J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
Inhoudstafel 335 uitvoeringbesluiten 69 gearchiveerde versies
Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/grondwet/1831/02/07/1831020701/justel

Titel
7 FEBRUARI 1831. - GRONDWET VAN BELGIE. (Publikatie: Bulletin officiel des décrets du Congrès national de Belgique et des arrêtés du Pouvoir exécutif, no du Bulletin 14, no d'ordre 44, p. 174 e.v. De Nederlandse tekst werd vastgesteld bij Grondwetswijziging van 10 april 1967 (Staatsblad 3-5-1967))
(NOTA : De oorspronkelijk Grondwet van 1831 werd in 1994 gecoördineerd. De referenties aan de Grondwet in de teksten na 1994 overeenstemmen niet met die tekst maar wel met de tekst 1994-02-17/30 van de gecoördineerde Grondwet. Zie wijziging(en)

Publicatie : 07-02-1831 nummer :   1831020701 bladzijde : 888888
Dossiernummer : 1831-02-07/01
Inwerkingtreding : onbepaald

Inhoudstafel Tekst Begin
TITEL I (HET FEDERALE BELGIE, ZIJN SAMENSTELLING EN ZIJN GRONDGEBIED) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/30, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 1993-05-18>
Art. 1-3, 3bis
TITEL Ibis <GW 24-12-1970> DE (...) GEMEENSCHAPPEN. <GW 17 juli 1980>
Art. 3ter
TITEL II DE BELGEN EN HUN RECHTEN.
Art. 4-6, 6bis, 7-24, 24bis, 24ter, 24quater
TITEL III. DE MACHTEN.
Art. 25, 25bis, 25ter, 26, 26bis, 27-31
HOOFDSTUK I. DE KAMERS.
Art. 32, 32bis, 33-38, 38bis, 39-46
AFDELING I. DE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS.
Art. 47-52
AFDELING II. DE SENAAT.
Art. 53-56, 56bis, 56ter, 56quater, 57-59
AFDELING III. <GW 17 juli 1980> DE GEMEENSCHAPSRADEN. <GW 17 juli 1980> <Afdeling III en art. 59bis ingevoegd bij grondwetswijziging 24 dec. 1970. (B.S. 31-12-1970; Erratum 22-1-1971) en gewijzigd bij grondwetswijziging 24 dec. 1970 (B.St. 31-12-1970; Erratum 22-1-1971) en gewijzigd bij grondwetswijziging 17-7-1980 (B.
Art. 59bis, 59ter
Afdeling IV - (De Gemeenschaps- en Gewestraden en hun Regering) <ingevoegd bij Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/45, art. 1, Inwerkingtreding : 1993-05-18>
Art. 59quater, 59quinquies, 59sexies, 59septies
HOOFDSTUK II. DE KONING EN DE MINISTERS.
EERSTE AFDELING DE KONING.
Art. 60-85
AFDELING II. DE MINISTERS.
Art. 86, 86bis, 87-91
AFDELING III. <GW 24 december 1970> DE STAATSSECRETARISSEN.
Art. 91bis
HOOFDSTUK III. DE RECHTERLIJKE MACHT.
Art. 92-107
HOOFDSTUK IIIbis. <GW 29 juli 1980> VOORKOMING EN REGELING VAN CONFLICTEN.
Art. 107ter, 107terbis
HOOFDSTUK IIIter. <GW 24 december 1970> DE GEWESTELIJKE INSTELLINGEN.
Art. 107quater
HOOFDSTUK IIIquater. De Raad van State en de administratieve rechtscolleges. <ingevoegd bij Wijziging aan de Grondwet 1993-06-18/31, art. 1, Inwerkingtreding : 1993-07-09>
Art. 107quinquies
HOOFDSTUK IV. DE PROVINCIALE EN GEMEENTELIJKE INSTELLINGEN.
Art. 108, 108bis, 108ter, 109
TITEL IV DE FINANCIEN.
Art. 110-117
TITEL V DE GEWAPENDE MACHT.
Art. 118-124
TITEL VI ALGEMENE BEPALINGEN.
Art. 125-130
TITEL VII HERZIENING VAN DE GRONDWET.
Art. 131, 131bis
TITEL VIII OVERGANGSBEPALINGEN.
Art. 132-138
AANVULLENDE BEPALINGEN.
Art. 139-140

Tekst Inhoudstafel Begin
TITEL I _ (HET FEDERALE BELGIE, ZIJN SAMENSTELLING EN ZIJN GRONDGEBIED) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/30, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  Artikel 1. <GW 7 september 1893> (België is een federale staat, samengesteld uit de gemeenschappen en de gewesten.
  Het Vlaamse Gewest is ingedeeld in de provincies Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant en West-Vlaanderen. Het Waalse Gewest is ingedeeld in de provincies Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen en Waals-Brabant.) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/30, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 1993-05-18>
  (De bevoegdheden die in het Vlaamse en Waalse Gewest worden uitgeoefend door verkozen provinciale organen, worden in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad uitgeoefend door de Vlaamse en de Franse Gemeenschap en door de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, elk voor wat betreft de aangelegenheden die krachtens artikel 59bis tot hun bevoegdheid behoren, en door het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest voor wat de andere aangelegenheden betreft.
  Evenwel stelt een wet, aangenomen met de meerderheid bepaald in het laatste lid, de nadere regelen vast volgens welke het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest of elke instelling waarvan het de leden benoemt, de in het vorige lid bedoelde bevoegdheden uitoefent die geen in artikel 107quater bedoelde aangelegenheden betreffen. Een wet aangenomen met dezelfde meerderheid legt de nadere regelen vast voor de toewijzing aan de in artikel 108ter, § 3, bedoelde instellingen van bepaalde of van alle in het vorige lid bedoelde bevoegdheden die in artikel 59bis bedoelde aangelegenheden betreffen.) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/30, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 1993-05-18>
  De wet kan, indien daartoe redenen zijn, het grondgebied indelen in een groter aantal provincies.
  (Een wet kan bepaalde gebieden, waarvan zij de grenzen vaststelt, aan de indeling in provincies onttrekken, ze onder het rechtstreeks gezag plaatsen van de uitvoerende macht en ze een eigen statuut toekennen.
  Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid van de stemmen in elke taalgroep van elke Kamer, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en voor zover het totaal van de ja-stemmen in beide taalgroepen tweederde van de uitgebrachte stemmen bereikt.) <GW 24 december 1970>
  (Overgangsbepaling.
  De eerstvolgende verkiezing voor de provincieraden vindt plaats, samen met de eerstvolgende gemeenteraadsverkiezingen, op de tweede zondag van oktober 1994. Voor zover de in het voorlaatste lid van deze overgangsbepaling bedoelde wet in werking is getreden worden de kiezers voor de verkiezing van de provincieraden van Vlaams-Brabant en Waals-Brabant diezelfde zondag opgeroepen.
  Tot 31 december 1994 zijn de provincies : Antwerpen, Brabant, Henegouwen, Limburg, Luik, Luxemburg, Namen, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen.
  De personeelsleden en het patrimonium van de provincie Brabant worden verdeeld tussen de provincie Vlaams-Brabant, de provincie Waals-Brabant, het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, de in de artikelen 59bis, § 4bis, tweede lid, en 108ter, § 3, bedoelde overheden en instellingen, evenals de federale overheid, op de wijze bepaald door een wet aangenomen met de in artikel 1, laatste lid, bedoelde meerderheid.
  Na de eerstvolgende vernieuwing van de provincieraden en tot op het moment van hun verdeling worden het gemeenschappelijk gebleven personeel en patrimonium gezamenlijk beheerd door de provincie Vlaams-Brabant, de provincie Waals-Brabant en de in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad bevoegde overheden.) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/30, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  Art. 2. De onderverdelingen van de provincies kunnen alleen door de wet worden vastgesteld.

  Art. 3. In de grenzen van het Rijk, van de provincies en van de gemeenten kan geen verandering of correctie worden aangebracht dan krachtens een wet.

  Art. 3bis. <GW 24 december 1970> België omvat vier taalgebieden: het Nederlands taalgebied, het Frans taalgebied, het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad en het Duits taalgebied.
  Elke gemeente van het Rijk maakt deel uit van één van deze taalgebieden.
  In de grenzen van de vier gebieden kan geen verandering of correctie worden aangebracht dan bij een wet, aangenomen met de meerderheid van de stemmen in elke taalgroep van elke Kamer, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en voor zover het totaal van de ja-stemmen in beide taalgroepen tweederde van de uitgebrachte stemmen bereikt.

  TITEL Ibis _ <GW 24-12-1970> DE (...) GEMEENSCHAPPEN. <GW 17 juli 1980>

  Art. 3ter. <GW 17 juli 1980> België omvat drie gemeenschappen: de Vlaamse gemeenschap, de Franse gemeenschap en de Duitstalige gemeenschap.
  Elke gemeenschap heeft de bevoegdheden welke haar door de Grondwet of door de wetten aangenomen krachtens deze laatste, worden toegekend.

  TITEL II _ DE BELGEN EN HUN RECHTEN.

  Art. 4. De staat van Belg wordt verkregen, behouden en verloren volgens de regels bij de burgerlijke wet gesteld.
  Deze Grondwet en de overige wetten op de politieke rechten bepalen welke de vereisten zijn waaraan men moet voldoen, benevens de staat van Belg, om die rechten te kunnen uitoefenen.

  Art. 5. Naturalisatie wordt verleend door de wetgevende macht.
  (Lid 2 opgeheven.) <VARIA 1991-02-01/32, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 25-02-1991>

  Art. 6. Er is in de Staat geen onderscheid van standen.
  De Belgen zijn gelijk voor de wet; zij alleen zijn tot de burgerlijke en militaire bedieningen benoembaar, behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere gevallen door een wet kunnen worden gesteld.

  Art. 6bis. <GW 24 december 1970> Het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend moet zonder discriminatie verzekerd worden. Te dien einde waarborgen de wet en het decreet onder meer de rechten en vrijheden van de ideologische en filosofische minderheden.

  Art. 7. De vrijheid van de persoon is gewaarborgd.
  Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.
  Niemand kan behalve bij ontdekking op heter daad, worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter, dat moet worden betekend bij de aanhouding of uiterlijk binnen vierentwintig uren.

  Art. 8. Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent.

  Art. 9. Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet.

  Art. 10. De woning is onschendbaar; geen huiszoeking kan plaats hebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft.

  Art. 11. Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling.

  Art. 12. De straf van verbeurdverklaring der goederen kan niet worden ingevoerd.

  Art. 13. De burgerlijke dood is afgeschaft; hij kan niet opnieuw worden ingevoerd.

  Art. 14. De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd.

  Art. 15. Niemand kan worden gedwongen op enigerlei wijze deel te nemen aan handelingen en aan plechtigheden van een eredienst of de rustdagen ervan te onderhouden.

  Art. 16. De Staat heeft niet het recht zich te bemoeien met de benoeming of de installatie der bedienaren van enige eredienst of hun te verbieden briefwisseling te houden met hun overheid en de akten van deze overheid openbaar te maken, onverminderd, in laatstgenoemd geval, de gewone aansprakelijkheid inzake drukpers en openbaarmaking.
  Het burgerlijk huwelijk moet altijd aan de huwelijksinzegening voorafgaan, behoudens de uitzonderingen door de wet te stellen, indien daartoe redenen zijn.

  Art. 17. (§ 1.) Het onderwijs is vrij; elk preventieve maatregel is verboden; de bestraffing van de misdrijven wordt alleen door de wet (of het decreet) geregeld. <W 1988-07-15/30, art. 1, A, 011; Inwerkingtreding : 1989-01-01>
  (De Gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders.
  De Gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige opvattingen van de ouders en de leerlingen.
  De scholen ingericht door openbare besturen bieden, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele zedenleer.) <W 1988-07-15/30, art. 1, B, 011; Inwerkingtreding : 1989-01-01>
  (§ 2. Zo een Gemeenschap als inrichtende macht bevoegdheden wil overdragen aan een of meer autonome organen, kan dit slechts bij decreet, aangenomen met een tweederde-meerderheid.
  § 3. Iedereen heeft recht op onderwijs, met eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden. De toegang tot het onderwijs is kosteloos tot het einde van de leerplicht.
  Alle leerlingen die leerplichtig zijn, hebben ten laste van de Gemeenschap recht op een morele of religieuze opvoeding.
  § 4. Alle leerlingen of studenten, ouders, personeelsleden en onderwijsinstellingen zijn gelijk voor de wet of het decreet. De wet en het decreet houden rekening met objectieve verschillen, waaronder de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht, die een aangepaste behandeling verantwoorden.
  § 5. De inrichting, erkenning of subsidiering van het onderwijs door de Gemeenschap wordt geregeld door de wet of het decreet.
  - Overgangsbepaling : (opgeheven) <Wijziging aan de Grondwet 1992-12-30/43, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 1993-02-26>

  Art. 18. De drukpers is vrij; de censuur kan nooit worden ingevoerd; geen borgstelling kan worden geëist van de schrijvers, uitgevers of drukkers.
  Wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft, kan de uitgever, de drukker of de verspreider niet worden vervolgd.

  Art. 19. De Belgen hebben het recht vreedzaam en ongewapend te vergaderen, mits zij zich gedragen naar de wetten, die het uitoefenen van dit recht kunnen regelen zonder het echter aan een voorafgaand verlof te onderwerpen.
  Deze bepaling is niet van toepassing op bijeenkomsten in de open lucht, die ten volle aan de politiewetten onderworpen blijven.

  Art. 20. De Belgen hebben het recht van vereniging; dit recht kan niet aan enige preventieve maatregel worden onderworpen.

  Art. 21. Ieder heeft het recht verzoekschriften, door een of meer personen ondertekend, bij de openbare overheden in te dienen.
  Alleen de gestelde overheden hebben het recht verzoekschriften in gemeenschappelijke naam in te dienen.

  Art. 22. Het briefgeheim is onschendbaar.
  De wet bepaalt welke agenten verantwoordelijk zijn voor de schending van het geheim der aan de post toevertrouwde brieven.

  Art. 23. Het gebruik van de in België gesproken talen is vrij; het kan niet worden geregeld dan door de wet en alleen voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken.

  Art. 24. Geen voorafgaand verlof is nodig om vervolgingen in te stellen tegen openbare ambtenaren wegens daden van hun bestuur, behoudens wat ten opzichte van de ministers (en de leden van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen) is bepaald. <Wijziging aan de Grondwet 1993-12-09/30, art. 1, 068; Inwerkingtreding : 1993-12-24>

  Art. 24bis. <ingevpegd bij Wijziging aan de Grondwet 1994-01-31/32, art. 1, Inwerkingtreding : 1994-02-22> Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden.
  Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 26bis bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen.
  Die rechten omvatten inzonderheid :
  1° het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief onderhandelen;
  2° het recht op sociale zekerheid, bescherming van de gezondheid en sociale, geneeskundige en juridische bijstand;
  3° het recht op een behoorlijke huisvesting;
  4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu;
  5° het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing.

  Art. 24ter. <ingevoegd bij Wijziging aan de Grondwet 1993-06-18/30, art. 1, Inwerkingtreding : 1995-01-01> Een ieder heeft het recht elk bestuursdocument te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald door de wet, het decreet of de regel bedoeld in artikel 26bis.
  Overgangsbepaling.
  Deze bepaling treedt in werking op 1 januari 1995.

  Art. 24quater. <ingevoegd bij Wijziging aan de Gronswet 1994-01-31/33, art. 1, Inwerkingtreding : 1994-02-22> Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder voorwaarden door de wet bepaald.
  De wet, het decreet of de in artikel 26bis bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht.

  TITEL III. _ DE MACHTEN.

  Art. 25. Alle machten gaan uit van de Natie.
  Zij worden uitgeoefend op de wijze bij de Grondwet bepaald.

  Art. 25bis. <GW 20 juli 1970> De uitoefening van bepaalde machten kan door een verdrag of door een wet worden opgedragen aan volkenrechtelijke instellingen.

  Art. 25ter. <ingevoegd bij Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/31, art. 1, 032; Inwerkingtreding : 1993-05-18> De federale overheid is slechts bevoegd voor de aangelegenheden die de Grondwet en de wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, haar uitdrukkelijk toekennen.
  De Gemeenschappen of de Gewesten zijn, ieder wat hem betreft, bevoegd voor de overige aangelegenheden onder de voorwaarden en op de wijze bepaald door de wet. Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 1, laatste lid.
  Overgangsbepaling.
  De wet bedoeld in artikel 25ter, tweede lid, bepaalt de dag waarop artikel 25ter in werking treedt. Deze dag kan niet voorafgaan aan de dag waarop het nieuw in titel III van de Grondwet in te voegen artikel in werking treedt dat de exclusieve bevoegdheden van de federale overheid bepaalt.

  Art. 26. <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/32, art. 1, 033; Inwerkingtreding : 1993-05-18> De wetgevende macht wordt gezamenlijk uitgeoefend door de Koning, de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat.
  De wetgevende macht wordt evenwel gezamenlijk uitgeoefend door de Koning en de Kamer van volksvertegenwoordigers voor :
  1° het verlenen van naturalisaties;
  2° de wetten betreffende de burgerrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid van de ministers van de Koning;
  3° de begrotingen en de rekeningen van de Staat, onverminderd artikel 115, eerste lid, tweede zin;
  4° de vaststelling van het legercontingent.
  Overgangsbepaling.
  Tot de eerstkomende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt de wetgevende macht gezamenlijk uitgeoefend door de Koning, de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat.

  Art. 26bis. <GW 17 juli 1980> De wetten genomen in uitvoering van artikel 107quater bepalen de rechtskracht van de regelen die de organen, welke zij oprichten, nemen in de aangelegenheden, welke zij aanduiden.
  Zij kunnen aan deze organen de bevoegdheid toekennen om decreten met kracht van wet te nemen binnen de omschrijving en op de wijze die zij bepalen.

  Art. 27. <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/33, art. 1, 034; Inwerkingtreding : 1993-05-18> Het recht van initiatief behoort aan elke tak van de wetgevende macht.
  Behalve voor de aangelegenheden bedoeld in artikel 41, § 2, worden de wetsontwerpen voorgelegd aan de Kamers op initiatief van de Koning, ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers en vervolgens overgezonden aan de Senaat.
  De wetsontwerpen houdende instemming met verdragen voorgelegd aan de Kamers op initiatief van de Koning, worden ingediend in de Senaat en vervolgens overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
  Overgangsbepaling.
  Het tweede en derde lid treden in werking vanaf de eerstkomende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

  Art. 28. <GW 17 juli 1980> Alleen de wet kan een authentieke uitlegging van de wetten geven.
  Alleen het decreet kan een authentieke uitlegging van de decreten geven.

  Art. 29. De uitvoerende macht, zoals zij door de Grondwet is geregeld, berust bij de Koning.

  Art. 30. De rechterlijke macht wordt uitgeoefend door de hoven en rechtbanken.
  De arresten en vonnissen worden in naam des Konings ten uitvoer gelegd.

  Art. 31. De uitsluitend gemeentelijke of provinciale belangen worden door de gemeenteraden of de provincieraden geregeld, volgens de beginselen bij de Grondwet vastgesteld.

  HOOFDSTUK I. _ DE KAMERS.

  Art. 32. De leden van beide Kamers vertegenwoordigen de Natie, en niet enkel (diegenen die hen hebben verkozen). <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/34, art. 1, 035; Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  Art. 32bis. <GW 24 december 1970> Voor de bij de Grondwet bepaalde gevallen, worden de gekozen leden van elke Kamer in een Nederlandse en een Franse taalgroep ingedeeld op de bij de wet vastgestelde wijze.

  Art. 33. De vergaderingen van de Kamers zijn openbaar.
  Elke kamer vergadert evenwel met gesloten deuren, op verzoek van haar voorzitter of van tien leden.
  Zij beslist daarna, bij volstrekte meerderheid, of de vergadering in het openbaar zal worden hervat ter behandeling van hetzelfde onderwerp.

  Art. 34. Elke Kamer onderzoekt de geloofsbrieven van haar leden en beslist de geschillen die hieromtrent rijzen.

  Art. 35. Men kan niet tegelijk lid van beide Kamers zijn.

  Art. 36. <GW 7 september 1893> Een lid van een van beide Kamers dat door de regering wordt benoemd tot een ander bezoldigd ambt dan dat van minister en de benoeming aanneemt, houdt onmiddellijk op zitting te hebben en treedt niet weder in functie dan krachtens een nieuwe verkiezing.
  (Een lid van een van beide Kamers dat door de Koning tot minister wordt benoemd en de benoeming aanneemt, houdt op zitting te hebben en neemt zijn mandaat weer op wanneer de Koning een einde heeft gesteld aan zijn functie als minister. De wet voorziet in de nadere regelen van zijn vervanging in de betrokken Kamer.
  Overgangsbepaling.
  Vanaf de eerstkomende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers treedt het tweede lid in werking.) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/35, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  Art. 37. Bij iedere zitting benoemt elke Kamer haar voorzitter, haar ondervoorzitters en stelt haar bureau samen.

  Art. 38. Elk besluit wordt bij volstrekte meerderheid van stemmen genomen, behoudens hetgeen door de reglementen der Kamers zal worden bepaald met betrekking tot verkiezingen en voordrachten.
  Bij staking van stemmen is het behandelde voorstel verworpen.
  Geen van beide Kamers kan een besluit nemen, indien niet de meerderheid van haar leden tegenwoordig is.

  Art. 38bis. <GW 24 december 1970> Behoudens voor de begrotingen alsook voor de wetten waarvoor een bijzondere meerderheid is vereist, kan een met redenen omklede motie, ondertekend door ten minste drie vierde van de leden van een der taalgroepen en der tafel gelegd na de indiening van het verslag en vóór de eindstemming in openbare vergadering, verklaren dat de bepalingen die zij aanwijst in een ontwerp of voorstel van wet de betrekkingen tussen de gemeenschappen ernstig in het gedrang kunnen brengen.
  In dat geval wordt de parlementaire procedure opgeschort en de motie verwezen naar de Ministerraad die binnen dertig dagen daarover zijn gemotiveerd advies geeft en de betrokken Kamer uitnodigt zich uit te spreken hetzij over dit advies, hetzij over het eventueel geamendeerd ontwerp of voorstel.
  Deze procedure kan slechts eenmaal worden toegepast door de leden van een taalgroep betreffende een zelfde ontwerp of voorstel van wet.

  Art. 39. <GW 1984-07-31/34,art. 1, 005> De stemmingen geschieden bij zitten en opstaan of bij naamafroeping; over de wetten in hun geheel wordt altijd bij naamafroeping gestemd. Verkiezingen en voordrachten van kandidaten geschieden bij geheime stemming.

  Art. 40. Elke Kamer heeft het recht van onderzoek.

  Art. 41. <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/36, art. 1, 037; Inwerkingtreding : 1993-05-18> § 1. Een wetsontwerp kan door een Kamer eerst worden aangenomen nadat daarover artikelsgewijs is gestemd.
  § 2. De Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat zijn gelijkelijk bevoegd voor :
  1° de verklaring tot herziening van de Grondwet en de herziening van de Grondwet;
  2° de aangelegenheden die krachtens de Grondwet door beide Wetgevende Kamers dienen te worden geregeld;
  3° de wetten bedoeld in de artikelen 1, 32bis, 36, 41, 53, 57, 59bis, 59ter, 59quater, 68, §§ 1, derde lid, 4, 5 en 7, 93, 94, 107ter, 107ter-bis, 107quater, 108bis, 108ter, 110, § 2, tweede lid, § 3, tweede en derde lid, en § 4, tweede lid, en 115, derde lid, evenals de wetten ter uitvoering van de bovenvermelde wetten en artikelen;
  4° de wetten aan te nemen met de meerderheid bedoeld in artikel 1, laatste lid, evenals de wetten ter uitvoering hiervan;
  5° de wetten bedoeld in artikel 25bis;
  6° de wetten houdende instemming met verdragen;
  7° de wetten aangenomen overeenkomstig artikel 68, § 7, om de naleving van internationale of supranationale verplichtingen te verzekeren;
  8° de wetten op de Raad van State;
  9° de organisatie van de hoven en de rechtbanken;
  10° de wetten tot goedkeuring van samenwerkingsakkoorden tussen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten.
  Een wet aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 1, laatste lid, kan andere wetten aanduiden waarvoor de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat gelijkelijk bevoegd zijn.
  § 3. In de andere aangelegenheden wordt het wetsontwerp dat door de Kamer van volksvertegenwoordigers is aangenomen, overgezonden aan de Senaat.
  Op verzoek van ten minste vijftien van zijn leden onderzoekt de Senaat het wetsontwerp. Dat verzoek wordt geformuleerd binnen vijftien dagen na de ontvangst van het ontwerp.
  De Senaat kan, binnen een termijn die zestig dagen niet te boven mag gaan :
  - beslissen dat er geen reden is om het wetsontwerp te amenderen;
  - het ontwerp na amendering aannemen.
  Indien de Senaat zich niet binnen de voorgeschreven termijn heeft uitgesproken of de Kamer van volksvertegenwoordigers in kennis heeft gesteld van zijn beslissing om het wetsontwerp niet te amenderen, zendt de Kamer van volksvertegenwoordigers het ontwerp over aan de Koning.
  Indien het ontwerp is geamendeerd, zendt de Senaat het over aan de Kamer van volksvertegenwoordigers, die een definitieve beslissing neemt door alle of sommige van de door de Senaat aangenomen amendementen hetzij aan te nemen, hetzij te verwerpen.
  Indien de Kamer van volksvertegenwoordigers, tijdens die behandeling, een nieuw amendement aanneemt, wordt het wetsontwerp teruggezonden naar de Senaat, die zich over het geamendeerde ontwerp uitspreekt. De Senaat kan, binnen een termijn die vijftien dagen niet te boven mag gaan :
  - beslissen dat hij instemt met het door de Kamer van volksvertegenwoordigers geamendeerde ontwerp;
  - het ontwerp na een nieuwe amendering aannemen.
  Indien de Senaat zich niet binnen de voorgeschreven termijn heeft uitgesproken of de Kamer van volksvertegenwoordigers in kennis heeft gesteld van zijn beslissing om in te stemmen met het door de Kamer goedgekeurde ontwerp, zendt de Kamer het ontwerp over aan de Koning.
  Indien het ontwerp opnieuw is geamendeerd, zendt de Senaat het over aan de Kamer van volksvertegenwoordigers, die een definitieve beslissing neemt door het wetsontwerp hetzij aan te nemen, hetzij te amenderen.
  Indien de Regering bij de indiening van een wetsontwerp de spoedbehandeling vraagt, bepaalt de in § 5 bedoelde parlementaire overlegcommissie de termijnen waarbinnen de Senaat zich moet uitspreken.
  Wordt in de commissie geen overeenstemming bereikt, dan wordt de termijn waarbinnen de Senaat zijn evocatierecht kan uitoefenen, verminderd tot zeven dagen en de termijn van behandeling bedoeld in het derde lid, tot dertig dagen.
  § 4. Indien de Senaat in de aangelegenheden bedoeld in § 3 een wetsvoorstel aanneemt op grond van zijn recht van initiatief, wordt het wetsontwerp overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoodigers.
  Binnen een termijn die zestig dagen niet te boven mag gaan, neemt de Kamer een definitieve beslissing door het wetsontwerp hetzij te verwerpen, hetzij aan te nemen.
  Indien de Kamer het wetsontwerp amendeert, wordt het teruggezonden naar de Senaat, die het onderzoekt volgens de regels bepaald in het zesde, het zevende en het achtste lid van § 3.
  Bij toepassing van het achtste lid van § 3 neemt de Kamer binnen vijftien dagen een definitieve beslissing.
  Beslist de Kamer niet binnen de in het tweede en het vierde lid voorgeschreven termijnen, dan komt de in § 5 bedoelde parlementaire overlegcommissie binnen vijftien dagen bijeen, die de termijn bepaalt waarbinnen de Kamer uitspraak moet doen.
  Wordt in de commissie geen overeenstemming bereikt, dan moet de Kamer binnen zestig dagen uitspraak doen.
  § 5. Een parlementaire overlegcommissie, paritair samengesteld uit leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat, regelt de bevoegdheidsconflicten tussen e twee Kamers en kan, in onderlinge overeenstemming, te allen tijde de in de §§ 3 en 4 voorgeschreven termijnen van onderzoek verlengen.
  Is er geen meerderheid in de twee samenstellende delen van de commissie, dan beslist deze bij meerderheid van twee derde van haar leden.
  Een wet bepaalt de samenstelling en de werkwijze van de commissie, alsmede de berekeningswijze van de in de vorige paragrafen gestelde termijnen.
  § 6. Elk wetsvoorstel en elk wetsontwerp vermeldt of het een aangelegenheid regelt bedoeld in artikel 26, tweede lid, of in artikel 41, §§ 2, 3 of 4.
  Overgangsbepaling.
  De §§ 2 tot 6 treden in werking vanaf de eerstkomende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

  Art. 42. De Kamers hebben het recht de artikelen en de voorgestelde amendementen te wijzigen en te splitsen.

  Art. 43. Het is verboden in persoon aan de Kamers verzoekschriften aan te bieden.
  Elke Kamer heeft het recht de bij haar ingediende verzoekschriften naar de ministers te verwijzen. De ministers zijn verplicht omtrent de inhoud uitleg te verstrekken, zo dikwijls als de Kamer het vordert.

  Art. 44. Geen lid van een van beide kamers kan worden vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen naar aanleiding van een mening of een stem, in de uitoefening van zijn functie uitgebracht.

  Art. 45. Geen lid van een van beide Kamers kan tijdens de zitting in strafzaken worden vervolgd of aangehouden dan met verlof van de Kamer waarvan hij deel uitmaakt, behalve bij ontdekking op heter daad.
  Lijfsdwang kan, tijdens de zitting, tegen een lid van een van beide Kamers niet worden uitgeoefend dan met zodanig verlof.
  De hechtenis of de vervolging van een lid van een van beide Kamers wordt tijdens de zitting en voor haar gehele duur geschorst, indien de Kamer het vordert.

  Art. 46. Elke Kamer bepaalt, in haar reglement, de wijze waarop zij haar bevoegdheden uitoefent.

  AFDELING I. _ DE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS.

  Art. 47. <GW 7 februari 1921> (De afgevaardigden ter Kamer van Volksvertegenwoordigers worden rechtstreeks gekozen door de burgers die volle 18 jaar oud zijn en die niet verkeren in een der gevallen van uitsluiting bij de wet bepaald.) <W 1988-07-07/30, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 1988-07-19>
  Ieder kiezer heeft slechts recht op één stem.
  (.....) <GW 28-7-1981>

  Art. 48. <GW 15 november 1920> (De samenstelling van de kiescolleges wordt door de wet geregeld.) <W 1988-07-07/31, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 1988-07-19>
  De verkiezingen geschieden volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging dat door de wet wordt vastgesteld.
  De stemming is verplicht en geheim. Zij heeft plaats in de gemeente, behoudens de bij de wet te stellen uitzonderingen.

  Art. 49. <GW 28 juli 1971> § 1. De Kamer van volksvertegenwoordigers telt (150) leden. <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/37, art. 1, 038; Inwerkingtreding : 1993-05-18>
  § 2. (Elke kiesomschrijving) telt zoveel keren een zetel als de nationale deler in het cijfer van de bevolking van (de kiesomschrijving) begrepen is. De nationale deler wordt bekomen door het bevolkingscijfer van het Rijk te delen door (150). <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/37, art. 1, 038; Inwerkingtreding : 1993-05-18>
  De overblijvende zetels worden toegewezen aan de (kiesomschrijvingen) met het grootste nog niet vertegenwoordigd bevolkingsoverschot. <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/37, art. 1, 038; Inwerkingtreding : 1993-05-18>
  § 3. (De indeling van de Kamerleden over de kiesomschrijvingen wordt door de Koning bepaald in verhouding tot de bevolking.
  Het cijfer van de bevolking van elke kiesomschrijving wordt om de tien jaar vastgesteld door een volkstelling of door ieder ander middel, bepaald door de wet. De Koning maakt binnen een termijn van zes maanden de uitslagen bekend.
  Binnen een termijn van drie maanden na die bekendmaking bepaalt Hij het aantal zetels dat aan iedere kiesomschrijving toekomt.
  De nieuwe indeling wordt toegepast vanaf de eerstvolgende algemene verkiezingen.) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/37, art. 1, 038; Inwerkingtreding : 1993-05-18>
  § 4. De wet bepaalt de (kiesomschrijvingen); zij bepaalt eveneens de voorwaarden waaraan men moet voldoen om kiezer te zijn alsmede het verloop van de kiesverrichtingen. <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/37, art. 1, 038; Inwerkingtreding : 1993-05-18>
  (Overgangsbepaling.
  Tot de eerstkomende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers telt de Kamer van volksvertegenwoordigers 212 leden en wordt de nationale deler verkregen door het bevolkingscijfer van het Rijk te delen door 212.) Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/37, art. 1, 038; Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  Art. 50. <GW 15 november 1920> Om verkiesbaar te zijn moet men :
  1° (Belg zijn;) <GW 1991-02-01/33, art. 1, 015; Inwerkingtreding : 25-02-91>
  2° het genot hebben van de burgerlijke en politieke rechten;
  3° (de volle leeftijd van 21 jaar) hebben bereikt; <GW 1991-02-01/33, art. 1, 015, Inwerkingtreding : 25-02-91>
  4° zijn woonplaats hebben in België.
  Geen andere voorwaarde tot verkiesbaarheid kan worden vereist.

  Art. 51. <GW 15 oktober 1921> De leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers worden gekozen voor vier jaar.
  De Kamer wordt om de vier jaar vernieuwd.

  Art. 52. <GW 15 november 1920> Ieder lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers geniet een jaarlijkse vergoeding van 12 000 frank.
  Bovendien heeft hij vrij verkeer op alle verkeerswegen door de Staat geëxploiteerd of in concessie gegeven.
  De wet bepaalt van welke vervoermiddelen, buiten de hierboven vermelde wegen, de volksvertegenwoordigers kosteloos gebruik mogen maken.
  Aan de voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers kan een jaarlijkse vergoeding worden toegekend, aan te rekenen op de dotatie bestemd voor de dekking der uitgaven van deze vergadering.
  De Kamer bepaalt het bedrag dat van de vergoeding mag worden ingehouden als bijdrage in de lijfrente- of pensioenkassen, waarvan zij de oprichting wenselijk acht.

  AFDELING II. _ DE SENAAT.

  Art. 53. <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/38, art. 1, 039; Inwerkingtreding : 1993-05-18> § 1. Onverminderd artikel 58 telt de Senaat 71 senatoren, van wie :
  1° 25 senatoren, overeenkomstig artikel 47 gekozen door het Nederlandse kiescollege;
  2° 15 senatoren, overeenkomstig artikel 47 gekozen door het Franse kiescollege;
  3° 10 senatoren, aangewezen door en uit de Vlaamse Raad;
  4° 10 senatoren, aangewezen door en uit de Franse Gemeenschapsraad;
  5° 1 senator, aangewezen door en uit de Raad van de Duitstalige Gemeenschap;
  6° 6 senatoren, aangewezen door de senatoren bedoeld in het 1° en het 3°;
  7° 4 senatoren, aangewezen door de senatoren bedoeld in het 2° en het 4°.
  § 2. De senatoren bedoeld in § 1, 1°, 3° en 6°, vormen de Nederlandse taalgroep van de Senaat. De senatoren bedoeld in § 1, 2°, 4° en 7°, vormen de Franse taalgroep van de Senaat.
  § 3. Ten minste één van de senatoren bedoeld in § 1, 1°, 3° en 6°, heeft op de dag van zijn verkiezing zijn woonplaats in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
  Ten minste zes van de senatoren bedoeld in § 1, 2°, 4° en 7°, hebben op de dag van hun verkiezing hun woonplaats in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad. Indien niet ten minste vier van de senatoren bedoeld in § 1, 2°, op de dag van hun verkiezing hun woonplaats hebben in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, moeten ten minste twee van de senatoren bedoeld in § 1, 4°, op de dag van hun verkiezing hun woonplaats hebben in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
  § 4. Het totaal aantal senatoren bedoeld in § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 6° en 7°, wordt in elke taalgroep, op grond van het stemcijfer van de lijsten behaald bij de verkiezing van de senatoren bedoeld in § 1, 1° en 2°, verdeeld volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging dat door de wet wordt vastgesteld.
  Voor de aanwijzing van de senatoren bedoeld in § 1, 3° en 4°, komen alleen de lijsten in aanmerking waarop ten minste één senator bedoeld in § 1, 1° en 2°, gekozen is en voor zover voldoende op deze lijsten gekozen leden zitting hebben in, al naar het geval, de Vlaamse Raad of de Franse Gemeenschapsraad.
  Voor de aanwijzing van de senatoren bedoeld in § 1, 6° en 7°, komen alleen de lijsten in aanmerking waarop ten minste één senator bedoeld in § 1, 1° en 2°, gekozen is.
  De senator bedoeld in § 1, 5°, wordt aangewezen door de Raad van de Duitstalige Gemeenschap bij volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
  § 5. Voor de verkiezing van de senatoren bedoeld in § 1, 1° en 2°, is de stemming verplicht en geheim. Zij heeft plaats in de gemeente, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen.
  § 6. Voor de verkiezing van de senatoren bedoeld in § 1, 1° en 2°, bepaalt de wet de kieskringen en de samenstelling van de kiescolleges; zij bepaalt eveneens de voorwaarden waaraan men moet voldoen om kiezer te zijn, alsmede het verloop van de kiesverrichtingen.
  De wet regelt de verkiezing van de senatoren bedoeld in § 1, 3° tot 5°, met uitzondering van de nadere regels die overeenkomstig een wet, aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 1, laatste lid, door de Gemeenschapsraden, ieder wat hem betreft, bij decreet worden gesteld. Dat decreet moet worden aangenomen met een tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van de betrokken Raad aanwezig is.
  De wet regelt de verkiezing van de senatoren bedoeld in § 1, 6° en 7°.
  Overgangsbepaling.
  Tot de eerstkomende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers zijn de hierna volgende bepalingen van toepassing :
  De Senaat is samengesteld :
  1° uit 106 leden, overeenkomstig artikel 47 gekozen naar de bevolking van elke provincie. De bepalingen van artikel 48 zijn van toepassing op de verkiezing van deze senatoren.
  2° uit leden, door de provincieraden gekozen naar verhouding van één senator voor 200 000 inwoners. Elk overschot van ten minste 125 000 inwoners geeft recht op een senator meer. Evenwel benoemt elke provincieraad ten minste drie senatoren.
  Deze leden mogen niet behoren tot de vergadering die hen kiest, noch daarvan deel hebben uitgemaakt gedurende twee jaren die voorafgaan aan de dag van hun verkiezing.
  3° uit leden, door de Senaat gekozen, in aantal gelijk aan de helft van het getal der senatoren die door de provincieraden zijn gekozen. Is dit een oneven aantal, dan wordt het met een eenheid vermeerderd.
  Deze leden worden benoemd door de senatoren die met toepassing van het 1° en het 2° van deze overgangsbepaling zijn gekozen.
  De verkiezing van de senatoren te kiezen met toepassing van het 2° en het 3° geschiedt volgens het stelsel van evenredige vertegenwoordiging dat door de wet wordt vastgesteld.
  Wanneer een senator die door de provincieraad van Brabant werd gekozen, na 31 december 1994 moet worden vervangen, kiest de Senaat een lid met inachtneming van de voorwaarden die in de wet worden vastgelegd.

  Art. 54. (opgeheven) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/39, art. 1, 040; Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  Art. 55. Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/40, art. 1, 041; Inwerkingtreding : 1993-05-18) De senatoren bedoeld in artikel 53, § 1, 1° en 2°, worden gekozen voor vier jaar. De senatoren bedoeld in artikel 53, § 1, 6° en 7°, worden aangewezen voor vier jaar. De Senaat wordt om de vier jaar geheel vernieuwd.
  De verkiezing van de senatoren bedoeld in artikel 53, § 1, 1° en 2°, vindt op dezelfde dag plaats als de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers.
  Overgangsbepaling.
  Tot de eerstkomende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers worden de senatoren gekozen voor vier jaar.

  Art. 56. <GW 15 oktober 1921> Om tot senator gekozen te kunnen worden moet men:
  1° (Belg zijn;) <VARIA 1991-04-17/30, art. 1, 018; Inwerkingtreding : 1991-05-13>
  2° het genot hebben van de burgerlijke en politieke rechten;
  3° zijn woonplaats hebben in België;
  4° (De volle leeftijd van 21 jaar hebben bereikt.) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/41, art. 1, 042; Inwerkingtreding : 1993-05-18>
  (Overgangsbepaling :
  Tot de eerstkomende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers moet men, onverminderd artikel 56, 1°, 2° en 3°, de volle leeftijd van 40 jaar hebben bereikt.) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/41, art. 1, 042; Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  Art. 56bis. (opgeheven) <GW 1985-06-03/32, art. 1, 006>

  Art. 56ter. (opgeheven) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/42, art. 1, 043; Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  Art. 56quater. (opgeheven) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/43, art. 1, 044; Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  Art. 57. <GW 15 oktober 1921> De senatoren genieten geen wedde.
  Zij hebben evenwel recht op vergoeding van hun onkosten; die vergoeding is vastgesteld op vierduizend frank per jaar.
  Bovendien hebben zij vrij verkeer op alle verkeerswegen door de Staat geëxploiteerd of in concessie gegeven.
  De wet bepaalt van welke vervoermiddelen, buiten de hierboven vermelde wegen, zij kosteloos gebruik mogen maken.

  Art. 58. <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/44, art. 1, 045; Inwerkingtreding : 1993-05-18> De kinderen van de Koning, of, indien er geen zijn, de Belgische nakomelingen van de tot regeren gerechtigde tak van het koninklijk stamhuis, zijn van rechtswege lid van de Senaat op de leeftijd van 18 jaar. Zij zijn eerst stemgerechtigd op de leeftijd van 21 jaar. Zij worden niet meegerekend bij het bepalen van het aanwezigheidsquorum.

  Art. 59. Elke vergadering van de Senaat die mocht worden gehouden buiten de zitting van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, is van rechtswege nietig.

  AFDELING III. _ <GW 17 juli 1980> DE GEMEENSCHAPSRADEN. <GW 17 juli 1980> <Afdeling III en art. 59bis ingevoegd bij grondwetswijziging 24 dec. 1970. (B.S. 31-12-1970; Erratum 22-1-1971) en gewijzigd bij grondwetswijziging 24 dec. 1970 (B.St. 31-12-1970; Erratum 22-1-1971) en gewijzigd bij grondwetswijziging 17-7-1980 (B.St. 18-07-1980)>.

  Art. 59bis. <GW 24-12-1970> § 1. (Er is een Raad en een Executieve van de Vlaamse gemeenschap en een Raad en een Executieve van de Franse gemeenschap, waarvan de samenstelling en de werking door de wet worden bepaald. De Raden zijn samengesteld uit verkozen mandatarissen.
  Met het oog op de toepassing van artikel 107quater kunnen de Raad van de Vlaamse gemeenschap en de Raad van de Franse gemeenschap en hun Executieven de bevoegdheden uitoefenen van respectievelijk het Vlaamse en het Waalse gewest, onder de voorwaarden en op de wijze die de wet bepaalt.
  De wetten bedoeld in de vorenstaande leden moeten worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 1, laatste lid.) <GW 17 juli 1980>
  § 2. De (Gemeenschapsraden) regelen, ieder wat hem betreft, bij decreet: <GW 17 juli 1980>
  1° de culturele aangelegenheden;
  2° (het onderwijs, met uitsluiting van :
  a) de bepaling van het begin en het einde van de leerplicht;
  b) de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's;
  c) de pensioenregeling;) <W 1988-07-15/31, art. 1, A, 012; Inwerkingtreding : 1989-01-01>
  3° (de samenwerking tussen de Gemeenschappen, alsook de internationale samenwerking, met inbegrip van het sluiten van verdragen, voor de aangelegenheden bedoeld in 1° en 2° van deze paragraaf.) <W 1988-07-15/31, art. 1, B, 012; Inwerkingtreding : 1989-01-01>
  (Een wet aangenomen met de in artikel 1, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt de in 1° vermelde culturele aangelegenheden, de in 3° vermelde vormen van samenwerking, alsook de nadere regelen voor het in 3° van deze paragraaf vermelde sluiten van verdragen vast.) <W 1988-07-15/31, art. 1, C, Inwerkingtreding : 1989-01-01>
  § 2bis. (De Gemeenschapsraden regelen, ieder wat hem betreft, bij decreet de persoonsgebonden aangelegenheden, alsook, voor deze aangelegenheden, de samenwerking tussen de Gemeenschappen en de internationale samenwerking, met inbegrip van het sluiten van verdragen.
  Een wet aangenomen met de in artikel 1, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt deze persoonsgebonden aangelegenheden vast, alsook de vormen van samenwerking en de nadere regelen voor het sluiten van verdragen.) <W 1988-07-15/31, art. 1, D, 012; Inwerkingtreding : 1989-01-01; zie ook art. 5, § 1, II, 7° van W 1980-08-08/02>
  § 3. Bovendien regelen de (Gemeenschapsraden,) bij uitsluiting van de wetgever, ieder wat hem betreft, bij decreet, het gebruik van de talen voor: <GW 17 juli 1980>
  1° de bestuurszaken;
  2° het onderwijs in de door de overheid ingestelde, gesubsidieerde of erkende inrichtingen;
  3° de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel, alsmede de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen.
  § 4. De decreten, genomen bij toepassing van § 2, hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlands taalgebied en in het Frans taalgebied, alsmede ten aanzien van de instellingen, gevestigd in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, die, wegens hun activiteiten, moeten worden beschouwd als uitsluitend behorend tot de ene of de andere (gemeenschap.) <GW 17 juli 1980>
  De decreten, genomen bij toepassing van § 3, hebben kracht van wet, respectievelijk in het Nederlands taalgebied en in het Frans taalgebied, uitgezonderd wat betreft:
  _ de gemeenten of groepen van gemeenten palend aan een ander taalgebied en waar de wet het gebruik van een andere taal dan die van het gebied waarin zij gelegen zijn, voorschrijft of toelaat
  (Voor deze gemeenten kan in de bepalingen betreffende het gebruik van de talen voor de aangelegenheden bedoeld in § 3 geen verandering worden aangebracht dan bij een wet aangenomen met de in artikel 1, laatste lid, bepaalde meerderheid.) <W 1988-07-15/31, art. 1, E, 012; Inwerkingtreding : 1989-01-01>
  _ de diensten waarvan de werkkring verder reikt dan het taalgebied waarin zij gevestigd zijn;
  _ de door de wet aangewezen nationale en internationale instellingen waarvan de werking gemeen is aan meer dan één (gemeenschap). <GW 17 juli 1980>
  § 4bis. (De decreten, genomen bij toepassing van § 2bis, hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlands taalgebied en in het Frans taalgebied, alsmede, tenzij wanneer een wet aangenomen met de in artikel 1, laatste lid, bepaalde meerderheid er anders over beschikt, ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, die, wegens hun organisatie, moeten worden beschouwd als uitsluitend behorend tot de ene of de andere gemeenschap.) <GW 17 juli 1980>
  (Een wet aangenomen met de in artikel 1, laatste lid, bepaalde meerderheid wijst de overheden aan die voor het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad de bevoegdheden uitoefenen die niet zijn toegewezen aan de Gemeenschappen voor de aangelegenheden bedoeld in § 2bis.) <W 1988-07-15/31, art. 1, F, 012; Inwerkingtreding : 1989-01-01>
  § 5. (Het recht van initiatief behoort aan de Executieve en aan de leden van de Raad.) <GW 17 juli 1980>
  § 6. (Een wet aangenomen met de in artikel 1, laatste lid, bepaalde meerderheid stelt het financieringsstelsel voor de Gemeenschappen vast.
  De Gemeenschapsraden regelen, ieder wat hem betreft, de bestemming van hun ontvangsten bij decreet.) <W 1988-07-15/31, art. 1, G, 012; Inwerkingtreding : 1989-01-01>
  § 7. De wet stelt de regelen vast ten einde elke discriminatie om ideologische en filosofische redenen te voorkomen.
  § 8. De wet stelt de procedure in om de conflicten tussen de wet en het decreet, alsook tussen de decreten te voorkomen en te regelen.
  Overgangsbepaling : (opgeheven) <Wijziging aan de Grondwet 1992-12-30/44, art. 1, 027; Inwerkingtreding : 1993-03-01>

  Art. 59ter. <GW 01-06-1983> § 1. Er is een Raad en een Executieve van de Duitstalige Gemeenschap, waarvan de samenstelling en de werking door de wet worden bepaald.
  De Raad is samengesteld uit verkozen mandatarissen.
  Artikel 45 is van overeenkomstige toepassing op de leden van de Raad.
  § 2. De Raad regelt bij decreet:
  1° de culturele aangelegenheden;
  2° de persoonsgebonden aangelegenheden;
  3° het onderwijs, binnen de grenzen bepaald door artikel 59bis, § 2, 2°;
  4° (de samenwerking tussen de Gemeenschappen, alsmede de internationale samenwerking, daarin begrepen het sluiten van verdragen voor de in 1°, 2° en 3° van deze paragraaf bedoelde aangelegenheden.) <VARIA 1989-06-20/32, art. 1, A, 014; Inwerkingtreding : 1989-07-30>
  Deze decreten hebben kracht van wet in het Duits taalgebied.
  (De wet stelt de in 1° en 2° vermelde culturele en persoonsgebonden aangelegenheden, alsook de in 4° vermelde vormen van samenwerking samenwerking en wijze waarop de verdragen worden gesloten, vast.) <VARIA 1989-06-20/32, art. 1, B, 014; Inwerkingtreding : 1989-07-30>
  § 3. Op voorstel van hun respectieve Executieve kunnen de Raad van de Duitstalige gemeenschap en de Waalse Gewestraad in onderlinge overeenstemming en elk bij decreet beslissen dat de Raad en de Executieve van de Duitstalige gemeenschap in het Duitse taalgebied geheel of gedeeltelijk bevoegdheden van het Waalse gewest uitoefenen.
  Die bevoegdheden worden , naargelang van het geval , uitgeoefend bij wege van decreten , besluiten of verordeningen.
  § 4. De Raad en de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap oefenen, bij wege van besluiten en verordeningen, elke andere bevoegdheid uit die de wet hun toekent.
  Artikel 107 is van toepassing op deze besluiten en verordeningen.
  § 5. Het recht van initiatief behoort aan de Executieve en aan de leden van de Raad.
  § 6. (Een wet stelt het financieringsstelsel voor Duitstalige Gemeenschap vast.
  De Raad regelt de bestemming van de ontvangsten bij decreet.) <VARIA 1989-06-20/32, art. 1, C, 014; Inwerkingtreding : 1989-07-30>
  § 7. De wet stelt de regelen vast ten einde elke discriminatie om ideologische en filosofische redenen te voorkomen.
  OVERGANGSBEPALING
  (opgeheven) <VARIA 1989-06-20/32, art. 1, D, 014; Inwerkingtreding : 1989-07-30>

  Afdeling IV - (De Gemeenschaps- en Gewestraden en hun Regering) <ingevoegd bij Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/45, art. 1, Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  Art. 59quater. <ingevoegd bij Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/45, art. 1, 046; Inwerkingtreding : 1993-05-18>
  § 1. Onverminderd artikel 59bis, § 1, tweede lid, omvatten de gewestelijke organen bedoeld in artikel 107quater, voor elk Gewest, een Raad en een Regering.
  § 2. Elke Gemeenschapsraad bedoeld in de artikelen 59bis, § 1, eerste lid, en 59ter, § 1, eerste lid, is samengesteld uit leden rechtstreeks gekozen tot lid van de betrokken Gemeenschapsraad of tot lid van een Gewestraad.
  Elke Gewestraad, behoudens in geval van toepassing van artikel 59bis, § 1, tweede lid, is samengesteld uit leden rechtstreeks gekozen tot lid van de betrokken Gewestraad of tot lid van een Gemeenschapsraad.
  § 3. De leden van de Raden worden gekozen voor vijf jaar. De Raden worden om de vijf jaar geheel vernieuwd.
  Tenzij een wet, aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 1, laatste lid, er anders over beschikt, vinden de verkiezingen voor de Raden plaats op dezelfde dag en op de dag van de verkiezingen voor het Europese Parlement.
  § 4. De wet regelt de in § 2 bedoelde verkiezingen, evenals de samenstelling en de werking van de Raden en hun Regeringen. Wat betreft de Gemeenschapsraden en -regeringen bedoeld in artikel 59bis, § 1, eerste lid, en de Gewestraden en -regeringen, bedoeld in artikel 107quater, wordt deze wet aangenomen met de meerderheid bedoeld in artikel 1, laatste lid.
  Een wet, aangenomen met de meerderheid bedoeld in artikel 1, laatste lid, duidt de aangelegenheden aan betreffende, enerzijds, de verkiezing van de Raad van de Vlaamse Gemeenschap, de Raad van de Franse Gemeenschap en de Raad van het Waalse Gewest en, anderzijds, de samenstelling en werking van deze Raden en hun Regeringen, welke door de Raden, ieder wat hem betreft, bij decreet of bij een in artikel 26bis bedoelde regel worden geregeld, al naar het geval. Dat decreet en deze in artikel 26bis bedoelde regel moeten worden aangenomen met tweederde-meerderheid van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van de betrokken Raad aanwezig is.
  § 5. Een lid van een Raad mag niet tegelijk lid zijn van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Het kan evenmin tegelijk senator bedoeld in artikel 53, § 1, 1°, 2°, 6° en 7°, zijn.
  § 6. Ieder lid van een Gewestraad of een Gemeenschapsraad geniet de onschendbaarheid bepaald in de artikelen 44 en 45.
  Geen lid van een Gewest- of Gemeenschapsregering kan worden vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen naar aanleiding van een mening of een stem in de uitoefening van zijn functie uitgebracht.
  § 7. De leden van elke Gewest- of Gemeenschapsregering worden gekozen door hun Raad.
  Overgangsbepaling.
  De eerstkomende verkiezingen van de Raden, overeenkomstig artikel 59quater, met uitzondering van § 3, vinden plaats op dezelfde dag als de eerstkomende algemene verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers. De daaropvolgende verkiezingen van de Raden, overeenkomstig artikel 59quater, vinden plaats op dezelfde dag als de tweede verkiezingen van het Europese Parlement, volgend op de inwerkingtreding van artikel 59quater, §§ 1, 4 en 6.
  tot de eerstkomende verkiezingen van de Kamer van volksvertegenwoordigers is artikel 59quater, §§ 2, 3 en 5, niet van toepassing.

  Art. 59quinquies. <ingevoegd bij Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/46, art. 1, 047; Inwerkingtreding : 1993-05-18> § 1. De Franse Gemeenschapsraad enerzijds en de Waalse Gewestraad en de Franse taalgroep van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad anderzijds kunnen in onderlinge overeenstemming en elk bij decreet beslissen dat de Waalse Gewestraad en zijn Regering in het Franse taalgebied en de Franse taalgroep in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en zijn College in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad geheel of gedeeltelijk bevoegdheden van de Franse Gemeenschap uitoefenen.
  Deze decreten worden aangenomen met een tweederde meerderheid van de uitgebrachte stemmen in de Franse Gemeenschapsraad en met volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen in de Waalse Gewestraad en de Franse taalgroep van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van de betrokken Raad of taalgroep aanwezig is. Zij kunnen de financiering van de bevoegdheden die zij aanduiden, regelen, alsook de overdracht van het personeel, de goederen, rechten en verplichtingen die erop betrekking hebben.
  Deze bevoegdheden worden, naar gelang van het geval, uitgeoefend bij wege van decreten, besluiten of verordeningen.
  § 2. Onder de voorwaarden en op de wijze die de wet, aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 1, laatste lid, bepaalt, draagt de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, bij de in artikel 26bis bedoelde regel, financiële middelen over aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en aan de Vlaamse en de Franse Gemeenschapscommissies.

  Art. 59sexies. <ingevoegd bij Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/47, art. 1, 048; Inwerkingtreding : 1993-05-18> De Gemeenschaps- en Gewestraden, ieder wat hem betreft, hebben het recht leden van hun Regering in beschuldiging te stellen en hen te brengen voor het Hof van Cassatie; dit alleen is bevoegd om hen te berechten, in verenigde kamers, behoudens hetgeen de wet zal bepalen betreffende het instellen van de burgerlijke rechtsvordering door de benadeelde partij en betreffende misdaden en wanbedrijven die door de leden van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen buiten de uitoefening van hun ambt mochten zijn gepleegd.
  Een wet zal bepalen in welke gevallen de leden van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen verantwoordelijke zijn, welke straffen hun worden opgelegd en op welke wijze tegen hen in rechte wordt opgetreden, zowel bij inbeschuldigingstelling door hun Raad als bij vervolging door de benadeelde partijen.
  De wetten bedoeld in de vorenstaande leden worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 1, laatste lid.

  Art. 59septies. <ingevoegd bij Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/48, art. 1, 049; Inwerkingtreding : 1993-05-18> De grondwettelijke bepalingen betreffende de leden van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen, alsmede de uitvoeringswetten bedoeld in artikel 59sexies, laatste lid, zijn toepasselijk, op de gewestelijke staatssecretarissen.

  HOOFDSTUK II. _ DE KONING EN DE MINISTERS.

  EERSTE AFDELING _ DE KONING.

  Art. 60. <wijziging aan de Grondwet van 21-06-1991, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 20-07-1991> De grondwettelijke macht van de Koning gaat bij erfopvolging over op de natuurlijke en wettige nakomelingschap, in de rechte lijn, van Z.M. Leopold, Joris, Christiaan, Frederik van Saksen-Coburg en volgens eerstgeboorterecht.
  De in het eerste lid bedoelde nakomeling die huwt zonder toestemming van de Koning of van hen die, bij gebreke van de Koning, zijn macht uitoefenen in de bij de Grondwet bepaalde gevallen, veliest zijn recht op de kroon.
  Hij kan echter in zijn recht worden hersteld door de Koning of door hen die, bij gebreke van de Koning, zijn macht uitoefenen in de bij de Grondwet bepaalde gevallen, doch alleen met instemming van beide Kamers.
  Overgangsbepaling.
  Deze bepalingen zullen voor het eerst toepassing vinden op de nakomelingschap van Z.K.H. Prins Albert, Felix, Humbert, Theodoor, Christiaan, Eugène, Marie, Prins van Luik, Prins van België, met dien verstande dat het huwelijk van H.K.H. Prinses Astrid, Josephine, Charlotte, Fabrizia, Elisabeth, Paola, Marie, Prinses van België, met Lorenz, Aartshertog van Oostenrijk-Este, geacht wordt de in het tweede lid bedoelde toestemming te hebben verkregen.
  Tot dan blijven de hiernavolgende bepalingen van toepassing :
  De grondwettelijke macht van de Koning gaat bij erfopvolging over op de natuurlijke en wettige nakomelingschap, in de rechte lijn, van Z.M. Leopold, Joris, Christiaan, Frederik van Saksen-Coburg, van man op man, volgens eerstgeboorterecht en met altijddurende uitsluiting van de vrouwen en van hun nakomelingschap.
  De prins die huwt zonder toestemming van de Koning of van hen die, bij gebreke van de Koning, zijn macht uitoefenen in de bij de Grondwet bepaalde gevallen, verliest zijn recht op de kroon.
  Hij kan echter in zijn recht worden hersteld door de Koning of door hen die, bij gebreke van de Koning, zijn macht uitoefenen in de bij de Grondwet bepaalde gevallen, doch alleen met instemming van beide Kamers.

  Art. 61. <Wijziging aan de Grondwet van 21-06-1991, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 20-07-1991> Bij gebreke van nakomelingschap van Z.M. Leopold, Joris, Christiaan, Frederik van Saksen-Coburg, kan de Koning zijn opvolger benoemen, mits de Kamers daarmee instemmen op de wijze als in het volgend artikel is voorgeschreven.
  Indien geen opvolger op deze wijze is benoemd, is de troon onbezet.

  Art. 62. De Koning kan niet tegelijk hoofd van een andere Staat zijn zonder instemming van beide Kamers.
  Geen van beide Kamers kan hierover beraadslagen, wanneer niet ten minste twee derden van haar leden tegenwoordig zijn, en het besluit is alleen dan aangenomen, indien het ten minste twee derden van de uitgebrachte stemmen heeft verkregen.

  Art. 63. De persoon des Konings is onschendbaar; zijn ministers zijn verantwoordelijk.

  Art. 64. Geen akte van de Koning kan gevolg hebben, wanneer zij niet medeondertekend is door een minister, die daardoor alleen reeds, ervoor verantwoordelijk wordt.

  Art. 65. De Koning benoemt en ontslaat zijn ministers.
  (De Ministerraad telt ten hoogste vijftien leden. De Regering biedt haar ontslag aan de Koning aan wanneer de Kamer van volksvertegenwoordigers, bij volstrekte meerderheid van haar leden, een motie van wantrouwen aanneemt die een opvolger voor de Eerste Minister voor benoeming aan de Koning voordraagt, of een opvolger voor de Eerste Minister voor benoeming aan de Koning voordraagt binnen drie dagen na het verwerpen van een motie van vertrouwen. De Koning benoemt de voorgedragen opvolger tot Eerste Minister, die in functie treedt op het ogenblik van de eedaflegging van de nieuwe Regering.
  Overgangsbepaling.
  Het tweede lid treedt in werking vanaf de eerstkomende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers.) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/49, art. 1, 050; Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  Art. 66. Hij verleent de graden in het leger.
  Hij benoemt de ambtenaren bij het algemeen bestuur en bij de buitenlandse betrekkingen, behoudens de door de wetten gestelde uitzonderingen.
  Andere ambtenaren benoemt hij alleen krachtens een uitdrukkelijke wetsbepaling.

  Art. 67. Hij maakt de verordeningen en neemt de besluiten die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, zonder ooit de wetten zelf te mogen schorsen of vrijstelling van hun uitvoering te mogen verlenen.

  Art. 68. <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/50, art. 1, 051; Inwerkingtreding : 1993-05-18> § 1. De Koning heeft de leiding van de buitenlandse betrekkingen, onverminderd de bevoegdheid van de Gemeenschappen en de Gewesten om de internationale samenwerking te regelen, met inbegrip van het sluiten van verdragen, voor de aangelegenheden waarvoor zij door of krachtens de Grondwet bevoegd zijn.
  Hij voert het bevel over de krijgsmacht, stelt de staat van oorlog vast alsook het einde van de vijandelijkheden. Hij geeft daarvan kennis aan de Kamers, zodra het belang en de veiligheid van de Staat het toelaten, onder toevoeging van de passende mededelingen.
  Geen afstand, geen ruil, geen toevoeging van grondgebied kan plaatshebben dan krachtens een wet.
  § 2. De Koning sluit de verdragen, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de aangelegenheden bedoeld in § 3. Deze verdragen hebben eerst gevolg nadat zij de instemming van de Kamers hebben verkregen.
  § 3. De overeenkomstig de artikelen 59bis, § 1, eerste lid, 59ter, § 1, eerste lid, en 107quater opgerichte Executieven sluiten, ieder wat haar betreft, de verdragen die betrekking hebben op de aangelegenheden waarvoor hun Raad bevoegd is. Deze verdragen hebben eerst gevolg nadat zij de instemming van de Raad hebben verkregen.
  § 4. Een wet aangenomen met de in artikel 1, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt de nadere regelen vast voor het sluiten van de verdragen bedoeld in § 3 en van de verdragen die niet uitsluitend betrekking hebben op de aangelegenheden waarvoor de Gemeenschappen of de Gewesten door of krachtens de Grondwet bevoegd zijn.
  § 5. De Koning kan de verdragen die vóór de inwerkingtreding van dit artikel gesloten werden en betrekking hebben op de in § 3 bedoelde aangelegenheden, opzeggen in overeenstemming met de betrokken Executieven.
  De Koning zegt deze verdragen op indien de betrokken Executieven Hem daarom verzoeken. Een wet aangenomen met de in artikel 1, laatste lid, bepaalde meerderheid regelt de procedure bij gebreke van overeenstemming tussen de betrokken Executieven.
  § 6. Van bij het begin der onderhandelingen over elke herziening van de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en van de verdragen en akten waarbij deze Verdragen zijn gewijzigd of aangevuld, worden de Kamers daarover geïnformeerd. Zij krijgen kennis van het verdragsontwerp vóór de ondertekening ervan.
  § 7. Om de naleving van internationale of supranationale verplichtingen te verzekeren, kunnen de in de artikelen 26 en 29 bedoelde machten, mits de door de wet bepaalde voorwaarden worden nageleefd, tijdelijk in de plaats treden van de in de artikelen 59bis, § 1, 59ter, § 1, en 107quater bedoelde organen.
  De wet bedoeld in het vorenstaande lid moet worden aangenomen met de in artikel 1, laatste lid, bepaalde meerderheid.
  Overgangsbepaling.
  Tot de inwerkingtreding van de wetten bedoeld in artikel 68, §§ 4 en 7, blijven de hierna volgende bepalingen van toepassing :
  De Koning voert het bevel over land- en zeemacht, verklaart de oorlog, sluit de vredesverdragen, de verdragen van bondgenootschap en de handelsverdragen. Hij geeft daarvan kennis aan de Kamers, zodra het belang en de veiligheid van de Staat het toelaten, onder toevoeging van de passende mededelingen.
  De handelsverdragen en de verdragen die de Staat zouden kunnen bezwaren of Belgen persoonlijk zouden kunnen binden, hebben eerst gevolg nadat zij de instemming van de Kamers hebben verkregen.
  Geen afstand, geen ruil, geen toevoeging van grondgebied kan plaatshebben dan krachtens een wet. In geen geval kunnen de geheime artikelen van een verdrag de openbare artikelen teniet doen.

  Art. 69. De Koning bekrachtigt de wetten en kondigt ze af.

  Art. 70. (De Kamers komen van rechtswege bijeen ieder jaar, de tweede dinsdag van oktober, behalve wanneer zij reeds voordien door de Koning zijn bijeengeroepen.) <GW 30 juni 1969>
  De Kamers moeten ieder jaar ten minste veertig dagen in zitting blijven.
  De zitting wordt door de Koning gesloten.
  De Koning heeft het recht de Kamers in buitengewone zitting bijeen te roepen.

  Art. 71. <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/51, art. 1, 052; Inwerkingtreding : 1993-05-18> De Koning heeft enkel het recht de Kamer van volksvertegenwoordigers te ontbinden wanneer zij, bij volstrekte meerderheid van haar leden :
  1° hetzij een motie van vertrouwen in de Regering verwerpt en niet binnen een termijn van drie dagen, te rekenen vanaf de dag van de verwerping van de motie, een opvolger voor de Eerste Minister voor benoeming aan de Koning voordraagt;
  2° hetzij een motie van wantrouwen tegen de Regering aanneemt en niet tegelijk een opvolger voor de Eerste Minister voor benoeming aan de Koning voordraagt.
  Over moties van vertrouwen en wantrouwen kan slechts gestemd worden na verloop van achtenveertig uur, volgend op de indiening van de motie.
  Bovendien kan de Koning bij ontslag van de Regering de Kamer van volksvertegenwoordigers ontbinden, nadat deze daarmee bij volstrekte meerderheid van haar leden heeft ingestemd.
  De ontbinding van de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft de ontbinding van de Senaat tot gevolg.
  Het ontbindingsbesluit bevat oproeping van de kiezers binnen veertig dagen en bijeenroeping van de Kamers binnen twee maanden.
  Overgangsbepaling.
  Tot de eerstkomende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers, heeft de Koning het recht de Kamers tegelijk te ontbinden en bevat het ontbindingsbesluit oproeping van de kiezers binnen veertig dagen en bijeenroeping van de Kamers binnen twee maanden.

  Art. 72. De Koning kan de Kamers verdagen. Evenwel mag de verdaging, zonder instemming van de Kamers, de termijn van een maand niet overschrijden, noch gedurende eenzelfde zitting worden herhaald.

  Art. 73. <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/52, art. 1, 053; Inwerkingtreding : 1993-05-18> Hij heeft het recht de door de rechters uitgesproken straffen kwijt te schelden of te verminderen, behoudens hetgeen ten aanzien van de ministers en van de leden van de Gemeenschaps- en de Gewestregeringen is bepaald.

  Art. 74. Hij heeft het recht munt te slaan, ter uitvoering van de wet.

  Art. 75. Hij heeft het recht adeldom te verlenen, zonder ooit enig voorrecht daaraan te mogen verbinden.

  Art. 76. Hij verleent de militaire orden, met inachtneming van wat de wet daaromtrent voorschrijft.

  Art. 77. De civiele lijst wordt door de wet vastgesteld voor de duur van de regering van elke Koning.

  Art. 78. De Koning heeft geen andere macht dan die welke de Grondwet en de bijzondere wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, hem uitdrukkelijk toekennen.

  Art. 79. Bij overlijden van de Koning komen de Kamers zonder bijeenroeping samen, uiterlijk de tiende dag na die van het overlijden. Indien de Kamers tevoren ontbonden zijn en het ontbindingsbesluit bijeenroeping bevat tegen een later tijdstip dan de tiende dag, treden de oude Kamers opnieuw in functie, totdat de Kamers die hun plaats moeten innemen, bijeenkomen.
  Is slechts één Kamer ontbonden, dan wordt ten aanzien van die Kamer op gelijke wijze gehandeld.
  Te rekenen van het overlijden van de Koning en tot de eedaflegging van zijn troonopvolger of van de Regent, wordt de grondwettelijke macht van de Koning in naam van het Belgische volk uitgeoefend door de in raad verenigde ministers en onder hun verantwoordelijkheid.

  Art. 80. De Koning is meerderjarig op de volle leeftijd van achttien jaar.
  Hij neemt eerst bezit van de troon nadat hij, in een vergadering der verenigde Kamers, de volgende eed plechtig heeft afgelegd :
  "Ik zweer dat ik de Grondwet en de wetten van het Belgische volk zal naleven, 's Lands onafhankelijkheid handhaven en het grondgebied ongeschonden bewaren."

  Art. 81. Indien, bij overlijden van de Koning, zijn opvolger minderjarig is, komen beide Kamers in verenigde vergadering bijeen, ten einde in het regentschap en in de voogdij te voorzien.

  Art. 82. Indien de Koning in de onmogelijkheid verkeert te regeren, roepen de ministers, na deze onmogelijkheid te hebben laten vaststellen, de Kamers dadelijk bijeen. Door de verenigde Kamers wordt in de voogdij en in het regentschap voorzien.

  Art. 83. Het regentschap mag slechts aan één persoon worden opgedragen.
  De Regent treedt eerst in functie nadat hij de bij artikel 80 voorgeschreven eed heeft afgelegd.

  Art. 84. <GW 1984-07-31/33,art. 1, 004> Tijdens een regentschap mag in de Grondwet geen verandering worden aangebracht wat betreft de grondwettelijke macht van de Koning en de artikelen 60 tot 64 en 80 tot 85 van de Grondwet.

  Art. 85. Ingeval de troon onbezet is, voorzien de Kamers, samen beraadslagend, voorlopig in het regentschap totdat de geheel vernieuwde Kamers bijeenkomen; deze bijeenkomst heeft plaats uiterlijk binnen twee maanden. De nieuwe Kamers, samen beraadslagend, voorzien voorgoed in het bezetten van de troon.

  AFDELING II. DE MINISTERS.

  Art. 86. <GW 1991-02-01/34, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 25-02-91> Alleen Belgen kunnen minister zijn.

  Art. 86bis. <GW 24 december 1970> De Eerste Minister eventueel uitgezonderd, telt de Ministerraad evenveel nederlandstalige als franstalige ministers.

  Art. 87. Geen lid van de koninklijke familie kan minister zijn.

  Art. 88. <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/053, art. 1, 054; Inwerkingtreding : 1993-05-18> De ministers zijn verantwoordelijk tegenover de Kamer van volksvertegenwoordigers.
  Geen minister kan worden vervolgd of aan enig onderzoek onderworpen naar aanleiding van een mening in de uitoefening van zijn functie uitgebracht.
  De ministers hebben zitting in elke Kamer en het woord moet hen worden verleend wanneer zij het vragen.
  De Kamer van volksvertegenwoordigers kan de aanwezigheid van de ministers vorderen. De Senaat kan hun aanwezigheid vorderen voor de bespreking van een wetsontwerp of wetsvoorstel bedoeld in artikel 41, § 2, of van een wetsontwerp bedoeld in artikel 41, § 3, of voor de uitoefening van zijn recht van onderzoek bedoeld in artikel 40. Voor de andere aangelegenheden kan hij hun aanwezigheid vragen.
  Overgangsbepaling.
  Tot de eerstkomende algemene vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers, zijn de hierna volgende bepalingen van toepassing.
  De ministers zijn in de ene of de andere Kamer alleen stemgerechtid indien zij er lid van zijn.
  Zij hebben zitting in elke Kamer en het woord met hun worden verleend wanneer zij het vragen.
  De Kamers kunnen de aanwezigheid van de ministers vorderen.

  Art. 89. In geen geval kan een mondeling of schriftelijk bevel van de Koning een minister van zijn verantwoordelijkheid ontheffen.

  Art. 90. De Kamer van Volksvertegenwoordigers heeft het recht ministers in beschuldiging te stellen en hen te brengen voor het Hof van Cassatie; dit alleen is bevoegd om hen te berechten, in verenigde kamers, behoudens hetgeen de wet zal bepalen betreffende het instellen van de burgerlijke rechtsvordering door de benadeelde partij en betreffende misdaden en wanbedrijven die door ministers buiten de uitoefening van hun ambt mochten zijn gepleegd.
  Een wet zal bepalen in welke gevallen de ministers verantwoordelijk zijn, welke straffen hun worden opgelegd, en op welke wijze tegen hen in rechte wordt opgetreden, zowel bij inbeschuldigingstelling door de Kamer van Volksvertegenwoordigers als bij vervolging door de benadeelde partijen.

  Art. 91. <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/54, art. 1, 055; Inwerkingtreding : 1993-05-18> De Koning kan aan een door het Hof van Cassatie veroordeelde minister en een door het Hof van Cassatie veroordeeld lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering geen genade verlenen dan op verzoek van de Kamer van volksvertegenwoordigers of de betrokken Raad.
  Overgangsbepaling.
  Tot de eerstkomende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers, kan de Koning aan een door het Hof van Cassatie veroordeelde minister en een door het Hof van Cassatie veroordeeld lid van een Gemeenschaps- of Gewestregering geen genade verlenen dan op verzoek van een van beide Kamers of de betrokken raad.

  AFDELING III. <GW 24 december 1970> DE STAATSSECRETARISSEN.

  Art. 91bis. <GW 24 december 1970> De Koning benoemt en ontslaat de staatssecretarissen.
  Zij zijn lid van de Regering. Zij maken geen deel uit van de Ministerraad. Zij worden toegevoegd aan een minister.
  De Koning bepaalt hun bevoegdheid en de perken waarbinnen zij het recht van medeondertekening kunnen krijgen.
  De grondwettelijke bepalingen betreffende de ministers zijn op hen toepasselijk, met uitzondering van de artikelen 79, derde lid, 82 en 86bis.

  HOOFDSTUK III. DE RECHTERLIJKE MACHT.

  Art. 92. Geschillen over burgerlijke rechten behoren bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken.

  Art. 93. Geschillen over politieke rechten behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen.

  Art. 94. Geen rechtbank, geen met eigenlijke rechtspraak belast orgaan kan worden ingesteld dan krachtens een wet. Geen buitengewone rechtbanken of commissies kunnen, onder welke benaming ook, in het leven worden geroepen.

  Art. 95. Er bestaat voor geheel België een Hof van Cassatie.
  Dit Hof treedt niet in de beoordeling van de zaken zelf, (behalve bij het berechten van ministers en de leden van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen.) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/55, art. 1, 056; Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  Art. 96. De terechtzittingen van de rechtbanken zijn openbaar, tenzij de openbaarheid gevaar oplevert voor de orde of de goede zeden; in dit geval wordt zulks door de rechtbank bij vonnis verklaard.
  Inzake politieke misdrijven en drukpersmisdrijven kan het sluiten der deuren niet dan met algemene stemmen worden uitgesproken.

  Art. 97. Elk vonnis is met redenen omkleed. Het wordt in openbare terechtzitting uitgesproken.

  Art. 98. De jury wordt ingesteld voor alle criminele zaken, alsmede voor politieke misdrijven en drukpersmisdrijven.

  Art. 99. De vrederechters en de rechters in de rechtbanken worden rechtstreeks door de Koning benoemd.
  (De raadsheren in de hoven van beroep en de voorzitters en ondervoorzitters der rechtbanken van eerste aanleg binnen hun rechtsgebied worden door de Koning benoemd uit twee lijsten van twee kandidaten, de ene door die hoven, de andere, naargelang het geval, door de provincieraden en de Brusselse Hoofdstedelijke Raad voorgelegd.) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/56, art. 1, 057; Inwerkingtreding : 1993-05-18>
  (De raadsheren in het Hof van Cassatie worden door de Koning benoemd uit twee lijsten van twee kandidaten, de ene door het Hof van Cassatie, de andere beurtelings door de Kamer van volksvertegenwoordigers en door de Senaat voorgelegd.) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/56, art. 1, 057; Inwerkingtreding : 1993-05-18>
  Alle voordrachten worden openbaar gemaakt ten minste vijftien dagen voor de benoeming. De hoven kiezen uit hun leden hun voorzitters en ondervoorzitters.
  (Overgangsbepaling.
  Tot 31 december 1994 worden de raadsheren in de hoven van beroep en de voorzitters en ondervoorzitters der rechtbanken van eerste aanleg binnen hun rechtsgebied door de Koning benoemd uit twee lijsten van twee kandidaten, de ene door die hoven, de andere door de provincieraden voorgelegd.
  Tot de eerstkomende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers, worden de raadsheren in het Hof van Cassatie door de Koning benoemd uit twee lijsten van twee kandidaten, de ene door de Senaat, de andere door het Hof van Cassatie voorgelegd.) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/56, art. 1, 057; Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  Art. 100. De rechters worden voor het leven benoemd. (Zij worden in ruste gesteld op de bij de wet bepaalde leeftijd en genieten het bij de wet bepaalde pensioen) <GW 23 januari 1981>
  Geen rechter kan uit zijn ambt worden ontzet of worden geschorst dan door een vonnis.
  De overplaatsing van een rechter kan niet geschieden dan door een nieuwe benoeming en met zijn toestemming.

  Art. 101. De Koning benoemt en ontslaat de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken.

  Art. 102. De wedden van de leden der rechterlijke orde worden door de wet vastgesteld.

  Art. 103. Geen rechter mag van de regering bezoldigde ambten aanvaarden, tenzij hij die onbezoldigd uitoefent en behoudens de gevallen van onverenigbaarheid bij de wet bepaald.

  Art. 104. <GW 11 juni 1970> Er zijn in Belgie vijf hoven van beroep :
  1° (dat van Brussel, waarvan het rechtsgebied de provincies Vlaams-Brabant en Waals-Brabant en het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad omvat;) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/57, art. 1, 058; Inwerkingtreding : 1993-05-18>
  2° dat van Gent, waarvan het rechtsgebied de provincies Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen omvat;
  3° dat van Antwerpen, waarvan het rechtsgebied de provincies Antwerpen en Limburg omvat;
  4° dat van Luik, waarvan het rechtsgebied de provincies Luik, Namen en Luxemburg omvat;
  5° dat van Bergen, waarvan het rechtsgebied de provincie Henegouwen omvat.
  (Overgansbepaling :
  Tot 31 december 1994 omvat het rechtsgebied van het Hof van beroep van Brussel de provincie Brabant.) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/57, art. 1, 058; Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  Art. 105. De inrichting van de militaire rechtbanken, hun bevoegdheid, de rechten en verplichtingen van de leden van deze rechtbanken, alsmede de duur van hun ambt worden door bijzondere wetten geregeld.
  Er zijn rechtbanken van koophandel in de plaatsen die de wet aanwijst. Zij regelt hun inrichting, hun bevoegdheid, alsmede de wijze van benoeming en de duur van het ambt van hun leden.
  (De wet regelt eveneens de inrichting van de arbeidsgerechten, hun bevoegdheid, de wijze van benoeming en de duur van het ambt van hun leden.) <GW 21 april 1970>

  Art. 106. Het Hof van Cassatie doet uitspraak over conflicten van attributie, op de wijze bij de wet geregeld.

  Art. 107. De hoven en rechtbanken passen de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zover zij met de wetten overeenstemmen.

  HOOFDSTUK IIIbis. _ <GW 29 juli 1980> VOORKOMING EN REGELING VAN CONFLICTEN.

  Art. 107ter. <GW 29 juli 1980> § 1. De wet stelt de procedure in om de conflicten tussen de wet, het decreet en de in artikel 26bis bedoelde regelen, alsook tussen de decreten onderling en tussen de in artikel 26bis bedoelde regelen onderling te voorkomen.
  § 2. (Er bestaat voor geheel België een Arbitragehof, waarvan de samenstelling, de bevoegdheid en de werking door de wet worden bepaald.
  Dit Hof doet, bij wege van arrest, uitspraak over :
  1° de in § 1 bedoelde conflicten;
  2° de schending door een wet, een decreet of een in artikel 26bis bedoelde regel, van de artikelen 6, 6bis en 17;
  3° de schending door een wet, een decreet of een in artikel 26bis bedoelde regel, van de artikelen van de Grondwet die de wet bepaalt.
  De zaak kan bij het Hof aanhangig worden gemaakt door iedere bij wet aangewezen overheid, door ieder die doet blijken van een belang of, prejudicieel, door ieder rechtscollege.
  De wetten bedoeld in het eerste lid, in het tweede lid, 3°, en in het derde lid, worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 1, laatste lid.) <W 1988-07-15/32, art. 1, A, 013; Inwerkingtreding : 1989-01-17>
  OVERGANGSBEPALING (opgeheven) <Wijziging aan de Grondwet 1992-12-30/45, art. 1, 028; Inwerkingtreding : 1993-02-26>

  Art. 107terbis. (107ter-bis) <ingevoegd bij Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/58, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 1993-05-18> § 1. Met het oog op het vermijden van de belangenconflicten, nemen de federale Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden, de federale loyauteit in acht.
  § 2. De Senaat doet, bij wege van gemotiveerd advies, uitspraak over de belangenconflicten tussen de vergaderingen die wetgevend optreden bij wege van wet, decreet of de in artikel 26bis bedoelde regel, onder de voorwaarden en op de wijze die een wet, aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 1, laatste lid, vaststelt.
  § 3. Een wet, aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 1, laatste lid, stelt de procedure in om de belangenconflicten tussen de federale Regering, de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie te voorkomen en te regelen.
  Overgangsbepaling.
  De gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen blijft, wat de voorkoming en de regeling van de belangenconflicten betreft, van toepassing, maar kan slechts worden opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen door de wetten bedoeld in artikel 107ter-bis, §§ 2 en 3.

  HOOFDSTUK IIIter. _ <GW 24 december 1970> DE GEWESTELIJKE INSTELLINGEN.

  Art. 107quater. <GW 24 december 1970> België omvat drie gewesten: het Vlaamse gewest, het Waalse gewest en het Brusselse gewest.
  De wet draagt aan de gewestelijke organen welke zij opricht en welke samengesteld zijn uit verkozen mandatarissen de bevoegdheid op om de aangelegenheden te regelen welke zij aanduidt met uitsluiting van die bedoeld in de artikelen 23 en 59bis en dit binnen de omschrijving en op de wijze die zij bepaalt.
  Deze wet moet worden aangenomen met de meerderheid van stemmen in elke taalgroep van elke Kamer, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en voor zover het totaal van de ja-stemmen in beide taalgroepen de tweederde van de uitgebrachte stemmen bereikt.

  HOOFDSTUK IIIquater. _ De Raad van State en de administratieve rechtscolleges. <ingevoegd bij Wijziging aan de Grondwet 1993-06-18/31, art. 1, Inwerkingtreding : 1993-07-09>

  Art. 107quinquies. <ingevoegd bij Wijziging aan de Grondwet 1993-06-18/31, art. 1, Inwerkingtreding : 1993-07-09> Er bestaat voor geheel België een Raad van State, waarvan de samenstelling, de bevoegdheid en de werking bij de wet worden bepaald. De wet kan evenwel aan de Koning de macht toekennen de rechtspleging te regelen overeenkomstig de beginselen die zij vaststelt.
  De Raad van State doet bij weze van arrest uitspraak als administratief rechtscollege en geeft advies in de gevallen bij de wet bepaald.
  Geen administratief rechtscollege kan worden ingesteld dan krachtens een wet.

  HOOFDSTUK IV. _ DE PROVINCIALE EN GEMEENTELIJKE INSTELLINGEN.

  Art. 108. <GW 20 juli 1970> De provinciale en gemeentelijke instellingen worden bij de wet geregeld.
  De wet verzekert de toepassing van de volgende beginselen :
  1° de rechtstreekse verkiezing van de leden van de provincieraden en de gemeenteraden;
  2° de bevoegdheid van de provincieraden en van de gemeenteraden voor alles wat van provinciaal en van gemeentelijk belang is, behoudens goedkeuring van hun handelingen in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald;
  3° de decentralisatie van bevoegdheden naar de provinciale en gemeentelijke instellingen;
  4° de openbaarheid van de vergaderingen der provincieraden en gemeenteraden binnen de bij de wet gestelde grenzen;
  5° de openbaarheid van de begrotingen en van de rekeningen;
  6° het optreden van de toezichthoudende overheid of van de wetgevende macht om te beletten dat de wet wordt geschonden of het algemeen belang geschaad.
  (In uitvoering van een wet, aangenomen met de in artikel 1, laatste lid, bepaalde meerderheid, kan de organisatie en de uitoefening van het administratief toezicht geregeld worden door de Raden van de gemeenschap of het gewest.) <GW 17 juli 1980>
  (In uitvoering van een wet, aangenomen met de in artikel 1, laatste lid, bepaalde meerderheid, regelt het decreet of de in artikel 26bis bedoelde regel de voorwaarden waaronder en de wijze waarop verscheidene provincies of verscheidene gemeenten zich met elkaar mogen verstaan of zich mogen verenigen.) Evenwel kan aan verscheidene provincieraden of aan verscheidene gemeenteraden niet worden toegestaan samen te beraadslagen. < Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/59, art. 1, 060; Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  Art. 108bis. <GW 24 december 1970> § 1. De wet richt agglomeraties en federaties van gemeenten op. Zij bepaalt hun inrichting en hun bevoegdheid en verzekert daarbij de toepassing van de beginselen vermeld in artikel 108.
  Elke agglomeratie en elke federatie heeft een raad en een uitvoerend college.
  De voorzitter van het uitvoerend college wordt door de raad uit zijn leden verkozen; zijn verkiezing wordt door de Koning bekrachtigd; de wet bepaalt zijn statuut.
  De artikelen 107 en 129 zijn toepasselijk op de besluiten en verordeningen van de agglomeraties en van de federaties van gemeenten.
  In de grenzen van de agglomeraties en van de federaties van gemeenten kan geen verandering of correctie worden aangebracht dan krachtens een wet.
  § 2. De wet richt het orgaan op waarin elke agglomeratie en de dichtsbij gelegen federaties van gemeenten, onder de voorwaarden en op de wijze die zij bepaalt, overleg plegen voor het onderzoek van de gemeenschappelijke problemen met technisch karakter die tot hun respectievelijke bevoegdheid behoren.
  § 3. Verscheidene federaties van gemeenten mogen zich met elkaar of met een of meer agglomeraties verstaan of zich verenigen, onder de voorwaarden en op de wijze door de wet te bepalen, om zaken die tot hun bevoegdheid behoren gemeenschappelijk te regelen en te beheren. Het is hun raden niet toegestaan samen te beraadslagen.

  Art. 108ter. <GW 24 december 1970> § 1. Artikel 108bis is van toepassing op de agglomeratie waartoe de hoofdstad van het Rijk behoort, behoudens het hierna bepaalde.
  § 2. (De bevoegdheden van de agglomeratie waartoe de hoofdstad van het Rijk behoort, worden, op de wijze bepaald door een wet aangenomen met de in artikel 1, laatste lid, bepaalde meerderheid, uitgeoefend door de krachtens artikel 107quater opgerichte organen van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.) <W 1988-07-07/32, art. 1, A, 009; Inwerkingtreding : 1989-01-01>
  § 3. (Er bestaan taalgroepen in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en Colleges, bevoegd voor de gemeenschapsaangelegenheden; hun samenstelling, werking, bevoegdheden en, onverminderd artikel 59bis, § 6, hun financiering worden geregeld door een wet, aangenomen met de in artikel 1, laatste lid, bepaalde meerderheid.
  Deze organen :
  1° hebben, elk voor zijn gemeenschap, dezelfde bevoegdheden als de andere inrichtende machten inzake culturele aangelegenheden, onderwijs en persoonsgebonden aangelegenheden;
  2° oefenen, elk voor zijn gemeenschap, de bevoegdheden uit die hun worden toegewezen door de Gemeenschapsraden;
  3° regelen samen de in 1° bedoelde aangelegenheden van gemeenschappelijk belang.
  De Colleges vormen samen het Verenigd College dat fungeert als overleg- en coördinatieorgaan tussen de beide gemeenschappen.) <W 1988-07-07/32, art. 1, A, 009; Inwerkingtreding : 1989-01-01>
  § 4. (opgeheven) <W 1988-07-07/32, art. 1, B, 009; Inwerkingtreding : 1989-01-01>
  § 5. (opgeheven) <W 1988-07-07/32, art. 1, B, 009; Inwerkingtreding : 1989-01-01>
  § 6. (opgeheven) <W 1988-07-07/32, art. 1, B, 009; Inwerkingtreding : 1989-01-01>
  Overgangsbepaling (opgeheven) <Wijziging aan de Grondwet 1992-12-30/46, art. 1, 029; Inwerkingtreding : 1993-02-26>

  Art. 109. Het opmaken van de akten van de burgerlijke stand en het houden van de registers behoren bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de gemeentelijke overheid.

  TITEL IV _ DE FINANCIEN.

  Art. 110. <GW 29 juli 1980> § 1. Geen belasting ten behoeve van de Staat kan worden ingevoerd dan door een wet.
  § 2. Geen belasting ten behoeve van de gemeenschap of het gewest kan worden ingevoerd dan door een decreet of een in artikel 26bis bedoelde regel.
  De wet bepaalt ten aanzien van de in het vorige lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt.
  § 3. Geen last of belasting kan door de provincie worden ingevoerd dan door een beslissing van haar raad.
  De wet bepaalt ten aanzien van de in het vorige lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt.
  De wet kan de in het eerste lid bedoelde belastingen geheel of gedeeltelijk afschaffen.
  § 4. Geen last of belasting kan door de agglomeratie, de federatie van gemeenten en de gemeente worden ingevoerd dan door een beslissing van hun raad.
  De wet bepaalt ten aanzien van de in het vorige lid bedoelde belastingen, de uitzonderingen waarvan de noodzakelijkheid blijkt.

  Art. 111. <GW 29 juli 1980> Over de belastingen ten behoeve van de Staat, de Gemeenschap en het Gewest wordt jaarlijks gestemd.
  De regelen die ze invoeren zijn slechts voor één jaar van kracht indien zij niet worden vernieuwd.

  Art. 112. Inzake belastingen kunnen geen voorrechten worden ingevoerd.
  Geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door een wet.

  Art. 113. <GW 29 juli 1980> Behalve voor de provincies, de polders en wateringen en de gevallen uitdrukkelijk uitgezonderd door de wet, het decreet en de regelen bedoeld in artikel 26bis, kan van de burgers geen retributie worden gevorderd dan alleen als belasting ten behoeve van de Staat, de gemeenschap, het gewest, de agglomeratie, de federatie van gemeenten of de gemeente.

  Art. 114. Geen pensioen, geen gratificatie, ten laste van de Staatskas kan worden toegekend dan krachtens een wet.

  Art. 115. (Elk jaar wordt door de Kamer van volksvertegenwoordigers de eindrekening vastgesteld en de begroting gestemd. Evenwel, stellen elk jaar de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat, elk wat hem betreft, de dotatie voor hun werking vast.) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/60, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 1993-05-18>
  Alle staatsontvangsten en -uitgaven moeten op de begroting en in de rekeningen worden gebracht.
  (Een wet aangenomen met de in artikel 1, laatste lid, bepaalde meerderheid stelt het financieringsstelsel vast voor de Gewesten bedoeld in artikel 107quater. De organen van deze Gewesten bepalen, ieder wat hem betreft, de bestemming van hun ontvangsten bij de in artikel 26bis bedoelde regelen.) <W 1988-07-07/33, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 1988-07-19>
  Overgangsbepaling.
  (Tot de eerstkomende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt elk jaar door de Kamers de eindrekening vastgesteld voor de begroting gestemd.) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/60, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  Art. 116. De leden van het Rekenhof worden door de Kamer van Volksvertegenwoordigers benoemd, voor de tijd bij de wet bepaald.
  Dit Hof is belast met het nazien en het verevenen der rekeningen van het algemeen bestuur en van allen die tegenover de Staatskas rekenplichtig zijn. Het waakt ervoor dat geen artikel van de uitgaven der begroting wordt overschreden en dat geen overschrijving plaats heeft. (Het Hof oefent tevens algemeen toezicht uit op de verrichtingen met betrekking tot de vaststelling en de invordering van de door de Staat verkregen rechten, met inbegrip van de fiscale ontvangsten.) Het stelt de rekeningen der verschillende besturen van de Staat vast en is ermee belast te dien einde alle nodige inlichtingen en bewijsstukken te verzamelen. De algemene staatsrekening wordt aan (de Kamer van volksvertegenwoordigers) onderworpen met de opmerkingen van het Rekenhof. <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/61, art. 1, 062; Inwerkingtreding : 1993-05-18>
  Dit Hof wordt door een wet ingericht.
  (Overgangsbepaling :
  Tot de eerstvolgende algehele vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers legt het Rekenhof de algemene staatsrekening, met zijn opmerkingen, voor aan de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat.) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/61, art. 1, 062; Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  Art. 117. De wedden en pensioenen van de bedienaren der erediensten komen ten laste van de Staat; de daartoe vereiste bedragen worden jaarlijks op de begroting uitgetrokken.
  (De wedden en pensioenen van de afgevaardigden van de door de wet erkende organisaties die morele diensten verlenen op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing, komen ten laste van de Staat; de daartoe vereiste bedragen worden jaarlijks op de Rijksbegroting uitgetrokken.) <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/62, art. 1, 063; Inwerkingtreding : 1993-05-18>

  TITEL V _ DE GEWAPENDE MACHT.

  Art. 118. De wet bepaalt op welke wijze het leger wordt aangeworven. Zij regelt eveneens de bevordering, de rechten en de verplichtingen van de militairen.

  Art. 119. Het legercontingent wordt jaarlijks gestemd. De wet die het vaststelt, is slechts voor één jaar van kracht, indien zij niet wordt vernieuwd.

  Art. 120. De inrichting en de bevoegdheid van de Rijkswacht worden door een wet geregeld.

  Art. 121. Vreemde troepen mogen niet dan krachtens een wet tot de dienst van de Staat worden toegelaten, het grondgebied bezetten of er doorheen trekken.

  Art. 122. (opgeheven) <GW 1984-07-31/32, art. 1, 003>

  Art. 123. (opgeheven) <GW 24 augustus 1921>

  Art. 124. Militairen kunnen niet van hun graden, ererechten en pensioenen worden ontzet dan op de wijze bij de wet bepaald.

  TITEL VI _ ALGEMENE BEPALINGEN.

  Art. 125. De Belgische Natie kiest als kleuren rood, geel en zwart en als rijkswapen de Belgische Leeuw met de kenspreuk EENDRACHT MAAKT MACHT.

  Art. 126. De stad Brussel is de hoofdstad van België en de zetel van de regering.

  Art. 127. Geen eed kan worden opgelegd dan krachtens de wet. Deze stelt de formule vast.

  Art. 128. Ieder vreemdeling die zich op het grondgebied van België bevindt, geniet de bescherming verleend aan personen en aan goederen, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen.

  Art. 129. Geen wet, geen besluit of verordening van algemeen, provinciaal of gemeentelijk bestuur is verbindend dan na te zijn bekendgemaakt in de vorm bij de wet bepaald.

  Art. 130. De Grondwet kan noch geheel, noch ten dele worden geschorst.

  TITEL VII _ HERZIENING VAN DE GRONDWET.

  Art. 131. De wetgevende macht heeft het recht te verklaren dat er redenen zijn tot herziening van zodanige grondwettelijke bepaling als zij aanwijst.
  Na deze verklaring zijn beide Kamers van rechtswege ontbonden.
  Twee nieuwe Kamers worden overeenkomstig artikel 71 bijeengeroepen.
  Deze Kamers beslissen, in overeenstemming met de Koning, over de punten die aan herziening zijn onderworpen.
  In dit geval mogen de Kamers niet beraadslagen wanneer niet ten minste twee derden van de leden waaruit elke Kamer bestaat, tegenwoordig zijn; en een verandering is alleen dan aangenomen, indien zij tenminste twee derden van de stemmen heeft verkregen.

  Art. 131bis. <GW 15 januari 1968> Er mag geen herziening van de Grondwet worden ingezet of voortgezet in oorlogstijd of wanneer de Kamers verhinders zijn vrij bijeen te komen op het nationaal grondgebied.

  TITEL VIII _ OVERGANGSBEPALINGEN.

  Art. 132. <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/63, art. 1, 064; Inwerkingtreding : 1993-05-18> In overeenstemming met de Koning kunnen de grondwetgevende Kamers de nummering van de artikelen en de onderverdelingen van artikelen van de Grondwet, evenals de onderverdelingen van de Grondwet in titels, hoofdstukken en afdelingen aanpassen, de terminologie van de niet aan herziening onderworpen bepalingen wijzigen om deze in overeenstemming te brengen met de terminologie van de nieuwe bepalingen en de Nederlandse, de Franse en de Duitse teksten van de Grondwet met mekaar in overeenstemming brengen.
  In dit geval mogen de Kamers niet beraadslagen wanneer niet ten minste twee derde van de leden waaruit elke Kamer bestaat, tegenwoordig is; en de veranderingen zijn alleen dan aangenomen, indien het geheel van de wijzigingen ten minste twee derde van de stemmen heeft verkregen.

  Art. 133. (opgeheven) <GW 1984-07-31/31, art.1, 002>

  Art. 134. <Wijziging aan de Grondwet 1993-05-05/64, art. 1, 065; Inwerkingtreding : 1993-05-18> Totdat de wet bedoeld in artikel 90, tweede lid, er zal hebben in voorzien, heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers de discretionaire macht om een minister in beschuldiging te stellen, en het Hof van Cassatie om hem te berechten, in de gevallen en met toepassing van de straffen die in de strafwetten zijn bepaald.
  Totdat de wet bedoeld in artikel 59sexies, tweede lid, er zal hebben in voorzien, heeft de Gemeenschaps- en Gewestraad de discretionaire macht om een lid van zijn Regering in beschuldiging te stellen, en het Hof van Cassatie om hem te berechten, in de gevallen en met toepassing van de straffen die in de strafwetten zijn bepaald.
  De artikelen 59sexies en 134, tweede lid, zijn van toepassing op de feiten gepleegd na de inwerkingtreding van deze artikelen.

  Art. 135. (opgeheven) <VARIA 1991-04-17/33, art.1, 021; Inwerkingtreding : 1991-05-13>

  Art. 136. (opgeheven) <GW 21 april 1970>

  Art. 137. (opgeheven) <VARIA 1991-07-15/33, art. 1, 024; Inwerkingtreding : 1991-09-03>

  Art. 138. Met ingang van de dag waarop de Grondwet uitvoerbaar wordt, zijn alle daarmee strijdige wetten, decreten, besluiten, reglementen en andere akten opgeheven.

  AANVULLENDE BEPALINGEN.

  Art. 139. (opgeheven) <GW 14 juni 1971>

  Art. 140. <wijziging van 23-10-1991, 025, Inwerkingtreding : 11-11-1991> De tekst van de Grondwet is in het Nederlands, in het Frans en in het Duits gesteld.

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
  • GRONDWET 1994 VAN 17-02-1994 GEPUBL. OP 17-02-1994
    (GEWIJZIGD ART. : COORDINATIE)
  • VARIA VAN 31-01-1994 GEPUBL. OP 12-02-1994
    (GEWIJZIGD ART. : 24QUA)
  • VARIA VAN 31-01-1994 GEPUBL. OP 12-02-1994
    (GEWIJZIGD ART. : 24BIS)
  • VARIA VAN 09-12-1993 GEPUBL. OP 14-12-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 24)
  • VARIA VAN 18-06-1993 GEPUBL. OP 29-06-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 107QUI)
  • VARIA VAN 18-06-1993 GEPUBL. OP 29-06-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 24TER)
  • VARIA VAN 05-05-1993 GEPUBL. OP 08-05-1993
    (GEWIJZIGDE ART. : 1; 25TER; 26; 27; 32; 36; 41; 49; 53)
    (GEWIJZIGDE ART. : 54; 55; 56; 56TER; 56QUA; 58)
    (GEWIJZIGDE ART. : 59QUA; 59QUI; 59SEX; 59SEPT; 65)
    (GEWIJZIGDE ART. : 68; 71; 73; 88; 91; 95; 99; 104)
    (GEWIJZIGDE ART. : 107TER-BIS; 108; 115; 116; 117)
    (GEWIJZIGDE ART. : 132; 134)
  • VARIA VAN 30-12-1992 GEPUBL. OP 16-02-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 115)
  • VARIA VAN 30-12-1992 GEPUBL. OP 16-02-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 108TER)
  • VARIA VAN 30-12-1992 GEPUBL. OP 16-02-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 107TER)
  • VARIA VAN 30-12-1992 GEPUBL. OP 16-02-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 59BIS)
  • VARIA VAN 30-12-1992 GEPUBL. OP 16-02-1993
    (GEWIJZIGD ART. : 17)
  • VARIA VAN 15-07-1991 GEPUBL. OP 24-08-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 137)
  • VARIA VAN 21-06-1991 GEPUBL. OP 10-07-1991
    (GEWIJZIGD ART. : 60)

  • Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en)
    Inhoudstafel 335 uitvoeringbesluiten 69 gearchiveerde versies
    Franstalige versie