J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 1 gearchiveerde versie
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/wet/1961/06/23/1961062307/justel

Titel
23 JUNI 1961. - Wet betreffende het recht tot antwoord
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-03-1977 en tekstbijwerking tot 30-04-2009)

Bron : JUSTITIE
Publicatie : 08-07-1961 nummer :   1961062307 bladzijde : 5573
Dossiernummer : 1961-06-23/30
Inwerkingtreding : 18-07-1961

Inhoudstafel Tekst Begin
(HOOFDSTUK I. - Periodieke geschriften.) <W 04-03-1977, art. 1>
Art. 1-6
(HOOFDSTUK II. - Audiovisuele middelen.) <Ingevoegd bij W 04-03-1977, art. 2> [1 Opgeheven door de Vlaamse Overheid]1
Art. 7-15
(HOOFDSTUK III. - Gemeenschappelijke bepalingen.) <Ingevoegd bij W 04-03-1977, art. 2>
Art. 16-18

Tekst Inhoudstafel Begin
(HOOFDSTUK I. - Periodieke geschriften.) <W 04-03-1977, art. 1>

  Artikel 1. Onverminderd de andere rechtsmiddelen, heeft elke natuurlijke of rechtspersoon die in een periodiek geschrift bij name is genoemd of impliciet aangewezen, het recht binnen drie maanden kosteloze inlassing van een antwoord te vorderen.
  De wetenschappelijke, artistieke of letterkundige kritiek echter levert slechts een recht van antwoord op indien dit ten doel heeft een zakelijk element recht te zetten of een aantasting van de eer af te weren.
  Indien de bedoelde persoon overleden is, behoort het recht van antwoord aan al de bloedverwanten in de rechte linie en aan de echtgenoot of, bij ontstentenis van dezen, aan de naaste bloedverwanten; het recht wordt slechts eenmaal en door de meest gerede onder hen uitgeoefend; indien, op de dag van het overlijden van de genoemde of aangewezen persoon, de bij het eerste lid bepaalde termijn van drie maanden is ingegaan, beschikken de rechthebbenden alleen over het nog overblijvende gedeelte van die termijn.

  Art. 2. Het antwoord mag niet meer bedragen dan duizend letters schrift of het dubbel van de ruimte ingenomen door de tekst die het recht tot antwoord rechtvaardigt.
  De in de zaak betrokken persoon mag ineens het recht tot antwoord uitoefenen op teksten die in verschillende opeenvolgende nummers zijn verschenen.
  In dat geval mag zijn antwoord niet meer bedragen dan duizend letters schrift of het dubbel van de ruimte ingenomen door de langste van die teksten.
  De vordering tot inlassing bevat de nauwkeurige opgaaf van de teksten, vermeldingen of aanhalingen waarop het antwoord betrekking heeft.

  Art. 3. Kan worden geweigerd, de inlassing van elk antwoord :
  1° Dat niet onmiddellijk in verband staat met de bestreden tekst;
  2° Dat beledigend is of in strijd met de wetten of de goede zeden;
  3° Dat zonder noodzakelijkheid derden in de zaak betrekt;
  4° Dat gesteld is in een andere taal dan die van het periodiek geschrift.

  Art. 4. Het antwoord moet in zijn geheel worden opgenomen zonder tussenvoeging, op dezelfde plaats en in dezelfde lettertekens als de tekst waarop het betrekking heeft.
  Het moet worden opgenomen in het eerste nummer dat verschijnt na afloop van een termijn van twee vrije dagen, de zondagen of feestdagen niet inbegrepen, en die ingaat op de dag waarop het antwoord ten kantore van het periodiek geschrift werd ingediend.

  Art. 5. In geval van overtreding van artikel 4, wordt de uitgever gestraft met geldboete van 26 frank tot 5 000 frank.
  Artikel 85 van het Strafwetboek is op dit misdrijf van toepassing.
  Indien de dag van het vonnis het antwoord nog niet werd opgenomen, gelast de rechtbank de opneming binnen een termijn die zij vaststelt, en veroordeelt zij bovendien de uitgever tot een geldboete van 100 frank per dag vertraging van het verstrijken vanaf deze termijn; in een speciaal met redenen omklede beschikking kan zij verklaren dat het gedeelte van het vonnis dat de opneming beveelt uitvoerbaar is bij voorraad niettegenstaande verzet of beroep.
  Artikel 9 der wet van 31 mei 1888 waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling en de voorwaardelijke veroordelingen in het strafstelsel worden ingevoerd, zoals het bij de wet van 14 november 1947 werd gewijzigd, is niet van toepassing op de veroordelingen waarvan sprake in het voorgaande lid.

  Art. 6. <W 04-03-1977, art. 1> Bij gebreke van aanduiding van de naam van de uitgever in het periodiek geschrift, wordt de drukker, behoudens het tegenbewijs, verondersteld de uitgever te zijn.

  (HOOFDSTUK II. - Audiovisuele middelen.) <Ingevoegd bij W 04-03-1977, art. 2> [1 Opgeheven door de Vlaamse Overheid]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-03-27/49, art. 240, 002; Inwerkingtreding : 10-05-2009>

  Art. 7.<Ingevoegd bij W 04-03-1977, art. 2> (Federaal) Onverminderd de andere rechtsmiddelen heeft elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, elke feitelijke vereniging, die bij name is genoemd of impliciet is aangewezen in een audiovisuele uitzending, uitgave of programma van periodieke aard, het recht, onder aanwijzing van een persoonlijk belang, kosteloos de uitzending of de opneming van een antwoord te vorderen om één of meer onjuiste feiten die hem betreffen recht te zetten of om te antwoorden op één of meer feiten of verklaringen die van zodanige aard zijn dat zij de eer aantasten.
  Indien de persoon overleden is, behoort het recht van antwoord aan al de bloedverwanten in de rechte lijn of aan de echtgenoot of, bij ontstentenis van dezen, aan de naaste bloedverwanten; het recht wordt slechts eenmaal en door de meest gerede onder hen uitgeoefend; indien, op de dag van het overlijden van de genoemde of aangewezen persoon, de termijn van dertig dagen, bepaald in artikel 8, eerste lid, van deze wet, is ingegaan, beschikken de rechthebbenden alleen over het nog overblijvende gedeelte van die termijn.
  
  Art. 7. (Vlaamse Overheid) [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-03-27/49, art. 240, 002; Inwerkingtreding : 10-05-2009>

  Art. 8.<Ingevoegd bij W 04-03-1977, art. 2> (Federaal) Op straffe van onontvankelijkheid moet de aanvraag tot antwoord aan de volgende voorwaarden voldoen :
  - uiterlijk de dertigste dag na de datum van de uitzending, het programma of de uitgave bij ter post aangetekende brief worden toegezonden aan de producent van de uitzending of het programma of aan de uitgever;
  - de volledige identiteit van de verzoeker alsmede zijn woonplaats vermelden, indien het een natuurlijke persoon betreft. Bij rechtspersonen worden de firmanaam, de juridische aard, de maatschappelijke zetel en de hoedanigheid van de ondertekenaar van het verzoek vermeld. Bij feitelijke verenigingen worden de naam, de zetel, de statutaire organen en de hoedanigheid van de ondertekenaar van het verzoek vermeld;
  - alle nodige inlichtingen geven zodat kan worden vastgesteld om welke bestreden uitzending, programma of uitgave en om welke gewraakte passages het gaat;
  - met redenen omkleed en ondertekend zijn;
  - het gevraagde antwoord bevatten; de tekst ervan moet in ten hoogste drie minuten kunnen worden gelezen of bestaan uit ten hoogste 4 500 typografische tekens.
  
  Art. 7. (Vlaamse Overheid) [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-03-27/49, art. 240, 002; Inwerkingtreding : 10-05-2009>

  Art. 9.<Ingevoegd bij W 04-03-1977, art. 2> (Federaal) Geweigerd kan worden de uitzending of de opneming van elk antwoord :
  - dat niet in onmiddellijk verband staat met de bestreden woorden of beelden of dat verder gaat dan nodig is om de onjuist verklaarde feiten te verbeteren of dat schadelijk is voor de eer;
  - dat beledigend is of in strijd met de wetten of de goede zeden;
  - dat zonder noodzakelijkheid derden in de zaak betrekt;
  - dat gesteld is in een andere taal dan die van de bestreden uitzending, uitgave of programma.
  
  Art. 9. (Vlaamse Overheid) [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-03-27/49, art. 240, 002; Inwerkingtreding : 10-05-2009>

  Art. 10.<Ingevoegd bij W 04-03-1977, art. 2> (Federaal) Er is geen grond tot antwoord indien spontaan een bevredigende rechtzetting is gedaan door de producent of de uitgever.
  Indien deze rechtzetting door de verzoeker niet bevredigend wordt geacht, kan hij gebruik maken van de rechten die hem worden toegekend door de bepalingen van deze wet.
  
  Art. 10. (Vlaamse Overheid) [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-03-27/49, art. 240, 002; Inwerkingtreding : 10-05-2009>

  Art. 11.<Ingevoegd bij W 04-03-1977, art. 2> (Federaal) § 1. Wanneer de aanvraag tot antwoord en de voorgestelde tekst aanvaard worden, wordt dat antwoord uitgezonden in de eerstvolgende uitzending of in het eerstvolgend programma van dezelfde reeks of van hetzelfde type, zo dicht mogelijk bij het uur waarop de betrokken uitzending of programma heeft plaatsgehad.
  Indien de aanvraag tot antwoord een periodieke uitgave betreft, wordt de tekst opgenomen in de eerstvolgende uitgave.
  Indien de frequentie te gering is, kan de verzoeker vorderen dat zijn antwoord wordt uitgezonden in de eerstvolgende uitzending.
  Het antwoord wordt zonder commentaar of repliek gelezen door de persoon die door de producent of door de uitgever is aangewezen.
  De verzoeker heeft in geen geval toegang tot de microfoon, de camera of de opname-apparatuur.
  § 2. Wordt het verzochte antwoord aanvaard, maar niet in zijn geheel, dan stuurt de producent of de uitgever aan de verzoeker een tegenvoorstel. Dit moet bij aangetekende brief worden medegedeeld binnen vier werkdagen, te rekenen van de dag na de ontvangst van de aanvraag.
  Wordt het tegenvoorstel door de verzoeker aanvaard, dan wordt het antwoord uitgezonden of opgenomen op de wijze bepaald in § 1.
  § 3. Indien de producent of de uitgever de aanvraag tot antwoord afwijst, deelt hij dit onder opgave van redenen bij aangetekend schrijven aan de verzoeker mee binnen een termijn van vier werkdagen, ingaande op de dag na de ontvangst van de aanvraag.
  
  Art. 11. (Vlaamse Overheid) [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-03-27/49, art. 240, 002; Inwerkingtreding : 10-05-2009>

  Art. 12.<Ingevoegd bij W 04-03-1977, art. 2> (Federaal) Indien de formaliteiten bepaald in § 2, eerste lid, en § 3 van artikel 11 niet vervuld zijn, indien de aanvraag tot antwoord wordt afgewezen of het tegenvoorstel van tekst niet wordt aanvaard, kan de verzoeker de zaak aanhangig maken bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en wel binnen vijftien dagen te rekenen van de dag waarop van de weigering of van het tegenvoorstel kennis moest worden gegeven of binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de weigering of van het tegenvoorstel.
  Bij de voorzitter kan binnen dezelfde termijn een verzoekschrift tot minnelijke schikking aanhangig worden gemaakt overeenkomstig artikel 731 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Dat verzoekschrift heeft ten aanzien van de termijn van vijftien dagen de gevolgen van een dagvaarding, mits gedagvaard wordt binnen vijftien dagen na het proces-verbaal houdende vaststelling dat partijen niet tot verzoening zijn gekomen.
  De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, als alleenspreker rechter zitting houdende, beslist ten gronde en in laatste aanleg volgens de procedure bepaald in de artikelen 1035, 1036, 1038 en 1041 van het Gerechtelijk Wetboek over de verplichting van de producent of de uitgever om het antwoord uit te zenden of op te nemen.
  In geval van beschikking bij verstek kan verzet worden gedaan binnen vijftien dagen na de kennisgeving.
  Van de beschikking wordt aan de partijen kennis gegeven bij gerechtsbrief.
  
  Art. 12. (Vlaamse Overheid) [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-03-27/49, art. 240, 002; Inwerkingtreding : 10-05-2009>

  Art. 13.<Ingevoegd bij W 04-03-1977, art. 2> (Federaal) Van elke uitzending, programma of uitgave moet een opname bewaard worden, zolang een aanvraag tot antwoord kan worden ingediend.
  Wanneer geen opname kan worden overgelegd, moet het antwoord worden uitgezonden of uitgegeven, voor zover het in overeenstemming is met de wet.
  Wanneer de aanvraag tot antwoord tijdig is ingediend, moet de opname van de betrokken uitzending, programma of uitgave bewaard worden tot het geschil beslecht is.
  De opname van het antwoord moet gedurende drie maanden worden bewaard.
  
  Art. 13. (Vlaamse Overheid) [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-03-27/49, art. 240, 002; Inwerkingtreding : 10-05-2009>

  Art. 14.<Ingevoegd bij W 04-03-1977, art. 2> (Federaal) Op een antwoord geven geen recht de uitzendingen die door de uitzendingsinstituten van radio- en televisie worden toegestaan aan erkende verenigingen en stichtingen, voor zover die uitzendingen gerealiseerd worden in overeenstemming met de bepalingen die de uitzendingen door erkende verenigingen en stichtingen regelen.
  
  Art. 14. (Vlaamse Overheid) [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-03-27/49, art. 240, 002; Inwerkingtreding : 10-05-2009>

  Art. 15.<Ingevoegd bij W 04-03-1977, art. 2> (Federaal) Met geldboete van 26 tot 5 000 frank en onverminderd burgerrechtelijk herstel kan worden gestraft het feit van een antwoord niet uit te zenden of op te nemen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 11, § 1 en § 2, tweede lid, of de minnelijke schikking dan wel de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg niet uit te voeren.
  
  Art. 15. (Vlaamse Overheid) [1 opgeheven]1
  ----------
  (1)<DVR 2009-03-27/49, art. 240, 002; Inwerkingtreding : 10-05-2009>

  (HOOFDSTUK III. - Gemeenschappelijke bepalingen.) <Ingevoegd bij W 04-03-1977, art. 2>

  Art. 16. <Ingevoegd bij W 04-03-1977, art. 2> Vervolging geschiedt alleen op klacht of op rechtstreekse dagvaarding van de verzoeker. Deze kan in elke stand van het geding afstand doen. Afstand doet de strafvordering vervallen.

  Art. 17. <Ingevoegd bij W 04-03-1977, art. 2> De strafvordering en de burgerlijke vordering wegens overtreding van deze wet verjaren na drie maanden te rekenen van de dag waarop de opneming of de uitzending hadden moeten plaatshebben.

  Art. 18. <Ingevoegd bij W 04-03-1977, art. 2> De hoven en rechtbanken doen op de vorderingen ingesteld overeenkomstig deze wet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken.

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
originele versie
  • DECREET VLAAMSE RAAD VAN 27-03-2009 GEPUBL. OP 30-04-2009
    (GEWIJZIGD ART. : 7-15)

  • Parlementaire werkzaamheden Tekst Inhoudstafel Begin
       Zitting 1952-1953. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp van wet nr. 706, van 6 oktober 1953. Zitting 1956-1957. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Verslag nr. 773-2, van 26 juni 1957, van de heer Nossent. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 2 juli 1957. Senaat. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp nr. 375, van 2 juli 1957, overgezonden door de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Zitting 1959-1960. Senaat. Parlementaire bescheiden. - Verslag nr. 121, van 26 januari 1960, van de heer Ancot. Parlementaire Handelingen. - Bespreking. Vergadering van 6 april 1960. - Aanneming. Vergadering van 7 april 1960. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire bescheiden. - Ontwerp door de Senaat gewijzigd, nr. 505-2, van 7 april 1960. - Amendement van de heer Mertens de Wilmars, nr. 505-3, van 14 juni 1961. Buitengewone zitting 1961. Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 15 juni 1961.

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Parlementaire werkzaamheden Inhoudstafel 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie