einde

Publicatie : 2012-09-03

Beeld van de publicatie
VLAAMSE OVERHEID

6 JULI 2012. - Decreet houdende het Vlaams cultureel-erfgoedbeleid (1)



Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt :
Decreet houdende het Vlaams cultureel-erfgoedbeleid
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen
Artikel 1. Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Art. 2. Dit decreet wordt aangehaald als : Cultureel-erfgoeddecreet van 6 juli 2012.
Art. 3. In dit decreet wordt verstaan onder :
1° cultureel erfgoed : roerend en immaterieel erfgoed, dat als betekenisdragers uit het verleden gemeenschappelijke betekenissen verkrijgt binnen een cultureel referentiekader;
2° cultureel-erfgoedgemeenschap : een gemeenschap die bestaat uit organisaties en personen die een bijzondere waarde hechten aan het cultureel erfgoed of specifieke aspecten ervan, en die het cultureel erfgoed of aspecten ervan door publieke actie wil behouden en doorgeven aan toekomstige generaties;
3° cultureel-erfgoedorganisatie : een organisatie met een publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid zonder winstgevend doel die de zorg voor of de ontsluiting van het cultureel erfgoed als kerntaak heeft;
4° DAC : derde arbeidscircuit, tewerkstelling op basis van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciėle sector, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 473 van 28 oktober 1986;
5° Flandrica : alle publicaties die in Vlaanderen of door Vlamingen in het buitenland worden uitgegeven, evenals alle relevante buitenlandse publicaties die in hoofdzaak over Vlaanderen handelen;
6° geregulariseerde DAC'er : een werknemer in een DAC-project die op het moment van de regularisatie met de DAC-promotor een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur had;
7° ontsluiting van het cultureel erfgoed : het voor een zo breed mogelijk publiek zichtbaar maken van het cultureel erfgoed, het toegankelijk maken van de betekenissen van het cultureel erfgoed voor de gemeenschap en het voortdurend actualiseren van die betekenissen;
8° projectsubsidie : een subsidie toegekend ter ondersteuning van een activiteit die zowel qua opzet of doelstelling als in de tijd kan worden afgebakend;
9° Planlastendecreet : het decreet van 15 juli 2011 houdende vaststelling van de algemene regels waaronder in de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest periodieke plan- en rapporteringsverplichtingen aan lokale besturen kunnen worden opgelegd;
10° steunpunt : dienstverlenende organisatie die een intermediaire rol vervult tussen een specifiek veld en de overheid;
11° Vlaanderen : het Nederlandse taalgebied en instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, die wegens hun activiteiten moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de Vlaamse Gemeenschap;
12° volkscultuur : breed gedragen cultuurverschijnselen in hun historische, sociale en geografische dimensies, waarbij die dimensies worden opgevat als dynamische, groepsgebonden processen van betekenisgeving en toe-eigening;
13° werkingssubsidie : een subsidie toegekend ter ondersteuning van de personeels- en werkingskosten die voortvloeien uit een structurele activiteit die een continu of permanent karakter vertoont;
14° zorg voor het cultureel erfgoed : het voor de gemeenschap verzamelen, in stand houden en onderzoeken van het cultureel erfgoed.
HOOFDSTUK 2. - Doelstelling
Art. 4. § 1. Dit decreet heeft tot doel om, vanuit een integrale en geļntegreerde aanpak, een cultureel-erfgoedbeleid uit te bouwen dat een kwaliteitsvolle en duurzame zorg voor en ontsluiting van het cultureel erfgoed stimuleert.
Dit decreet doet dat door :
1° organisaties te ondersteunen voor de kwalitatieve zorg voor en ontsluiting van cultureel erfgoed;
2° een verdere ontwikkeling en toepassing te stimuleren van verschillende cultureel-erfgoedpraktijken, de museologie, de archiefwetenschap en het hedendaagse documentenbeheer, de informatie- en bibliotheekwetenschap en de etnologie;
3° een netwerk van cultureel-erfgoedorganisaties en cultureel-erfgoedgemeenschappen tot stand te brengen dat expertise ontwikkelt, uitwisselt en ter beschikking stelt, en dat de cultureel-erfgoedbeleving bij burgers erkent en vergroot.
In het cultureel-erfgoedbeleid wordt de nodige aandacht ontwikkeld voor duurzaamheid en maatschappelijke en culturele diversiteit.
§ 2. Daartoe voorziet het decreet in :
1° het sluiten van een protocol met de representatieve organisaties die de belangen behartigen van de Vlaamse provincies, steden en gemeenten;
2° de toekenning van een kwaliteitslabel aan collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties;
3° de indeling van musea en culturele archiefinstellingen bij het Vlaamse niveau;
4° de toekenning van werkingssubsidies aan landelijke cultureel-erfgoedorganisaties;
5° de toekenning van projectsubsidies voor cultureel-erfgoedprojecten;
6° de toekenning en herverdeling van aanvullende subsidies voor tewerkstelling;
7° de toekenning van subsidies voor een lokaal en regionaal cultureel-erfgoedbeleid.
HOOFDSTUK 3. - Organisatie van het Vlaams cultureel-erfgoedbeleid
Afdeling 1. - Het sluiten van een protocol
Art. 5. De Vlaamse Regering sluit een protocol met de representatieve organisaties die de belangen behartigen van de Vlaamse provincies, steden en gemeenten over de procedures, de nadere specificaties van de criteria voor de toekenning van een kwaliteitslabel, vermeld in artikel 8, en de nadere specificaties van de criteria voor de indeling bij het lokale, regionale of Vlaamse niveau.
In het protocol kunnen ook andere aspecten in verband met een complementair cultureel-erfgoedbeleid aan bod komen, voor zover daarbij geen bijkomende bevoegdheden bepaald worden.
Afdeling 2. - De toekenning van een kwaliteitslabel aan collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties
Art. 6. Om een kwaliteitslabel toegekend te krijgen en te behouden, moet een collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie voldoen aan de volgende ontvankelijkheidsvoorwaarden :
1° beheerd worden door een publiekrechtelijke of een privaatrechtelijke rechtspersoon zonder winstgevend doel;
2° haar zetel en haar werking hebben in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
3° een aanvraag indienen.
Art. 7. Om een kwaliteitslabel toegekend te krijgen en te behouden, geldt als voorwaarde dat een collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie een permanente organisatie moet zijn :
1° ten dienste van de gemeenschap en haar ontwikkeling;
2° die toegankelijk is voor het publiek;
3° die het cultureel erfgoed van de mens en zijn omgeving verzamelt, in stand houdt, onderzoekt, bekend maakt en tentoonstelt met het oog op studie, educatie en ontspanning.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een museum, een culturele archiefinstelling en een erfgoedbibliotheek :
1° een museum ontplooit een werking die past in de hedendaagse praktijk en theorie van de museologie, en beheert een collectie die bestaat uit de materiėle en immateriėle getuigenissen van de mens en zijn omgeving;
2° een culturele archiefinstelling ontplooit een werking die past in de hedendaagse praktijk en theorie van de archiefwetenschap en het hedendaagse documentenbeheer, en beheert een collectie cultureel erfgoed die voornamelijk tot stand komt door overdracht van archiefbestanden;
3° een erfgoedbibliotheek ontplooit een werking die past in de hedendaagse praktijk en theorie van de informatie- en bibliotheekwetenschap, en beheert een collectie cultureel erfgoed die loopt van de oudste schriftmaterialen en de eerste gedrukte werken tot de moderne en hedendaagse gedrukte en digitale publicaties.
Art. 8. De volgende criteria zijn van toepassing voor de toekenning en het behoud van een kwaliteitslabel :
1° beschikken over een collectie cultureel erfgoed die door de onderlinge samenhang en het profiel ervan, de verbanden en de context, de mogelijke uniciteit of de materiėle waarde ervan door en voor een cultureel-erfgoedgemeenschap voldoende belangrijk wordt geacht om in een collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie te worden ondergebracht;
2° een duidelijke visie hebben op de totaliteit van de werking van de collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie, waarbij de basisfuncties op elkaar zijn afgestemd;
3° de verzamelfunctie, de behoud- en beheerfunctie, de onderzoeksfunctie en de publieksgerichte functie, de basisfuncties genoemd, vervullen. Daarvoor worden aan het cultureel erfgoed aangepaste, algemeen aanvaarde internationale standaarden en kwaliteitsvolle, dynamische werkvormen en -methoden gehanteerd;
4° een degelijk zakelijk beleid voeren zodat er voldoende garanties worden gegeven over het in de toekomst blijven bestaan van de collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie en over de uitvoering van de basisfuncties;
5° de algemeen aanvaarde deontologische regels in acht nemen.
De collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie kan voor het vervullen van de basisfuncties, vermeld in het eerste lid, 3°, samenwerken met andere cultureel-erfgoedorganisaties. In voorkomend geval bepaalt de collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie die een kwaliteitslabel aanvraagt, mee het beleid voor die functionele samenwerking.
Art. 9. Rekening houdend met het protocol, vermeld in artikel 5, kan de Vlaamse Regering de voorwaarden of criteria nader bepalen.
Art. 10. Een aanvraag voor een kwaliteitslabel kan jaarlijks ingediend worden.
Art. 11. Een visitatiecommissie, opgericht op basis van artikel 178, onderzoekt ter plaatse de aanvraag voor het kwaliteitslabel en toetst de inhoud en de werking van de collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie met het oog op de toekenning van het kwaliteitslabel aan de voorwaarde, vermeld in artikel 7, en aan de criteria, vermeld in artikel 8, en de nadere bepaling van de voorwaarden en criteria op basis van artikel 9.
De visitatiecommissie stelt een advies op over de toekenning van het kwaliteitslabel.
Art. 12. De Vlaamse Regering beslist over de toekenning van het kwaliteitslabel.
De Vlaamse Regering kent de collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie een van de volgende labels toe :
1° door de Vlaamse overheid erkend museum;
2° door de Vlaamse overheid erkende culturele archiefinstelling;
3° door de Vlaamse overheid erkende erfgoedbibliotheek.
De Vlaamse Regering kan bijkomende labels toekennen voor deelaspecten van de werking.
Art. 13. De Vlaamse Regering neemt de collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties die een kwaliteitslabel mogen dragen, op in het register van erkende collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties.
Art. 14. Het kwaliteitslabel mag gedragen worden vanaf de datum van de beslissing van de Vlaamse Regering.
De collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie mag het kwaliteitslabel dragen zolang ze voldoet aan de voorwaarden en criteria.
Art. 15. Als de Vlaamse Regering beslist het kwaliteitslabel niet toe te kennen, kan de publiek- of privaatrechtelijke rechtspersoon die de collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie beheert voor de collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie, een nieuwe aanvraag voor een kwaliteitslabel indienen op voorwaarde dat aangetoond wordt dat de reden voor de weigering niet langer bestaat.
Art. 16. Alleen een collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie die beschikt over een kwaliteitslabel als vermeld in dit decreet, mag de naam "door de Vlaamse overheid erkend museum", "door de Vlaamse overheid erkende culturele archiefinstelling" of "door de Vlaamse overheid erkende erfgoedbibliotheek" dragen.
De Vlaamse Regering bepaalt het erkenningsteken van :
1° door de Vlaamse overheid erkend museum;
2° door de Vlaamse overheid erkende culturele archiefinstelling;
3° door de Vlaamse overheid erkende erfgoedbibliotheek.
Alleen een collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie die beschikt over een kwaliteitslabel als vermeld in dit decreet, mag in gedrukte en digitale communicatie, bij elke mededeling, verklaring, publicatie en presentatie het erkenningsteken vermelden.
Art. 17. Minstens eenmaal per vijf jaar wordt geėvalueerd of de collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie nog altijd voldoet aan de voorwaarden en criteria.
Een visitatiecommissie, opgericht op basis van artikel 178, kan op elk moment gevraagd worden de werking van de collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie te evalueren met het oog op de intrekking van het kwaliteitslabel.
De Vlaamse Regering kan het kwaliteitslabel, na advies van de visitatiecommissie, intrekken als niet meer voldaan is aan de voorwaarden of criteria.
Art. 18. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de aanvraag, de toekenning, de evaluatie en de intrekking van het kwaliteitslabel.
Afdeling 3. - Het indelen van collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen over indeling
Art. 19. Collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties die beschikken over een kwaliteitslabel als vermeld in dit decreet kunnen ingedeeld worden in de volgende niveaus :
1° het lokale niveau;
2° het regionale niveau;
3° het Vlaamse niveau.
Rekening houdend met het protocol, vermeld in artikel 5, kan de gemeente op het grondgebied waarvan een collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie als vermeld in het eerste lid, ligt, of een rechtspersoon die daartoe door de gemeente is gedelegeerd, beslissen om de collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie in te delen bij het lokale niveau.
Rekening houdend met het protocol, vermeld in artikel 5, kan de provincie op het grondgebied waarvan een collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie als vermeld in het eerste lid, ligt, of een rechtspersoon die daartoe door de provincie is gedelegeerd, beslissen om de collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie in te delen bij het regio- nale niveau.
Een collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie als vermeld in het eerste lid, kan maar in één niveau tegelijk ingedeeld worden. In geval van indeling bij het regionale niveau vervalt de indeling bij het lokale niveau. In geval van indeling in het Vlaamse niveau vervalt de indeling bij het regionale of het lokale niveau.
Onderafdeling 2. - Indeling bij het Vlaamse niveau
Art. 20. De Vlaamse Regering kan de volgende collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties indelen bij het Vlaamse niveau :
1° musea;
2° culturele archiefinstellingen.
Art. 21. Om in aanmerking te komen voor een indeling bij het Vlaamse niveau moet een collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie als vermeld in artikel 20 voldoen aan de volgende ontvankelijkheidsvoorwaarden :
1° beschikken over een kwaliteitslabel als vermeld in artikel 12, tweede lid, 1° of 2°;
2° een aanvraag indienen.
Art. 22. Een indeling bij het Vlaamse niveau wordt toegekend voor de beleidsperiode.
De beleidsperiode voor musea, vermeld in artikel 20, 1°, slaat op een periode van vijf jaar die begint op 1 januari van het laatste jaar van de legislatuur van het Vlaams Parlement en eindigt op 31 december van het vierde volledige jaar van de volgende legislatuur van het Vlaams Parlement.
De beleidsperiode voor culturele archiefinstellingen, vermeld in artikel 20, 2°, slaat op een periode van vijf jaar die begint op 1 januari van het vierde volledige jaar van de legislatuur van het Vlaams Parlement en eindigt op 31 december van het derde volledige jaar van de volgende legislatuur van het Vlaams Parlement.
Art. 23. Een aanvraag tot indeling bij het Vlaamse niveau wordt ingediend voor de volledige beleidsperiode of voor een periode die start op 1 januari van het vierde jaar van de beleidsperiode en eindigt op 31 december van het laatste jaar van de beleidsperiode.
Art. 24. De volgende criteria zijn van toepassing voor de indeling bij het Vlaamse niveau :
1° het belang van het cultureel erfgoed en de geografische reikwijdte van het thema waarop het museum of de culturele archiefinstelling focust. Voor de culturele archiefinstellingen geldt bijkomend dat ze archiefbestanden met een geografische spreiding over Vlaanderen moeten verzamelen;
2° een werking uitbouwen met een landelijke reikwijdte die relevant is voor Vlaanderen. Het museum of de culturele archiefinstelling moet zich met die werking binnen een internationale context begeven en internationale expertise binnen brengen in de cultureel-erfgoedgemeenschap of het cultureel-erfgoedveld;
3° de inhoud van en de wijze waarop de kennis en expertise op een actieve en receptieve manier ter beschikking gesteld worden van de cultureel-erfgoedgemeenschap en van het cultureel-erfgoedveld;
4° de kwaliteit van de uitvoering van de basisfuncties en de toepassing van internationaal aanvaarde standaarden bij de uitvoering van de basisfuncties;
5° de kwaliteit van het zakelijke beheer van het museum of de culturele archiefinstelling;
6° de geografische reikwijdte van het publieksbereik;
7° de inspanningen op het vlak van duurzaamheid en maatschappelijke en culturele diversiteit;
8° de positionering, samenwerking en netwerkvorming, zowel binnen Vlaanderen als internationaal.
Art. 25. Een beoordelingscommissie, opgericht op basis van artikel 180, is bevoegd voor de advisering.
Art. 26. De bevoegde beoordelingscommissie toetst de aanvraag en de werking van de cultureel-erfgoedorganisatie aan de toepasselijke criteria en formuleert een advies over de indeling bij het Vlaamse niveau.
De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst stelt op basis van dat advies een ontwerp van beslissing op.
Art. 27. De Vlaamse Regering beslist over de indeling bij het Vlaamse niveau.
Art. 28. De Vlaamse Regering kan, rekening houdend met het protocol vermeld in artikel 5, de criteria nader bepalen.
Bij het nader bepalen van de criteria wordt rekening gehouden met de specifieke kenmerken van de museologie, de archiefwetenschap en het hedendaags documentenbeheer.
Art. 29. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de aanvraag en de indeling bij het Vlaamse niveau.
Afdeling 4. - Instellingen van de Vlaamse Gemeenschap
Art. 30. De Vlaamse Regering wijst de collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties die opgericht zijn of beheerd worden door de Vlaamse Gemeenschap aan als instelling van de Vlaamse Gemeenschap.
Art. 31. De instellingen van de Vlaamse Gemeenschap, vermeld in artikel 30, moeten voldoen aan de voorwaarden en criteria van het kwaliteitslabel, vermeld in afdeling 2.
Art. 32. De Vlaamse Regering kent aan de instellingen van de Vlaamse Gemeenschap een van de kwaliteitslabels als vermeld in artikel 12, toe. De Vlaamse Regering neemt de instellingen van de Vlaamse Gemeenschap op in het register, vermeld in artikel 13.
Een instelling van de Vlaamse Gemeenschap wordt gelijkgesteld met een door de Vlaamse overheid erkend museum, een door de Vlaamse overheid erkende culturele archiefinstelling of een door de Vlaamse overheid erkende erfgoedbibliotheek, en mag de naam en het erkenningsteken, vermeld in artikel 16, dragen.
HOOFDSTUK 4. - Werkingssubsidies voor landelijke cultureel-erfgoedorganisaties
Afdeling 1. - Algemene bepalingen over werkingssubsidies
Art. 33. Om in aanmerking te komen voor een werkingssubsidie, moet een cultureel-erfgoedorganisatie voldoen aan de volgende ontvankelijkheidsvoorwaarden :
1° beschikken over een rechtspersoonlijkheid zonder winstgevend doel;
2° haar zetel en haar werking hebben in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
3° een aanvraag indienen.
De aanvraag, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt ingediend uiterlijk op 1 april van het jaar voorafgaand aan de periode waarop de aanvraag van toepassing is.
De aanvraag, vermeld in het eerste lid, 3°, bevat minstens de informatie op basis waarvan de toepasselijke subsidiėringsvoorwaarden en criteria getoetst kunnen worden.
Art. 34. Een werkingssubsidie wordt toegekend voor de beleidsperiode of, indien van toepassing, tot het einde van de beleidsperiode.
Art. 35. De bevoegde beoordelingscommissie of adviescommissie onderzoekt of de cultureel-erfgoedorganisatie voldoet aan de toepasselijke subsidiėringsvoorwaarden en toetst de aanvraag en de werking van de cultureel-erfgoedorganisatie aan de toepasselijke criteria. De bevoegde beoordelingscommissie of adviescommissie formuleert op basis daarvan een advies over de toekenning van een werkingssubsidie.
De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst stelt op basis van dat advies een ontwerp van beslissing op.
Art. 36. De Vlaamse Regering beslist over de toekenning en het bedrag van de werkingssubsidie.
Art. 37. De Vlaamse Regering sluit een beheersovereenkomst met een cultureel-erfgoedorganisatie waaraan ze een werkingssubsidie toekent.
Art. 38. Cultureel-erfgoedorganisaties die een werkingssubsidie ontvangen moeten jaarlijks een verantwoording voorleggen.
Art. 39. De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst oefent een jaarlijks toezicht uit op de aanwending van de werkingssubsidie.
Art. 40. Gedurende de beleidsperiode kan een cultureel-erfgoedorganisatie die een werkingssubsidie ontvangt onbeperkt een reserve aanleggen.
Op het einde van de beleidsperiode wordt de reserve getoetst aan volgende normen :
1° maximaal 20 % van de toegekende jaarlijkse werkingssubsidie mag gebruikt worden voor de aanleg van een reserve;
2° de totale gecumuleerde reserve op basis van werkingssubsidies mag maximaal 50 % van de toegekende jaarlijkse werkingssubsidie bedragen.
Als de normen, vermeld in het tweede lid, overschreden worden, vordert de Vlaamse Regering het bedrag van de overschrijding terug, door dat bedrag in mindering te brengen op de werkingssubsidie van een lopend of volgend werkingsjaar, of door terugbetaling.
Bij stopzetting van de activiteit wordt de totale gecumuleerde reserve op basis van werkingssubsidies teruggevorderd.
Art. 41. De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst, eventueel bijgestaan door de bevoegde advies- of beoordelingscommissie, voert voor de beleidsperiode een of meer evaluaties uit van de uitvoering van de beheersovereenkomst.
Art. 42. Als er bij het toezicht of de evaluatie ernstige tekortkomingen worden vastgesteld, kan de Vlaamse Regering de volgende sancties opleggen :
1° inhouding of terugvordering van een deel van of van de volledige toegekende werkingssubsidie;
2° definitieve stopzetting van de werkingssubsidie.
De sanctie die de Vlaamse Regering oplegt, moet in een redelijke verhouding staan tot de vastgestelde inbreuken.
Art. 43. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de aanvraag, de advisering, de beheersovereenkomst, de verantwoording, het toezicht, de reserve en de overdracht van werkingssubsidies, de evaluatie en de sancties.
Afdeling 2. - Het steunpunt voor cultureel erfgoed
Art. 44. De Vlaamse Regering kan een werkingssubsidie toekennen aan een steunpunt voor cultureel erfgoed. Het steunpunt heeft als doel cultureel-erfgoedorganisaties, lokale en provinciale besturen en beheerders van cultureel erfgoed te ondersteunen en de ontwikkeling van het cultureel-erfgoedveld te stimuleren met het oog op de doelstellingen, vermeld in dit decreet.
Het steunpunt realiseert dat door middel van zijn kerntaken :
1° praktijkondersteuning : het leveren van een actieve dienstverlening op het vlak van deskundigheidsbevordering, kwaliteitszorg, informatie en documentatie, management, publieksopbouw en -participatie, internationale samenwerking, rekening houdend met internationale standaarden;
2° praktijkontwikkeling : het leveren van een bijdrage aan een continue ontwikkeling van het cultureel-erfgoedveld en het overheidsbeleid op basis van evaluatie en toegepast onderzoek;
3° beeldvorming en communicatie : het organiseren en coördineren van activiteiten en initiatieven die de kennis over het cultureel erfgoed en de cultureel-erfgoedorganisaties in het cultureel-erfgoedveld, bij de publieke opinie, de overheid en in het buitenland bevorderen, en die bijdragen tot een kwantitatief en kwalitatief ruimere cultuurpartici- patie.
Het steunpunt realiseert zijn kerntaken in samenspraak met andere steunpunten en binnen een netwerk van cultureel-erfgoedactoren.
Art. 45. De beleidsperiode slaat op een periode van vijf jaar die begint op 1 januari van het derde volledige jaar van de legislatuur van het Vlaams Parlement en eindigt op 31 december van het tweede volledige jaar van de volgende legislatuur van het Vlaams Parlement.
Art. 46. Een aanvraag voor werkingssubsidies wordt ingediend voor de volledige beleidsperiode.
Art. 47. De adviescommissie, opgericht op basis van artikel 179, is bevoegd voor de advisering.
Art. 48. De volgende criteria zijn van toepassing voor de toekenning en de bepaling van het bedrag van de werkingssubsidie :
1° de kwaliteit van de dienstverlening en de uitvoering van de intermediaire rol;
2° de wijze waarop de kerntaken, zoals beschreven in artikel 44, tweede lid, gerealiseerd worden;
3° de positionering, samenwerking en netwerkvorming, zowel binnen Vlaanderen als internationaal;
4° de inspanningen op het vlak van duurzaamheid en maatschappelijke en culturele diversiteit;
5° de kwaliteit van het zakelijke beheer en de haalbaarheid en het realiteitsgehalte van de begroting. De noodzaak voor een werkingssubsidie dient aangetoond te worden in de begroting, rekening houdend met de eigen ontvangsten uit de werking.
Art. 49. De Vlaamse Regering kan de criteria nader bepalen.
Afdeling 3. - De belangenbehartiger voor cultureel erfgoed
Art. 50. De Vlaamse Regering kan een werkingssubsidie toekennen aan een organisatie die als doel heeft :
1° een platform te organiseren voor uitwisseling van kennis en expertise tussen culturele archiefinstellingen, erfgoedbibliotheken, musea, erfgoedcellen of coördinatoren van het lokale cultureel-erfgoedbeleid, landelijke expertisecentra voor cultureel erfgoed, landelijke cultureel-erfgoedorganisaties voor volkscultuur en samenwerkingsverbanden met het oog op de internationale profilering van kunstcollecties;
2° de leden te informeren over de werking van de organisatie;
3° op te treden als vertegenwoordiger van alle aangesloten leden ten aanzien van de overheid, telkens wanneer daarom gevraagd wordt.
Art. 51. De beleidsperiode slaat op een periode van vijf jaar die begint op 1 januari van het tweede volledige jaar van de legislatuur van het Vlaams Parlement en eindigt op 31 december van het eerste volledige jaar van de volgende legislatuur van het Vlaams Parlement.
Art. 52. Een aanvraag voor werkingssubsidies wordt ingediend voor de volledige beleidsperiode.
Art. 53. De volgende subsidiėringvoorwaarden zijn van toepassing voor het toekennen van een werkingssubsidie :
1° de organisatie moet minstens de helft van alle op basis van dit decreet erkende en door de steden en gemeenten, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, provincies, de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde cultureel-erfgoedorganisaties tot lid hebben;
2° de helft bevatten van elke deelsector met name van de erkende culturele archiefinstellingen, erfgoedbibliotheken, musea, erfgoedcellen of coördinatoren van het lokale cultureel-erfgoedbeleid, landelijke expertisecentra voor cultureel erfgoed, landelijke cultureel-erfgoedorganisaties voor volkscultuur en samenwerkingsverbanden met het oog op de internationale profilering van kunstcollecties.
Art. 54. De volgende criteria zijn van toepassing voor de toekenning en de bepaling van het bedrag van de werkingssubsidie :
1° hoe de organisatie in haar besluitvorming een evenwicht voorziet tussen de deelsectoren vermeld in artikel 50, 1°;
2° hoe de organisatie de cultureel-erfgoedorganisaties die beschikken over een kwaliteitslabel als vermeld in dit decreet, structureel betrekt bij haar werking;
3° hoe de organisatie bestaande koepelorganisaties voor de deelsectoren vermeld in artikel 50, 1°, structureel betrekt bij haar werking;
4° hoe de organisatie inspeelt op de ontwikkelingen in de cultureel-erfgoedsector; in het bijzonder hoe zij de overige spelers binnen deze sector bij haar werking zal betrekken;
5° de wijze waarop de doelstellingen, vermeld in artikel 50 gerealiseerd worden;
6° de kwaliteit van het zakelijke beheer en de haalbaarheid en het realiteitsgehalte van de begroting. De noodzaak voor een werkingssubsidie dient aangetoond te worden in de begroting, rekening houdend met de eigen ontvangsten uit de werking.
Art. 55. In afwijking van artikel 35 onderzoekt de door de Vlaamse Regering aangewezen dienst of de organisatie voldoet aan de toepasselijke subsidiėringsvoorwaarden en toetst de aanvraag en de werking van de organisatie aan de toepasselijke criteria. De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst stelt op basis hiervan een ontwerp van beslissing op.
Afdeling 4. - Instellingen van de Vlaamse Gemeenschap
Art. 56. De Vlaamse Regering kent een werkingssubsidie toe aan instellingen van de Vlaamse Gemeenschap die de Vlaamse Regering niet zelf beheert.
Art. 57. De beleidsperiode slaat op een periode van vijf jaar die eindigt op 31 december van het tweede volledige kalenderjaar van de legislatuur van het Vlaams Parlement.
Art. 58. Een aanvraag voor werkingssubsidies wordt ingediend voor de volledige beleidsperiode.
Art. 59. Een beoordelingscommissie, opgericht op basis van artikel 180, is bevoegd voor de advisering.
Art. 60. De volgende criteria zijn van toepassing :
1° de criteria voor de indeling bij het Vlaamse niveau, vermeld in artikel 24;
2° de haalbaarheid en het realiteitsgehalte van de begroting. De noodzaak voor een werkingssubsidie dient aangetoond te worden in de begroting, rekening houdend met de eigen ontvangsten uit de werking.
Art. 61. De Vlaamse Regering kan de criteria nader bepalen.
Afdeling 5. - Landelijke cultureel-erfgoedorganisaties voor volkscultuur en landelijke expertisecentra voor cultureel erfgoed
Art. 62. De Vlaamse Regering kan een werkingssubsidie toekennen aan de volgende landelijke cultureel-erfgoedorganisaties :
1° landelijke cultureel-erfgoedorganisaties voor volkscultuur : dienstverlenende organisaties waarvan de cultureel-erfgoedgemeenschap zich bevindt binnen het domein van de volkscultuur en gekenmerkt is door vrijwilligerswerking en een netwerk van verenigingen, verspreid over Vlaanderen, en waarbij de doorstroming van kennis en expertise binnen dat netwerk centraal staat in de werking;
2° landelijke expertisecentra voor cultureel erfgoed : dienstverlenende organisaties die zich inzetten om over een bepaalde erfgoedspecialisatie of voor een bepaald erfgoedthema, actoren en erfgoedbeheerders in het veld en daarbuiten te begeleiden en waarbij de doorstroming van kennis en expertise centraal staat in de werking.
Art. 63. De beleidsperiode slaat op een periode van vijf jaar die begint op 1 januari van het derde volledige jaar van de legislatuur van het Vlaams Parlement en eindigt op 31 december van het tweede volledige jaar van de volgende legislatuur van het Vlaams Parlement.
Art. 64. Een aanvraag voor werkingssubsidies wordt ingediend voor de volledige beleidsperiode of voor een periode die start op 1 januari van het vierde jaar van de beleidsperiode en eindigt op 31 december van het laatste jaar van de beleidsperiode.
Art. 65. Een beoordelingscommissie, opgericht op basis van artikel 180, is bevoegd voor de advisering.
Art. 66. Voor landelijke expertisecentra voor cultureel erfgoed geldt als subsidiėringsvoorwaarde het opnemen in de bestuursorganen van een vertegenwoordiging van collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties, als het landelijke expertisecentrum voor cultureel erfgoed de expertise die aanwezig is in die collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties, bundelt en versterkt.
Art. 67. De volgende criteria zijn van toepassing voor de toekenning en de bepaling van het bedrag van een werkingssubsidie :
1° de kwaliteit van de expertise en van de dienstverlenende en kennisdelende functie;
2° de schaalgrootte en de landelijke reikwijdte van de werking;
3° het belang en de noden van de cultureel-erfgoedgemeenschap en de mate waarin deze noden nog niet ingevuld worden door een andere cultureel-erfgoedorganisatie;
4° de wijze waarop deze cultureel-erfgoedgemeenschap georganiseerd, geactiveerd en begeleid wordt;
5° de toepassing van internationaal aanvaarde standaarden binnen de werking;
6° de samenwerking en netwerking met relevante actoren in Vlaanderen, waaronder het steunpunt, vermeld in artikel 44;
7° de internationale samenwerking en netwerking met het oog op het opvolgen en binnenbrengen van internationale ontwikkelingen en expertise;
8° de inspanningen op het vlak van duurzaamheid en maatschappelijke en culturele diversiteit;
9° de kwaliteit van het zakelijke beheer en de haalbaarheid en het realiteitsgehalte van de begroting. De noodzaak voor een werkingssubsidie dient aangetoond te worden in de begroting, rekening houdend met de eigen ontvangsten uit de werking.
Art. 68. De werkingssubsidie bedraagt ten minste 75.000 euro per jaar.
Art. 69. De Vlaamse Regering kan de subsidiėringsvoorwaarden en de criteria nader bepalen.
Afdeling 6. - Collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties
Art. 70. De Vlaamse Regering kan een werkingssubsidie toekennen aan volgende collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties :
1° musea, ingedeeld bij het Vlaamse niveau;
2° culturele archiefinstellingen, ingedeeld bij het Vlaamse niveau;
3° privaatrechtelijke Nederlandstalige culturele archiefinstellingen in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die het Vlaamse culturele leven in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad documenteren en die beschikken over een kwaliteitslabel als vermeld in dit decreet.
Art. 71. De beleidsperiode voor musea, vermeld in artikel 70, 1°, is dezelfde als de beleidsperiode voor de indeling bij het Vlaamse niveau, vermeld in artikel 22, tweede lid.
De beleidsperiode voor culturele archiefinstellingen, vermeld in artikel 70, 2° en 3°, is dezelfde als de beleidsperiode voor de indeling bij het Vlaamse niveau, vermeld in artikel 22, derde lid.
Art. 72. De aanvraag voor werkingssubsidies van collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties, vermeld in artikel 70, 1° en 2°, is dezelfde als de aanvraag voor indeling bij het Vlaamse niveau, als vermeld in artikel 23, en wordt ingediend voor dezelfde periode, als vermeld in artikel 23.
Een aanvraag voor werkingssubsidies van cultureel-erfgoedorganisaties als vermeld in artikel 70, 3°, wordt ingediend voor de beleidsperiode als vermeld in artikel 71, tweede lid, of voor een periode die start op 1 januari van het vierde jaar van de beleidsperiode en eindigt op 31 december van het laatste jaar van de beleidsperiode.
Art. 73. Een beoordelingscommissie, opgericht op basis van artikel 180, is bevoegd voor de advisering. Voor collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties als vermeld in artikel 70, 1° en 2°, is dit dezelfde beoordelingscommissie als vermeld in artikel 25.
Art. 74. De volgende criteria zijn van toepassing voor de toekenning en de bepaling van het bedrag van een werkingssubsidie :
1° de criteria voor indeling bij het Vlaamse niveau, vermeld in artikel 24;
2° de haalbaarheid en het realiteitsgehalte van de begroting. De noodzaak voor een werkingssubsidie dient aangetoond te worden in de begroting, rekening houdend met de eigen ontvangsten uit de werking.
De criteria, vermeld in artikel 24, 1° en 2°, zijn niet van toepassing voor de beoordeling van Nederlandstalige culturele archiefinstellingen als vermeld in artikel 70, 3°. Voor Nederlandstalige culturele archiefinstellingen als vermeld in artikel 70, 3°, geldt het bijkomend criterium dat ze het Vlaamse culturele leven in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad moeten documenteren en het belang van het cultureel erfgoed op basis waarvan dat gebeurt.
Art. 75. De bevoegde beoordelingscommissie formuleert een advies over de toekenning van een werkingssubsidie aan collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties, als vermeld in artikel 70, 1° en 2°. Het advies over de indeling bij het Vlaamse niveau, vermeld in artikel 26, is een onderdeel van dat advies en geldt voor de toetsing van de criteria, vermeld in artikel 74, eerste lid, 1°.
Art. 76. Als de Vlaamse Regering beslist een collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie als vermeld in artikel 70, 1° en 2°, in te delen bij het Vlaamse niveau, beslist de Vlaamse Regering in navolging van die beslissing ook over het bedrag van de werkingssubsidie.
Art. 77. De werkingssubsidie bedraagt :
1° ten minste 200.000 euro per jaar voor musea, vermeld in artikel 70, 1°;
2° ten minste 100.000 euro per jaar voor culturele archiefinstellingen, vermeld in artikel 70, 2° en 3°.
Voor culturele archiefinstellingen, vermeld in artikel 70, 2° en 3°, bedraagt de werkingssubsidie ten minste 90 % van de werkingssubsidie die werd toegekend gedurende de vorige beleidsperiode, tenzij de door de Vlaamse Regering aangewezen dienst bij het toezicht of de evaluatie van de voorbije beleidsperiode ernstige gebreken heeft vastgesteld die aanleiding gaven tot een sanctie, vermeld in artikel 42.
Afdeling 7. - De Vlaamse Erfgoedbibliotheek
Art. 78. De Vlaamse Regering kan een werkingssubsidie toekennen aan een samenwerkingsverband van een representatieve groep van erfgoedbibliotheken in Vlaanderen, hierna genoemd de Vlaamse Erfgoedbibliotheek.
De Vlaamse Erfgoedbibliotheek heeft als doel :
1° en gecoördineerd collectiebeleid te ontwikkelen voor erfgoedbibliotheken in Vlaanderen, in het bijzonder voor Flandrica;
2° expertise over de bewaring van cultureel-erfgoedcollecties van erfgoedbibliotheken op te bouwen en ter beschikking te stellen;
3° expertise over de digitalisering van cultureel-erfgoedcollecties van erfgoedbibliotheken op te bouwen en ter beschikking te stellen;
4° het duurzaam bewaren, toegankelijk maken en verspreiden van cultureel-erfgoedcollecties van erfgoedbibliotheken in digitale vorm te ondersteunen;
5° cultureel-erfgoedcollecties van erfgoedbibliotheken bibliografisch te ontsluiten en expertise daarover te verspreiden;
6° cultureel-erfgoedcollecties van erfgoedbibliotheken cultureel te ontsluiten.
Art. 79. De beleidsperiode slaat op een periode van vijf jaar die begint op 1 januari van het vierde volledige jaar van de legislatuur van het Vlaams Parlement en eindigt op 31 december van het derde volledige jaar van de volgende legislatuur van het Vlaams Parlement.
Art. 80. Een aanvraag voor werkingssubsidies wordt ingediend voor de volledige beleidsperiode.
Art. 81. Een beoordelingscommissie, opgericht op basis van artikel 180, is bevoegd voor de advisering.
Art. 82. De volgende criteria zijn van toepassing voor de toekenning en de bepaling van het bedrag van een werkingssubsidie :
1° de kwaliteit van de inhoudelijke werking, de uitbouw en de schaalgrootte van de dienstverlening van de Vlaamse Erfgoedbibliotheek;
2° de wijze waarop de doelstellingen als vermeld in artikel 78, tweede lid, gerealiseerd worden;
3° de inspanningen op het vlak van duurzaamheid en maatschappelijke en culturele diversiteit;
4° de kwaliteit van het zakelijke beheer en de haalbaarheid en het realiteitsgehalte van de begroting. De noodzaak voor een werkingssubsidie dient aangetoond te worden in de begroting, rekening houdend met de eigen ontvangsten uit de werking.
Art. 83. De werkingssubsidie bedraagt ten minste 300.000 euro per jaar.
Art. 84. De Vlaamse Regering kan de criteria nader bepalen.
Afdeling 8. - Archiefbank Vlaanderen
Art. 85. De Vlaamse Regering kan een werkingssubsidie toekennen aan een samenwerkingsverband van een representatieve groep van culturele archiefinstellingen die ingedeeld zijn bij het Vlaamse niveau voor het beheer van de Archiefbank Vlaanderen.
De Archiefbank Vlaanderen is een geautomatiseerd register van Vlaams privaat archivalisch cultureel-erfgoed, met als doel dat te vrijwaren en de publieksgerichte en wetenschappelijke valorisatie ervan te optimaliseren. In de Archiefbank Vlaanderen worden private archieven vermeld, als de personen en instanties die er eigenaar van zijn, dat willen. De Archiefbank Vlaanderen is eigendom van de Vlaamse Gemeenschap. De databanken die in dat kader worden opgemaakt, zijn openbaar.
Art. 86. De beleidsperiode slaat op een periode van vijf jaar die begint op 1 januari van het vierde volledige jaar van de legislatuur van het Vlaams Parlement en eindigt op 31 december van het derde volledige jaar van de volgende legislatuur van het Vlaams Parlement.
Art. 87. Een aanvraag voor werkingssubsidies wordt ingediend voor de volledige beleidsperiode.
Art. 88. Een beoordelingscommissie, opgericht op basis van artikel 180, is bevoegd voor de advisering.
Art. 89. De volgende criteria zijn van toepassing voor de toekenning en de bepaling van het bedrag van een werkingssubsidie :
1° de kennis en expertise die het samenwerkingsverband bezit inzake registratie van private archieven. Het samenwerkingsverband hanteert daarvoor de algemeen aanvaarde internationale standaarden;
2° de wijze waarop het samenwerkingsverband vorming geeft over en sensibiliseert voor het beheer en de registratie van private archieven;
3° de wijze waarop het samenwerkingsverband zich positioneert in internationale netwerken met het oog op de uitwisseling van informatie over private archieven;
4° de wijze waarop communicatie en publieksinitiatieven worden opgezet om de zichtbaarheid van de private archieven in Vlaanderen te vergroten;
5° de inspanningen op het vlak van duurzaamheid en maatschappelijke en culturele diversiteit;
6° de kwaliteit van het zakelijke beheer en de haalbaarheid en het realiteitsgehalte van de begroting. De noodzaak voor een werkingssubsidie dient aangetoond te worden in de begroting, rekening houdend met de eigen ontvangsten uit de werking.
Art. 90. De werkingssubsidie bedraagt ten minste 270.000 euro per jaar.
Art. 91. De Vlaamse Regering kan de criteria nader bepalen.
Afdeling 9. - Samenwerkingsverbanden met het oog op de internationale profilering van kunstcollecties
Art. 92. De Vlaamse Regering kan een werkingssubsidie toekennen aan maximaal drie samenwerkingsverbanden oude en hedendaagse kunst met het oog op de versterking van de internationale positionering en profilering van de kunstcollecties.
Art. 93. De beleidsperiode slaat op een periode van vijf jaar die begint op 1 januari van het laatste jaar van de legislatuur van het Vlaams Parlement en eindigt op 31 december van het vierde volledige jaar van de volgende legislatuur van het Vlaams Parlement.
Art. 94. Een aanvraag voor werkingssubsidies wordt ingediend voor de volledige beleidsperiode.
Art. 95. Een beoordelingscommissie, opgericht op basis van artikel 180, is bevoegd voor de advisering.
Art. 96. De volgende subsidiėringsvoorwaarden zijn van toepassing voor het toekennen van een werkingssubsidie :
1° een samenwerkingsverband zijn van collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties waarvan de kunstcollecties thematisch bij elkaar aansluiten;
2° een gespecialiseerde relevante expertise hebben ontwikkeld, die bijdraagt tot de versterking van de internationale positionering en profilering van de betrokken collectiebehe- rende cultureel-erfgoedorganisaties.
Art. 97. De volgende criteria zijn van toepassing voor de toekenning en de bepaling van het bedrag van een werkingssubsidie :
1° het internationale belang van de kunstcollecties;
2° de gespecialiseerde internationaal relevante expertise voor het geheel of voor deelgebieden van de werking;
3° de visie en de doelstellingen van het samenwerkingsverband;
4° de samenwerking met andere cultureel-erfgoedactoren;
5° de versterking van de internationale positionering en profilering;
6° de toepassing van internationaal aanvaarde standaarden binnen de werking;
7° de inspanningen op het vlak van duurzaamheid en maatschappelijke en culturele diversiteit;
8° de kwaliteit van het zakelijke beheer en de haalbaarheid en het realiteitsgehalte van de begroting. De noodzaak voor een werkingssubsidie dient aangetoond te worden in de begroting, rekening houdend met de eigen ontvangsten uit de werking.
Art. 98. De werkingssubsidie bedraagt ten minste 125.000 euro per jaar.
Art. 99. De Vlaamse Regering kan de subsidiėringsvoorwaarden en de criteria nader bepalen.
Afdeling 10. - Periodieke cultureel-erfgoedpublicaties
Art. 100. De Vlaamse Regering kan een werkingssubsidie toekennen aan uitgevers, met een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon, voor de uitgave van een periodieke cultureel-erfgoedpublicatie, ongeacht de drager.
In afwijking van artikel 33, 1°, hoeft de uitgever niet te beschikken over rechtspersoonlijkheid zonder winstgevend doel.
Art. 101. De beleidsperiode slaat op een periode van vijf jaar die begint op 1 januari van het derde volledige jaar van de legislatuur van het Vlaams Parlement en eindigt op 31 december van het tweede volledige jaar van de volgende legislatuur van het Vlaams Parlement.
Art. 102. Een aanvraag voor werkingssubsidies wordt ingediend voor de volledige beleidsperiode of voor een periode die start op 1 januari van het vierde jaar van de beleidsperiode en eindigt op 31 december van het laatste jaar van de beleidsperiode.
Art. 103. Een beoordelingscommissie, opgericht op basis van artikel 180, is bevoegd voor de advisering.
Art. 104. De volgende subsidiėringsvoorwaarden zijn van toepassing voor het toekennen van een werkingssubsidie :
1° de publicatie wordt niet gesubsidieerd op basis van een ander decreet;
2° de publicatie wordt niet uitgegeven door een organisatie die op basis van dit decreet een werkingssubsidie ontvangt;
3° de uitgever kan voldoende expertise voorleggen met betrekking tot het uitgeven en distribueren van publicaties, of kan aantonen dat hij daarop afdoende een beroep kan doen.
Art. 105. De volgende criteria zijn van toepassing voor de toekenning en de bepaling van het bedrag van een werkingssubsidie :
1° de inhoudelijke relevantie van de periodieke publicatie voor het cultureel-erfgoedveld in Vlaanderen;
2° de kwaliteit van de publicatie, zowel naar inhoud, taal als vormgeving;
3° de publieksgerichtheid en de landelijke reikwijdte van de publicatie;
4° de kwaliteit van het zakelijke beheer en de haalbaarheid en het realiteitsgehalte van de begroting. De noodzaak voor een werkingssubsidie dient aangetoond te worden in de begroting, rekening houdend met de eigen ontvangsten uit de werking.
Art. 106. De werkingssubsidie bedraagt ten minste 7.500 euro per jaar.
Art. 107. De Vlaamse Regering kan de subsidiėringsvoorwaarden en de criteria nader bepalen.
HOOFDSTUK 5. - Subsidies voor cultureel-erfgoedprojecten
Afdeling 1. - Algemene bepalingen over projectsubsidies
Art. 108. Om in aanmerking te komen voor een projectsubsidie moet een aanvrager voldoen aan de volgende ontvankelijkheidsvoorwaarden :
1° beschikken over een rechtspersoonlijkheid zonder winstgevend doel;
2° een aanvraag indienen.
De aanvraag, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt ingediend :
1° voor een project dat aanvangt in de eerste jaarhelft : uiterlijk op 15 september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het project aanvangt;
2° voor een project dat aanvangt in de tweede jaarhelft : uiterlijk op 1 maart van het jaar waarin het project aanvangt.
De aanvraag, vermeld in het eerste lid, 2°, bevat minstens de informatie op basis waarvan de toepasselijke subsidiėringsvoorwaarden en criteria getoetst kunnen worden.
Art. 109. De bevoegde beoordelingscommissie, opgericht op basis van artikel 180, onderzoekt of de organisatie voldoet aan de toepasselijke subsidiėringsvoorwaarden en toetst de aanvraag aan de toepasselijke criteria. De bevoegde beoordelingscommissie formuleert op basis daarvan een advies over de toekenning van een projectsubsidie.
De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst stelt op basis van dit advies een ontwerp van beslissing op.
Art. 110. De Vlaamse Regering beslist over de toekenning en het bedrag van de projectsubsidie.
Art. 111. Organisaties die een projectsubsidie ontvangen moeten daarover een verantwoording voorleggen.
Art. 112. De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst oefent het toezicht uit op de aanwending van de projectsubsidie.
Art. 113. Als er bij het toezicht ernstige tekortkomingen worden vastgesteld, kan de Vlaamse Regering de volgende sanctie opleggen : inhouding of terugvordering van een deel van of van de volledige toegekende projectsubsidie.
De sanctie die de Vlaamse Regering oplegt, moet in een redelijke verhouding staan tot de vastgestelde inbreuken.
Art. 114. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels over de aanvraag, de verantwoording, het toezicht en de sancties.
Afdeling 2. - Ontwikkelingsgerichte projecten en internationale projecten
Art. 115. De Vlaamse Regering kan een projectsubsidie toekennen voor :
1° ontwikkelingsgerichte projecten met het oog op de zorg voor en de ontsluiting van het cultureel erfgoed;
2° internationale projecten met het oog op de zorg voor en de ontsluiting van het cultureel erfgoed.
Art. 116. Een beoordelingscommissie, opgericht op basis van artikel 180, is bevoegd voor de advisering.
Art. 117. De volgende subsidiėringsvoorwaarden zijn van toepassing voor het toekennen van een projectsubsidie :
1° projecten van cultureel-erfgoedorganisaties die op basis van dit decreet een werkingssubsidie ontvangen komen niet in aanmerking voor subsidiėring;
2° voor organisaties die de zorg voor en de ontsluiting van het cultureel erfgoed niet als kerntaak hebben is samenwerking verplicht met een collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisatie die beschikt over een kwaliteitslabel op basis van dit decreet of met een cultureel-erfgoedorganisatie die op basis van dit decreet een werkingssubsidie ont- vangt.
In afwijking van het eerste lid, 1°, komen projecten van cultureel-erfgoedorganisaties die op basis van dit decreet een werkingssubsidie ontvangen wel in aanmerking voor subsidiėring indien het grote projecten met internationale uitstraling betreft die de structurele werking van de organisatie overstijgen.
Art. 118. De volgende criteria zijn van toepassing voor de toekenning en de bepaling van het bedrag van een projectsubsidie :
1° de kwaliteit van het inhoudelijke concept en de concrete uitwerking;
2° de voorbeeldwerking;
3° de samenwerking en netwerking met andere culturele actoren in het binnen- en in het buitenland;
4° de haalbaarheid;
5° de kwaliteit van het zakelijke beheer, de financiėle onderbouw en realiteitsgehalte van de begroting. De noodzaak voor een projectsubsidie dient aangetoond te worden in de begroting, rekening houdend met de eigen ontvangsten uit het project.
Art. 119. Voor de toekenning en de bepaling van het bedrag van een projectsubsidie aan ontwikkelingsgerichte projecten zijn de volgende bijkomende criteria van toepassing :
1° de landelijke relevantie van het project;
2° de interactie met het publiek of een duidelijk omschreven doelgroep.
Art. 120. Voor de toekenning en de bepaling van het bedrag van een projectsubsidie aan internationale projecten zijn de volgende bijkomende criteria van toepassing :
1° het internationale belang van het project of van de partners binnen het werkterrein;
2° de bevordering van de internationale samenwerking, uitwisseling en expertise;
3° de relevantie van het project voor het cultureel-erfgoedveld in Vlaanderen.
Art. 121. De Vlaamse Regering kan de subsidiėringsvoorwaarden en criteria nader bepalen.
Afdeling 3. - Internationale projecten die cofinanciering vereisen
Art. 122. De Vlaamse Regering kan een projectsubsidie toekennen voor cofinanciering die door een internationale instantie of organisatie geėist wordt voor de uitvoering van een internationaal project.
Art. 123. Een beoordelingscommissie, opgericht op basis van artikel 180, is bevoegd voor de advisering.
Art. 124. De volgende subsidiėringsvoorwaarden zijn van toepassing voor de toekenning en het bepalen van het bedrag van een projectsubsidie :
1° de aanvrager ontvangt een werkingssubsidie op basis van dit decreet;
2° de aanvrager participeert in een aanvraag die door de internationale instantie of organisatie geselecteerd is.
Art. 125. De volgende criteria zijn van toepassing voor het toekennen van een projectsubsidie :
1° de meerwaarde van het project voor het cultureel-erfgoedveld in Vlaanderen;
2° de mate waarin de aanvrager zelf bijdraagt tot de vereiste cofinanciering of de mate waarin andere partners daartoe bijdragen;
3° de financiering die de internationale instantie of organisatie ter beschikking stelt;
4° de beoordeling door de internationale instantie of organisatie, als dat van toepassing is;
5° de mate waarin het internationale subsidieprogramma aansluit bij de beleidsprioriteiten;
6° de kwaliteit van het zakelijke beheer, de financiėle onderbouw en realiteitsgehalte van de begroting. De noodzaak voor een projectsubsidie dient aangetoond te worden in de begroting, rekening houdend met de eigen ontvangsten uit het project.
Art. 126. De Vlaamse Regering kan de subsidiėringsvoorwaarden en de criteria nader bepalen.
Afdeling 4. - Niet-periodieke publicaties
Art. 127. De Vlaamse Regering kan een projectsubsidie toekennen voor de uitgave van een niet-periodieke publicatie over cultureel erfgoed, ongeacht de drager.
In afwijking van artikel 108, 1°, hoeft de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon waaraan de projectsubsidie wordt toegekend, niet te beschikken over rechtspersoonlijkheid zonder winstgevend doel.
Art. 128. Een beoordelingscommissie, opgericht op basis van artikel 180, is bevoegd voor de advisering.
Art. 129. Als subsidiėringsvoorwaarde voor het toekennen van een projectsubsidie geldt dat niet-periodieke publicaties van cultureel-erfgoedorganisaties die op basis van dit decreet een werkingssubsidie ontvangen, niet in aanmerking komen voor subsidiėring.
Art. 130. De volgende criteria zijn van toepassing voor de toekenning en de bepaling van het bedrag van een projectsubsidie :
1° de kwaliteit van het inhoudelijk concept en de concrete uitwerking;
2° de inhoudelijke relevantie van de publicatie en de bijdrage aan het debat en de reflectie over het cultureel-erfgoedbeleid in Vlaanderen;
3° de landelijke dimensie;
4° het publieksgerichte concept en het beogen van de communicatie en distributie;
5° de haalbaarheid;
6° de kwaliteit van het zakelijke beheer, de financiėle onderbouw en realiteitsgehalte van de begroting. De noodzaak voor een projectsubsidie dient aangetoond te worden in de begroting, rekening houdend met de eigen ontvangsten uit het project.
Art. 131. De Vlaamse Regering kan de subsidiėringsvoorwaarden en de criteria nader bepalen.
HOOFDSTUK 6. - Aanvullende subsidies voor tewerkstelling
Art. 132. De Vlaamse Regering duidt aan welke organisaties die een aanvullende subsidie voor tewerkstelling ontvangen, tot de cultureel-erfgoedsector behoren.
Art. 133. Als aan een cultureel-erfgoedorganisatie die op basis van dit decreet een aanvullende subsidie voor tewerkstelling ontvangt, een werkingssubsidie als vermeld in hoofstuk 4 wordt toegekend, wordt de aanvullende subsidie voor tewerkstelling toegevoegd aan de werkingssubsidie.
Art. 134. Rekening houdend met de aanduiding, vermeld in artikel 132, met uitzondering van de cultureel-erfgoedorganisaties, vermeld in artikel 133, wordt het aantal tewerkstellingsplaatsen bepaald waarvoor een aanvullende subsidie voor tewerkstelling toegekend wordt.
Art. 135. Een cultureel-erfgoedorganisatie, met uitzondering van de cultureel-erfgoedorganisaties, vermeld in artikel 133, die een geregulariseerde DAC'er in dienst heeft, ontvangt een subsidie als tussenkomst in de loonkost zoals ingeschaald bij de regularisatie, van dat personeelslid. Dat recht op subsidie blijft behouden zolang een geregulariseerde DAC'er in dienst is en de pensioenleeftijd niet bereikt heeft.
Art. 136. De beleidsperiode voor aanvullende subsidies voor tewerkstelling stemt overeen met de lokale beleidscyclus, zoals vermeld in artikel 2, 3°, van het Planlastendecreet.
Art. 137. Op voorwaarde dat cultureel-erfgoedorganisaties beschikken over een kwaliteitslabel op basis van dit decreet, kunnen ze voor de beleidsperiode, vermeld in artikel 136, een aanvraag indienen om de aanvullende subsidie voor tewerkstelling te behouden voor de vervangers van de geregulariseerde DAC'ers.
De volgende criteria zijn van toepassing om te bepalen of de aanvullende subsidie voor tewerkstelling behouden blijft :
1° de opdracht draagt wezenlijk bij aan de ontwikkeling van de cultureel-erfgoedorganisatie;
2° de medewerker wordt ingezet op de zorg voor en de ontsluiting van het cultureel erfgoed dat door de cultureel-erfgoedorganisatie wordt beheerd.
Art. 138. De Vlaamse Regering beslist over het behoud van de aanvullende subsidie voor tewerkstelling.
De aanvullende subsidie voor tewerkstelling voor de vervangers van de geregulariseerde DAC'ers bedraagt 35.500 euro per voltijdsequivalent.
Art. 139. Het aantal tewerkstellingsplaatsen, vermeld in artikel 134, verminderd met het aantal tewerkstellingsplaatsen dat op basis van artikel 135 en artikel 137 verder gesubsidieerd wordt, is beschikbaar voor herverdeling.
Het aantal tewerkstellingsplaatsen dat beschikbaar is voor herverdeling wordt toegevoegd aan de middelen die op basis van artikel 150, vierde lid, 2°, ter beschikking gesteld worden.
Art. 140. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de toekenning en het toezicht.
HOOFDSTUK 7. - Het subsidiėren van een lokaal en regionaal cultureel-erfgoedbeleid
Afdeling 1. - Algemene bepalingen over het subsidiėren van een lokaal en regionaal cultureel-erfgoedbeleid
Art. 141. De bepalingen van het Planlastendecreet blijven onverminderd van toepassing op de subsidies aan gemeenten en provincies, opgenomen onder dit hoofdstuk, met uitzondering van de tewerkstellingsplaatsen die op basis artikel 150, vierde lid, 2°, ter beschikking gesteld worden.
Art. 142. De Vlaamse Regering beslist over de toekenning en het bedrag van de werkingssubsidie.
Art. 143. Intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de Vlaamse Gemeenschapscommissie die een werkingssubsidie ontvangen, moeten jaarlijks een verantwoording voorleggen op basis van de modaliteiten van dit decreet.
Provincies en gemeenten die een werkingssubsidie ontvangen moeten jaarlijks een verantwoording voorleggen op basis van de modaliteiten van het Planlastendecreet.
Art. 144. De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst oefent een jaarlijks toezicht uit op de aanwending van de werkingssubsidie van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en de Vlaamse Gemeenschapscommissie op basis van de modaliteiten in dit decreet.
De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst oefent een jaarlijks toezicht uit op de aanwending van de jaarlijkse werkingssubsidie van provincies en gemeenten op basis van de modaliteiten in het Planlastendecreet.
Art. 145. Gedurende de beleidsperiode kan een provincie, een gemeente, een intergemeentelijk samenwerkingsverband of de Vlaamse Gemeenschapscommissie die een werkingssubsidie ontvangt, onbeperkt een reserve aanleggen.
Op het einde van de beleidsperiode wordt de reserve getoetst aan volgende normen :
1° maximaal 20 % van de toegekende jaarlijkse werkingssubsidie mag gebruikt worden voor de aanleg van een reserve;
2° de totale gecumuleerde reserve op basis van werkingssubsidies mag maximaal 50 % van de toegekende jaarlijkse werkingssubsidie bedragen.
Als de normen, vermeld in het tweede lid, overschreden worden vordert de Vlaamse Regering het bedrag van de overschrijding terug, door dat bedrag in mindering te brengen op de werkingssubsidie van een lopend of volgend werkingsjaar, of door terugbetaling.
Bij stopzetting van de activiteit wordt de totale gecumuleerde reserve op basis van werkingssubsidies teruggevorderd.
Art. 146. De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst, eventueel bijgestaan door de bevoegde beoordelingscommissie, voert een of meer evaluaties uit van de invulling van de Vlaamse beleidsprioriteiten, of, in voorkomend geval, van de uitvoering van het cultureel-erfgoedconvenant.
Voor provincies en gemeenten gebeurt de evaluatie, vermeld in het eerste lid, op basis van de modaliteiten van het Planlastendecreet.
Voor intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en de Vlaamse Gemeenschapscommissie gebeurt de evaluatie, vermeld in het eerste lid, op basis van de modaliteiten die in uitvoering van dit decreet bepaald worden.
Art. 147. Als er bij het toezicht of de evaluatie ernstige tekortkomingen worden vastgesteld, kan de Vlaamse Regering de volgende sancties opleggen :
1° inhouding of terugvordering van een deel van of van de volledige toegekende werkingssubsidie;
2° definitieve stopzetting van de werkingssubsidie.
De sanctie die de Vlaamse Regering oplegt, moet in een redelijke verhouding staan tot de vastgestelde inbreuken.
Art. 148. De Vlaamse Regering legt nadere regels vast voor de verantwoording, het toezicht, de overdracht van werkingssubsidies, de evaluatie en de sancties.
Afdeling 2. - Het subsidiėren van een regionaal cultureelerfgoedbeleid
Art. 149. Inzake het regionale cultureel-erfgoedbeleid hebben de provincies volgende bevoegdheden :
1° de indeling bij het regionale niveau van collectiebeherende cultureelerfgoedorganisaties op het grondgebied die beschikken over een kwaliteitslabel als vermeld in dit decreet;
2° de toekenning van werkingssubsidies aan collectiebeherende organisaties op het grondgebied die ingedeeld zijn bij het regionale niveau;
3° de ondersteuning van cultureel-erfgoedorganisaties met een regionale relevantie;
4° het ontwikkelen van een regionaal depotbeleid, opgemaakt in overleg met de lokale besturen en de cultureel-erfgoedorganisaties, dat tegemoet komt aan de noden van het cultureel erfgoed dat aanwezig is op het grondgebied;
5° het aanbieden van een consulentschap ten gunste van de cultureel-erfgoedbeheerders en -actoren op het grondgebied.
Art. 150. De Vlaamse Regering kan aan een provincie een werkingssubsidie toekennen voor de realisatie van Vlaamse beleidsprioriteiten in het kader van een regionaal cultureelerfgoedbeleid.
De doelstelling van de werkingssubsidie is het stimuleren van een regionaal cultureel- erfgoedbeleid, als vermeld in artikel 149, 1°, 2°, 4° en 5°.
De Vlaamse Regering verduidelijkt die doelstelling en formuleert ze als Vlaamse beleidsprioriteiten. De Vlaamse Regering bepaalt de hoogte van de totale voorziene subsidie voor de Vlaamse beleidsprioriteiten en de criteria voor de toekenning en de verdeling van die subsidie.
De Vlaamse Regering stelt ten minste de volgende middelen ter beschikking :
1° een krediet van ten minste 1.140.000 euro per jaar;
2° een aantal tewerkstellingsplaatsen, uitgedrukt in voltijdsequivalenten, op basis van artikel 139. Per voltijdsequivalent wordt een bedrag van 35.500 euro toegekend.
Art. 151. Om in aanmerking te komen voor een werkingssubsidie moet een provincie voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° collectiebeherende organisaties die over een kwaliteitslabel beschikken als vermeld in dit decreet, indelen bij het regionale niveau op basis van de criteria die de provincie hiertoe bepaalt in uitvoering van het protocol, vermeld in artikel 5, en op basis van de bepalingen voor indeling, vermeld in artikel 19;
2° collectiebeherende organisaties die ingedeeld zijn bij het regionale niveau subsidiėren;
3° een regionaal depotbeleid voeren, opgemaakt in overleg met de lokale besturen en de cultureel-erfgoedorganisaties, dat tegemoet komt aan de noden van het cultureel erfgoed dat aanwezig is op het grondgebied;
4° een consulentschap ter beschikking stellen van de cultureel-erfgoedbeheerders en -actoren op het grondgebied;
5° aantonen dat regionale belanghebbenden betrokken werden bij de opmaak van de aanvraag.
Art. 152. De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst onderzoekt of de aanvrager beantwoordt aan de voorwaarden en toetst de aanvraag aan de criteria met het oog op het opstellen van een ontwerp van beslissing voor de Vlaamse Regering.
Art. 153. De Vlaamse Regering beslist over de toekenning en het bedrag van de werkingssubsidie.
Afdeling 3. - Het subsidiėren van een lokaal cultureel-erfgoedbeleid
Onderafdeling 1. - Het subsidiėren van het lokaal cultureel-erfgoedbeleid van Antwerpen, Gent, Brugge, Leuven en Mechelen
Art. 154. De Vlaamse Regering kan aan de gemeenten Antwerpen, Gent, Brugge, Leuven en Mechelen een werkingssubsidie toekennen voor de realisatie van Vlaamse beleidsprioriteiten in het kader van een lokaal cultureel-erfgoedbeleid.
De doelstelling van de werkingssubsidie is het stimuleren van een lokaal cultureel-erfgoedbeleid, vanuit een initiėrende, ondersteunende en coördinerende rol ten opzichte van de relevante cultureel-erfgoedactoren op het grondgebied. Daarbij wordt ingezet op :
1° de zorg voor en de ontsluiting van lokaal cultureel erfgoed, vanuit een integrale en geļntegreerde visie;
2° de ontwikkeling en uitwisseling van kennis en expertise binnen het lokale cultureel-erfgoedveld;
3° de ontwikkeling en uitwisseling van geļntegreerde cultureel-erfgoedpraktijken, in overleg met andere gemeenten en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden zoals vermeld in artikel 159 en met de Vlaamse Gemeenschapscommissie, en gecoördineerd door het steunpunt;
4° het vergroten van het maatschappelijk draagvlak voor cultureel erfgoed.
Art. 155. De Vlaamse Regering verduidelijkt de doelstelling, vermeld in artikel 154, en formuleert ze als Vlaamse beleidsprioriteiten. De Vlaamse Regering bepaalt de hoogte van de totale voorziene subsidie voor de Vlaamse beleidsprioriteiten en de criteria voor de toekenning en de verdeling van die subsidie.
Art. 156. Om in aanmerking te komen voor een werkingssubsidie moet de gemeente voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° collectiebeherende organisaties die over een kwaliteitslabel beschikken als vermeld in dit decreet indelen bij het lokale niveau op basis van de criteria die de gemeente hiertoe bepaalt in uitvoering van het protocol, vermeld in artikel 5, en op basis van de bepalingen voor indeling, vermeld in artikel 19;
2° collectiebeherende organisaties die ingedeeld zijn bij het lokale niveau ondersteunen;
3° aantonen dat lokale belanghebbenden betrokken werden bij de opmaak van de aanvraag.
Art. 157. De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst onderzoekt of de aanvrager beantwoordt aan de voorwaarden en toetst de aanvraag aan de criteria met het oog op het opstellen van een ontwerp van beslissing voor de Vlaamse Regering.
Art. 158. De Vlaamse Regering beslist over de toekenning en het bedrag van de werkingssubsidie.
Onderafdeling 2. -Het subsidiėren van het lokaal cultureel-erfgoedbeleid op basis van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden
Art. 159. De Vlaamse Regering kan een werkingssubsidie toekennen aan een intergemeentelijk samenwerkingsverband voor de uitvoering van een lokaal cultureel-erfgoedbeleid.
De doelstelling van de werkingssubsidie is het stimuleren van een lokaal cultureel-erfgoedbeleid. Daarbij wordt ingezet op :
1° de zorg voor en de ontsluiting van lokaal cultureel erfgoed, vanuit een integrale en geļntegreerde visie;
2° de ontwikkeling van kennis en expertise binnen het lokale cultureel-erfgoedveld en de uitwisseling ervan;
3° de ontwikkeling en uitwisseling van geļntegreerde cultureel-erfgoedpraktijken, in overleg met andere gemeenten zoals vermeld in artikel 154 en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en met de Vlaamse Gemeenschapscommissie, en gecoördineerd door het steunpunt;
4° het vergroten van het maatschappelijk draagvlak voor cultureel erfgoed.
De werkingssubsidie wordt toegekend voor :
1° de werking van een cultureel-erfgoedcel die een initiėrende, coördinerende en ondersteunende rol binnen het lokaal cultureel-erfgoedbeleid opneemt;
2° andere vormen van ondersteuning van lokale cultureel-erfgoedactoren, dan vermeld in 1°.
Art. 160. De beleidsperiode slaat op een periode van zes jaar die begint op 1 januari van het derde volledige jaar van de gemeentelijke legislatuur en eindigt op 31 december van het tweede volledige jaar van de gemeentelijke legislatuur.
Art. 161. Een aanvraag voor een werkingssubsidie wordt ingediend voor de volledige beleidsperiode of voor een periode die overeenstemt met de laatste vijf, vier of drie jaar van de beleidsperiode.
Een gemeente, vermeld in artikel 154, eerste lid, kan als onderdeel van een intergemeentelijk samenwerkingsverband een aanvraag voor een werkingssubsidie indienen, als vermeld in artikel 159. Indien de Vlaamse Regering beslist op basis van deze aanvraag een werkingssubsidie toe te kennen zijn volgende voorwaarden van toepassing :
1° de werkingssubsidie die toegekend wordt aan het intergemeentelijke samenwerkingsverband is hoger dan de subsidie die de gemeente op basis van artikel 154 ontvangt;
2° de werkingssubsidie die toegekend wordt op basis van artikel 154 wordt stopgezet vanaf het jaar dat het intergemeentelijke samenwerkingsverband een werkingssubsidie ontvangt.
Art. 162. Om in aanmerking te komen voor een werkingssubsidie moet een samenwerkingsverband van gemeenten voldoen aan de volgende voorwaarden :
1° in het Vlaamse Gewest liggen;
2° beschikken over rechtspersoonlijkheid in overeenstemming met het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking;
3° een werkingsgebied hebben van omliggende gemeenten van ten minste 50.000 inwoners;
4° een aanvraag indienen die afgestemd is op de strategische meerjarenplanning van de deelnemende gemeenten en waarvan lokale belanghebbenden betrokken werden bij de opmaak ervan;
5° het intergemeentelijke samenwerkingsverband of de betrokken gemeenten delen collectiebeherende organisaties op het grondgebied, die over een kwaliteitslabel beschikken als vermeld in dit decreet, in bij het lokale niveau op basis van de criteria die het intergemeentelijke samenwerkingsverband of de betrokken gemeente hiertoe bepaalt in uitvoering van het protocol, vermeld in artikel 5, en op basis van de bepalingen voor indeling, vermeld in artikel 19;
6° het intergemeentelijke samenwerkingsverband of de betrokken gemeenten ondersteunen de collectiebeherende organisaties op het grondgebied die ingedeeld zijn bij het lokale niveau.
Een gemeente mag slechts deel uitmaken van één intergemeentelijk samenwerkingsverband van gemeenten voor een werkingssubsidie, vermeld in artikel 159.
Art. 163. Volgende criteria zijn van toepassing voor de toekenning en de bepaling van het bedrag van een werkingssubsidie :
1° het belang van het aanwezige cultureel erfgoed en de cultureel-erfgoedactoren op het grondgebied;
2° de kwaliteit van de visie op en de doelstellingen van een geļntegreerd en integraal lokaal cultureel-erfgoedbeleid;
3° de wijze waarop dat beleid uitgevoerd zal worden door :
a) expertise te ontwikkelen en ter beschikking te stellen met het oog op een betere zorg voor en ontsluiting van het cultureel erfgoed;
b) lokale cultureel-erfgoedactoren te ondersteunen;
c) de verschillende cultureel-erfgoedgemeenschappen op het grondgebied te betrekken bij het lokale cultureel-erfgoedbeleid;
4° de inspanningen op het vlak van duurzaamheid en maatschappelijke en culturele diversiteit;
5° de kwaliteit van het zakelijke beheer en de haalbaarheid en het realiteitsgehalte van de begroting; de noodzaak voor een werkingssubsidie dient aangetoond te worden in de begroting, rekening houdend met de eigen ontvangsten uit de werking;
6° de inbreng van middelen door de deelnemende gemeenten in het lokale cultureel-erfgoedbeleid.
De Vlaamse Regering kan de criteria nader bepalen.
Art. 164. De bevoegde beoordelingscommissie, opgericht op basis van artikel 180, onderzoekt of de aanvrager beantwoordt aan de voorwaarden en toetst de aanvraag aan de criteria. De bevoegde beoordelingscommissie stelt op basis hiervan een advies op over de toekenning van een werkingssubsidie.
De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst stelt op basis van dat advies een ontwerp van beslissing op.
Art. 165. De Vlaamse Regering beslist over de toekenning en het bedrag van de werkingssubsidie.
Art. 166. De werkingssubsidie bedraagt :
1° ten minste 150.000 euro per jaar voor samenwerkingsverbanden met een werkingsgebied van ten minste 50.000 inwoners;
2° ten minste 200.000 euro per jaar voor samenwerkingsverbanden met een werkingsgebied van ten minste 70.000 inwoners;
3° ten minste 300.000 euro per jaar voor samenwerkingsverbanden met een werkingsgebied van ten minste 120.000 inwoners.
Art. 167. De Vlaamse Regering sluit een cultureel-erfgoedconvenant met een intergemeentelijk samenwerkingsverband waaraan ze een werkingssubsidie toekent.
Art. 168. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de aanvraag en het sluiten van het cultureel-erfgoedconvenant.
Afdeling 4. - Het subsidiėren van een lokaal cultureel-erfgoedbeleid voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad
Art. 169. De Vlaamse Regering kent een werkingssubsidie toe aan de Vlaamse Gemeenschapscommissie voor de uitvoering van een lokaal cultureel-erfgoedbeleid.
Art. 170. De doelstelling van de werkingssubsidie, vermeld in artikel 169, is het stimuleren van een lokaal cultureel-erfgoedbeleid. Daarbij wordt ingezet op :
1° de zorg voor en de ontsluiting van lokaal cultureel erfgoed, vanuit een integrale en geļntegreerde visie;
2° de ontwikkeling en uitwisseling van kennis en expertise binnen het lokale cultureel-erfgoedveld;
3° de ontwikkeling en uitwisseling van geļntegreerde cultureel-erfgoedpraktijken, in overleg met andere gemeenten zoals vermeld in artikel 154 en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, en gecoördineerd door het steunpunt;
4° het vergroten van het maatschappelijk draagvlak voor cultureel erfgoed;
5° het ontwikkelen van een depotbeleid voor het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, dat tegemoetkomt aan de behoeften van de lokale besturen, de Nederlandstalige cultureel-erfgoedorganisaties en het cultureel erfgoed dat aanwezig is op het grondgebied.
De werkingssubsidie wordt toegekend voor :
1° de werking van een cultureel-erfgoedcel die met eigen personeels- en werkingsmiddelen een initiėrende, coördinerende en ondersteunende rol opneemt ten opzichte van de relevante cultureel-erfgoedactoren op het grondgebied;
2° andere vormen van ondersteuning van lokale cultureel-erfgoedactoren, dan vermeld in 1°.
Art. 171. De beleidsperiode slaat op een periode van maximaal vijf jaar, die eindigt op 31 december van het tweede volledige jaar van de legislatuur van het Vlaams Parlement.
Art. 172. Om in aanmerking te komen voor een werkingssubsidie, moet de Vlaamse Gemeenschapscommissie een aanvraag opstellen voor de beleidsperiode, in overleg met de lokale besturen en belanghebbenden van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
Art. 173. Volgende criteria zijn van toepassing voor het toekennen van een jaarlijkse subsidie :
1° het belang van het aanwezige cultureel erfgoed en de cultureel-erfgoedactoren op het grondgebied;
2° de kwaliteit van de visie op en de doelstellingen van een geļntegreerd en integraal lokaal cultureel-erfgoedbeleid;
3° de wijze waarop dat beleid uitgevoerd zal worden door :
a) expertise te ontwikkelen en ter beschikking te stellen met het oog op een betere zorg voor en ontsluiting van het cultureel erfgoed;
b) lokale cultureel-erfgoedactoren te ondersteunen;
c) de verschillende cultureel-erfgoedgemeenschappen op het grondgebied te betrekken bij het lokale cultureel-erfgoedbeleid;
4° de inspanningen op het vlak van duurzaamheid en maatschappelijke en culturele diversiteit;
5° de kwaliteit van het zakelijke beheer en de haalbaarheid en het realiteitsgehalte van de begroting;
6° de inbreng van middelen door de Vlaamse Gemeenschapscommissie in het lokale cultureel-erfgoedbeleid.
De Vlaamse Regering kan de criteria nader bepalen.
Art. 174. De bevoegde beoordelingscommissie, opgericht op basis van artikel 180, onderzoekt of de aanvrager beantwoordt aan de voorwaarden en toetst de aanvraag aan de criteria. De bevoegde beoordelingscommissie stelt op basis hiervan een advies op over de toekenning van een werkingssubsidie.
De door de Vlaamse Regering aangewezen dienst stelt op basis van dat advies een ontwerp van beslissing op.
Art. 175. De Vlaamse Regering beslist over de toekenning en het bedrag van de werkingssubsidie.
Art. 176. De Vlaamse Regering sluit een cultureel-erfgoedconvenant met de Vlaamse Gemeenschapscommissie over de uitvoering van het lokale cultureel-erfgoedbeleid.
Art. 177. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de aanvraag en het sluiten van het cultureel-erfgoedconvenant.
HOOFDSTUK 8. - Organisatie van de advisering
Afdeling 1. - De visitatiecommissies
Art. 178. Rekening houdend met het protocol, vermeld in artikel 5, stelt de Vlaamse Regering een pool van deskundigen samen. Uit die pool worden de visitatiecommissies samengesteld met het oog op de toekenning van het kwaliteitslabel, vermeld in artikel 12.
Afdeling 2. - De adviescommissie cultureel erfgoed en de beoordelingscommissies
Art. 179. § 1. De Vlaamse Regering richt een adviescommissie op voor de kwaliteitsbeoordeling inzake het beleidsveld cultureel erfgoed.
§ 2. De kerntaken van de adviescommissie zijn :
1° toezien op een kwaliteitsvolle organisatie van de interne werking van de beoordelingscommissies van het beleidsveld;
2° beleidsgericht advies formuleren op basis van de kwaliteitsbeoordeling in de beoordelingscommissies van het beleidsveld;
3° kwaliteitsbeoordeling van transversale dossiers als die niet worden behandeld door een beoordelingscommissie.
§ 3. De leden van de adviescommissie hebben een totaalvisie op het beleidsveld. De adviescommissie wordt samengesteld uit deskundigen uit de verschillende onderdelen van het beleidsveld.
De leden van de beoordelingscommissies kunnen lid zijn van de adviescommissie.
Art. 180. De Vlaamse Regering richt beoordelingscommissies op voor het kwalitatieve, inhoudelijke advies over indelings- en subsidieaanvragen. Die beoordelingscommissies worden samengesteld voor onderdelen van het beleidsveld cultureel erfgoed of voor transversale beleidsaspecten.
Voor de beoordeling van de instellingen van de Vlaamse Gemeenschap die ze niet zelf beheert kan de Vlaamse Regering afzonderlijke beoordelingscommissies oprichten. Die commissies worden samengesteld uit drie leden van de betrokken reguliere beoordelingscommissie en drie buitenlandse experts. De voorzitter van de adviescommissie is ook de voorzitter van die afzonderlijke beoordelingscommissies.
De leden van de beoordelingscommissies worden aangesteld omwille van hun expertise over of betrokkenheid bij het te beoordelen onderdeel van het beleidsveld. De beoordelingscommissies worden op evenwichtige wijze samengesteld uit leden die de verschillende aspecten van het te beoordelen onderdeel van het beleidsveld vertegenwoordigen.
Een persoon kan slechts lid zijn van één beoordelingscommissie die wordt samengesteld voor onderdelen van het beleidsveld cultureel erfgoed of voor transversale beleidsaspecten.
Art. 181. Het lidmaatschap van een adviescommissie of een beoordelingscommissie is onverenigbaar met een mandaat in het Europees Parlement, de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, het Vlaams Parlement en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, met het ambt van minister, staatssecretaris en kabinetslid, met de hoedanigheid van personeelslid in dienst van de Vlaamse Gemeenschap of in dienst van instellingen van de Vlaamse overheid, dat in het kader van zijn functie betrokken is bij de uitvoering van dit decreet, met de hoedanigheid van personeelslid van het Vlaams Parlement, en van personeelslid en lid van de raad van bestuur van het steunpunt en van belangenbehartigers uit de betreffende sector. Die personen kunnen wel op uitnodiging van de betreffende adviescommissie of beoordelingscommissie met raadgevende stem deelnemen aan de vergaderingen.
Art. 182. De Vlaamse Regering bepaalt de algemene procedure voor de beoordeling van de dossiers.
De Vlaamse Regering voorziet, binnen de perken van de door het Vlaams Parlement goedgekeurde kredieten, een bedrag waarmee de werkzaamheden van de adviescommissie en de beoordelingscommissies kunnen worden vergoed.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de samenstelling, de aanstelling en het ontslag van de leden van de adviescommissie en de beoordelingscommissies, alsook de vergoeding.
HOOFDSTUK 9. - Gemeenschappelijke bepalingen
Art. 183. De subsidies, vermeld in dit decreet, worden toegekend binnen de perken van de door het Vlaams Parlement goedgekeurde kredieten.
Art. 184. De in dit decreet bepaalde subsidies worden in de vorm van voorschotten beschikbaar gesteld. De Vlaamse Regering bepaalt hoe de voorschotten berekend en uitbetaald worden.
Art. 185. De werkingssubsidies, opgenomen onder hoofdstuk 4 en hoofdstuk 7, en het subsidiebedrag van 35.500 euro, vermeld in artikel 138 en 150, worden jaarlijks gekoppeld aan het prijsindexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
Voor het gedeelte werkingskosten van de werkingssubsidie, vermeld in het eerste lid wordt het prijsindexcijfer beperkt tot 75 percent tenzij een ander percentage door de Vlaamse Regering wordt bepaald.
Art. 186. Organisaties die een subsidie ontvangen, vermeld in hoofdstuk 4, hoofdstuk 6 of hoofdstuk 7 moeten in alle gedrukte en digitale communicatie, bij elke mededeling, verklaring, publicatie en presentatie in het kader van de cultureel-erfgoedwerking de steun van de Vlaamse Gemeenschap vermelden door de standaardlogo's en de bijbehorende tekst en baselines te gebruiken die zijn vastgesteld door de Vlaamse Regering.
Organisaties die een projectsubsidie ontvangen vermeld in hoofdstuk 5, moeten in alle gedrukte en digitale communicatie, bij elke mededeling, verklaring, publicatie en presentatie die verband houdt met het project waarvoor een projectsubsidie is toegekend, de steun van de Vlaamse overheid vermelden door de standaardlogo's en de bijbehorende tekst en baselines te gebruiken die zijn vastgelegd door de Vlaamse Regering.
Art. 187. Ten minste één gemeente en ten minste één provincie kunnen gezamenlijk toetreden tot een rechtspersoon, als vermeld in de wet van 27 juli 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, of deelnemen aan de oprichting ervan, voor het beheer van een cultureel-erfgoedorganisatie die op basis van dit decreet een werkingssubsidie aanvraagt.
De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om met betrekking tot de instellingen van de Vlaamse Gemeenschap die ze zelf beheert, aangewezen op basis van hoofdstuk 3, afdeling 4, toe te treden tot of mee te werken aan de oprichting van een rechtspersoon als vermeld in het eerste lid.
Ook andere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen mogen deel uitmaken van de rechtspersonen, vermeld in het eerste lid.
Gemeenten, provincies of de Vlaamse Gemeenschap mogen statutair personeel van de gemeente, de provincie of de Vlaamse Gemeenschap ter beschikking stellen en infrastructuur overdragen aan de rechtspersoon, vermeld in het eerste lid.
Als de rechtspersoon, vermeld in het eerste lid binnen drie jaar na de oprichting op basis van dit decreet geen werkingssubsidie ontvangt of aangeduid is als instelling van de Vlaamse Gemeenschap, wordt de rechtspersoon van rechtswege ontbonden.
HOOFDSTUK 10. - Slotbepalingen
Afdeling 1. - Opheffingsbepalingen
Art. 188. Het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008, gewijzigd bij het decreet van 13 maart 2009 en het decreet van 18 december 2009 wordt opgeheven.
Afdeling 2. - Overgangsbepalingen
Art. 189. Het protocol met de representatieve organisaties die de belangen behartigen van de Vlaamse provincies, steden en gemeenten dat gesloten is op basis van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008 blijft van kracht totdat het afloopt of vervangen wordt door een nieuw protocol op basis van artikel 5.
Art. 190. Collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties die beschikken over een kwaliteitslabel op basis van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008 behouden dat kwali- teitslabel onder de voorwaarden vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 2.
Art. 191. Het erkenningsteken dat ter uitvoering van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008 door de Vlaamse Regering bepaald werd, blijft van toepassing voor de uitvoering van artikel 16, tweede lid, zolang er geen nieuw erkenningsteken bepaald wordt.
Art. 192. Collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties die aangeduid zijn als instelling van de Vlaamse Gemeenschap op basis van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008 behouden die aanduiding onder de voorwaarden vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 3.
Art. 193. Collectiebeherende cultureel-erfgoedorganisaties die ingedeeld zijn bij het Vlaamse niveau op basis van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008 behouden die indeling bij het Vlaamse niveau onder de voorwaarden vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 3, van dit decreet.
Art. 194. Organisaties waaraan een werkingssubsidie werd toegekend op basis van titel II, hoofdstuk I, titel II, hoofdstuk II, afdeling III, of titel II, hoofdstuk III, van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008 behouden die werkingssubsidie onder de voorwaarden vermeld in hoofdstuk 4 van dit decreet.
Art. 195. Organisaties waaraan een projectsubsidie is toegekend op basis van titel II, hoofdstuk V, van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008 behouden die projectsubsidie onder de voorwaarden vermeld in hoofdstuk 5 van dit decreet.
Art. 196. Provincies, gemeenten of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden waaraan een werkingssubsidie is toegekend op basis van titel II, hoofdstuk IV, van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008, behouden die werkingssubsidie tot een nieuwe beleidsperiode start op basis van dit decreet.
De werkingssubsidie, vermeld in het eerste lid, blijft toegekend onder de voorwaarden vermeld in het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008.
Art. 197. Provincies waaraan een werkingssubsidie is toegekend op basis van titel II, hoofdstuk IV, onderafdeling I, van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008, ontvangen, als ze de eerste keer een aanvraag indienen op basis van artikel 150 van dit decreet, ten minste dezelfde werkingssubsidie als ze in 2012 ontvangen hebben op basis van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008.
Art. 198. Gemeenten of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden waaraan een werkingssubsidie is toegekend op basis van titel II, hoofdstuk IV, onderafdeling II, van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008, ontvangen, als ze de eerste keer een aanvraag indienen op basis van artikel 154 of 159 van dit decreet, ten minste dezelfde werkingssubsidie als zij in 2012 ontvangen hebben op basis van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008 voor de doelstellingen, vermeld in artikel 67, § 2, 1° en 3°, van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008, exclusief verhogingen op basis van artikel 120 en 121 op basis van het Cultureel-erfgoeddecreet van 2008.
Voor intergemeentelijke samenwerkingsverbanden geldt daarbij als voorwaarde dat het intergemeentelijke samenwerkingsverband bestaat uit : ofwel ten minste een gemeente die individueel ondersteund werd voor het lokale cultureel-erfgoedbeleid, ofwel ten minste dezelfde gemeenten, ofwel dat het beschikt over een werkingsgebied van ten minste evenveel inwoners.
Art. 199. De Vlaamse Gemeenschapscommissie waaraan een werkingssubsidie is toegekend op basis van titel II, hoofdstuk IV, van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008 behoudt die werkingssubsidie onder de voorwaarden vermeld in hoofdstuk 7, afdeling 4, van dit decreet.
Art. 200. Organisaties die op basis van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008 aan- geduid zijn als behorend tot de cultureel-erfgoedsector voor de uitvoering van de bepalingen over de aanvullende subsidies voor tewerkstelling, behouden die aanduiding voor de uitvoering van hoofdstuk 6 van dit decreet.
Art. 201. Organisaties waaraan op basis van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008 een aanvullende subsidie voor tewerkstelling van vervangers van geregulariseerde DAC'ers is toegekend, behouden die subsidie onder de voorwaarden vermeld in hoofdstuk 6 van dit decreet.
Art. 202. Musea en verenigingen die een periodieke publicatie uitgeven over volkscultuur en geschiedenis, waaraan op basis van artikel 120 of 121 van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008 een subsidie is toegekend tot en met 2014 behouden deze subsidie onder de voorwaarden zoals bepaald in het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008.
Als een dergelijk museum of vereniging op het grondgebied ligt van een gemeente of intergemeentelijk samenwerkingsverband dat een werkingssubsidie ontvangt voor het lokaal cultureel-erfgoedbeleid, wordt de subsidie, vermeld in het eerste lid, toegevoegd aan de werkingssubsidie voor het lokaal cultureel-erfgoedbeleid.
Art. 203. Met behoud van de toepassing van artikel 190 en 194 van dit decreet worden aanvragen voor een kwaliteitslabel, een indeling bij het Vlaamse niveau of een werkingssubsidie op basis van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008, waarvan de uiterlijke indiendatum zich situeert voor 1 december 2012, behandeld conform de procedure, voorwaarden en criteria vermeld in het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008.
Art. 204. Met behoud van de toepassing van artikel 195 worden aanvragen voor een projectsubsidie op basis van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008, waarvan de uiterlijke indiendatum zich situeert voor 1 april 2013, behandeld conform de procedure, voorwaarden en criteria vermeld in het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008.
Art. 205. De pool van deskundigen voor het samenstellen van een visitatiecommissie, de adviescommissie en de beoordelingscommissies die aangesteld zijn op basis van het Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008 behouden die aanstelling voor de toepassing van hoofdstuk 8 van dit decreet, voor de duur waarvoor deze aanstelling was verleend.
De duur van de aanstelling, vermeld in het eerste lid kan vroegtijdig ingekort worden, door op basis van dit decreet een nieuwe pool van deskundigen, adviescommissie of beoordelingscommissie samen te stellen die de werking van de in het eerste lid vermelde pool van deskundigen, adviescommissie of beoordelingscommissie overneemt.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 6 juli 2012.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur,
J. SCHAUVLIEGE
_______
Nota
(1) Zitting 2011-2012
Stukken. - Ontwerp van decreet + Erratum : 1588 - Nr. 1.
- Advies parlementaire commissie + Erratum : 1588 - Nr. 2
- Amendementen : 1588 - Nr. 3 en 4
- Verslag over hoorzitting : 1588 - Nr. 5
- Verslag : 1588 - Nr. 6
- Amendementen : 1588 - Nr. 7
- Tekst aangenomen door de plenaire vergadering : 1588 - Nr. 8
Handelingen. - Bespreking en aanneming : Vergaderingen van 27 juni 2012.


begin

Publicatie : 2012-09-03