22> (Gemene bepalingen ter zake van de afdelingen 1 en 1bis).
Art. 34bis, 34ter, 34quater
Afdeling 1quater. - <W 27-06-1969, art. 8> Sociaal statuut van de geneesheren, tandheelkundigen en apothekers (en andere voordelen die aan sommige geneesheren kunnen worden toegekend). <W 1990-12-29/30, art. 24, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
Art. 34quinquies
Afdeling 1quinquies. - <W 1985-08-01/31, art. 63, 006> Vergoeding aan de stagemeesters in de huisartsgeneeskunde.
Art. 34sexies
Afdeling 1sexies. - <W 1985-08-01/31, art 84, 006> Tegemoetkoming van de ziekteverzekering voor bijzondere modellen van verstrekking of betaling van geneeskundige verzorging.
Art. 34septies
Afdeling 1septies. - Verstrekkingen van klinische biologie voor gehospitaliseerde rechthebbenden. <Ingevoegd bij W 1987-11-07/30, art. 68, 013; Inwerkingtreding : onbepaald>
Art. 34octies, 34nonies
(Afdeling 1octies. - Verstrekkingen van klinische biologie, verleend aan de in een ziekenhuis en de niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.) <Ingevoegd bij W 1988-12-30/31, art. 27, 015>
Art. 34decies
(Afdeling 1nonies. - Verstrekkingen van klinische biologie, verleend aan de niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.) <Ingevoegd bij W 1988-12-30/31, art. 28, 015>
Art. 34undecies, 34undeciesbis, 34undeciester
(Afdeling 1decies. - Bijzondere bepalingen betreffende de wijzigingen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen en de vermindering van sommige honoraria.) <Ingevoegd bij W 1990-12-29/30, art. 27, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
Art. 34duodecies
(Afdeling 1undecies. - Verstrekkingen inzake medische beeldvorming en andere verstrekkingen, bedoeld in artikel 23.) <W 1992-06-26/33, art. 24, 025>
Art. 34terdecies
(Afdeling 1duodecies. - In onderaanneming verrichte geneeskundige verstrekkingen.) <Ingevoegd bij W 1989-07-06/30, art. 18, 016>
Art. 34quaterdecies
Afdeling 1terdecies. <Deze afdeling werd pas ingevoegd bij W 1990-12-29/30, art. 38; Inwerkingtreding : 01-01-1991> - Revalidatieverstrekkingen.
Art. 34quindecies
Afdeling 1quaterdecies. - Contracten inzake innoverende farmaceutische specialiteiten. <ingevoegd bij W 1994-03-30/31, art. 30, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
Art. 34sedecies
Afdeling 2. - (Plichten van de zorgverstrekkers). <W 1991-07-20/31, art. 33, 023; Inwerkingtreding : 11-08-1991>
Art. 35-37, 37bis
Afdeling 3. - <KB408 1986-04-18/34, art. 7, 007> Plichten van de paramedische medewerkers.
Art. 37ter
Afdeling 4. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 50, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> - Financiële verantwoordelijkheid van de voorschrijvende geneesheren.
Art. 37quater
TITEL IV. - UITKERINGSVERZEKERING.
HOOFDSTUK I. - Organen.
Afdeling 1. - Dienst voor uitkeringen.
Art. 38
Afdeling 2. - Beheerscomité.
Art. 39-40
Afdeling 3. - Geneeskundige raad voor invaliditeit.
Art. 41-42
Afdeling 4. - Technische ziekenfondsraad.
Art. 43-44
Afdeling 5. - <KB22 23-03-1982, art. 5> Evaluatiecommissie.
Art. 44bis
HOOFDSTUK II. - Toepassingssfeer.
Art. 45
HOOFDSTUK III. - Uitkeringen.
Eerste Afdeling. - Primaire ongeschiktheidsuitkering.
Art. 46-47, 47bis, 48, 48bis, 49
Afdeling 2. - (Invaliditeitsuitkering). <W 27-06-1969, art. 16>
Art. 50-52
Afdeling 2bis. - <KB 1984-08-13/34, art. 4, 003> Over het leerlingenwezen voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst.
Art. 52bis
Afdeling 3. - (Mogelijkheid tot herwaardering van bepaalde uitkeringen). <W 05-07-1971, art. 14 en 15>
Art. 53-55
Afdeling 4. - Gemene bepalingen ter zake van de uitkeringen.
Art. 56, 56bis, 56ter, 57-58, 58bis, 58ter, 59-60, 60bis
Afdeling 5. - Uitkering voor begrafeniskosten.
Art. 61
(TITEL IVBIS. - MOEDERSCHAPSVERZEKERING.) <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
(Hoofdstuk 1. - Instellingen.) <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
Art. 61bis
(Hoofdstuk 2. - Toepassingssfeer.) <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
Art. 61ter
(Hoofdstuk 3. - Moederschapsuitkering.) <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
Art. 61quater
(HOOFDSTUK 4. - Tijdvakken van moederschapsrust.) <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
Art. 61quinquies, 61sexies
(HOOFDSTUK 5. - Toekenningsvoorwaarden. - Bijzondere bepaling voor de moederschapsverzekering.) <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
Art. 61septies
(HOOFDSTUK 6. - Algemene bepaling.) <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
Art. 61octies
TITEL V. - VOORWAARDEN TOT TOEKENNING VAN DE PRESTATIES.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
Art. 62-65
HOOFDSTUK II. - (Bijzondere bepalingen ter zake van de verzekering voor geneeskundige verzorging). <W 1988-12-30/31, art. 30, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
Art. 66-70, 70bis
HOOFDSTUK III. - Bijzondere bepalingen ter zake van de verzekering voor geneeskundige verzorging.
Art. 71, 71bis
(HOOFDSTUK III. - Bijzondere bepalingen ter zake van de uitkeringsverzekering.) <W 1988-12-30/31, art. 30, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
Art. 72-75, 75bis, 76, 76bis
(HOOFDSTUK IV. - Gemeenschappelijke bepalingen ter zake van de verzekering voor geneeskundige verzorging en van de uitkeringsverzekering.) <W 1988-12-30/31, art. 30, 015>
Art. 76ter, 76quater, 76quinquies
TITEL VI. - CONTROLE EN GESCHILLEN.
Art. 76sexies
HOOFDSTUK I. - Geneeskundige controle.
Eerste Afdeling. - Dienst voor geneeskundige controle.
Art. 77-79, 79bis, 79ter, 79quater, 79quinquies, 80
Afdeling 2. - (Geneesheren-inspecteurs, apothekers-inspecteurs, (verpleegkundigen-controleurs), controleurs en adjunct-controleurs). <KB22 23-03-1982, art. 10> <KB533 1987-03-31/41, art. 9, 011; Inwerkingtreding : 01-05-1987>
Art. 81-86
Afdeling 3. - Adviserend geneesheren.
Art. 87-88
Afdeling 4. - Tuchtmaatregelen.
Art. 89
Afdeling 5. - Verbod tot tegemoetkoming in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen.
Art. 90, 90bis
Afdeling 6. <ingevoegd bij W 1990-12-29/30, art. 45, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991> - Bepalingen betreffende de adviserend geneesheren van de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen.
Art. 90ter
HOOFDSTUK II. - Administratieve controle.
Eerste Afdeling. - Dienst voor administratieve controle.
Art. 91-96
Afdeling 2. - Terugvordering van de ten onrechte betaalde prestaties.
Art. 97
Afdeling 3. - Tariferingsdiensten.
Art. 98
Afdeling 4. - Straffen die toepasselijk zijn op de verzekeringsinstellingen en op de tariferingsdiensten. <W 1994-03-30/31, art. 35, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
Art. 99
HOOFDSTUK III. - Rechtscolleges en sancties.
Eerste Afdeling. - Rechtscolleges.
Art. 100
Afdeling 2. - Administratieve en strafsancties.
Art. 101-105, 105bis
HOOFDSTUK IV. - Verjaring.
Art. 106
HOOFDSTUK V. - Beëdiging.
Art. 107
TITEL VII. - GEMENE BEPALINGEN TER ZAKE VAN HET RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING EN VAN DE HULPKAS VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING.
HOOFDSTUK I. - Personeel.
Art. 108-118
(HOOFDSTUK II. - Controleorganen.) <W 23-12-1974, art. 56, § 1>
Art. 119-120, 120bis
Titel VIIBIS. <Deze titel werd pas ingevoegd bij W 1990-12-29/30, art. 49, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991> - Bepalingen betreffende het personeel van de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen.
Art. 120ter
TITEL VIII. - FINANCIERING.
HOOFDSTUK I. - Verzekeringsinkomsten en hun verdeling.
Eerste Afdeling. - Verzekeringsinkomsten.
Art. 121-122
Afdeling 2. - Verdeling van de verzekeringsinkomsten.
Art. 123
Afdeling 3. - Administratiekosten van de verzekeringsinstellingen.
Art. 124-125
Afdeling 4. - Financiële bepalingen.
Art. 126-133
Afdeling 5. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 80, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> - Bijzondere bepalingen.
Art. 133bis
HOOFDSTUK II. - Administratieve bepalingen.
Art. 134-135
TITEL IX. - SLOTBEPALINGEN.
Art. 136-147, 147bis, 147ter, 147quater
TITEL X. - OVERGANGSBEPALINGEN.
Art. 148-154, 154bis, 154ter, 155-157
TITEL XI. - OPENBAARMAKING.
Art. 158
TITEL XII. - INWERKINGTREDING.
Art. 159

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.

  Artikel 1. <W 1993-02-15/33, art. 2, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Deze wet stelt een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzoring en uitkeringen in; ze organiseert die in twee onderscheiden takken die betrekking hebben, de ene op de geneeskundige verstrekkingen, de andere op de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, op de uitkering voor begrafeniskosten en op de moederschapsverzekering.

  Art. 2. <W 1993-02-15/33, art. 3, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> In deze wet wordt verstaan :
  a) onder " Instituut ", het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
  b) onder " de Minister ", de Minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Voorzorg behoort;
  c) onder " Algemeen comité ", het Algemeen beheerscomité van het Instituut;
  d) onder " Algemene raad ", de Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging;
  e) onder " Verzekeringscomité " het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging;
  f) onder " Bijzondere diensten ", de Diensten voor geneeskundige verzorging, voor uitkeringen, voor geneeskundige controle en voor administratieve controle;
  g) onder " Ziekenfonds ", een ziekenfonds zoals bepaald in artikel 2, § 1, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landbonden van ziekenfondsen;
  h) onder " Landsbond ", een landsbond zoals bepaald in artikel 6 van voornoemde wet van 6 augustus 1990;
  i) onder " verzekeringsinstelling ", een landsbond, de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale maatschappij der Belgische spoorwegen;
  j) onder " rechthebbende ", iedere persoon die aanspraak kan maken op de in deze wet vastgestelde prestaties;
  k) onder " gerechtigde " op geneeskundige verstrekkingen, de rechthebbenden als bedoeld in artikel 21, 1° tot 9° en 13°; onder " gerechtigde " op uitkeringen, de rechthebbenden als bedoeld in artikel 45, § 1, van deze wet;
  l) onder " beoefenaar van de geneeskunst ", de doctors in de genees-, heel- en verloskunde, de artsen, de licentiaten in de tandheelkunde en de tandartsen, de apothekers, de vroedvrouwen, die wettelijk gemachtigd zijn om hun kunst uit te oefenen;
  m) onder " paramedisch medewerker ", de verpleegkundigen, de kinesitherapeuten, de logopedisten, de orthoptisten, de verstrekkers van prothesen en toestellen, de verstrekkers van implantaten, de licentiaten in de wetenschappen, die gemachtigd zijn om verstrekkingen te verlenen als bedoeld in deze wet;
  n) onder " zorgverstrekker ", de beoefenaars van de geneeskunst, de paramedische medewerkers, de verplegingsinrichtingen, de inrichtingen voor revalidatie en herscholing en de andere diensten en instellingen;
  o) onder " globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling ", de som van alle partiële jaarlijkse begrotingsdoelstellingen en van alle globale begrotingen, waarin is voorzien voor alle in artikel 23 vermelde geneeskundige verstrekkingen samen;
  p) onder " partiële jaarlijkse begrotingsdoelstelling " voor de in artikel 23 vermelde geneeskundige verstrekkingen of groepen van verstrekkingen, het vooropgestelde jaarlijkse bedrag van de uitgaven dat de verschillende overeenkomsten- en akkoordencommissies niet mogen overschrijden;
  q) onder " globale begroting van de financiële middelen " voor een bepaald jaar en voor de geneeskundige verstrekkingen of groepen van verstrekkingen vermeld in artikel 23, het totaal uitgavenbedrag waarvoor de verzekering voor geneeskundige verzorging tegemoetkomt voor de verstrekkingen of groepen van verstrekkingen uitgevoerd in dat jaar of voor de forfaitaire bedragen verschuldigd voor dat jaar en voor die verstrekkingen of groepen van verstrekkingen.

  Art. 3. Ter toepassing van de bepalingen van deze wet worden de landsbonden gemachtigd die het waren ter toepassing van het organiek koninklijk besluit van 22 september 1955 van de ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  De landsbonden waarborgen in hun statuten de bij deze wet bedoelde prestaties.

  Art. 4. De machtiging van landsbonden die deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en verordeningen niet naleven kan door de Koning, op advies of voorstel van de algemene raad van het in titel II van deze wet ingestelde Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, worden ingetrokken. De betrokken landsbond wordt vooraf in zijn verweermiddelen gehoord door de algemene raad van het Rijksinstituut.

  Art. 5. De hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, bij het Ministerie van Sociale Voorzorg ingesteld bij artikel 6 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der arbeiders, is een openbare instelling en geniet rechtspersoonlijkheid.
  De hulpkas werkt door bemiddeling van gewestelijke diensten die de Koning instelt; de gewestelijke diensten genieten geen van de hulpkas losstaande rechtspersoonlijkheid.
  (De hulpkas wordt beheerd door een beheerscomité, samengesteld uit een voorzitter en een gelijk aantal vertegenwoordigers van de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties. Alleen de leden hebben beslissende stem.
  De Koning benoemt de voorzitter.
  Hij bepaalt het aantal werkende en plaatsvervangende leden na raadpleging van de hierboven bedoelde organisaties en benoemt de leden op dubbele lijsten, door die organisaties voorgedragen.
  De organisatie en de werkingsregelen van de Hulpkas worden door de Koning bepaald in het raam van de regelen vastgesteld bij de wet van (16 maart) 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut en de wet betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor maatschappelijke zekerheid en sociale voorzorg.) <KB 24-12-1963, art. 1> <KB 20-07-1971, art. 1>
  Twee regeringscommissarissen, die de Koning benoemt op voordracht van de Minister van Sociale Voorzorg, respectief de Minister van Financiën, wonen de vergaderingen van het beheerscomité bij.

  Art. 5bis. <ingevoegd bij W 1990-12-29/30, art. 42, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991> De " Kas der geneeskundige verzorging " van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen is een openbare instelling die is opgericht bij het Ministerie van Sociale Voorzorg, rechtspersoonlijkheid geniet en optreedt als verzekeringsinstelling voor de rechthebbenden van de sociale werken van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen.
  Deze Kas wordt beheerd door een Beheerscomité, samengesteld uit een voorzitter, tien werkende leden en tien plaatsvervangende leden. De leden worden benoemd door de Koning volgens de bepalingen die gelden voor de aanwijzing van de leden van het Nationaal Paritair Comité van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen. Alleen de leden zijn stemgerechtigd.
  De Koning benoemt de voorzitter.
  De organisatie en de werkingsregelen van de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen worden door de Koning bepaald in het raam van de regelen, vastgesteld bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut en de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor maatschappelijke zekerheid en sociale voorzorg.
  Twee Regeringscommissarissen, die de Koning benoemt op voordracht van respectievelijk de Minister van Sociale Voorzorg en de Minister van Financiën, wonen de vergadering van het Beheerscomité bij.

  Art. 5ter. <Ingevoegd bij W 1991-04-04/40, art. 12, Inwerkingtreding : 01-07-1993, verbeterd door W 1991-07-20/31, art. 39, Inwerkingtreding : 11-08-1991> Het bij titel II van deze wet ingestelde Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering evenals de verzekeringsinstellingen bedoeld in artikel 2, zijn gehouden zich tot het Rijksregister van de natuurlijke personen te richten om de informatiegegevens bedoeld bij artikel 3, eerste en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, te bekomen of wanneer ze de juistheid van deze informatiegegevens nagaan.
  Het beroep doen op een andere bron is slechts toegestaan in de mate dat de nodige informatiegegevens niet bij het Rijksregister kunnen bekomen worden.

  Art. 5quater. <Ingevoegd bij W 1991-04-04/40, art. 13, Inwerkingtreding : 01-07-1993, verbeterd door W 1991-07-20/31, art. 40, Inwerkingtreding : 11-08-1991> De informatiegegevens bedoeld bij artikel 5ter, verkregen bij het Rijksregister van de natuurlijke personen en opgetekend op een identificatiefiche en toegevoegd aan het dossier, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
  (De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels volgens welke deze informatiegegevens bewaard moeten worden opdat hun bewijskracht naar herkomst en datum zou vaststaan.) <W 1993-02-15/33, art. 4, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  Wanneer het bewijs van het tegendeel, bedoeld in het eerste lid, aanvaard wordt door de betrokken instelling, deelt deze de inhoud van het aldus aanvaarde informatiegegeven, ten titel van inlichting, mee aan het Rijksregister van de natuurlijke personen en voegt er de bewijsstukken bij.

  Art. 5quinquies. <Ingevoegd bij W 1991-04-04/40, art. 14, Inwerkingtreding : 01-07-1993, verbeterd door W 1991-07-20/31, art. 41, Inwerkingtreding : 11-08-1991> In alle gevallen waarin deze wet, de uitvoeringsbesluiten ervan of de verordeningen bedoeld in de artikelen 12, 4° en 40, 11°, voorzien in het toezenden van de stukken of het doen van betalingen op de hoofdverblijfplaats, moet gebruik worden gemaakt van het informatiegegeven betreffende de hoofdverblijfplaats bedoeld bij artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
  Van deze verplichting kan evenwel afgeweken worden op schriftelijk verzoek van de betrokkene.

  TITEL II. - RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING.

  Art. 6. <W 1993-02-15/33, art. 5, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Bij het Ministerie van Sociale Voorzorg is er een Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Het Instituut is een openbare instelling en geniet rechtspersoonlijkheid. Onverminderd artikel 147quater, § 1, van deze wet, is het Instituut onderworpen aan de regelen welke de wet van 16 maart 1954 op de controle van sommige instellingen van openbaar nut vaststelt voor de in artikel 1, letter D, van die wet bedoelde instellingen.

  Art. 7. <W 1993-02-15/33, art. 6, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Het in artikel 8 omschreven beheer van het Instituut wordt waargenomen door een Algemeen beheerscomité dat samengesteld is uit een gelijk aantal :
  a) vertegenwoordigers van de representatieve werkgeversorganisaties en vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de zelfstandigen;
  b) vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties;
  c) vertegenwoordigers van de verzekeringsinstelingen.
  De Koning stelt het aantal werkende en plaatsvervangende leden vast en benoemt ze. Hij benoemt de voorzitter en de ondervoorzitters. Hij bepaalt de werkingsregelen van het Algemeen comité.
  Twee Regeringscommissarissen, die de Koning benoemt op voordracht van respectievelijk de Minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Voorzorg behoort en de Minister tot wiens bevoegdheid de Begroting behoort, wonen de vergaderingen van het Algemeen comité bij.

  Art. 8. <W 1993-02-15/33, art. 7, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Het Algemeen comité :
  1° waakt over de eenvormige toepassing van het statuut op alle personeelsleden;
  2° stelt de Minister de wijzigingen voor in de personeelsformatie van de Algemene diensten en, op advies van hun Comité of Algemene raad, in die van de bijzondere diensten;
  3° doet onder de in het statuut gestelde voorwaarden uitspraak over de aanwerving, de benoeming, de dienstaanwijzing, de bevordering, het ontslag en de afzetting van het personeel van de Algemene diensten, alsmede over de tuchtstraffen die het moeten worden opgelegd; het oefent deze bevoegdheid eveneens uit voor het personeel van de bijzondere diensten op voorstel van de Algemene raad of het bevoegde Comité;
  4° verenigt in één document de begroting van de Algemene diensten en van de Bijzondere diensten van het Instituut en zendt het over aan de Minister;
  5° maakt een gemeenschappelijke rekening op van de Algemene diensten en van de Bijzondere diensten van het Instituut en zendt deze over aan de Minister;
  6° stelt de rekening vast en maakt de begroting op van de administratiekosten van het Instituut;
  7° wijst de in artikel 121, 1°, 3° tot 9° en 11° tot 18° bedoelde inkomsten onder de in deze wet gestelde voorwaarden toe aan de Dienst voor geneeskundige verzorging en aan de Dienst voor uitkeringen;
  8° maakt een jaarverslag op over de activiteiten van de Algemene diensten;
  9° brengt zijn advies uit over de in artikel 93, 5°, bedoelde voorstellen en bezorgt het aan de Minister;
  10° beslist over de rechtsvorderingen binnen zijn bevoegdheid.
  In geval van dringende noodzakelijkheid kan de Administrateur-generaal de rechtsvordering inleiden. Die vordering wordt ter goedkeuring aan het Algemeen comité voorgelegd op zijn eerstvolgende vergadering. Indien die goedkeuring wordt geweigerd, dient van de ingestelde vordering afstand te worden gedaan;
  11° stelt zijn huishoudelijk reglement op en legt het de Koning ter goedkeuring voor.

  Art. 9. <W 1993-02-15/33, art. 8, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De Algemene diensten van het Instituut worden, onder het gezag van het Algemeen comité, beheerd door de Administateur-generaal van dat Instituut, bijgestaan door een Directiecomité, samengesteld uit de ambtenaren die de in de titels III of IV en VII van deze wet ingestelde bijzondere diensten leiden.
  De Minister bepaalt, op voorstel van het Algemeen comité, de in het eerste lid bedoelde Algemene diensten.
  Het Directiecomité wordt voorgezeten door de Administrateur-generaal van het Instituut.

  TITEL III. - VERZEKERING VOOR GENEESKUNDIGE VERZORGING.

  HOOFDSTUK I. - Organen.

  Afdeling 1. - Dienst voor geneeskundige verzorging.

  Art. 10. <W 1993-02-15/33, art. 9, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Bij het Instituut wordt een Dienst voor geneeskundige verzorging ingesteld die belast is met de administratie van de verzekering voor geneeskundige verzorging.

  Afdeling 2. - (Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging). <W 1993-02-15/33, art. 10, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 11. <W 1993-02-15/33, art. 11, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De Dienst voor geneeskundige verzorging wordt beheerd door een Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging die samengesteld is uit :
  a) vijf leden die de overheid vertegenwoordigen en door de Minister worden voorgedragen. Drie van de leden worden voorgedragen met instemming van respectievelijk de Minister tot wiens bevoegdheid de Middenstand behoort, de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort en de Minister tot wiens bevoegdheid de Begroting behoort;
  b) vijf leden die de representatieve werkgeversorganisaties en representatieve organisaties van de zelfstandigen vertegenwoordigen;
  c) vijf leden die de representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigen;
  d) vijf leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen;
  e) acht leden die de zorgverstrekkers vertegenwoordigen van wie ten minste twee vertegenwoordigers van de beheerders van de verplegingsinrichtingen en ten minste twee vertegenwoordigers van de geneesheren.
  De Koning bepaalt de wijze waarop de leden worden aangewezen en de werkingsregels van de Algemene raad. Hij benoemt de leden, de voorzitter en de twee ondervoorzitters. Hij kan onder de voorwaarden die Hij bepaalt, plaatsvervangers benoemen.
  De voorzitter en de leden bedoeld in het eerste lid, a), b), c) en d), zijn stemgerechtigd. De leden bedoeld in het eerste lid, e), hebben raadgevende stem.

  Art. 12. <W 1993-02-15/33, art. 12, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. De Algemene raad :
  1° bepaalt de algemene beleidslijnen, stelt de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling vast en legt, na advies van het Verzekeringscomité, de globale begrotingen van de financiële middelen ter goedkeuring aan de Minister voor;
  2° waakt over het financieel evenwicht van de verzekering ondermeer op basis van de kwartaalverslagen van de Commissie voor begrotingscontrole, zoals bepaald in artikel 12ter;
  3° maakt de begroting van de verzekering voor geneeskundige verzorging op;
  4° stelt de rekeningen van de verzekering voor geneeskundige verzorging vast;
  5° beslist over de rechtsvorderingen binnen zijn bevoegdheid.
  In geval van dringende noodzakelijkheid kan de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging beslissen over de rechtsvordering.
  Die vordering wordt ter goedkeuring aan de Algemene raad voorgelegd op zijn eerstvolgende vergadering. Indien die goedkeuring wordt geweigerd, dient van de ingesteld vordering afstand te worden gedaan;
  6° onderzoekt het jaarverslag dat, voor wat de verplichte ziekteverzekering betreft, wordt opgesteld door de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, alsook de verslagen die hem door de Dienst voor geneeskundige controle en de Dienst voor administratieve controle worden bezorgd ter uitvoering van de artikelen 79, § 1, 14°, en 93, eerste lid, 4°, en brengt binnen de door de Koning vastgestelde termijnen aan de Minister verslag uit over de maatregelen die hij besloten heeft te nemen of die hij voorstelt;
  7° beslist, na advies van de Commissie voor begrotingscontrole, of de overeenkomsten en akkoorden die ter goedkeuring aan het Verzekeringscomité worden voorgelegd, in overeenstemming zijn met de begroting;
  8° stelt het Algemeen comité de aanwerving, de benoeming, de dienstaanwijzing, de bevordering, het ontslag en de afzetting voor van het personeel van de Dienst voor geneeskundige verzorging, alsmede de tuchtstraffen aan dat personeel op te leggen;
  9° stelt zijn huishoudelijk reglement op en legt het de Koning ter goedkeuring voor.
  § 2. De Algemene raad zendt jaarlijks aan de Regering een omstandig rapport over de eenvormige toepassing van de wetgeving in heel het land. Dit rapport omvat een evaluatie van de eventuele ongerechtvaardigde verschillen en voorstellen tot wegwerking ervan.
  § 3. Voor de bevoegdheden welke in § 1, 1°, 3°, 4° tot 7°, worden gedefinieerd, worden de voorstellen slechts goedgekeurd indien zij de meerderheid van de stemmen halen van de leden van de Algemene raad met beslissende stem, met inbegrip van de stemmen van alle leden van de groep bedoeld in artikel 11, eerste lid, a).

  Afdeling 2bis. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 13, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> - Commissie voor begrotingscontrole.

  Art. 12bis. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 14, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut wordt een Commissie voor begrotingscontrole ingesteld.
  Die Commissie is samengesteld uit :
  1° twee werkende en twee plaatsvervangende leden die de representatieve organisaties van de werkgevers en van de zelfstandigen vertegenwoordigen;
  2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden die de representatieve werknemersorganisaties vertegenwoordigen;
  3° drie werkende en drie plaatsvervangende leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen;
  4° drie werkende en drie plaatsvervangende leden die de zorgverstrekkers vertegenwoordigen;
  5° vier werkende en vier plaatsvervangende leden die door de Minister worden voorgedragen wegens hun bevoegdheid inzake begrotings- en financiële aangelegenheden betreffende de verzekering voor geneeskundige verzorging, van wie één lid wordt voorgedragen met instemming van de Minister tot wiens bevoegdheid de Begroting behoort;
  6° de begrotings- en financieel adviseur, bedoeld in artikel 120bis, voor zover hij is aangewezen door de Minister tot wiens bevoegheid de Sociale Voorzorg behoort en door de Minister tot wiens bevoegdheid de Begroting behoort.
  Alle leden zijn stemgerechtigd.
  De Koning benoemt de onder de punten 1° tot 4° bedoelde leden van de Commissie voor begrotingscontrole op voorstel van de Algemene raad. Hij benoemt de onder 5° bedoelde leden op voordracht van de Minister. Het voorzitterschap van de Commissie wordt waargenomen door de in het tweede lid, 6°, bedoelde begrotings- en financieel adviseur. Indien geen begrotings- en financieel adviseur is aangewezen, wordt het voorzitterschap uitgeoefend volgens de door de Koning te bepalen regels.
  De Commissie kan een beroep doen op deskundigen en op vertegenwoordigers van de Commissies belast met het sluiten van de overeenkomsten en de akkoorden.
  De Koning bepaalt de werkingsregelen van de Commissie, alsmede de duur van het mandaat van de leden ervan.

  Art. 12ter. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 15, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De Commissie voor begrotingscontrole brengt om het kwartaal aan de Algemene raad, aan de Commissies belast met het sluiten van de overeenkomsten en de akkoorden, door de bemiddeling van het Verzekeringscomité, en aan de Minister verslag uit over het beheer van de sector verzekering voor geneeskundige verzorging, alsmede over de ontvangsten en uitgaven ervan, in het bijzonder over de vooruitzichten ter zake en de verschillende aspecten van de evolutie ervan.
  De Commissie brengt met name aan de Algemene raad, aan de Commissies belast met het sluiten van de overeenkomsten en de akkoorden, door de bemiddeling van het Verzekeringscomité, en aan de Minister verslag uit over de uitgaven die voortvloeien uit de in Titel III, hoofdstuk IV, afdelingen I en Ibis bedoelde overeenkomsten en akkoorden en uit de wijzigingen die worden voorgesteld in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, bedoeld in de artikelen 16, § 2, en 24; ze brengt aan de betrokken technische raden verslag uit over de uitgaven die voortvloeien uit die wijzigingen van de nomenclatuur. Ze oefent de specifieke bevoegdheden uit die haar worden toegekend door het artikel 34bis.
  De Commissie heeft in het raam van haar opdracht de meest uitgebreide onderzoeksbevoegdheden, zonder evenwel toegang te hebben tot de individuele gegevens. Ze onderzoekt de verrichtingen die een financiële weerslag of een weerslag op de begroting hebben, krijgt inzage van alle dossiers en archieven en ontvangt van de Diensten van het Instituut alle inlichtingen die ze vraagt. Ze mag sommige van haar leden afvaardigen naar de vergaderingen van de Raden, Comités, Commissies en andere bij de diensten van het Instituut ingestelde organen waarvan de activiteiten een weerslag hebben op de verzekering voor geneeskundige verzorging.
  De Commissie is eveneens ermee belast (de minister, de Algemene Raad, het Verzekeringscomité en de Geneesmiddelencommissie) te adviseren over alle financiële en begrotingsaspecten betreffende de in artikel 23, 5°, bedoelde farmaceutische produkten. <W 1994-03-30/31, art. 25, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>

  Afdeling 3. - (De Wetenschappelijke Raad). <W 1993-02-15/33, art. 16, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 13. <W 1993-02-15/33, art. 17, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging wordt een Wetenschappelijke Raad ingesteld die belast is met het onderzoek van elk wetenschappelijk aspect in verband met de verzekering voor geneeskundige verzorging en de kwaliteit van de zorgverlening. Hij doet alle aanbevelingen die de wetenschappelijke vooruitgang, onder de beste voorwaarden inzake doelmatigheid, economie en kwaliteit, binnen het bereik van de rechthebbenden van de verzekering voor geneeskundige verzorging kunnen brengen.
  De door de Wetenschappelijke Raad uitgebrachte adviezen worden bezorgd aan de Minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Voorzorg behoort, aan de Algemene raad en aan het Verzekeringscomité.

  Art. 14. <W 1993-02-15/33, art. 18, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De Koning benoemt de voorzitter en de leden van de Wetenschappelijke Raad en bepaalt de werkingsregelen ervan.

  Afdeling 3bis. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 20, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> - Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging.

  Art. 15. <W 1993-02-15/33, art. 19 en 21, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging wordt een Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging ingesteld, dat samengesteld is uit :
  a) vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen; elke verzekeringsinstelling heeft recht op ten minste één vertegenwoordiger;
  b) vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de geneesheren en van de tandheelkundigen;
  c) vertegenwoordigers van de officina-apothekers, de ziekenhuisapothekers en de apothekers-biologen;
  d) vertegenwoordigers van de beheerders van de verplegingsinrichtingen, van de diensten en instellingen vermeld in artikel 23, 12°, 13°, 14° en 19°, en van de inrichtingen voor revalidatie en herscholing;
  e) vertegenwoordigers van de paramedische medewerkers;
  f) vertegenwoordigers van de representatieve werkgeversorganisaties, vertegenwoordigers van de representatieve werknemersorganisaties en vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de zelfstandigen.
  Het aantal onder b) tot e) vermelde leden is in totaal gelijk aan het aantal onder a) vermelde leden.
  De leden bedoeld in het eerste lid, a) tot e), zijn stemgerechtigd. De leden bedoeld in het eerste lid, f), hebben raadgevende stem.
  Ingeval er geen akkoord is aangaande de beslissingen die betrekking hebben op de medische honoraria, kunnen de leden die de representatieve organisaties van de geneesheren vertegenwoordigen, een schorsing van de ter zake gevoerde beraadslaing in het Verzekeringscomité vragen gedurende maximaal tien dagen om hen in staat te stellen hun verzet te motiveren. Deze termijn is niet verlengbaar.
  § 2. De Koning bepaalt de wijze waarop de leden van het Verzekeringscomité worden voorgedragen, het aantal werkende leden en plaatsvervangers, alsmede de werkingsregels ervan. Hij benoemt de voorzitter en de twee ondervoorzitters alsmede de leden van het Verzekeringscomité.
  Bij het benoemen van de leden wordt erop toegezien dat de vertegenwoordiging van eventuele minderheden verzekerd is.

  Art. 15bis. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 22, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Het Verzekeringscomité :
  1° stelt de partiële jaarlijkse begrotingsdoelstellingen van de overeenkomsten- en akkoordencommissies vast en zendt aan de Algemene raad zijn voorstellen over teneinde een evenwichtige verdeling van de uitgaven tussen de verschillende sectoren van de verzekering voor geneeskundige verzorging tot stand te brengen;
  2° stelt aan het Algemeen comité de begroting van de administratiekosten van de Dienst voor geneeskundige verzorging voor;
  3° keurt de overeenkomsten en de akkoorden goed, rekening houdend met de beslissing van de Algemene raad aangaande hun overeenstemming met de begroting, genomen onder de voorwaarden bedoeld in artikel 12, § 1, 7° (en onverminderd de mogelijkheid voor de minister om er binnen veertien werkdagen vanaf de kennisgeving van de beslissing door de Voorzitter van het Verzekeringscomité verzet tegen aan te tekenen. In geval van verzet door de minister, oefent deze laatste de bevoegdheden uit van het Verzekeringscomité, bedoeld in artikel 34bis, § 1, vierde lid.); <W 1994-03-30/31, art. 18, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  4° beslist over het doorsturen aan de Minister van de voorstellen tot wijziging van de in artikel 16, § 2, en 24, § 1, bedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen;
  5° bezorgt de overeenkomsten- en akkoordencommissies, indien correctiemaatregelen ontoereikend zijn, alle voorstellen betreffende de bijkomende correctiemaatregelen die moeten worden uitgevoerd;
  6° sluit, op voorstel van het College van geneesheren-directeurs, met de revalidatie- en herscholingsinrichtingen de in artikel 16, § 3, van deze wet bedoelde overeenkomsten;
  7° maakt een lijst op van de personen die gemachtigd zijn tot het verlenen van de in artikel 23, 1°, b), c), 4° en 4°bis, van deze wet bedoelde verstrekkingen;
  8° spreekt de in artikel 71, § 8, bedoelde straffen uit volgens de door de Koning vastgestelde procedure;
  9° maakt de teksten van de overeenkomsten op onder de in artikel 33 gestelde voorwaarden;
  10° sluit de in artikel 34septies bedoelde overeenkomsten;
  11° werkt de in deze wet bedoelde verordeningen uit, onder meer betreffende de voorwaarden voor het verkrijgen van recht op de verstrekkingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging en stelt de voorwaarden vast waaronder de in artikel 23 bedoelde geneeskundige verstrekkingen worden vergoed;
  12° wijst de in artikel 122 bedoelde inkomsten die hem zijn toegekend, toe aan de verzekeringsinstellingen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 123, § 1, 1°, 2° en 3°;
  13° bepaalt de regelen volgens welke de verzekeringsinstellingen hun rekeningen bij de Dienst voor geneeskundige verzorging indienen en verantwoorden.
  14° stelt zijn huishoudelijk reglement op en legt het de Koning ter goedkeuring voor.

  Afdeling 4. - (College van geneesheren-directeurs en Raad voor advies inzake revalidatie). <W 1993-02-15/33, art. 23, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 16. <W 1993-02-15/33, art. 24, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging wordt een College van geneesheren-directeurs ingesteld, dat tot taak heeft voor elk geval te beslissen of de programma's en verstrekkingen inzake revalidatie en herscholing ten bate van de rechthebbende van de verzekering voor geneeskundige verzorging ten laste worden genomen door de verzekering. De Koning bepaalt de voorwaarden en de regels volgens welke die taak eveneens kan worden uitgevoerd door de in artikel 87 bedoelde adviserend geneesheer.
  § 2. Als dat revalidatie- en herscholingsprogramma verstrekkingen omvat waarin de in deze paragraaf en in artikel 24, § 1, bedoelde nomenclatuur voorziet, mogen door de tussenkomst van het College van geneesheren-directeurs of van de adviserend geneesheren voor die verstrekkingen geen andere vergoedingsvoorwaarden worden ingevoerd dan die welke in bovengenoemde nomenclatuur zijn bepaald.
  Onverminderd de verstrekkingen die gedekt zijn door de in § 3 bedoelde overeenkomsten, stelt de Koning, op advies van het College van geneesheren-directeurs, de nomenclatuur van de in artikel 23, 8°, bedoelde revalidatieverstrekkingen vast, en wijzigt deze alsmede de toepassingsregelen ervan. Te dien einde wint het College van geneesheren-directeurs advies in van de Raad voor advies inzake revalidatie.
  De Koning bepaalt en wijzigt, op advies van het College van geneesheren-directeurs, de lijst van de in artikel 23, 9°, bedoelde revalidatieverstrekkingen, alsmede de toepassingsregelen ervan.
  § 3. Het College van geneesheren-directeurs maakt met de revalidatie- en herscholingsinrichtingen ontwerpen van met hen te sluiten overeenkomsten op en legt ze daartoe voor aan het Verzekeringscomité. De ontwerpen van de revalidatie-overeenkomsten worden eveneens medegedeeld aan de in artikel 12bis, 6°, bedoelde begrotings- en financieel adviseur.
  § 4. Het College bezorgt het Verzekeringscomité alle adviezen betreffende de toepassing, de interpretatie en de wijziging van de in artikel 24, § 1, bedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, na ze te hebben medegedeeld aan de bevoegde technische raad die er zijn opmerkingen bijvoegt. Indien de bevoegde Technische raad binnen dertig dagen na ontvangst van het advies geen opmerkingen heeft gemaakt, wordt hij geacht ermee in te stemmen.
  Het bezorgt bovendien aan het Verzekeringscomité en aan de voornoemde begrotings- en financieel adviseur alle adviezen betreffende de toepassing en de interpretatie van voornoemde nomenclatuur van de revalidatieverstrekkingen, na ze te hebben meegedeeld aan de Raad voor advies inzake revalidatie. Indien de Raad voor advies inzake revalidatie binnen dertig dagen na ontvangst van het advies geen opmerkingen heeft gemaakt, wordt hij geacht ermee in te stemmen. Bij de adviezen die aan de begrotings- en financieel adviseur worden bezorgd, wordt een door het College van geneesheren-directeurs opgemaakt verslag gevoegd aan de hand waarvan de financiële weerslag van die adviezen kan worden geëvalueerd.
  § 5. De samenstelling en de werkingsregelen van het College van geneesheren-directeurs worden door de Koning bepaald. Dat College wordt voorgezeten door een door de Koning aangewezen ambtenaar, geneesheer, van de Dienst voor geneeskundige verzorging.

  Art. 17. <W 1993-02-15/33, art. 25, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut wordt een Raad voor advies inzake revalidatie ingesteld.
  § 2. De Raad voor advies inzake revalidatie is samengesteld uit :
  1° een voorzitter;
  2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden die, in dubbel aantal van dat van de toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van de mindervaliden;
  3° vier werkende en vier plaatsvervangende leden die, in dubbel aantal van dat van de toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de revalidatiecentra; twee werkende en twee plaatsvervangende leden moeten geneesheren zijn die, volgens de door de Koning vastgestelde regels en voorwaarden, door de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, zijn erkend als geneesheer, specialist inzake revalidatie;
  4° vier werkende en twee plaatsvervangende leden die, in dubbel aantal van dat van de toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de medische faculteiten van de Belgische universiteiten;
  5° twee werkende en twee plaatsvervangende leden die, in dubbel aantal van dat van de toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de door de Koning aangewezen beroepsorganisaties van de paramedische medewerkers die revalidatieverstrekkingen uitvoeren;
  6° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, doctors in de geneeskunde, die in dubbel aantal van dat van de toe te kennen mandaten worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen.
  De Koning kan de samenstelling van voornoemde Raad op voorstel van die Raad verruimen tot andere beroepen.
  § 3. De Raad voor advies inzake revalidatie heeft tot taak, ten behoeve van het Verzekeringscomité :
  1° de in artikel 16, § 2, bedoelde adviezen uit te brengen;
  2° advies uit te brengen op het gebied van de revalidatie-overeenkomsten die voornoemd Comité kan sluiten met de revalidatieinrichtingen.
  Deze adviezen worden geacht te zijn gegeven indien ze niet zijn geformuleerd binnen de termijn van een maand na het verzoek.
  § 4. De Koning bepaalt de werkingsregelen van de Raad voor advies inzake revalidatie, alsmede de duur van het mandaat van de leden.
  § 5. De Koning benoemt de voorzitter en de leden van de Raad voor advies inzake revalidatie.

  Afdeling 4bis. - (opgeheven). <W 1993-02-15/33, art. 27, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Afdeling 5. - (Bijzonder solidariteitsfonds). <W 1993-02-15/33, art. 28, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 18. <W 1993-02-15/33, art. 26 en 29, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. Bij de Dienst voor de geneeskundige verzorging wordt een bijzonder solidariteitsfonds opgericht, dat wordt gefinancierd door een voorafname op de in artikel 121 bedoelde inkomsten, waarvan het bedrag voor ieder kalenderjaar wordt vastgesteld door de Minister.
  § 2. Het College van geneesheren-directeurs verleent aan de in de artikelen 21 en 22 bedoelde rechthebbenden, binnen de perken van de overeenkomstig § 1 vastgestelde financiële middelen, tegemoetkomingen in de kosten van de uitzonderlijke geneeskundige verstrekkingen die niet zijn opgenomen in de nomenclatuur bedoeld in artikel 24, met inbegrip van de farmaceutische produkten die niet in aanmerking komen voor vergoeding krachtens de reglementaire bepalingen betreffende de vergoeding van de farmaceutische verstrekkingen, en die voldoen aan de volgende voorwaarden :
  1° duur zijn;
  2° betrekking hebben op een zeldzame aandoening die de vitale functies van de rechthebbende aantast;
  3° beantwoorden aan een indicatie die voor de rechthebbende op medisch-sociaal vlak absoluut is;
  4° een wetenschappelijke waarde en een doeltreffendheid bezitten die door de gezaghebbende medische instanties in ruime mate worden erkend;
  5° het experimenteel stadium voorbij zijn;
  6° voorgeschreven zijn door een geneesheer die gespecialiseerd is in de behandeling van de betreffende aandoening en toestemming heeft om in België de geneeskunde uit te oefenen.
  De Koning kan bepalen in welke omstandigheden de in artikel 87 bedoelde adviserend geneesheer kan beslissen de aanvraag niet door te sturen naar het College van geneesheren-directeurs.
  Bovendien kan de Koning, na advies van de Wetenschappelijke raad, een limitatieve lijst opmaken van de verstrekkingen waarvoor het bijzonder solidariteitsfonds een tegemoetkoming kan verlenen. Hij kan eveneens het maximumbedrag van de tegemoetkoming van het fonds vaststellen.
  Als de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft op farmaceutische produkten, verstrekt de Technische raad voor farmaceutische specialiteiten of de Technische farmaceutische raad die zijn bedoeld in artikel 20, elk volgens zijn bevoegdheid, een voorafgaand advies aan het College van geneesheren-directeurs.
  § 3. De Koning stelt, na advies van het Verzekeringscomité, de aanvraagprocedure en de betalingswijze vast.
  Het bijzonder solidariteitsfonds kan alleen een tegemoetkoming verlenen indien is voldaan aan de in dit artikel gestelde voorwaarden en indien de rechthebbenden hun rechten hebben doen gelden krachtens de Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens een individueel of collectief gesloten overeenkomst.
  § 4. In afwijking van § 2 kan het College van geneesheren-directeurs beslissen dat het bijzonder solidariteitsfonds in behartenswaardige gevallen het persoonlijk aandeel van de rechthebbende ten laste kan nemen voor in het buitenland verleende geneeskundige verstrekkingen, alsook de reis- en verblijfkosten van de rechthebbende en, in voorkomend geval, van de persoon die hem vergezelt.
  De Koning bepaalt, na advies van het Verzekeringscomité, de voorwaarden waaronder en de regels volgens welke de tegemoetkoming mag worden toegekend.
  § 5. Behalve in geval van bedrieglijke handelingen verjaart de vordering tot terugvordering van de krachtens de §§ 2 tot 4 toegekende bedragen, door verloop van drie jaren na het einde van de maand waarin de betaling is verricht.

  Art. 18bis. (opgeheven) <W 1993-02-15/33, art. 27, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Afdeling 5bis. - (opgeheven). <W 1993-02-15/33, art. 31, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Afdeling 6. - (Overeenkomsten- en akkoordencommissies). <W 1993-02-15/33, art. 31, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 19. <W 1993-02-15/33, art. 32, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De in de artikelen 26 en 34 bedoelde overeenkomsten en akkoorden worden in de schoot van de Dienst voor geneeskundige verzorging onderhandeld en gesloten door overeenkomsten- en akkoordencommissies waarin een gelijk aantal vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen en van de representatieve organisaties van de betrokken beroepen of inrichtingen, diensten of instellingen zitting hebben.
  De samenstelling en de werkingsregelen van die Commissies worden door de Koning bepaald. Die Commissies kunnen eigener beweging aan de bevoegde Technische raden of, voor de verstrekkingen die worden verleend door personen die behoren tot beroepen waarvoor geen Technische raad bestaat, aan het Verzekeringscomité voorstellen doen tot aanpassing van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen.
  Elk van die Commissies, uitgezonderd de Nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen en de Nationale commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen, wordt voorgezeten door de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging of door zijn afgevaardigde.
  Deze kan beslissen dat Commissies samen kunnen vergaderen wanneer kwesties van gemeenschappelijk belang op de agenda staan.
  Een door de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging aangewezen personeelslid van de Dienst staat in voor het secreatariaat.

  Art. 19bis. (opgeheven) <W 1993-02-15/33, art. 30, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Afdeling 7. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 34, Inwerkingtreding : 01-01-1993> - Technische raden.

  Art. 20. <W 1993-02-15/33, art. 34, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> (Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging worden een Technische Geneeskundige Raad, een Technische Tandheelkundige Raad, een Technische Raad voor ziekenhuisverpleging, een Technische Raad voor kinesitherapie, een Technische Farmaceutische Raad, een Technische Raad voor farmaceutische specialiteiten, een Technische Raad voor de betrekkingen met de farmaceutische industrie en een Technische Raad voor inplantaten ingesteld. Deze raden worden ingesteld bij de overeenstemmende Overeenkomsten- of Akkoordencommissies of bij de Geneesmiddelencommissie, en, bij gebreke daarvan, bij het Verzekeringscomité.) <W 1994-03-30/31, art. 19, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  Die Raden doen de voorstellen en verstrekken de adviezen die zijn bedoeld in artikel 24, § 2.
  De Technische geneeskundige raad en de Technische tandheelkundige raad zijn bevoegd om adviezen te geven over de interpretatie van de nomenclatuur, met name aan de beperkte kamers en aan de commissies van beroep, die respectievelijk bedoeld zijn in de artikel 79, § 1, eerste lid, 9°, en 89 van deze wet.
  (Elk van deze voorstellen of adviezen zoals bedoeld in het tweede en derde lid moet vergezeld zijn van een schriftelijk advies van de Dienst voor Geneeskundige Controle. Dit advies wordt geacht te zijn gegeven door de Dienst voor Geneeskundige Controle indien het niet is geformuleerd binnen de termijn van vijftien dagen nadat deze dienst hierom werd verzocht.) <W 1993-08-06/30, art. 18, 029; Inwerkingtreding : 19-08-1993>

  Art. 20bis. <W 1993-02-15/33, art. 35, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. De samenstelling en de werkingsregelen van de Technische raden worden door de Koning bepaald. (Elke Technische Raad wordt voorgezeten door een persoon die door de Koning is aangewezen op voordracht van het Verzekeringscomité). De verzekeringsinstellingen en de betrokken beroepsorganisaties zijn daarin vertegenwoordigd onder de door de Koning bepaalde voorwaarden. <W 1994-03-30/31, art. 20, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  § 2. De samenstelling van de Technische geneeskundige raad en de Technische tandheelkundige raad wordt door de Koning bepaald.
  Twee derden van de stemgerechtigde leden van de Technische geneeskundige raad en van de Technische tandheelkundige raad zijn praktizerenden, door de Koning benoemd uit de kandidaten die op dubbele lijsten worden voorgedragen door de faculteiten van geneeskunde van de Belgische universiteiten en door de representatieve beroepsorganisaties van de geneesheren en de tandheelkundigen, en één derde van de stemgerechtigde leden zijn doctors in de geneeskunde of tandheelkundigen, door de Koning benoemd uit de kandidaten die op dubbele lijsten worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen.
  Elk van die Technische raden wordt voorgezeten door een lid van het Verzekeringscomité, doctor in de geneeskunde of tandheelkundige, door de Koning benoemd op de voordracht van de betrokken Technische raad.
  De Koning bepaalt de duur van het mandaat van de voorzitter en van de leden.
  Elke van die Technische raden houdt op geldige wijze zitting indien ten minste de helft van de leden aanwezig is.
  De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. De voorzitter is niet stemgerechtigd.
  § 3. De in artikel 20, tweede lid, bepaalde voorstellen of adviezen van die Technische raden worden door hun voorzitter meegedeeld aan de overeenstemmende overeenkomsten- of akkoordencommissie.
  § 4. Elke van die Technische raden maakt zijn huishoudelijk reglement op dat aan de Koning ter goedkeuring wordt voorgelegd.

  Art. 20ter. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 35, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De Koning kan andere Technische raden instellen.

  Afdeling 8. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 36, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> - Profielencommissies.

  Art. 20quater. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 36, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging worden, voor de door de Koning aan te wijzen disciplines, profielencommissies ingesteld die tot taak hebben een evaluatie van de profielen per verstrekker te maken die zijn opgemaakt op grond van de in artikel 135, tweede lid, opgelegde statistische tabellen.
  De samenstelling en de werkingsregelen van die commissies worden door de Koning bepaald. De Koning benoemt de voorzitter en de leden van die Profielencommissies.

  Afdeling 9. <Ingevoegd bij W 1994-03-30/31, art. 24, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994> - De Geneesmiddelencommissie.

  Art. 20quinquies. <Ingevoegd bij W 1994-03-30/31, art. 24, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994> § 1. Bij de Dienst geneeskundige verzorging van het Instituut wordt een Geneesmiddelencommissie ingesteld die samengesteld is uit :
  1° vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen;
  2° vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de geneesheren;
  3° vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de apothekers;
  4° vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de geneesmiddelenindustrie.
  De Koning bepaalt het aantal vertegenwoordigers en de regels voor de werkwijze van de Commissie en benoemt de voorzitter en haar leden.
  § 2. De Geneesmiddelencommissie :
  1° ziet toe op de naleving van de uitgavengroeinorm en de partiële jaarlijkse begrotingsdoelstelling inzake geneesmiddelen;
  2° nodigt de bevoegde technische raden uit om voorstellen te doen ter naleving van de partiële jaarlijkse begrotingsdoelstelling;
  3° geeft advies aan de ministers tot wier bevoegdheid de Sociale Voorzorg en de Economische Zaken behoren over de ontwerpen van prijs-volume-contracten die gesloten worden krachtens artikel 34sedecies;
  4° analyseert de evaluatierapporten van de bevoegde profielcommissie en de adviezen van de Commissie voor begrotingscontrole en formuleert op dit terrein alle nuttige voorstellen.
  § 3. De adviezen en voorstellen van de Geneesmiddelencommissie worden medegedeeld aan de Algemene Raad, aan het Verzekeringscomité en aan de Commissie voor begrotingscontrole.

  HOOFDSTUK II. - Toepassingssfeer.

  Art. 21. Rechthebben op de in titel III, hoofdstuk 3 van deze wet omschreven geneeskundige verstrekkingen onder de voorwaarden die ze bepaalt, zijn :
  1° de werknemers die vallen onder de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging, krachtens de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders met inbegrip van de werknemers die een vergoeding genieten, welke verschuldigd is ingevolge de onregelmatige verbreking van een overeenkomst, ingetreden vanaf 1 juli 1970, tijdens het tijdvak dat gedekt is door die vergoeding, of die vallen onder de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden;) <KB 20-07-1971, art. 4, 1°>
  2° de werknemers die arbeidsongeschikt zijn erkend (of de werkneemsters die in moederschapsrust zijn) als bedoeld in deze wet; <W 1993-02-15/33, art. 37, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  3° de werknemers in gecontroleerde werkloosheid;
  (4° de werkneemsters die aansluitend met een tijdvak bedoeld in 1°, 2°, 3°, 5° of 6°, de arbeid onderbreken of de arbeid niet hervatten, om ten vroegste van de vijfde maand der zwangerschap af te rusten;) <W 27-06-1969, art. 2, 1>
  5° de werknemers die, om niet langer werkloos te zijn, huishoudelijke arbeid verrichten en die, ter toepassing van de regeling inzake werkloosheidsverzekering, de hoedanigheid van gewoonlijk in loondienst arbeidend werknemer behouden;
  6° de werknemers wier maatschappelijke toestand behartigenswaardig is, die niet meer onder de Belgische wetgeving betreffende de sociale zekerheid der werknemers vallen; alsdan is het recht op geneeskundige verstrekkingen beperkt tot een bepaalde periode, "tijdvak van voortgezette verzekering" genoemd;
  7° de werknemers die recht hebben op een rustpensioen krachtens de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van arbeiders en bedienden, of op vervroegd pensioen krachtens het bijzonder statuut van het personeel van een onderneming;
  8° de werknemers die als mijnwerker recht hebben op een invaliditeits- of rustpensioen;
  (8°bis de personen die een rustpensioen of een als zodanig geldend voordeel genieten, vastgesteld door of krachtens een wet of een reglement, anders dans de pensioenregeling voor werknemers en dat wordt toegekend uit hoofde van een tewerkstelling in de openbare sector of in een onderwijsinrichting, die aanleiding geeft tot de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, evenwel beperkt tot de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte- en invaliditeit, sector van de geneeskundige verzorging;) <KB 20-07-1971, art. 4, 2°>
  (8°ter de personen die in de hoedanigheid van statutair personeelslid van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen recht hebben op een rustpensioen of een invaliditeitspensioen.) <W 1990-12-29/30, art. 43, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (8°quater de personen die ingevolge de toekenning van een rust- en overlevingspensioen of een als zodanig geldend voordeel, vastgesteld door of krachtens een wet of een reglement anders dan de pensioenregeling voor werknemers, het recht op een in 7° of 8° bedoeld pensioen verliezen.) <W 1993-08-06/30, art. 10, 029; Inwerkingtreding : 19-08-1993>
  (9° de weduwnaars en weduwen van de voornoemde werknemers;) <W 1985-08-01/31, art. 54, 006>
  10° de personen ten laste van de in (1° tot en met 9°, en 13°,) bedoelde gerechtigden; <W 27-06-1969, art. 2>
  11° de personen ten laste van de in (1° tot en met 8°, en 13°,) bedoelde gerechtigden die legerdienst doen; <W 27-06-1969, art. 2>
  12° de personen ten laste van de werknemers van Belgische nationaliteit die onder een buitenlandse wetgeving voor sociale zekerheid vallen wanneer zij in België zijn of terugkomen terwijl die werknemers legerdienst doen;
  13° de kinderen van de in 1° tot en met 9° bedoelde gerechtigden die volle wezen zijn en recht geven op kinderbijslag.
  (De Koning stelt vast wat onder "gecontroleerde werkloosheid", onder "persoon ten laste" en onder de in 13° van dit artikel bedoelde "kinderen van de gerechtigden" wordt verstaan.) <W 24-12-1963, art. 8>

  Art. 22. De Koning kan bij een (...) in de Ministerraad overlegd besluit de toepassingssfeer van deze wet geheel of gedeeltelijk verruimen: <W 27-06-1969, art. 3, 1>
  (1° tot de zelfstandigen en helpers onderworpen aan de wetgeving houdende inrichting van het sociaal statuut voor de zelfstandigen;) <KB74 10-11-1967, art. 7>
  (2° tot de leden van de kloostergemeenschappen, andere dan degene bedoeld in artikel 21, eerste lid, 1°;) <KB 20-07-1971, art. 5, 1°>
  (3° tot de door de Koning bepaalde categorieën van personen waarop het decreet van 4 augustus 1959 tot vervanging van het decreet van 5 september 1955 op de verzekering voor gezondheidszorg van de administratieve en militaire ambtenaren en gewezen ambtenaren, van de beroepsmagistraten en gewezen beroepsmagistraten, van de ambtenaren en gewezen ambtenaren van de rechterlijke orde en van de gerechtelijke politie bij de parketten, van toepassing was vóór 1 januari 1994;) <W 1993-08-06/30, art. 4, § 1, 029; Inwerkingtreding : 19-08-1993>
  4° (opgeheven) <KB 20-07-1971, art. 5, 2°>
  (5° tot de personen die wegens hun gezondheidstoestand ongeschikt zijn erkend tot het verrichten van arbeid ter verkrijging van inkomen;) <W 27-06-1969, art. 3, 4>
  (6° tot de studenten die onderwijs van het derde niveau volgen bij een instelling voor dagonderwijs. De Koning bepaalt de verplichtingen waaraan die onderwijsinstellingen moeten voldoen om de opsporing van de verzekeringsplichtigen mogelijk te maken;) <W 27-06-1969, art. 3, 5>
  7° (tot de personen die niet onder 1° tot en met 6° zijn genoemd en in België hun hoofdverblijfplaats hebben in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;) <W 1991-04-04/40, art. 15, 022; Inwerkingtreding : 01-02-1993>
  Dit besluit kan te dien einde de bepalingen van deze wet aanpassen, in het bijzonder wat de samenstelling van de Algemene Raad van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en van het beheerscomité betreft. (Het kan ook de wijzen van berekening en van inning van de bijdragen vaststellen.) <W 08-04-1965, art 13>
  (lid 3 opgeheven) <W 09-06-1970, art. 35>
  (lid 4 opgeheven) <W 09-06-1970, art. 35>
  (De Koning bepaalt, met inachtneming van de in titel VIII van deze wet voorziene bepalingen, die Hij daartoe kan aanpassen, het bedrag en de verdeling van de Rijkstegemoetkoming bestemd voor de verzekering ten voordele van de in het eerste lid, 1° bedoelde personen). <KB74 10-11-1967, art. 7>
  In het Rijksinstituut voor ziekte en invaliditeit wordt een technisch comité opgericht dat advies verstrekt over alle aangelegenheden die betrekking hebben op de zelfstandigen.
  De verzekeringstegemoetkomingen zullen, wat deze personen betreft, aanvangen ten laatste binnen zes maanden na de inwerkingtreding van onderhavige wet.
  (De door de personen opgesomd in lid 1 onderschreven privé-verzekeringsovereenkomsten waarvan de waarborgen gelijk of kleiner zijn dan die welke voor hen voortvloeien uit de toepassing van deze wet, zijn van rechtswege ontbonden op de datum waarop deze personen rechthebbende worden van bepalingen van deze wet. De premie wordt terugbetaald door de verzekeraar onder aftrek van 25 % naar rato van het niet gedekte gedeelte van het risico.
  De verzekeringsovereenkomsten waarvan de waarborgen groter zijn dan die welke, voor de personen die ze onderschreven, voortvloeien uit de toepassing van deze wet worden, op de datum waarop deze personen rechthebbende worden van bepalingen van deze wet, evenredig verminderd. De terugbetaling van de premie voor het van rechtswege ontbonden gedeelte, geschiedt overeenkomstig het in vorige alinea bepaalde.) <W 06-06-1964, art. 1>

  HOOFDSTUK III. - Geneeskundige verstrekkingen.

  Art. 23. (De geneeskundige verstrekkingen betreffen zowel de preventieve als de curatieve verzorging. Zij bestaan uit:) <W 24-12-1963, art. 10, § 1>
  1° gewone geneeskundige hulp welke omvat:
  a) bezoeken en raadplegingen van algemene geneeskundigen en van geneesheren-specialisten;
  b) door verpleegsters, verzorgsters en ziekenoppassers verstrekte hulp;
  c) kinesitherapeutenhulp;
  d) technische verstrekkingen voor diagnose en behandelingen welke niet de bekwaming van geneesheer-specialist vereisen;
  e) tandheelkundige hulp zo bewaarshalve als herstelshalve (met inbegrip van tandprothesen); <W 08-04-1965, art. 14, 1>
  (2° verlossingen;) <W 24-12-1963, art. 10, § 2>
  (3° verstrekkingen welke een bijzondere bekwaming vereisen, erkend overeenkomstig artikel 153, §§ 4 en 5, van geneesheer-specialist, apotheker of licentiaat in de wetenschappen;) <W 08-04-1965, art. 14, 2>
  4° verstrekken van brillen en andere oogprothesen, hoortoestellen, orthopedische toestellen en andere prothesen;
  (4°bis het verstrekken van implantaten); <W 1989-07-06/30, art. 14, 1°, 016; Inwerkingtreding : 18-07-1989>
  5° verstrekken van farmaceutische produkten welke omvatten:
  a) de magistrale bereidingen;
  b) de farmaceutische specialiteiten;
  (c) de generische geneesmiddelen.) <KB283 1984-03-31/36, art. 1, 002>
  6° (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>
  7° opneming in een ziekenhuis ter observatie en behandeling;
  8° de wegens revalidatie vereiste hulp;
  9° de wegens herscholing vereiste verstrekkingen;
  (10° de plaatsing:
  a) in het kader van de voorbehoeding tegen tuberculose, in een preventorium en in een kolonie voor zwakke kinderen;
  b) in het kader van de bescherming der kinderen tegen tuberculosebesmetting, in een zuigelingentehuis, in beveiligingsinrichtingen of in gezinnen;) <W 24-12-1963, art. 10, § 3>
  11° (de reiskosten van de zieken die in een sanatorium voor longtuberculose dienen te worden opgenomen of die in antikankercentra of in centra voor nierdialyse ambulant worden behandeld ((evenals de verplaatsingskosten die verband houden met de prestaties van revalidatie en herscholing bedoeld in respectievelijk de punten 8° en 9°.)) <W 1990-12-29/30, art. 36, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (tweede lid opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>
  De Koning kan de verstrekkingen uitbreiden tot de reiskosten van de zieken die voor andere door hem te bepalen ziekten behandeld worden.) <W 1985-01-22/30, art. 19, 004>
  (12° de verstrekkingen die verleend worden door diensten of in inrichtingen die erkend zijn met toepassing van artikel 5 van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging) (Voor zover ze rechtstreeks in verband staan met deze bijzondere erkenning.) <KB58 22-07-1982, art. 1, 1°> <KB132 30-12-1982, art. 1, a>
  (13° de verstrekkingen die verleend worden door diensten of in inrichtingen die erkend zijn met toepassing van artikel 5 van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging, en die niet rechtstreeks in verband staan met deze bijzondere erkenning, evenals de verstrekkingen die verleend worden in rustoorden voor bejaarden die erkend worden met toepassing van artikel 2 van de wet van 12 juli 1966 op rustoorden voor bejaarden (en de verstrekkingen verleend in instellingen die, zonder als rustoord te zijn erkend, een gemeenschappelijke woonplaats of verblijfplaats van bejaarden uitmaken, en die beantwoorden aan de door de Koning bepaalde voorwaarden).) <KB132 30-12-1982, art. 1, B> <W 1989-07-06/30, art. 14, 2°, 016; Inwerkingtreding : 18-07-1989>
  (...) <KB58 22-07-1982, art. 1, 2°>
  (14° de in het kader van thuisverzorging vereiste zorg) <W 1985-08-01/31, art. 55, 006>
  (15° de bronkuren verstrekt in een van de 430 plaatsen die door de Koning worden aangewezen in een van de instellingen die op 31 december 1986 met toepassing van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen erkend waren als dienst voor thermalisme (S).) <KB500 1986-12-31/47, art. 1, 010>
  (16° verstrekken van moedermelk, van bloed en van bloedderivaten;) <KB533 1987-03-31/41, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 01-05-1987>
  (17° verstrekken van gipsbanden en ander gipsmateriaal.) <KB533 1987-03-31/41, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 01-05-1987>
  (18° het afleveren van organen en weefsels van menselijke oorsprong onder de voorwaarden die zijn vastgesteld door en krachtens de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen.) <W 1989-07-06/30, art. 14, 3°, 016; Inwerkingtreding : 18-07-1989>
  (19° de plaatsing in beschut wonen en in doorgangstehuizen.) <W 1989-12-22/31, art. 114, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 24. <W 1993-02-15/33, art. 38, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. De Koning stelt de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen vast.
  (Die nomenclatuur somt die verstrekkingen op, bepaalt de betrekkelijke waarde ervan en stelt met name de toepassingsregelen ervan vast, alsook de bekwaming waarover de persoon dient te beschikken die gemachtigd is om elk van die verstrekkingen te verrichten. Zo nodig kunnen voor een zelfde verstrekking verschillende tarieven gelden naargelang de verstrekker al dan niet voldoet aan bijkomende voorwaarden, andere dan die betreffende de kwalitificatie, die in de nomenclatuur worden vastgesteld. De nomenclatuur van de in artikel 23, 4°bis en 5°, bedoelde verstrekkingen wordt vastgesteld op grond van de aannemingscriteria die de Koning bepaalt en volgens welke die verstrekkingen kunnen worden ingedeeld in verschillende kategorieën. Die aannemingscriteria hebben betrekking op de prijs en op de voorwaarden van therapeutische en sociale aard.) <W 1994-03-30/31, art. 21, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  De Koning kan in genoemde nomenclatuur wijzigingen aanbrengen onder de in § 2 van dit artikel gestelde voorwaarden. De uit de nomenclatuur voortvloeiende tarieven zijn, voor alle beoefenaars van de geneeskunst, de maximumhonoraria die kunnen worden geëist voor de verstrekkingen die worden verleend in het raam van een georganiseerde wachtdienst.
  De Koning omschrijft de in artikel 23, 12°, 13° en 14°, bedoelde verstrekkingen alsmede de voorwaarden waaronder de verzekering voor geneeskundige verzorging tegemoetkomt in de kostprijs van die verstrekkingen.
  De Koning omschrijft de voorwaarden waaronder de verzekering voor geneeskundige verzorging tegemoetkomt in de kostprijs van de in artikel 23, 7°, en artikel 23, 19°, bedoelde verstrekkingen.
  De in artikel 23, 15°, bedoelde verstrekkingen omvatten de geneeskundige verstrekkingen, van welke aard ook, die in het kader van een bronkuur en tijdens het verblijf in één van de bedoelde plaatsen aan de rechthebbende worden verleend. De Koning stelt de kostprijs van die verstrekkingen vast en bepaalt de voorwaarden waaronder de verzekering voor geneeskundige verzorging tegemoetkomt in de kostprijs van die verstrekkingen.
  § 2. De Koning kan wijzigingen aanbrengen in de in § 1 bedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen :
  1° op grond van het door de bevoegde Technische raad op eigen initiatief geformuleerde voorstel, dat wordt voorgelegd aan de overeenstemmende overeenkomsten- of akkoordencommissie, die beslist over het doorsturen aan het Verzekeringscomité;
  2° op grond van het voorstel dat door de bevoegde Technische raad wordt geformuleerd op verzoek van de overeenstemmende overeenkomsten- of akkoordencommissie, die beslist over het doorsturen ervan aan het Verzekeringscomité;
  3° op grond van het door de bevoegde overeenkomsten- of akkoordencommissie (de minister of het Verzekeringscomité) uitgewerkte voorstel, waarvan de oorspronkelijke tekst behouden blijft of dat wordt gewijzigd nadat het voor advies is voorgelegd aan de bevoegde Technische raad; dat advies wordt geacht te zijn gegeven indien het niet is geformuleerd binnen de termijn van een maand na het verzoek. <W 1994-03-30/31, art. 21, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  De onder punt 3° bedoelde procedure kan worden gevolgd :
  a) wanneer de bevoegde Technische raad aan het onder punt 2° bedoelde verzoek tot voorstel geen gevolg geeft binnen de termijn van een maand na de datum van ontvangst van het verzoek;
  b) wanneer de bevoegde Technische raad een voorstel formuleert dat niet beantwoordt aan de in het verzoek vervatte doelstellingen; in dat geval moet de afwijzing van het voorstel van de bevoegde Technische raad gemotiveerd zijn;
  4° op grond van de in artikel 34bis, § 3, vastgestelde procedure;
  5° op grond van de in artikel 34duodecies, § 1, vastgestelde procedure.
  Wanneer er voor het betrokken beroep geen Technische raad is, worden de hiervoren bepaalde bevoegdheden uitgeoefend door de bevoegde Overeenkomstencommissie.

  Art. 24bis. (opgeheven) <W 1993-02-15/33, art. 39, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 24ter. <W 20-07-1971, art. 1> Op voorstel van de in artikel 34 bedoelde Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen en na advies van het beheerscomité, zonder afbreuk te doen aan de geneeskundige plichtenleer, kan de Koning regelen bepalen volgens welke de verzekering voor geneeskundige verzorging de samenwerking bevordert tussen de algemeen geneeskundigen onderling, tussen de geneesheren-specialisten onderling, alsmede tussen de algemeen-geneeskundigen en de geneesheren-specialisten, met het oog op de meest doelmatige organisatie van die verzekering. Eventueel kan de toepassing van die regelen beperkt blijven tot bepaalde streken, tot bepaalde categorieën van rechthebbenden of tot bepaalde verstrekkingen.
  De Koning kan, met inachtneming van de in het eerste lid bepaalde procedure, de gevolgen bepalen van het niet-naleven van die regelen op de verzekeringstegemoetkoming.
  Het beheerscomité van de dienst voor geneeskundige verzorging verstrekt aan de Koning adviezen over de in de bovenstaande leden 1 en 2 bedoelde voorstellen.
  (De minister kan de termijn bepalen waarbinnen de in dit artikel bedoelde voorstellen en adviezen moeten worden uitgebracht.
  Indien bedoelde voorstellen en adviezen niet tijdig uitgebracht zijn of indien de minister er zich niet kan bij aansluiten, kan hij zijn eigen voorstel voor advies aan het Verzekeringscomité en aan de Commissie geneesheren-ziekenfondsen voorleggen. Hij bepaalt de termijn waarbinnen deze adviezen dienen te zijn verleend. Na verstrijking van deze termijn kan hij zijn voorstel, zo nodig aangepast rekening houdend met juistgenoemde adviezen, ter bekrachtiging aan de Koning voorleggen.) <W 1994-03-30/31, art. 22, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>

  Art. 25. <W 1993-02-15/33, art. 40, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. Voor de in artikel 23, 1°, bedoelde hulp wordt de verzekeringstegemoetkoming vastgesteld op 75 pct. van de overeenkomstenhonoraria zoals ze zijn vastgesteld in artikel 29, §§ 1 en 2, van de honoraria die zijn bepaald in de in artikel 34 bedoelde akkoorden of van de honoraria die door de Koning zijn bepaald ter uitvoering van artikel 52 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel (of ter uitvoering van artikel 33, § 5, tweede lid of van artikel 34, § 13, eerste lid). <W 1994-03-30/31, art. 41, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  Voor de gepensioneerden, de weduwnaars en weduwen, de wezen en degenen die invaliditeitsuitkeringen genieten, respectievelijk bedoeld in de artikelen 21, eerste lid, 7° tot 9° en 13°, en 50, wier inkomen zoals het door de Koning is vastgesteld, niet meer bedraagt dan een door Hem bepaald jaarbedrag, alsmede voor de personen te hunnen laste, wordt de verzekeringstegemoetkoming evenwel vastgesteld op 90 pct. van de hen betreffende tarieven, behoudens wat de raadpleging van de geneesheren-specialisten betreft, waarvoor de verzekeringstegemoetkoming 85 pct. van de hen betreffende tarieven bedraagt.
  De Koning kan, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, op voorstel of na advies van het Verzekeringscomité, het aandeel van de rechthebbende afschaffen of beperken tot een bedrag dat Hij vaststelt; dat bedrag met niet hoger zijn dan 25 pct. van de kostprijs van de verstrekking of van een groep van verstrekkingen die voortvloeien uit de overeenkomst of het akkoord.
  De Koning kan, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de kosten van de kinesitherapie- en fysiotherapieverstrekkingen verhogen zoals die verstrekkingen opgesomd zijn in de in artikel 24, bedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, ongeacht de bekwaming van de zorgverstrekker. Dat persoonlijk aandeel mag evenwel niet hoger zijn dan 40 pct. van de vastgestelde kostprijs. Voor de gepensioneerden, de weduwnaars en weduwen, de wezen en degenen die invaliditeitsuitkeringen genieten, respectievelijk bedoeld in de artikelen 21, eerste lid, 7° tot 9° en 13°, en 50, wier inkomen zoals het door de Koning is vastgesteld, niet meer bedraagt dan een door Hem bepaald jaarbedrag, alsmede voor de personen te hunnen laste, mag dat persoonlijk aandeel evenwel niet hoger zijn dan 20 pct. van de hen betreffende tarieven.
  (De Koning kan voor eenzelfde prestatie een verschillend persoonlijk aandeel vaststellen naargelang de verstrekker van de prestatie al dan niet voldoet aan bijkomende voorwaarden, andere dan die betreffende de bekwaming, bedoeld in artikel 24, § 1, tweede lid.) <W 1994-03-30/31, art. 23, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  § 2. Een gedeelte van de kostprijs van de in artikel 23, 5°, bedoelde verstrekkingen kan voor rekening van de rechthebbenden worden gelaten, onder de voorwaarden die de Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit.
  De Koning bepaalt onder welke voorwaarden dat persoonlijk aandeel kan worden afgeschaft of verminderd voor gepensioneerden, weduwnaars en weduwen, wezen en degenen die invaliditeitsuitkeringen genieten, respectievelijk bedoeld in de artikelen 21, eerste lid, 7° tot 9° en 13° en 50, wier inkomen zoals het door de Koning is vastgesteld, niet meer bedraagt dan een door Hem bepaald jaarbedrag, alsmede voor de personen te hunnen laste.
  § 3. Voor de in artikel 23, 5°, b) en c), bedoelde farmaceutische produkten, die worden verstrekt aan de in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, kan de Koning in bijzondere regelen voorzien met betrekking tot de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging en het persoonlijk aandeel van de rechthebbende.
  Dat persoonlijk aandeel kan bestaan in een vast bedrag per verpleegdag, ten laste van alle in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, voor het geheel van de aldaar verstrekte farmaceutische produkten als bedoeld in het vorige lid. Het persoonlijk aandeel van de rechthebbende kan eveneens betrekking hebben op de in het vorige lid bedoelde farmaceutische produkten die niet zijn opgenomen in de in artikel 24 bedoelde nomenclatuur.
  De ziekenhuizen mogen voor de kosten van bovenbedoelde farmaceutische produkten geen andere bedragen ten laste van de rechthebbenden aanrekenen dan het persoonlijk aandeel zoals het door de Koning is vastgesteld.
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, volgens de procedure die Hij vaststelt, beslissen dat de verzekeringstegemoetkoming voor de in het eerste lid bedoelde farmaceutische produkten, die Hij vaststelt, geheel of gedeeltelijk kan bestaan uit een per verpleegdag vastgesteld forfaitair bedrag.
  § 4. De Koning kan, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, voorzien in een eenvormig persoonlijk aandeel, hetzij voor alle rechthebbenden, hetzij voor categorieën van rechthebbenden, in de kostprijs van de farmaceutische produkten.
  § 5. Voor de verstrekkingen, bedoeld in artikel 23, 2°, 3°, 4° en 4°bis, die door geneesheren-specialisten worden verleend, wordt de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging bepaald op 100 pct. van de honoraria en de prijzen vastgesteld door de in de artikelen 26 en 34 bedoelde overeenkomsten of akkoorden of door het document bedoeld in artikel 34bis, § 2, vijfde lid, 2°, of door de Koning, ter uitvoering van artikel 52 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel (of ter uitvoering van artikel 33, § 5, tweede lid of van artikel 34, § 13, eerste lid). <W 1994-03-30/31, art. 41, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  De Koning kan evenwel voorzien in een persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de kostprijs van sommige in artikel 23, 3°, 4° en 4°bis, bedoelde verstrekkingen.
  (Dit persoonlijk aandeel kan voor eenzelfde prestatie verschillend zijn naargelang de verstrekker van de prestatie al dan niet voldoet aan de bijkomende voorwaarden, andere dan die betreffende de bekwaming, bedoeld in artikel 24, § 1, tweede lid.) <W 1994-03-30/31, art. 23, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  § 6. Voor de in artikel 23, 8° en 9°, bedoelde verstrekkingen wordt de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging bepaald op 100 pct. van de honoraria en prijzen, vastgesteld door de in artikel 15bis, 6°, bedoelde overeenkomsten.
  Die tegemoetkoming kan worden verminderd onder de voorwaarden die bij een in Ministerraad overlegd besluit door de Koning worden bepaald.
  De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag vast van de honoraria die de zorgverstrekkers voor wie geen overeenkomst bestaat in de zin van artikel 26, op straffe van de toepassing van de in artikel 103 bedoelde sancties moeten naleven voor de in artikel 23, 8°, bedoelde verstrekkingen, die niet worden verricht in het raam van de in artikel 15bis, 6°, vermelde overeenkomsten. Daartoe kan Hij verwijzen naar de vermenigvuldigingsfactoren die zijn vastgesteld in de in artikel 26 bedoelde overeenkomsten en die worden toegepast op de in artikel 24 bedoelde betrekkelijke waarden. Hij stelt eveneens bij een in Ministerraad overlegd besluit het bedrag vast van de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in de prijzen en honoraria voor deze verstrekkingen.
  § 7. Voor de in artikel 23, 7°, bedoelde verstrekkingen wordt de tegemoetkoming vastgesteld overeenkomstig de bepalingen ter zake van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987. In de andere gevallen wordt ze door de Minister vastgesteld.
  Die tegemoetkoming kan worden verminderd onder de voorwaarden die bij een in Ministerraad overlegd besluit door de Koning worden bepaald.
  § 8. De Koning stelt de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging vast voor de in artikel 23, 16° en 17°, bedoelde verstrekkingen, alsmede de voorwaarden voor de tegemoetkoming.
  § 9. De Koning stelt de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging vast voor de in artikel 23, 18°, bedoelde verstrekkingen die Hij bepaalt, alsmede de voorwaarden voor de tegemoetkoming.
  § 10. De in artikel 29, § 2, bedoelde reiskosten en die welke zijn bepaald in de in artikel 34 bedoelde akkoorden, worden ten belope van 75 pct. door de verzekering voor geneeskundige verzorging vergoed wanneer de rechthebbende thuis wordt verzorgd of wanneer de reiskosten het gevolg zijn van het feit dat een geneesheer door de behandelend geneesheer ter consult wordt bijgeroepen.
  In de eerste hypothese kunnen in de akkoorden of de overeenkomsten de regels voor de toekenning van de tegemoetkoming worden vastgesteld.
  De Koning kan evenwel het persoonlijk aandeel in de reiskosten vaststellen op een forfaitair bedrag dat evenwel niet hoger mag zijn dan 50 pct. van de bedoelde kosten.
  § 11. De tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in de in artikel 23, 10°, a), en 11°, bedoelde plaatsings- en reiskosten wordt door de Minister vastgesteld.
  § 12. De Minister stelt, op voorstel van het Verzekeringscomité, de tegemoetkoming vast voor de in artikel 23, 12°, 13° en 14°, bedoelde verstrekkingen.
  De toekenning van die tegemoetkoming verhindert elke bijzondere tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in de kosten van de geneeskundige verzorging die is opgenomen in het in artikel 23, 12°, 13° en 14°, bedoelde verstrekkingenpakket zoals het door de Koning is vastgesteld.
  § 13. De Koning stelt de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging vast voor de in artikel 23, 15°, bedoelde verstrekkingen.
  De toekenning van die tegemoetkoming verhindert elke bijzondere tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in de kosten van de in artikel 23, 15°, bedoelde geneeskundige verstrekkingen zoals ze in artikel 24, § 1, zesde lid, zijn omschreven.
  Die tegemoetkoming kan worden verminderd onder de voorwaarden die bij een in Ministerraad overlegd besluit door de Koning worden bepaald.
  § 14. Voor de in artikel 23, 19°, bedoelde verstrekkingen wordt de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging vastgesteld overeenkomstig de bepalingen ter zake van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, en van de uitvoeringsbesluiten ervan.
  Die tegemoetkoming kan worden verminderd onder de voorwaarden die bij een in Ministerraad overlegd besluit door de Koning worden bepaald.
  § 15. Voor de in artikel 34duodecies, § 2, bedoelde verstrekkingen wordt het persoonlijk aandeel van de rechthebbende gehandhaafd op het niveau dat van toepassing was voor het niet verminderd tarief.
  Voor de in artikel 23, 1°, a), bedoelde verstrekkingen waarvoor, met toepassing van artikel 37quater, verschillende honoraria worden toegepast, wordt het persoonlijk aandeel van de rechthebbende behouden op het peil dat geldt indien artikel 37quater niet van toepassing zou zijn.
  § 16. De Koning kan bepalen dat de verzekeringstegemoetkoming van bepaalde door Hem aan te duiden geneeskundige verstrekkingen die onder de toepassing vallen van artikel 96 of van artikel 107bis van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, geheel of gedeeltelijk wordt opgeheven.
  § 17. Het in dit artikel bedoeld persoonlijk aandeel van de rechthebbende in de kosten van de verzorging is in alle gevallen opeisbaar. Dat persoonlijk aandeel wordt verplicht geïnd voor de verstrekkingen inzake klinische biologie waarvan in zo'n aandeel is voorzien door de Koning. De Koning kan deze verplichting uitbreiden tot andere verstrekkingen, of voorzien in afwijkingen op deze verplichting. Hij bepaalt de toepassingsregels van deze bepaling.
  (§ 18. De Koning kan, met ingang van 1 januari 1994, bij in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Algemene Raad, het bedrag van de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in de kosten van de in artikel 23 bedoelde verstrekkingen, aanpassen in functie van het inkomen en de gezinssamenstelling van de rechthebbende.
  De Koning kan daartoe inzonderheid bepalen :
  1° de categorieën van rechthebbenden waarvoor de verzekeringstegemoetkoming wordt aangepast;
  2° de verstrekkingen die voor de aanpassing in aanmerking komen;
  3° het inkomen van de in 1° bedoelde rechthebbenden waarmee bij de aanpassing rekening wordt gehouden;
  4° het gedeelte van de verzekeringstegemoetkoming dat wordt aangepast.
  Het bijkomend persoonlijk aandeel dat voortvloeit uit de toepassing van deze paragraaf, kan niet het voorwerp uitmaken van een individueel of collectief gesloten verzekeringscontract, van een door de ziekenfondsen of landsbonden van ziekenfondsen georganiseerde dienst, of van om het even welke terugbetaling onder welke vorm ook. Ieder beding strijdig met he bepaalde in dit lid is van rechtswege nietig.
  De Controledienst voor verzekeringen, de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen en de Dienst voor administratieve controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering kunnen, naargelang van het geval, ten aanzien van iedere natuurlijke of rechtspersoon bedoeld in het voorgaande lid een administratieve geldboete opleggen van 100 000 frank per verzekerde. De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en modaliteiten en duidt de ambtenaren aan, belast met de controle en het toezicht op de toepassing van de bepalingen van deze paragraaf.
  De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, afwijkingen voorzien op de verbodsbepaling, bedoeld in het derde lid, volgens de voorwaarden en binnen de grenzen die Hij bepaalt.) <W 1993-08-06/30, art. 5, 029; Inwerkingtreding : 19-08-1993>

  HOOFDSTUK IIIbis. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 42, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> - Opmaken van de begroting voor geneeskundige verzorging.

  Art. 25bis. <W 1993-02-15/33, art. 42, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De overeenkomsten- en akkoordencommissies stellen, elk wat haar betreft, de middelen vast die ze voor de financiering van de behoeften van hun sector onontbeerlijk achten. Daartoe winnen ze het advies van de overeenstemmende Technische raad in.
  Er wordt eveneens rekening gehouden met de kwartaalverslagen van de Commissie voor begrotingscontrole.

  Art. 25ter. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 43, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Het Verzekeringscomité onderzoekt alle gegevens die door de bevoegde commissies zijn bezorgd.
  In voorkomend geval kan het Verzekeringscomité met een gemotiveerd verzoek de bevoegde commissies vragen de behoeften van hun subsector opnieuw te evalueren.
  Het Verzekeringscomité doet een globaal voorstel, rekening houdende met de specifieke behoeften van de subsectoren en bezorgt dat voorstel aan de Algemene raad en aan de Commissie voor begrotingscontrole.

  Art. 25quater. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 44, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. Vóór 1 juli van het jaar dat het begrotingsjaar voorafgaat en rekening houdend met het globaal voorstel van het Verzekeringscomité bedoeld in artikel 25ter, en met het advies van de Commissie voor begrotingscontrole, keurt de Algemene raad de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling van de verzekering voor geneeskundige verzorging goed en stelt de globale begrotingen voor de financiële middelen voor de verstrekkingen of groepen van verstrekkingen waarop dat systeem van toepassing is.
  (Wanneer hij de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling van de verzekering voor geneeskundige verzorging goedkeurt, moet de Algemene Raad rekening houden met de bij wet vastgestelde reële groeinorm van de uitgaven voor geneeskundige verzorging. Voor 1995 en 1996 wordt die norm vastgesteld op 1,5 pct. uitgaande van een bedrag van 395 miljard frank voor het begrotigsjaar 1994.) <W 1994-03-30/31, art. 12, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  § 2. Indien de begrotingsdoelstelling niet wordt goedgekeurd, stelt de Algemene raad de Minister hiervan in kennis. In dat geval bepaalt de Ministerraad, op voorstel van de Minister, het bedrag van de jaarlijkse begrotingsdoelstelling van de verzekering voor geneeskundige verzorging en de globale begrotingen van de financiële middelen voor de verstrekkingen of groepen van verstrekkingen waarvoor dat systeem van toepassing is.
  § 3. De Algemene raad of de Minister, naar gelang het geval, delen de beslissingen inzake de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling en inzake de globale begrotingen van de financiële middelen mede aan het Verzekeringscomité. Op basis van deze beslissingen stelt het Verzekerigscomité de partiële jaarlijkse begrotingsdoelstellingen vast die aan de overeenkomsten- en akkoordencommissies worden medegedeeld onder de voorwaarden bepaald in artikel 34bis.

  Art. 25quinquies. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 45, 027; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Op voorstel of advies van de Algemene raad kan de Koning de in artikel 34bis, §§ 2 en 3, bepaalde data en termijnen aanpassen.

  HOOFDSTUK IV. - (Betrekkingen met de zorgverstrekkers, de diensten en de instellingen). <KB533 1987-03-31/41, art. 4, 011; Inwerkingtreding : 01-05-1987>

  Afdeling 1. - Overeenkomsten.

  A. Algemene bepalingen.

  Art. 26. <KB58 22-07-1982, art. 4> Normaal worden de financiële en administratieve betrekkingen tussen de rechthebbenden en de verzekeringsinstellingen eensdeels, en de apothekers, de verplegingsinrichtingen, de vroedvrouwen, de verpleegkundigen, de kinesitherapeuten, (de verstrekkers van prothesen en toestellen en de verstrekkers van implantaten) en de in (artikel 23, 12°, 13° en 19°), bedoelde diensten en inrichtingen anderdeels, bij overeenkomsten geregeld. <KB132 30-12-1982, art. 4> <W 1989-12-22/31, art. 117, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
  (De Koning regelt de financiële en administratieve betrekkingen tussen de rechthebbenden en de verzekeringsinstellingen enerzijds en de zorgverstrekkers die instaan voor de in (artikel 23, 14°, 15°, 16° en 17°) bedoelde verstekkingen anderzijds.) <W 1985-08-01/31, art. 58, 006> <KB533 1987-03-31/41, art. 5, 011; Inwerkingtreding : 01-05-1987>
  (De overeenkomsten met de in artikel 23, 19° bedoelde inrichtingen worden aan de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft ter goedkeuring voorgelegd, overeenkomstig de bepalingen van artikel 31, § 3.) <W 1989-12-22/31, art. 117, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 27. De in artikel 26 bedoelde overeenkomsten worden in nationaal vlak bij de Dienst voor geneeskundige verzorging, na onderhandeling in de hierbij vermelde commissies gesloten door bestendige commissies waarin een gelijk aantal vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen en van de representatieve organisaties van de belanghebbende beroepen of inrichtingen zitting hebben.
  Samenstelling en werkingsregelen van deze commissies worden door de Koning bepaald. (Die commissies kunnen eigener beweging aan de bevoegde technische raden of, voor de verstrekkingen verleend door personen die behoren tot beroepen waarvoor geen technische raad bestaat, voorstellen tot aanpassing van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen doen aan het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging.) <W 24-12-1963, art. 14>
  Het voorzitterschap van ieder van deze commissies wordt bekleed door de leidende ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging aan te wijzen personeelslid van die dienst staat in voor het secretariaat. (Deze kan beslissen dat Commissies samen kunnen vergaderen wanneer kwesties van gemeenschappelijk belang op de agenda staan.) <W 1990-12-29/30, art. 16, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  Een door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging aan te wijzen personeelslid van die dienst staat in voor het secretariaat.

  B. Overeenkomsten met (...) de vroedvrouwen, de verpleegsters, de kinésitherapeuten en de verstrekkers van prothesen en toestellen. <W 08-04-1965, art. 18>

  Art. 28. <W 24-12-1963, art. 15> Wanneer er in nationaal vlak geen overeenkomst bestaat met (...) de vroedvrouwen, de verpleegsters, de kinesitherapeuten en de verstrekkers van prothesen en toestellen omdat de overeenkomst niet opgemaakt, niet goedgekeurd overeenkomstig artikel 30, of vervallen is, kunnen alle verzekeringsinstellingen samen en de betrokken beroepsorganisaties rechtstreeks over streekovereenkomsten onderhandelen en die sluiten. <W 08-04-1965, art. 19>
  Deze overeenkomsten worden gesloten in streekcommissies, waarin een gelijk aantal vertegenwoordigers van de voor de verzekeringsinstellingen en vertegenwoordigers van de voor de belanghebbende beroepen representatieve organisaties in de beschouwde streek zitting hebben. Voor de toepassing van het bepaalde in dit artikel kan de Koning omschrijven wat onder "streek" dient te worden verstaan.
  Wanneer er op het nationale vlak een overeenkomst is, kunnen regionale overeenkomsten, voor zoverre zij aanvullende bepalingen behelzen, tot stand komen of in voege blijven mits goedkeuring zoals gezegd in artikel 30.

  Art. 29. § 1. De overeenkomsten met betrekking tot (...) de vroedvrouwen, de verpleegsters, de kinesitherapeuten en de verstrekkers van prothesen en toestellen bepalen in het bijzonder het bedrag der voor die verstrekking aan te rekenen honoraria en prijzen. <W 08-04-1965, art. 20, 1>
  Die honoraria en prijzen worden vastgesteld door factoren te bepalen waarmee de in artikel 24 bedoelde betrekkelijke waarden dienen vermenigvuldigd.
  (§ 2. Wat de huisbezoeken of verstrekkingen ten huize betreft, wordt in de overeenkomsten voor de reiskosten een forfaitair bedrag vastgesteld dat de in § 1 bedoelde personen aan de rechthebbende mogen aanrekenen wanneer zij deze verzorging te zijnen huize verstrekken, hetzij op zijn verzoek, hetzij eigener beweging wanneer de toestand van de zieke verdere verzorging vergt zonder dat hij zich kan verplaatsen. Dat forfaitair bedrag mag verschillen volgens de streken.) <W 24-12-1963, art. 16, § 1>
  § 3 en 4. (opgeheven) <W 08-04-1965, art. 20, 2>
  § 5. (opgeheven) <KB408 1986-04-18/34, art. 3, 007>
  (§ 6. Voor de gepensioneerden, de weduwnaars en weduwen, de wezen en degenen die in het genot zijn van invaliditeitsuitkeringen, respectievelijk bedoeld in de artikelen 21, eerste lid, 7° tot 9° en 13° EN 50, evenals voor de personen te hunnen laste, kunnen de overeenkomsten, wat de in artikel 23, 1°,bedoelde verstrekkingen betreft, in voorkeurshonorariumbedragen voorzien, zodat de rechthebbenden niet een gedeelte van de kosten der verstrekking hoeven te betalen.) <W 1985-08-01/31, art. 59, 006>
  § 7. (opgeheven) <W 08-04-1965, art. 20, 2>
  § 8. De overeenkomsten worden door de partijen toegepast, waar en op welk tijdstip ook de verstrekkingen worden verleend.
  (opgeheven) <W 08-04-1965, art. 20, 3>
  (opgeheven) <W 08-04-1965, art. 20, 3>
  § 9. De overeenkomsten kunnen bijzondere voorwaarden bepalen voor verstrekkingen aan de in artikel 21 bedoelde personen met een jaarlijks inkomen boven een bij genoemde overeenkomsten vast te stellen bedrag.
  (Die bijzondere voorwaarden zijn evenwel niet van toepassing wanneer het verstrekkingen geldt aan ter verpleging opgenomen personen die niet in een afzonderlijke kamer verblijven.) <W 24-12-1963, art. 16, § 6>
  (§ 10. De Koning kan voor de personen die tot een overeenkomst toetreden, een speciale regeling inzake overlevings- en invaliditeitsverzekering invoeren.
  Bij het bepalen van de bedragen van de overeenkomsten-honoraria kan met bedoelde speciale regeling rekening worden gehouden.
  (derde lid opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>
  In de financiering van de bij de speciale regeling bepaalde voordelen wordt voorzien met een persoonlijk aandeel van de belanghebbenden dat varieert uitgaande van het peil der overeenkomstenhonoraria en met de inkomsten van de verzekering voor geneeskundige verzorging.
  Daartoe kan de Koning bij het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering een bijzonder fonds instellen dat wordt opgenomen in de begroting van de administratiekosten van genoemd Instituut. De Koning bepaalt de werkregelen van genoemd fonds.
  Na het verstrijken van een tijdvak van twee jaar, kan bij wet een bijzondere regeling worden ingevoerd die ook het rustpensioen omvat.) <W 24-12-1963, art. 16, § 6>

  Art. 30. (...) <Alineas 1 en 2 opgeheven door W 1990-12-29/30, art. 17, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  De dienst voor geneeskundige verzorging zendt aan de in titel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, B, bedoelde personen de tekst van de goedgekeurde overeenkomsten welke op hen betrekking heeft en verzoekt hen om individuele toetreding. Van die individuele toetredingen wordt aan de in artikel 27 bedoelde commissies kennis gegeven, hetzij rechtstreeks, hetzij via de belanghebbende beroepsverenigingen.

  C. Overeenkomsten met de verplegingsinrichtingen.

  Art. 31. § 1. De overeenkomsten met betrekking tot de verplegingsinrichtingen (voor welke de prijs van de verpleegdag niet wordt vastgesteld door of krachtens de wet op de ziekenhuizen) behelzen de verbintenis van genoemde inrichtingen tot toepassing, ten aanzien van de rechthebbenden van de verzekering voor geneeskundige verzorging, van het voor iedere inrichting vastgestelde verpleegdagbedrag. <W 24-12-1963, art. 18, a>
  § 2. In de overeenkomsten met de verplegingsinrichtingen kan worden gesteld dat deze gemachtigd zijn om van de toepassing van de normale verpleegdagbedragen af te wijken in de gevallen waarin de rechthebbenden van de verzekering voor geneeskundige verzorging geëist hebben in een (afzonderlijke kamer) te worden opgenomen zonder dat hun gezondheidstoestand of de technische noodwendingen van onderzoek, behandeling of toezicht zulks vergen. <W 24-12-1963, art. 18>
  In de bij de overeenkomsten gevoegde bijlagen geven de verplegingsinrichtingen de prijzen op die toepasselijk zijn voor de opneming van de zieke in een afzonderlijke kamer als bedoeld in het vorige lid.
  § 3. (...) <Alineas 1, 2, en 3 opgeheven door W 1990-12-29/30, art. 18, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  De dienst voor geneeskundige verzorging zendt aan de verplegingsinrichtingen de tekst van de goedgekeurde overeenkomst welke op hen betrekking heeft en verzoekt hen om individuele toetreding. Van die individuele toetredingen wordt aan de in artikel 27 bedoelde commissies kennis gegeven, hetzij rechtstreeks, hetzij via hun beroepsvereniging.

  Cbis. <KB58 22-07-1982, art. 5> Overeenkomsten met de in (artikel 23, 12° en 13°), bedoelde diensten en inrichtingen. <KB132 30-12-1982, art. 5>

  Art. 31bis. <KB58 22-07-1982, art. 5> § 1. De in artikel 26 bedoelde overeenkomsten stellen voor de in (artikel 23, 12° et 13°), bedoelde diensten en inrichtingen de modaliteiten vast voor toekenning van de in artikel 25, § 9, bedoelde tegemoetkomingen. <KB132 30-12-1982, art. 5>
  § 2. De overeenkomsten worden aan de Minister die de Sociale Voorzorg onder zijn bevoegdheid heeft ter goedkeuring voorgelegd door tussenkomst van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging; de Minister kan die overeenkomsten goedkeuren, hetzij voor alle rechthebbenden die in de artikel 23, 12° en 13°, bedoelde diensten en inrichtingen zijn ondergebracht, hetzij voor een deel van die rechthebbenden, rekening houdende met de grenzen van de begrotingskredieten en in functie van de bezuinigingen die door de vermindering van het aantal ziekenhuisbedden worden verwezenlijkt. (...) <W 1990-12-29/30, art. 19, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (lid opgeheven( <W 1990-12-29/30, art. 19, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  De Dienst voor geneeskundige verzorging verzendt de tekst van de goedgekeurde overeenkomst welke op hen betrekking heeft naar de in (artikel 23, 12° en 13°), bedoelde diensten en inrichtingen en verzoekt hen om individuele toetreding. Van die individuele toetredingen wordt aan de betrokken commissie kennis gegeven, hetzij rechtstreeks, hetzij via hun representatieve organisatie. <KB132 30-12-1982, art. 5>
  § 3. (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>

  D. Overeenkomst met de apothekers.

  Art. 32. § 1. (De in artikel 27 bedoelde nationale overeenkomst bepaalt, wat de apothekers betreft, het bedrag van de honoraria voor de magistrale bereidingen en stelt regelen vast met betrekking tot de verantwoordelijkheidshonoraria voor de aflevering van de farmaceutische specialiteiten, alsook met betrekking tot de aflevering en de facturering van de prestaties bedoeld in artikel 23, 5°, die door de apothekers worden verstrekt.) <W 1994-03-30/31, art. 26, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  § 2. (Voorkeurhonoraria kunnen worden bepaald voor de in artikel 23, 5°, a, bedoelde farmaceutische verstrekkingen, af te leveren aan de gepensioneerden, de weduwnaars en weduwen, de wezen en degenen die in het genot zijn van invaliditeitsuitkeringen, respectievelijk bedoeld in de artikelen 21, eerste lid, 7° tot 9° en 13° en 50, evenals aan de personen te hunnen laste.) <W 1985-08-01/31, art. 60, 006>
  De overeenkomsten kunnen in forfaitaire betaling voorzien van aan de ziekenhuispatiënten afgeleverde geneesmiddelen.
  § 3. De overeenkomsten kunnen bijzondere voorwaarden bepalen voor verstrekkingen aan de in artikel 21 bedoelde personen met een jaarlijks inkomen boven een bij genoemde overeenkomsten vast te stellen bedrag.
  § 4. <Alineas 1 en 2 opgeheven door W 1990-12-29/30, art. 20, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  De dienst voor geneeskundige verzorging zendt aan de apothekers de tekst van de goedgekeurde overeenkomst welke op hen betrekking heeft en verzoekt hen om individuele toetreding. Van die individuele toetredingen wordt aan de in artikel 27 bedoelde commissies kennis gegeven, hetzij rechtstreeks, hetzij via hun beroepsvereniging.
  § 5. (opgeheven) <W 27-06-1969, art. 44>

  E. Gemene bepalingen.

  Art. 33. § 1. Indien blijkt dat de in titel III, hoofdstuk 4, afdeling 1, B, C, (Cbis), D, bedoelde overeenkomsten niet opgemaakt konden worden, stelt de dienst voor de geneeskundige verzorging, voor de gezamenlijke verzekeringsinstellingen, (aan iedere vroedvrouw en ieder lid van de paramedische beroepen), elke verplegingsinrichting
  (dienst en inrichting) en ieder apotheker, elke andere door het beheerscomité vastgestelde en door de Minister van Sociale Voorzorg goedgekeurde tekst van overeenkomst ter toetreding voor. Van de individuele toetredingen wordt rechtstreeks kennis gegeven aan de Dienst voor geneeskundige verzorging. <W 1990-12-29/30, art. 21, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  § 2. (De overeenkomsten voorzien in strafbedingen als bedoeld in de artikelen 1226 tot en met 1233 van het Burgerlijk Wetboek welke mogen toegepast worden op iedere persoon, elke verzekeringsinstelling, verplegingsinrichting of verzorgingsinstelling die de bepalingen van de overeenkomst waarbij hij partij is, niet nakomt.) <W 24-12-1963, art. 20, § 2>
  § 3. (Tenzij in de overeenkomsten het tegendeel bedongen is, heeft iedere individuele toetreding tot een in deze afdeling bedoelde overeenkomst onmiddellijk uitwerking en geldt voor de duur van de overeenkomst. De personen en inrichtingen die tot een overeenkomst zijn toegetreden worden, behoudens andersluidende wilsuiting, geacht hun toetreding tot die overeenkomst te behouden indien deze stilzwijgend is verlengd of tot een nieuwe overeenkomst welke in de plaats komt van die welke afloopt.) <W 24-12-1963, art. 20, § 2>
  § 4. (De in titel III, afdeling 1, B, C, Cbis, D en E bedoelde overeenkomsten worden gesloten voor een periode van ten minste twee jaar en worden, behoudens andersluidende bepalingen, stilzwijgend verlengd van jaar tot jaar, behalve indien ze worden opgezegd uiterlijk drie maanden vòòr de vastgestelde datum van verstrijken.
  Niettemin kan de Minister, in uitzonderlijke omstandigheden, een overeenkomst van minder dan twee jaar aanvaarden.) <W 1990-12-29/30, art. 21, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (De door het beheerscomité van de dienst voor geneeskundige verzorging vastgestelde overeenkomstteksten voorzien in de voorwaarden waaronder een einde wordt gemaakt aan de uitwerking van de individuele toetredingen tot die overeenkomsten ingeval een nationale of een streekovereenkomst gesloten wordt.)
  § 5. (Indien, op de datum van het verstrijken van een in § 4 bedoelde overeenkomst, geen nieuwe overeenkomst werd gesloten, stelt de Dienst voor geneeskundige verzorging binnen dertig dagen volgend op die datum, voor de gezamenlijke verzekeringsinstellingen, aan ieder beoefenaar van het (betrokken beroepen, aan iedere verplegingsinrichting,dienst of inrichting), een andere door het beheerscomité vastgestelde en door de Minister van Sociale Voorzorg goedgekeurde overeenkomsttekst ter toetreding voor. <W 1990-12-29/30, art. 21, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (De Koning kan, van de dertigste dag af die volgt hetzij op de dag van het verzenden door de Dienst voor geneeskundige verzorging van de tekst van de in de artikelen 30 en 32 bedoelde overeenkomsten, hetzij op die van het aanduiden van de in het vorige lid bedoelde overeenkomsttekst, op voorstel of na gemotiveerd advies van het Verzekeringscomité, voor het hele land of voor bepaalde gewesten, voor alle of voor bepaalde verstrekkingen en voor alle of voor bepaalde kategorieën van rechthebbenden, maximumtarieven van honoraria en prijzen vaststellen, wanneer het aantal individuele toetredingen niet 60 pct. bereikt van het totaal aantal beoefenaars van het betrokken beroep.) <W 1994-03-30/31, art. 40, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  (Zodra vastgesteld wordt dat het in het vorig lid bedoelde quorum is bereikt, kan de Koning de vergoedingsbedragen waarin artikel 25 voorziet, met maximum 25% verminderen voor de verstrekkingen verleend door de vroedvrouwen en paramedische medewerkers die niet tot een der in deze afdeling bedoelde overeenkomsten zijn toegetreden. De Koning kan evenwel voor de personen die niet tot de overeenkomst zijn toegetreden, de nakoming van de overeenkomstenhonoraria verbindend verklaren voor de verstrekkingen die zijn verlenen aan de gepensioneerden, de weduwnaars en weduwen, de wezen en degenen die in het genot zijn van invaliditeitsuitkeringen, respectievelijk bedoeld in de artikelen 21, eerste lid, 7° tot 9° en 13° en 50, waarvan de inkomsten, zoals zij door de Koning worden vastgesteld, een door hem bepaald jaarlijks bedrag niet overtreffen, evenals aan de personen te hunnen laste.) <W 1985-08-01/31, art. 61, 006>
  Het in het (tweede) en (derde) lid bedoelde aantal individuele toetredingen wordt in principe in nationaal vlak vastgesteld; alsdan, indien het in het (tweede) lid bepaalde quorum is bereikt, kunnen de bepalingen van het (derde) lid van toepassing zijn in het ganse land. Is dit quorum niet bereikt, dan wordt het aantal individuele toetredingen per streek vastgesteld; alsdan kunnen de bepalingen van het (derde) lid van toepassing zijn in elke streek waar dit quorum is bereikt en die van het (tweede) lid in elke streek waar dit quorum niet is bereikt. <W 05-07-1971, art. 9, 3°>
  Het begrip streek wordt verduidelijkt onder de in artikel 28 gestelde voorwaarden.
  Om uit te maken of vorenbedoeld quorum al dan niet is bereikt, wordt het aantal beoefenaars van een bepaald beroep tot hetwelk het aantal tot een overeenkomst toegetreden personen van hetzelfde beroep in verhouding wordt gebracht, door het Beheerscomité van de Dienst voor Geneeskundige verzorging vastgesteld volgens in de overeenkomst omschreven modaliteiten.

  (Afdeling 1bis. - Betrekkingen met de geneesheren en de tandheelkundigen.) <W 26-03-1970, art. 2>

  Art. 34. <W 08-04-1965, art. 22> § 1. De betrekkingen tussen de representatieve beroepsorganisaties van het geneesherenkorps en van de tandheelkundigen enerzijds en de verzekeringsinstellingen anderzijds worden geregeld door de in § 2 bedoelde akkoorden.
  Normaal worden de financiële en administratieve betrekkingen tussen de geneesheren of de tandheelkundigen en de rechthebbenden geregeld door (de vorenbedoelde akkoorden). <W 26-03-1970, art. 3, 1°>
  § 2. Over de akkoorden tussen de representatieve beroepsorganisaties van het geneesherenkorps en van de tandheelkundigen enerzijds en de verzekeringsinstellingen anderzijds wordt in nationaal vlak onderhandeld door een Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen, respectief door een Nationale Commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen, die zitting hebben bij de Dienst voor geneeskundige verzorging en die samengesteld zijn uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van het geneesherenkorps, respectief van de tandheelkundigen en van de verzekeringsinstellingen. Bij die vertegenwoordiging van het geneesherenkorps en van de tandheelkundigen wordt rekening gehouden met de eventuele minderheden. De vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen waarborgt voor elke instelling minstens één afgevaardigde.
  Beide Commissies mogen samen zitting houden wanneer kwesties van gemeenschappelijk belang op de agenda staan.
  Die Commissies kunnen eigener beweging aan de bevoegde technische raden of, voor de verstrekkingen verleend door personen die behoren tot beroepen waarvoor geen technische raad bestaat, aan het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging voorstellen tot aanpassing van de nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen doen.
  De samenstelling van die Commissies wordt door de Koning vastgesteld.
  Het voorzitterschap van ieder van die Commissies wordt bekleed door een voorzitter die onafhankelijk is van de vertegenwoordigde instellingen en organisaties, en die door de Koning wordt benoemd op voordracht of, bij ontstentenis van een voordracht, na advies van de Commissie.
  De beslissingen worden genomen bij drievierdemeerderheid zowel van de leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen als van de leden die het geneesherenkorps of de tandheelkundigen vertegenwoordigen. (Wanneer die quorums niet worden bereikt, en voor zover de meerderheid van de leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen en de meerderheid van de leden die het geneesherenkorps of de tandheelkundigen vertegenwoordigen, de voorstellen goedkeuren, legt de voorzitter dezelfde voorstellen ter stemming in een nieuwe vergadering, die moet plaatsvinden binnen vijftien dagen. Wanneer deze dubbele meerderheid tijdens de tweede vergadering opnieuw bereikt wordt zijn de beslissingen verworven.) <W 07-07-1966, art. 5>
  De voorzitter is niet stemgerechtigd.
  Elke Commissie maakt een huishoudelijk reglement op, dat de Koning ter goedkeuring wordt voorgelegd.
  § 3. (...) <Alinea opgeheven door W 1990-12-29/30, art. 22, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (Die akkoorden treden in werking in een bepaald gewest, vijfenveertig dagen na hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, behoudens indien meer dan 40 pct. van de geneesheren of van de tandheelkundigen bij een ter post aangetekende brief hun weigering tot toetreding tot de termen van de genoemde akkoorden betekend hebben. Opdat in elk gewest de akkoorden in werking kunnen treden, mogen bovendien niet meer dan 50 pct. van de algemeen geneeskundigen, noch meer dan 50 pct. van de geneesheren-specialisten geweigerd hebben tot het akkoord toe te treden.
  De ter post aangetekende brief moet ten laatste de dertigste dag na de bekendmaking van de akkoorden in het Belgisch Staatsblad, aan de zetel van de in § 2 bedoelde commissies worden gezonden.
  De telling van de geneesheren of tandheelkundigen die hun weigering tot toetreding tot de termen van de akkoorden betekend hebben, wordt gewest per gewest uitgevoerd door de in § 2 bedoelde commissies vóór de inwerkingtreding van de akkoorden.
  Het postmerk heeft bewijskracht voor de datum van de verzending van de ter post aangetekende brief, bedoeld in het tweede het derde en het zesde lid.
  Indien de bevoegde commissie evenwel ter post aangetekende brieven ontvangt, die verzonden zijn na die termijn van vijfenveertig dagen, en die strekken tot intrekking van een weigering tot toetreding die eerder betekend werd, stelt die commissie vast dat het akkoord in werking treedt in een bepaald gewest, voor zover, ingevolge die brieven, de percentages weigeringen tot toetreding aldaar één van de in het tweede lid bedoelde percentages niet meer overschrijden.
  Indien geneesheren of tandheelkundigen, overeenkomstig de bedingen van een akkoord hun weigering betekenen dit verder na te leven, stelt de bevoegde commissie eventueel vast dat het akkoord geen toepassing meer vindt zo deze nieuwe weigeringen tot gevolg hebben dat de percentages weigeringen tot toetreding voor een bepaald gewest de in het tweede lid bedoelde percentages overschrijden.
  (De geneesheren en tandheelkundigen die geen weigering tot toetreding tot de akkoorden betekend hebben, worden van rechtswege geacht tot die akkoorden te zijn toegetreden voor hun volledige beroepsactiviteit, behoudens indien zij aan de bevoegde commissie, volgens de door de Koning te bepalen termijnen en regels, mededeling hebben gedaan van de voorwaarden inzake tijd en plaats, waaronder zij de daarin vastgestelde honorariumbedragen niet zullen toepassen.) <W 1993-02-15/33, art. 46, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  (Buiten de uren en dagen medegedeeld overeenkomstig het voorgaande lid, worden de zorgverstrekkers geacht tot de akkoorden te zijn toegetreden. Dit geldt ook wanneer zij de gerechtigden niet vooraf geïnformeerd hebben over de dagen en uren waarvoor zij niet tot de akkoorden zijn toegetreden.) <W 1993-02-15/33, art. 46, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  § 4. De grenzen van de streken vallen samen met die van de administratieve arrondissementen van het Rijk. De Koning kan, op voorstel van de bevoegde nationale commissie, een verschillende omschrijving van de streken vaststellen.
  § 5. <Opgeheven door 1990-12-29/30, art. 22, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (§ 6. De nationale commissie waarin een akkoord is tot stand gekomen, stelt de modaliteiten vast volgens welke de tekst van het akkoord, samen met een formulier van weigering tot toetreding, aan de geneesheren of aan de tandheelkundigen wordt toegezonden. Die modaliteiten moeten de toezending verzekeren van die bescheiden aan alle geneesheren of tandheelkundigen, ongeacht de gekozen manier van verzenden, alsook hun recht eerbiedigen om hun weigering tot toetreding te betekenen.) <W 26-03-1970, art. 3, 3°>
  § 7. (De akkoorden gesloten in de in § 2 bedoelde commissies stellen inzonderheid de honoraria vast, die ten overstaan van de rechthebbenden van de verzekering nageleefd worden door de geneesheren en de tandheelkundigen die geacht worden tot de akkoorden toegetreden te zijn.
  Zij stellen de voorwaarden vast inzake tijd, plaats, bijzondere eisen of economische toestand van de rechthebbenden, waarin die honoraria mogen worden overschreden. Die honoraria worden bepaald door het vaststellen van factoren waarmee de in artikel 24 bedoelde betrekkelijke waarden moeten worden vermenigvuldigd, met dien verstande dat de geneesheer of de tandheelkundige zijn honoraria vrij bepaalt voor de verstrekkingen die niet in de nomenclatuur zouden opgenomen zijn.) <W 26-03-1970, art. 3, 4°>
  Inzake de bezoeken of verstrekkingen aan huis wordt voor de reiskosten in de akkoorden het forfaitair bedrag vastgesteld dat de geneesheren of de tandheelkundigen van de rechthebbenden vorderen; ze mogen bedingen behelzen waarin is voorzien in bijzondere modaliteiten, toepasselijk in een bepaalde streek, eventueel op voorstel van een gewestelijke commissie geneesheren-ziekenfondsen of tandheelkundigen-ziekenfondsen of van de gewestelijke afgevaardigden van de representatieve beroepsorganisaties van het geneesherenkorps of van de tandheelkundigen, en van de verzekeringsinstellingen. Dat forfaitair bedrag kan van streek tot streek verschillen. Om tegemoet te komen aan bijzondere toestanden kan in één zelfde streek eventueel in verschillende forfaitaire bedragen worden voorzien.
  Voor de gevallen waarin een geneesheer-specialist of een tandheelkundige door de huisarts ter consult wordt bijgeroepen ten huize van de zieke, mag in het akkoord een kilometervergoeding voor verplaatsingen worden vastgesteld.
  (De akkoorden kunnen voorzien in een tussenkomst van de ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector van de geneeskundige verzorging) in de organisatiekosten van cursussen voor aanvullende opleiding voor geneesheren.) <W 22-12-1977, art. 153, § 1>
  § 8. De in vorig artikel bedoelde akkoorden voorzien van strafbedingen in de zin van de artikelen 1226 tot en met 1233 van het Burgerlijk Wetboek, die kunnen worden toegepast op de geneesheer of de tandheelkundige die de bepalingen (van de akkoorden) niet naleeft. <W 26-03-1970, art. 3, 5°>
  Zij kunnen eveneens bepalen dat de Nationale Commissie waarin het akkoord is gesloten (...), bevoegd is om de geschillen bij te leggen die kunnen rijzen inzake de interpretatie of (de uitvoering van de akkoorden) en dat zij het advies van de bevoegde technische raad kan inwinnen wanneer het geschil betrekking heeft op de interpretatie van de nomenclatuur. <W 26-03-1970, art. 3, 5°>
  § 9. (opgeheven) <W 26-03-1970, art. 3, 6, 7>
  § 10. (De akkoorden, gesloten in de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen en in de Nationale Commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen, worden gesloten voor een periode van ten minste twee jaar.
  Niettemin kan de Minister, in uitzonderlijke omstandigheden, een akkoord van minder dan twee jaar aanvaarden.) <W 1990-12-29/30, art. 22, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (In de akkoorden, gesloten in de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen en de Nationale Commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen, moeten, bovendien bepalingen worden opgenomen betreffende een algemene opzegging of een opzegging die beperkt is tot bepaalde verstrekkingen of groepen van verstrekkingen, of tot bepaalde verstrekkers, alsmede modaliteiten betreffende de individuele opzegging van die akkoorden, als de niet in de akkoorden opgenomen correctiemaatregelen niet zijn goedgekeurd door de vertegenwoordigers van de geneesheren of van de tandheelkundigen volgens de regels die zijn vastgesteld in de §§ 2 en 3, zevende en achtste lid, van dit artikel.) <W 1993-08-06/30, art. 14, 029; Inwerkingtreding : 19-08-1993>
  § 11. De Voorzitter van de Nationale Commissie roept de Commissie uiterlijk drie maanden vóór de datum van het verstrijken van het lopende akkoord bijeen.
  Hij organiseert de werkzaamheden van de Commissie derwijze dat met de onder § 12 omschreven procedure een aanvang kan worden gemaakt uiterlijk één maand vóór het verstrijken van het lopende akkoord en dat ermee kan geëindigd worden uiterlijk op de datum van het verstrijken van het akkoord.
  (§ 12. In geval van moeilijkheden, die voortkomen van een percentage weigeringen tot toetreding, hetwelk in één of meer gewesten eventueel hoger ligt dan die, bedoeld in § 3, onderzoekt de betrokken nationale commissie de toestand en kan zij, na raadpleging van de gewestelijke afgevaardigden van het geneesherenkorps of van de tandheelkundigen en van de verzekeringsinstellingen, oplossingen voorstellen die de inwerkingtreding van de akkoorden in dat of die gewesten toelaten.
  De commissie stelt, gewest per gewest, vast dat het akkoord in werking kan treden, hetzij omdat de in § 3 bedoelde percentages weigeringen tot toetreding niet langer overschreden worden hetzij omdat de in het vorige lid overwogen oplossingen werden bekomen.) <W 26-03-1970, art. 3, 8°>
  § 13. (Wanneer op de datum van het verstrijken van een in § 2 bedoeld akkoord of in artikel 34bis, § 1, zesde lid, 2°, bedoeld document geen nieuw akkoord is gesloten of wanneer een nieuw akkoord of document niet in alle gewesten van het land in werking kan treden of blijven, kan de Koning, voor het hele land of voor bepaalde gewesten van het land, voor alle of voor bepaalde verstrekkingen en voor alle of bepaalde categorieën van rechthebbenden, maximumhonoraria vaststellen.
  Indien voornoemde maatregel genomen wordt ten aanzien van alle rechthebbenden en ze voor de vaststelling van de honoraria naar de tarieven van het akkoord of het document verwijzen, blijven of worden de bepalingen bedoeld in bedoeld akkoord of document toegepast op de geneesheren en tandheelkundigen die in die gewesten hun weigering tot toetreding tot de termen van genoemd akkoord of document niet hebben ter kennis gebracht binnen de in § 3 bedoelde termijn; in dat geval wordt de krachtens het eerste lid genomen maatregel op hen niet toegepast.
  Indien op de datum van het verstrijken van een akkoord of document geen nieuw akkoord kon worden gesloten of indien een nieuw akkoord is gesloten of een document in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt, maar de bedragen en de honoraria nog niet in werking zijn getreden, stelt de Koning de berekeningsbasis vast voor de krachtens artikel 25 verschuldigde verzekeringstegemoetkomingen.
  Indien er geen besluit wordt genomen ter uitvoering van het vorige lid, blijven de in het verstreken akkoord of document vastgestelde bedragen en honoraria voorlopig als berekeningsbasis dienen voor de verzekeringstegemoetkoming.) <W 1994-03-30/31, art. 27, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  § 14. (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>
  (§ 15. De nationale akkoorden geneesheren-ziekenfondsen bevatten bepalingen die een bijkomende herwaardering van de honoraria van een of meer groepen van zorgverleners afhankelijk maken van de beheersing van de evolutie van de uitgaven voor sommige geneeskundige verstrekkingen waarop die groep of groepen van zorgverleners door hun praktijk een invloed kunnen hebben. Vorenbedoelde herwaardering kan ook betrekking hebben op een van de twee delen van de honoraria, die zijn omschreven in artikel 34duodecies, § 1.
  Het bedrag van deze bijkomende herwaardering moet gekoppeld worden aan een minder snelle stijging van de uitgaven in de in het akkoord aangeduide sectoren.
  Niettemin kan de Minister, in uitzonderlijke omstandigheden, een akkoord goedkeuren dat dergelijke bepalingen niet bevat.) <W 1990-12-29/30, art. 22, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>

  Afdeling 1ter. - <W 08-04-1965, art. 22> (Gemene bepalingen ter zake van de afdelingen 1 en 1bis).

  Art. 34bis. <W 1994-03-30/31, art. 17, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994> § 1. De in de afdelingen 1 en 1bis bedoelde overeenkomsten en akkoorden moeten door de bevoegde Commissies worden gesloten en aan het Verzekeringscomité worden voorgelegd vóór 30 november, vergezeld van het advies van de Commissie voor begrotingscontrole. De som van de uitgavenbedragen die voortvloeien uit de nieuwe en lopende akkoorden en overeenkomsten, van de geraamde uitgaven voor de geneeskundige verstrekkingen waarvoor geen akkoord of overeenkomst is gesloten of lopende is en van de globale begrotingen van de financiële middelen mag niet meer bedragen dan de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling. Als deze laatste wordt overschreden, stelt het Verzekeringscomité aan de Commissies de maatregelen voor die nodig zijn om de globale jaarlijkse begrotingsdoelstelling in acht te nemen.
  Vóór 1 december deelt het Verzekeringscomité aan de Algemene Raad de gesloten overeenkomsten en akkoorden mee om het de Raad mogelijk te maken zich uit te spreken over hun overeenstemming met de begroting.
  Indien op 1 december een overeenkomst of een akkoord is gesloten en indien het Verzekeringscomité de inhoud van de tekst van de overeenkomst of van het akkoord goedkeurt, geeft het de voorzitter van de betrokken Commissie schriftelijk kennis van die goedkeuring.
  Als op de voormelde datum geen overeenkomst of akkoord door de betrokken Commissie kan worden gesloten of als de overeenkomst of het akkoord niet wordt goedgekeurd door het Vezekeringscomité, kan dit laatste opmerkingen maken of zelf een voorstel formuleren dat het binnen vijftien dagen meedeelt aan de voorzitter van de Commissie. De voorzitter van het Verzekeringscomité doet die Commissie bijeenroepen in een vergadering die door hem zelf of door zijn afgevaardigde wordt voorgezeten. De betrokken Commissie heeft vanaf de datum waarop het voorstel of de opmerkingen van het Verzekeringscomité zijn meegedeeld, vijftien dagen tijd om zich daarover uit te spreken.
  Indien de betrokken Commissie het eens is met het voorstel of met de opmerkingen van het Verzekeringscomité of indien dit het tegenvoorstel van de Commissie aanvaardt, wordt op die basis een overeenkomst of een akkoord gesloten.
  Indien daarentegen de betrokken Commissie het voorstel of de opmerkingen van het Verzekeringscomité afwijst of indien het Verzekeringscomité het tegenvoorstel van de Commissie afwijst of nog, indien de Commissie zich niet binnen de vastgestelde termijn uitspreekt, of indien de Algemene Raad met toepassing van artikel 12, § 1, 7°, een ongunstige beslissing neemt betreffende dat voorstel of die opmerkingen :
  1° zijn de bepalingen van artikel 33, §§ 1 en 5, van toepassing wat de overeenkomsten betreft;
  2° kan de minister, wat de akkoorden betreft, na overleg in de Ministerraad, een document ter toetreding voorleggen aan de geneesheren of aan de tandheelkundigen. In dat document worden de honorariumtarieven van de geneeskundige verstrekkingen vastgesteld die de basis zijn voor de vergoedingen door de verzekering, alsmede de bijzondere regels met betrekking tot de openbaarmaking en de voorwaarden inzake tijd en plaats waarin die tarieven en regelen van strikte toepassing zijn; deze voorwaarden zijn die welke opgenomen waren in het jongst afgesloten akkoord.
  De geneesheren of tandheelkundigen die van hun weigering niet schriftelijk kennis hebben gegeven binnen dertig dagen na de bekendmaking van dat document in het Belgisch Staatsblad, worden geacht te zijn toegetreden. De bepalingen van dat document treden in werking overeenkomstig de bepalingen van artikel 34, § 3. Onverminderd de andere bepalingen die voortvloeien uit de vaststelling dat meer dan 40 pct. van de geneesheren of tandheelkundigen kennis hebben gegeven van hun weigering, wordt het voordeel van het sociaal statuut toegekend aan de geneesheren of tandheelkundigen die volgens de geldende procedure daarom verzoeken;
  3° kunnen als de onder punt 2 bedoelde procedure niet wordt gevolgd, de bepalingen van artikel 34, § 13, worden toegepast.
  § 2. Elke overeenkomst of akkoord moet verbintenissen bevatten inzake honoraria, prijzen, en, waar mogelijk, beheersing van het volume aan verstrekkingen.
  Elke overeenkomst of elk akkoord moet eveneens de correctiemechanismen bevatten die in werking kunnen worden gebracht zodra wordt vastgesteld dat de partiële jaarlijkse begrotingsdoelstelling beduidend wordt overschreden of dreigt te worden overschreden.
  De correctiemechanismen kunnen met name bestaan uit aanpassingen van de honorariumtarieven, van de prijzen of van andere bedragen, in wijzigingen van de in artikel 24 bedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen en in nieuwe technieken om de geneeskundige verstrekkingen te financieren.
  Bovenop die correctiemechanismen moet elke overeenkomst of elk akkoord bevatten :
  1° een beding dat voorziet, ingeval bedoelde mechanismen ontoereikend zijn, in een automatische en onmiddellijk toepasselijke vermindering van de honoraria, prijzen of andere bedragen en van de vergoedingstarieven voor de verstrekkingen of groepen van verstrekkingen die aan de oorsprong liggen van de beduidende overschrijding of van het risico op beduidende overschrijding van de partiële jaarlijkse begrotingsdoelstelling; die vermindering is evenredig aan het bedrag van de overschrijding of van het risico op overschrijding;
  2° correctiemechanismen die in werking kunnen worden gebracht zodra wordt vastgesteld dat de toename in volume van bepaalde verstrekkingen of groepen van verstrekkingen de normen inzake volume die in de overeenkomst of het akkoord zijn opgenomen, beduidend overschrijdt of dreigt te overschrijden.
  § 3. De Dienst voor geneeskundige verzorging deelt elke Overeenkomsten- of Akkoordencommissie en de Commissie voor begrotingscontrole op gezette tijden de evolutie van de uitgaven en van de volumes mee.
  Zodra de Commissie voor begrotingscontrole een beduidende overschrijding of een risico op beduidende overschrijding vaststelt, stelt ze de minister, de Algemene Raad, het Verzekeringscomité en de betrokken Overeenkomsten- of Akkoordencommissie daarvan in kennis. Bij die informatie wordt een gemotiveerd advies gevoegd, dat een analyse van de begrotingstoestand omvat.
  Op eigen initiatief of op verzoek van het Verzekeringscomité brengt de Overeenkomsten- of Akkoordencommissie de vastgestelde correctiemechanismen in werking en, als die ontoereikend zijn, stelt de Commissie bijkomende correctiemaatregelen voor aan het Verzekeringscomité.
  Uiterlijk dertig dagen na het verstrekken van de informatie over de beduidende overschrijding of het risico op beduidende overschrijding door de Commissie voor begrotingscontrole, evalueert laatstgenoemde het gevolg dat aan haar vaststelling is gegeven en brengt hierover verslag uit bij de minister, de Algemene Raad, het Verzekeringscomité en de betrokken Overeenkomsten- of Akkoordencommissie.
  Indien de correctiemaatregelen niet worden genomen of ontoereikend zijn, worden de honoraria, prijzen of andere betrokken bedragen en de vergoedingstarieven door de Koning verminderd, evenredig aan de overschrijding of de resterende overschrijding.
  § 4. De Koning bepaalt wat onder beduidende overschrijding of risico op beduidende overschrijding van de partiële begrotingsdoelstelling of van de normen inzake volume moet worden verstaan.
  § 5. De akkoorden en overeenkomsten die op de datum van inwerkingtreding van dit artikel van kracht zijn, worden geacht de bedingen te bevatten bedoeld in § 2, vierde lid, 1°, tot hun einddatum indien deze is vastgesteld en tot uiterlijk 31 december 1995 indien deze niet is vastgesteld.

  Art. 34ter. <W 08-04-1965, art. 22> (§ 1.) De verzekeringsinstellingen en de verstrekkers van verzorging die de honorariumtarieven van de overeenkomst (of van het akkoord bedoeld in artikel 34) toepassen, kunnen akkoorden sluiten waarin de forfaitaire betaling van de verstrekkingen wordt bedongen. <W 26-03-1970, art. 4>
  De bij een forfaitair akkoord betrokken partijen moeten de bepalingen in acht nemen waarbij hun betrekkingen in het kader van deze wet zijn geregeld.
  Het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging maakt, na advies van de bevoegde Nationale Overeenkomstencommissie of van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen of tandheelkundigen-ziekenfondsen, de regelen op luidens welke die akkoorden worden gesloten en stelt de normen vast volgens welke de last der forfaits over de verzekeringsinstellingen wordt verdeeld.
  De akkoorden betreffende het forfait worden gesloten in een commissie onder voorzitterschap van de leidende ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging of van zijn afgevaardigde en samengesteld uit vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen eensdeels en de bij het akkoord bedoelde verstrekkers van verzorging, anderdeels. Ze worden het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging voor advies en de Minister van Sociale Voorzorg ter goedkeuring voorgelegd.
  Samenstelling en regelen inzake werking van de in het vorige lid bedoelde commissie worden door de Koning bepaald. Het akkoord is slechts deugdelijk gesloten indien het bij de stemming door twee derde van de verzekeringsinstelling wordt goedgekeurd. Het aldus gesloten akkoord verbindt alle verzekeringsinstellingen.
  (§ 2. Ingeval er herhaalde malen een overschrijding van de honoraria vastgesteld wordt uit hoofde van personen die toegetreden zijn of geacht worden de conventie of het akkoord onderschreven te hebben, mag het organisme binnen hetwelk de overeenkomst of het akkoord werd verwezenlijkt, beslissen te hunnen opzichte de in uitvoering van artikel 34quinquies toegekende voordelen te schrappen of te verminderen.
  § 3. (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>
  § 4. De betwistingen in verband met de rechten en plichten voortvloeiende uit de in de artikelen 26 en 34 bedoelde overeenkomsten, akkoorden of documenten tussen de verplegingsinrichtingen of de verstrekkers van verzorging die tot een akkoord of overeenkomst zijn toegetreden of die geen weigering tot toetreding tot die akkoorden of documenten hebben betekend, en de verzekerden of de verzekeringsinstellingen, behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank.
  Zij worden ingeleid volgens de procedure bepaald in artikel 704, (§ 2), van het Gerechtelijk Wetboek (binnen twee jaar na het bestreden feit of beslissing.) <W 1993-02-15/33, art. 47, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> <W 2005-12-13/35, art. 30, 032; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
  In afwijking van de artikelen 81 en 104 van het Gerechtelijk Wetboek bestaan de kamers die kennis nemen van deze geschillen uit één rechter in de arbeidsrechtbank of één raadsheer in het arbeidshof.
  Elk debat wordt voorafgegaan door een poging tot verzoening.) <W 08-08-1980, art. 130>

  Art. 34quater. <W 1993-02-15/33, art. 48, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De zorgverstrekkers van wie de verstrekkingen aanleiding geven tot een tegemoetkoming van de verzekering, zijn ertoe gehouden, in geval van rechtstreekse betaling, een getuigschrift voor verstrekte hulp of van aflevering of een gelijkwaardig document waarvan het model door het Verzekeringscomité wordt vastgesteld, waarop de verrichte verstrekkingen zijn vermeld, uit te reiken aan de rechthebbenden en aan de verzekeringsinstellingen; verstrekkingen opgenomen in de in artikel 24, § 1, bedoelde nomenclatuur, worden vermeld met hun rangnummer in de genoemde nomenclatuur.
  De in het vorige lid bedoelde documenten mogen evenwel niet worden uitgereikt voor de verstrekkingen die zijn uitgevoerd tijdens de duur van het in artikel 90 bedoelde verbod tot tegemoetkoming in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen.
  De verzekeringsinstellingen mogen geen vergoeding toekennen indien het getuigschrift voor verstrekte hulp of van aflevering of het als zodanig geldend document hun niet wordt afgegeven.
  De zorgverstrekker moet die documenten zodra mogelijk, en uiterlijk binnen een door de Koning vastgestelde termijn, overhandigen. Een administratieve geldboete van 1 000 tot 10 000 frank wordt opgelegd voor elke inbreuk van de zorgverstrekker op die verplichting.
  Indien de overtreder binnen een termijn van drie jaar na de datum waarop hem een administratieve geldboete is opgelegd, een inbreuk pleegt van dezelfde aard als die welke aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van een administratieve geldboete, wordt het bedrag van de vroeger opgelegde geldboete telkens verdubbeld.
  De Koning bepaalt het bedrag van de administratieve geldboete alsook de procedure voor het vaststellen van de inbreuken en het uitspreken van bovenbedoelde geldboeten.
  De opbrengst van die geldboeten wordt gestort aan het Instituut, tak geneeskundige verzorging.
  De Koning stelt, bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van het Verzekeringscomité, de voorwaarden en regelen vast overeenkomstig welke de rechtstreekse betaling van de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in de door Hem bepaalde geneeskundige verstrekkingen door de verzekeringsinstellingen aan de zorgverstrekkers is toegestaan, verboden of verplicht. Elke overeenkomst die afwijkt van de door de Koning ter uitvoering van deze bepaling uitgevaardigde reglementering, is nietig.
  De gegevens die, in het kader van de rechtstreekse betaling, door middel van magnetische dragers door de zorgverstrekkers aan de verzekeringsinstellingen of door deze laatste aan het Instituut worden overgedragen, hebben dezelfde bewijskracht als het origineel, tot bewijs van het tegendeel.
  De Koning stelt bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van het Verzekeringscomité de specifieke voorwaarden en regelen vast overeenkomstig welke het voordeel van de rechtstreekse betaling van de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging voor de verstrekkingen inzake klinische biologie, verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, door de verzekeringsinstellingen kan worden toegekend of ingetrokken voor de in artikel 153, § 6, bedoelde laboratoria.
  Het is de ziekenfondsen, landsbonden en verzekeringsinstellingen bedoeld in artikel 2, g), h), i), verboden inrichtingen voor geneeskundige verzorging loketten te laten functioneren waaraan de betaling van de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging kan worden verkregen, op welke wijze dan ook.

  Afdeling 1quater. - <W 27-06-1969, art. 8> Sociaal statuut van de geneesheren, tandheelkundigen en apothekers (en andere voordelen die aan sommige geneesheren kunnen worden toegekend). <W 1990-12-29/30, art. 24, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>

  Art. 34quinquies. (§ 1.) <W 1990-12-29/30, art. 25, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991> <W 27-06-1969, art. 8> De Koning kan, (na advies van) de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen, van de Nationale Commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen of van de Bestendige Commissie belast met het onderhandelen over en het sluiten van de nationale overeenkomst tussen de apothekers en de verzekeringsinstellingen, een regeling van sociale voordelen invoeren voor de geneesheren of tandheelkundigen (die geacht worden tot de termen van de in artikel 34, § 2, bedoelde akkoorden toegetreden te zijn, of voor de apothekers die tot de hen betreffende overeenkomst toetreden en die, volgens de door de bestendige commissie voorgestelde modaliteiten, het genot ervan vragen.) <KB533 1987-03-31/41, art. 7, 1°, 011; Inwerkingtreding : 01-05-1987> <W 26-03-1970, art. 5, 1°>
  Deze voordelen kunnen onder meer bestaan in een aandeel van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering in de premies of bijdragen die door de betrokken geneesheren, tandheelkundigen of apothekers worden gestort, in uitvoering van verzekeringscontracten die bij invaliditeit, rust of overlijden, renten of pensioenen waarborgen.
  (Deze verzekeringscontracten kunnen worden afgesloten met elke daartoe wettelijk bevoegde openbare of private instelling, met uitzondering van de ziekenfondsen en verbonden van ziekenfondsen, erkend overeenkomstig de wet van 23 juni 1894 houdende herziening van de wet van 3 april 1851 op de maatschappijen van onderlinge bijstand; wat betreft de rust- en overlijdensverzekering dienen zij te worden afgesloten met een pensioenkas opgericht op het initiatief van een of meer representatieve organisaties (van het geneesherenkorps of van de tandheelkundigen, voor zover zij door de Koning is erkend. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de apothekers.)) <W 08-08-1980, art. 131, 1°> <W 1985-08-01/31, art. 62, 006>
  (De op 1 januari 1980 lopende contracten met een andere instelling zijn evenwel eveneens geldig, voor de toekenning van het aandeel van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering in de verzekeringspremie (voorzover deze kontrakten voor vorenbedoelde datum het aandeel van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering in de premie betrokken.)) <W 08-08-1980, art. 131, 2°> <KB533 1987-03-31/41, art. 7, 2°, 011; Inwerkingtreding : 01-05-1987>
  De Koning stelt de voorwaarden voor de erkenning vast, die inzonderheid betrekking hebben op de juridische vorm van de pensioenkas, op het minimum aantal contracterenden en de minimumduur van hun stortingen, op de wachttijd die het recht op pensioen moet voorafgaan, op de verplichtingen van de contracterenden over een tijdvak gedurende hetwelk (geen enkel akkoord bedoeld in artikel 34, § 2, zou gesloten zijn of zij zouden geweigerd hebben tot de termen van de genoemde akkoorden toe te treden of tot geen overeenkomst meer zouden toegetreden zijn, evenals op de door de pensioenkas na te komen verplichtingen in geval van intrekking van de erkenning). <W 26-03-1970, art. 5, 2°>
  (Op voordracht van de Minister van Sociale Voorzorg wordt bij de erkende pensioenkassen een Regeringscommissaris benoemd; deze woont met raadgevende stem de vergaderingen van de beheers- en controleorganen bij.
  Hij kan binnen een termijn van vier vrije dagen bij de Minister van Sociale Voorzorg beroep instellen tegen elke beslissing die hij met de wet, met de statuten of met het algemeen belang strijdig acht. Het beroep is opschortend.
  Heeft de Minister van Sociale Voorzorg binnen een termijn van twintig vrije dagen de nietigverklaring van de betrokken beslissing niet uitgesproken dan wordt de beslissing definitief. De Koning regelt de uitoefening van de opdracht van de commissaris en stelt zijn statuut vast.) <W 08-08-1980, art. 131, 3°>
  (§ 2. Benevens de voordelen die in het raam van het sociaal statuut van de geneesheren overeenkomstig de hiervoren bedoelde bepalingen worden toegekend, kan de Koning, na advies van de Nationale commissie geneesheren-ziekenfondsen, aanzienlijker voordelen of andere voordelen toekennen aan alle of aan sommige categorieën van geneesheren die geacht worden te zijn toegetreden tot de termen van het akkoord, en de voorwaarden en toepassingsregels ter zake bepalen.
  Die uitgave wordt, binnen de budgettaire beperkingen vastgesteld door de Regering, geboekt op de begroting van de administratiekosten van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en wordt integraal ten laste genomen door de tak geneeskundige verzorging.) <W 1990-12-29/30, art. 25, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>

  Afdeling 1quinquies. - <W 1985-08-01/31, art. 63, 006> Vergoeding aan de stagemeesters in de huisartsgeneeskunde.

  Art. 34sexies. <W 1985-08-01/31, art. 63, 006> De Koning kan, na advies van de Nationale Commissie Geneesheren-Ziekenfondsen, de voorwaarden en de regels vaststellen volgens dewelke een vergoeding kan worden toegekend aan de stagemeesters in de huisartsgeneeskunde.
  Het bedrag van deze vergoeding wordt vastgesteld door de Koning. Deze uitgave wordt aangerekend op de begroting voor administratiekosten van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en integraal ten laste genomen door de tak geneeskundige verzorging.

  Afdeling 1sexies. - <W 1985-08-01/31, art 84, 006> Tegemoetkoming van de ziekteverzekering voor bijzondere modellen van verstrekking of betaling van geneeskundige verzorging.

  Art. 34septies. <W 1985-08-01/31, art. 84, 006> Onder de door de Koning vast te stellen voorwaarden en in afwijking van de algemene bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, kan bij wijze van experiment een naar tijd en toepassingsgebied beperkte tegemoetkoming van de ziekteverzekering worden toegekend voor bijzondere modellen van verstrekking en betaling van geneeskundige verzorging. De nadere regelen waaronder deze tegemoetkoming wordt toegekend maken het voorwerp uit van overeenkomsten afgesloten in de schoot van het beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging.
  Het beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging kan eveneens overeenkomsten afsluiten voor onderzoek en vergelijkende studie van bepaalde modellen van verstrekking en betaling van geneeskundige verzorging. De uitgaven die hiermee gepaard gaan worden aangerekend op de begroting voor administratiekosten van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en integraal ten laste genomen door de tak geneeskundige verzorging.

  Afdeling 1septies. - Verstrekkingen van klinische biologie voor gehospitaliseerde rechthebbenden. <Ingevoegd bij W 1987-11-07/30, art. 68, 013; Inwerkingtreding : onbepaald>

  Art. 34octies. <Ingevoegd bij W 1987-11-07/30, art. 68, 013; Inwerkingtreding : onbepaald> § 1. De verstrekkingen van klinische biologie, zoals deze door de Koning nader worden omschreven, worden voor de gehospitaliseerde rechthebbenden per ziekenhuis vergoed op basis van een forfaitair honorarium dat per verpleegdag wordt betaald.
  (De Koning kan evenwel bepalen dat de verstrekkingen waarop het forfait van toepassing is slechts voor een door Hem nader te bepalen gedeelte door het forfait worden vergoed.) <W 1988-12-30/31, art. 26, 1°, 015; Inwerkingtreding : 05-01-1989>
  Dit forfait wordt per ziekenhuis vastgesteld door het budget van financiële middelen toegekend aan het ziekenhuis voor de verstrekking van klinische biologie voor gehospitaliseerde rechthebbenden, te delen door een quotum van verpleegdagen.
  § 2. De Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen stelt in een akkoord zoals bedoeld in artikel 34, de nadere regelen vast die gelden voor de berekening van het in § 1 bedoelde forfait. Zo bepaalt de Commissie ondermeer :
  a) de periode waarvoor het budget geldt, indien het minder dan één jaar bedraagt;
  b) de criteria en modaliteiten voor de berekening van het budget;
  c) (de parameters volgens welke het budget per ziekenhuis kan worden vastgesteld rekening houdend met het budget van financiële middelen voor het ganse Rijk voor verstrekkingen van klinische biologie voor gehospitaliseerde rechthebbenden, zoals bedoeld in artikel 34decies.) <W 1988-12-30/31, art. 26, 2°, 015; Inwerkingtreding : 05-01-1989>
  d) de regelen voor de vaststelling van het in § 1 bedoelde quotum.
  § 3. (Wanneer de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen vóór een jaarlijks door de Minister te bepalen datum geen akkoord heeft kunnen sluiten of indien het afgesloten akkoord het niet toelaat binnen de perken van het budget van financiële middelen voor het ganse Rijk voor verstrekkingen van klinische biologie voor gehospitaliseerde patiënten, zoals bedoeld in artikel 34decies, te blijven, kan de Minister van Sociale Zaken zelf een voorstel formuleren dat hij dan voor advies toestuurt aan de representatieve beroepsorganisaties van geneesheren en aan de verzekeringsinstellingen.) <W 1988-12-30/31, art. 26, 3°, 015; Inwerkingtreding : 05-01-1989>
  Deze adviezen moeten bij de Minister toekomen binnen een termijn van vijftien vrije dagen.
  Na afloop van deze termijn stelt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, een regeling vast, nadat de Ministerraad van de in het vorige lid bedoelde adviezen kennis heeft genomen.
  § 4. Het in § 1 bedoeld forfait wordt door de verzekeringsinstellingen rechtstreeks uitbetaald aan de dienst die de centrale inning van de honoraria doet.
  § 5. Het toekennen van het in § 1 bedoeld forfait verhindert voor de verstrekkingen die door het forfait worden vergoed, elke bijzondere tussenkomst van de ziekteverzekering in de kosten van de afzonderlijke verstrekkingen voor de gehospitaliseerde rechthebbenden gedurende hun hospitalisatie evenals van de verstrekkingen verricht tijdens een door de Koning nader te bepalen periode voor en na hun hospitalisatie (behalve voor het gedeelte dat overeenkomstig § 1, tweede lid, niet door het forfait wordt vergoed.) <W 1988-12-30/31, art. 26, 4°, 015; Inwerkingtreding : 05-01-1989>
  (Tenzij de verstrekkingen van klinische biologie voor gehospitaliseerde patiënten gedeeltelijk worden vergoed op basis van een forfaitair honorarium, dienen, voor de verstrekkingen vergoed door het forfait, geen getuigschriften zoals bedoeld in artikel 34quater te worden afgeleverd.) <W 1988-12-30/31, art. 26, 5°, 015; Inwerkingtreding : 05-01-1989>
  Alvorens de in het eerste lid bedoelde periode wordt bepaald wordt terzake door de Minister van Sociale Voorzorg het advies ingewonnen van de Technisch Geneeskundige Raad; deze beschikt over 45 dagen om zijn advies te verstrekken.
  § 6. Voor de verstrekkingen die door het in § 1 bedoelde forfait worden vergoed mogen geen bedragen ten laste van de rechthebbende worden gelegd.

  Art. 34nonies. <Ingevoegd bij KW 1987-11-07/30, art. 68, 013; Inwerkingtreding : onbepaald> § 1. Met het oog op de vaststelling voor ieder ziekenhuis van het budget van financiële middelen en van het forfait per verpleegdag kan de Minister van Sociale Voorzorg overeenkomstig de door de Koning vastgestelde voorwaarden en regels en binnen een termijn die Hij bepaalt, mededeling vragen van alle statistische en financiële gegevens die met de in artikel 34octies, § 1, bedoelde verstrekkingen verband houden, alsmede een controle laten uitoefenen op de juistheid van deze gegevens.
  § 2. De toekenning van het in § 1 van artikel 34octies bedoelde forfait kan, overeenkomstig de door de Koning bepaalde regelen, geheel of gedeeltelijk, afhankelijk worden gemaakt van de mededeling die overeenkomstig § 1 van dit artikel moet worden gedaan.

  (Afdeling 1octies. - Verstrekkingen van klinische biologie, verleend aan de in een ziekenhuis en de niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.) <Ingevoegd bij W 1988-12-30/31, art. 27, 015>

  Art. 34decies. <Ingevoegd bij W 1988-12-30/31, art. 27, 015; Inwerkingtreding : 15-01-1989> De Koning legt bij in Ministerraad overlegd besluit en na advies van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging jaarlijks het globaal budget van de financiële middelen vast voor het ganse Rijk voor de verstrekkingen van klinische biologie zoals door Hem omschreven, evenals de opsplitsing van dit budget naargelang voornoemde verstrekkingen worden verleend aan in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden of aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.

  (Afdeling 1nonies. - Verstrekkingen van klinische biologie, verleend aan de niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.) <Ingevoegd bij W 1988-12-30/31, art. 28, 015>

  Art. 34undecies. (§ 1.) <W 1990-12-29/30, art. 26, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991> De Koning kan na advies van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen, de nodige maatregelen nemen ten einde te voorkomen dat het budget van financiële middelen voor het ganse Rijk voor de verstrekkingen van klinische biologie verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, zoals bedoeld in art. 34decies, wordt overschreden. Dit advies moet binnen de 45 dagen worden uitgebracht. Tevens kan de Koning de criteria en de modaliteiten bepalen volgens dewelke de bedragen met dewelke dit budget wordt overschreden, of zal overschreden worden, worden teruggevorderd bij de laboratoria voor klinische biologie, evenals de regels volgens dewelke de in de rekeningen van het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeitsverzekering terug te storten bedragen worden berekend.
  (§ 2. De tegemoetkoming in de verstrekkingen inzake klinische biologie, verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, zoals die verstrekkingen door de Koning zijn omschreven, wordt vastgesteld op grond van forfaitaire honoraria.
  De Koning kan evenwel bepalen dat de verstrekkingen waarvoor het forfait van toepassing is slechts voor een door Hem vast te stellen gedeelte met het forfait worden gehonoreerd.
  § 3. De Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen stelt in een akkoord als bepaald in artikel 34 de wijze vast waarop het forfait bedoeld in § 2 wordt vastgesteld, de regels voor de berekening ervan, de modaliteiten inzake de betaling ervan, alsmede alle andere bepalingen op grond waarvan het forfait kan worden toegepast.
  § 4. Wanneer de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen, vóór een jaarlijks door de Minister te bepalen datum geen akkoord heeft kunnen sluiten of indien het met het gesloten akkoord niet mogelijk is binnen de perken te blijven van het budget van de financiële middelen voor het hele Rijk voor verstrekkingen van klinische biologie voor niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, als bedoeld in artikel 34decies, kan de Minister van Sociale Zaken zelf een voorstel formuleren dat hij dan voor advies toestuurt aan de representatieve beroepsorganisaties van geneesheren en aan de verzekeringsinstellingen.
  Deze adviezen moeten bij de Minister toekomen binnen een termijn van vijftien vrije dagen.
  Nadat de Ministerraad kennis heeft genomen van de in het vorige lid bedoelde adviezen of wanneer binnen de voorgeschreven termijn geen adviezen zijn verstrekt, stelt de Koning, na afloop van de voorgeschreven termijn, bij een in Ministerraad overlegd besluit een regeling vast.
  § 5. De toekenning van het forfait belet, voor de verstrekkingen die het dekt, elke andere specifieke tegemoetkoming van de ziekteverzekering in de kosten van de afzonderlijke verstrekkingen, verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, behalve voor het gedeelte dat krachtens § 2 niet met het forfait wordt gehonoreerd.
  Behalve indien bedoelde verstrekkingen inzake klinische biologie, verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, gedeeltelijk worden betaald op grond van forfaitaire honoraria, moeten de in artikel 34quater bedoelde getuigschriften voor verstrekte hulp niet worden afgegeven voor de met het forfait betaalde verstrekkingen.
  § 6. Met het oog op het vaststellen van het forfait kan de Koning, overeenkomstig de voorwaarden en regelen die Hij bepaalt, vragen dat aan de Dienst voor geneeskundige verzorging alle statistische en financiële gegevens worden meegedeeld met betrekking tot de verstrekkingen inzake klinische biologie, verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.
  De toekenning van het forfait kan, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde regelen, geheel of gedeeltelijk afhankelijk worden gemaakt van de mededeling die overeenkomstig het vorige lid moet worden gedaan.
  § 7. (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>
  (§ 8. In vervanging van de bepalingen van de tweede zin van § 1 van dit artikel worden, voor de verstrekkingen verricht vanaf 1 april 1989, de bedragen met dewelke het budget wordt overschreden of zal overschreden worden, teruggevorderd bij de laboratoria voor klinische biologie volgens de criteria en de modaliteiten bepaald in artikel 34undecies bis.
  In dit geval blijven de bedragen door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering teruggevorderd op grond van de bepalingen van de tweede zin van § 1, vóór zijn vervanging door vorige alinea, en van zijn uitvoeringsbesluiten, verworven ten belope van de bedragen verschuldigd op basis van de bepalingen van de vorige alinea.) <W 1992-06-26/30, art. 20, 025; Inwerkingtreding : 10-07-1992>

  Art. 34undeciesbis. <Ingevoegd bij W 1992-06-26/30, art. 21, 025; §§ 1 tot 9 van toepassing van 1 april 1989 tot en met 31 december 1990; §§ 10 tot 17 vanaf 1 januari 1991; zie W 1992-06-26/30, art. 22> § 1. Voor de toepassing van de §§ 1 tot 9 van dit artikel wordt verstaan :
  a) onder " verstrekkingen van klinische biologie ", alle verstrekkingen verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, bedoeld in de artikelen 3, § 1, A, II en C, I, 18, § 2, B, e, en 24 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;
  b) onder " globaal budget ", het met toepassing van de bepalingen van artikel 34decies van deze wet vastgestelde budget van financiële middelen voor de verstrekkingen van klinische biologie, verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden;
  c) onder " uitgaven voor klinische biologie ", het bedrag dat door de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering verschuldigd is, voor verstrekkingen van klinische biologie, verleend in de loop van een bepaald dienstjaar;
  d) onder " gefactureerde uitgaven voor klinische biologie ", het bedrag voor verstrekkingen van klinische biologie dat door de laboratoria overeenkomstig de reglementering inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering werd gefactureerd, voor de trimesters van een zelfde dienstjaar gecumuleerd tot en met het voor de toepassing van het in § 5 in aanmerking genomen trimester;
  e) onder " laboratorium ", het laboratorium voor klinische biologie erkend met toepassing van de bepalingen van artikel 153, § 6, 3°, van deze wet;
  f) onder " de dienst ", de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  § 2. Wanneer de uitgaven voor klinische biologie voor een bepaald dienstjaar het voor dat dienstjaar vastgestelde globaal budget met ten minste 2 pct. overstijgen, zijn de laboratoria aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering een ristorno verschuldigd, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van § 3.
  Onverminderd het bepaalde in § 7 betalen de laboratoria op dit ristorno trimestriële voorschotten waarvan het bedrag wordt berekend overeenkomstig de §§ 4 en 5.
  § 3. Het ristorno wordt berekend op basis van de uitgaven voor klinische biologie van het betrokken laboratorium.
  In hoofde van de laboratoria wordt het ristorno vastgesteld op :
  1° X maal 0,5 pct. voor de uitgavenschijf tussen 5 en 10 miljoen frank;
  2° X maal 1,25 pct. voor de uitgavenschijf tussen 10 en 25 miljoen frank;
  3° X maal 2,25 pct. voor de uitgavenschijf tussen 25 en 50 miljoen frank;
  4° X maal 3,50 pct. voor de uitgavenschijf tussen 50 en 100 miljoen frank;
  5° X maal 5 pct. voor de uitgavenschijf tussen 100 en 200 miljoen frank;
  6° X maal 7 pct. voor de uitgavenschijf tussen 200 en 400 miljoen frank;
  7° X maal 9 pct. voor de uitgavenschijf boven 400 miljoen frank.
  De waarde van X wordt voor ieder dienstjaar afzonderlijk vastgesteld, in functie van het voor dat dienstjaar te recupereren verschil tussen de uitgaven voor klinische biologie en het globaal budget. In geen geval mag de waarde van X méér bedragen dan 10.
  Indien meerdere laboratoria worden uitgebaat door een zelfde natuurlijke persoon, een zelfde rechtspersoon of een zelfde burgerlijke vennootschap, wordt het ristorno vastgesteld op basis van de samengevoegde uitgaven van die betrokken laboratoria.
  § 4. Om de in § 2, tweede lid, bedoeld trimestriële voorschotten te berekenen, wordt het globaal budget opgesplitst in trimestriële bedragen die op cumulatieve wijze worden berekend, rekening houdend met het ongelijk procentueel aandeel van de gefactureerde uitgaven voor ieder trimester in de totale gefactureerde uitgaven op jaarbasis. De Koning stelt elk jaar dit procentueel aandeel vast.
  Een trimestriële betaling is verschuldigd wanneer de totale voor alle laboratoria samen gefactureerde uitgaven voor klinische biologie :
  - het overeenkomstig de bepalingen van het vorige lid voor het eerste trimester van een bepaald dienstjaar vastgesteld bedrag met ten minste 7 pct. overstijgen;
  - het overeenkomstig de bepalingen van het vorige lid voor het tweede trimester van een bepaald dienstjaar vastgestelde bedrag met ten minste 5 pct. overstijgen;
  - het overeenkomstig de bepalingen van het vorige lid voor het derde trimester van een bepaald dienstjaar vastgestelde bedrag met ten minste 3 pct. overstijgen;
  - het overeenkomstig de bepalingen van het vorige lid voor het vierde trimester van een bepaald dienstjaar vastgestelde bedrag met ten minste 2 pct. overstijgen.
  § 5. De trimestriële betaling wordt berekend op basis van de voor de gecumuleerde trimesters van dat dienstjaar door het betrokken laboratorium gefactureerde uitgaven voor klinische biologie.
  Ze wordt vastgesteld op :
  1° Z maal 0,5 pct. voor de uitgavenschijf tussen Y x 5 en Y x 10 miljoen frank;
  2° Z maal 1,25 pct. voor de uitgavenschijf tussen Y x 10 en Y x 25 miljoen frank;
  3° Z maal 2,25 pct. voor de uitgavenschijf tussen Y x 25 en Y x 50 miljoen frank;
  4° Z maal 3,50 pct. voor de uitgavenschijf tussen Y x 50 en Y x 100 miljoen frank;
  5° Z maal 5 pct. voor de uitgavenschijf tussen Y x 100 en Y x 200 miljoen frank;
  6° Z maal 7 pct. voor de uitgavenschijf tussen Y x 200 en Y x 400 miljoen frank;
  7° Z maal 9 pct. voor de uitgavenschijf boven Y x 400 miljoen frank.
  De waarde van Y is gelijk aan het cumulatief procentueel aandeel voor het betrokken trimester berekend op basis van de in uitvoering van de bepalingen van § 4, eerste lid, bij koninklijk besluit vastgestelde procentuele aandelen.
  Voor ieder afzonderlijk trimester stelt de Koning de waarde van Z vast in functie van het voor dat trimester te recupereren verschil tussen de gefactureerde uitgaven voor klinische biologie voor het betrokken trimester, en het overeenkomstig de bepalingen van § 4, eerste lid, voor het betrokken trimester vastgestelde bedrag. In geen geval mag de waarde van Z méér bedragen dan 10.
  De overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid van deze paragraaf vastgestelde trimestriële betaling wordt verminderd met de sommen die door het laboratorium voor de voorafgaande trimesters van het betrokken dienstjaar als trimestriële betaling werden betaald.
  Indien meerdere laboratoria worden uitgebaat door een zelfde natuurlijke persoon, een zelfde rechtspersoon of een zelfde burgerlijke vennootschap, wordt het ristorno vastgesteld op basis van de samengevoegde uitgaven van die betrokken laboratoria.
  § 6. De dienst is ermee belast de in § 5 bedoelde trimestriële voorschotten in hoofde van elk laboratorium vast te stellen. Hij stelt het betrokken laboratorium bij een ter post aangetekende brief in kennis van de als trimestrieel voorschot verschuldigde bedragen.
  De trimestriële betaling is betaalbaar binnen dertig dagen na kennisgave aan het betrokken laboratorium. Bij het verstrijken van deze termijn is het laboratorium van rechtswege in gebreke gesteld voor betaling van de nog verschuldigde sommen.
  Bij wanbetaling binnen de in het vorige lid bedoelde termijn brengen de nog verschuldigde sommen een verwijlinterest op van 12 pct. per jaar, te rekenen vanaf het verstrijken van deze termijn tot de dag waarop de betaling plaatsvindt. (Eveneens in dat geval houden de verzekeringsinstellingen, op vraag van de Dienst als waarborg, tot een beloop van de verschuldigde sommen, totaal of gedeeltelijk de bedragen van de tegemoetkomingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging in die verschuldigd zijn voor de verstrekkingen verleend in de schuldplichtige laboratoria, en zulks tot op de dag van de kennisgeving aan voormeld Rijksinstituut van een voor het Rijksinstituut ongunstige definitieve in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing over de zaak zelf betreffende die bedragen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regelen voor de uitvoering van deze bepaling en met name die volgens welke de rechthebbenden van de verzekering voor geneeskundige verzorging in kennis worden gesteld van de hiervoor vermelde maatregel. Deze inhoudingen slaan op de bedragen die verschuldigd zijn voor prestaties die uitgevoerd zijn in de periode vanaf 1 april 1989 tot 31 december 1990.) <W 1994-03-30/31, art. 28, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  Onder de voorwaarden bepaald door de Koning, kan afgezien worden van de toepassing van de in deze paragraaf bedoelde verwijlinteresten.
  § 7. De als trimestriële betalingen voor een bepaald dienstjaar gestorte sommen worden volledig verrekend met het voor hetzelfde dienstjaar verschuldigde ristorno.
  De dienst stelt elk laboratorium bij een ter post aangetekende brief in kennis van het ristorno en van het resultaat van de in het eerste lid bedoelde verrekening, met opgave van het eventuele debet- of creditsaldo.
  Het debetsaldo is betaalbaar binnen dertig dagen na kennisgave aan het betrokken laboratorium. Bij het verstrijken van deze termijn is het laboratorium van rechtswege in gebreke gesteld voor de betaling van de nog verschuldigde sommen.
  Bij wanbetaling binnen de in het vorige lid bedoelde termijn brengen de nog verschuldigde sommen een verwijlinterest op van 12 pct. per jaar, te rekenen vanaf het verstrijken van deze termijn tot de dag waarop de betaling plaatsvindt. (Eveneens in dat geval houden de verzekeringsinstellingen, op vraag van de Dienst als waarborg, tot een beloop van de verschuldigde sommen, totaal of gedeeltelijk de bedragen van de tegemoetkomingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging in die verschuldigd zijn voor de verstrekkingen verleend in de schuldplichtige laboratoria, en zulks tot op de dag van de kennisgeving aan voormeld Rijksinstituut van een voor het Rijksinstituut ongunstige definitieve in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing over de zaak zelf betreffende die bedragen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regelen voor de uitvoering van deze bepaling en met name die volgens welke de rechthebbenden van de verzekering voor geneeskundige verzorging in kennis worden gesteld van de hiervoor vermelde maatregel. Deze inhoudingen slaan op de bedragen die verschuldigd zijn voor prestaties die uitgevoerd zijn in de periode vanaf 1 april 1989 tot 31 december 1990.) <W 1994-03-30/31, art. 28, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  Onder de voorwaarden bepaald door de Koning, kan afgezien worden van de toepassing van de in deze paragraaf bedoelde verwijlinteresten.
  De terugbetaling van het eventuele creditsaldo dient door het betrokken laboratorium te worden gevraagd bij de dienst, aan de hand van een formulier dat door deze dienst ter beschikking wordt gesteld.
  Het creditsaldo is betaalbaar binnen dertig dagen na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde aanvraag. Bij het verstrijken van deze termijn is het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering van rechtswege in gebreke gesteld voor de betaling van de nog verschuldigde sommen.
  Bij wanbetaling binnen de in het vorige lid bedoelde termijn brengen de nog verschuldigde sommen een verwijlinterest op van 12 pct. per jaar, te rekenen vanaf het verstrijken van deze termijn tot de dag waarop de betaling plaatsvindt.
  § 8. Indien de voorlopige rekeningen aantonen dat de gefactureerde uitgaven voor klinische biologie voor een bepaald dienstjaar tenminste 3 pct. lager zijn dan het voor het betrokken dienstjaar vastgesteld globaal budget, worden de voor dat dienstjaar als trimestriële betalingen gestorte bedragen aan de betrokken laboratoria terugbetaald.
  § 9. Voor het dienstjaar 1989 wordt voor de cumulatie van de trimestriële bedragen bedoeld in de §§ 4 en 5 geen rekening gehouden met de cijfergegevens voor het eerste trimester.
  § 10. Voor de toepassing van de §§ 10 tot 17 wordt verstaan :
  a) onder " verstrekkingen van klinische biologie ", alle verstrekkingen verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, bedoeld in de artikelen 3, § 1, A, II en C, I, 18, § 2, B, e), en 24 van de bijlagen bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;
  b) onder " globaal budget ", het met toepassing van de bepalingen van artikel 34decies van deze wet vastgestelde budget van financiële middelen voor de verstrekkingen van klinische biologie, verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden;
  c) onder " uitgaven voor klinische biologie ", het bedrag dat door de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering verschuldigd is voor verstrekkingen van klinische biologie, verleend in de loop van een bepaald dienstjaar;
  d) onder " gefactureerde uitgaven voor klinische biologie ", het bedrag voor verstrekkingen van klinische biologie dat door de laboratoria overeenkomstig de reglementering inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering werd gefactureerd, voor de trimesters van eenzelfde dienstjaar gecumuleerd tot en met het voor de toepassing van het in § 14 in aanmerking genomen trimester;
  e) onder " laboratorium ", het laboratorium voor klinische biologie erkend met toepassing van de bepalingen van artikel 153, § 6, 3°, van deze wet;
  f) onder " de dienst ", de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
  g) onder " marktaandeelcoëfficiënt voor het jaar ", de verhouding van de uitgaven van het laboratorium voor het jaar tot de totale uitgaven voor het jaar voor alle laboratoria samen, gedeeld door de gelijkaardige verhouding voor het jaar er vóór; ingeval een laboratorium nog geen twee volledige kalenderjaren erkend is, worden de uitgaven, voor de ontbrekende maanden, in de periode van twee kalenderjaren, welke eindigt bij het aflopen van het betreffende kalenderjaar, gelijkgesteld aan de gemiddelde uitgaven van de drie eerste maanden na de erkenning; ingeval een laboratorium nog geen drie maanden erkend is, wordt de marktaandeelcoëfficiënt gelijkgesteld aan 1;
  h) onder " aangepaste marktaandeelcoëfficiënt voor het jaar 1991 ", de marktaandeelcoëfficiënt voor het jaar 1991 vermenigvuldigd met een correctiefactor gelijk aan 1;
  i) onder " aangepaste marktaandeelcoëfficiënt voor het jaar 1992 ", de marktaandeelcoëfficiënt voor het jaar 1992 vermenigvuldigd met een correctiefactor. Deze correctiefactor is gelijk aan 1 tenzij de marktaandeelcoëfficiënt voor het jaar 1991 minstens 1,15 bedraagt; in dat geval is de correctiefactor gelijk aan de marktaandeelcoëfficiënt van het jaar 1991 verminderd met 0,10;
  j) onder " aangepaste marktaandeelcoëfficiënt voor het jaar 1993 ", de marktaandeelcoëfficiënt voor het jaar 1993 vermenigvuldigd met een correctiefactor. Deze correctiefactor is gelijk aan 1 tenzij de marktaandeelcoëfficiënt in één van de twee voorafgaande jaren minstens 1,15 bedraagt; in dat geval is de correctiefactor de grootste onder de marktaandeelcoëfficiënten van de twee voorafgaande jaren, verminderd met 0,10 ingeval de grootste deze is van 1992 en verminderd met 0,25 ingeval de grootste deze is van 1991, zonder dat nochtans deze correctiefactor kleiner mag zijn dan 1,05;
  k) onder " aangepaste marktaandeelcoëfficiënt voor het jaar 1994 en volgende ", de marktaandeelcoëfficiënt voor het jaar 1994 vermenigvuldigd met een correctiefactor. Deze correctiefactor is gelijk aan 1 tenzij de marktaandeelcoëfficiënt van één van de drie voorafgaande jaren minstens 1,15 bedraagt; in dat geval is de correctiefactor de grootste onder de marktaandeelcoëfficiënten van de drie voorafgaande jaren, verminderd met 0,10 ingeval de grootste deze is van het jaar dat voorafgaat aan het betreffende jaar, verminderd met 0,25 ingeval de grootste deze is van het tweede jaar dat voorafgaat aan het betreffende jaar, verminderd met 0,40 ingeval de grootste deze is van het derde jaar dat vooafgaat aan het betreffende jaar, zonder dat nochtans die correctiefactor kleiner mag zijn dan 1,05;
  l) onder " aangepaste uitgaven voor klinische biologie van een laboratorium ", de uitgaven voor klinische biologie van het laboratorium vermenigvuldigd met de aangepaste marktaandeelcoëfficiënt voor het jaar;
  m) onder " marktaandeelcoëfficiënt voor het trimester ", de verhouding van de gefactureerde uitgaven van het laboratorium gedurende een periode van vier opeenvolgende trimesters die eindigt met het desbetreffend trimester tot de totale gefactureerde uitgaven voor alle laboratoria samen gedurende dezelfde periode, gedeeld door de gelijkaardige verhouding voor het overeenkomstig trimester in het jaar er vóór; ingeval een laboratorium nog geen acht opeenvolgende trimesters erkend is worden de uitgaven voor de ontbrekende maanden in de periode van acht opeenvolgende trimesters, welke eindigt bij het aflopen van het betreffende trimester, gelijkgesteld aan de gemiddelde uitgaven van de eerste drie maanden na de erkenning; ingeval een laboratorium nog geen drie maanden erkend is wordt de marktaandeelcoëfficiënt gelijkgesteld aan 1;
  n) onder " aangepaste marktaandeelcoëfficiënt voor de trimesters van het jaar 1991 ", de marktaandeelcoëfficiënt voor het betreffende trimester vermenigvuldigd met een correctiefactor gelijk aan 1;
  o) onder " aangepaste marktaandeelcoëfficiënt voor de trimesters van het jaar 1992 ", de marktaandeelcoëfficiënt voor het betreffende trimester vermenigvuldigd met een correctiefactor. Deze correctiefactor is gelijk aan 1 tenzij de marktaandeelcoëfficiënt in één van de vier voorafgaande trimesters minstens 1,15 bedraagt; in dat geval is de correctiefactor de grootste onder de marktaandeelcoëfficiënten van de vier voorafgaande trimesters verminderd met 0,10;
  p) onder " aangepaste marktaandeelcoëfficiënt voor de trimesters van het jaar 1993 ", de marktaandeelcoëfficiënt voor het betreffende trimester vermenigvuldigd met een correctiefactor. Deze correctiefactor is gelijk aan 1 tenzij de marktaandeelcoëfficiënt in één van de acht voorafgaande trimesters minstens 1,15 bedraagt; in dat geval is de correctiefactor de grootste onder de marktaandeelcoëfficiënten van de acht voorafgaande trimesters, verminderd met 0,10 ingeval de grootste deze is van het eerste, het tweede, het derde of het vierde trimester dat voorafgaat aan het betreffende trimester, en verminderd met 0,25 ingeval de grootste deze is van het vijfde, het zesde, het zevende of het achtste trimester dat voorafgaat aan het betreffende trimester, zonder dat nochtans die correctiefactor kleiner mag zijn dan 1,05;
  q) onder " aangepaste marktaandeelcoëfficiënt voor de trimesters van het jaar 1994 en volgende ", de marktaandeelcoëfficiënt voor het betreffende trimester vermenigvuldigd met een correctiefactor.
  Deze correctiefactor is gelijk aan 1 tenzij de marktaandeelcoëfficiënt in één van de twaalf voorafgaande trimesters minstens 1,15 bedraagt; in dat geval is de correctiefactor de grootste onder de marktaandeelcoëfficiënten van de twaalf voorafgaande trimesters, verminderd met 0,10 ingeval de grootste deze is van het eerste, het tweede, het derde of het vierde trimester dat voorafgaat aan het betreffende trimester, verminderd met 0,25 ingeval de grootste deze is van het vijfde, het zesde, het zevende of het achtste trimester dat voorafgaat aan het betreffende trimester, en verminderd met 0,40 ingeval de grootste deze is van de negende, het tiende, het elfde of het twaalfde trimester dat voorafgaat aan het betreffende trimester, zonder dat nochtans die correctiefactor kleiner mag zijn dan 1,05;
  r) onder " aangepaste gefactureerde uitgaven voor klinische biologie van een laboratorium ", de gefactureerde uitgaven voor klinische biologie van het laboratorium, vermenigvuldigd met de aangepaste marktaandeelcoëfficiënt voor het trimester.
  § 11. Wanneer de uitgaven voor klinische biologie voor een bepaald dienstjaar het voor dat dienstjaar vastgestelde globaal budget met ten minste 2 pct. overstijgen, zijn de laboratoria aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering een ristorno verschuldigd, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van § 12.
  Onverminderd het bepaalde in § 16 betalen de laboratoria op dit ristorno trimestriële voorschotten waarvan het bedrag wordt berekend overeenkomstig de §§ 14 en 15.
  § 12. Het ristorno wordt berekend op basis van de aangepaste uitgaven voor klinische biologie van het betrokken laboratorium.
  In hoofde van de laboratoria wordt het ristorno vastgesteld op :
  1° X maal 0,5 pct. voor de aangepaste uitgaven in de schijf tussen 5 en 10 miljoen frank;
  2° X maal 1,25 pct. voor de aangepaste uitgaven in de schijf tussen 10 en 25 miljoen frank;
  3° X maal 2,25 pct. voor de aangepaste uitgaven in de schijf tussen 25 en 50 miljoen frank;
  4° X maal 3,50 pct. voor de aangepaste uitgaven in de schijf tussen 50 en 100 miljoen frank;
  5° X maal 5 pct. voor de aangepaste uitgaven in de schijf tussen 100 en 200 miljoen frank;
  6° X maal 7 pct. voor de aangepaste uitgaven in de schijf tussen 200 en 400 miljoen frank;
  7° X maal 9 pct. voor de aangepaste uitgaven in de schijf boven 400 miljoen frank.
  De waarde van X wordt voor ieder afzonderlijk dienstjaar vastgesteld, in functie van het voor dat dienstjaar te recupereren verschil tussen de uitgaven voor klinische biologie en het globaal budget. In geen geval mag de waarde van X meer bedragen dan 10.
  Indien meerdere laboratoria worden uitgebaat door eenzelfde natuurlijk persoon, eenzelfde rechtspersoon of eenzelfde burgerlijke vennootschap, is het ristorno vastgesteld op basis van de samengevoegde aangepaste uitgaven van die betrokken laboratoria.
  Bij de berekening van het ristorno krijgt de aangepaste marktaandeelcoëfficiënt voor het jaar, lager dan 0,70 de waarde 0,70 en krijgt de aangepaste marktaandeelcoëfficiënt hoger dan 2,00 de waarde 2,00.
  § 13. Om de in § 11, tweede lid, bedoelde trimestriële voorschotten te berekenen, wordt het globaal budget opgesplitst in trimestriële bedragen die op cumulatieve wijze worden berekend, rekening houdend met het ongelijke procentueel aandeel van de gefactureerde uitgaven voor ieder trimester in de totale gefactureerde uitgaven op jaarbasis.
  De Koning stelt elk jaar dit procentueel aandeel vast.
  Een trimestriële betaling is verschuldigd wanneer de totale voor alle laboratoria samen gefactureerde uitgaven voor klinische biologie :
  - het overeenkomstig de bepalingen van het vorige lid voor het eerste trimester van een bepaald dienstjaar vastgesteld bedrag met tenminste 7 pct. overstijgen;
  - het overeenkomstig de bepalingen van het vorige lid voor het tweede trimester van een bepaald dienstjaar vastgesteld bedrag met tenminste 5 pct. overstijgen;
  - het overeenkomstig de bepalingen van het vorige lid voor het derde trimester van een bepaald dienstjaar vastgesteld bedrag met tenminste 3 pct. overstijgen;
  - het overeenkomstig de bepalingen van het vorige lid voor het vierde trimester van een bepaald dienstjaar vastgestelde bedrag met tenminste 2 pct. overstijgen.
  § 14. De trimestriële betaling wordt berekend op basis van de voor de gecumuleerde trimesters van dat dienstjaar door het betrokken laboratorium aangepaste gefactureerde uitgaven voor klinische biologie.
  Ze wordt vastgesteld op :
  1° Z maal 0,5 pct. voor de aangepaste uitgaven in de schijf tussen Y x 5 en Y x 10 miljoen frank;
  2° Z maal 1,25 pct. voor de aangepaste uitgaven in de schijf tussen Y x 10 en Y x 25 miljoen frank;
  3° Z maal 2,25 pct. voor de aangepaste uitgaven in de schijf tussen Y x 25 en Y x 50 miljoen frank;
  4° Z maal 3,50 pct. voor de aangepaste uitgaven in de schijf tussen Y x 50 en Y x 100 miljoen frank;
  5° Z maal 5 pct. voor de aangepaste uitgaven in de schijf tussen Y x 100 en Y x 200 miljoen frank;
  6° Z maal 7 pct. voor de aangepaste uitgaven in de schijf tussen Y x 200 en Y x 400 miljoen frank;
  7° Z maal 9 pct. voor de aangepaste uitgaven in de schijf boven Y x 400 miljoen frank.
  De waarde van Y is gelijk aan het cumulatief procentueel aandeel voor het betrokken trimester, berekend op basis van de in uitvoering van de bepalingen van § 13, eerste lid, bij koninklijk besluit vastgestelde procentuele aandelen.
  Voor ieder afzonderlijk trimester stelt de Koning de waarde van Z vast, in functie van het voor dat trimester te recupereren verschil tussen de aangepaste gefaktureerde uitgaven voor klinische biologie voor het betrokken trimester, en het overeenkomstig de bepalingen van § 13, eerste lid, voor het betrokken trimester vastgestelde bedrag. In geen geval mag de waarde van Z méér bedragen dan 10.
  De overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid van deze paragraaf vastgestelde trimestriële betaling wordt verminderd met de sommen die door het laboratorium voor de voorafgaande trimesters van het betrokken dienstjaar als trimestriële betaling werden betaald.
  Indien meerdere laboratoria worden uitgebaat door eenzelfde natuurlijk persoon, eenzelfde rechtspersoon of eenzelfde burgerlijke vennootschap, is de trimestriële betaling vastgesteld op basis van de samengevoegde aangepaste gefactureerde uitgaven van die betrokken laboratoria.
  Bij de berekening van de trimestriële betaling krijgt de aangepaste marktaandeelcoëfficiënt voor het trimester lager dan 0,70 de waarde 0,70 en krijgt de aangepaste marktaandeelcoëfficiënt hoger dan 2,00 de waarde 2,00.
  § 15. De dienst is ermee belast de in § 14 bedoelde trimestriële voorschotten in hoofde van elk laboratorium vast te stellen. Hij stelt het betrokken laboratorium bij een ter post aangetekende brief in kennis van de als trimestrieel voorschot verschuldigde bedragen.
  De trimestriële betaling is betaalbaar binnen dertig dagen na kennisgave aan het betrokken laboratorium. Bij het verstrijken van deze termijn is het laboratorium van rechtswege in gebreke gesteld voor betaling van de nog verschuldigde sommen.
  Bij wanbetaling binnen de in het vorige lid bedoelde termijn brengen de nog verschuldigde sommen een verwijlinterest op van 12 pct. per jaar, te rekenen vanaf het verstrijken van deze termijn tot de dag waarop de betaling plaatsvindt. (Eveneens in dat geval houden de verzekeringsinstellingen, op vraag van de Dienst, als waarborg, tot een beloop van de verschuldigde sommen, totaal of gedeeltelijk de bedragen van de tegemoetkomingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging in die verschuldigd zijn voor de verstrekkingen verleend in de schuldplichtige laboratoria, en zulks tot op de dag van de kennisgeving aan voormeld Rijksinstituut van een voor het Rijksinstituut ongunstige definitieve in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing over de zaak zelf betreffende die bijdragen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regelen voor de uitvoering van deze bepaling en met name die volgens welke de rechthebbenden van de verzekering voor geneeskundige verzorging in kennis worden gesteld van de hiervoor vermelde maatregelen. Deze inhoudingen slaan op de bedragen die verschuldigd zijn voor prestaties uitgevoerd vanaf 1 januari 1991.) <W 1994-03-30/31, art. 28, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  Onder de voorwaarden bepaald door de Koning, kan afgezien worden van de toepassing van de in deze paragraaf bedoelde verwijlinteresten.
  § 16. De als trimestriële betalingen voor een bepaald dienstjaar gestorte sommen worden volledig verrekend met het voor hetzelfde dienstjaar verschuldigde ristorno.
  De dienst stelt elk laboratorium bij een ter post aangetekende brief in kennis van het ristorno en van het resultaat van de in het eerste lid bedoelde verrekening, met opgave van het eventuele debet- of creditsaldo.
  Het debetsaldo is betaalbaar binnen dertig dagen na kennisgave aan het betrokken laboratorium. Bij het verstrijken van deze termijn is het laboratorium van rechtswege in gebreke gesteld voor de betaling van de nog verschuldigde sommen.
  Bij wanbetaling binnen de in het vorige lid bedoelde termijn brengen de nog verschuldigde sommen een verwijlinterest op van 12 pct. per jaar, te rekenen vanaf het verstrijken van deze termijn tot de dag waarop de betaling plaatsvindt. (Eveneens in dat geval houden de verzekeringsinstellingen, op vraag van de Dienst, als waarborg, tot een beloop van de verschuldigde sommen, totaal of gedeeltelijk de bedragen van de tegemoetkomingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging in die verschuldigd zijn voor de verstrekkingen verleend in de schuldplichtige laboratoria, en zulks tot op de dag van de kennisgeving aan voormeld Rijksinstituut van een voor het Rijksinstituut ongunstige definitieve in kracht van gewijsde getreden gerechtelijke beslissing over de zaak zelf betreffende die bijdragen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regelen voor de uitvoering van deze bepaling en met name die volgens welke de rechthebbenden van de verzekering voor geneeskundige verzorging in kennis worden gesteld van de hiervoor vermelde maatregelen. Deze inhoudingen slaan op de bedragen die verschuldigd zijn voor prestaties uitgevoerd vanaf 1 januari 1991.) <W 1994-03-30/31, art. 28, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  Onder de voorwaarden bepaald door de Koning, kan afgezien worden van de toepassing van de in deze paragraaf bedoelde verwijlinteresten.
  De terugbetaling van het eventuele creditsaldo dient door het betrokken laboratorium te worden gevraagd bij de dienst, aan de hand van een formulier dat door deze dienst ter beschikking wordt gesteld.
  Het creditsaldo is betaalbaar binnen dertig dagen na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde aanvraag. Bij het verstrijken van deze termijn is het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering van rechtswege in gebreke gesteld voor de betaling van de nog verschuldigde sommen.
  Bij wanbetaling binnen de in het vorige lid bedoelde termijn brengen de nog verschuldigde sommen een verwijlinterest op van 12 pct. per jaar, te rekenen vanaf het verstrijken van deze termijn tot de dag waarop de betaling plaatsvindt.
  § 17. Indien de voorlopige rekeningen aantonen dat de gefactureerde uitgaven voor klinische biologie voor een bepaald dienstjaar tenminste 3 pct. lager zijn dan het voor het betrokken dienstjaar vastgesteld globaal budget, worden de voor dat dienstjaar als trimestriële betalingen gestorte bedragen aan de betrokken laboratoria terugbetaald.

  Art. 34undeciester. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 49, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De Koning kan, bij een in Minsterraad overlegd besluit, en na advies van het Verzekeringscomité bijkomende berekeningsregels vastleggen per laboratorium van de driemaandelijkse bedragen en ristorno's bedoeld in artikel 34undeciesbis, rekening houdend met de werkelijke uitgaven en de genormaliseerde begroting van elk laboratorium, berekend op grond van nationale parameters die Hij vaststelt.
  Hij bepaalt vanaf welke datum deze regels in werking treden.

  (Afdeling 1decies. - Bijzondere bepalingen betreffende de wijzigingen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen en de vermindering van sommige honoraria.) <Ingevoegd bij W 1990-12-29/30, art. 27, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>

  Art. 34duodecies. <Ingevoegd bij 1990-12-29/30, art. 27, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991> § 1. De Koning bepaalt, na advies van de bevoegde technische raad, dat moet worden uitgebracht binnen dertig dagen na het verzoek, de in artikel 23, 1°, d), en 3°, bedoelde verstrekkingen waarvoor de honoraria die voortvloeien uit de in artikel 24 bedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen in twee delen worden gesplitst, waarvan het eerste overeenstemt met de vergoeding voor de intellectuele handeling van de zorgverlener en het tweede met de dekking van de kosten die nodig zijn voor en veroorzaakt worden door de uitvoering van die verstrekkingen.
  De modaliteiten en de verhoudingen van die splitsing worden door de Koning vastgelegd in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen op voorstel of na advies van de bevoegde technische raad.
  § 2. De Koning bepaalt, (op voorstel of na advies van de Technische Geneeskundige Raad, uitgebracht binnen dertig dagen na het verzoek van de Minister van Sociale Zaken,) de in artikel 23, 1°, d), en 3°, bedoelde verstrekkingen waarvoor het gedeelte van de honoraria dat overeenstemt met de kosten mag worden verminderd voor de categorieën van zorgverleners die gedurende een bepaald tijdvak een zeker volume van verstrekkingen overschrijden. Hij kan, volgens dezelfde procedure, de regels en modaliteiten vaststellen volgens welke vorenbedoelde honoraria mogen worden verminderd. (...) <W 1992-06-26/30, art. 23, 025; Inwerkingtreding : 10-07-1992>
  § 3. (De regeling of regelingen die door de Koning worden genomen krachtens de §§ 1 en 2 van dit artikel, artikel 34octies, § 3, artikel 34undecies, §§ 4 en 7, en artikel 34 terdecies §§ 3 en 4 kunnen, zodra ze in werking zijn getreden, tegen alle betrokken zorgverleners worden aangevoerd.) <W 1992-06-26/30, art. 23, 025; Inwerkingtreding : 10-07-1992>

  (Afdeling 1undecies. - Verstrekkingen inzake medische beeldvorming en andere verstrekkingen, bedoeld in artikel 23.) <W 1992-06-26/33, art. 24, 025>

  Art. 34terdecies. <W 1992-06-26/30, art. 24, 025; Inwerkingtreding : 10-07-1992> § 1. (De toepassing van de bepalingen van de artikelen 34octies, 34nonies, 34decies, 34undecies, § 1, kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, door de Koning worden verruimd tot de andere in artikel 23 bedoelde verstrekkingen, met uitsluiting van de verstrekkingen bedoeld in 1°, 2° en 3° van dat artikel, voor zover het niet gaat om verstrekkingen inzake klinische biologie en medische beeldvorming.
  § 2. De toepassing van de bepaling van artikel 34undecies, § 2, kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, door de Koning worden verruimd tot alle in artikel 23 bedoelde verstrekkingen.
  § 3. Naargelang van de in §§ 1 en 2 betrokken verstrekkingen wordt de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen vervangen door de bevoegde Commissie, belast met het sluiten van de akkoorden en overeenkomsten, en wordt de Technische Geneeskundige Raad vervangen door de in artikel 16 bevoegde Technische Raad en, bij ontstentenis van een dergelijke Technische Raad, door het in artikel 15 bedoelde Verzekeringscomité.) <W 1994-03-30/31, art. 29, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  § 4. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging, jaarlijks het globaal budget van de financiële middelen vastleggen voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 23, 12°, en in artikel 23, 13°.
  De Koning bepaalt, op voorstel of na advies van de bevoegde overeenkomstencommissie binnen dertig dagen na het verzoek van de Minister van Sociale Zaken, de modaliteiten en de criteria van de berekening per dienst of inrichting van een budget van financiële middelen voor de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde verstrekkingen evenals de wijze van vaststelling van dit budget per verblijfdag, rekening houdend met het globaal budget zoals bedoeld in de eerste alinea.
  § 5. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, en na advies van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging jaarlijks het globaal budget van de financiële middelen vastleggen voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 23, 5°, b en c, evenals de opsplitsing van dit budget al naargelang voornoemde verstrekkingen worden verleend aan in een ziekenhuis of aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.

  (Afdeling 1duodecies. - In onderaanneming verrichte geneeskundige verstrekkingen.) <Ingevoegd bij W 1989-07-06/30, art. 18, 016>

  Art. 34quaterdecies. <Ingevoegd bij W 1989-07-06/30, art. 18, 016; Inwerkingtreding : 18-07-1989> Onder geneeskundige verstrekkingen die in onderaanneming worden verricht, dienen te worden verstaan de verstrekkingen die aanleiding geven tot een tegemoetkoming van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering en waarvan de uitvoering, die is toevertrouwd aan een zorgenverstrekker, dienst of inrichting, daarin begrepen de laboratoria voor klinische biologie, wordt overgedragen aan een andere zorgenverstrekker, dienst of inrichting, daarin begrepen de laboratoria voor klinische biologie. (De verstrekkingen welke op verzoek van een verplegingsinrichting die niet over een geintegreerd laboratorium voor klinische biologie beschikt, worden uitgevoerd door een laboratorium voor klinische biologie, worden gelijkgesteld met in onderaanneming verrichte verstrekkingen; dat laboratorium voor klinische biologie wordt als onderaannemer beschouwd.) <W 1990-12-29/30, art. 28, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  De Koning kan, na advies van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging en bij een in Ministerraad overlegd besluit, voor die verstrekkingen specifieke vergoedingsvoorwaarden vastleggen. Hij kan aldus de voorwaarden en regelen bepalen waaraan het voorschrijven, het attesteren en het factureren van die verstrekkingen moeten beantwoorden. Bovendien kan Hij vaststellen aan wie die verstrekkingen dienen te worden betaald.
  In het geval waarin degene die de uitvoering van die verstrekkingen toevertrouwt aan een onderaannemer, de verzekeringstegemoetkoming int op grond van forfaitaire honoraria, kan de Koning, op grond van de door Hem bepaalde regelen, het bedrag vastleggen dat hij aan die onderaannemer moet storten.

  Afdeling 1terdecies. <Deze afdeling werd pas ingevoegd bij W 1990-12-29/30, art. 38; Inwerkingtreding : 01-01-1991> - Revalidatieverstrekkingen.

  Art. 34quindecies. <ingevoegd bij W 1990-12-29/30, art. 38, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991> De Koning kan, na advies van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging, de algemene voorwaarden vaststellen waaronder de in artikel 12, 7°, bedoelde revalidatie-overeenkomsten worden gesloten.
  De Koning legt, volgens de door hem bepaalde modaliteiten en voorwaarden, bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging, de jaarlijkse budgettaire doelstelling vast voor de revalidatieverstrekkingen bedoeld in artikel 23, 8° en 9°. Wanneer volgens de modaliteiten bepaald door de Koning vastgesteld wordt dat de begrotingsdoelstelling dreigt te worden overschreden, beschikt voornoemd Comité over een termijn van twee maanden om correctiemaatregelen te treffen.

  Afdeling 1quaterdecies. - Contracten inzake innoverende farmaceutische specialiteiten. <ingevoegd bij W 1994-03-30/31, art. 30, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>

  Art. 34sedecies. <ingevoegd bij W 1994-03-30/31, art. 30, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994> De minister en de minister die bevoegd is voor Economische Zaken kunnen, in onderlinge overeenstemming, met de producenten, invoerders of verpakkers van innoverende farmaceutische specialiteiten, contracten sluiten die verbintenissen omvatten teneinde de jaarlijkse uitgave voor de verzekering voor geneeskundige verzorging voor de in die contracten opgenomen specialiteiten binnen vooraf vastgestelde perken te houden.
  De contracten bevatten bepalingen betreffende de prijzen en terugbetalingstarieven van de innoverende farmaceutische specialiteiten voor een bepaalde periode en dit binnen de perken van een begrotingsenveloppe die jaarlijks wordt berekend rekening houdend met de jaarlijkse partiële begrotingsdoelstelling voor farmaceutische produkten en met de evolutie van de prijzen en van de voorgeschreven volumes.
  Zij bevatten een uitdrukkelijke verbintenis vanwege het betrokken farmaceutische bedrijf om aan de verzekering voor geneeskundige verzorging een som terug te storten die rekening houdt met de overschrijding, het terugbetalingstarief en de ontwikkelingen op de geneesmiddelenmarkt.
  Deze contracten kunnen niet worden gesloten dan na advies van de Technische Raad voor de betrekkingen met de farmaceutische industrie en de Technische Raad voor farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 20 en van de in artikel 20quinquies bedoelde Geneesmiddelencommissie.
  De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden en de nadere regels voor de toepassing van dit artikel, inzonderheid wat betreft de omschrijving van het begrip innoverende farmaceutische specialiteiten, de contractduur en het aan de verzekering voor geneeskundige verzorging terug te storten bedrag.

  Afdeling 2. - (Plichten van de zorgverstrekkers). <W 1991-07-20/31, art. 33, 023; Inwerkingtreding : 11-08-1991>

  Art. 35. <W 1991-07-20/31, art. 33, 023; Inwerkingtreding : 11-08-1991> De geneesheer en de tandheelkundige oordelen in geweten en in volle vrijheid over de aan de patiënten te verlenen verzorging. Zij zullen erover waken toegewijde en bekwame geneeskundige verzorging te verstrekken in het belang van de patiënt en rekening houdend met de door de gemeenschap ter beschikking gestelde globale middelen.
  Zij zullen zich onthouden van het voorschrijven van onnodig dure onderzoeken en behandelingen, alsook van het verrichten of laten verrichten van overbodige verstrekkingen ten laste van de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  De andere zorgverstrekkers dan deze bedoeld in het eerste lid, dienen zich eveneens te onthouden van het uitvoeren van onnodig dure of overbodige verstrekkingen ten laste van de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, wanneer zij gemachtigd zijn zelf het initiatief tot deze verstrekkingen te nemen.
  Het in dit artikel bedoeld onnodig dure karakter van onderzoeken en behandelingen en het overbodig karakter van verstrekkingen dienen geëvalueerd te worden in vergelijking met de onderzoeken, behandelingen en verstrekkingen die een zorgverstrekker voorschrijft, verricht of laat verrichten in gelijkaardige omstandigheden.
  (De voorschrijvers van verstrekkingen bedoeld in artikel 23, 5°, ten behoeve van niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, zijn ertoe gehouden de voorschrijfdocumenten te gebruiken waarvan het model door de Koning is vastgesteld en waarop he identificatienummer van de voorschrijver bij het Instituut in streepjescode is gedrukt.) <W 1994-03-30/31, art. 31, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>

  Art. 36. <W 08-04-1965, art. 25> De geneesheer-specialist of de tandheelkundige deelt de huisarts, met goedvinden van de zieke, het protocol van zijn onderzoekingen mede. Wanneer de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling hem daarom, in het kader van zijn controleopdracht, verzoekt, deelt hij deze een copie van het protocol mede. Indien de geneesheer-specialist of de tandheelkundige het echter nodig oordeelt verzoekt hij om de instemming van de zieke.

  Art. 37. <W 08-04-1965, art. 26> De Koning kan, op voorstel van de Technische Geneeskundige Raad, een document invoeren dat bestemd is om ieder geneesheer die door een rechthebbende wordt geraadpleegd, de mogelijkheid te bieden zich ervan te vergewissen of hetzij technische onderzoekingen zijn verricht, hetzij herhaaldelijk dezelfde verzorging is verstrekt, hetzij prothesen zijn voorgeschreven, derwijze dat hij inlichtingen kan inwinnen over de resultaten van die onderzoekingen en die behandelingen. Hij stelt de inhoud van dat document vast op voorstel van evengenoemde Technische Raad.
  (In voorkomend geval, kan het gebruik van dit document beperkt worden tot bepaalde streken, tot bepaalde categorieën van rechthebbenden of tot bepaalde verstrekkingen.) <W 20-07-1971, art. 2>
  (De Minister van Sociale Voorzorg kan in dit verband eveneens een voorstel vragen aan de Technische Raad. Indien het voorstel niet wordt gedaan binnen de in artikel 37bis vastgestelde termijn of indien de Minister van Sociale Voorzorg zich niet aansluit bij het aan hem gedane voorstel, kan hij zijn voorstel aan de Technische Raad voor advies voorleggen.
  (De Koning kan het in het eerste lid bedoelde document invoeren op basis van het voorstel van de minister, al dan niet aangepast rekening houdend met het advies van de Technische Raad.) <W 1994-03-30/31, art. 32, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>

  Art. 37bis. <W 08-08-1980, art. 133> De Koning kan de termijn bepalen binnen welke de in de artikelen 24bis en 37 bedoelde adviezen en voorstellen van het Beheerscomité en de Technische Raden moeten worden verstrekt. Zo zij niet binnen de aldus bepaalde termijn zijn verstrekt, worden zij geacht te zijn uitgebracht.

  Afdeling 3. - <KB408 1986-04-18/34, art. 7, 007> Plichten van de paramedische medewerkers.

  Art. 37ter. <KB408 1986-04-18/34, art. 7, 007> De kinesitherapeuten en de verpleegkundigen zijn ertoe gehouden overeenkomstig de door de Koning te bepalen nadere regelen, alle verstrekkingen die zij verlenen op te tekenen in een verstrekkingenregister.

  Afdeling 4. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 50, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> - Financiële verantwoordelijkheid van de voorschrijvende geneesheren.

  Art. 37quater. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 51, 028; Inwerkingtreding : 01-11-1992> § 1. De Koning kan, na advies van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen, uitgebracht binnen een termijn die Hij bepaalt, de voorwaarden en de regelen vaststellen waarin wordt bepaald in welke mate ten aanzien van de geneesheren wier voorschrijfgedrag inzake klinische biologie en medische beeldvorming de normen overschrijdt die zijn vastgesteld op grond van criteria en parameters die Hij bepaalt, honoraria die verschillen van die waarin is voorzien in de in artikel 34 bedoelde akkoorden, worden toegepast wat de door hen verrichte en in artikel 23, 1°, a), bedoelde geneeskundige verstrekkingen betreft.
  (De Koning kan, na advies van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen en volgens door Hem te bepalen nadere regels, de toepassing van deze bepaling uitbreiden tot andere in artikel 23 bedoelde verstrekkingen.) <W 1994-03-30/31, art. 33, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  § 2. De Koning kan, na advies van de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen, uitgebracht binnen een termijn die Hij vaststelt, bepalen dat de in artikel 34undecies bedoelde forfaitaire honoraria die Hij aanwijst, noch aan de verzekering voor geneeskundige verzorging, noch aan de rechthebbenden mogen worden aangerekend, indien de voorschriften die aanleiding geven tot die honoraria, uitgaan van geneesheren wier voorschrijfgedrag de normen overschrijdt die door de Koning zijn vastgesteld op grond van de criteria en parameters die Hij bepaalt.
  § 3. De Koning bepaalt welke instantie de overschrijding van de in de §§ 1 en 2 bedoelde normen vaststelt, alsmede de wijze waarop de geneesheren beroep kunnen aantekenen tegen de beslissing die dat orgaan op grond van die paragrafen heeft genomen.
  Het Beroep wordt ingesteld bij een met dat doel bij de Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen opgerichte commissie.
  Die Commissie is samengesteld uit een tweetalige voorzitter en een tweetalige plaatsvervangende voorzitter, gekozen uit de magistraten, van de hoven van beroep en de arbeidshoven, met uitsluiting van de leden van het openbaar ministerie.
  Ze is bovendien samengesteld uit werkende en plaatsvervangende leden, voor de helft nederlandstalig en voor de helft franstalig.
  De leden zijn :
  a) twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de magistraten van de hoven van beroep en de arbeidshoven, met uitsluiting van de leden van het openbaar ministerie;
  b) vier werkende en vier plaatsvervangende leden, geneesheren, die de beroepsorganisaties van de geneesheren vertegenwoordigen;
  c) vier werkende en vier plaatsvervangende leden, geneesheren, die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen.
  De Koning benoemt de voorzitter en de leden van de Commissie.
  § 4. De Commissie doet uitspraak na de betrokken voorschrijvende geneesheer te hebben opgeroepen en gehoord.
  De betrokkene mag zich door een advocaat of door elke andere persoon van zijn keuze laten bijstaan.
  Op straffe van nietigheid wordt elke beslissing gemotiveerd.
  § 5. De Koning bepaalt de wijze waarop de op grond van dit artikel genomen beslissingen ter kennis worden gebracht.
  § 6. De door het in § 3, eerste lid, bedoelde orgaan genomen beslissing is, niettegenstaande beroep, uitvoerbaar vanaf de kennisgeving aan de betrokken geneesheer en, wat de toepassing van § 2 betreft, aan de zorgverstrekkers.
  § 7. In afwijking van § 6 kan de betrokken geneesheer, op de wijze bepaald door de Koning, de opschorting van de uivoering van de in § 3 bedoelde beslissing vragen.
  De opschorting kan enkel worden toegestaan indien :
  - ernstige middelen worden aangevoerd;
  - de onmiddellijke uitvoering ernstige, moeilijk te herstellen schade dreigt te berokkenen.
  De in § 3 bedoelde Commissie doet onverwijld uitspraak over de aanvraag om opschorting. Ze doet uitspraak over de hoofdeis binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing waarmee uitspraak wordt gedaan over het verzoek tot opschorting.
  § 8. De Koning bepaalt de andere procedureregelen die de werking van de in § 3 bedoelde Commissie regelen, alsmede de duur van het mandaat van de leden.

  TITEL IV. - UITKERINGSVERZEKERING.

  HOOFDSTUK I. - Organen.

  Afdeling 1. - Dienst voor uitkeringen.

  Art. 38. In de schoot van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering wordt een dienst voor uitkeringen ingesteld, belast met de administratie van de uitkeringsverzekering.

  Afdeling 2. - Beheerscomité.

  Art. 39. De dienst voor uitkeringen wordt beheerd door een beheerscomité dat samengesteld is uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van de representatieve werknemers- en werkgeversorganisaties.
  Bovendien maken vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen deel uit van het beheerscomité, elke verzekeringsinstelling heeft recht op ten minste één vertegenwoordiger.
  Alleen de in het eerste lid bedoelde leden van het beheerscomité zijn stemgerechtigd (wat de in artikel 40, 2°, bedoelde zaak betreft.) <W 1993-02-15/33, art. 52, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  (De Koning stelt het aantal dier werkende en plaatsvervangende vertegenwoordigers vast en benoemt ze. Hij benoemt de voorzitter en de ondervoorzitters. Hij bepaalt de werkingsregelen van het beheerscomité.
  De Koning kan zich in de plaats stellen van het beheerscomité wanneer dit, één maand na daartoe door de Minister van Sociale Voorzorg te zijn verzocht, geen geldige beslissing heeft genomen ter zake van de opdrachten die het bij deze wet zijn opgedragen.
  Indien het beheerscomité de adviezen die het behoort uit te brengen niet heeft verstrekt binnen één maand na daarom te zijn verzocht, worden ze geacht te zijn uitgebracht.) <W 24-12-1963, art 25>
  Drie regeringscommissarissen, die de Koning benoemt op voordracht van de Minister van Sociale Voorzorg, respectief de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en de Minister van Financiën, wonen de vergaderingen van het comité bij.

  Art. 40. <W 1993-02-15/33, art. 53, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen :
  1° stelt de rekeningen vast en maakt de begroting op van de uitkeringsverzekering; deze begroting en deze rekeningen behelzen afzonderlijk de uitkeringen wegens primaire ongeschiktheid, de invaliditeitsuitkeringen en de moederschapsuitkeringen; aparte ramingen worden opgemaakt voor de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid of moederschap en voor de uitkeringen voor begrafeniskosten;
  2° beheert het reservefonds gevormd met het boni uit het beheer van de tak uitkeringen;
  3° maakt een omstandig jaarverslag op over elk dienstjaar nadat het is afgesloten en geeft de Minister, binnen de door de Koning te bepalen termijn, kennis van de maatregelen welke het voorstelt of heeft vastgesteld uitgaande van de elementen van dat verslag;
  4° stelt vast onder welke voorwaarden aan de verzekeringsinstellingen de geldmiddelen worden voorgeschoten die zij behoeven om de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid of moederschap en de uitkeringen voor begrafeniskosten te betalen;
  5° werkt de in deze wet bedoelde verordeningen uit, in het bijzonder met betrekking tot :
  a) het verkrijgen van recht op de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid of moederschap en op de uitkeringen voor begrafeniskosten;
  b) de regelen tot berekening van de uitkeringen;
  c) de regelen tot betaling van de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid of moederschap en de uitkeringen voor begrafeniskosten;
  6° bepaalt de regelen volgens welke de verzekeringsinstellingen hun rekeningen bij de Dienst voor uitkeringen indienen en verantwoorden;
  7° onderzoekt de verslagen die hem door de Dienst voor geneeskundige controle en de Dienst voor administratieve controle overgelegd worden ter voldoening aan de artikelen 79, § 1, 14°, en 93, eerste lid, 4°; het brengt binnen de door de Koning te stellen termijnen, aan de Minister verslag uit over de treffen maatregelen waartoe het besloten heeft of welke het voorstelt;
  8° beslist over de rechtsvorderingen binnen zijn bevoegdheid.
  In geval van dringende noodzakelijkheid kan de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen beslissen over de rechtsvordering. Die vordering wordt te goedkeuring aan het Beheerscomité bedoeld in artikel 39 voorgelegd op zijn eerstvolgende vergadering. Indien die goedkeuring wordt geweigerd, dient van de ingestelde vordering afstand te worden gedaan;
  9° stelt zijn huishoudelijk reglement op en legt het de Koning ter goedkeuring voor;
  10° gaat op eensluidend advies van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle, over tot de erkenning en de intrekking van de erkenning van de door een of meer werkgevers georganiseerde diensten voor geneeskundige controle, zoals bedoeld in artikel 48bis;
  11° beslist, in geval van hervatting van een niet-toegelaten arbeid, in welke behartigenswaardige gevallen er geheel of gedeeltelijk mag worden afgezien van het terug te vorderen bedrag;
  12° stelt het Algemeen comité de begroting van de administratiekosten van de Dienst voor uitkeringen voor;
  13° stelt het Algemeen comité de aanwerving, de benoeming, de dienstaanwijzing, de bevordering, het ontslag en de afzetting voor van het personeel van de Dienst voor uitkeringen alsmede de aan dat personeel op te leggen tuchtstraffen.

  Afdeling 3. - Geneeskundige raad voor invaliditeit.

  Art. 41. Bij de dienst voor uitkeringen wordt een geneeskundige raad voor invaliditeit ingesteld die een hoge commissie en gewestelijke commissies omvat waarvan aantal en werkgebied door de Koning worden vastgesteld.
  Samenstelling en werkingsregelen van de geneeskundige raad voor invaliditeit worden bepaald door de Koning die de voorzitter en leden ervan benoemt.

  Art. 42. De geneeskundige raad voor invaliditeit:
  1° Vervult de hem (bij artikel 51) van deze wet opgedragen taken en geeft van zijn beslissingen kennis aan de door de Koning aan te wijzen personen en organen onder de door Hem te bepalen voorwaarden en termijn; <W 27-06-1969, art. 10, 1>
  2° Onderzoekt de kwesties met betrekking tot het tijdvak (...) van invaliditeit, hem ter adviesgeving voorgelegd door de Minister van Sociale Voorzorg, het beheerscomité of de leidende ambtenaar van de dienst voor uitkeringen alsmede door de verzekeringsinstellingen; <W 27-06-1969, art. 10, 2>
  3° Werkt samen met het college van geneesheren-directeurs bedoeld in artikel 19, door het mede te delen welke gerechtigden in aanmerking kunnen komen voor revalidatie of herscholing en het alle inlichtingen te bezorgen waarom het ter uitoefening van zijn taak verzoekt.
  (De Koning bepaalt onder welke voorwaarden de bevoegdheid tot beslissen over de staat van invaliditeit of de bevoegdheid om van deze beslissing kennis te geven kan worden uitgeoefend door één of meer geneesheren, leden van de hoge commissie of van de gewestelijke commissie. De bevoegdheid tot beslissen mag in geen geval uitsluitend worden uitgeoefend door geneesheren die tewerkgesteld zijn door de verzekeringsinstelling waarbij de betrokken gerechtigde is aangesloten of ingeschreven.) <W 27-06-1969, art. 10, 3>

  Afdeling 4. - Technische ziekenfondsraad.

  Art. 43. Bij de dienst voor uitkeringen wordt een technische ziekenfondsraad ingesteld waarvan samenstelling en werkingsregelen worden bepaald door de Koning, die de voorzitter en leden ervan benoemt, elke verzekeringsinstelling heeft recht op ten minste een vertegenwoordiger.

  Art. 44. De technische ziekenfondsraad heeft tot taak adviezen uit te brengen over de problemen in verband met de voorwaarden tot toekenning van de in titel IV bedoelde uitkeringen met het oog op de behandeling ervan in het beheerscomité van de dienst voor uitkeringen.

  Afdeling 5. - <KB22 23-03-1982, art. 5> Evaluatiecommissie.

  Art. 44bis. <KB22 23-03-1982, art. 5> Bij de Dienst voor uitkeringen wordt een evaluatiecommissie ingesteld die tot taak heeft aan de hand van statistische gegevens met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid onderzoeken te verrichten en adviezen uit te brengen over de problemen in verband met de werking van de uitkeringsverzekering, en inzonderheid over de toepassing van de desbetreffende wettelijke en reglementaire bepalingen.
  Samenstelling en werkingsregelen van deze commissie worden bepaald door de Koning, die eveneens de voorzitter en de leden ervan benoemt.

  HOOFDSTUK II. - Toepassingssfeer.

  Art. 45. (§ 1. Rechthebbenden op de in titel IV, hoofdstuk 3, van deze wet omschreven uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, onder de voorwaarden die ze bepaalt, zijn, als gerechtigden:
  1° a) de werknemers die vallen onder de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector van de uitkeringen, krachtens de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, met inbegrip van de werknemers die een vergoeding genieten welke verschuldigd is ingevolge de onregelmatige verbreking van een overeenkomst ingetreden vanaf 1 juli 1970, tijdens het tijdvak dat gedekt is door die vergoeding, of die vallen onder de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden;
  b) de hierboven bedoelde werkneemsters gedurende de in artikel 21, 4° bedoelde rustperiode;
  c) de werknemers die zich in één van de in artikel 21, 3° en 5°, bedoelde toestanden bevinden;
  2° de werknemers die, tijdens een tijdvak van arbeidsongeschiktheid (of van moederschapsrust), zoals bij deze wet bepaald, de bij 1°, a, bedoelde hoedanigheid van gerechtigde verliezen; <W 1993-02-15/33, art. 54, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  3° bij het aflopen van het in artikel 21, 6°, bedoelde tijdvak van voortgezette verzekering, de werknemers, die de in 1° bedoelde hoedanigheid hebben gehad op voorwaarde dat zij arbeidsongeschikt zijn geworden ((of zich bevinden in moederschapsrust)) uiterlijk de eerste werkdag na afloop van dat tijdvak.) <W 20-07-1971, art. 11> <W 1993-02-15/33, art. 54, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  (§ 2. Rechthebbenden op de uitkering voor begrafeniskosten die in geval van overlijden van de in artikel 61 bedoelde gerechtigde wordt betaald, zijn de personen die de begrafenis werkelijk hebben bekostigd, zoals ze door de Koning zijn bepaald.) <W 16-07-1974, art. 6>
  § 3. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, een uitkeringsverzekering invoeren ten voordele van de in artikel 22, lid 1, 1° bedoelde personen (en de vrijwillige onderworpenen beoogd in artikel 7, 1°, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.) <W 1993-02-15/33, art. 54, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  Hij bepaalt de voorwaarden onder welke deze verzekering van toepassing is, de omvang van de verstrekte uitkeringen en het bedrag van de Rijkstegemoetkoming bestemd voor deze verzekering.
  (Voor de aangelegenheden die betrekking hebben op de in het eerste lid bedoelde uitkeringsverzekering, wordt de Dienst voor uitkeringen beheerd door een afzonderlijk beheerscomité, samengesteld uit vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van zelfstandigen, en van de verzekeringsinstellingen. De Koning bepaalt de bevoegdheid, de samenstelling en de werkingsregelen van dit beheerscomité. Hij benoemt de voorzitter, de ondervoorzitters en de leden.
  Drie regeringscommissarissen, door de Koning benoemd op voordracht, respectievelijk van de Minister van Sociale Voorzorg, van de Minister van Middenstand en van de Minister van Financiën, wonen de vergaderingen van dat comité bij. Zij beschikken over de macht die de in artikel 119 bedoelde regeringscommissarissen wordt toegewezen.
  De Koning richt een coordinatiebureau op dat ermede belast is zowel aan het in artikel 39 als aan het in deze paragraaf bedoelde beheerscomité advies uit te brengen over aangelegenheden die van gemeenschappelijk belang zijn voor de uitkeringsverzekering van de werknemers en voor die van de zelfstandigen, ten einde aan weerszijden het nemen van gelijkaardige beslissingen te bevorderen. De samenstelling en de werkingsregelen van dit coordinatiebureau worden door de Koning bepaald.
  De Koning kan bepalen op welke wijze de in afdeling 4 bedoelde technische ziekenfondsraad samengesteld is, wanneer de uit te brengen adviezen betrekking hebben op de voorwaarden waaronder de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid toegekend worden aan de zelfstandigen.) <W 20-07-1971, art. 1>

  HOOFDSTUK III. - Uitkeringen.

  Eerste Afdeling. - Primaire ongeschiktheidsuitkering.

  Art. 46. Onverminderd het bepaalde in artikel 53, ontvangt de in artikel 45, § 1, bedoelde gerechtigde die arbeidsongeschikt is als omschreven in artikel 56, over elke werkdag van een eenjarig tijdvak ingaande de aanvangsdag van zijn arbeidsongeschiktheid, of over elke dag van datzelfde tijdvak die wordt gelijkgesteld met een werkdag door een verordening van het beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, een uitkering "primaire ongeschiktheidsuitkering" genoemd, welke niet lager mag zijn dan 60 t.h. van het gederfde loon, berekend over een refertetijdvak dat in de in artikel 40, 11°, bedoelde verordening wordt bepaald; (het loon dat in aanmerking wordt genomen mag niet hoger zijn dan het bedrag dat door de Koning wordt vastgesteld); (dit maximum is eveneens van toepassing wanneer de gerechtigde bij meer dan één werkgever tewerkgesteld is.) (Voor de in artikel 45, § 1, 1°, c, bedoelde gerechtigden, evenals voor de gerechtigden die voormelde hoedanigheid behouden krachtens artikel 75, mag de primaire ongeschiktheidsuitkering gedurende een door de Koning te bepalen tijdvak niet meer bedragen dan de werkloosheidsuitkering waarop zij aanspraak zouden hebben indien ze zich niet in staat van arbeidsongeschiktheid bevonden; deze bepaling (...) is niet toepasselijk ten aanzien van de (((((tijdelijke werklozen))))) en de werklozen die door de Koning met een (((((tijdelijke werkloze))))) worden gelijkgesteld. Behoudens de door de Koning bepaalde uitzonderingen blijven vorenvermelde gerechtigden verder behoren tot de categorie van werklozen die is vastgesteld, overeenkomstig het bepaalde in (((((artikel 110 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering))))), bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid.) <KB22 23-03-1982, art. 6> <W 05-01-1976, art. 126> <KB176 30-12-1982, art. 1> <KB422 1986-07-23/30, art. 2, 1°, 008> <W 1993-02-15/33, art. 55, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  Indien de gerechtigde niet langer in staat van primaire arbeidsongeschiktheid is als bedoeld in artikel 56, over een tijdvak dat minder dan (veertien dagen) telt, onderbreekt dat tijdvak waarover geen primaire ongeschiktheidsuitkering wordt betaald de loop van het tijdvak van primaire ongeschiktheid niet. <W 05-05-1971, art. 12, 2°>
  (De in artikel 61quinquies bedoelde tijdvakken van moederschapsrust in een tijdvak van primaire ongeschiktheid onderbreken evenmin de loop van dat tijdvak.) <W 1989-12-22/31, art. 18, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
  (Voor de gerechtigden die aanspraak hebben op het aan de mijnwerkers en de ermede gelijkgestelden toegekende invaliditeitspensioen loopt het recht op primaire ongeschiktheidsuitkering af op het einde van de zesde maand arbeidsongeschiktheid. Evenwel worden de rechten van de werknemers over de eerste zes maanden die op het hiervoren bepaalde tijdvak volgen, door de Koning vastgesteld. De Koning bepaalt eveneens de modaliteiten volgens welke de zesde maand van de arbeidsongeschiktheid wordt verlengd of ingekort tot op het einde van een kalendermaand.) <W 27-06-1969, art. 11, 2>
  (De hoegrootheid van de primaire ongeschiktheidsuitkering wordt bepaald door de Koning.) <W 1989-12-22/31, art. 18, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
  (lid 5 opgeheven) <KBN422 1986-07-23/30, art. 2, 3°, 008>

  Art. 47. <W 27-06-1969, art. 12> Het beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen bepaalt de regelen volgens welke en de termijnen waarin de gerechtigde de adviserend geneesheer van zijn verzekeringsinstelling kennis moet geven van elke arbeidsongeschiktheid.
  Het bepaalt eveneens de regelen, die met het oog op de verlenging van een tijdvak van erkende arbeidsongeschiktheid in acht moeten worden genomen.
  Het beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen bepaalt op welke dag het recht op uitkeringen een aanvang neemt wanneer de gerechtigde niet binnen de gestelde termijnen, de krachtens dit artikel opgelegde kennisgevingen of aanvragen indient.

  Art. 47bis. <W 27-06-1969, art. 13> Het beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen bepaalt de voorwaarden waaronder aan de gerechtigde die binnen een vastgestelde periode herhaaldelijk getuigschriften of verklaringen van arbeidsongeschiktheid heeft ingeleverd, verplichtingen kunnen worden opgelegd die afwijken van degene die krachtens artikel 47 zijn vastgesteld. Het bepaalt eveneens op welke dag het recht op uitkeringen ingaat in geval die verplichtingen niet worden nageleefd.

  Art. 48. <W 27-06-1969, art. 14> Onverminderd de bepalingen van artikel 48bis, stelt de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling de in artikel 56 bedoelde staat van primaire arbeidsongeschiktheid vast, stelt hij de duur ervan vast, en geeft hij kennis van zijn beslissing, onder de voorwaarden en binnen de termijnen die door het beheercomité van de Dienst voor uitkeringen zijn bepaald.
  (Op verzoek van de adviserend-geneesheer, kan de gerechtigde eveneens onderzocht worden door de geneesheer-inspecteur van de Dienst voor geneeskundige controle. Die geneesheer-inspecteur neemt in dat geval de beslissing over de staat van de arbeidsongeschiktheid en geeft daarvan kennis aan de gerechtigde en aan de adviserend-geneesheer, onder de voorwaarden en binnen de termijnen die zijn bepaald door het beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.) <KBN22 23-3-1982, art. 7>

  Art. 48bis. <W 27-06-1969, art. 15> Wanneer een of meer werkgevers diensten organiseren met het oog op de geneeskundige controle van hun werknemers tijdens een periode waarvoor de betaling van een loon verschuldigd is, kan de Koning de voorwaarden bepalen waaronder deze diensten erkend kunnen worden om de staat van arbeidsongeschiktheid vast te stellen voor een tewerkgestelde gerechtigde wiens werkgever op die diensten een beroep doet. De modaliteiten van deze vaststelling, welke betrekking heeft op de aanvangsperiode die aanleiding kan geven tot het verlenen van ongeschiktheidsuitkeringen, worden bepaald door het beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.
  De verzekeringsinstellingen zijn door de beslissing van de erkende diensten voor geneeskundige controle gebonden, tot wanneer de adviserend geneesheer of de geneesheer-inspecteur, volgens de door het beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen te bepalen regelen en termijnen, een andere beslissing neemt inzake de staat van arbeidsongeschiktheid.

  Art. 49. Bij de aanvang van elk tijdvak van arbeidsongeschiktheid dat recht geeft op primaire ongeschiktheidsuitkering kan een zogenoemde "carenstijd", van maximaal drie werkdagen worden toegepast waarover geen primaire ongeschiktheidsuitkering verschuldigd is. Het beheerscomité van de dienst voor uitkeringen bepaalt de duur van die carenstijd alsmede onder welke voorwaarden hij wordt toegepast.

  Afdeling 2. - (Invaliditeitsuitkering). <W 27-06-1969, art. 16>

  Art. 50. (Duurt de arbeidsongeschiktheid voort na het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid, dan wordt over elke werkdag van de arbeidsongeschiktheid (of voor elke door een verordening van het beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen daarmee gelijkgestelde dag), een zogenaamde "invaliditeitsuitkering" betaald. <W 05-07-1971, art. 17>
  Indien de gerechtigde niet langer in een staat van invaliditeit is als bedoeld in artikel 56, over een tijdvak van minder dan drie maanden, onderbreekt dat tijdvak waarover geen uitkeringen worden betaald, de loop van het tijdvak van invaliditeit niet.
  (De in artikel 61quinquies bedoelde tijdvakken van moederschapsrust in een tijdvak van invaliditeit onderbreken evenmin de loop van dat tijdvak.) <W 1989-12-22/31, art. 19, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
  De invaliditeitsuitkering wordt niet betaald aan de gerechtigden die aanspraak hebben op het aan de mijnwerkers en de ermede gelijkgestelden toegekende invaliditeitspensioen.
  De Koning bepaalt (...) de hoegrootheid en het maximumbedrag van de invaliditeitsuitkering alsmede het minimumbedrag van de invaliditeitsuitkering (dat onder de door Hem te bepalen voorwaarden aan sommige categorieën van regelmatige werknemers kan worden toegekend).) <W 27-06-1969, art. 17> <KB283 1984-03-31/36, art. 3, 002> <KB422 1986-07-23/30, art. 3, 1°, 008>
  (Die hoegrootheid is ten minste 60 t.h. van het in artikel 46, eerste lid, omschreven loon voor de gerechtigden met personen ten laste en ten minste 40 t.h. van hetzelfde loon voor de gerechtigden die geen personen ten laste hebben.) <W 24-12-1963, art. 26>
  De Koning stelt (...) vast, wat onder "regelmatig werknemer" en onder "werknemer met persoon ten laste" wordt verstaan (evenals de voorwaarden waaronder aan de gerechtigde die niet als "werknemer met persoon ten laste" wordt beschouwd een hogere uitkering kan worden toegekend wegens verlies van enig inkomen.) <W 1985-08-01/31, art. 64, 006> <KB422 1986-07-23/30, art. 3, 2°, 008>

  Art. 51. <W 27-06-1969, art. 18> De Geneeskundige Raad voor invaliditeit stelt, overeenkomstig de bepalingen van artikel 42, op basis van een door de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling opgemaakt verslag, de staat van invaliditeit als bedoeld in artikel 56 vast en bepaalt de duur ervan.
  De adviserend geneesheer en de geneesheer-inspecteur, als hij de gerechtigde op verzoek van de adviserend geneesheer onderzoekt, kunnen echter het einde van de staat van invaliditeit vaststellen en, ingeval de staat van arbeidsongeschiktheid opnieuw optreedt binnen drie maanden na het einde van een invaliditeitstijdvak, dit wederoptreden ontkennen of voor een beperkte, door de Koning vastgestelde periode, erkennen. In die gevallen geven zij kennis van hun beslissing onder de voorwaarden en binnen de termijnen door de Koning vastgesteld.
  De beslissingen van de adviserend geneesheer, van de geneesheer-inspecteur of van de Geneeskundige Raad voor invaliditeit, waarbij het einde van de staat van invaliditeit wordt vastgesteld, hebben geen terugwerkende kracht.

  Art. 52. <W 27-06-1969, art. 19> De Koning stelt de nadere regelen vast terzake van de erkenning en de verlenging van de staat van invaliditeit.
  De bepalingen van de artikelen 47, eerste en derde lid, en 47bis zijn ook toepasselijk in geval de staat van arbeidsongeschiktheid weer optreedt binnen drie maanden na het ophouden van de staat van invaliditeit.

  Afdeling 2bis. - <KB 1984-08-13/34, art. 4, 003> Over het leerlingenwezen voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst.

  Art. 52bis. <KB 1984-08-13/34, art. 4, 003> Voor elke werkdag of hiermee gelijkgestelde dag van het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 46 ontvangt de leerling die bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid verbonden is door een leerovereenkomst bedoeld in de wet van 19 juli 1983 op het leerlingenwezen voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst, een primaire ongeschiktheidsuitkering die gelijk is aan het bedrag van de overbruggingsvergoeding, die hem met toepassing van de reglementering betreffende de werkloosheidsuitkeringen zou zijn toegekend indien hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geweest.
  Duurt de arbeidsongeschiktheid voort na het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid dan wordt hem voor elke werkdag of hiermee gelijkgestelde dag een invaliditeitsuitkering betaald die berekend wordt op een referteloon dat door het beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen bij verordening wordt vastgesteld. De Koning neemt de nodige maatregelen tot uitvoering van deze bepalingen.

  Afdeling 3. - (Mogelijkheid tot herwaardering van bepaalde uitkeringen). <W 05-07-1971, art. 14 en 15>

  Art. 53. <W 05-07-1971, art. 14 en 15> Indien, om een andere reden dan de koppeling aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, de loongrens wordt verhoogd tot beloop waarvan de bijdragen bestemd voor de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector van de uitkeringen berekend worden krachtens de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of krachtens de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, kan de Koning, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, voorzien in regelen tot aanpassing van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid ten behoeve van de personen, aan wie een hogere uitkering zou toegekend zijn, indien de bovenbedoelde verhoging van de loongrens van toepassing had kunnen zijn op de referteperiode vermeld in artikel 46.

  Art. 54. <W 16-07-1974, art. 7> § 1. Onverminderd de herwaardering van de uitkeringen bepaald bij artikel 53 en vóór toepassing van het minimumbedrag vastgesteld krachtens artikel 50, vierde lid, van deze wet, wordt op de invaliditeitsuitkeringen, vanaf 1 januari 1975, op 1 januari van ieder jaar een herwaarderingscoëfficiënt toegepast, vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit.
  (tweede lid opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>
  § 2. De in § 1 bedoelde herwaarderingen kunnen niet tot gevolg hebben dat het krachtens artikel 50, vierde lid, vastgestelde maximumbedrag wordt overschreden.

  Art. 55. <W 16-07-1974, art. 8> Indien de uitkering lager is dan het krachtens artikel 50, vierde lid, vastgesteld minimumbedrag kan de Koning, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, voorzien in regelen tot aanpassing van die uitkeringen. Deze maatregel mag evenwel niet tot gevolg hebben, dat het vorenbedoelde minimumbedrag wordt overschreden.

  Afdeling 4. - Gemene bepalingen ter zake van de uitkeringen.

  Art. 56. § 1. Wordt als arbeidsongeschikt erkend als bedoeld in deze wet, de werknemer die alle werkzaamheid heeft onderbroken (als rechtstreeks gevolg van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen waarvan erkend wordt dat ze zijn vermogen tot verdienen verminderen) verminderen tot een derde of minder dan een derde van wat een persoon, van dezelfde stand en met dezelfde opleiding, kan verdienen door zijn werkzaamheid in de beroepencategorie waartoe de beroepsarbeid behoort door betrokkene verricht toen hij arbeidsongeschikt is geworden, of in de verschillende beroepen die hij heeft of zou kunnen uitoefenen hebben uit hoofde van zijn beroepsopleiding. <KB22 23-02-1982, art. 8, 1°>
  Indien die werknemer bovendien een beroepsopleiding heeft verworven tijdens een tijdvak van herscholing, wordt met die nieuwe opleiding rekening gehouden ter waardering van de vermindering van zijn vermogen tot verdienen.
  Nochtans wordt die vermindering van het vermogen tot verdienen, over de eerste zes maanden primaire arbeidsongeschiktheid, gewaardeerd ten aanzien van het gewone beroep van de betrokkene, in zover de oorzakelijke aandoening voor een gunstig verloop of voor genezing vatbaar is binnen een tamelijk korte tijdspanne.
  Is een werknemer opgenomen (in een door de Minister van Volksgezondheid erkende verplegingsinrichting) of in een militair ziekenhuis, dan wordt aangenomen dat hij de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid bereikt. <W 27-06-1969, art. 20>
  (lid 5 opgeheven) <W 1989-12-22/31, art. 20, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
  De Koning kan op voorstel van het beheerscomité van de dienst voor uitkeringen, de voorwaarden verruimen waaronder wordt aangenomen dat een werknemer de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid bereikt.
  (De Koning kan, op voorstel van het beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen en in afwijking van de voorafgaande bepalingen, bijzondere voorwaarden en specifieke evaluatiecriteria vaststellen voor de categorieën van werknemers die Hij bepaalt.) <KB22 23-03-1982, art. 8, 3°>
  § 2. Wordt als arbeidsongeschikt erkend de werknemer die, onder de voorwaarden bepaald in de in artikel 40, 11°, bedoelde verordening, een vooraf toegelaten arbeid hervat, op voorwaarde dat hij, van een geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 % behoudt.

  Art. 56bis. <Ingevoegd door W 1991-10-18/33, art. 2, Inwerkingtreding : 27-12-1991> De als arbeidsongeschikt erkende werknemer die arbeid heeft verricht zonder de in artikel 56, § 2, bedoelde voorafgaande toelating, maar die van een geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 % behouden heeft en op voorwaarde dat de uitgeoefende activiteit verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand, moet de uitkeringen die hij ontving voor de dagen of de periode tijdens welke hij niet toegelaten arbeid heeft verricht, terugbetalen.
  Nochtans wordt hij geacht arbeidsongeschikt te zijn gebleven en worden de dagen waarvoor de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid worden teruggevorderd ingevolge het eerste lid, aangezien als dagen waarop een uitkering is toegekend om de rechten van de gerechtigde en van de personen te zijnen laste op de prestaties van de sociale zekerheid te bepalen.
  Behoudens in geval van bedrieglijk opzet, kan het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen in behartigenswaardige gevallen geheel of gedeeltelijk afzien van de in het eerste lid vermelde terugvordering.

  Art. 56ter. <Ingevoegd door W 1991-10-18/33, art. 3, Inwerkingtreding : 27-12-1991> De als arbeidsongeschikt erkende werknemer, die vóór de inwerkingtreding van artikel 56bis arbeid heeft verricht zonder de in artikel 56, § 2, bedoelde voorafgaande toelating en ten gevolge hiervan op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 56bis niet meer voldoet aan de voorwaarden om de prestaties bedoeld in titel IV van deze wet te ontvangen, wordt vermoed arbeidsongeschikt te zijn gebleven tot de inwerkingtreding van artikel 56bis op voorwaarde dat hij, van een geneeskundig oogpunt uit, een vermindering van zijn vermogen van ten minste 50 % behouden heeft en op voorwaarde dat de uitgeoefende activiteit verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand.
  De overeenkomstig het eerste lid als arbeidsongeschikt beschouwde werknemer kan slechts opnieuw aanspraak maken op de in titel IV van deze wet bedoelde prestaties vanaf de inwerkingtreding van artikel 56bis, indien hij vanaf dit ogenblik arbeidsongeschikt is bevonden overeenkomstig artikel 56, §§ 1 of 2.
  Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen kan, volgens de voorwaarden van artikel 56bis, geheel of gedeeltelijk afzien van de terugvordering van de uitkeringen die aan de werknemer vóór de inwerkingtreding van artikel 56bis ten onrechte verleend werden ten gevolge van niet toegelaten arbeid en die op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 56bis nog niet terugbetaald werden. Het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging kan geheel of gedeeltelijk afzien van de terugvordering van de geneeskundige verstrekkingen die aan de werknemer en zijn personen ten laste vóór de inwerkingtreding van artikel 56bis, ten onrechte verleend werden ten gevolge van niet toegelaten arbeid en die op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 56bis nog niet terugbetaald werden.

  Art. 57. <W 27-06-1969, art. 21> § 1. Geen aanspraak op uitkeringen heeft de werknemer:
  1° voor de periode waarvoor hij recht heeft op loon. Het begrip loon wordt bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.
  Evenwel kan de Koning het aldus bepaalde begrip uitbreiden of beperken;
  2° voor de periode gedekt door het vakantiegeld. De Koning bepaalt wat dient verstaan te worden onder "periode gedekt door het vakantiegeld";
  3° voor de periode waarvoor hij aanspraak kan maken op de vergoeding, verschuldigd wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst;
  4° voor de periode waarvoor hij een vergoeding ontvangt, die hem is gewaarborgd door een Belgische of buitenlandse wet, wegens tijdelijke of definitieve stopzetting van zijn gewone beroepsactiviteit, die schadelijk is of dreigt te worden voor zijn gezondheid;
  (5° voor de periode waarover hij krachtens een Belgische of vreemde wetgeving aanspraak kan maken op werkloosheidsvergoedingen;) <KB176 30-12-1982, art. 2>
  (6° voor de periode waarvoor hij met toepassing van de bepalingen van artikel 23 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen of artikel 34 van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, een vergoeding voor algehele tijdelijke arbeidsongeschiktheid ontvangt wegens stopzetting van een wedertewerkstelling;) <KB283 1984-03-31/36, art. 4, 002>
  (7° voor de periode waarvoor hij aanspraak kan maken op een onderbrekingsuitkering wegens onderbreking van zijn beroepsloopbaan in toepassing van artikel 100 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.) <KB 1985-03-21/32, art. 1, 005>
  (§ 1bis. De gerechtigde, bedoeld in artikel 45, § 1, heeft geen aanspraak op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen tijdens het tijdvak waarin zij geniet van de in artikel 61quater bedoelde moederschapsuitkering.) <W 1989-12-22/31, art. 21, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
  § 2. In afwijking van het in § 1 bepaalde kan de Koning, onder de voorwaarden die hij vaststelt, toelaten dat de werknemer uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid geniet, wanneer hij recht heeft op één van de in § 1 opgesomde voordelen of in afwachting dat hij één van die voordelen ontvangt.
  (Voor de terugvordering van de uitkeringen die de verzekeringsinstelling in toepassing van de onderhavige bepaling heeft betaald, treedt zij in de plaats van de rechthebbende.) <W 05-07-1971, art. 16>

  Art. 58. <W 27-06-1969, art. 22> De Koning bepaalt onder welke voorwaarden en in welke mate de uitkeringen worden toegekend:
  1° wanneer zij in de loop van de arbeidsongeschiktheid samen gaan genoten worden met een beroepsinkomen;
  2° wanneer zij samen genoten worden met een tegemoetkoming bij toepassing van (de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van de tegemoetkomingen aan de mindervaliden.) <KB 20-06-1971, art. 12>

  Art. 58bis. <W 27-06-1969, art. 23> De Koning bepaalt onder welke voorwaarden en in welke mate de uitkeringen toegekend worden, wanneer de gerechtigde die geen personen ten laste heeft in de zin van artikel 50, laatste lid, hetzij in een gevangenis is opgesloten of in een gesticht voor sociale bescherming is geinterneerd, hetzij (...) in een bedelaarstehuis is geplaatst. <W 1993-02-15/33, art. 56, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 58ter. <W 27-06-1969, art. 24> De Koning bepaalt onder welke voorwaarden en in welke mate de uitkeringen toegekend worden, wanneer de gerechtigde weigert zich te onderwerpen aan hem door de bevoegde geneesheer of instelling voorgestelde maatregelen inzake reclassering, revalidatie of vakherscholing.

  Art. 59. <KB 28-12-1971, art. 1> De uitkeringsbedragen worden onder de door de Koning te bepalen voorwaarden aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, volgens de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
  (lid opgeheven) <W 1993-02-15/33, art. 57, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 60. <W 27-06-1969, art. 25> De uitkeringen worden aan de gerechtigde ontzegd:
  1° vanaf de eerste dag van de maand na die waarin de mannelijke gerechtigde 65 jaar en de vrouwelijke gerechtigde 60 jaar worden;
  2° vanaf de eerste dag van de tweede maand na die waarin de arbeidsongeschiktheid is aangevangen, wanneer het een gerechtigde betreft die verder werkzaam is geweest na de in 1° hiervoren bedoelde leeftijd;
  3° vanaf de eerste dag van de maand na die waarin hij uit welken hoofde ook aanspraken kan doen gelden op een ouderdoms-, een rust-, een anciënniteitspensioen of op eender welk als dergelijk pensioen geldend voordeel, toegekend hetzij door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, hetzij door een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut. Nochtans kan de Koning bepalen in welke voorwaarden en in welke mate de uitkeringen kunnen worden gecumuleerd met een van die hierboven bedoelde pensioenen of voordelen.

  Art. 60bis. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 58, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> In afwijking van het bepaalde in artikel 60, heeft de vrouwelijke gerechtigde die na de leeftijd van zestig jaar is blijven doorwerken, maar nog niet de leeftijd van vijfenzestig jaar heeft bereikt, bij arbeidsongeschiktheid recht op uitkeringen, over een tijdvak van ten hoogste drie maanden, waaraan een einde komt vanaf de eerste dag van de derde maand na die waarin de arbeidsongeschiktheid een aanvang heeft genomen.
  Bij onderbreking van de arbeidsongeschiktheid gedurende ten minste veertien dagen, mogen de uitkeringen conform het voorgaande lid, slechts éénmaal opnieuw worden verleend voor een nieuwe periode van hoogstens drie maanden.

  Afdeling 5. - Uitkering voor begrafeniskosten.

  Art. 61. <W 16-07-1974, art. 9> Bij overlijden van, hetzij een in artikel 45, § 1, bedoelde uitkeringsgerechtigde die al dan niet in staat van erkende ongeschiktheid is, hetzij een gerechtigde als bedoeld in artikel 21, eerste lid, 7° en 8°, betaalt de verzekeringsinstelling aan de in artikel 45, § 2, bedoelde rechthebbenden een zogenoemde "uitkering voor begrafeniskosten" waarvan de Koning de toekenningsvoorwaarden en het bedrag bepaalt.

  (TITEL IVBIS. - MOEDERSCHAPSVERZEKERING.) <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  (Hoofdstuk 1. - Instellingen.) <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 61bis. <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990> De moederschapsverzekering wordt geleid en beheerd door de instellingen en organen die bevoegd zijn inzake uitkeringsverzekering.
  In zoverre hiervan niet wordt afgeweken door de bepalingen van deze titel, hebben die instellingen en organen ten aanzien van de moederschapsverzekering dezelfde bevoegdheden als ten aanzien van de uitkeringsverzekering.

  (Hoofdstuk 2. - Toepassingssfeer.) <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 61ter. <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990> Zijn gerechtigd op de moederschapsuitkering, zoals deze is bepaald in titel IVbis, hoofdstuk 3, van deze wet, onder de hierin gestelde voorwaarden, de gerechtigden bedoeld in artikel 45, § 1.

  (Hoofdstuk 3. - Moederschapsuitkering.) <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 61quater. <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990> De gerechtigde, bedoeld in artikel 61ter, ontvangt voor iedere werkdag in de in artikel 61quinquies bedoelde tijdvakken van moederschapsrust en voor iedere dag in dezelfde tijdvakken die krachtens een verordening van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen met een werkdag is gelijkgesteld, een zogenoemde " moederschapsuitkering ".
  De Koning stelt voor de categorieën gerechtigden die Hij bepaalt, het of de bedragen vast van de moederschapsuitkering die over de hele duur of een deel van de hiervoren bedoelde tijdvakken wordt verleend.
  Het voor het berekenen van die uitkering in aanmerking te nemen gederfde loon wordt vastgesteld door de verordening bedoeld in artikel 40, 11°. Het maximumbedrag tot beloop waarvan dat loon in aanmerking genomen wordt, is het bedrag dat is vastgesteld krachtens artikel 46, eerste lid.
  De begrenzing van het gederfde loon tot dit maximumbedrag is voor de in artikel 45, § 1, 1°, a) en b), bedoelde gerechtigden echter slechts van toepassing vanaf de éénendertigste dag van het tijdvak van moederschapsrust, bepaald in artikel 61quinquies; voor de eerste dertig dagen van dat tijdvak kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit en op voorstel van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, een maximumbedrag vaststellen dat in geen geval minder mag zijn dan het bedrag dat is bedoeld in het vorige lid.
  Voor de in artikel 50 bedoelde gerechtigden mag het bedrag van de moederschapsuitkering niet minder zijn dan het bedrag van de invaliditeitsuitkering waarop zij aanspraak zouden hebben gehad indien zij niet met moederschapsrust waren geweest.
  Voor de gerechtigden in gecontroleerde volledige werkloosheid bestaat de moederschapsuitkering uit een basisuitkering en een bijkomende uitkering, waarvan de hoegrootheid wordt bepaald door de Koning; het bedrag van de basisuitkering mag niet meer zijn dan dat van de werkloosheidsuitkering waarop voornoemde gerechtigden aanspraak zouden hebben gehad indien ze niet met moederschapsrust waren geweest.

  (HOOFDSTUK 4. - Tijdvakken van moederschapsrust.) <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 61quinquies.<W 1993-02-15/33, art. 59, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De voorbevallingsrust neemt een aanvang op vraag van de gerechtigde, ten vroegste vanaf de zevende week voor de vermoedelijke bevallingsdatum. De gerechtigde geft daartoe aan haar verzekeringsinstelling een geneeskundig getuigschrift af, waarbij wordt verklaard dat ze normaal zal bevallen aan het einde van de gevraagde bevallingsrust. Ingeval de bevalling plaatsheeft na de datum die door de geneesheer is voorzien, wordt de voorbevallingsrust verlengd tot aan de werkelijke datum van de bevalling.
  De nabevallingsrust strekt zicht uit over een tijdvak van acht weken te rekenen van de dag van de bevalling. Dat tijdvak kan worden verlengd met de periode tijdens welke de gerechtigde is blijven doorwerken of zich verder in de gecontroleerde werkloosheid heeft bevonden vanaf de zevende tot en met de tweede week voor de bevalling. De Koning kan bepalen welke tijdvakken, voor het verlengen van de nabevallingsrust, mogen worden gelijkgesteld met een periode tijdens welke de gerechtigde is blijven doorwerken of verder werkloze is gebleven binnen voormeld tijdvak.
  De verlenging van de nabevallingsrust loopt hetzij vanaf het einde van de acht weken na de bevalling, hetzij vanaf het ogenblik dat het pasgeboren kind naar huis komt of overleden is, in geval van toepassing van artikel 39, vierde lid of vijfde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971.
  [1 In geval van overlijden of verblijf in het ziekenhuis van de moeder kan een gedeelte van het tijdvak van nabevallingsrust, onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald door de Koning, worden omgezet in verlof voor de in artikel 45, § 1, bedoelde gerechtigde die voldoet aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 72 tot 75bis en deze in het artikel 30, § 2, eerste en tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten of het artikel 25quinquies, § 2, eerste en tweede lid, van de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomst wegens dienst op binnenschepen. De aan de gerechtigden te verlenen uitkering wordt door de Koning bepaald.]1
  ----------
  (1)<W 2011-04-13/09, art. 3, 033; Inwerkingtreding : 20-05-2011>

  Art. 61sexies. <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990> De tijdvakken van moederschapsrust, als bedoeld in artikel 61quinquies, kunnen enkel als dusdanig in aanmerking genomen worden op voorwaarde dat de gerechtigde alle werkzaamheid (of de gecontoleerde werkloosheid) heeft onderbroken. <W 1993-02-15/33, art. 60, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  (HOOFDSTUK 5. - Toekenningsvoorwaarden. - Bijzondere bepaling voor de moederschapsverzekering.) <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 61septies. <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990> Voor het verkrijgen van het recht op de uitkeringen waarin is voorzien in titel IVbis van deze wet, moeten de in artikel 61ter bedoelde gerechtigden voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 72 tot 75bis.
  De Koning kan, na advies van het Beheerscomité van de dienst voor uitkeringen, voor de categorieën van gerechtigden die Hij bepaalt, hetzij vrijstelling verlenen van de voorwaarden van wachttijd bepaald in artikel 72, hetzij deze voorwaarden aanpassen.

  (HOOFDSTUK 6. - Algemene bepaling.) <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Art. 61octies. <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 22, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990> In zoverre er niet van wordt afgeweken door de bepalingen van deze titel, zijn de bepalingen van de titels I, II, IV, V tot IX en XI van deze wet die betrekking hebben op de uitkeringsverzekering, ook van toepassing inzake moederschapsverzekering.
  Voor de toepassing van de bepalingen inzake financiering, wordt de moederschapsuitkering gelijkgesteld met een primaire ongeschiktheidsuitkering; als die uitkering wordt verleend aan een gerechtigde als bedoeld in artikel 50, wordt ze echter gelijkgesteld met een invaliditeitsuitkering.

  TITEL V. - VOORWAARDEN TOT TOEKENNING VAN DE PRESTATIES.

  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.

  Art. 62. <W 1990-12-29/30, art. 44, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991> De rechthebbenden moeten aangesloten zijn bij een ziekenfonds of ingeschreven zijn bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering of bij de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen.
  Onder voorbehoud van de afwijking waarin wordt voorzien door de regels betreffende de inschrijving bij de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen, vastgesteld in het statuut van het personeel van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen, wordt de keuze van de verzekeringsinstelling vrijelijk door de in artikel 21, 1° tot 9° en 12°, bedoelde rechthebbenden bepaald. De keuze van de rechthebbenden bedoeld in artikel 21, 1° tot 9°, bepaalt die van de personen te hunnen laste. De in artikel 21, 12°, bedoelde rechthebbenden moeten zich bij een zelfde verzekeringsinstelling van hun keuze aansluiten of laten inschrijven.
  De regels inzake aansluiting bij een ziekenfonds of inschrijving bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering of bij de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen worden vastgesteld door de Koning.

  Art. 63. (opgeheven vanaf 01-01-1989) <W 1988-12-30/31, art. 31, 015>

  Art. 64. De Koning omschrijft wat onder "bijdragebescheiden" wordt verstaan; het model van die bescheiden wordt door de Minister van Sociale Voorzorg vastgesteld.
  De Koning stelt vast door welke personen en instellingen en onder welke voorwaarden de bijdragebescheiden worden opgemaakt en aan de gerechtigden uitgereikt.

  Art. 65. De werkgevers moeten de gerechtigden alle bescheiden welke de uitvoeringsinstellingen van deze wet behoeven, verschaffen om dezen in staat te stellen van hun rechten op de prestaties van de verzekering te doen blijken.

  HOOFDSTUK II. - (Bijzondere bepalingen ter zake van de verzekering voor geneeskundige verzorging). <W 1988-12-30/31, art. 30, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1989>

  Art. 66. <W 1988-12-30/31, art. 32, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1989> § 1. De gerechtigden omschreven in artikel 21, eerste lid, 1° tot 9° en 13°, van deze wet hebben voor henzelf en voor de personen te hunnen laste recht op de prestaties bedoeld in titel III van deze wet.
  De Koning bepaalt het of de bijdragebescheiden volgens dewelke de hoedanigheid van gerechtigde wordt vastgesteld, alsook de frekwentie volgens dewelke dit of deze bijdragebescheid(en) aan de verzekeringsinstelling moeten worden overgemaakt.
  § 2. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder bepaalde categorieën van gerechtigden een wachttijd zullen moeten volbrengen alvorens recht te verkrijgen op deze prestaties.
  De duur van deze wachttijd bedraagt maximum 6 maanden.
  De Koning bepaalt de refertedatum die in aanmerking moet genomen worden voor het bepalen van het begin van de wachttijd.
  De bijdragen verschuldigd voor de sektor gezondheidszorgen moeten voor de duur van die wachttijd betaald zijn.
  Die bijdragen moeten een door de Koning vastgesteld minimumbedrag bereiken of, onder de door Hem bepaalde voorwaarden, met persoonlijke bijdragen worden aangevuld.
  De Koning bepaalt eveneens de wijze waarop het bewijs van die betalingen moet worden geleverd.

  Art. 67. <W 1988-12-30/31, art. 33, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1989> De gerechtigden en de personen te hunnen laste wier recht overeenkomstig de bepalingen van artikel 66 geopend wordt, behouden dat recht tot 30 juni van het jaar volgend op dat tijdens hetwelk het recht wordt geopend.

  Art. 68. <W 1988-12-30/31, art. 34, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1989> De in artikel 67 bedoelde gerechtigden kunnen voor henzelf en de personen te hunnen laste de in titel III van onderhavige wet bedoelde prestaties één jaar lang blijven genieten, d.i. tussen 1 juli en 30 juni van het daaropvolgend jaar, als zij voor het kalenderjaar dat aan het begin van die periode voorafgaat, refertejaar geheten :
  - hetzij aan hun verzekeringsinstelling onder de voorwaarden bepaald door de Koning bijdragebescheiden hebben overhandigd waarvan de waarde een minimumbedrag, bepaald door de Koning, bereikt of, in de voorwaarden door Hem bepaald, eventueel vervolledigd wordt met persoonlijke bijdragen;
  - hetzij aan hun verzekeringsinstelling persoonlijke bijdragen, verschuldigd in toepassing van deze wet, hebben betaald.
  De gerechtigden en de personen te hunnen laste die, in toepassing van deze wet, vrijgesteld zijn van de betaling van bijdragen, blijven van de in titel III van deze wet bedoelde prestaties genieten gedurende de in het eerste lid bedoelde periode.
  De perioden van het refertejaar gedurende dewelke de gerechtigde hetzij werknemer in de zin van artikel 21, eerste lid, 2°, 3° en 4°, hetzij persoon ten laste was, in de zin van artikel 21, eerste lid, 10° tot 12°, hetzij zich bevond in andere voorwaarden door de Koning bepaald, worden beschouwd als zijnde gedekt door bijdragen die, prorata temporis, het minimumbedrag bereiken bedoeld in het eerste lid.

  Art. 69. <W 1989-12-22/31, art. 118, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990> De Koning kan afwijkingen op de bepalingen van dit hoofdstuk toestaan :
  1° voor de gerechtigden, bedoeld in artikel 21, eerste lid, 7° tot 9°, en die niet onderworpen zijn aan de betaling der bijdragen, waarin is voorzien in volgend artikel (alsook aan hun echtgenoot of echtgenote); <W 1993-02-15/33, art. 61, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  2° voor bepaalde categorieën van kinderen, personen ten laste van een in artikel 21, eerste lid, 1° tot 9° en 13°, bedoelde gerechtigde.

  Art. 70. <W 1988-12-30/31, art. 36, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1989> De Koning stelt na advies van het Beheerscomité van de dienst voor geneeskundige verzorging, vast aan welke vereisten de personen ten laste moeten voldoen om geneeskundige verstrekkingen te genieten, en bepaalt anderzijds het bedrag van de persoonlijke bijdragen die kunnen verschuldigd zijn voor de ascendenten ten laste.
  Hij stelt eveneens de persoonlijke bijdrage vast van de in artikel 21, 7° en 9°, bedoelde gerechtigden die een pensioen genieten dat overeenstemt met een beroepsloopbaan die korter is dan een derde van een volledige of een als zodanig beschouwde beroepsloopbaan.

  Art. 70bis. <W 1989-12-22/31, art. 119, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990> De Koning bepaalt de voorwaarden onder welke de personen die :
  1° achtereenvolgens of terzelfder tijd de hoedanigheid hebben van gerechtigde of van persoon ten laste als bedoeld in artikel 21, eerste lid, en die van gerechtigde of van persoon ten laste krachtens een besluit genomen ter uitvoering van artikel 22, eerste lid, of omgekeerd;
  2° ofwel gedurende een nader te bepalen tijdvak noch de hoedanigheid bezitten van gerechtigde of van persoon ten laste, als bedoeld in artikel 21, eerste lid, noch die van gerechtigde of van persoon ten laste krachtens een besluit genomen ter uitvoering van artikel 22, eerste lid, 1°,
  het recht verkrijgen of behouden op de verstrekkingen vermeld hetzij in artikel 23, hetzij in een besluit genomen ter uitvoering van artikel 22, eerste lid, 1° of 2°.

  HOOFDSTUK III. - Bijzondere bepalingen ter zake van de verzekering voor geneeskundige verzorging.

  Art. 71. <Oud art. 74; W 1988-12-30/31, art. 37, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1989>
  § 1. Om de in artikel 23 bedoelde geneeskundige verstrekkingen te verkrijgen, wenden de rechthebbenden zich vrijelijk :
  a) tot iedere persoon die wettelijk gemachtigd is een van de takken der geneeskunst te beoefenen;
  b) tot iedere persoon die de in artikel 23, 1°, b), c) en 4°, bedoelde verstrekkingen mag verlenen en ingeschreven is op de in artikel 12, 8°, bedoelde lijst;
  c) tot iedere verplegingsinrichting evenals tot ieder rust- en verzorgingstehuis of dienst, bedoeld bij artikel 23, 12° en 13°, die erkend zijn door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
  § 2. Noch de in § 1, a), b) en c) bedoelde personen en inrichtingen, noch enige andere natuurlijke of rechtspersonen, die verantwoordelijk of medeverantwoordelijk zijn voor het beheer van de inrichting waar de verstrekkingen worden verleend, mogen voor de organisatie van het verlenen van de in artikel 23 bedoelde verstrekkingen publiciteit maken die niet binnen de perken valt welke zijn vastgesteld in dit artikel.
  § 3. Publiciteit waarin de kosteloosheid van de in artikel 23 bedoelde geneeskundige verstrekkingen wordt vermeld of waarin wordt verwezen naar de tegemoetkoming van de ziekte- en invaliditeitsverzekering in de kosten van die verstrekkingen, is in alle gevallen verboden.
  § 4. Is eveneens verboden, publiciteit voor de in artikel 23, 1° tot 3° en 5° tot 14°, bedoelde verstrekkingen die, ongeacht het aangewende middel, bepaalde zorgverstrekkers bevoordeelt.
  § 5. Onverminderd de restrictievere wetgevingen of regels van de plichtenleer is geen verboden publiciteit, het feit dat :
  a) de namen en adressen worden bekendgemaakt van alle zorgverstrekkers van hetzelfde beroep die een gemeente, een streek of het land praktizeren;
  b) de verstrekkers, de rechthebbenden van de verzekering, door aanplakking in hun spreekkamers en, in het algemeen, in hun activiteitscentra die voor het cliënteel toegankelijk zijn, meedelen dat zij zich ertoe hebben verbonden de bepalingen van de in titel III, hoofdstuk 4, afdeling 1 en 1bis bedoelde overeenkomsten en akkoorden na te leven.
  § 6. Is evenmin verboden publiciteit, de interne informatie en de informatie uitgaande van de in § 2 bedoelde personen en inrichtingen, bestemd om hun cliënteel en de belangstellende zorgverstrekkers in kennis te stellen:
  a) van de opening,
  b) van de adreswijziging,
  c) van een wijziging van de openingsuren van een spreekkamer, een dienst of een verzorgingsinrichting.
  Deze informatie mag slechts één keer worden verstrekt tijdens een periode die aanvangt vijftien dagen vóórdat de onder a), b) en c) bedoelde toestand er zich voordoen, en eindigt vijftien dagen later.
  Voor zover zij zich beperkt tot het vermelden van de openingsuren van de diensten en geen melding maakt van de naam van de zorgverstrekkers, wordt de informatie uitgaande van de verzorgingsinrichtingen of van hun inrichtende macht, opgenomen in de periodieke publikaties die hen eigen zijn en bestemd voor hun cliënteel niet beschouwd als verboden publiciteit. Deze informatie mag slechts éénmaal per kwartaal herhaald worden.
  Alle informatie bedoeld in deze paragraaf moet zowel wat de vorm als wat de inhoud betreft discreet zijn.
  § 7. Voor de organisatie van het verlenen van de in artikel 23, 4°, bedoelde geneeskundige verstrekkingen mag publiciteit worden gemaakt mits de in § 3 vastgestelde beperkingen worden nageleefd. Het beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging mag, op voorstel van de erkenningsraden die zijn ingesteld voor de beroepen die in artikel 23, 4° bedoelde verstrekkingen afleveren, andere regelen uitwerken, waarbij de vrijheid om publiciteit te maken voor die verstrekking, worden beperkt.
  (§ 8. Een administratieve geldboete van 5 000 frank wordt opgelegd voor elke overtreding van de bepalingen van § 2 gepleegd door de in die paragraaf bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen, andere dan degenen die de hoedanigheid van zorgverlener hebben.
  Wanneer de overtreder binnen drie jaar te rekenen vanaf de dag waarop een administratieve geldboete is opgelegd, een overtreding begaat van dezelfde aard als die welke de toepassing van een administratieve geldboete tot gevolg heeft gehad, wordt de eerder opgelegde boete telkens verdubbeld. In geval van samenloop van overtredingen van het reclameverbod worden de geldboeten samengevoegd.
  Na advies van het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging bepaalt de Koning de procedure met betrekking tot het vaststellen van de overtredingen en het uitspreken van de hiervoren bedoelde boeten.
  De opbrengst van die boeten wordt aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering gestort.) <W 1990-12-29/30, art. 63, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  § 9. Onverminderd de bepalingen van het koninklijk besluit van 9 juli 1984 betreffende de voorlichting en de reklame inzake geneesmiddelen mogen de in het raam van de ziekte- en invaliditeitsverzekering aangenomen farmaceutische produkten niet het voorwerp uitmaken van reklame.
  De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit de voorwaarden waaronder van die bepaling mag worden afgeweken, alsmede de maatregelen die het niet naleven ervan sanctioneren.

  Art. 71bis. (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>

  (HOOFDSTUK III. - Bijzondere bepalingen ter zake van de uitkeringsverzekering.) <W 1988-12-30/31, art. 30, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1989>

  Art. 72. <W 1988-12-30/31, art. 37, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1989> § 1. Om het recht op de in titel IV van deze wet bedoelde prestaties te verkrijgen moeten de in artikel 45, § 1, bedoelde gerechtigden in de volgende voorwaarden een wachttijd volbrengen :
  1° Over een periode van 6 maanden die de datum van het verkrijgen van het recht voorafgaat, een door de Koning vastgesteld aantal arbeidsdagen totaliseren. De dagen van inactiviteit welke kunnen gelijkgesteld worden met arbeidsdagen worden door de Koning omschreven. Hij stelt eveneens vast wat dient te worden verstaan onder " arbeidsdag ".
  2° Onder de door de Koning bepaalde voorwaarden het bewijs leveren dat met betrekking tot diezelfde periode de bijdragen voor de sektor uitkeringen werkelijk betaald werden; deze bijdragen moeten een door de Koning vastgesteld minimumbedrag bereiken of moeten, onder de door Hem bepaalde voorwaarden, met persoonlijke bijdragen worden aangevuld.
  § 2. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden de wachttijd wordt afgeschaft of verminderd.
  Hij kan ook de voorwaarden wijzigen inzake het volbrengen van de wachttijd voor seizoenarbeiders, arbeiders bij tussenpozen en deeltijds tewerkgestelde werknemers. Hij bepaalt wat onder " seizoenarbeiders ", " arbeiders bij tussenpozen " en " deeltijdse tewerkgestelde werknemers " dient verstaan te worden.

  Art. 73. <W 1988-12-30/31, art. 39, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1989> Onverminderd de bepalingen van artikel 75, bepaalt de Koning onder welke voorwaarden :
  1° de gerechtigden die hun wachttijd hebben volbracht overeenkomstig het artikel 72, het recht op de in titel IV van onderhavige wet bepaalde prestaties behouden tot het einde van het kwartaal dat volgt op dat tijdens hetwelke zij hun wachttijd hebben beeindigd;
  2° de gerechtigden die overeenkomstig de bepalingen van artikel 72, § 2, vrijgesteld zijn van het volbrengen van de wachttijd, recht hebben op diezelfde prestaties tot het einde van het derde kwartaal dat volgt op dat tijdens hetwelk zij de hoedanigheid van gerechtigde hebben bekomen.

  Art. 74. <W 1988-12-30/31, art. 40, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1989> De in het vorig artikel bedoelde gerechtigden kunnen de in titel IV van onderhavige wet bedoelde prestaties blijven genieten op voorwaarde dat zij voor het tweede en derde kwartaal vóór dat tijdens hetwelk zij er een beroep op doen, onder de door de Koning bepaalde voorwaarden het bewijs leveren dat :
  1° zij op één of andere wijze gedurende een aantal werkdagen gelijk aan het in artikel 72, § 1, 1°, voorziene aantal arbeidsdagen, de in artikel 45, § 1, omschreven hoedanigheid van gerechtigde hebben behouden;
  2° de bijdragen voor de sektor uitkeringen en eventueel, de bijdragen van de voortgezette verzekering werden betaald.
  Deze bijdragen moeten een door de Koning vastgesteld minimumbedrag bereiken of, onder de door Hem bepaalde voorwaarden, met persoonlijke bijdragen worden aangevuld. Deze voorwaarde wordt niet geëist voor in artikel 45, § 1, 2° bedoelde gerechtigden.
  De gerechtigde die op het einde van een kwartaal uitkeringen geniet blijft deze genieten tot de lopende arbeidsongeschiktheid eindigt.
  De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijds tewerkgestelde werknemers, de in het eerste lid bedoelde prestaties blijven genieten.

  Art. 75. De uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid zijn slechts verschuldigd aan de gerechtigden op voorwaarde dat er geen doorlopend tijdvak van meer dan dertig dagen verlopen is tussen de aanvangsdatum van hun arbeidsongeschiktheid en de laatste dag van een tijdvak waarover zij de in artikel 45, § 1, bedoelde hoedanigheid van gerechtigde hadden, (of als arbeidsongeschikt erkend waren in de zin van deze wet.) <W 05-07-1971, art. 18>

  Art. 75bis. <Ingevoegd bij W 1988-12-30/31, art. 41, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1989> Voor de toepassing van de artikelen 72 tot en met 75 wordt de wijze van bewijsvoering vastgesteld door een verordening van het Beheerscomité.

  Art. 76. <W 24-12-1963, art. 31> De uitkering voor begrafeniskosten wordt betaald voor (de in artikel 61 bedoelde gerechtigden met uitzondering van de gepensioneerden bedoeld in artikel 21, 7° en 8°,) in zoverre zij, op de overlijdensdatum voldoen aan de in artikel 75 gestelde vereiste. <KB 20-07-1971, art. 17>

  Art. 76bis. <Ingevoegd bij W 1988-12-30/31, art. 42, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1989> De toekenning van de in Titel IV van deze wet bedoelde prestaties wordt geweigerd ingeval de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een door de gerechtigde opzettelijk gepleegde fout.

  (HOOFDSTUK IV. - Gemeenschappelijke bepalingen ter zake van de verzekering voor geneeskundige verzorging en van de uitkeringsverzekering.) <W 1988-12-30/31, art. 30, 015>

  Art. 76ter. <Ingevoegd bij W 1988-12-30/31, art. 43, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1989> De Koning omschrijft de in artikel 21, 6°, bedoelde categoriëen van werknemers. Hij stelt vast aan welke voorwaarden moet voldaan zijn door de gerechtigden die om aanspraak op voortgezette verzekering verzoeken en, in het bijzonder, het bedrag van de nodige persoonlijke bijdragen.

  Art. 76quater. <Ingevoegd bij W 1988-12-30/31, art. 44, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1989> § 1. Behoudens uitzonderingen waarin de Koning voorziet, worden de in deze wet bedoelde prestaties niet toegekend als de rechthebbende zich niet werkelijk op Belgisch grondgebied bevindt op het tijdstip dat hij om prestaties verzoekt of als de geneeskundige verstrekkingen buitenlands zijn verstrekt.
  § 2. (De bij deze wet bepaalde prestaties worden geweigerd indien voor de schade voortvloeiend uit ziekte, letsels, functionele stoornissen of overlijden, krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of in het gemeen recht werkelijk schadeloosstelling is verleend. Belopen de bedragen welke krachtens die wetgeving of het gemeen recht worden verleend evenwel minder dan de prestaties van de verzekering, dan heeft de rechthebbende recht op het verschil ten laste van de verzekering.
  Voor de toepassing van deze paragraaf is het bedrag van de door de andere wetgeving verleende prestaties gelijk aan het brutobedrag verminderd met het bedrag van de sociale zekerheidsbijdragen welke op die prestaties worden ingehouden.
  De prestaties worden, onder door de Koning bepaalde voorwaarden, toegekend in afwachting dat de schade effectief wordt vergoed krachtens een andere Belgische wetgeving, een vreemde wetgeving of het gemeen recht.
  De verzekeringsinstelling treedt rechtens in de plaats van de rechthebbende; deze indeplaatsstelling geldt, tot beloop van het bedrag van de verleende prestaties, voor het geheel van de sommen die krachtens een Belgische wetgeving, een buitenlandse wetgeving of het gemeen recht verschuldigd zijn en die de in lid 1 bedoelde schade geheel of gedeeltelijk vergoeden.
  De overeenkomst die tot stand gekomen is tussen de rechthebbende en degene die schadeloosstelling verschuldigd is, kan niet tegen de verzekeringsinstelling worden aangevoerd zonder haar instemming.
  (Degene die schadeloosstelling verschuldigd is, verwittigt de verzekeringsinstelling van zijn voornemen om de rechthebbende schadeloos te stellen; hij maakt aan de verzekeringsinstelling, indien deze geen partij is, een kopij over van de tot stand gekomen akkoorden of gerechtelijke beslissingen. De verzekeringsmaatschappijen-burgerlijke aansprakelijkheid worden gelijkgesteld met degene die schadeloosstelling is verschuldigd.
  Indien degene die schadeloosstelling verschuldigd is, nalaat de verzekeringsinstelling in te lichten overeenkomstig het vorige lid, kan hij tegen laatstgenoemde de betalingen die hij verrichtte ten gunste van de rechthebbende niet aanvoeren; ingeval van dubbele betaling blijven deze definitief verworven in hoofde van de rechthebbende.) <W 1993-08-06/30, art. 11, 029; Inwerkingtreding : 19-08-1993>
  (De verzekeringsinstelling heeft een eigen recht van terugvordering van de verleende prestaties tegenover het Gemeenschappelijk waarborgfonds bedoeld in artikel 49 van de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, in de gevallen bedoeld bij artikel 50 van diezelfde wet.) <W 1985-08-01/31, art. 66, 006>
  § 3. (De toekenning van de in deze wet bepaalde prestaties wordt geweigerd in de gevallen van gezondheidsschade ontstaan naar aanleiding van een sportcompetitie of -demonstratie, waarvoor de organisator toegangsgeld ontvangt en waarvoor de deelnemers in om het even welke vorm een bezoldiging ontvangen. De voorbereidingen en de trainingen in verband met deze sportcompetities en -demonstraties worden gelijkgesteld met deze competities en demonstraties.
  Deze paragraaf is van toepassing op prestaties die verleend worden zowel met curatieve als met preventieve of controleoogmerken.) <W 1994-03-30/31, art. 34, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  § 4. De toekenning van de in deze wet bedoelde prestaties wordt (stopgezet) zolang de rechthebbende niet voldoet aan de controleverplichtingen welke hem door ieder krachtens deze wet bevoegd persoon worden opgelegd. <W 27-06-1969, art. 28, 2>

  Art. 76quinquies. <Ingevoegd bij W 1988-12-30/31, art. 44, 015; Inwerkingtreding : 01-01-1989> De Koning kan het minimumbedrag der persoonlijke bijdragen, bedoeld in de artikelen 66, 68, 72, § 1 en 74, bepalen, alsook de voorwaarden waaronder zij mogen verminderd of afgeschaft worden.

  TITEL VI. - CONTROLE EN GESCHILLEN.

  Art. 76sexies. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 62, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De verzekeringsinstelling stelt, op eigen initiatief of op vraag van de controlediensten van het R.I.Z.I.V., aan de hand van elektronisch opgeslagen en verwerkte gegevens, lijsten op van verstrekkingen met betrekking tot de geneeskundige verzorging, waarvoor ze de terugbetaling via rechtstreekse betaling heeft verzekerd.
  Deze lijsten, die de gegevens bevatten nodig om de verstrekte verzorging correct te identificeren, zijn, na waarmerking door een gevolmachtigde aangewezen door de verzekeringsinstelling en erkend door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle, geldig als bewijsmiddel, ook ten aanzien van derden, van de in het kader van deze wet aangerekende verstrekkingen, tot bewijs van het tegendeel.

  HOOFDSTUK I. - Geneeskundige controle.

  Eerste Afdeling. - Dienst voor geneeskundige controle.

  Art. 77. <W 1989-12-22/31, art. 24, 017; Inwerkingtreding : 01-12-1990> In de schoot van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering wordt een Dienst voor geneeskundige controle ingesteld wiens opdracht erin bestaat :
  1° de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging en de uitkeringsverzekering te controleren op het vlak van realiteit en conformiteit met de voorschriften van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten;
  2° de kwantiteit van de voorgeschreven of verleende verzorging te beoordelen en uitvoering te geven aan de beslissingen van de provinciale en nationale Commissies bedoeld in artikel 79bis.

  Art. 78. <W 1993-02-15/33, art. 63, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De Dienst voor geneeskundige controle wordt bestuurd door een Comité dat samengesteld is uit :
  1° een voorzitter, raadsheer in een hof van beroep of arbeidshof of lid van het parket-generaal bij een hof van beroep of lid van het auditoraat-generaal bij een arbeidshof; deze wordt bijgestaan door twee werkende ondervoorzitters en twee plaatsvervangende ondervoorzitters, raadsheren in een hof van beroep of arbeidshof;
  2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, doctor in de geneeskunde, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; ter bepaling van de vertegenwoordiging der verzekeringsinstellingen wordt rekening gehouden met hun respectieve getalsterkte, met dien verstande dat iedere verzekeringsinstelling recht heeft op ten minste één mandaat;
  3° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, doctor in de geneeskunde, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van het geneesherenkorps;
  Om de vertegenwoordiging van de representatieve organisaties van het geneesherenkorps te bepalen, wordt rekening gehouden met eventuele minderheden;
  4° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, lid van de Raden van de Orde der geneesheren, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de Nationale Raad van de Orde der geneesheren;
  5° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van de tandheelkundigen;
  6° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van het apothekerskorps;
  7° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de verplegingsinrichtingen;
  8° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de vroedvrouwen;
  9° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de verpleegkundigen;
  10° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de kinesitherapeuten;
  11° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de bandagisten;
  12° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de orthopedisten;
  13° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de gehoorprothesisten;
  14° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de opticiens;
  15° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de logopedisten;
  16° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de orthoptisten;
  17° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de verstrekkers van implantaten;
  18° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de licentiaten in de wetenschap, die door de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort zijn erkend om verstrekkingen uit te voeren als bedoeld in deze wet;
  19° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de revalidatiecentra;
  20° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de personen gemachtigd om de in artikel 23, 12°, bedoelde verstrekkingen uit te voeren;
  21° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de personen gemachtigd om de in artikel 23, 13°, bedoelde verstrekkingen uit te voeren.
  De Koning benoemt de voorzitter, de ondervoorzitters en de leden.
  De leden bedoeld in het eerste lid, 5° tot en met 21°, hebben enkel zitting indien kwesties worden onderzocht die de groep die hen heeft voorgedragen, rechtstreeks aanbelangen.
  Twee Regeringscommissarissen, die de Koning benoemt op voordracht van respectievelijk de Minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Voorzorg behoort, en de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, wonen de vergaderingen van het Comité bij.
  Het Comité wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van de Minister, hetzij op verzoek van ten minste drie leden.
  Het Comité houdt op geldige wijze zitting indien, benevens de voorzitter of een ondervoorzitter, ten minste de helft van de leden tegenwoordig zijn, onverminderd de bepalingen van artikel 79, § 2, betreffende de samenstelling van de beperkte kamers.
  De voorzitter of, bij diens ontstentenis, een ondervoorzitter en de leden zijn stemgerechtigd.
  De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van degenen die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen.

  Art. 79. <W 1993-02-15/33, art. 64, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. Het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle is er mede belast :
  1° met de medewerking van het personeel van die Dienst in te staan voor de geneeskundige controle op de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging en van de uitkeringsverzekering. Wat de in artikel 77, 2°, vermelde opdracht betreft, is de bevoegdheid van het Comité beperkt tot het uitoefenen van toezicht op de administratieve uitvoering van deze opdracht.
  2° de normen en richtlijnen vast te stellen met het oog op de organisatie van de geneeskundige controle;
  3° de procedure te bepalen volgens welke de onderzoeken, bedoeld in artikel 80, vierde lid, worden ingesteld en uitgevoerd en hierop tevens toezicht uit te oefenen, zonder dat evenwel afbreuk kan worden gedaan aan het initiatiefrecht van de Dienst voor geneeskundige controle en aan het geheim van het onderzoek zolang dit onderzoek niet is voltooid;
  4° het reglement voor de erkenning van de adviserend geneesheren op te maken;
  5° de Koning het statuut en de bezoldiging van de adviserend geneesheren voor te stellen;
  6° vast te stellen voor welk aantal rechthebbenden de verzekeringsinstellingen verplicht zijn een adviserend geneesheer in dienst te nemen;
  7° alle passende maatregelen te treffen ter uitvoering van de geneeskundige controle ingeval de verzekeringsinstellingen niet het vereiste aantal adviserend geneesheren in dienst nemen binnen de in artikel 88 bedoelde termijnen;
  8° de werkingsregelen van de Dienst voor geneeskundige controle vast te stellen;
  9° naar de in § 2 bedoelde beperkte kamers de vaststellingen te verwijzen gedaan ten laste van personen of inrichtingen die gemachtigd zijn om geneeskundige verstrekkingen te verlenen en tegen wie de in artikel 90 bedoelde straffen kunnen worden uitgesproken;
  10° in hoger beroep de geschillen van geneeskundige aard tussen adviserend geneesheren en geneesheren-inspecteurs te beslechten, behoudens die waarbij de rechten van de rechthebbenden in het geding komen;
  11° het tuchtrecht uit te oefenen ten aanzien van de geneesheren-inspecteurs en apothekers-inspecteurs bedoeld in artikel 80, alsmede van de adviserend geneesheren bedoeld in artikel 87;
  12° de regelen voor te stellen tot het vergoeden van de kosten, door de Dienst gedragen voor het uitvoeren van andere taken die hem door de Koning worden opgedragen;
  13° binnen de door de Koning te bepalen termijnen verslagen op te maken, in het bijzonder met betrekking tot :
  a) de frequentie van de arbeidsongeschiktheid;
  b) zijn bevindingen inzake de toepassing van de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de verzekering voor geneeskundige verzorging;
  14° de in 13° bedoelde verslagen, samen met de aanbevelingen ingegeven door zijn bevindingen te bezorgen, het eerste aan de Minister, aan het Algemeen comité en aan het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, het tweede aan de Minister, aan het Algemeen comité en aan de Algemene raad;
  15° het Algemeen comité de begroting van de administratiekosten van de Dienst voor geneeskundige controle voor te stellen;
  16° het Algemeen comité van het Instituut, in de gevallen waarin dit Comité ter zake bevoegd is, de aanwerving, de benoeming, de dienstaanwijzing, de bevordering, het ontslag en de afzetting van het personeel van de Dienst voor geneeskundige controle voor te stellen, alsmede de aan dat personeel op te leggen tuchtstraffen;
  17° te beslissen over de rechtsvorderingen binnen zijn bevoegdheid.
  In geval van dringende noodzaak kan de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige controle beslissen over de rechtsvordering. Die vordering wordt ter goedkeuring aan het comité voorgelegd op zijn eerstvolgende vergadering. Indien die goedkeuring wordt geweigerd, dient van de ingestelde vordering afstand te worden gedaan;
  18° zijn huishoudelijk reglement op te stellen.
  Wanneer het Comité de hem bij het eerste lid, 2°, 8° en 18°, opgedragen taken niet vervult, wordt het daarom verzocht door de Minister.
  Wordt aan dat verzoek geen gevolg gegeven binnen een termijn van dertig dagen, dan treft de Minister maatregelen in de plaats van het in gebreke blijvende Comité.
  De Koning kan, na advies van het Comité, de Dienst voor geneeskundige controle andere geneeskundige taken opdragen; Hij stelt eveneens de wijze van vergoeding van de met deze taken gepaard gaande kosten vast.
  § 2. Het Comité richt in zijn schoot ten minste twee beperkte kamers op; deze zijn alleen belast met de toepassing van de bepalingen van 9° en 10° van dit artikel.
  Die kamers worden voorgezeten door een ondervoorzitter van het Comité of door zijn plaatsvervanger en bestaan bovendien uit een van de in artikel 78, eerste lid, 4°, bedoelde leden, alsook uit twee leden bij eenvoudige meerderheid aangewezen door elk van de in artikel 78, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde groepen. Die kamers bestaan tevens uit evenveel plaatsvervangers die worden aangewezen volgens dezelfde procedure als de werkende leden. Het aantal plaatsvervangers is echter nooit kleiner dan twee.
  De ter zitting opgekomen voorzitter en leden zijn stemgerechtigd.
  Wanneer die kamers dossiers onderzoeken met betrekking tot de tandheelkundigen, de verplegingsinrichtingen, de instellingen of de beoefenaars van de beroepen, respectievelijk bedoeld in artikel 78, eerste lid, 8° tot en met 21°, worden de leden aangewezen door de groep waarvan sprake is in artikel 78, eerste lid, 3°, vervangen door de leden van de respectievelijk in 5° of in 7° tot en met 21° van genoemd artikel bedoelde groepen, terwijl het in artikel 78, eerste lid, 4°, bedoelde lid geen zitting heeft behoudens wanneer het behandelde dossier betrekking heeft op een praktizerende die onder meer de hoedanigheid van doctor in de geneeskunde heeft. Wanneer die kamers een dossier behandelen dat betrekking heeft op een praktizerende die tot verscheidene groepen behoort, wijzen de betrokken groepen in gemeen overleg de leden aan van wie de bekwaming de meest passende is. In geval vn betwisting wijst de voorzitter van het Comité de leden aan.
  Wanneer die kamers dossiers met betrekking tot de apothekers onderzoeken, worden de leden aangewezen door de in artikel 78, eerste lid, 3°, bedoelde groep vervangen door de leden van de in 6° van dat artikel bedoelde groep; bovendien wordt het in artikel 78, eerste lid, 4°, bedoelde lid vervangen door een apotheker die door de Nationale Raad van de Orde van apothekers is aangewezen.
  Alle leden worden ter terechtzitting opgeroepen; is een werkend lid verhinderd de terechtzitting bij te wonen, dan wordt een plaatsvervanger verzocht hem daarop te vervangen.
  Wanneer die procedure is gevolgd, houdt een kamer op geldige wijze zitting indien, benevens de voorzitter en het lid van de Raad van de Orde, onverminderd het bepaalde bij het achtste lid, eveneens één van de in artikel 78, eerste lid, 2°, bedoelde leden en, volgens het in het zesde en achtste lid bedoelde onderscheid, hetzij een in artikel 78, eerste lid, 3°, bedoeld lid, hetzij een lid van de in artikel 78, eerste lid, 5° tot 21°, bedoelde groepen tegenwoordig zijn.
  Telkens als de leden van één van de beide groepen, bedoeld in artikel 78, eerste lid, 2° en 3°, talrijker opkomen dan de leden van de andere groep, wijst de kamer, ten einde de gelijkheid te herstellen, in gemeen overleg het lid van de talrijkst opgekomen groep aan dat niet stemgerechtigd is; wordt men het niet eens, dan wordt het stemrecht ontnomen aan het jongste lid van de groep. Op dezelfde wijze wordt tewerkgegaan wanneer de in artikel 78, eerste lid, 3°, bedoelde leden vervangen worden door de leden van een van de in artikel 78, eerste lid, 5° tot 21°, bedoelde groepen.
  De beslissingen worden genomen bij meerderheid van degenen die aan de stemming deelnemen; bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.

  Art. 79bis. <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 26, 017; Inwerkingtreding : 01-12-1990> § 1. (Bij de Dienst voor geneeskundige controle wordt een Controlecommissie ingesteld die, onverminderd de bevoegdheden van de tuchtrechtelijke organen, belast wordt met het vaststellen van de tekortkomingen inzake de bepalingen van artikel 35, tweede, derde en vierde lid.) <W 1991-07-20/31, art. 34, 023; Inwerkingtreding : 11-08-1991>
  (Deze Commissie wordt in 10 afdelingen, waaronder één per provincie, onderverdeeld. In de provincie Brabant, worden twee afdelingen opgericht; de ene neemt kennis van de zaken die in het Frans worden behandeld en de andere neemt kennis van de zaken die in het Nederlands worden behandeld. De zetel van alle afdelingen is gevestigd in de lokalen van de hoofdzetel van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, te Brussel.) <W 1992-06-26/30, art. 45, 025; Inwerkingtreding : 01-12-1990>
  § 2. Bij de Dienst voor geneeskundige controle wordt een Commissie van beroep ingesteld die tot opdracht heeft uitspraak te doen over de hogere beroepen ingesteld tegen de beslissingen van de Controlecommissie.
  De Commissie van Beroep houdt zitting te Brussel. Zij bestaat uit twee afdelingen. Een van deze afdelingen is Nederlandstalig en neemt kennis van de zaken die in het Nederlands worden behandeld; de andere is Franstalig en neemt kennis van de zaken die in het Frans worden behandeld, alsmede van de zaken welke in het Duits zijn ingediend.
  (§ 3. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, voor andere zorgverstrekkers dan de geneesheren, bij de Dienst voor geneeskundige controle, hetzij specifieke controlecommissies en commissies van beroep oprichten die tot taak hebben de kwantiteit van de voorgeschreven of verleende verzorging te beoordelen alsook de specifieke regelen inzake samenstelling en werking van deze commissies bepalen, hetzij de samenstelling en de werkingsregelen van de in §§ 1 en 2 bedoelde commissies aanpassen.) <W 1991-07-20/31, art. 34, 023; Inwerkingtreding : 11-08-1991>

  Art. 79ter. <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-12-1990> § 1. (De commissies bedoeld in artikel 79bis zijn samengesteld uit magistraten, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen en van de zorgverstrekkers.) <W 1991-07-20/31, art. 35, 023; Inwerkingtreding : 11-08-1991>
  § 2. De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de werkende en plaatsvervangende leden worden door de Koning benoemd. Het mandaat van de voorzitters en van de leden bedraagt zes jaar; het mandaat kan worden hernieuwd.
  De voorzitters en de leden die werden benoemd ter vervanging van overleden of aftredende voorzitters of leden, voleindigen het mandaat van degenen die ze vervangen.
  De leeftijdsgrens van de leden, met uitsluiting van de voorzitters, wordt vastgesteld op 65 jaar.
  (§ 3. Het mandaat van voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, werkend of plaatsvervangend lid van een Commissie zoals bedoeld bij artikel 79bis is onverenigbaar met een mandaat in het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle en met een mandaat in een profielcommissie bedoeld bij artikel 20bis van deze wet.) <W 1991-07-20/31, art. 35, 023; Inwerkingtreding : 11-08-1991>
  § 4. (De Controlecommissie en de Commissie van beroep worden ieder bijgestaan door een vaste secretaris en één of meer plaatsvervangende secretarissen, aangewezen door de geneesheer-directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige controle uit het personeel van die dienst.) <W 1992-06-26/30, art. 46, 025; Inwerkingtreding : 01-12-1990>

  Art. 79quater. <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 28, 017; Inwerkingtreding : 01-12-1990> § 1. De Controlecommissie bedoeld in artikel 79bis, § 1, is samengesteld uit (een tweetalige voorzitter en een tweetalige plaatsvervangende voorzitter, gekozen uit de magistraten bij de rechtbanken van eerste aanleg en de arbeidsrechtbanken, met uitsluiting van de onderzoeksrechters en de leden van het openbaar ministerie en) effectieve en plaatsvervangende leden, voor de helft Franstaligen en de helft Nederlandstaligen. <W 1992-06-26/30, art. 47, 025; Inwerkingtreding : 01-12-1990>
  Deze leden zijn :
  1° twee effectieve leden en twee plaatsvervangende leden gekozen uit de magistraten bij de rechtbanken van eerste aanleg, met uitsluiting van de onderzoeksrechters die zetelen en de leden van het Openbaar Ministerie, alsook uit de rechters die zetelen in de arbeidsrechtbanken;
  2° twee effectieve leden en twee plaatsvervangende leden, geneesheren, aangeduid door de representatieve organisaties van het geneesherenkorps;
  3° twee effectieve leden en twee plaatsvervangende leden, geneesheren, aangeduid door de verzekeringsinstellingen.
  Per afdeling is zij tevens samengesteld uit :
  1° een effectief en een plaatsvervangend lid, geneesheren uit de betrokken provincie, aangeduid door de representatieve organisaties van het geneesherenkorps;
  2° een effectief en een plaatsvervangend lid, geneesheren aangeduid door de verzekeringsinstellingen.
  Elke afdeling mag beroep doen op (deskundigen.) <W 1990-12-29/30, art. 31, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  § 2. 1° De Commissie van beroep bedoeld in artikel 79bis, § 2, is samengesteld uit een tweetalige voorzitter en een tweetalige plaatsvervangende voorzitter gekozen uit de magistraten bij de hoven van beroep en de arbeidshoven, met uitsluiting van het openbare ministerie.
  2° Zij is tevens samengesteld uit effectieve leden en plaatsvervangende leden, de helft zijnde Nederlandstaligen en de helft Franstaligen.
  Deze leden zijn :
  a) twee effectieve en twee plaatsvervangende leden gekozen uit de magistraten bij de hoven van beroep en de arbeidshoven, met uitsluiting van de leden van het openbaar ministerie;
  b) vier effectieve en vier plaatsvervangende leden, geneesheren, aangeduid door de representatieve organisaties van het geneesherenkorps;
  c) vier effectieve en vier plaatsvervangende leden, geneesheren, aangeduid door de verzekeringsinstellingen.
  Alleen de leden-magistraten hebben een beslissende stem.
  3° De Commissie van beroep mag zich laten bijstaan door deskundigen.
  § 3. De Koning kan de samenstelling van de Controlecommissie en de Commissie van beroep wijzigen door ze uit te breiden met twee effectieve leden en twee plaatsvervangende leden aangeduid door de representatieve organisaties van het geheel van de werknemers en het geheel van de werkgevers. Deze leden hebben enkel raadgevende stem.
  (§ 4. Als een of meer representatieve organisaties die in aanmerking komen voor de samenstelling van de commissies bedoeld in artikel 79bis van deze wet, nalaat of nalaten haar of hun vertegenwoordigers ter benoeming voor te dragen of aan te wijzen nadat de Minister van Sociale Zaken twee keer een verzoek tot voordracht of aanwijzing heeft geformuleerd en daartoe een termijn heeft opgelegd, wordt met de vertegenwoordigers waarin was voorzien om deel uit te maken van die organen, geen rekening gehouden bij het samenstellen van het orgaan of bij het nemen van de beslissingen.
  Als de voorzitter van een van de in het vorige lid bedoelde commissies, in twee opeenvolgende vergaderingen vaststelt dat het onmogelijk is te vergaderen wegens de afwezigheid van leden, worden die leden voor de samenstelling van het orgaan en het nemen van beslissingen niet meer in aanmerking genomen vanaf de derde vergadering die in hun afwezigheid is gehouden.) <W 1990-12-29/30, art. 30, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>

  Art. 79quinquies. <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 29, 017; Inwerkingtreding : 01-12-1990> § 1. (De Dienst voor geneeskundige controle of een profielcommissie, zoals bedoeld bij artikel 20bis van deze wet, of een verzekeringsinstelling die van oordeel is dat een zorgverstrekker de bepalingen van artikel 35 overtreedt, kan de zaak aanhangig maken bij de afdeling van de Controlecommissie van de provincie waar de zorgverstrekker zijn hoofdactiviteit uitoefent, of bij het bevoegd orgaan ingesteld krachtens artikel 79bis, § 3.) <W 1991-07-20/31, art. 36, 023; Inwerkingtreding : 11-08-1991>
  § 2. (De geneesheer-directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige controle of zijn afgevaardigde, wijst uit het personeel van die Dienst de geneesheer-inspecteur aan die verslag moet uitbrengen bij de bevoegde afdeling. Hij kan een geneesheer-inspecteur gelasten een voorafgaand onderzoek te verrichten.) <W 1992-06-26/30, art. 48, 025; Inwerkingtreding : 01-12-1990>
  De verslaggever zet de feiten uiteen die aan de betrokkene ten laste worden gelegd. Hij kan zich mengen in de debatten.
  § 3. De afdelingen van de Controlecommissie kunnen slechts een beslissing nemen na de betrokkene ter zitting te hebben opgeroepen. De betrokkene mag zich voor alle handelingen inzake rechtspleging alsmede ter zitting laten bijstaan door een advocaat of elke andere persoon van zijn keus.
  Elke beslissing wordt, op straffe van nietigheid, gemotiveerd.
  § 4. (De zorgverstrekker,) de Dienst voor geneeskundige controle en de verzekeringsinstelling kunnen tegen de beslissing van de Controlecommissie hoger beroep instellen bij de Commissie van Beroep, in de vorm en binnen de termijnen door de Koning bepaald. <W 1991-07-20/31, art. 36, 023; Inwerkingtreding : 11-08-1991>
  Het beroep werkt opschortend.
  § 5. Binnen de zeven dagen na de uitspraak van elke beslissing, zendt de secretaris, bij aangetekend schrijven, afschrift ervan naar :
  1° de partijen;
  2° de geneesheer-directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige controle.
  Bovendien wordt afschrift van iedere definitief geworden beslissing door de secretaris van de betrokken Controlecommissie of Commissie van beroep, bij aangetekend schrijven, (aan het bevoegde tuchtrechtelijk orgaan) overgezonden. <W 1991-07-20/31, art. 36, 023; Inwerkingtreding : 11-08-1991>
  De nadere procedurevoorschriften met betrekking tot de werking van de Controlecommissie en de Commissie van Beroep worden door de Koning bepaald.
  § 6. De Controlecommissie en de Commissie van beroep stellen elk hun huishoudelijk reglement op dat ter goedkeuring aan de Koning wordt voorgelegd.

  Art. 80. (Om de in artikel 79, 1°, bedoelde opdracht te vervullen, beschikt de Dienst voor geneeskundige controle (over geneesheren-inspecteurs (apothekers-inspecteurs en verpleegkundigen-controleurs), bekleed met verschillende graden, alsook over controleurs.) De controleurs en adjunct-controleurs hebben als opdracht de onrechtmatige samenloop van het genot van uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid met het uitoefenen van een beroepsactiviteit of sluikarbeid op te sporen en vast te stellen. <W 1985-08-01/31, art. 69, 006> <KB533 1987-03-31/41, art. 8, 011; Inwerkingtreding : 01-05-1987>
  Zij controleren eveneens op administratief vlak al de in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging en de uitkeringsverzekering uitgereikte bescheiden.) <KB22 23-03-1982, art. 9>
  Het aantal geneesheren-inspecteurs wordt bepaald op een geneesheer per volle reeks van 80.000 rechthebbenden.
  (De Dienst voor geneeskundige controle gaat over tot iedere onderzoeking of bevinding, hetzij uit eigen beweging, hetzij op verzoek van zijn comité of op behoorlijk gemotiveerd verzoek van de Minister van Sociale Voorzorg, de Dienst voor geneeskundige verzorging, de Dienst voor uitkeringen, de Dienst voor administratieve controle, de verzekeringsinstellingen of een in het comité van de Dienst voor geneeskundige controle vertegenwoordigde beroepsorganisatie. In het raam van de controle op de verzekering voor geneeskundige verzorging, maakt de Dienst voor geneeskundige controle de opmerkingen die hij nuttig acht ten aanzien van de personen en inrichtingen die gemachtigd zijn om geneeskundige verstrekkingen te verlenen.) <W 07-07-1976, art. 4, 2°>

  Afdeling 2. - (Geneesheren-inspecteurs, apothekers-inspecteurs, (verpleegkundigen-controleurs), controleurs en adjunct-controleurs). <KB22 23-03-1982, art. 10> <KB533 1987-03-31/41, art. 9, 011; Inwerkingtreding : 01-05-1987>

  Art. 81. De geneesheren-inspecteurs hebben tot opdracht de uitvoering van de aan de adviserend geneesheren opgedragen taken te controleren. Te dien einde doen zij alle nodige onderzoekingen en, gebeurlijk, het lichamelijk onderzoek van de rechthebbenden.
  (Overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 48 en 51 mogen de geneesheren-inspecteurs de gerechtigden onderzoeken en een beslissing nemen over de staat van arbeidsongeschiktheid.) <KB22 23-03-1982, art. 11>

  Art. 82. <KB22 23-03-1982, art. 12> Onverminderd de opdracht die aan de adviserend-geneesheren is toevertrouwd, staan de geneesheren-inspecteurs in individuele gevallen in voor de geneeskundige controle op de arbeidsongeschiktheid, hetzij op verzoek van de werkgevers of van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, hetzij op grond van de verslagen betreffende de enquêtes die door de met de controle belaste ambtenaren van de diensten voor geneeskundige en voor administratieve controle zijn verricht binnen het bestek van hun opdrachten zoals deze zijn omschreven in de artikelen 80 en 94.
  In dat geval doen de geneesheren-inspecteurs uitspraak over de staat van arbeidsongeschiktheid en geven van hun beslissing kennis onder de in artikel 83 bepaalde voorwaarden.

  Art. 83. Van de beslissingen van de geneesheren-inspecteurs over de staat van arbeidsongeschiktheid wordt, de dag zelf, kennis gegeven aan de gerechtigde en aan de adviserend geneesheer onder de door het comité van de dienst voor geneeskundige controle te bepalen voorwaarden. (Die beslissingen zijn dadelijk uitvoerbaar (...).) <W 08-04-1965, art. 37> <KB533 1987-03-31/41, art. 10, 011; Inwerkingtreding : 01-05-1987>

  Art. 84. <W 24-12-1963, art. 34> (Onverminderd de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, zijn de verzekeringsinstellingen, de verzorgingsinrichtingen, de tariferingsdiensten alsmede hun aangestelden of mandatarissen en de personen die de bij deze wet omschreven geneeskundige verstrekkingen mogen verlenen, ertoe gehouden de geneesheren-inspecteurs, de apothekers-inspecteurs, de verpleegkundigen-controleurs, de controleurs en de adjunct-controleurs, alle inlichtingen en stukken te verstrekken welke zij ter uitoefening van hun controleopdracht behoeven. De mededeling en het gebruik van die inlichtingen en stukken zijn afhankelijk gesteld van de eerbiediging van het geneeskundig geheim.) <KB 1991-05-29/30, art. 84, 021; Inwerkingtreding : 29-06-1991>
  (Ten opzichte van de verzekeringsinstellingen moet die mededeling van inlichtingen en stukken geschieden binnen een maximum-termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van aanvraag.
  De Dienst voor geneeskundige controle heeft toegang tot alle gegevens en documenten die door verzekeringsinstellingen, zorgverstrekkers, verplegingsinrichtingen en andere inrichtingen of diensten voor geneeskundige verzorging dienen meegedeeld te worden in het kader van deze wet.
  De Dienst voor geneeskundige controle heeft rechtstreekse toegang tot de profielgegevens en hun verwerkingen bij de Dienst voor geneeskundige verzorging en de Dienst voor uitkeringen.) <KB533 1987-03-31/41, art. 11, 3°, 011; Inwerkingtreding : 01-05-1987>
  (Lid 5 opgeheven.) <KB 1991-05-29/30, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 29-06-1991>

  Art. 85. <W 1985-08-01/31, art. 70, 006> De eerstaanwezend geneesheren-inspecteurs en de geneesheren-inspecteurs worden in iedere provincie onder de administratieve leiding geplaatst van een eerstaanwezend geneesheer-inspecteur-hoofd van dienst.
  De eerstaanwezend geneesheren-inspecteurs-hoofd van dienst staan onder de administratieve leiding van twee geneesheren-inspecteurs-generaal.

  Art. 86. (De geschillen van geneeskundige aard tussen de adviserend geneesheren en eerstaanwezend geneesheren-inspecteurs of de geneesheren-inspecteurs, behoudens die waarbij de rechten van de rechthebbenden in het geding komen, worden de eerstaanwezend geneesheer-inspecteur-hoofd van dienst ter beslissing voorgelegd.) <W 1985-08-01/31, art. 71, 006>
  De betrokkenen kunnen tegen de beslissingen van de (eerstaanwezend geneesheer-inspecteur-hoofd van dienst) hoger beroep instellen bij het comité van de dienst voor geneeskundige controle. <W 1985-08-01/31, art. 71, 006>
  De Koning stelt vast in welke vormen en binnen welke termijnen de (eerstaanwezend geneesheer-inspecteur-hoofd van dienst) en het comité uitspraak behoren te doen. <W 1985-08-01/31, art. 71, 006>
  Het beroep bij de (eerstaanwezend geneesheer-inspecteur-hoofd van dienst) en het hoger beroep bij het comité hebben schorsende werking. <W 1985-08-01/31, art. 71, 006>

  Afdeling 3. - Adviserend geneesheren.

  Art. 87. (De adviserend geneesheren hebben tot taak in te staan, overeenkomstig de bepalingen van deze wet, voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidsverstrekkingen. Onder de voorwaarden en binnen de termijnen welke de Koning bepaalt, zenden zij aan de Geneeskundige Raad voor invaliditeit de in artikel 51, eerste lid, bedoelde verslagen. Zij hebben eveneens de bevoegdheden die hun zijn (toegewezen krachtens de artikelen 19, eerste lid en 51, tweede lid.)) (Het toezicht inzake de toekenning van de tegemoetkoming bedoeld in artikel 25, § 9, kan bij koninklijk besluit eveneens worden toevertrouwd aan een college van adviserende geneesheren dat door de Koning wordt opgericht. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van dit college en de voorwaarden waaronder het zijn opdracht vervult.) <W 27-06-1969, art. 30> <KB58 22-07-1982, art. 6> <KB533 1987-03-31/41, art. 12, 011; Inwerkingtreding : 01-05-1987>
  De adviserend geneesheren zenden de dienst voor geneeskundige controle, binnen de termijnen die deze bepaalt, verslagen met betrekking tot de controle der gevallen van arbeidsongeschiktheid en der geneeskundige verstrekkingen. Het comité van de dienst voor geneeskundige controle stelt het model van die verslagen vast.
  Bij het uitvoeren van hun taak behoren de adviserend geneesheren zich te schikken naar de richtlijnen van de dienst voor geneeskundige controle.
  De beslissingen van de adviserend geneesheren zijn bindend voor de verzekeringsinstellingen.

  Art. 88. De adviserend geneesheren worden door de verzekeringsinstellingen in dienst genomen en bezoldigd.
  Het ambt van adviserend geneesheer mag evenwel slechts aan door de dienst voor geneeskundige controle beëdigde doctors in de geneeskunde opgedragen worden. De adviserend geneesheren leggen die eed af ten overstaan van de voorzitter van het comité van die dienst. Om tot de eedaflegging als adviserend geneesheer toegelaten te worden, dient hij vooraf door een verzekeringsinstelling voorgedragen en door het comité van de dienst voor geneeskundige controle erkend te zijn.
  Vooraleer een adviserend geneesheer te erkennen, verzoekt het comite de bevoegde provinciale raad van de Orde der geneesheren om advies; verstrekt de provinciale raad van de Orde der geneesheren het advies niet binnen de door het comité van de dienst voor geneeskundige controle bepaalde termijn, dan wordt deze formaliteit geacht te zijn vervuld.
  De adviserend geneesheren mogen door de verzekeringsinstellingen slechts worden afgezet of ontslagen als het comité van de dienst voor geneeskundige controle de intrekking van hun erkenning heeft uitgesproken of, in geval van ambtsopheffing, met de instemming van dat comité en onder de in het statuut van de adviserend geneesheren bepaalde voorwaarden.
  Statuut en bezoldiging van de adviserend geneesheren worden door de Koning bepaald op voorstel van het comité van de dienst voor geneeskundige controle, na raadpleging van de verzekeringsinstellingen (en de representatieve werknemersorganisaties). Buiten die bezoldiging mogen de adviserend geneesheren geen enkel voordeel genieten, in welke vorm ook. De adviserend geneesheren mogen geen andere medische activiteiten uitoefenen zonder de steeds herroepbare toelating van het comité van de dienst voor geneeskundige controle. <W 08-04-1965, art. 40, 1>
  Doen de verzekeringsinstellingen binnen de door het comité van de dienst voor geneeskundige controle bepaalde termijnen geen voordracht of nemen zij het vereiste aantal adviserend geneesheren niet in dienst, dan kan het comité alle maatregelen treffen om de geneeskundige controle te verzekeren.
  (Het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle kan, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van het Beheerscomité bij de Dienst voor uitkeringen of van een verzekeringsinstelling, één of meer geneesheren-inspecteurs belasten met de tijdelijke waarneming van de taken van adviserend geneesheer, ingeval er ernstige tekorten in de organisatie of de werking van de geneeskundige controle worden vastgesteld, of ingeval van schorsing of preventieve schorsing van de adviserend-geneesheer zoals bedoeld in artikel 89.) <KB22 23-03-1982, art. 14>

  Afdeling 4. - Tuchtmaatregelen.

  Art. 89. Het comité van de dienst voor geneeskundige controle kan (de adviserend geneesheren bedoeld in artikel 88, alsook de geneesheren-inspecteurs en de apothekers-inspecteurs, bedoeld in artikel 80, die zich niet schikken) naar de verzekeringsregelen of naar de richtlijnen van het comité, volgende tuchtstraffen opleggen: de waarschuwing, de afkeuring, de berisping en, bovendien, wat de adviserend geneesheren betreft, de schorsing van het recht tot uitoefening van hun ambt over een termijn van niet langer dan twee jaar en het definitief verbod tot uitoefening van dat ambt. <W 1985-08-01/31, art. 72, 1°, 006>
  Het statuut van de adviserend geneesheren bepaalt volgens welke regelen de krachtens het eerste lid uitgesproken tuchtstraffen ter kennis worden gebracht van de verzekeringsinstellingen.
  Van de tuchtstraffelijke beslissingen van het comité kan beroep aangetekend worden bij een der ten deze ingestelde commissies; het beroep schorst de uitvoering van de tuchtstraf.
  Bovendien kan het comité, telkens als het belang van de dienst of het algemeen belang zulks vergt, die adviserend geneesheren preventief schorsen over een tijdvak van ten hoogste twee maanden.
  (De Koning kan de geneesheren-inspecteurs en de apothekers-inspecteurs, bedoeld in artikel 80, op voorstel van het Comité schorsen of afzetten.) <W 1985-08-01/31, art. 72, 006>
  (De in het derde lid bedoelde commissies zijn samengesteld uit:
  a) drie door de Koning benoemde magistraten van de Rechterlijke Orde;
  b) drie leden, benoemd door de Koning uit de kandidaten die op dubbele lijsten worden voorgedragen door de groepen welke respectievelijk bedoeld zijn in artikel 78, 2°, 3°, (5° tot en met 14°). Die leden hebben slechts zitting voor de zaken welke de groep die hen heeft voorgedragen rechtstreeks aanbelangen. Zij hebben enkel raadgevende stem. <W 05-07-1971, art. 21>
  Het mandaat van de leden van de in het derde lid bedoelde commissies is onverenigbaar met dat van lid van het comité van de Dienst voor geneeskundige controle.
  De Koning bepaalt de werkingsregelen van de in het derde lid bedoelde commissies.) <W 08-04-1965, art. 40>
  Zowel voor het comité van de dienst voor geneeskundige controle als voor de in het derde lid bedoelde commissies, moet de geneesheer vooraf worden gehoord en mag hij zich laten bijstaan door een persoon die hij kiest.
  Telkens als het belang van de dienst of het algemeen belang zulks vergt, kan de Minister van Sociale Voorzorg, op voorstel van het Comité van de dienst voor geneeskundige controle, (de geneesheren-inspecteurs en de apothekers-inspecteurs, bedoeld in artikel 80,) preventief schorsen over een tijdvak van ten hoogste twee maanden; de Minister beslist in ieder geval of de preventieve schorsing al dan niet gehele of gedeeltelijke schorsing van de betaling der wedde in zich sluit. <W 1985-08-01/31, art. 72, 3°, 006>
  Deze schorsing kan worden vernieuwd na gemotiveerd advies van een der in het derde lid bedoelde commissies.

  Afdeling 5. - Verbod tot tegemoetkoming in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen.

  Art. 90. <W 1993-02-15/33, art. 65, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Onverminderd de eventuele strafrechtelijke en tuchtvervolging en afgezien van de bepalingen uit de overeenkomsten of verbintenissen, bedoeld in titel III van deze wet, kunnen de in artikel 79, § 2, van voornoemde wet bedoelde beperkte kamers de verzekeringsinstellingen het tegemoetkomen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen verbieden over een tijdvak van vijf dagen tot één jaar, wanneer ze worden verleend door een zorgverstrekker die de wets- of verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen niet naleeft.
  De beperkte kamers mogen slechts een beslissing nemen na de betrokkenen te hebben gehoord; verzuimen of weigeren zij te verschijnen, dan kunnen de beperkte kamers echter het in het vorige lid bedoelde verbod op geldige wijze uitspreken.
  Tegen de beslissing kan beroep worden ingesteld bij een der in artikel 89, derde lid, bedoelde Commissies van beroep.
  Zowel voor de beperkte kamers als voor de Commissies van beroep, mogen de betrokkenen zich laten bijstaan door een persoon die zij kiezen.
  De Koning bepaalt, op gezamenlijk voorstel van de in artikel 34, § 2, bedoelde Nationale Commissie geneesheren-ziekenfondsen en Nationale Commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen, dan wel op voorstel van de in artikel 19 bepaalde bevoegde akkoordencommissie, de wijze van bekendmaking van de definitieve beslissingen houdende verbod van tegemoetkoming, die door de beperkte kamers of door de Commissies van beroep zijn genomen; enkel het beschikkend gedeelte der beslissingen wordt bekendgemaakt.

  Art. 90bis. <Ingevoegd bij W 1989-12-22/31, art. 30, 017; Inwerkingtreding : 01-12-1990> Bij vaststelling van een tekortkoming inzake de bepalingen van artikel 35, vorderen de in artikel 79bis bedoelde Commissies, onverminderd straf- of tuchtrechtelijke vervolgingen, de uitgaven met betrekking tot de prestaties welke door de ziekte- en invaliditeitsverzekering werden ten laste genomen, geheel of gedeeltelijk terug van (de zorgverstrekker.) <W 1991-07-20/31, art. 37, 023; Inwerkingtreding : 11-08-1991>
  Samen met deze terugvorderingen kunnen zij de toepassing van de derde-betalersregeling voor de prestaties verstrekt door (de betrokken zorgverstrekker) verbieden. <W 1991-07-20/31, art. 37, 023; Inwerkingtreding : 11-08-1991>
  (De definitieve beslissingen van de Controlecommissie en van de Commissie van beroep zijn van rechtswege uitvoerbaar. De sommen brengen van rechtswege interest op vanaf de dag volgend op het verstrijken van de terugbetalingstermijn vastgesteld in de beslissing. Ingeval de schuldenaar in gebreke blijft, kan de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, de registratie en de domeinen worden belast met de invordering van de verschuldigde bedragen overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949.) <W 1991-07-20/31, art. 37, 023; Inwerkingtreding : 11-08-1991>
  (De Koning bepaalt de modaliteiten van bekendmaking van de definitieve beslissingen betreffende het verbod bedoeld in het tweede lid.) <W 1991-07-20/31, art. 37, 023; Inwerkingtreding : 11-08-1991>
  De teruggevorderde bedragen worden als inkomsten van de geneeskundige verzorging geboekt.

  Afdeling 6. <ingevoegd bij W 1990-12-29/30, art. 45, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991> - Bepalingen betreffende de adviserend geneesheren van de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen.

  Art. 90ter. <Ingevoegd bij W 1990-12-29/30, art. 45, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991> De Koning stelt alle regelen vast die van toepassing zijn op de adviserend geneesheren van de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen en Hij bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden waaronder de bepalingen die betrekking hebben op de adviserend geneesheren, bedoeld in de afdelingen 1, 2, 3 en 4, tot hen kunnen worden verruimd.

  HOOFDSTUK II. - Administratieve controle.

  Eerste Afdeling. - Dienst voor administratieve controle.

  Art. 91. In de schoot van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering wordt een dienst voor administratieve controle ingesteld die er mede belast is in te staan voor de administratieve controle op de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging (((, van de uitkeringsverzekering en van de moederschapsverzekering))) (alsmede voor de administratieve controle op het inachtnemen van de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten); ((de materies, bedoeld in de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, worden evenwel uitgesloten van die controle.)) <KB176 30-12-1982, art. 3> <W 1990-12-29/30, art. 64, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991> <W 1993-02-15/33, art. 66, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 92. (De Dienst voor administratieve controle ontvangt zijn technische richtlijnen van een Comité dat samengesteld is uit een voorzitter en uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van werkgevers, van werknemers en van de verzekeringsinstellingen.) <W 1993-02-15/33, art. 67, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  De Koning bepaalt (het) aantal werkende en plaatsvervangende vertegenwoordigers en benoemt ze; Hij benoemt de voorzitter en de ondervoorzitters. <W 1993-02-15/33, art. 67, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  Hij stelt de werkingsregelen van het comité vast.
  (Een vertegenwoordiger van de Controledienst bedoeld in artikel 49 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, woont de vergaderingen van het Comite bij met raadgevende stem.) <W 1990-12-29/30, art. 65, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>

  Art. 93. <W 1993-02-15/33, art. 68, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Het Comité van de Dienst voor administratieve controle :
  1° stelt de technische richtlijnen vast met het oog op de organisatie van de administratieve controle;
  2° verstrekt adviezen en doet voorstellen in verband met de reglementering betreffende de administratieve controle;
  3° maakt, binnen de door de Koning te bepalen termijnen, verslagen op over zijn bevindingen inzake de toepassing, door de verzekeringsinstellingen, van de wets- en verordeningsbepalingen betreffende :
  a) de verzekering voor geneeskundige verzorging;
  b) de uitkeringsverzekering en de moederschapsverzekering;
  4° bezorgt de in 3° bedoelde verslagen, samen met de aanbevelingen ingegeven door zijn bevindingen, het eerste aan de Minister en aan de Algemene raad, het tweede aan de Minister en aan het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen;
  5° stelt het Algemeen comité de administratieve en statistische regelen voor, welke de verzekeringsinstellingen moeten in acht nemen om de Dienst voor administratieve controle in staat te stellen zijn opdracht uit te oefenen;
  6° verstrekt de Minister adviezen over de maatstaven tot erkenning van de in artikel 98 bedoelde tariferingsdiensten;
  7° stelt aan het Algemeen comité de nadere regelen voor tot het vergoeden van de kosten, door de Dienst gedragen voor het uitvoeren van andere taken welke hem door de Koning worden opgedragen;
  8° stelt het Algemeen comité de begroting van de administratiekosten van de Dienst voor administratieve controle voor;
  9° stelt het Algemeen comité in de gevallen waarin dit Comité ter zake bevoegd is, de aanwerving, de benoeming, de dienstaanwijzing, de bevordering, het ontslag en de afzetting van het personeel van de Dienst voor administratieve controle voor alsmede de aan dat personeel op te leggen tuchtstraffen;
  10° beslist over de rechtsvorderingen binnen zijn bevoegdheid.
  In geval van dringende noodzakelijkheid kan de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle beslissen over de rechtsvordering. Die vordering wordt ter goedkeuring aan het Comité bedoeld in artikel 92, voorgelegd op zijn eerstvolgende vergadering. Indien die goedkeuring wordt geweigerd, dient van de ingestelde vordering afstand te worden gedaan;
  11° stelt zijn huishoudelijk reglement op dat aan de Koning ter goedkeuring wordt voorgelegd.
  De in artikel 92 bedoelde vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen hebben zitting met raadgevende stem wat de materies betreft waarvan sprake is onder de punten 1, 9° en 10°.
  De Koning kan, op voorstel van het Algemeen comité, na advies van het in artikel 92 bedoelde Comité, aan de Dienst voor administratieve controle andere taken opdragen met het oog op de toepassing van de wets- en verordeningsbepalingen inzake ziekte en invaliditeitsverzekering.

  Art. 94. (Om de in artikel 91 bedoelde opdracht te vervullen beschikt de Dienst voor administratieve controle over inspecteurs, adjunct-inspecteurs (,bekleed met verschillende graden,) en administratief personeel.) <W 07-07-1976, art. 6> <W 1985-08-01/31, art. 73, 006>
  Hij doet iedere onderzoeking of bevinding, hetzij uit eigen beweging, hetzij op verzoek van de Minister van Sociale Voorzorg, de dienst voor geneeskundige verzorging, de dienst voor uitkeringen, de dienst voor geneeskundige controle of een verzekeringsinstelling.
  De dienst voor administratieve controle geeft, binnen dertig dagen, aan de verzekeringsinstellingen kennis van zijn bevindingen gedaan bij het vervullen van zijn opdracht.

  Art. 95. (opgeheven) <W 1993-02-15/33, art. 69, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 96. <W 24-12-1963, art. 35> (Onverminderd de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, behoren de verzekeringsinstellingen, de verzorgingsinstellingen, de tariferingsdiensten alsmede hun aangestelden of mandatarissen en de personen die de bij deze wet omschreven geneeskundige verstrekkingen mogen verlenen, de in artikel 94 bedoelde inspecteurs en adjunct-inspecteurs alle administratieve inlichtingen te verstrekken welke zij ter uitoefening van hun controleopdracht behoeven. <KB 1991-05-29/30, art. 2, 021; Inwerkingtreding : 29-06-1991>
  (De bepalingen van het vorige lid zijn niet van toepassing op de geneesheren, op de tandheelkundigen en op de apothekers.) <W 27-06-1969, art. 31>
  (De administratieve bescheiden en bewijsstukken van uitgaven en ontvangsten worden verzameld :
  - in het (ziekenfonds) als het gaat om landsbonden; <W 1993-02-15/33, art. 70, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  - in de gewestelijke dienst als het gaat om de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
  - in de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen.) <W 1990-12-29/30, art. 46, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (lid opgeheven) <KB533 1987-03-31/41, art. 13, 011; Inwerkingtreding : 01-05-1987>

  Afdeling 2. - Terugvordering van de ten onrechte betaalde prestaties.

  Art. 97. <W 27-06-1969, art. 32> Onder voorbehoud van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel, is hij die, ten gevolge van een vergissing of bedrog, ten onrechte prestaties heeft ontvangen van de verzekering voor geneeskundige verzorging (, van de uitkeringsverzekering of van de moederschapsverzekering,) verplicht de waarde ervan te vergoeden aan de verzekeringsinstelling die ze heeft verleend. De waarde van de aan een rechthebbende ten onrechte uitgekeerde prestaties dient evenwel terugbetaald te worden door diegene die de verzorging heeft verstrekt of verklaard heeft ze te hebben verstrekt indien het onverschuldigd zijn van de prestaties te wijten is aan het feit dat hij daarvoor de hoedanigheid niet bezat of zich, ten gevolge van een vergissing of bedrog, niet geschikt heeft naar de wets- of verordeningsbepalingen die hij moet naleven; (indien evenwel de erelonen met betrekking tot de ten onrechte uitgekeerde prestaties niet werden betaald, zijn de verstrekker van de verzorging en de rechthebbende aan wie de verzorging werd verstrekt hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de ten onrechte uitgekeerde prestaties.) (De prestaties vermeld op getuigschriften, facturen of magnetische dragers, die niet werden ingediend of verbeterd overeenkomstig de in de terzake door de Koning of bij verordening vastgestelde modaliteiten, worden beschouwd als ten onrechte uitgekeerde prestaties en dienen derhalve te worden terugbetaald door de betrokken zorgverstrekker, dienst of inrichting.) <W 22-12-1977, art. 155> <KB408 1986-04-18/34, art. 9, 007> <W 1993-02-15/33, art. 71, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  Indien de ten onrechte uitgekeerde prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging langs het stelsel van de betalende derde werden uitbetaald, dienen zij terugbetaald te worden door de verstrekker van de verzorging of door de natuurlijke of rechtspersoon die ze voor eigen rekening geind heeft, tenzij het onverschuldigd zijn van de prestaties te wijten is aan het feit dat, buiten medeweten van voornoemde personen, diegene die de verzorging genoten heeft de hoedanigheid van rechthebbende niet bezat of zich niet geschikt heeft naar de wets- of verordeningsbepalingen. In deze laatste gevallen dienen de prestaties terugbetaald te worden door diegene die de verzorging genoten heeft.
  (Alle terugvorderingen van onverschuldigde betalingen, voortvloeiend uit dit artikel, kunnen ingeleid worden volgens de procedure voorzien bij artikel 704, (§ 2) van het Gerechtelijk Wetboek.) <KB533 1987-03-31/41, art. 14, 011; Inwerkingtreding : 01-05-1987> <W 2005-12-13/35, art. 31, 032; Inwerkingtreding : 31-12-2005>
  (Alle ten onrechte betaalde prestaties worden op een bijzondere rekening geboekt. Die prestaties worden teruggevorderd door de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend binnen de door de Koning bepaalde termijnen en met alle middelen, de gerechtelijke inbegrepen.) <W 1993-02-15/33, art. 71, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  (De Koning kan echter de verzekeringsinstelling ervan vrijstellen bepaalde zeer geringe bedragen terug te vorderen, overeenkomstig de modaliteiten en binnen de perken die Hij vaststelt.) <W 1990-12-29/30, art. 67, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (Indien door de Dienst voor administratieve controle wordt vastgesteld, hetzij dat een onrechtmatige betaling werd verricht, hetzij dat een prestatie moet worden betaald of aangevuld, kan de verzekeringsinstelling binnen twee maanden na de in artikel 94 bepaalde kennisgeving, het eventuele geschil aanbrengen voor de arbeidsrechtbank.) <W 12-05-1971, art. 18>
  (De Koning kan, in sommige gevallen van aansluiting of inschrijving in een verkeerde hoedanigheid, de rechthebbende die ten onrechte prestaties heeft ontvangen, vrijstellen de waarde ervan terug te betalen. In dit geval, kan Hij eveneens voorzien in de niet terugbetaling van de ten onrechte ontvangen bijdragen.
  Deze bepaling is niet toepasselijk indien de aansluiting of de inschrijving in een verkeerde hoedanigheid het gevolg is van bedrieglijke handelingen.) <KB10 11-10-1978, art. 3>

  Afdeling 3. - Tariferingsdiensten.

  Art. 98. Wordt de tegemoetkoming van de verzekeringsinstellingen in de kosten van (verstrekkingen gedaan door apothekers) niet rechtstreeks door die instellingen aan de gerechtigden gestort, dan worden alle tariferingsverrichtingen en alle betalingen van de verzekeringsinstellingen voor farmaceutische verstrekkingen verplicht gedaan via door de Minister van Sociale Voorzorg erkende tariferingsdiensten. <W 1992-06-26/30, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 10-07-1992>
  De Koning stelt de maatstaven tot erkenning van die tariferingsdiensten vast, na advies van de in artikel 27 bedoelde commissie waar deze de apothekers beoogt.
  Die diensten zijn gemachtigd van de apothekers een tegemoetkoming in hun beheerskosten te vorderen.
  (De tariferingsdiensten zijn verplicht aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering op verzoek van dit laatste de gegevens te bezorgen omtrent de verstrekkingen waarvoor zij de tariferingsverrichtingen uitvoeren. Die gegevens moeten worden bezorgd door tussenkomst van de verzekeringsinstellingen die instaan voor de anonimiteit van de gegevens.
  De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, dat uitwerking heeft op 1 juli 1983, in welke gevallen en onder welke voorwaarden de kosten die uit de hiervoor bedoelde verplichting voortvloeien kunnen worden aangerekend op de begroting van de administratiekosten van voornoemd Instituut en volledig ten laste kunnen worden genomen van de sector geneeskundige verzorging.) <W 1992-06-26/30, art. 28, 025; Inwerkingtreding : 10-07-1992>
  Voor de toepassing van de bepalingen van onderhavig artikel worden de geneesheren en de verplegingsinrichtingen die een geneesmiddelendepot houden, met de apothekers gelijkgesteld.
  (Bij een in Ministerraad overlegd besluit stelt de Koning de voorwaarden vast waarin de tariferingsdiensten aan de verzekeringsorganismen de farmaceutische verstrekkingen afgeleverd door officina's toegankelijk voor het publiek, factureren die werden bezorgd aan begunstigden die gehuisvest zijn in rusthuizen, rust- en verzorgingstehuizen of instellingen waarin jongeren, herstellenden of minder-validen verblijven. Het tarief van de farmaceutische verstrekkingen waarop dit lid van toepassing is wordt bepaald door de Koning. De toepassing van deze bepaling mag geen verhoging van de persoonlijke tussenkomst van de rechthebbenden tot gevolg hebben.) <W 1989-12-22/31, art. 35, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>

  Afdeling 4. - Straffen die toepasselijk zijn op de verzekeringsinstellingen en op de tariferingsdiensten. <W 1994-03-30/31, art. 35, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>

  Art. 99. <W 1993-02-15/33, art. 72, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Onder de door de Koning bepaalde voorwaarden spreekt het Comité van de Dienst voor administratieve controle, bijeengekomen in speciale vergadering waarop de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen niet aanwezig zijn, ten laste van de verzekeringsinstellingen (of van de tariferingsdiensten) administratieve geldboeten uit van 1 000 tot 10 000 frank, in geval van overtreding van de bepalingen van deze wet, haar uitvoeringsbesluiten of -verordeningen. <W 1994-03-30/31, art. 35, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  De administratieve geldboeten zijn van rechtswege uitvoerbaar.
  De verzekeringsinstellingen (of de tariferingsdiensten) kunnen tegen de beslissing van het Comité van de Dienst voor administratieve controle beroep aantekenen bij de arbeidsrechtbanken onder de voorwaarden bedoeld in artikel 100. <W 1994-03-30/31, art. 35, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>

  HOOFDSTUK III. - Rechtscolleges en sancties.

  Eerste Afdeling. - Rechtscolleges.

  Art. 100. (Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 34ter, § 4, behoren de betwistingen in verband met de rechten en plichten voortvloeiend uit de wetgeving en reglementering betreffende de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank.) <KB22 23-03-1982, art. 15>
  De bestreden administratieve rechtshandelingen moeten, op straffe van verval, binnen een maand na de kennisgeving ervan aan de bevoegde arbeidsrechtbank voorgelegd worden.
  De vordering ingeleid voor de arbeidsrechtbank werkt niet schorsend.
  (In de zaken waarin een medisch expert wordt aangewezen, worden de voorschotten, de erelonen en de kosten van deze expert die vervat zijn in de nota die hij opstelt overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, aangeduid met toepassing van het door de Koning vastgestelde tarief.) <W 1993-02-15/33, art. 73, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Afdeling 2. - Administratieve en strafsancties.

  Art. 101. (Op voorstel of na advies van de dienst voor administratieve controle stelt de Koning de administratieve sancties vast die toepasselijk zijn in geval van overtreding van de bepalingen van deze wet of van haar uitvoeringsbesluiten en verordeningen). <W 1994-03-30/31, art. 36, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  De Koning bepaalt tevens de nadere regelen tot toepassing van die sancties.
  (Onverminderd de bepalingen van artikel 52 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, worden voor de geneesheren en de tandheelkundigen die de honoraria en de andere bedragen niet naleven die voortvloeien uit de bepalingen van artikel 34, § 13, alsmede voor de vroedvrouwen, paramedische medewerkers en de beheerders van verzorgingsinrichtingen die de honoraria en prijzen niet naleven die voortvloeien uit de bepalingen van artikel 33, § 5, de administratieve sancties vastgesteld overeenkomstig het eerste lid.) <W 1994-03-30/31, art. 36, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  (In geval van overtreding van de bepalingen van artikel 37ter wordt de administratieve geldboete opgelegd aan de kinesitherapeut of verpleegkundige ten laste van wie de overtreding is vastgesteld. De persoon die overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek ter zake burgerrechtelijk aansprakelijk is, is er echter toe gehouden de geldboete te betalen die aan zijn aangestelde is opgelegd.
  De definitieve beslissingen die met toepassing van de in de vorige leden bedoelde bepalingen worden uitgesproken, zijn van rechtswege uitvoerbaar. In geval de schuldenaar in gebreke blijft, kan het Bestuur van de belasting over de toegevoegde waarde, van Registratie en domeinen, ermee belast worden de administratieve geldboete in te vorderen overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van de domaniale wet van 22 december 1949.
  De inspecteurs van de Dienst voor administratieve controle zijn bevoegd om vast te stellen dat een getuigschrift voor verstrekte zorg of een factuur niet overeenkomstig de geldende reglementering is opgesteld.
  Deze vaststellingen gelden tot bewijs van het tegendeel.
  De Dienst voor administratieve controle spreekt - ten laste van de zorgverstrekker en onder de door de Koning te bepalen voorwaarden - een sanctie van 5 000 frank uit per verkeerd geattesteerde of gefactureerde prestatie.) <W 1993-02-15/33, art. 74, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>

  Art. 102. <W 1989-12-22/31, art. 124, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990> Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, maken de in het artikel 80 bedoelde geneesheren-inspecteurs, apothekers-inspecteurs, verpleegkundigen-controleurs, controleurs en adjunct-controleurs, de in artikel 94 bedoelde inspecteurs en adjunct-inspecteurs evenals de inspecteurs en de adjunct-inspecteurs van de sociale inspectie van het Ministerie van Sociale Voorzorg die naar aanleiding van hun controleopdracht een overtreding van de wets- of verordeningsbepalingen betreffende de verzekering voor geneeskundige verzorging of de uitkeringsverzekering vaststellen, processen-verbaal op die bewijskrachtig zijn behoudens tegenbewijs. De inspecteurs en de adjunct-inspecteurs van voornoemde sociale inspectie zijn enkel bevoegd om de in artikel 65 bedoelde overtredingen vast te stellen.
  Deze ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.

  Art. 103. <W 08-04-1965, art. 43> (Worden per inbreuk gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één maand en/of een geldboete van 26 tot 500 frank :) <KB 1991-05-29/30, art. 3, 021; Inwerkingtreding : 29-06-1991>
  a) de werkgevers, hun aangestelden of mandatarissen, die de gerechtigden de bescheiden niet verschaffen welke zij behoeven om bij de uitvoeringsinstellingen van deze wet van hun rechten op de prestaties van de verzekering te doen blijken;
  b) de beoefenaars van de geneeskunst, de paramedische medewerkers en de beheerders van de verzorgingsinrichtingen die, na waarschuwing betekend door de beambten om de inbreuk vast te stellen, meermaals weigeren aan de rechthebbenden in de vastgestelde vormen de bescheiden uit te reiken welke zijn voorgeschreven door deze wet en de uitvoeringsbesluiten en -verordeningen;
  c) de doctors in de genees-, heel- en verloskunde en de tandheelkundigen, die de honoraria niet in acht nemen welke zijn vastgesteld bij toepassing van artikel 52 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, alsmede de vroedvrouwen, de paramedische medewerkers en de beheerders van verzorgingsinrichtingen die de honoraria en prijzen niet in acht nemen welke zijn vastgesteld bij toepassing van evengenoemd artikel of bij artikel 151;
  (d) de beoefenaars van de geneeskunst, de beheerders van de verplegingsinrichtingen en de paramedische medewerkers die een getuigschrift voor verstrekte hulp, van verzorging of van aflevering, uitreiken voor de verstrekkingen welke zijn verleend tijdens de duur van het in artikel 90 bedoelde verbod tot tegemoetkoming in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen.) <W 07-07-1976, art. 9>
  (e) degene die schadeloosstelling verschuldigd is en die nalaat de verzekeringsinstelling in te lichten overeenkomstig de bepalingen van artikel 76quater, § 2, zesde lid, van deze wet.) <W 1993-08-06/30, art. 12, 029; Inwerkingtreding : 19-08-1993>
  (f) de beoefenaars van de geneeskunst, de beheerders van de verplegingsinrichtingen en de paramedische medewerkers die een getuigschrift voor verstrekte hulp uitreiken terwijl niet is voldaan aan de hen opgelegde bepalingen van de nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen.) <W 1993-08-06/30, art. 16, 029; Inwerkingtreding : 19-08-1993>

  Art. 104. <W 08-04-1965, art. 44, 1> (Onverminderd de toepassing van de artikelen 269 tot en met 274 van het Strafwetboek, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één maand en/of een geldboete van 26 tot 500 frank, eenieder die hetzij de adviserend-geneesheren, de geneesheren-inspecteurs, de apothekers-inspecteurs, de verpleegkundigen-controleurs, de controleurs, de adjunct-controleurs, de inspecteurs of de adjunct-inspecteurs, respectievelijk bedoeld in de artikelen 87, 80, 85 en 94, of de door hen afgevaardigde beambten, hetzij de krachtens artikel 121, 10° en 11° aangewezen ambtenaren, hetzij de inspecteurs of adjunct-inspecteurs van de Sociale Inspectie van het Ministerie van Sociale Voorzorg hindert bij de uitoefening van hun taak of onjuiste inlichtingen verstrekt.) <KB 1991-05-29/30, art. 4, 021; Inwerkingtreding : 29-06-1991>
  Er is evenwel geen overtreding wanneer de geneesheer of de tandheelkundige zich op het geneeskundig geheim beroept als verantwoording van de in vorengenoemd lid bedoelde feiten en de rechter meent dat die verontschuldiging gegrond is. Ten einde te oordelen of het aanvoeren van het geneeskundig geheim gegrond is, mag de magistraat een lid van de Raad van de Orde der geneesheren van het rechtsgebied als deskundige aanwijzen.
  Er is evenmin overtreding wanneer de apotheker het beroepsgeheim inzake geneeskunde inroept om bepaalde inlichtingen niet te moeten mededelen. Om na te gaan of een dergelijke rechtvaardiging gegrond is, kan de magistraat een lid van de Raad van de Orde van apothekers van het betrokken ressort als deskundige aanwijzen.

  Art. 105. <KB 1991-05-29/30, art. 5, 021; Inwerkingtreding : 29-06-1991> In geval van herhaling binnen één jaar na een vorige veroordeling, kan de straf op het dubbel worden gebracht van het in de artikelen 103 en 104 vastgestelde maximum.

  Art. 105bis. <KB 1991-05-29/30, art. 6, 021; Inwerkingtreding : 29-06-1991> Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met uitzondering van hoofdstuk V, maar met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken bepaald bij deze wet.

  HOOFDSTUK IV. - Verjaring.

  Art. 106. § 1. 1° De vordering tot betaling van prestaties der uitkeringsverzekering verjaart twee jaar na het einde van de maand waarop die uitkeringen betrekking hebben.
  2° De vorderingen van degene die prestaties van de uitkeringsverzekeringen genoten heeft, tot betaling van de sommen welke die prestaties tot een hoger bedrag zouden opvoeren, verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin de prestaties zijn uitbetaald.
  3° De vordering ter betaling van geneeskundige verstrekkingen verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin de verzorging is verstrekt of deze prestaties al dan niet betaald werden via de derde-betalers regeling.
  4° De vordering tot betaling van sommen welke de betaling voor de geneeskundige verstrekkingen, die verleend is, tot een hoger bedrag zouden opvoeren, verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin die betaling is gedaan.
  5° De vordering tot terugvordering van de waarde der ten laste van de uitkeringsverzekering ten onrechte verleende prestaties, verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin die prestaties zijn uitbetaald.
  6° De vordering tot terugvordering van de waarde der ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging ter onrechte verleende prestaties, verjaart twee jaar na het einde van de maand waarin die prestaties zijn vergoed.
  (7° Na een termijn van twee jaar, met ingang van het einde van de maand waarin een prestatie op onrechtmatige wijze door een verzekeringsinstelling betaald is, moet deze niet worden geboekt op de in artikel 97 bedoelde bijzondere rekening.) <W 07-07-1976, art. 10, 1°>
  8° De in artikel 99 bedoelde overtredingen zijn verjaard na verloop van twee jaar, te rekenen vanaf het einde van de maand waarin zij zijn begaan.
  (8°bis De vordering tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde persoonlijke bijdragen gesteund op de uitvoeringsmaatregelen van de artikelen 22 en 73, verjaart twee jaar na het einde van de maand waarop ze betrekking hebben.) <KB10 11-10-1978, art. 4>
  (9° Voor de toepassing van artikel 79, 9°, zal enkel rekening worden gehouden met de feiten welke bij de vaststelling ervan niet meer dan twee jaar oud zijn.) <W 08-04-1965, art. 45>
  Van de in 1°, 2°, 3° en 4° van dit artikel bedoelde verjaringen mag niet worden afgezien.
  (De in 5°, 6° en 7°) van dit artikel bedoelde verjaringen gelden niet ingeval het ten onrechte verlenen van prestaties het gevolg is van bedrieglijke handelingen waarvoor hij wie ze tot baat strekken, verantwoordelijk is. (In dat geval bedraagt de verjaringstermijn 5 jaar.) (Voor de feiten die aan de in artikel 79, 5° lid, bedoelde beperkte kamers en aan de in artikel 89, 3° lid, bedoelde commissies van beroep zijn voorgelegd, gaat de in 6° bepaalde verjaring pas in op de datum waarop een definitieve beslissing van die beperkte kamers of commissies van beroep is genomen.) <W 1985-08-01/31, art. 76, 006> <W 1993-08-06/30, art. 17, 029; Inwerkingtreding : 19-08-1993> <W 07-07-1976, art. 10, 2°>
  Een ter post aangetekend schrijven volstaat om een in dit artikel bedoelde verjaring te stuiten. De stuiting kan worden vernieuwd.
  (De in 1°, 2°, 3° en 4° van dit artikel bedoelde verjaringen worden geschorst door overmacht.
  De Koning bepaalt de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de overmacht kan worden ingeroepen.) <W 1989-05-24/32, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 13-10-1990>
  § 2. (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>

  HOOFDSTUK V. - Beëdiging.

  Art. 107. <W 07-07-1977, art. 11> De voorzitters van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle en van het Comité van de dienst voor administratieve controle leggen de eed af ten overstaan van de Minister van Sociale Voorzorg.
  (De in artikel 80 bedoelde geneesheren-inspecteurs, apothekers-inspecteurs, (verpleegkundigen-controleurs,) controleurs en adjunct-controleurs) en de in artikel 94 bedoelde inspecteurs en adjunct-inspecteurs, leggen de eed af ten overstaan van de voorzitter van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle, respectief de voorzitter van de Dienst voor administratieve controle. <KB22 23-03-1982, art. 18> <KB533 1987-03-31/41, art. 17, 011; Inwerkingtreding : 01-05-1987>
  De Koning bepaalt de eedformulieren.

  TITEL VII. - GEMENE BEPALINGEN TER ZAKE VAN HET RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING EN VAN DE HULPKAS VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING.

  HOOFDSTUK I. - Personeel.

  Art. 108. Het Rijksinstituut voor ziekte- invaliditeitsverzekering en de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering beschikken ieder over hun eigen personeel.

  Art. 109. Het personeel van de algemene diensten van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering staat onder de leiding van een administrateur-generaal, bijgestaan door een adjunct-administrateur-generaal, benoemd door de Koning die hun wedde vaststelt.

  Art. 110. Het personeel van de dienst voor uitkeringen en dat van de dienst voor geneeskundige verzorging staan onder de leiding hetzij van de administrateur-generaal van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, respectief hetzij van zijn adjunct-administrateur-generaal.

  Art. 111. <W 08-04-1965, art. 47> Het personeel van de Dienst voor geneeskundige controle staat onder de leiding van een ambtenaar die door de Koning wordt benoemd na advies van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle.
  Het personeel van de Dienst voor administratieve controle staat onder de leiding van een ambtenaar die door de Koning wordt benoemd.
  De Koning stelt de wedde vast van vorenbedoelde leidend ambtenaren.

  Art. 112. Het personeel van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering staat onder de leiding van een leidend ambtenaar, bijgestaan door een adjunct-leidend ambtenaar, benoemd door de Koning die hun wedde vaststelt.

  Art. 113. <W 1993-02-15/33, art. 75, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De administrateur-generaal van het Instituut is belast met de uitvoering van de beslissingen van het Algemeen comité die betrekking hebben op de algemene diensten.
  Hij staat in voor het secretariaat van het Algemeen comité.
  Hij oefent de bevoegdheden uit inzake dagelijks beheer welke door het Algemeen comité zijn omschreven in zijn huishoudelijk reglement.
  De administrateur-generaal vertegenwoordigt het Instituut in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen. Hij stelt de vorderingen bij de rechtscolleges in, overeenkomstig de beslissingen genomen met toepassing van de artikelen 8, 9°, 12, § 1, 5°, 40, 8°, 79, 17° en 93, 10°. Hij gaat geen persoonlijke verbintenissen aan en is enkel verantwoordelijk voor de uitvoering van zijn opdracht.
  Ingeval de administrateur-generaal verhinderd is, worden zijn bevoegdheden uitgeoefend door de adjunct-administrateur-generaal en, ingeval deze verhinderd is, door een door het Algemeen comité aangewezen personeelslid van het Instituut. Voor een vlottere afhandeling van de zaken, kan het Algemeen comité, onder de voorwaarden welke hij vaststelt, de administrateur-generaal machtigen een gedeelte van zijn bevoegdheden over te dragen aan de ambtenaren onder wier leiding de bijzondere diensten van het Instituut staan.

  Art. 114. <W 1993-02-15/33, art. 76, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen is belast met de uitvoering van de beslissingen van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen alsmede van die van het Algemeen comité welke betrekking hebben op de Dienst voor uitkeringen.
  Hij woont de vergaderingen van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen bij en staat in voor het secretariaat ervan.
  Hij woont rechtens de vergaderingen bij van de raden en commissies die werkzaam zijn in de schoot van de Dienst waarvan hij de leiding heeft of kan zich daarop doen vertegenwoordigen door de ambtenaar die hij aanwijst.
  Hij oefent de bevoegdheden uit inzake dagelijks beheer welke door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen zijn omschreven in zijn huishoudelijk reglement.
  Ingeval de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen verhinderd is, worden zijn bevoegdheden uitgeoefend door een door het Algemeen comité aangewezen personeelslid van genoemde dienst.
  § 2. De leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging is belast met de uitvoering van de beslissingen van de Algemene raad, van het Verzekeringscomité alsmede van die van het Algemeen Comité welke betrekking hebben op de Dienst voor geneeskundige verzorging.
  Hij woont de vergaderingen van de Algemene raad en van het Verzekeringscomité bij en staat in voor het secretariaat ervan.
  Hij woont rechtens de vergaderingen bij van de raden, colleges, commissies en comités die werkzaam zijn in de schoot van de Dienst waarvan hij de leiding heeft of kan zich daarop doen vertegenwoordigen door de ambtenaar die hij aanwijst.
  Hij oefent de bevoegdheden uit inzake dagelijks beheer welke door de Algemene raad zijn omschreven in zijn huishoudelijk reglement.
  Ingeval de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging verhinderd is, worden zijn bevoegdheden uitgeoefend door een door het Algemeen comité aangewezen personeelslid van genoemde dienst.
  § 3. De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen en die van de Dienst voor geneeskundige verzorging wonen de vergaderingen van het Algemeen comité bij.

  Art. 115. De ambtenaren onder wier leiding de dienst voor geneeskundige controle en de dienst voor administratieve controle staan, zijn belast met de uitvoering van de beslissingen van het comité van de dienst die onder hun leiding staat.
  Zij wonen de vergaderingen bij van het comité van de dienst die onder hun leiding staat en staan in voor het secretariaat ervan.
  Zij oefenen de machten uit inzake dagelijks beheer welke door de comités van de dienst voor geneeskundige controle en van de dienst voor administratieve controle zijn omschreven in het huishoudelijk reglement van ieder van die comités.

  Art. 116. De leidend ambtenaar van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering is belast met de uitvoering van de beslissingen van het beheerscomité van de Hulpkas.
  Hij woont de vergaderingen van het beheerscomité van de Hulpkas bij en staat in voor het secretariaat ervan.
  Hij oefent de machten uit inzake dagelijks beheer welke door het beheerscomité van de Hulpkas zijn omschreven in zijn huishoudelijk reglement.
  De leidend ambtenaar van de Hulpkas vertegenwoordigt die Hulpkas in de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen. Hij gaat geen persoonlijke verbintenissen aan en is enkel verantwoordelijk voor de uitvoering van zijn opdracht.
  Ingeval de leidend ambtenaar verhinderd is, worden zijn machten uitgeoefend door de adjunct-leidend ambtenaar en, ingeval deze verhinderd is, door een door het beheerscomité aangewezen personeelslid van de Hulpkas.
  Voor een vlottere afhandeling van de zaken, kan het beheerscomité onder de voorwaarden welke het vaststelt, de leidend ambtenaar machtigen een gedeelte van zijn machten op te dragen aan personeelsleden van de Hulpkas.

  Art. 117. <W 1993-02-15/33, art. 77, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. De personeelsleden van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering worden aangeworven, benoemd, voor de dienst aangewezen, bevorderd, ontslagen en afgezet door het Beheerscomité van de Hulpkas.
  Niettegenstaande de bepalingen van het personeelsstatuut van de Hulpkas, mag het Beheerscomité de adviserend-geneesheren van die instelling ontslaan of afzetten zonder andere voorwaarde dan de intrekking van hun erkenning door het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle.
  § 2. Onder voorbehoud van de bepalingen van de artikelen 79, 11°, en 89, worden de voor de Dienst voor geneeskundige controle en voor de Dienst voor administratieve controle aangewezen personeelsleden van het Instituut, op voorstel van de Comités van die Diensten, aangeworven, benoemd, voor de dienst aangewezen, bevorderd, ontslagen en afgezet door het Algemeen comité.
  Nochtans worden, in afwijking van artikel 8, 3°, tot alle graden waarmee ze kunnen worden bekleed :
  1° de in artikel 70 bedoelde geneesheren-inspecteurs en apothekers-inspecteurs door de Koning benoemd op voorstel of na advies van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle. Ze worden door de Koning ontslagen en afgezet;
  2° de in artikel 94 bedoelde inspecteurs en adjunct-inspecteurs worden door de Koning benoemd, ontslagen en afgezet.

  Art. 118. De personeelsleden van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, aangewezen voor de algemene diensten en voor de bijzondere diensten van dat Instituut, mogen mededingen voor de benoemingen, dienstaanwijzingen en bevorderingen in een of andere van die diensten.

  (HOOFDSTUK II. - Controleorganen.) <W 23-12-1974, art. 56, § 1>

  Art. 119. De in artikelen 5, 7, 11, 39 en 78 bedoelde regeringscommissarissen beschikken over de macht welke hun is toegekend bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.
  Op hun verzoek worden zij gehoord en zij hebben een onbeperkt recht van toezicht en controle op alle activiteiten van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  Te dien einde mogen zij, te allen tijde, ter plaatse inzage nemen van alle stukken en geschriften die in het bezit zijn van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  Ook mogen ze de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering verzoeken onderzoekingen te doen instellen telkens als zij zulks nodig achten.
  Ter benoeming van de regeringscommissarissen kunnen de in de artikelen 5, 7, 11, 39 en 78 bedoelde Ministers dezelfde personen voordragen voor de verschillende in deze wet bedoelde instellingen en diensten.
  (Dit artikel is van toepassing op de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen.) <W 1990-12-29/30, art. 47, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>

  Art. 120. De Minister van Sociale Voorzorg en de Minister van Financiën wijzen, met gemeen overleg, bij het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en bij de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen) revisoren aan die over de bevoegdheid beschikken welke hun is toegekend bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut. <W 1990-12-29/30, art. 48, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>

  Art. 120bis. <W 1993-02-15/33, art. 78, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> Zonder dat wordt afgeweken van de bevoegdheid van de bestaande controleorganen, kunnen de Minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Voorzorg behoort en de Minister tot wiens bevoegdheid de Begroting behoort, bij het Instituut een afgevaardigde aanwijzen die voltijds met de functies van begrotings- en financieel adviseur is belast.
  Deze adviseur brengt aan deze Ministers verslag uit over het beheer van de instelling, alsook over de ontvangsten en uitgaven, in het bijzonder over de vooruitzichten ter zake en over de verschillende aspecten van hun evolutie.
  Te dien einde onderzoekt hij ter plaatse, zonder zich in te laten met het beheer, alle verrichtingen die een financiële of begrotingsweerslag hebben. Hij beschikt over de meest uitgebreide onderzoeksbevoegdheden, heeft inzage van alle dossiers en alle archieven, ontvangt van de diensten alle inlichtingen welke hij vraagt en woont de vergaderingen bij van de beheersorganen van de in de artikelen 78 en 92 bedoelde comités alsook van de bij titel III, hoofdstuk IV, afdeling I, Ibis en Iter bedoelde commissies.
  Het statuut en de duur van het mandaat van die adviseur worden door de Koning vastgesteld.
  Indien periodes gedurende welke betrokkene de functie van begrotings- en financieel adviseur heeft uitgeoefend, in de periode vallen die in aanmerking komt voor het vaststellen van het gemiddelde der wedde, op grond waarvan een pensioen ten laste van de Schatkist wordt berekend, wordt voor die periodes rekening gehouden met de als wedde geldende toelage verbonden aan voormelde functie.

  Titel VIIBIS. <Deze titel werd pas ingevoegd bij W 1990-12-29/30, art. 49, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991> - Bepalingen betreffende het personeel van de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen.

  Artikel 120ter. <ingevoegd bij W 1990-12-29/30, art. 49, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991> De Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen stelt voor de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen gratis het personeel beschikbaar dat nodig is om haar opdracht uit te voeren.
  Het personeelsstatuut van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen blijft van toepassing op dat personeel.

  TITEL VIII. - FINANCIERING.

  HOOFDSTUK I. - Verzekeringsinkomsten en hun verdeling.

  Eerste Afdeling. - Verzekeringsinkomsten.

  Art. 121. De verzekeringsinkomsten bestaan uit:
  (1° de opbrengst van de voor de ziekte- en invaliditeitsverzekering bestemde bijdragen, bedoeld:
  a) in artikel 19, 1°, van de wet van 27 juni 1969, tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
  b) in artikel 2, § 4, A, van de besluitwet van 10 januari 1945, betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden;
  c) in de reglementering betreffende de betalingsmodaliteiten der bijdragen van de maatschappelijke zekerheid, verschuldigd door de door arbeidsongevallen getroffenen, begunstigd bij de wetgeving betreffende de vergoeding der schade voortspruitende uit deze ongevallen;
  d) in de reglementering betreffende de betalingsmodaliteiten van de bijdragen van de maatschappelijke zekerheid, verschuldigd door de door beroepsziekten getroffenen die, krachtens de wetgeving op de schadeloosstelling inzake beroepsziekten, op vergoeding zijn gerechtigd;) <KB 20-07-1971, art. 20, 1°>
  2° de persoonlijke bijdragen gestort door de gerechtigden bij toepassing van de artikelen 66, § 1, 2°, en § 2, 68, eerste lid, 2°, 69, (...) en 73; <KB 23-10-81, art. 1>
  3° een Rijkstegemoetkoming gelijk aan 95 t.h. van het bedrag der kosten gemoeid met de in artikel 23, 6°, bedoelde verstrekkingen, zowel wat de kosten van ziekenhuisverpleging in de diensten welke gespecialiseerd zijn in de behandeling van de aldaar opgesomde aandoeningen, als wat de specifieke behandeling van die aandoeningen betreft; de Koning bepaalt wat wordt verstaan onder "gespecialiseerde dienst" en onder "specifieke behandeling";
  4° een Rijkstegemoetkoming gelijk aan (75) pct. van het bedrag der kosten gemoeid met de uitkeringen, welke tijdens het tweede en derde jaar van de arbeidsongeschiktheid de gerechtigden worden toegekend; <W 16-07-1974, art. 10, 1°>
  5° een Rijkstegemoetkoming gelijk aan (75) pct. van het bedrag der kosten gemoeid met de uitkeringen welke vanaf het vierde jaar van de arbeidsongeschiktheid de gerechtigden worden toegekend; <W 16-07-1974, art. 10, 2°>
  (6° een Rijkstegemoetkoming gelijk aan 70 pct. van het bedrag der kosten gemoeid met de uitkeringen voor begrafeniskosten;) <W 09-06-1970, art. 1>
  (7° een Rijkstegemoetkoming bestemd om de bijdrage van de werklozen te vervangen. Die tegemoetkoming wordt berekend op basis van een bedrag dat gelijk is aan de gemiddelde werkloosheidsuitkering vermenigvuldigd met 100/60 en wordt betaald voor elke effectieve dag gecontroleerde werkloosheid in de zin van artikel 21, tweede lid;) <W 22-12-1977, art. 156, 1°>
  8° een Rijkstegemoetkoming gelijk aan 27 t.h. van de uitgavenbegrotingsvooruitzichten van de ziekte- en invaliditeitsverzekering met uitsluiting van de prestaties inzake de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de uitkeringen voor begrafeniskosten, en van de administratiekosten der verzekeringsinstellingen daarmee in verband, alsmede van de uitgavenbegrotingsvooruitzichten inzake de in 3° van dit artikel bedoelde verstrekkingen;
  9° de giften en legaten bestemd voor de ziekte- en invaliditeitsverzekering welke door de Algemene Raad van het Instituut of door de Minister van Sociale Voorzorg worden aanvaard;
  (10° de opbrengst van een inhouding van (3,55 pct.) verricht op de wettelijke ouderdoms-, rust-, anciënniteits- en overlevingspensioenen of op elk ander als zodanig geldend voordeel evenals op elk voordeel ((bedoeld als aanvulling van een pensioen, zelfs als dit laatste niet is verworven, en)) toegekend hetzij in toepassing van wettelijke, reglementaire of statutaire bepalingen, hetzij in toepassing van bepalingen voortvloeiend uit een arbeidscontract, een ondernemingsreglement, een collectieve ondernemings- of sectoriële overeenkomst. <W 1992-06-26/30, art. 15, 025; Inwerkingtreding : 01-10-1992> <KB22 23-03-1982, art. 19, 1°>
  (Deze inhouding mag niet voor gevolg hebben dat het totaal van de hierboven vermelde pensioenen of voordelen vanaf 1 oktober 1990 wordt verminderd tot een bedrag lager dan 20 979 F per maand verhoogd met 3 884 F voor de rechthebbenden met gezinslast en, vanaf 1 oktober 1991, tot een bedrag lager dan 21 399 frank per maand verhoogd met 3 962 frank voor de rechthebbenden met gezinslast). Dit bedrag wordt gekoppeld aan de spilindex 132,13. Het wordt aangepast overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. <W 1990-12-29/30, art. 55, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  De inhouding wordt verricht bij elke betaling van het pensioen of van het voordeel door het uitbetalingsorganisme dat er burgerlijk verantwoordelijk voor is. (De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder hetzij van de invordering van achterstallige met niet verrichte inhoudingen overeenkomende bedragen kan worden afgezien, hetzij door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering opdracht kan worden gegeven aan de uitbetalingsorganismen tijdelijk een hogere inhouding toe te passen tot invordering van de achterstallige met niet verrichte inhoudingen overeenkomende bedragen.) <W 1985-08-01/31, art. 79, 006>
  (Dit laatste stort de opbrengst van de inhouding aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering tijdens de maand volgend op deze gedurende dewelke zij werd uitgevoerd. Elk uitbetalingsorganisme dat de inhouding niet tijdig stort is tevens een opslag en een verwijlinterest verschuldigd waarvan het bedrag en de toepassingsvoorwaarden door de Koning worden vastgesteld. De opslag mag evenwel niet meer bedragen dan 10 pct. van de verschuldigde inhouding.) <KB22 23-03-1982, art. 19, 2°>
  De Koning bepaalt alle nodige modaliteiten ter uitvoering van deze maatregel evenals de verdeling van de opbrengst en het gedeelte ervan dat bestemd is voor de financiering van andere stelsels van geneeskundige verzorging. (De Koning stelt eveneens de forfaitaire vergoeding vast die verschuldigd is bij niet naleving van de aan het uitbetalingsorganisme opgelegde mededelingsplicht.) <KB22 23-03-1982, art. 19, 3°>
  De Koning kan de toepassing van de in het eerste lid bepaalde inhouding uitbreiden tot andere aan de gepensioneerden toegekende voordelen evenals tot de beroepsinkomsten waarvan zij genieten en die niet onderworpen zijn aan inhoudingen van sociale zekerheid.
  De door de Koning aangewezen ambtenaren waken over de uitvoering van deze bepalingen.) <W 08-08-1980, art. 161>
  (De schuldvorderingen van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering verjaren na drie jaar te rekenen vanaf de datum van de betaling van het pensioen of het aanvullend voordeel. De tegen het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ingestelde vorderingen tot terugvordering van onverschuldigde bijdragen verjaren drie jaar na de datum waarop de inhouding werd overgemaakt.
  Wanneer de invordering van de hem verschuldigde sommen al te onzeker of te bezwarend blijkt te zijn in verhouding tot het bedrag van de in te vorderen sommen, kan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering van de invordering van die bedragen door een gedwongen tenuitvoorlegging afzien, binnen de perken van een reglement dat door zijn Algemene Raad is vastgesteld en dat door de Minister van Sociale Voorzorg is goedgekeurd.
  Ieder uitbetalingsorganisme is verplicht zich bij het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering te laten inschrijven en alle inlichtingen te verstrekken waarom in het kader van de uitvoering van deze maatregel wordt verzocht;) <KB22 23-03-1982, art. 19, 4°>
  (11° de opbrengst van een aanvullende premie of bijdrage inzake verzekering tegen burgerlijke aansprakelijkheid waarin wordt voorzien door de wet van 1 juli 1956 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, geind door de ter zake bevoegde verzekeraars en door het bij diezelfde wet opgericht Gemeenschappelijk Waarborgfonds (en de opbrengst van een aanvullende premie of bijdrage inzake de verzekering motorrijtuigencasco). <W 1992-06-26/30, art. 31, 025; Inwerkingtreding : 10-07-1992>
  (Deze bijslag wordt vastgesteld op 10 pct. van de premie of bijdrage. Onder de door de Koning vast te stellen voorwaarden wordt dit percentage herleid tot 5 pct. voor de door hem te bepalen categorieën van motorrijtuigen die voor het professioneel vervoer van goederen of personen worden gebruikt.) <KB22 23-03-1982, art. 20>
  De Koning bepaalt eveneens de wijze van berekening, inning en overdracht van die bijslagen, de verdeling ervan alsook het gedeelte dat tot financiering van de ziekte- en invaliditeitsverzekering van de regeling voor zelfstandigen en de regeling voor zeelieden is bestemd.
  De door de Koning aangewezen ambtenaren houden toezicht op de uitvoering van deze bepalingen;) <W 23-12-1974, art. 57>
  12° (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>
  (13° onverminderd de bepalingen van artikel 127 de renteopbrengst van iedere belegging van financiële middelen die de instellingen bedoeld in artikel 2 ter beschikking worden gesteld in het kader van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  (Enkel kortstondige beleggingen kunnen onder de door de Koning vast te stellen voorwaarden worden toegestaan. De Koning bepaalt eveneens onder welke voorwaarden de interesten van deze beleggingen verminderd kunnen worden met eventuele debetinteresten.) <W 1990-12-29/30, art. 55, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1982>
  De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit de regelen voor overboeking en verdeling van deze renteopbrengsten en bepaalt welk deel bestemd is voor de financiëring van de ziekte- en invaliditeitsverzekering voor zelfstandigen.) <KB176 30-12-1982, art. 5>
  (Voor 1979 mag het bedrag van de Rijkstegemoetkomingen bedoeld in 3°, 4°, 5°, 6° en 8° niet hoger zijn dan het initiaal bedrag voorzien voor 1978, vermeerderd met het verhogingsbedrag van het indexcijfer van de consumptieprijzen;) <W 05-08-1978, art. 129, § 2>
  14° (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>
  (15° de opbrengst van de administratieve geldboeten voorzien bij ((artikel 71, § 8;))) <W 1985-08-01/31, art. 79, 2°, 006> <W 1990-12-29/30, art. 55, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (16° de opbrengst van een bijdrage op de premies, of van een inhouding verricht op de extra-legale verstrekkingen inzake verzekering voor hospitalisatie ten behoeve van de rechthebbenden van de huidige wet. De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de toepassingsmodaliteiten van deze bepaling;) <W 1988-12-30/31, art. 49, 015; Inwerkingtreding : 15-01-1989>
  (17° de opbrengst van een jaarlijkse vergoeding per publiekverpakking of, bij ontstentenis daarvan, per stukverpakking van geneesmiddelen bedoeld in artikel 23, 5°, b) en c), van deze wet, en ingeschreven op de lijsten van de terugbetaalbare farmaceutische verstrekkingen.
  Die vergoeding is ten laste van de farmaceutische firma's die de aanneming voor terugbetaling ervan verkrijgen of hebben verkregen bij het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, welke vergoeding zij uiterlijk op de laatste dag van het eerste kwartaal van het kalenderjaar aan dat Instituut moeten storten.
  Er is geen vergoeding verschuldigd voor de verpakkingen van de farmaceutische produkten waarvan de jaarlijkse omzet op de Belgische markt, berekend op de af-fabrieksprijs, in het jaar vóór dat waarvoor de vergoeding verschuldigd is, niet hoger lag dan 2,5 miljoen frank.
  Het bedrag van deze vergoeding wordt vastgesteld op 60 000 frank per publiek- of stukverpakking, bedoeld in het eerste lid.) <W 1990-12-29/30, art. 60, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van deze bepaling, meer bepaald met betrekking tot de aangifte, de controle en de inning.
  De schuldenaar die de verschuldigde vergoeding niet binnen de door de Koning vastgestelde termijn stort, is aan het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering een opslag en een verwijlinterest verschuldigd, waarvan het bedrag en de voorwaarden worden vastgesteld door de Koning.
  De opslag mag evenwel niet meer bedragen dan 10 pct. van de verschuldigde vergoeding en de op deze vergoeding berekende verwijlinterest mag niet hoger zijn dan de wettelijke rentevoet.
  De Koning bepaalt tevens de voorwaarden waaronder het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering de schuldenaar vrijstelling of vermindering mag verlenen van de opslag van de vergoeding en van de verwijlinterest;
  (18° de opbrengst van een heffing op de omzet die is verwezenlijkt op de Belgische markt van de geneesmiddelen bedoeld in artikel 23, 5°, b) en c) van deze wet, en die zijn ingeschreven op de lijsten van de terugbetaalbare farmaceutische verstrekkingen.
  Die heffing is ten laste van de farmaceutische firma's welke die omzet hebben verwezenlijkt gedurende het jaar voorafgaand aan dat waarvoor de heffing is verschuldigd.
  Voor 1991 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 2 pct. van de omzet die in 1989 is verwezenlijkt en wordt het per kwartaal aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering gestort.) <W 1990-12-29/30, art. 61, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (Voor 1992 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 2 pct. van de omzet die in 1990 is verwezenlijkt en wordt het vóór de eerste november 1992 aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering gestort.) <W 1992-06-26/30, art. 26, 025; Inwerkingtreding : 10-07-1992>
  (Voor 1993 wordt het bedrag van die heffing vastgesteld op 2 pct. van de omzet die in 1992 is verwezenlijkt en wordt het vóór de eerste november 1993 aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering gestort.) <W 1992-12-30/40, art. 7, 026; Inwerkingtreding : 19-01-1993>
  (Voor het jaar 1994 kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Algemene Raad, het bedrag van deze heffing vaststellen, zonder dat het bedrag ervan hoger mag zijn dan 3 %. Hij kan tevens het jaar bepalen waarvan de omzet voor het vaststellen van de heffing in aanmerking wordt genomen.) <W 1993-08-06/30, art. 7, 029; Inwerkingtreding : 19-08-1993>
  De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van deze bepaling, meer bepaald met betrekking tot de aangifte, de controle en de inning.
  De schuldenaar die de verschuldigde heffing niet binnen de door de Koning vastgestelde termijn stort, is aan het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering een opslag en een verwijlinterest verschuldigd, waarvan het bedrag en de toepassingsvoorwaarden worden vastgesteld door de Koning. De opslag mag evenwel niet meer bedragen dan 10 pct. van de verschuldigde heffing en de op deze heffing berekende verwijlinterest mag niet hoger zijn dan de wettelijke rentevoet.
  De Koning bepaalt tevens de voorwaarden waaronder het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering de schuldenaar bedoeld in het vorige lid vrijstelling of vermindering mag verlenen van de opslag van de heffing en van de verwijlinterest;) <W 1989-12-22/31, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1990>
  (18°bis de stortingen te voldoen door de verantwoordelijken voor het in de handel brengen van geneesmiddelen krachtens een prijsvolumeovereenkomst gesloten op grond van artikel 34sedecies, in geval van overschrijding van de vooropgestelde maximumuitgaven ten laste van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging;) <W 1994-03-30/31, art. 37, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  (19° de opbrengst van de in artikel 90bis bedoelde terugvorderingen. De Koning bepaalt de regelen volgens welke het gedeelte van die inkomsten kan worden vastgesteld dat bestemd is voor de financiering van de ziekte- en invaliditeitsverzekering van de regeling voor de zelfstandigen;
  20° de opbrengst van de in artikel 34undecies bedoelde bedragen. De Koning bepaalt de regelen volgens welke het gedeelte van die inkomsten kan worden vastgesteld dat bestemd is voor de financiering van de ziekte- en invaliditeitsverzekering van de regeling voor de zelfstandigen.) <W 1990-12-29/30, art. 55, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (Voor 1979 mag het bedrag van de Rijkstegemoetkomingen bedoeld in 3°, 4°, 6° en 8° niet hoger zijn dan het initiaal bedrag voorzien voor 1978, vermeerderd met het verhogingsbedrag van het indexcijfer van de consumptieprijzen;) <W 05-08-1978, art. 29, § 2>
  (21° de opbrengst van de heffing die door de erkende tariferingsdiensten tussen 1 juli 1993 en 31 december 1994 moet worden verricht op de facturen betreffende de in artikel 23, 5°, bedoelde farmaceutische verstrekkingen, die aan de rechthebbenden zijn afgeleverd door de apothekers met een voor het publiek toegankelijke officina en door de geneesheren die een vergunning hebben om een geneesmiddelendepot te houden.
  De Koning bepaalt het heffingspercentage, zonder dat dit evenwel meer dan 3 % kan bedragen. Hij bepaalt eveneens de voorwaarden inzake de toepassing van deze bepaling waar het, onder meer, gaat over het tarief van de verstrekkingen waarop die heffing wordt verricht, evenals de voorwaarden volgens welke de door de tariferingsdiensten geheven bedragen aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering moeten worden gestort.
  De schuldenaar die de verschuldigde vergoeding niet binnen de door de Koning vastgestelde termijn stort, is aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering een opslag en een verwijlinterest verschuldigd, waarvan het bedrag en de toepassingsvoorwaarden worden vastgesteld door de Koning.
  De opslag mag evenwel niet meer bedragen dan 10 % van de verschuldigde vergoeding en de op deze vergoeding berekende verwijlinterest mag niet hoger zijn dan de wettelijke rentevoet.
  De Koning bepaalt tevens de voorwaarden waaronder het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering de schuldenaar vrijstelling of vermindering mag verlenen van de opslag van de vergoeding en van de verwijlinterest.
  De toepassing van deze bepaling mag niet tot gevolg hebben dat het persoonlijke aandeel van de rechthebbenden wordt verhoogd.
  De Koning bepaalt de datum waarop deze bepaling in werking treedt;) <W 1993-08-06/30, art. 8, 029; Inwerkingtreding : 19-08-1993>
  (22° de opbrengst van de heffing die tussen 1 juli 1993 en 31 december 1994 wordt verricht op de brutowinst die de erkende groothandelverdelers van geneesmiddelen gerealiseerd hebben met de verkoop van de farmaceutische specialiteiten die op de lijsten van de terugbetaalbare farmaceutische verstrekkingen ingeschreven zijn.
  De Koning bepaalt het heffingspercentage zonder dat dit evenwel meer dan 3 % kan bedragen. Hij bepaalt de toepassingsvoorwaarden alsmede de voorwaarden volgens welke de aldus ingehouden sommen worden gestort aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  De schuldenaar die de verschuldigde vergoeding niet binnen de door de Koning vastgestelde termijn stort is, aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering een opslag en een verwijlinterest verschuldigd, waarvan het bedrag en de voorwaarden worden vastgesteld door de Koning.
  De opslag mag evenwel niet meer bedragen dan 10 % van de verschuldigde vergoeding en de op deze vergoeding berekende verwijlinterest mag niet hoger zijn dan de wettelijke rentevoet.
  De Koning bepaalt tevens de voorwaarden waaronder het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverezekering de schuldenaar vrijstelling of vermindering mag verlenen van de opslag van de vergoeding en van de verwijlinterest.
  De toepassing van deze bepaling mag in geen geval leiden tot een toename van het persoonlijk aandeel van de rechthebbende.
  De Koning bepaalt de datum waarop deze bepaling in werking treedt.) <W 1993-08-06/30, art. 9, 029; Inwerkingtreding : 19-08-1993>
  (tweede lid opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>

  Art. 122. Het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering beschikt over de in artikel 121 bedoelde inkomsten.
  (Het heft op die inkomsten het bedrag van zijn administratiekosten opgenomen in de in artikel 8, 2°, bedoelde begroting, het in artikel 125, § 2, bedoelde meerbedrag der administratiekosten van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, alsmede het in artikel 128, tweede lid, bedoelde bedrag van het tekort van dezelfde Hulpkas.) <W 27-06-1969, art. 35>
  Het verdeelt over de tak geneeskundige verzorging en de tak uitkeringen, de verschillende in artikel 121 bedoelde inkomsten welke respectief voor hen zijn bestemd, na ze te hebben verminderd met een percentage dat de verhouding uitdrukt waarin het bedrag van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde heffing staat tot de gezamenlijke verzekeringsinkomsten.
  Het wijst onder die voorwaarden toe:
  1° aan de tak geneeskundige verzorging:
  a) het deel van de in artikel 121, 1°, bedoelde bijdragen dat voor hem is bestemd;
  b) het deel van de in artikel 121, 2°, bedoelde persoonlijke bijdragen dat vastgesteld is op:
  60 t. van de bij toepassing van de artikelen 66, § 1, 2°, en § 2, en 68, eerste lid, 2°, verschuldigde bijdragen;
  100 t.h. van de bij toepassing van artikel 69 verschuldigde bijdragen;
  100 t.h. van de bij toepassing van artikel 71 verschuldigde bijdragen;
  (...); <KB 23-10-1981, art. 2>
  100 t.h. van de bij toepassing van artikel 73 verschuldigde bijdragen;
  c) de in artikel 121, 3°, bedoelde Rijkstegemoetkoming;
  (d) 60 % van de in artikel 121, 7°, bedoelde Rijkstegemoetkoming;) <W 24-12-1963, art. 41, § 1>
  (e) de in artikel 121, 8°, bedoelde Rijkstegemoetkoming, evenals de opbrengst van de inhouding verricht bij toepassing van artikel 121, 10°;) <KB 22-12-1969, art. 2>
  f) de in artikel 121, 9°, bedoelde giften en legaten, naar rata van:
  100 t.h. wanneer ze uitdrukkelijk voor de verzekering voor geneeskundige verzorging zijn bestemd;
  60 t.h. wanneer ze voor de gezamenlijke regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering zijn bestemd;
  g) (de inkomsten, bedoeld in artikel 121, 14° tot 20°
  De inkomsten bedoeld in artikel 121, 17°, geind vanaf het jaar 1990, zijn tot beloop van een jaarlijks door de Koning vast te stellen bedrag bestemd ter financiering van de door het Beheerscomite van de Dienst voor geneeskundige verzorging te treffen maatregelen die het mogelijk moeten maken de uitgaven van de verzekering voor geneeskundige verzorging in de sector farmaceutische producten, te beheersten.
  Het eventuele saldo van voornoemde inkomsten wordt onder de verzekeringsinstellingen verdeeld in verhouding tot het aantal rechthebbenden.) <W 1990-12-29/30, art. 57, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  2° aan de tak uitkeringen:
  a) het deel van de in artikel 121, 1°, bedoelde bijdragen dat voor hem is bestemd;
  b) het deel van de in artikel 121, 2°, bedoelde persoonlijke bijdragen dat vastgesteld is op 40 t.h. van de bij toepassing van de artikelen 66, § 1, 2°, en § 2, en 68, eerste lid, 2° verschuldigde bijdragen;
  c) de in artikel 121, 4°, 5° en 6° bedoelde rijkstegemoetkomingen;
  d) de in artikel 121, 9°, bedoelde giften en legaten, naar rata van:
  100 t.h. wanneer ze uitdrukkelijk voor de uitkeringsverzekering zijn bestemd;
  40 t.h. wanneer ze voor de gezamenlijke regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering zijn bestemd;
  (e) 40 t.h. van de in artikel 121, 7°, bedoelde Rijkstegemoetkoming.) <W 24-12-1963, art. 41, § 2>
  (De Koning is ertoe gemachtigd, bij een in Ministerraad overlegd besluit en voor een door Hem vast te stellen periode, de hierboven bepaalde verdeling van de in artikel 121, 7°, bedoelde Rijkstegemoetkoming, te wijzigen.) <W 22-12-1977, art. 157>

  Afdeling 2. - Verdeling van de verzekeringsinkomsten.

  Art. 123. § 1. Volgens de modaliteiten welke het beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging bepaalt, verleent het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering aan iedere verzekeringsinstelling, voor de verzekering voor geneeskundige verzorging:
  (1° een deel van de in artikel 122, vierde lid, 1°, a en b, bedoelde bijdragen volgens de waarde van de bijdragen van haar rechthebbenden; de opbrengst van de in artikel 122, vierde lid, 1°, a, bedoelde bijdragen berekend op het loongedeelte dat de loongrens van toepassing in de sector uitkeringen te boven gaat, wordt echter verdeeld in verhouding tot het deel dat elke verzekeringsinstelling toekomt in de opbrengst van de bijdragen berekend op het loon of het loongedeelte beneden deze loongrens.) <W 20-06-1975, art. 1>
  Nochtans kan het beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging, bij het opmaken van de in artikel 12, 1°, bedoelde begroting, beslissen dat een deel van de in artikel 122, vierde lid, a), vermelde bijdragen, met een maximum van 10 pct. onder de verzekeringsinstellingen zal verdeeld worden volgens de onder 3° bepaalde regelen. Voor de verdeling van de in de artikelen 124 en 125 bedoelde administratiekosten van de verzekeringsinstellingen, worden de in artikel 122, vierde lid, 1°, a), vermelde bijdragen steeds geacht verdeeld te zijn overeenkomstig de waarde van de bijdragebons van de rechthebbenden;
  2° (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>
  3° een deel van de in artikel 122, vierde lid, 1°, e), bedoelde inkomsten; die inkomsten worden verdeeld naar rata van het aantal, vastgesteld over de laatste drie gekende dienstjaren, van (de gerechtigden bedoeld in artikel 21, 7° tot en met 9°) en van de gerechtigden die de in artikel 50 bedoelde invaliditeitsuitkeringen genieten, vermenigvuldigd met het percentage dat het aantal van diezelfde gerechtigden vertegenwoordigt ten overstaan van de gerechtigden op primaire ongeschiktheidsuitkeringen van iedere verzekeringsinstelling. Voor het vaststellen van dit percentage wordt het aantal gerechtigden die de in artikel 50 bedoelde invaliditeitsuitkeringen genieten, verdubbeld. <KB 20-07-1971, art. 21>
  (De Koning stelt jaarlijks het deel van de in artikel 122, vierde lid, 1°, e), bedoelde inkomsten vast dat toekomt aan de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen;) <W 1990-12-29/30, art. 50, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (4° de in artikel 121, eerste lid, 19° bedoelde inkomsten; die inkomsten worden onder de verzekeringsinstellingen verdeeld naar rata van de bedragen die door elke verzekeringsinstelling zijn vergoed voor de verstrekkingen verricht door de geneesheer op wie de in artikel 90bis bedoelde terugvordering betrekking heeft;
  5° de in artikel 121, eerste lid, 20°, bedoelde inkomsten; die inkomsten worden onder de verzekeringsinstellingen verdeeld naar rata van de bedragen die door elke verzekeringsinstelling zijn vergoed voor de verstrekkingen inzake klinische biologie verleend aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.) <W 1990-12-29/30, art. 58, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  Onder de voorwaarden welke het beheerscomité van de dienst voor uitkering bepaalt, verleent het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering aan iedere verzekeringsinstelling voor de uitkeringsverzekering het deel van de administratiekosten dat overeenkomstig artikel 125, § 1, wordt geheven op de in artikel 122, vierde lid, 2°, bedoelde inkomsten.
  § 2. Het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering betaalt aan de verzekeringsinstellingen, onder de door het beheerscomité van de dienst voor geneeskundige verzorging, respectief het beheerscomité van de dienst voor uitkeringen bepaalde voorwaarden, eensdeels, het bedrag der kosten gemoeid met de in artikel 23, 6°, bedoelde verstrekkingen welke in artikel 121, 3°, zijn omschreven en, anderdeels, het bedrag van de door hen verleende uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid en voor begrafeniskosten.

  Afdeling 3. - Administratiekosten van de verzekeringsinstellingen.

  Art. 124. <W 07-07-1976, art. 12>
  (§ 1. Als administratiekosten worden beschouwd, de uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van deze wet, met uitsluiting van de uitgaven die overeenstemmen met het bedrag :
  a) van de prestaties, bedoeld in titel III, hoofdstuk 3, en in titel IV, hoofdstuk 3;
  b) van de ten onrechte betaalde prestaties waarvan het niet terugvorderen als gewettigd is beschouwd onder de voorwaarden en volgens de regels door de Koning bepaald.) <W 1990-12-29/30, art. 69, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  (Wat echter de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen betreft, worden de loonkosten van het personeel niet als administratiekosten beschouwd.) <W 1990-12-29/30, art. 51, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  § 2. De ten onrechte betaalde prestaties die niet zijn bedoeld in § 1, alsmede de sancties, bedoeld in artikel 60 van de wet van 14 februari 1961 voor economische expansie, sociale vooruitgang en financieel herstel, in zoverre deze betrekking hebben op de verzekeringsinstellingen, en in artikel 99 van deze wet, worden in afzonderlijke rubrieken geboekt.

  Art. 125. § 1. (1° De administratiekosten van de verzekeringsinstellingen worden geheven op de in artikel 122, vierde lid, 2° en op de in artikel 123, § 1, 1°, bedoelde verzekeringsinkomsten, op de inkomsten bedoeld in artikel 121, 10°, 11° en 16°, na voorafname van een gedeelte van de in artikel 122, tweede lid, bedoelde lasten, op de verzekeringsinkomsten voor de regeling van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering die volgt uit de toepassing van de bepalingen van artikel 26 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers of op de Rijkstoelagen die volgen uit de in afwijking van laatstvermeld artikel genomen bepalingen en op de verzekeringsinkomsten die volgen uit de toepassing van artikel 39bis van dezelfde wet, na voorafname van een gedeelte van de in artikel 122, tweede lid, bedoelde lasten.
  Met het oog op het opmaken van de in artikel 8, 3°, bedoelde afzonderlijke begroting, bepaalt de Koning het percentage van het bedrag van de in het vorig lid bedoelde inkomsten dat voor die administratiekosten is bestemd.
  Dit percentage, dat niet éénvormig hoeft te zijn voor de geneeskundige verzorging en voor de uitkeringsverzekering, is identiek voor iedere verzekeringsinstelling; het kan echter variëren per reeks van 100 000 gerechtigden;
  2° (het bedrag van de administratiekosten van de verzekeringsinstellingen wordt vastgesteld op 21 331 miljoen frank. Dit bedrag kan jaarlijks bij een in Ministerraad overlegd besluit worden aangepast, rekening houdend met de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen, met de evolutie van de lonen in de overeenstemmende sectoren en met de wettelijke opdrachten van de verzekeringsinstellingen.
  De Koning kan, onder de voorwaarden en volgens de regels, vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd besluit, de toekenning van het geheel of een gedeelte van deze aanpassing aan elke verzekeringsinstelling afhankelijk maken van de wijze waarop zij haar wettelijke opdrachten uitvoert. De Koning belast de Raad van de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen met deze ealuatieopdracht;) <W 1993-02-15/33, art. 79, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993>
  3° De kas inzake geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen ontvangt jaarlijks 30 miljoen frank voor administratiekosten ten laste van de middelen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Dit bedrag kan jaarlijks bij een in Ministerraad overlegd besluit worden aangepast.) <W 1992-06-26/30, art. 5, 025; Inwerkingtreding : 10-07-1992>
  (§ 1bis. Onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten die door de Koning worden bepaald, worden de administratiekosten vermeerderd met minimum 8 pct. en maximum 20 pct. van de sommen die worden teruggevorderd met toepassing van artikel 76quater, § 2, en van artikel 97, voor zover in dit laatste geval de ten onrechte gedane betaling niet voortvloeit uit een fout, een vergissing of een nalatigheid van de verzekeringsinstelling.
  Bij de vaststelling van deze percentages kan worden rekening gehouden met de som van de teruggevorderde bedragen, enerzijds, en het totaal bedrag van de door de verzekeringsinstelling terugbetaalde prestaties, anderzijds.) <W 1992-06-26/30, art. 29, 025; Inwerkingtreding : 10-07-1992>
  (De administratiekosten worden, voor de periode van 1 januari 1985 tot 31 december 1993, verhoogd met het bedrag van de niet-gerechtelijke moratoire en compensatoire interesten, verkregen op de bedragen teruggevorderd met toepassing van de artikelen 76quater, § 2, en 97.) <W 1993-08-06/30, art. 13, 029; Inwerkingtreding : 19-08-1993>
  (§ 1ter. De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, het percentage van de renteopbrengst van de overeenkomstig de bepalingen van artikel 121, 13°, tweede lid, verrichte beleggingen van financiële middelen die de verzekeringsinstellingen in het kader van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering ter beschikking worden gesteld, waarmee desgevallend de administratiekosten van de verzekeringsinstellingen worden vermeerderd.) <KB283 1984-03-31/36, art. 8, 002>
  § 2. Indien de begrotingsramingen van de administratiekosten van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering meer belopen dan het bedrag bepaald onder de in § 1 van dit artikel vastgestelde voorwaarden, wordt het meerbedrag gedekt met de verzekeringsinkomsten overeenkomstig het bepaalde in artikel 122, tweede lid.
  (§ 3. Het gunstig of nadelig resultaat dat de rekening administratiekosten op het einde van een dienstjaar vertoont, wordt niet vermengd met de resultaten van de rekeningen welke betrekking hebben op de uitkering van de prestaties bedoeld in titel III, hoofdstuk 3, en in titel IV, hoofdstuk 3.
  De verzekeringsinstelling verwerft de volle eigendom van het eventueel batig saldo van de rekening administratiekosten; het eventueel nadelig saldo van deze rekening valt volledig te haren laste.
  De bepalingen van deze paragraaf zijn niet toepasselijk op de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.) <W 08-04-1965, art. 49>

  Afdeling 4. - Financiële bepalingen.

  Art. 126. Wanneer een verzekeringsinstelling een dienstjaar met een boni afsluit, moet ze ten minste 40 t.h. van dat boni afnemen om een wettelijke reserve te vormen.
  Die afneming hoeft niet meer verricht wanneer het bedrag van de wettelijke reserve 10 t.h. bereikt van de uitgavenramingen voor het lopend dienstjaar.
  (Het saldo van het boni is bestemd voor de gewone reserve; het mag door de Landsbonden worden aangewend om de rechthebbenden bijkomende voordelen te verlenen welke evenwel nimmer tot verhoging mogen strekken van de tegemoetkoming waarin voor een in artikel 23 bedoelde verstrekking is voorzien. Die bijkomende voordelen moeten betrekking hebben op preventieve of curatieve verzorging, met inbegrip van de reiskosten welke nodig zijn om ze te ontvangen, in het bijzonder de dienst aangegeven onder de benaming "home care".) <W 27-06-1969, art. 38>
  De Minister van Sociale Voorzorg keurt de aard van die bijkomende voordelen goed, na te hebben vastgesteld dat ze in overeenstemming zijn met de in het vorig lid vastgestelde normen.

  Art. 127. De uit de wettelijke reserve en de gewone reserve bestaande maatschappelijke activa van iedere verzekeringsinstelling moeten als volgt worden aangewend:
  a) tot een beloop van ten hoogste 40 t.h. van de door de samengevoegde boni gevormde reserves, voor leningen aan medisch-sociale inrichtingen. De lening mag over geen langer tijdvak dan tien jaar lopen; de interestvoet is gelijk aan die welke, op het tijdstip van de lening, door de Algemene Spaar- en Lijfrentekas wordt toegekend voor de beleggingen door ziekenfondsen;
  b) tot een beloop van ten hoogste 5 t.h. van dezelfde reserves voor de aankoop, het bouwen of het inrichten van administratieve gebouwen tot vestiging van de maatschappelijke zetel van een landsbond, een verbond van ziekenfondsen of een ziekenfonds;
  c) voor belegging in effecten van de Staat of door deze gewaarborgd, in obligaties van Belgische provincies en gemeenten, of bij een spaarkas onder Staatsgarantie.
  De gelden beschikbaar in kas, op postrekening en op lopende bankrekeningen mogen, op 31 december van elk dienstjaar, niet meer belopen dan 10 t.h. van de begrotingsramingen inzake uitgaven van het dienstjaar dat op genoemde datum vervalt.

  Art. 128. <W 27-06-1969, art. 39> Wanneer een verzekeringsinstelling een dienstjaar met een tekort afsluit, moet zij dat dekken:
  1° door voorafneming van haar aandeel in het in artikel 133, bedoelde fonds;
  2° door afneming van de wettelijke reserve;
  3° indien die reserve nul of ontoereikend is, door afneming van de gewone reserve;
  4° indien die reserves ontoereikend zijn of daarover onmogelijk kan worden beschikt, door heffing van een bijkomende bijdrage van de gerechtigden, al dan niet samen met afschaffing van de voorheen toegekende bijkomende voordelen.
  Het tekort van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, dat het totaal van de onder 1°, 2° en 3° van het vorige lid bedoelde afnemingen overtreft, wordt gedekt met de verzekeringsinkomsten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 122, tweede lid.

  Art. 129. Indien een uitzonderlijk ernstige onvoorziene gebeurtenis de uitgaven van de verzekering voor geneeskundige verzorging doet stijgen en deswege een tekort veroorzaakt, moet de verzekeringsinstelling haar wettelijke reserve aanspreken.
  Volstaat die reserve niet, dan wordt het resterende tekort gedekt met een uitzonderlijke Rijkstegemoetkoming.
  Dat evenbedoelde gebeurtenis onvoorzien en van uitzonderlijk ernstige aard is, wordt vastgesteld bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit, op voorstel van de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin.

  Art. 130. Het in artikel 40, 6°, bedoelde reservefonds mag enkel worden aangewend om een in het jongst afgelopen dienstjaar geboekte tekort te dekken; het mag evenwel worden aangewend om de hoegrootheid van de uitkeringen te verhogen zonder overeenstemmende verhoging van de hoegrootheid der bijdragen, doch enkel ingeval het jongste dienstjaar met een boni is afgesloten en waarbij de uit de verhoging van de hoegrootheid der uitkeringen voortvloeiende last niet meer dan 50 t.h. van het boni mag bedragen.

  Art. 131. Niettegenstaande de bepalingen van artikel 12, 4°, moet iedere reglementaire wijziging in de loop van een begrotingsjaar welke voor de verzekering voor geneeskundige verzorging niet in de begroting opgenomen meeruitgaven meebrengt, vooraf door de Koning worden goedgekeurd. Ze moet samengaan met een raming van de ontvangsten, nodig tot het dekken van die nieuwe uitgaven: in die inkomsten wordt voorzien door een verhoging van de in de artikelen 136 en 137 bedoelde bijdragen, in zoverre deze betrekking hebben op de financiering van de verzekering voor geneeskundige verzorging, na aftrek (van de in artikel 122, vierde lid, 1°, e, bedoelde inkomsten). <KB 22-12-1969, art. 4>

  Art. 132. Het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering stort vóór het einde van elke maand aan iedere verzekeringsinstelling een voorschot gelijk aan het twaalfde van de uitgaven, voor ieder opgenomen in de in artikel 8, 2°, bedoelde begroting van het lopend dienstjaar. (Wanneer de laatste dag van de maand een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, mag de laatste storting met het oog op de volstorting van het begrotingstwaalfde evenwel worden gedaan op de eerste werkdag van de volgende maand.) <KB176 30-12-1982, art. 7>

  Art. 133. <W 27-06-1969, art. 40> § 1. Het financieel dienstjaar valt samen met het kalenderjaar.
  De in de artikelen 8, 2°, 3° en 4°, 12, 1° en 2°, 40, 7° en 8°, 79, 15°, en 93, 8°, bedoelde begrotingen lopen over één jaar en worden telkens voor een driejarig tijdvak opgemaakt.
  § 2. Vooraleer de in artikel 12, 1°, bedoelde begroting op te maken, neemt het beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging kennis van de daarop betrekking hebbende begrotingen, opgemaakt door iedere verzekeringsinstelling volgens de door het genoemde beheerscomité vastgestelde regelen.
  § 3. De in de artikelen 8, 2°, 12, 1°, en 40, 8°, bedoelde begrotingen bevatten voor het geheel van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, respectief de verzekering voor geneeskundige verzorging en de uitkeringsverzekering de vooruitzichten inzake ontvangsten en uitgaven.
  Die vooruitzichten worden opgemaakt uitgaande van de verrichtingen geboekt in de in artikel 8, 2°, bedoelde rekeningen, van de vooruitzichten inzake tewerkstelling en bijdragen van de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid en van het Nationaal Pensioenfonds voor mijnwerkers en van de evolutie van de uitgaven vastgesteld tijdens de jongste drie bekende dienstjaren.
  De evolutie van de uitgaven, vastgesteld tijdens de jongste drie bekende dienstjaren, wordt geprojecteerd over een nieuw driejarig tijdvak.
  Voor ieder begrotingsjaar worden de in artikel 121, 8°, bedoelde begrotingsramingen inzake uitgaven verhoogd met een veiligheidscoëfficiënt van 5 pct.
  Het bedrag van de met de veiligheidscoëfficiënt overeenstemmende inkomsten wordt gestort in een bijzonder fonds dat door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering wordt beheerd. Dit bedrag wordt gevormd door een Rijkstegemoetkoming die gelijk is aan 27 pct. van de veiligheidscoëfficiënt en voor het overige door een gedeelte van de in artikel 122, vierde lid, 1°, a), bedoelde bijdragen.
  Dit fonds is bestemd om te worden verdeeld onder de verzekeringsinstellingen die een dienstjaar afsluiten met een tekort. Die verzekeringsinstellingen kunnen geen aanspraak maken noch op een bedrag dat het door hen geboekte tekort overschrijdt, noch op een bedrag dat hun aandeel in het fonds te boven gaat. Dit aandeel wordt berekend in verhouding tot het voor hen bestemde percentage van de inkomsten, bedoeld in artikel 122, vierde lid, 1°, a), d) en e). Het wordt niet in aanmerking genomen voor het vastleggen en de verdeling van de in de artikelen 124 en 125 bedoelde administratiekosten.
  Bij het opmaken van iedere volgende begroting wordt het hogerbedoelde fonds opnieuw samengesteld onder aftrek evenwel van het saldo van het vorige jaar.
  De in de vorige leden bedoelde vooruitzichten worden voor het opmaken der begrotingen gebeurlijk verbeterd in functie van de te verwachten gevolgen van de bij artikelen 8, 1°, b) en c), 12, 4°, 6° en 11°, en 40, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 7°, 8° en 11°, bedoelde maatregelen.
  In geen geval mag rekening gehouden worden met het bedrag van de in artikel 124, § 2, bedoelde sancties of ten onrechte betaalde prestaties, noch met de krachtens artikel 126 toegekende bijkomende voordelen.
  § 4. In de bij de artikelen 8, 2°, en 12, 1°, bedoelde begrotingen wordt, voor elk dienstjaar van het driejarige tijdvak, per verzekeringsinstelling, de raming vastgesteld van het aantal in de artikelen 21, 7°, 8°, 9°, en 50, bedoelde rechthebbenden; daartoe wordt op dat dienstjaar de evolutie geprojecteerd van die aantallen, welke in elke verzekeringsinstelling tijdens de jongste drie bekende dienstjaren zijn vastgesteld.
  § 5. In de bij de artikelen 8, 2°, en 12, 1°, bedoelde begrotingen wordt krachtens artikel 123, § 1, 3°, voor elk dienstjaar van het driejarige tijdvak, op basis van de in § 4 hierboven bedoelde elementen, het deel vastgesteld (van de in artikel 122, vierde lid, 1°, e, bedoelde inkomsten die voor elke verzekeringsinstelling zijn bestemd) <KB 22-12-1969, art. 5>
  § 6. (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>
  § 7. (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>

  Afdeling 5. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 80, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> - Bijzondere bepalingen.

  Art. 133bis. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 81, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. Onder de voorwaarden en volgens de regels bepaald door de Koning, wordt een commissie, waarvan de samenstelling door Hem wordt bepaald, opgericht welke belast is met het formuleren van voorstellen binnen een termijn van maximum één jaar na de inwerkingtreding van dit artikel om te komen tot een aanpassing of wijziging van de bepalingen van de afdelingen I, II en IV van dit hoofdstuk.
  Over deze voorstellen moet binnen een termijn van twee maanden na hun mededeling een advies worden uitgebracht door de Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging en door de Raad van de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.
  § 2. Op basis van de overeenkomstig § 1 uitgebrachte voorstellen en adviezen, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, uiterlijk vóór 31 december 1994 het geheel of een gedeelte van de bepalingen van de afdelingen I, II en IV van dit hoofdstuk wijzigen of aanpassen teneinde de regels enerzijds voor de verdeling van de verzekeringsinkomsten tussen de verzekeringsintellijgen en anderzijds voor de sluiting van de lopende rekeningen van de verzekeringsinstellingen te bepalen, waardoor hun financiële verantwoordelijkheid wordt vastgesteld.
  De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bedrachtiging van de ter uitvoering van deze paragraaf genomen besluiten.
  § 3. In het kader van de toepassing van § 2 moeten de verzekeringsinstellingen in de voorwaarden worden gesteld om de verplichtingen na te komen die voortvloeien uit hun wettelijke opdrachten.
  De in § 2 bedoelde bepalingen zullen ten volle rekening moeten houden met de verschillen in de lasten die de verzekeringsinstellingen dragen en die voortvloeien uit objectieve criteria, in het bijzonder de gezondheidstoestand, de leeftijd en de sociaal-economische situatie van de aangesloten verzekerden.
  De bovengenoemde bepalingen mogen niet tot gevolg hebben dat de sociale verzekerden op het vlak van de sociale-zekerheidsbijdragen en prestaties, in het kader van het stelsel van verplichte ziekteverzekering, verschillend behandeld zouden worden enkel en alleen op grond van hun lidmaatschap van een verzekeringsinstelling.
  In het kader van de toepassing van § 2 moeten de verzekerigsinstellingen over de nodige instrumenten beschikken om de uitgaven die voortvloeien uit hun wettelijke opdrachten, te controleren en te beheersen.
  § 4. De Koning kan, vanaf de inwerkingtreding van dit artikel en voor de in de §§ 1 en 2 van dit artikel bedoelde tijdspanne, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bijzondere regels bepalen waardoor tijdelijk kan worden afgeweken van de toepassing van afdeling IV van dit hoofdstuk.

  HOOFDSTUK II. - Administratieve bepalingen.

  Art. 134. <W 1993-02-15/33, art. 82, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> De in hoofdstuk I van titel V, bedoelde bijdragebescheiden worden, binnen de termijnen en in de vormen voorgeschreven door het in artikel 92 bedoelde Comité, door de verzekeringsinstellingen gezonden aan de Dienst voor administratieve controle.
  De Koning bepaalt voor welke kategorieën van gerechtigden de verzending van de bijdragebescheiden vervangen wordt door het mededelen van de geïnformeerde gegevens. Het in artikel 92 bedoelde Comité bepaalt de nadere regels ter zake.

  Art. 135. <KB408 1986-04-18/34, art. 12, 007> Onverminderd de bepalingen van artikel 93, 5°, zijn de verzekeringsinstellingen verplicht, onder de door de Koning te bepalen modaliteiten, ontvangsten- en uitgavenbescheiden betreffende de door hen geboekte inkomsten en uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van deze wet, te stellen en over te maken (aan de door de Koning aangewezen instellingen). <W 1990-12-29/30, art. 70, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>
  Zij zijn bovendien verplicht, onder de door de Koning te bepalen modaliteiten, statistische tabellen van hun uitgaven met betrekking tot de in Titel III, Hoofdstuk 3 en de in Titel IV, Hoofdstuk 3, bedoelde verstrekkingen op te stellen en over te maken aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
  Onder de door de Koning te bepalen voorwaarden wordt het bedrag van de uitgaven dat ontbreekt op de in het voorgaande lid bedoelde statistische tabellen niet in aanmerking genomen voor het vaststellen van de in artikel 12, 1°, bedoelde rekeningen.
  (Uiterlijk vanaf het dienstjaar 1995, onder door de Koning te bepalen voorwaarden en nadere regelen, dienen deze statistische tabellen ook de uitgaven te bevatten betreffende alle verstrekkingen die in elke verplegingsinrichting worden vericht voor niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.) <W 1994-03-30/31, art. 38, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>

  TITEL IX. - SLOTBEPALINGEN.

  Art. 136. (opgeheven) <KB 17-02-1965, art. 2, 1° en 2°>

  Art. 137. (opgeheven) <KB 17-02-1965, art. 3, 3°>

  Art. 138. § 1. De Koning kan, na advies van de Algemene Raad en bij een gemotiveerd en in de Ministerraad overlegd besluit, het bedrag van de sociale zekerheidsbijdragen bestemd ter financiering van de verzekering voor geneeskundige verzorging wijzigen, hetzij om de inkomsten van die verzekering aan te vullen tot het beloop van haar uitgaven begrotingsvooruitzichten, hetzij om in de bij toepassing van artikel 131 nodige inkomsten te voorzien.
  § 2. De Koning kan op voorstel van het beheerscomité van de dienst voor uitkeringen, het bedrag wijzigen van de bijdragen voor sociale zekerheid bestemd ter financiering van de uitkeringsverzekering:
  a) over het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid; Hij bekrachtigt ieder voorstel met betrekking tot het bedrag van die bijdragen wanneer tot dat voorstel door de in artikel 139, eerste lid, bedoelde leden van dat comité eenstemmig wordt besloten; ingeval er geen eenstemmigheid is, wordt dat bedrag door de Koning bepaald;
  b) over het (...) invaliditeitstijdvak en voor de uitkeringen voor begrafeniskosten, onverminderd de in artikel 121, 4°, 5° en 6° bedoelde Rijkstegemoetkomingen. <W 27-06-1969, art. 41>
  § 3. De Koning kan, na advies van het beheerscomité van de dienst voor uitkeringen en onverminderd het bepaalde in artikel 130, het bedrag van de bijdragen voor sociale zekerheid bestemd voor de financiering van de uitkeringsverzekering wijzigen om het in een dienstjaar aangewezen deficit te dekken.
  § 4. In de bij §§ 1, 2 en 3 bedoelde gevallen wordt het bedrag van de bijdragen voor sociale zekerheid, bestemd voor de verzekering, door de wet bepaald, wanneer de vereiste verhoging van de bijdrage meer dan 0,25 t.h. bedraagt van de lonen, waarop de bijdragen worden geheven.

  Art. 139. (opgeheven) <W 27-06-1969, art. 44>

  Art. 140. (opgeheven) <W 08-04-1965, art. 53>

  Art. 141. <wijzigingsbepaling>

  Art. 142. <wijzigingsbepaling>

  Art. 143. <Wijzigingsbepaling>

  Art. 144. De Koning stelt de bedragen vast van het presentiegeld en de vergoedingen, toe te kennen aan de voorzitters, ondervoorzitters, leden en secretarissen van de in deze wet bedoelde raden, comités, commissies en colleges.

  Art. 145. De Koning kan in de bestaande wets- en verordeningsbepalingen de nodige wijzigingen aanbrengen om ze te doen overeenstemmen met het bepaalde in deze wet.
  (Hij kan eveneens de bepalingen van deze wet coordineren met de bepalingen die haar op het tijdstip van de coordinatie uitdrukkelijk of impliciet gewijzigd hebben.
  Daartoe kan hij in de coordinatie:
  1. een andere volgorde, nummering en, in het algemeen, een andere wijze van voorstelling dan die van de oorspronkelijke teksten aanwenden;
  2. andere verwijzingen in de plaats stellen van de verwijzingen die in de oorspronkelijke bepalingen voorkomen, inzonderheid om ze in de coordinatie met de nieuwe nummering overeen te brengen;
  3. zonder afbreuk te doen aan de beginselen in de te coordineren bepalingen vervat, een andere dan de oorspronkelijke redactie aanwenden met het oog op de overeenstemming der bepalingen en de eenheid in de terminologie.) <W 27-06-1969, art. 42>

  Art. 146. De bepalingen van deze wet laten onverkort de bepalingen van de in België geldende internationale verdragen inzake sociale zekerheid.
  (De moeilijkheden waartoe de toepassing van deze internationale verdragen aanleiding kan geven, worden door de Koning geregeld op voorstel of na advies van het bevoegde Beheerscomité.) <KB10 11-10-1978, art. 5>

  Art. 147. (...) <Opgeheven door W 1990-12-29/30, art. 71, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991>

  Art. 147bis. <W 08-12-1977, art. 1> § 1. Om als representatief te worden erkend, moeten de beroepsorganisaties van het geneesherenkorps voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° De verdediging van de beroepsbelangen van tegelijk de geneesheren-specialisten en de algemeen geneeskundigen tot hoofddoel hebben;
  2° Een aantal leden tellen dat een door de Koning te bepalen percentage bereikt van het aantal geneesheren 3° Zich statutair richten tot de geneesheren van ten minste twee gewesten bedoeld in artikel 1 van de wet van 1 augustus 1974 tot oprichting van gewestelijke instellingen in voorbereiding van de toepassing van artikel 107quater van de Grondwet.
  3° Zich statutair richten tot de geneesheren van ten minste twee gewesten bedoeld in artikel 1 van de wet van 1 augustus 1974 tot oprichting van gewestelijke instellingen in voorbereiding van de toepassing van artikel 107 quater van de Grondwet.
  § 2. De verdeling van de mandaten tussen de beroepsorganisaties van het geneesherenkorps die krachtens dit artikel als representatief worden erkend, gebeurt volgens de getalsterkte van iedere organisatie; deze getalsterkte wordt vastgesteld door middel van een ledentelling waarvan de modaliteiten door de Koning worden bepaald. De personen die deelnemen aan deze telling mogen aan niemand de identiteit onthullen van de leden van de beroepsorganisaties op straffe van de sancties voorzien bij artikel 458 van het Strafwetboek.

  Art. 147ter. <W 08-12-1977, art. 2> De Koning kan bepalen aan welke voorwaarden de beroepsorganisaties van de tandheelkundigen alsook de in artikel 27 bedoelde organisaties van beroepen of inrichtingen moeten voldoen om als representatief te worden beschouwd. De Koning bezit dezelfde macht ten aanzien van de organisaties van beroepen of inrichtingen vertegenwoordigd in de krachtens artikel 18 opgerichte technische raden.

  Art. 147quater. <Ingevoegd bij W 1993-02-15/33, art. 84, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1993> § 1. De Koning bepaalt, op voorstel van de Ministers tot wiens bevoegdheden respectievelijk de Begroting en de Sociale Voorzorg behoren, welke bepalingen van de wet van 16 maart 1954 op de controle van sommige instellingen van openbaar nut, niet van toepassing zijn op de Algemene raad, bedoeld in artikel 11 van deze wet, gelet op het feit dat de vertegenwoordigers van de overheid in die Raad stemgerechtigd zijn.
  § 2. De Koning bepaalt, na advies van de Nationale Arbeidsraad, welke bepalingen van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, van toepassing zijn op de bij deze wet bedoelde raden, comités, commissies en colleges.

  TITEL X. - OVERGANGSBEPALINGEN.

  Art. 148. Worden geacht de in artikel 66, § 1, bepaalde wachttijd te hebben volbracht, de gerechtigden die bij de inwerkingtreding van deze wet recht hadden op prestaties bij toepassing van het bepaalde in het organiek koninklijk besluit van 22 september 1955 van de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Die gerechtigden behouden, persoonlijk en voor de personen te hunnen laste, aanspraak op prestaties over een tijdvak van drie maanden vanaf de dag van inwerkingtreding van deze wet.

  Art. 149. <W 24-12-1963, art. 44> Het bedrag van de uitkering welke wordt verleend aan de gerechtigden die zich de dag van inwerkingtreding van deze wet in een bij de artikelen (46 en 50) van deze wet bedoeld tijdvak van arbeidsongeschiktheid bevinden, wordt als volgt bepaald: <KB 20-07-1971, art. 22, 1°>
  a) indien de arbeidsongeschiktheid minder dan twaalf maanden vóór de inwerkingtreding van deze wet is aangevangen, hebben de gerechtigden recht op de uitkering welke overeenstemt met het krachtens de bepalingen van het organiek koninklijk besluit van 22 september 1955 van ziekte- en invaliditeitsverzekering berekende gemiddelde dagloon, uiterlijk tot bij het aflopen van de twaalfde maand van hun arbeidsongeschiktheid na die termijn voort, dan genieten zij (de in artikel 50 omschreven invaliditeitsuitkering); <KB 20-07-1971, art. 22, 2°>
  b)(indien de arbeidsongeschiktheid meer dan twaalf maanden vóór de inwerkingtreding van deze wet is aangevangen, behouden de gerechtigden het bedrag van de hun krachtens de bepalingen van vorengenoemd koninklijk besluit van 22 september 1955 verleende uitkering. Het dagbedrag van die uitkering mag evenwel niet lager zijn dan het minimumbedrag dat krachtens de artikelen 50 of 55 van deze wet gewaarborgd is.) <KB422 1986-07-23/30, art. 4, 1°, 008>
  (lid 2 opgeheven) <AR422 1986-07-23/30, art. 4, 2°, 008>

  Art. 150. De gerechtigden die bij de inwerkingtreding van deze wet, als gepensioneerde of weduwe recht hadden op geneeskundige verstrekkingen zonder betaling van een bijdrage hebben daarop verder recht onder dezelfde voorwaarden.

  Art. 151. <W 24-12-1963, art. 45> § 1. De overeenkomsten waartoe (...) de vroedvrouwen, de verpleegsters, de kinesitherapeuten en de verstrekkers van prothesen en toestellen zijn toegetreden, hebben op zijn vroegst uitwerking op 1 januari 1964. <W 08-04-1965, art. 50, 1>
  § 2. (opgeheven) <W 1985-08-01/31, art. 81, 006>
  § 3. Met ingang van 1 januari 1965 mogen de personen die niet tot de van kracht zijnde overeenkomst zijn toegetreden, geen hogere honoraria en prijzen aanrekenen dan die welke zijn bepaald in genoemde overeenkomst.
  Onverminderd het bepaalde in deze paragraaf, vierde lid, heeft de bepaling van vorig lid niet langer uitwerking zodra wordt vastgesteld dat ten minste 60 t.h. van het totaal aantal beoefenaars van het totaal aantal beoefenaars van het betrokken beroep (...). <W 08-04-1965, art. 50, 2>
  In dat geval is de vergoeding van de verzekering voor de verstrekkingen welke verleend worden voor de niet tot een overeenkomst toegetreden personen gelijk aan 75 t.h. van deze welke wordt toegestaan voor de verstrekkingen verleend door de tot een overeenkomst toegetreden personen.
  (De personen die niet tot de overeenkomst zijn toegetreden mogen in geen geval hogere honoraria of prijzen aanrekenen dan die welke in de overeenkomst zijn bepaald voor de verstrekkingen verleend aan de gepensioneerden, de weduwnaars en weduwen, de wezen en degenen die in het genot zijn van invaliditeitsuitkeringen, respectievelijk bedoeld in de artikelen 21, eerste lid, 7° tot 9° en 13° en 50, waarvan de inkomsten, zoals zij door de Koning worden vastgesteld een door hem bepaald bedrag niet overtreffen, evenals aan de personen te hunnen laste.) <W 1985-08-01/31, art. 81, 2°, 006>
  De bepalingen van artikel 33, § 5, vijfde, zesde en zevende lid, zijn van toepassing voor het bepaalde in deze paragraaf.
  § 4. Onverminderd het bepaalde in deze paragraaf, tweede lid, houden de bepalingen van dat artikel definitief op uitwerking te hebben voor de in § 1 bedoelde personen, wanneer een nationale of streekovereenkomst die op hen betrekking heeft, gesloten is en waartoe tenminste 60 t.h. van het totaal aantal beoefenaars van het betrokken beroep (...) <W 09-04-1965, art. 50, 3>
  In dat geval blijven de bepalingen van § 3, vierde lid, tot een door de Koning bepaalde datum, van toepassing op de personen die niet tot de overeenkomst zijn toegetreden; de Koning kan bovendien de hoegrootheden van de verzekeringsvergoeding voor de door deze personen aan de andere rechthebbenden verleende verstrekkingen verminderen tot een beloop van ten hoogste 25 pct.
  De bepalingen van artikel 33, § 5, vijfde, zesde en zevende lid, zijn van toepassing voor het bepaalde in deze paragraaf.
  § 5. (...) <W 08-04-1965, art. 50, 4>
  § 6. (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>
  § 7. (...) <W 08-04-1965, art. 50>

  Art. 152. (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>

  Art. 153. § 1. In afwachting van de inzake de bescherming van de titel of de vereisten inzake vestiging in het beroep te treffen nodige wettelijke maatregelen, wordt bij de dienst voor geneeskundige verzorging een erkenningsraad ingesteld voor ieder van de paramedische beroepen die in aanmerking kunnen komen om de in artikel 23, 1°, c, en 4°, opgesomde verstrekkingen te verlenen.
  § 2. (De erkenningsraden zijn belast met het aanleggen van de lijst van de personen die ze aan het Beheerscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging ter erkenning voorstellen volgens door de Koning te bepalen maatstaven op het stuk van bekwaamheid en uitoefening van het beroep.) <W 1992-06-26/30, art. 30, 025; Inwerkingtreding : 10-07-1992>
  § 3. Samenstelling en werkingsregelen van de erkenningsraden worden door de Koning bepaald, iedere raad wordt voorgezeten door een lid van het beheerscomité van de dienst voor geneeskundige verzorging gekozen uit de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen; het wordt door de Koning aangewezen op de voordracht van het beheerscomité.
  (§ 4. De Koning bepaalt de modaliteiten volgens welke de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin de lijst aanlegt van de geneesheren die erkend zijn om als specialist de in artikel 23 bedoelde verstrekkingen te verlenen.
  § 5. De Koning bepaalt de modaliteiten volgens welke de Minister van Volksgezondheid en van het Gezin de lijst aanlegt van de apothekers en de licentiaten in de wetenschappen die erkend zijn om in artikel 23, 3°, bedoelde diagnoseverstrekkingen te verlenen.) <W 08-04-1965, art. 51>
  (§ 6. Voor de verstrekkingen inzake klinische biologie, zoals zij door Hem worden omschreven, kan de Koning de verzekeringstegemoetkoming afhankelijk stellen van de voorwaarde dat die verstrekkingen worden uitgevoerd in laboratoria die :
  1° overeenkomstig de terzake geldende bepalingen van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, en haar uitvoeringsbesluiten werden geïnstalleerd en geëxploiteerd;
  2° door de Minister die Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, volgens een procedure die door de Koning is bepaald, erkend zijn op grond van technische criteria en criteria inzake kwaliteitscontrole en rekening houdend met de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 143 van 30 december 1982 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan de laboratoria moeten voldoen voor de tegemoetkoming van de ziekteverzekering voor verstrekkingen van klinische biologie;
  3° door de Minister die de Sociale Voorzorg onder zijn bevoegdheid heeft, zijn erkend op grond van door de Koning bepaalde criteria die inzonderheid betrekking kunnen hebben op kwantiteitscontrole en financiering.
  <Gevolg van het lid> (Bij het vaststellen van de sub 2) en 3) bedoelde criteria kan ondermeer rekening worden gehouden met het type van laboratorium evenals met de omvang en de aard van de activiteiten van het laboratorium en van het ziekenhuis waar het laboratorium is gevestigd.) <W 1987-11-07/30, art. 69, 1, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1988>
  § 7. (Voor de verstrekkingen die verricht worden met zware medische apparatuur of in medische diensten of medisch-technische diensten, bedoeld in de voornoemde wet van 23 december 1963, zoals ze door de Koning worden omschreven, wordt het toekennen van een verzekeringstegemoetkoming afhankelijk gesteld van de voorwaarden dat die verstrekkingen worden uitgevoerd met apparatuur of in diensten die :
  1° overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen inzake programmatie en erkenning van vorenbedoelde wet op de ziekenhuizen en haar uitvoeringsbesluiten werden geïnstalleerd en geëxploiteerd;
  2° door de minister die de Sociale Voorzorg onder zijn bevoegdheid heeft, zijn erkend op grond van de door de Koning bepaalde criteria die inzonderheid betrekking kunnen hebben op kwantiteitscontrole en financiering.
  Ongeacht andersluidende bepalingen van deze wet, kan de Koning eveneens, op voordracht van de minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, de honoraria beperken voor de hierbovenbedoelde verstrekkingen die verricht worden met zware medische toestellen of in medische diensten of in medische technische diensten, die zonder toestemming werden geïnstalleerd of opgericht.) <W 1994-03-30/31, art. 39, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  (§ 8. Voor de verstrekkingen, inzake anatomopathologie, zoals zij door Hem worden omschreven, kan de Koning de verzekeringstegemoetkoming afhankelijk stellen van de voorwaarde dat die verstrekkingen worden uitgevoerd in laboratoria die :
  1° door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, zijn erkend op grond van technische criteria inzake kwaliteitscontrole volgens een procedure die door de Koning is bepaald;
  2° door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, zijn erkend op grond van door de Koning bepaalde criteria die inzonderheid betrekking kunnen hebben op kwantiteitscontrole en financiering.) <W 1989-12-22/31, art. 120, 017; Inwerkingtreding : 09-01-1990>
  (§ 8bis. Voor de verstrekkingen zoals zij door Hem worden omschreven, kan de Koning de verzekeringstegemoetkoming geheel of gedeeltelijk afhankelijk maken van de naleving van kwalitatieve en kwantitatieve normen betreffende een goede medische praktijk die worden vastgesteld door de minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft op voorstel of na advies van het Verzekeringscomité.
  Deze minister bepaalt eveneens de procedure voor de vaststelling van de normen en voor het toezicht op de naleving ervan na advies van het Verzekeringscomité.) <W 1994-03-30/31, art. 39, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>
  (§ 9. Om de kosten van de kwaliteitscontrole, als bedoeld in de (§§ 6, 8 en 8bis), te dekken kan een bijdrage worden gevraagd. Dit bedrag wordt vastgesteld door de Koning, op voorstel van de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.) <W 1990-12-29/30, art. 32, 020; Inwerkingtreding : 01-01-1991> <W 1994-03-30/31, art. 39, 030; Inwerkingtreding : 10-04-1994>

  Art. 154. (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>

  Art. 154bis. <W 23-12-1974, art. 59> (§ 1.) (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>
  (§ 2. Het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering wordt gemachtigd met het akkoord van de Minister van Financiën, leningen af te sluiten binnen de perken vereist om te voorzien in de ontoereikendheid van zijn inkomsten; aan deze leningen wordt de Staatswaarborg verbonden) <KB10 11-10-1978, art. 6>
  § 3. (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>

  Art. 154ter. <W 05-01-1976, art. 123> De Koning bepaalt de wijze waarop de uitgaven gedaan ingevolge herfacturering van de verpleegdagprijs doorgevoerd bij toepassing van artikel 9 van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen, met inbegrip van deze gedaan ingevolge internationale overeenkomsten, worden verdeeld tussen en ten laste gelegd van de regeling voor werknemers en de regeling voor zelfstandigen. Hij bepaalt eveneens het aandeel van die uitgaven dat in aanmerking komt voor de berekening van de Rijkstegemoetkoming bedoeld bij artikel 121, 3° van deze wet en bij artikel 32, § 2 van het koninklijk besluit van 30 juli 1964 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering tot de zelfstandigen wordt verruimd.
  De bepalingen van artikel 70, § 2, van deze wet zijn niet van toepassing op de hierboven bedoelde uitgaven.

  Art. 155. Totdat de eerstaanwezend geneesheren-inspecteurs en de geneesheren-inspecteurs benoemd zijn overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 117, § 4, en 156, wordt de taak van die geneesheren vervuld door de geneesheren-inspecteurs en de geneesheren-controleurs die de dag van inwerkingtreding van deze wet in dienst zijn van het Instituut voor geneeskundige controle.
  Totdat de adviserend geneesheren benoemd en erkend zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 88, wordt de taak van die geneesheren vervuld door de adviserend geneesheren die de dag van inwerkingtreding van deze wet in dienst zijn van de verzekeringsinstellingen.

  Art. 156. (opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>

  Art. 157. De Koning bepaalt het personeelskader van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering op voorstel van de in artikel 7 bedoelde algemene raad.
  (tweede lid opgeheven) <W 1995-01-09/51, art. 2, 031; Inwerkingtreding : 05-07-1995>

  TITEL XI. - OPENBAARMAKING.

  Art. 158. § 1. De teksten van de verordeningen van de algemene raad en van de beheerscomités, van de bijzondere diensten van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering worden, wanneer zij de rechthebbenden der verzekering, algemeen, aanbelangen, bekendgemaakt in het "Belgisch Staatsblad".
  (§ 2. De dienst voor geneeskundige verzorging is ertoe gehouden de verzekeringsinstellingen de lijst waarin artikel 12, 8°, voorziet, mede te delen alsmede de naam van de personen en de inrichtingen die tot een overeenkomst zijn toegetreden of (geacht worden tot de termen van een akkoord toegetreden te zijn,) in voorkomend geval met vermelding van de bijzondere voorwaarden welke die overeenkomsten of (akkoorden) behelzen. <W 26-03-1970, art. 6>
  De verzekeringsinstellingen zijn ertoe gehouden die lijsten en die namen, onder de voorwaarden welke de Koning bepaalt, ter kennis te brengen van de rechthebbenden der verzekering, op voorstel, wat de geneesheren en de tandheelkundigen betreft, van de in artikel 34, § 2, van deze wet bedoelde bevoegde Nationale Commissie en wat de andere verzorgingsverstrekkers betreft, van de Vaste Commissie die belast is met de opdracht om in landelijk verband te onderhandelen over en af te sluiten een overeenkomst tussen de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen die van de beroepsorganisaties der apothekers, in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 26 en 27 van deze wet. <W 08-04-1965, art. 52>
  (twee leden opgeheven) <W 08-08-1980, art. 136>

  TITEL XII. - INWERKINGTREDING.

  Art. 159. Deze wet treedt in werking op 1 januari 1964.
  De Koning kan echter besluiten dat, op data vóór die bepaald voor de algehele inwerkingtreding der wet, de bepalingen betreffende de instelling en de werking van de in deze bedoelde organen, diensten, comités, raden, commissies en colleges in werking treden alsmede de bepalingen op grond waarvan de begrotingen en de verordeningen kunnen worden opgemaakt en over de overeenkomsten kan worden onderhandeld.

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
BEELD
  • WET VAN 13-04-2011 GEPUBL. OP 10-05-2011
    (GEWIJZIGD ART. : 61quinquies)
  • BEELD
  • WET VAN 13-12-2005 GEPUBL. OP 21-12-2005
    (GEWIJZIGDE ART. : 34TER; 97)
  • BEELD
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-10-2004 GEPUBL. OP 20-10-2004
  • WET VAN 09-01-1995 GEPUBL. OP 05-07-1995
    (GEWIJZIGDE ART. : 23; 29; 31BIS; 34; 34TER; 34UNDEC)
    (GEWIJZIGDE ART. : 54; 71BIS; 106; 121; 123; 133; 151)
    (GEWIJZIGDE ART. : 152; 154; 154BIS; 156; 157)
  • WET VAN 14-07-1994 GEPUBL. OP 27-08-1994
    (GEWIJZIGD ART. : COORDINATIE)
  • WET VAN 30-03-1994 GEPUBL. OP 31-03-1994
    (GEWIJZIGDE ART. : 25QUA; 34BIS; 15BIS; 20; 20BIS)
    (GEWIJZIGDE ART. : 24; 24TER; 25; 20QUI; 12TER; 32)
    (GEWIJZIGDE ART. : 34; 34UNDECIESBIS; 34TERDECIES)
    (GEWIJZIGDE ART. : 34SEDECIES; 35; 37; 37QUA; 76QUA)
    (GEWIJZIGDE ART. : 99; 101; 121; 135; 153; 33)
  • WET VAN 06-08-1993 GEPUBL. OP 09-08-1993
    (GEWIJZIGDE ART. : 20; 21; 22; 25; 34; 34TERDEC)
    (GEWIJZIGDE ART. : 76QUA; 103; 106; 121; 125)
  • WET VAN 15-02-1993 GEPUBL. OP 06-03-1993
    (GEWIJZIGDE ART. : OPSCHRIFT; 1; 2; 5QUATER; 6; 7; 8; 9; 10; 11; 12; 12BIS; 12TER; 13; 14; 15; 15BIS; 16; 17; 18; 18BIS; 19; 19BIS; 20; 20BIS; 20TER; 20QUATER; 21; 24; 24BIS; 25; 25BIS; 25TER; 25QUATER; 25QUINQUIES; 34; 34TER; 34QUATER; 34UNDECIES; 37QUATER; 39; 40; 45; 46; 58BIS; 59; 60BIS; 61QUINQUIES; 61SEXIES; 69; 76SEXIES; 78; 79; 90; 91; 92; 93; 95; 96; 97; 99; 100; 101; 113; 114; 117; 120BIS; 125; 133BIS; 134; 147QUATER)
  • WET VAN 15-02-1993 GEPUBL. OP 06-03-1993
  • WET VAN 30-12-1992 GEPUBL. OP 09-01-1993
    (GEWIJZIGDE ART. : 121; 24; 25)
  • WET VAN 30-12-1992 GEPUBL. OP 09-01-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 121)
  • WET VAN 26-06-1992 GEPUBL. OP 30-06-1992
  • WET VAN 18-10-1991 GEPUBL. OP 17-12-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 40)
  • WET VAN 20-07-1991 GEPUBL. OP 01-08-1991
    (GEWIJZIGDE ART. : 20; 35; 79BIS; 79TER; 79QUI; 90BI)
  • WET VAN 04-04-1991 GEPUBL. OP 27-06-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 22)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 29-05-1991 GEPUBL. OP 19-06-1991
    (GEWIJZIGDE ART. : 84; 96; 103; 104; 105; 105BIS)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 19-12-1990 GEPUBL. OP 23-01-1991
    (GEWIJZIGDE ART. : 23; 24; 50; 59; 121; 125; 153)
  • WET VAN 29-12-1990 GEPUBL. OP 09-01-1991
  • WET VAN 24-05-1989 GEPUBL. OP 03-10-1990
    (GEWIJZIGD ART. : 106)
  • WET VAN 20-07-1990 GEPUBL. OP 01-08-1990
    (GEWIJZIGD ART. : 35)
  • WET VAN 22-12-1989 GEPUBL. OP 30-12-1989
  • WET VAN 06-07-1989 GEPUBL. OP 08-07-1989
    (GEWIJZIGDE ART. : 12; 23; 25; 26; 70BIS; 34QUADE)
  • WET VAN 30-12-1988 GEPUBL. OP 05-01-1989
  • WET VAN 24-08-1988 GEPUBL. OP 17-11-1988
    (GEWIJZIGD ART. : 25)
  • WET VAN 07-11-1987 GEPUBL. OP 17-11-1987
    (GEWIJZIGDE ART. : 25; 34OCTIES; 34NONIES; 153)
  • WET VAN 08-07-1987 GEPUBL. OP 31-07-1987
    (GEWIJZIGD ART. : 70)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-03-1987 GEPUBL. OP 16-04-1987
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 31-12-1986 GEPUBL. OP 23-01-1987
    (GEWIJZIGDE ART. : 23; 24; 25)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 23-07-1986 GEPUBL. OP 21-08-1986
    (GEWIJZIGDE ART. : 40; 46; 50; 149)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 05-08-1986 GEPUBL. OP 21-08-1986
    (GEWIJZIGD ART. : 125)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 18-04-1986 GEPUBL. OP 06-05-1986
    (GEWIJZIGDE ART. : 20BIS; 25; 29; 32; 34BIS; 34QUATE)
    (GEWIJZIGDE ART. : 37TER; 96; 97; 99; 101; 135)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-08-1985 GEPUBL. OP 13-09-1985
    (GEWIJZIGDE ART. : 12; 21; 23; 24; 25; 26; 29; 32; 33; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 34QUI; 50; 67; 70; 74; 79; 80; 85; )
    (GEWIJZIGDE ART. : 86; 89; 94; 96; 99; 106; 117; 120BI)
    (GEWIJZIGDE ART. : 121; 122; 151)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 21-03-1985 GEPUBL. OP 10-04-1985
    (GEWIJZIGD ART. : 57)
  • WET VAN 22-01-1985 GEPUBL. OP 24-01-1985
    (GEWIJZIGDE ART. : 23; 125)
  • KONINKLIJK BESLUIT VAN 13-08-1984 GEPUBL. OP 28-08-1984
    (GEWIJZIGD ART. : 52BIS)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zittijd 1962-1963. KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS. Parl. besch. - Wetsontwerp, nr 527/1 van 08-03-1963. - Amendementen, nrs 527/2 tot 15. - Verslag (+ bijlage) nr 527/16 van 12-06-1963. - Amendementen voorgesteld op de tekst aangenomen door de commissie, nrs 527/17 tot 24. - In eerste stemming gewijzigde artikelen, nr 527/25. Parl. Hand. - Bespreking. Vergadering van 18-19-20-25 en 26-06-1963. - Aanneming. Vergadering van 27-06-1963. SENAAT. Parl. besch. - Wetsontwerp overgezonden door de Kamer van Volksvertegenwoordigers, nr 281 van 27-06-1963. - Verslag, nr 327 van 24-07-1963. - Amendementen, nrs 331, 332, 339, 341 en 343. Parl. Hand. - Bespreking. Vergadering van 26 en 30-07-1963. - Aanneming. Vergadering van 31-07-1963.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 399 uitvoeringbesluiten 32 gearchiveerde versies
    Franstalige versie