einde

Publicatie : 2009-08-04

Beeld van de publicatie
MINISTERIE VAN DE DUITSTALIGE GEMEENSCHAP

11 MEI 2009. - Decreet over het centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften ter bevordering van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de gewone scholen en de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften evenals ter ondersteuning van de bevordering van de ontwikkeling van leerlingen met een beperking, aanpassings- of leermoeilijkheden in de gewone scholen en de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften



Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen wat volgt :
TITEL I. - Algemene bepalingen
Artikel 1. Toepassingsgebied
Voorliggend decreet is van toepassing op de het gewone onderwijs en het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften dat door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd wordt.
Art. 2. Hoedanigheden
De hoedanigheden in voorliggend decreet gelden voor beide geslachten.
Art. 3. Meerderjarigheid
Vanaf de dag waarop een leerling meerderjarig wordt, gelden de in dit decreet vastgelegde rechten en plichten van de personen belast met de opvoeding ten aanzien van de leerling. Elke minderjarige leerling heeft het recht overeenkomstig zijn beoordelingsvermogen zijn mening in de betrokken aangelegenheid te uiten.
Art. 4. Definities
Voor de toepassing van dit decreet verstaat men onder :
1. Gewone school : Onderwijs- en opvoedingsinrichting van het gewoon onderwijs die onder de leiding van een inrichtingshoofd staat en waarin de leerlingen onderwezen worden volgens een studieprogramma dat door de Regering werd vastgelegd of goedgekeurd, waarbij de onderwijsdoelstellingen voor leerlingen met speciale onderwijsbehoeften behoeften kunnen worden aangepast;
2. School voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften Onderwijs- en opvoedingsinrichting van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften die onder de leiding van een inrichtingshoofd staat en waarin de leerlingen geheel of gedeeltelijk worden onderwezen volgens een studieprogramma dat door de Regering werd vastgelegd of goedgekeurd;
3. Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften : Fusie van de door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerde scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften tot een organisatorische en pedagogische eenheid die tot de verantwoordelijkheid van het gemeenschapsonderwijs behoort;
4. Plaats van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften Gewone school of school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften waar de leerling onderwijs voor leerlingen met speciale behoeften krijgt;
5. Inrichtende macht : Natuurlijke of rechtspersoon die voor de inrichting, de organisatie en het beheer van een of meer scholen verantwoordelijk is en die voor het onderhoud van de school eigen prestaties levert;
6. Personen belast met de opvoeding : Personen die krachtens de wet of een gerechtelijke beslissing het ouderlijke gezag over het kind of de jongere uitoefenen;
7. Integratieproject : Scolarisatie van een leerling met specifieke onderwijsbehoeften in de gewone school met gebruik van individueel vastgelegde personeels-, materiële en voor speciale onderwijsbehoeften bestemde didactische middelen;
8. Betrekkingenpakket : Aantal betrekkingen waarover een school beschikt;
9. Maatregelen op het vlak van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften : Differentiërende en individualiserende onderwijs- en opvoedingsmaatregelen die aan de respectieve speciale onderwijsbehoefte van een leerling beantwoorden;
10. Bevordering van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften : Stimulering van leerlingen met speciale onderwijsbehoeften volgens een individueel speciaal onderwijsplan in scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften of in gewone scholen. Zij heeft tot doel leerlingen met een beperking, met aanpassings- of leermoeilijkheden bij het leren van schoolse, sociale en maatschappelijke vaardigheden te helpen en te stimuleren. Zij biedt de leerlingen hulp en oriëntering bij de overname van waarden, instellingen en houdingen.
TITEL II. - Het Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
HOOFDSTUK I. - Inrichting en opdrachten
Art. 5. Inrichting
Onder de naam "Zentrum für Förderpädagogik" ("Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften") wordt een dienst met een afzonderlijke directie opgericht. Daartoe fuseren in het gemeenschapsonderwijs de Basisschool voor Gedifferentieerd Onderwijs van Elsenborn - Sankt Vith en het Instituut voor Buitengewoon Onderwijs van de Duitstalige Gemeenschap in Eupen.
Het Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften bestaat uit een afdeling basisonderwijs, een afdeling secundair onderwijs en een internaat.
Art. 6. Opdrachten
Het Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften staat samen met de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften van het onderwijs dat door Duitstalige Gemeenschap wordt georganiseerd en gesubsidieerd in voor de organisatie van het basisonderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de Duitstalige Gemeenschap. Het neemt in het bijzonder de volgende opdrachten waar :
1. Verstrekken van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften op basis- en secundair niveau van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften;
2. Coördinatie van de stimuleringsmaatregelen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de integratieprojecten;
3. Bijstand en advisering bij de opstelling van individuele plannen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften;
4. Beschikbaarstelling van vakpersoneel voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de gewone scholen;
5. Advisering en begeleiding van de gewone scholen en van de Centra voor de Opleiding en de Voortgezette Opleiding in de Middenstand en de kmo's op het vlak van aangelegenheden inzake het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften;
6. Bijstand bij de uitbreiding van de methodisch-didactische, pedagogische en psychologische competenties van de gewone scholen en van de Centra voor de Opleiding en de Voortgezette Opleiding in de Middenstand en de kmo's op het vlak van de bevordering van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften;
7. Bijstand bij de integratie in het arbeidsproces van leerlingen en organisatie van geďntegreerde stages in de ondernemingen.
Voor het vervullen van die opdrachten werkt het Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften samen met alle partners die op het vlak van de bevordering van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften actief zijn, inzonderheid met de Dienst voor Personen met een Handicap.
HOOFDSTUK II. - Adviescomité
Art. 7. Oprichting van het adviescomité
§ 1. Er wordt een adviescomité opgericht dat als volgt samengesteld is :
1. een vertegenwoordiger van het gemeenschapsonderwijs;
2. een vertegenwoordiger van het gesubsidieerd vrij onderwijs;
3. een vertegenwoordiger van het gesubsidieerd officieel onderwijs;
4. een vertegenwoordiger van het Bestuur voor Onderwijs respectievelijk van de voor sociale zaken bevoegde afdeling van het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap;
5. een vertegenwoordiger van een erkende inrichting die op het vlak van het onderzoek inzake onderwijs aan en de voortgezette opleiding van leerlingen met speciale behoeften actief is;
6. een vertegenwoordiger van het psycho-medisch-sociaal centrum van het gemeenschapsonderwijs respectievelijk van het gesubsidieerd vrij onderwijs en van het gesubsidieerd officieel onderwijs;
7. een vertegenwoordiger van de Dienst voor Personen met een Handicap;
8. een vertegenwoordiger van een instelling van openbaar nut die in de sector onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de Duitstalige Gemeenschap actief is en die de belangen van de personen belast met de opvoeding behartigt;
9. een vertegenwoordiger van de werkgeversorganisaties in de Duitstalige Gemeenschap;
10. een vertegenwoordiger van de werknemersorganisaties in de Duitstalige Gemeenschap;
11. een vertegenwoordiger van de Autonome Hogeschool van de Duitstalige Gemeenschap;
12. een vertegenwoordiger van het Instituut voor Opleiding en Voortgezette Opleiding in de Middenstand en de kmo's;
13. een vertegenwoordiger van het technisch en beroepsonderwijs;
14. een vertegenwoordiger van het Arbeitsamt (Dienst voor Arbeidsbemiddeling) van de Duitstalige Gemeenschap.
De directeur van het Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften is voorzitter van het adviescomité. De departementshoofden van het Centrum voor Onderwijs aan Leerlingen met Speciale Behoeften nemen met adviserende stem aan de vergaderingen deel.
§ 2. Voor elk in § 1, eerste lid, vermelde werkende lid wordt een vervangend lid aangesteld.
De leden en vervangende leden van het adviescomité worden door de Regering voor een termijn van vijf jaar aangewezen.
§ 3. Het adviescomité kan andere personen met adviserende stem voor zijn vergaderingen uitnodigen.
Art. 8. Opdrachten van het adviescomité
Het adviescomité neemt de volgende opdrachten waar :
1. Advisering van de Regering en de directie van het Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften inzake alle algemene vraagstukken van de bevordering van het onderwijs en in het bijzonder van de bevordering van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de Duitstalige Gemeenschap.
2. Opstellen van adviezen over vraagstukken van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften op verzoek van de Regering of op eigen initiatief;
3. Initiëren van een breed opgevatte maatschappelijke dialoog over alle aspecten van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de Duitstalige Gemeenschap.
Art. 9. Werkwijze van het adviescomité
§ 1. De directeur van het Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften belegt de vergaderingen op eigen initiatief of op schriftelijk verzoek van een lid van het adviescomité. Hij stelt de agenda op.
§ 2. Het adviescomité werkt zijn eigen huishoudelijk reglement uit en legt dit ter goedkeuring aan de Regering voor.
§ 3. De bij toepassing van artikel 8, punt 2, opgestelde adviezen van het Adviescomité worden bij gewone meerderheid van stemmen gegeven.
Alle leden van het Adviescomité - met uitzondering van de directeur en het departementshoofd van het Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften - zijn stemgerechtigd.
Met onthoudingen bij de stemming wordt geen rekening gehouden.
Indien de minderheid daarom verzoekt, wordt haar standpunt als bijlage bij het advies gevoegd.
§ 4. Het Adviescomité komt minstens twee keer per schooljaar samen.
§ 5. Bij toepassing van het besluit van de Regering van 12 juli 2001 tot harmonisatie van het presentiegeld en van de reisvergoedingen in instellingen en raden van beheer van de Duitstalige Gemeenschap ontvangen de werkende leden en de plaatsvervangende leden van het Adviescomité presentiegeld en reiskostenvergoedingen ten laste van de begroting van het Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
HOOFDSTUK III. - Pedagogische Raad
Art. 10. Samenwerking met het Adviescomité
Onverminderd artikel 51 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon en het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften houdt de Pedagogische Raad van het Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in het kader van zijn activiteiten rekening met de adviezen en aanbevelingen van het Adviescomité van het Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en informeert het dit laatste over de actuele ontwikkelingen.
Art. 11. Deelname van de departementshoofden aan de vergaderingen van de Pedagogische Raad
Onverminderd artikel 49, eerste lid, van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon en het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften zijn de departementshoofden lid van de Pedagogische Raad, die bij het Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften wordt ingesteld.
HOOFDSTUK IV. - Urenpakket
Art. 12. Berekening
Onverminderd artikel 5quater, 44.1, 53ter en 53quater van het decreet van 27 juni 1990 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het personeel voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften worden bepaald, komt het urenpakket voor onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel evenals van het psychosociaal personeel van het Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften vanaf de inwerkingtreding van het decreet voor een termijn van vijf jaar overeen met de som van het urenpakket dat het Instituut van de Duitstalige Gemeenschap voor Buitengewoon Onderwijs en de basisschool voor gedifferentieerd onderwijs in het schooljaar 2008-2009 bij toepassing van artikel 5ter, 34 en 53quater van hetzelfde decreet van 27 juni 1990 toekent.
Voor verstrijken van de in het eerste lid vermelde tijdsspanne analyseert de Regering de behoefte aan een opstelling van een nieuw systeem voor de berekening van het urenpakket.
Art. 13. Schoolleiding
De artikelen 9 en 10 van hetzelfde decreet van 27 juni 1990 zijn niet van toepassing op het Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
Art. 14. Departementshoofd
De in artikel 24 van hetzelfde decreet van 27 juni 1990 voorziene derde betrekking van departementshoofd wordt in het Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften vanaf 1 september 2010 georganiseerd.
Art. 15. Correspondent-boekhouder
Onverminderd de artikelen 30 en 31 van hetzelfde decreet van 27 juni 1990 worden bij het Centrum voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften voor het ambt van correspondent-boekhouder 15 bijkomende uren ingesteld. Zodra uren voor hetzelfde ambt in de betrokken school open worden verklaard, worden de krachtens onderhavig artikel bijkomend ingestelde uren verminderd met het aantal open verklaarde uren.
TITEL III. - Verbetering van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de gewone scholen en de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
Art. 16. Onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de gewone school en de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
In het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor de gewone scholen en de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften wordt een hoofdstuk VIIIbis ingevoegd dat de artikelen 93.1 tot en met 93.32 bevat en dat als volgt luidt :
"Hoofdstuk VIIIbis - Onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de gewone school en de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
Afdeling 1. - Principe van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
Artikel 93.1 Doelstelling en organisatie
Het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften heeft tot taak de leerlingen met een beperking, met aanpassings- of leermoeilijkheden in staat te stellen op een zelfstandige en gemeenschappelijke manier te leven, te leren en te handelen, rekening houdend met hun individuele mogelijkheden. Ze ondersteunt en stimuleert deze leerlingen bij het leren van schoolse, sociale en maatschappelijke vaardigheden en biedt hen hulp en oriëntatie bij de overname van waarden, instellingen en houdingen.
Tot de in het eerste lid vermelde waarden behoren :
1. Gelijkwaardigheid-evenwaardigheid ondanks de verscheidenheid;
2. Solidariteit;
3. Vinden van een eigen identiteit.
Het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften omvat de bevordering van leerlingen met een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften volgens een individueel onderwijsplan in scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften of in gewone scholen.
De omvang en de inhoud van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften worden vastgelegd op basis van de individuele speciale onderwijsbehoeften evenals de personeels-, materiële en organisatorische kadervoorwaarden. Deze kadervoorwaarden zijn samen met de individuele behoeften van de leerling bepalend voor het vastleggen van de plaats van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften. Het gaat hierbij dan om de plaats waar het snelst en het best aan de behoeften van het kind kan worden voldaan en waar het zijn vakgerichte en vakoverstijgende competenties en ontwikkelingsdoeleinden het beste kan ontwikkelen.
Afdeling 2. - Procedure voor de vaststelling van de behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften
Onderafdeling 1. - Algemeen
Artikel 93.2. Definitie
Er is sprake van een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften, wanneer met de middelen van de algemene pedagogische maatregelen niet aan deze behoefte kan worden voldaan. Dit is het geval, wanneer de beperking van het kind of de jongere van dien aard is, dat intensieve maatregelen voor de bevordering van de ontwikkeling en het onderwijs opleiding noodzakelijk zijn en wanneer de aard van de beperking speciale maatregelen vereist waarvoor leraren, therapeuten en verzorgingsvakpersoneel met een navenante vakopleiding vereist zijn.
Artikel 93.3 Advisering van de personen belast met de opvoeding
§ 1. De personen belast met de opvoeding hebben recht op een objectieve, professionele en uitvoerige advisering en begeleiding, in het bijzonder gedurende de periode voorafgaand aan de indiening van het verzoek en tijdens de vastleggingsprocedure.
§ 2. Het adviseren gebeurt in eerste instantie door de schoolleiding van de school die het kind bezoekt of door de schoolleiding van de school waar de personen belast met de opvoeding het kind of de jongeren willen inschrijven.
De personen belast met de opvoeding kunnen zich voor de advisering wenden tot een door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd psycho-medisch-sociaal centrum respectievelijk elke andere gekwalificeerde instelling.
§ 3. Het adviseren en informeren van de personen belast met de opvoeding door de in § 2 opgesomde instellingen over de bij het kind of de jongeren vastgestelde problemen, de maatregelen tot nu toe inzake onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften evenals de resultaten van de eventuele tests inzake onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en de verschillende mogelijkheden van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften moeten uitvoerig en objectief worden georganiseerd.
§ 4. De aanvraag tot bepaling van de behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften bevat de inlichtingen over het totale proces die voor de personen belast met de opvoeding noodzakelijk zijn. De regering bepaalt de vorm en de inhoud van die inlichtingen.
Onderafdeling 2 - Instelling van de procedure tot vaststelling van een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften
Artikel 93.4. Indienen van de aanvraag
§ 1. Indien bij een kind of een jongere een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften wordt vermoed, moet de vaststelling daarvan uiterlijk op 1 februari bij een door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd psycho-medische-sociaal centrum worden aangevraagd, wanneer in het daaropvolgende schooljaar onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften moet plaatsvinden.
Bij ziekte, ongeval of verhuizing kan de procedure tot vaststelling van de behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften ook buiten de in het eerste lid vermelde termijn worden ingesteld. De indiener van de aanvraag moet motiveren waarom hij de termijn niet naleeft.
§ 2. De aanvraag tot vaststelling van de behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften wordt door de personen belast met de opvoeding of door het inrichtingshoofd van de gewone school waar het kind of de jongeren moet worden ingeschreven of ingeschreven is, schriftelijk bij een psycho-medisch-sociaal centrum ingediend. In het tweede geval is de instemming van de personen belast met de opvoeding vereist.
§ 3. De indiening van een aanvraag vormt geen juridische aanspraak op onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
Artikel 93.5. Vorm van de aanvraag
De aanvraag voor vaststelling van de behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften wordt met redenen omkleed. Hiertoe kunnen medische, psychologische of andere attesten van deskundigen worden voorgelegd.
Indien de aanvraag door de gewone school wordt ingediend, dient zij van de schriftelijke toestemming van de personen belast met de opvoeding vergezeld te zijn.
Indien het kind of de jongere reeds naar een basis- of secundaire school gaat, moeten in de aanvraag de tot dan toe getroffen maatregelen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften worden vermeld.
Artikel 93.6. Indienen van de aanvraag door de gewone school
§ 1. Als het inrichtingshoofd van de gewone school de aanvraag tot vaststelling van de behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften wil indienen, informeert hij de personen belast met de opvoeding per aangetekend schrijven over dit voornemen, voert hiervoor de redenen aan en duidt het psycho-medisch-sociaal centrum aan waarbij de aanvraag moet worden ingediend.
§ 2. Indien de personen belast met de opvoeding het met dat voornemen eens zijn, verlenen zijn binnen een termijn van acht kalenderdagen na ontvangst van het aangetekend schrijven schriftelijk hun toestemming.
§ 3. Indien de personen belast met de opvoeding niet met het aangeduide centrum akkoord gaan, stellen zij het inrichtingshoofd van de gewone school daarover binnen een termijn van acht kalenderdagen na ontvangst van het aangetekend schrijven in kennis. Tegelijk duiden zij een ander door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd psycho-medisch-sociaal centrum aan dat de procedure voor de vaststelling dient uit te voeren.
§ 4. Indien de personen belast met de opvoeding niet binnen een termijn van acht kalenderdag na ontvangst van het aangetekend schrijven schriftelijk hun toestemming voor het starten van een procedure tot vaststelling van de behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften verlenen, mag het inrichtingshoofd van de gewone school een beroep doen op het in artikel 93.24 vermelde Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften. Hij stelt de personen belast met opvoeding hiervan in kennis.
Het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften deelt de personen belast met de opvoeding en het inrichtingshoofd van de gewone school binnen een termijn van twintig werkdagen, te rekenen vanaf de dag waarop het het beroep ontvangen heeft, per aangetekend schrijven zijn gemotiveerde beslissing mee.
Indien de personen belast met de opvoeding het niet met de beslissing van het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften eens zijn, delen zij dit schriftelijk aan de voorzitter van het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften mee binnen een termijn van veertien kalenderdagen na ontvangst van het aangetekend schrijven. Deze verwijst de zaak dan naar de bevoegde jeugdrechter.
Het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften verwijst de zaak eveneens naar de bevoegde jeugdrechter, wanneer de personen belast met de opvoeding geen gevolg geven aan de beslissing genomen door het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
Onderafdeling 3. - Vaststelling van de behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften
Artikel 93.7. Opstellen van een advies
Na ontvangst van de overeenkomstig onderafdeling 2 ingediende aanvraag stelt het psycho-medisch-sociaal centrum op basis van een multidisciplinair onderzoek een gemotiveerd advies op waarin op bindende wijze de volgende zaken worden vastgelegd :
1. Of bij de leerling een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften bestaat;
2. wat de aard van de beperking is;
3. op welke domeinen onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften moet worden verstrekt;
4. van welke aard het noodzakelijke onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften respectievelijk de therapeutische en verzorgingsmaatregelen zijn.
Indien een medisch onderzoek tot vaststelling van de lichamelijke ontwikkeling en de gezondheidstoestand werd uitgevoerd en indien het medisch verslag gegevens bevat die voor het gekwalificeerde onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en voor de gekwalificeerde therapeutische begeleiding van betekenis zijn, moeten die gegevens bij het advies inzake onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften worden gevoegd.
Artikel 93.8. Overmaken van het advies
Het psycho-medisch-sociaal centrum maakt het opgestelde advies uiterlijk op 1 april van het schooljaar dat voorafgaat aan het schooljaar waarin de maatregelen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, over aan de volgende personen :
1. De personen belast met de opvoeding;
2. Het inrichtingshoofd van de gewone school waar het kind respectievelijk de jongeren naar school gaat of volgens de wens van de ouders naar school zou willen gaan;
3. Het inrichtingshoofd van de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften waarmee de gewone school waar het kind respectievelijk de jongere naar school gaat of volgens de wens van de ouders naar school zou willen gaan, tot dan toe samengewerkt heeft.
In afwijking van het eerste lid maakt het psycho-medisch-sociaal centrum het advies niet over aan het in punt 3 vermelde inrichtingshoofd van de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, wanneer in het advies gesteld wordt dat geen behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften aanwezig is.
Artikel 93.9. Gevolgen van het advies
Wordt in het advies gesteld dat een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften aanwezig is, dan heeft men in het kader van de ter beschikking staande middelen voor speciale behoeften recht op onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften. Daardoor kan men echter geen aanspraak maken op een bepaald aantal uren onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften respectievelijk op de terbeschikkingstelling van middelen voor speciale behoeften op een bepaalde plaats.
Indien een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften werd vastgesteld, verzoeken de personen belast met de opvoeding op grond van het advies een inschrijving van hun kind in een school voor onderwijs aan leerlingen met speciale behoeften of in een gewone school.
Artikel 93.10. Controle van de behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften
Onverminderd de artikelen 93.4, 93.5 en 93.6 kan worden verzocht om de noodzaak van de behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften te laten nagaan door een psycho-medisch-sociaal centrum dat door de Duitstalige Gemeenschap wordt georganiseerd of gesubsidieerd.
Onverminderd de artikelen 93.4, 93.5 en 93.6 moet bij leerlingen die de basisschool afgesloten hebben de behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften worden nagegaan, alvorens het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in een gewone school of een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften kan plaatsvinden.
Afdeling 3. - Inschrijving in een gewone school
Artikel 93.11. Belegging van een Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
Indien de personen belast met de opvoeding wensen dat het kind respectievelijk de jongere bij wie een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften werd vastgesteld, in een gewone school wordt ingeschreven, belegt het inrichtingshoofd van de gewone school waar de personen belast met de opvoeding hun kind wensen in te schrijven of waar hun kind naar school gaat na ontvangst van het door het psycho-medisch-sociaal centrum opgestelde advies een Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
Artikel 93.12. Samenstelling van de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
§ 1. Zijn lid van de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften :
1. De personen belast met de opvoeding;
2. Het inrichtingshoofd van de gewone school;
3. De leraar secundair onderwijs, de leraar lager onderwijs of de kleuteronderwijzer die aan het hoofd van de respectieve klas van de gewone school staat;
4. Het inrichtingshoofd van de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften waarmee de gewone school samenwerkt of diens gevolmachtigde vertegenwoordiger;
5. Een lid van het onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel respectievelijk van het psychosociaal personeel van diezelfde school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
Het inrichtingshoofd van de gewone school is voorzitter van de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
§ 2. Op verzoek van het inrichtingshoofd van de gewone school kunnen maximaal twee vertegenwoordigers van het Bestuur voor Onderwijs met adviserende stem aan de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften deelnemen.
De personen belast met de opvoeding hebben het recht zich tijdens de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften door een adviseur van eigen keuze te laten begeleiden.
§ 3. Een vertegenwoordiger die daartoe de opdracht heeft gekregen van het psycho-medisch-sociaal centrum dat de behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften heeft vastgesteld, is adviserend lid van de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en wordt door de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften gehoord om het opgestelde advies toe te lichten.
Artikel 93.13. Beslissingen van de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
§ 1. De in artikel 93.12, § 1, vermelde leden van de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften leggen uiterlijk op 30 april unaniem voor het volgende schooljaar vast :
1. of het kind respectievelijk de jongere geheel of gedeeltelijk volgens de richtlijnen van de kaderplannen respectievelijk uitsluitend volgens een individueel plan voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften wordt onderwezen;
2. de doelstellingen van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften;
3. de te nemen pedagogische, therapeutische en/of verzorgingsmaatregelen van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften;
4. de plaats van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften waar de speciale middelen kunnen worden ingezet;
5. de onderwijsvorm, indien het om een leerling gaat die de secundaire school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften bezoekt of dient te bezoeken.
Bovendien geven zij een aanbeveling met betrekking tot de in het volgende schooljaar in te zetten personeelsmiddelen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
§ 2. De inrichtingshoofden van de in de Duitstalige Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften controleren de in § 1, tweede lid, vermelde aanbeveling en nemen een definitieve beslissing over de in te zetten personeelsmiddelen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften. Zij doen dit rekening houdend met de bepalingen van artikel 53ter, § 3, § 4 en § 5, van het decreet van 27 juni 1990 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het personeel voor buitengewoon onderwijs worden bepaald en in nauw overleg met de betrokken gewone scholen.
De inrichtingshoofden van de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften delen de inrichtingshoofden van de betrokken gewone scholen uiterlijk op 15 mei per aangetekend schrijven hun gemotiveerde beslissing mee.
Het inrichtingshoofd van de gewone schoolt deelt de personen belast met de opvoeding uiterlijk op 20 mei per aangetekend schrijven de gemotiveerde beslissing over de in te zetten personeelsmiddelen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften mee.
§ 3. Bij de vaststelling van de plaats voor het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften moet in principe een school worden aangeduid overeenkomstig de Conventie betreffende de rechten van personen met een handicap, opgemaakt tijdens de plenaire vergadering in New York op 13 december 2006. Indien uitgaande van de individuele behoefte van de leerling aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften tot de vaststelling zou komen dat de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften de geschikte plaats voor de leerling is, kan zijn als plaats voor het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften eveneens een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften aanduiden.
Alle beslissingen van de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften worden uitvoerig gemotiveerd.
§ 4. Indien de procedure tot vaststelling van de behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften overeenkomstig artikel 93.4, § 1, tweede lid, in geval van ziekte, ongeval of verhuizing van een leerling buiten de vastgestelde termijnen wordt gestart en bij de betrokken leerling wordt een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften vastgesteld, kan de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften buiten de in § 1 vermelde termijnen bijeenkomen.
§ 5. Indien het verzoek wordt ingewilligd tot verandering van school voor een leerling bij wie een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften werd vastgesteld en voor wie als plaats voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften een gewone school werd aangeduid, dan belegt het inrichtingshoofd van de gewone school die de leerling opneemt onmiddellijk een nieuwe Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften. Daarbij gelden de modaliteiten vastgelegd in § 1 tot en met 6 3 en artikel 93.14.
Artikel 93.14. Convocatie van het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
Indien de leden tijdens de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften geen unanimiteit betreffende de in artikel 93.13, § 1, eerste lid, nummers 1 tot en met 5, opgesomde aspecten bereiken, verwijst het inrichtingshoofd van de gewone school binnen een termijn van acht kalenderdagen na afsluiting van het overleg tijdens de vergadering inzake onderwijs aan leerling met speciale behoeften het dossier per aangetekende brief door aan het in artikel 93.24 vermelde Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
Het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften deelt de personen belast met de opvoeding, het inrichtingshoofd van de gewone school en het inrichtingshoofd van de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften per aangetekende brief zijn beslissing inzake de in artikel 93.13, § 1, eerste lid, nummers 1 tot en met 5, vermelde aspecten evenals zijn aanbeveling met betrekking tot de in het volgende schooljaar in te zetten personeelsmiddelen voor het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften binnen een termijn van twintig werkdagen na verzending van de in het vorige lid vermelde aangetekende schrijven mee.
Indien de personen belast met de opvoeding het niet met de beslissing van het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften eens zijn, delen zij dit schriftelijk aan de voorzitter van het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften mee binnen een termijn van veertien kalenderdagen na verzending van het aangetekend schrijven waarin de beslissing staat. Deze verwijst de zaak dan naar de bevoegde jeugdrechter.
Afdeling 4. - Individueel plan voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en portfolio van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
Artikel 93.15. Individueel plan voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
Onder de verantwoordelijkheid van het inrichtingshoofd van de door de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften als plaats voor dit onderwijs aangeduide school en met medewerking van de personen belast met de opvoeding evenals van de met de uitvoering van de speciale onderwijsmaatregelen belaste leden van het bestuurs-, onderwijzend, opvoedend hulp-, paramedisch en psychosociaal personeel wordt bij het begin van het schooljaar voor elke leerling met behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften een individueel plan voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften opgemaakt. Dit plan voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften omvat :
1. Een precieze beschrijving van de doelstellingen van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften die in samenwerking met de personen belast met de opvoeding moeten worden gehaald;
2. De beschrijving van de maatregelen inzake onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en de namen van de leden van het bestuurs-, onderwijzend, opvoedend hulp-, paramedisch en psychosociaal personeel die met de uitvoering ervan belast zijn.
Voor de opstelling van het plan voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften kunnen ook externe vakmensen voor advies worden geraadpleegd.
Artikel 93.16. Portfolio van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
De in artikel 93.15, eerste lid, nummer 2, vermelde personen documenten hun visie op de leerontwikkeling en de omzetting van het plan voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in een portfolio van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
De verantwoordelijkheid voor het bijhouden van het portfolio van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften ligt bij het inrichtingshoofd van de plaats van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
Artikel 93.17. Evaluatie
De in artikel 93.15, eerste lid, nummer 2, vermelde personen evalueren op basis van het individuele plan van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en het portfolio van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften minstens een keer per schooljaar samen met de personen belast met de opvoeding in hoeverre de in het individuele plan voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften vastgelegde onderwijsdoelstellingen werden gehaald. Desgevallend corrigeren zij de doelstellingen en de bijhorende maatregelen.
Afdeling 5. - Voortzetting of stopzetting van de lopende integratieprojecten
Artikel 93.18. Evaluatie van een integratieproject door de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
Op basis van de in artikel 93.17 vermelde evaluatie beslissen de in artikel 93.12, § 1, vermelde leden van de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften ten laatste op 30 april van het lopend schooljaar unaniem over de voortzetting of stopzetting van een lopend integratieproject voor het volgende schooljaar.
Artikel 93.19. Voortzetting van een integratieproject
§ 1. Indien de in artikel 93.12, § 1, vermelde leden van de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften zich voor een voortzetting van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de gewone school uitspreken, leggen zij ten laatste op 30 april van het lopend schooljaar unaniem voor het volgende schooljaar vast :
1. of het kind respectievelijk de jongere geheel of gedeeltelijk volgens de richtlijnen van de kaderplannen respectievelijk uitsluitend volgens een individueel plan voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften wordt onderwezen;
2. de doelstellingen van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften;
3. de te nemen pedagogische, therapeutische en/of verzorgingsmaatregelen van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
De Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften verstrekt bovendien een aanbeveling over de tijdens het volgende schooljaar in te zetten personeelsmiddelen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
§ 2. De inrichtingshoofden van de door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften controleren de in § 1, tweede lid, vermelde aanbeveling en nemen een definitieve beslissing over de in te zetten personeelsmiddelen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften. Zij doen dit rekening houdend met de bepalingen van artikel 53ter, § 3, § 4 en § 5, van het decreet van 27 juni 1990 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het personeel voor buitengewoon onderwijs worden bepaald en in nauw overleg met de betrokken gewone scholen.
De inrichtingshoofden van de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften delen de inrichtingshoofden van de betrokken gewone scholen uiterlijk op 15 mei per aangetekend schrijven hun gemotiveerde beslissing mee.
Het inrichtingshoofd van de gewone school deelt de personen belast met de opvoeding de gemotiveerde beslissing inzake de voortzetting en de voor het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in te zetten personeelsmiddelen uiterlijk op 20 mei per aangetekend schrijven mee.
Artikel 93.20. Stopzetting van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in een gewone school na verstrijken vaan een schooljaar
§ 1. Indien de in artikel 93.12, § 1, vermelde leden van de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften zich tegen een voortzetting van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in een gewone school uitspreken, stellen zij ten laatste op 30 april van het lopend schooljaar unaniem vast of de verdere scolarisatie in de gewone school zonder hulp van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften of in een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften dient plaats te vinden.
De beslissing over de stopzetting van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de gewone school kan slechts gebeuren, indien voorafgaandelijk :
1. een advies van het begeleidend psycho-medisch-sociaal centrum werd ingewonnen en dit in de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften toegelicht werd;
2. het standpunt van de personen belast met de opvoeding werd nagevraagd.
§ 2. Het inrichtingshoofd van de gewone school zendt de personen belast met de opvoeding uiterlijk op 30 april van het lopend schooljaar per aangetekend schrijven de gemotiveerde beslissing over de stopzetting van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de betrokken gewone school en over de toekomstige plaats van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
Artikel 93.21. Convocatie van het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
Indien tijdens de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften tussen de leden geen overeenstemming over de in de artikelen 93.18, 93.19, § 1, eerste lid, nummers 1 tot en met 3, en 93.20, § 1, eerste lid, vermelde aspecten wordt bereikt, verwijst het inrichtingshoofd van de gewone school het dossier binnen een termijn van acht kalenderdagen na het afsluiten van het overleg in de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften door naar het in artikel 93.24 vermelde Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
Het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften deelt binnen een termijn van twintig werkdagen na het verzenden van het in het vorige lid vermelde aangetekend schrijven aan de personen belast met de opvoeding, het inrichtingshoofd van de gewone school en het inrichtingshoofd van de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften per aangetekend schrijven zijn gemotiveerde beslissing over de in de artikelen 93.18, 93.19, § 1, eerste lid, nummers 1 tot en met 3, en 93.20, § 1, eerste lid, vermelde aspecten evenals zijn aanbeveling met betrekking tot de in het volgende schooljaar voor het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in te zetten personeelsmiddelen mee.
Indien de personen belast met de opvoeding het niet met de beslissing van het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften eens zijn, delen zij dit schriftelijk aan de voorzitter van het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften mee binnen een termijn van veertien kalenderdagen na verzending van het aangetekend schrijven waarin de beslissing staat. Deze verwijst de zaak dan naar de bevoegde jeugdrechter.
Artikel 93.22. Afbreken van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in een gewone school in de loop van een schooljaar
§ 1. Het afbreken van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in een gewone school in de loop van een schooljaar gebeurt op basis van een unanieme beslissing van de in artikel 93.12, § 1, vermelde leden van de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften. Zij kunnen deze beslissing slechts nemen, mits voorafgaandelijk :
1. een advies van het begeleidend psycho-medisch-sociaal centrum werd ingewonnen;
2. het standpunt van de personen belast met de opvoeding werd nagevraagd.
§ 2. Het inrichtingshoofd stuurt de personen belast met de opvoeding per aangetekend schrijven de gemotiveerde beslissing over de stopzetting van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de betrokken gewone school en over de toekomstige plaats voor het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften. Bovendien stelt hij het Bestuur voor Onderwijs over de stopzetting in kennis.
Indien tijdens de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften tussen de leden geen overeenstemming wordt bereikt, verwijst het inrichtingshoofd van de gewone school het dossier binnen een termijn van acht kalenderdagen na het afsluiten van het overleg in de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften door naar het in artikel 93.24 vermelde Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
Het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften deelt de personen belast met de opvoeding, het inrichtingshoofd van de gewone school en het inrichtingshoofd van de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften binnen een termijn van twintig werkdagen na verzending van het aangetekend schrijven van de aantekening van het beroep zijn gemotiveerde beslissing mee.
Indien de personen belast met de opvoeding het niet met de beslissing van het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften eens zijn, delen zij dit schriftelijk aan de voorzitter van het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften mee binnen een termijn van veertien kalenderdagen na verzending van het aangetekend schrijven waarin de beslissing staat. Deze verwijst de zaak dan naar de bevoegde jeugdrechter.
Artikel 93.23. Advies van het psycho-medisch-sociaal centrum
Indien de personen belast met de opvoeding er principieel niet akkoord mee gaan dat het in artikel 93.20, § 1, tweede lid, nummer 1, of 93.22, § 1, eerste lid, nummer 1, vermeld advies bij een psycho-medisch-sociaal centrum wordt ingewonnen, kan het inrichtingshoofd van de gewone school het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften convoceren. Hij stelt de personen belast met de opvoeding ervan in kennis dat hij het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften bijeenroept.
Het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften deelt de personen belast met de opvoeding en het inrichtingshoofd van de gewone school binnen een termijn van twintig werkdagen, te rekenen vanaf de dag waarop het het beroep ontvangen heeft, per aangetekend schrijven zijn beslissing mee.
Indien de personen met de opvoeding het niet met de beslissing van het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften eens zijn, delen zij dit schriftelijk aan de voorzitter van het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften mee binnen een termijn van veertien dagen na ontvangst van het aangetekend schrijven. Deze verwijst de zaak dan naar de bevoegde jeugdrechter.
Het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften verwijst de zaak eveneens naar de bevoegde jeugdrechter, wanneer de personen belast met de opvoeding geen gevolg geven aan de beslissing genomen door het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
Afdeling 6. - Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
Artikel 93.24. Oprichting
§ 1. De Regering richt een Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften op, bestaande uit :
1. een voorzitter;
2. een vertegenwoordiger van de Dienst voor Personen met een Handicap;
3. een persoon met bijzonder ervaring of kwalificatie op het vlak van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften;
4. een persoon, voorgesteld door de inrichtende macht van de gewone school waar de leerling naar school gaat of volgens de wens van de ouders naar school dient te gaan en die geen deel uitmaakt van het personeel van de betrokken gewone school;
5. een secretaris.
In afwijking van lid 1, nummer 4, is tijdens de vergaderingen waarin het Comité voor Onderwijs aan Leerlingen met Speciale Behoeften beraadslaagt over de toekenning van de in artikel 4, tweede lid, van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geďntegreerd onderwijs voorziene afwijkingsmogelijkheid, een persoon aanwezig, voorgesteld door de inrichtende macht van de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, waar de leerling naar school gaat en die niet tot het personeel van de betrokken school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften behoort.
§ 2. Voor elk in § 1 vermeld gewoon lid duidt de Regering een plaatsvervangend lid aan. In geval van ontslag of verlies van het ambt krachtens hetwelk het lid in het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften werd opgenomen, neemt het plaatsvervangend lid het mandaat tot het eind op en wordt een nieuw plaatsvervangend lid aangeduid. Indien een gewoon lid verhinderd is, neemt het plaatsvervangend lid aan de vergadering deel.
De voorzitter en zijn plaatsvervanger evenals de secretaris en zijn plaatsvervanger worden gekozen onder de leden van het Bestuur voor Onderwijs die in actieve dienst zijn.
§ 3. De in § 1 vermelde leden en de in § 2 vermelde plaatsvervangende leden worden voor een termijn van vier jaar door de Regering aangeduid.
Artikel 93.25. Opdrachten
Het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften kwijt zich van de in de artikelen 93.6, § 4, 93.14, 93.20, 93.22, 93.23, § 3, en 93.24 vermelde taken.
Bovendien staat het in voor de toekenning van de in artikel 4, tweede lid, van de wet van 6 juli 1970 op het buitengewoon en geďntegreerd onderwijs voorziene afwijkingsmogelijkheid.
Artikel 93.26. Huishoudelijk reglement
Het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften werkt zijn eigen huishoudelijk reglement uit en legt dit ter goedkeuring aan de Regering voor.
Artikel 93.27. Vrijstelling van leden
Een lid kan vrijstelling vragen, indien het denkt een moreel belang bij de zaak te hebben of wanneer het denkt dat men zijn onpartijdigheid in twijfel zou kunnen trekken. De voorzitter beslist of aan dat verzoek gevolg wordt gegeven. Hij kan ook op eigen initiatief een lid om dezelfde redenen vrijstellen.
De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitter, de gewone leden en de plaatsvervangende leden mogen niet over een zaak vergaderen die hun kind respectievelijk het kind van een familielid tot de vierde graad aanbelangt.
Artikel 93.28. Werking van het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in geval van convocatie krachtens de artikelen 93.6, § 4, 93.14, 93.21, 93.22, § 3, en 93.23
De in het tweede lid vermelde partijen worden door de voorzitter binnen tien werkdagen na ontvangst van het dossier geconvoceerd. Tussen het uitnodigen en het horen van de partijen liggen minstens drie werkdagen, waarbij de datumstempels van de post als bewijs gelden.
De personen belast met de opvoeding, het inrichtingshoofd van de gewone school in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Vergadering voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en het inrichtingshoofd van de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften worden door het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften gehoord.
De personen belast met de opvoeding, het inrichtingshoofd van de gewone school en het inrichtingshoofd van de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften kunnen zich laten bijstaan door een advocaat of een vertegenwoordiger van een vereniging die hun respectieve belangen behartigt. De personen belast met de opvoeding hebben bovendien het recht zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat of een vertegenwoordiger van een vereniging die hun belangen behartigt.
Het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften kan een bijkomend onderzoek gelasten. Het kan bovendien deskundigen ter consultatie ontbieden.
Het feit dat de personen belast met de opvoeding respectievelijk hun vertegenwoordiger, het inrichtingshoofd van de gewone school respectievelijk zijn vertegenwoordiger of het inrichtingshoofd van de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften respectievelijk zijn vertegenwoordiger niet ter vergadering verschijnen, verhindert niet dat het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften een beslissing over de zaak neemt.
Artikel 93.29. Werking van het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften bij convocatie met het oog op de toekenning van een afwijkingsmogelijkheid voor het bezoek aan de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
De in het tweede lid vermelde partijen worden door de voorzitter geconvoceerd binnen tien werkdagen na ontvangst van het positieve advies, door de raad van leraren van de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften verstrekt inzake het bezoek van de leerling tot na zijn eenentwintigste jaar aan de secundaire school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften. Tussen het uitnodigen en het horen van de partijen liggen minstens drie werkdagen, waarbij de datumstempels van de post als bewijs gelden.
De personen belast met de opvoeding en het inrichtingshoofd van de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften worden door het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften gehoord.
De personen belast met de opvoeding en het inrichtingshoofd van de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften kunnen zich laten bijstaan door een advocaat of een vertegenwoordiger van een vereniging die hun respectieve belangen behartigt. De personen belast met de opvoeding hebben bovendien het recht zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat of een vertegenwoordiger van een vereniging die hun belangen behartigt.
Het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften kan een bijkomend onderzoek gelasten. Het kan bovendien deskundigen ter consultatie ontbieden.
Het feit dat de personen belast met de opvoeding respectievelijk hun vertegenwoordiger, het inrichtingshoofd van de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften respectievelijk zijn vertegenwoordiger niet ter vergadering verschijnen, verhindert niet dat het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften een beslissing over de zaak neemt.
Artikel 93.30. Quorum voor de aanwezigheden en de stemming
Het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften kan slechts rechtsgeldig beraadslagen, als alle gewone leden respectievelijk bij hun afwezigheid hun plaatsvervangers aanwezig zijn. Is dat niet het geval, dan convoceert de voorzitter binnen vijf werkdagen een nieuwe vergadering. Die vergadering kan dan ongeacht het aantal aanwezig leden rechtsgeldig beraadslagen.
Alle in artikel 93.24, § 1, nummers 1, 2, 3 en 4 vermelde gewone leden respectievelijk bij hun afwezigheid hun plaatsvervangers zijn stemgerechtigd.
De gemotiveerde beslissing wordt na stemming bij gewone meerderheid van stemmen goedgekeurd. Stemonthoudingen zijn niet toegelaten. Bij staking van stemmen beslist de voorzitter.
Artikel 93.31. Mededeling van de beslissing
De gemotiveerde beslissing van het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften wordt de partijen binnen vijf werkdagen na de vergadering waarin zij werd genomen per aangetekend schrijven meegedeeld.
Artikel 93.32. Werkingskosten en vergoedingen
De werkingskosten van het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften vallen ten laste van de Duitstalige Gemeenschap.
Bij toepassing van het besluit van de Regering van 12 juli 2001 tot harmonisatie van het presentiegeld en van de reisvergoedingen in instellingen en raden van beheer van de Duitstalige Gemeenschap ontvangen de leden respectievelijk de plaatsvervangende leden van het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften presentiegeld en reiskostenvergoedingen ten laste van de begroting van de Duitstalige Gemeenschap.
TITEL IV. - Ondersteuning van het speciale onderwijs voor leerlingen met leermoeilijkheden in de gewone scholen en de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
Art. 17. Ondersteuning van het speciale onderwijs voor leerlingen met leermoeilijkheden in de gewone scholen
In hoofdstuk VI van het decreet van 26 april 1999 betreffende het gewoon basisonderwijs wordt een afdeling 2bis, dat de artikelen 52.1 tot en met 52.5 bevat, ingevoegd, luidend als volgt :
"Afdeling 2bis - Bijzondere ondersteuning van leerlingen met leermoeilijkheden in de gewone basisscholen
Onderafdeling 1 - Principe
Artikel 52.1. Diagnose van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en speciale ondersteuning in de gewone basisscholen
Ter ondersteuning van de vaardigheden op het vlak van het diagnosticeren van behoeften aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften en ter uitbreiding van de competenties op het vlak van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de gewone basisscholen worden het gewoon basisonderwijs 100 vierden van een betrekking ter beschikking gesteld die volgens de volgende verdeelsleutel worden toegekend :
blok 1 : 20 / 4
blok 2 : 15 / 4
blok 3 : 25 / 4
blok 4 : 20 / 4
blok 5 : 20 / 4
§ 2. Elke inrichtende macht van het gewone basisonderwijs krijgt een bepaald aantal vierden van een betrekking, berekend volgens deze formule :
A x B/C
A = aantal overeenkomstig § 1 aan het gewone basisonderwijs ter beschikking gestelde vierden van een betrekking
B = aantal leerlingen in de gewone basisscholen van de inrichtende macht
C = totaal aantal leerlingen in de gewone basisscholen in de Duitstalige Gemeenschap
Indien het eerste decimaal getal kleiner dan 5 is, wordt tot het volgende vierde van een betrekking afgerond. Vanaf een waarde van 5 wordt tot het volgende vierde van een betrekking afgerond.
§ 3. Binnen zes jaar na inwerkingtreding van dit decreet worden de in § 1 vermelde vierden van een betrekking ter beschikking gesteld. De regering bepaalt het tijdstip en de modaliteiten voor de terbeschikkingstelling.
Onderafdeling 2 - Berekeningswijze
Artikel 52.2. Principe
De berekening van het betrekkingenpakket gebeurt voor alle basisscholen van een inrichtende macht samen.
Als teldag voor de berekening geldt de laatste schooldag van januari van het voorgaande schooljaar.
Artikel 52.3. Aard van de telling
De volgende leerlingenaantallen worden samengeteld :
1. het aantal regelmatige kleuters die tijdens januari gedurende ten minste vijf schooldagen ten belope van een halve dag aanwezig waren;
2. het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs.
Onderafdeling 3 - Aanwending van het betrekkingenpakket
Artikel 52.4. Aanwendingsduur
Het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig de artikelen 52.1 tot en met 52.3 is beschikbaar voor het lopend schooljaar.
Artikel 52.5. Aanwending
Het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig de artikelen 52.1 tot en met 52.3 kan door de inrichtende macht in een of meer van zijn scholen worden aangewend voor :
1. het vervangen van personeelsleden die een door de Regering erkende voortgezette opleiding volgen op het vlak van het diagnosticeren van leerlingen met speciale behoeften, het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en in het bijzonder de aanmoediging van leerlingen met bijzondere moeilijkheden op het vlak van de ontwikkelingsdoeleinden en de kerncompetenties van de onderwijstaal, de eerste vreemde taal of wiskunde en desgevallend ook op het vlak van vakoverschrijdende competenties;
2. vanaf het schooljaar 2014-2015 personeelsleden aan te werven die niet alleen houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het uit te oefenen ambt maar bovendien houder zijn van een bijkomende en op grond van een door de Regering goedgekeurde opleiding toegekende kwalificatie op het vlak van het diagnosticeren van leerlingen met speciale behoeften, het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften of de aanmoediging van leerlingen met bijzondere moeilijkheden op het vlak van de ontwikkelingsdoeleinden en de kerncompetenties van de onderwijstaal, de eerste vreemde taal of wiskunde en desgevallend ook op het vlak van vakoverschrijdende competenties.
Het betrekkingenpakket wordt gevoegd bij het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig afdeling 3 van dit hoofdstuk. Het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig de artikelen 52.1 tot en met 52.3 is niet voor een benoeming in vast verband of een aanstelling in vast verband vrijgegeven."
Art. 18. Ondersteuning van het aanmoedigen van leerlingen met behoefte aan onderwijs voor leerlingen met speciale behoeften in scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
In hoofdstuk I van het decreet van 27 juni 1990 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het personeel voor buitengewoon onderwijs worden bepaald, wordt een artikel 5quater ingevoegd, luidend als volgt :
"Artikel 5quater. Ondersteuning van het aanmoedigen van leerlingen met behoefte aan onderwijs voor leerlingen met speciale behoeften in scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
§ 1. Ter ondersteuning van de vaardigheden op het vlak van het diagnosticeren van behoeften aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften en ter uitbreiding van de competenties op het vlak van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de basisscholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften worden het onderwijs voor leerlingen met speciale behoeften 18 vierden van een betrekking ter beschikking gesteld die volgens de volgende verdeelsleutel worden toegekend :
blok 1 : 4 / 4
blok 2 : 2 / 4
blok 3 : 5 / 4
blok 4 : 3 / 4
blok 5 : 4 / 4
Elke inrichtende macht van het onderwijs voor leerlingen met speciale behoeften krijgt een bepaald aantal vierden van een betrekking, berekend volgens deze formule :
A x B/C
A = aantal overeenkomstig § 1 aan het onderwijs voor leerlingen met speciale behoeften ter beschikking gestelde vierden van een betrekking
B = aantal leerlingen in de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften van de inrichtende macht
C = totaal aantal leerlingen in de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de Duitstalige Gemeenschap
Indien het eerste decimaal getal kleiner dan 5 is, wordt tot het volgende vierde van een betrekking afgerond. Vanaf een waarde van 5 wordt tot het volgende vierde van een betrekking afgerond.
Binnen zes jaar na inwerkingtreding van dit decreet worden de in § 1 vermelde vierden van een betrekking ter beschikking gesteld. De regering bepaalt het tijdstip en de modaliteiten voor de terbeschikkingstelling.
§ 2. Als teldag voor de berekening geldt de laatste schooldag van januari van het voorgaande schooljaar.
§ 3. De volgende leerlingenaantallen worden samengeteld :
1. het aantal regelmatige kleuters die tijdens januari gedurende ten minste vijf schooldagen ten belope van een halve dag aanwezig waren;
2. het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs;
3. het aantal regelmatige leerlingen lager onderwijs.
§ 4. Het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig § 1 tot en met § 3 is beschikbaar voor het lopend schooljaar.
§ 5. Het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig § 1 tot en met § 3 kan door de inrichtende macht worden aangewend om in een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften :
1. leden van het bestuurs-, onderwijzend, opvoedend hulp-, paramedisch en psychosociaal personeel te vervangen die een door de Regering erkende voortgezette opleiding volgen op het vlak van het diagnosticeren van leerlingen met speciale behoeften, het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en in het bijzonder de aanmoediging van leerlingen met bijzondere moeilijkheden op het vlak van de ontwikkelingsdoeleinden en de kerncompetenties van de onderwijstaal, de eerste vreemde taal of wiskunde en desgevallend ook op het vlak van vakoverschrijdende competenties;
2. vanaf het schooljaar 2014-2015 personeelsleden aan te werven die niet alleen houder zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs of van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs dat overeenstemt met het uit te oefenen ambt maar bovendien houder zijn van een bijkomende en op grond van een door de Regering goedgekeurde opleiding toegekende kwalificatie op het vlak van het diagnosticeren van leerlingen met speciale behoeften, het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, de heilpedagogie of de orthopedagogie.
Het betrekkingenpakket wordt gevoegd bij het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig artikel 5ter. Het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig § 1 tot en met § 3 is niet voor een benoeming in vast verband of een aanstelling in vast verband vrijgegeven."
Art. 19. Verlof voor deelname aan een door de Regering erkende voortgezette opleiding op het vlak van het diagnosticeren van leerlingen met speciale behoeften of het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
§ 1. Dit artikel is van toepassing op :
1. de personeelsleden van de onderwijsinrichtingen die door de Duitstalige Gemeenschap worden georganiseerd en die aan een statuut onderworpen zijn;
2. de gesubsidieerde personeelsleden van de onderwijsinrichtingen die door de Duitstalige Gemeenschap gesubsidieerd worden en die aan een statuut onderworpen zijn.
§ 2. Op voorstel van het inrichtingshoofd kan de inrichtende macht aan een in § 1 vermeld personeelslid dat in vast verband werkt, verlof toekennen met het oog op deelname aan een door de Regering erkende voortgezette opleiding op het vlak van het diagnosticeren van leerlingen met speciale behoeften of het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
De inrichtende macht kent het verlof toe in het kader van het betrekkingenpakket dat te harer beschikking is overeenkomstig artikel 5quater van het decreet van 27 juni 1990 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het personeel voor buitengewoon onderwijs worden bepaald respectievelijk van de artikelen 52.1 tot en met 52.3 van het decreet van 26 april 1999 betreffende het gewoon basisonderwijs.
Het in het eerste lid vermelde verlof kan voor de hele prestatie of voor slechts een deel van de prestatie geleverd door het personeelslid worden toegekend.
De duur van het verlof is gelijk aan de duur van de gevolgde voortgezette opleiding.
§ 3. Het personeelslid dat van het in § 2 vermelde verlof wenst te genieten, dient via het inrichtingshoofd respectievelijk de directeur uiterlijk dertig dagen voor het begin van het verlof bij de inrichtende macht schriftelijk een verzoek in waarin hij de begin- en einddatum van het verlof vermeldt. Bij dit verzoek wordt een bevestiging van deelname gevoegd die wordt uitgereikt door de inrichting die de voortgezette opleiding organiseert.
In afwijking van het vorige lid kan de inrichtende macht het in § 2 vermelde verlof ook toekennen, wanneer dat na verstrijken van de in het vorige lid voorziene termijn werd aangevraagd, voor zover het inrichtingshoofd vaststelt dat een vlotte werking van de dienst niet in het gedrang komt.
Na het afsluiten van de voortgezette opleiding dient het personeelslid via het inrichtingshoofd bij de inrichtende macht een bevestiging van deelname in die werd uitgereikt door inrichting die de voortgezette opleiding organiseert.
§ 4. Het in § 2 vermeld verlof wordt bezoldigd en met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
TITEL V. - Wijziging van verschillende bepalingen
HOOFDSTUK I. - Wijziging van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs
Art. 20. In artikel 16, § 3, van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, vervangen door het decreet van 25 juni 2007, wordt de woorden "buitengewoon onderwijs" vervangen door "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs
Art. 21. In artikel 3, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit nr. 456 van 10 september 1986, worden de woorden "buitengewoon onderwijs" vervangen door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" en wordt het woord "psychologische" vervangen door het woord "psychosociale".
Art. 22. In artikel 5, vijfde lid, van diezelfde wet, ingevoegd bij decreet van 25 juni 2007, worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Hetzelfde artikel wordt met een zesde lid aangevuld, luidend als volgt :
"In afwijking van het eerste lid wordt het ambt van departementshoofd van een secundaire school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften vanaf 1 september 2009 begeven in de vorm van een aanstelling voor onbepaalde duur overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs-, onderwijzend, opvoedend hulp-, paramedisch en psychosociaal personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, evenals der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen. Hierna kan overeenkomstig hetzelfde koninklijk besluit een benoeming in vast verband plaatsvinden."
Art. 23. In artikel 6, eerste lid, van dezelfde wet, aangevuld bij wet van 6 juli 1970, wordt de woorden "van het psychologisch personeel, van het paramedisch personeel en van het sociaal personeel" vervangen door de woorden "van het psychosociaal personeel en van het paramedisch personeel".
HOOFDSTUK III. - Wijziging van het koninklijk besluit van 29 augustus 1966 houdende het statuut van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs
Art. 24. In de titel van het koninklijk besluit van 29 augustus 1966 houdende het statuut van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs en in artikel 1, eerste lid, van datzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij decreet van 23 maart 2009, worden de woorden "buitengewoon onderwijs" vervangen door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
Art. 25. In artikel 57 van datzelfde koninklijk besluit, vervangen bij decreet van 26 juni 2006, worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs
Art. 26. In de titel van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
HOOFDSTUK V. - Wijziging van het koninklijk besluit van 19 juni 1967 tot vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen vereist van de kandidaten voor de wervingsambten van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs
Art. 27. In de titel van het koninklijk besluit van 19 juni 1967 tot vaststelling van de bekwaamheidsbewijzen vereist van de kandidaten voor de wervingsambten van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
HOOFDSTUK VI. - Wijziging van het koninklijk besluit van 8 december 1967 genomen ter toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs
Art. 28. In de titel van het koninklijk besluit van 8 december 1967 genomen ter toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 29. In artikel 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij besluit van de Regering van 27 januari 1993, worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
HOOFDSTUK VII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel bij de inrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunsten normaal onderwijs van de Staat, en van de ambten der leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen
Art. 30. In de titel van het koninklijk besluit van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel bij de inrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunsten normaal onderwijs van de Staat, en van de ambten der leden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen wordt de woorden "van het paramedisch personeel" door de woorden "van het paramedisch en psychosociaal personeel" vervangen en de woorden "buitengewoon onderwijs" door "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
Art. 31. De titel van hoofdstuk II van datzelfde koninklijk besluit wordt door de volgende bepaling vervangen :
"Hoofdstuk II - Ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch en psychosociaal personeel bij de onderwijsinrichtingen van de Staat en bij de internaten die van deze inrichtingen afhangen"
Art. 32. Artikel 6 van datzelfde koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij decreet van 23 maart 2009, wordt als volgt gewijzigd :
1. Na het eerste lid wordt een zesde lid ingevoegd, luidend als volgt :
"De hierna opgesomde wervings-, selectie- en bevorderingsambten worden respectievelijk gescheiden volgens de gewone scholen en de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften."
2. Bij A, c), wordt een nieuw nummer 14bis ingevoegd, luidend als volgt : "14bis. Departementshoofd van een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
Bij C, c), wordt een nummer 17 ingevoegd, luidend als volgt :
"17. Directeur van een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
Art. 33. Artikel 7, a), nummer 8, van datzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij decreet van 27 juni 205, wordt door de volgende bepaling vervangen :
"8. School- en leerbegeleider voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
Art. 34. In hoofdstuk II van hetzelfde besluit wordt een artikel 9.1 ingevoegd, luidend als volgt :
"Artikel 9.1. De ambten van de leden van het psychosociaal personeel van de inrichtingen voor kleuter-, lager, middelbaar en niet-universitair hoger onderwijs van de Staat worden als volgt vastgelegd en in wervingsambten ingedeeld :
a) Wervingsambten
1. Psychosociale begeleider;
2. Maatschappelijk assistent."
HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968, genomen ter toepassing van artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs
Art. 35. In de titel van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 genomen ter toepassing van artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
HOOFDSTUK IX. - Wijziging van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs-, onderwijzend, opvoedend hulp-, paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen
Art. 36. In de titel van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs-, onderwijzend, opvoedend hulp-, paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, evenals der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen wordt de woorden "en van het paramedisch personeel" vervangen door de woorden "van het paramedisch en psychosociaal personeel" en de woorden "buitengewoon onderwijs" door "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
Art. 37. In artikel 1, eerste lid, van datzelfde koninklijk besluit, vervangen door het besluit van de Regering van 2 maart 1995 en gewijzigd bij decreet van 23 maart 2009, worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen en de woorden "van het paramedisch, sociaal en psychologische personeel" door de woorden "van het paramedisch en psychosociaal personeel".
Art. 38. In artikel 16, eerste lid, nummer 5, van datzelfde koninklijk besluit, vervangen door het decreet van 26 juni 2006 en gewijzigd bij decreet van 23 juni 2008, wordt een letter e) ingevoegd, luidend als volgt :
"e) Indien het om een lid van het onderwijzend personeel van een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften gaat, beschikt dit lid over het bewijs van het bestaan van een ten minste 10 ECTS-studiepunten tellende aanvullende opleiding op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, de heil- of orthopedagogie dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap wordt uitgereikt of over een respectievelijk meerdere bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig worden erkend."
Hetzelfde artikel wordt met een vijfde lid aangevuld, luidend als volgt :
"In afwijking van het eerste lid, nummer 5, mogen voor het ambt van school- en leerbegeleider voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en voor het ambt van psychosociaal begeleider enkel personen worden aangesteld die op het ogenblik van de aanstelling houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs dat aan het te begeven ambt beantwoordt."
Art. 39. In artikel 24, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij decreet van 26 juni 2006, wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"Het inrichtingshoofd kan zich voor de evaluatie van een personeelslid baseren op het schriftelijk verslag van een ander personeelslid dat zich in een bevorderings- of selectieambt bevindt en dat schriftelijk van hem de opdracht kreeg een dergelijk verslag over het werk van het betrokken personeelslid op te stellen."
Art. 40. In artikel 32 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij decreet van 26 juni 2006, wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"In afwijking van het eerste lid kan onder de volgende voorwaarden een omwisseling tussen het gewone onderwijs en het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften voor een ander ambt plaatsvinden :
1. Het ambt waarvan de uitoefening in het kader van de omwisseling wordt aangevraagd, draagt de dezelfde benaming als het ambt waarvoor het personeelslid vast benoemd is;
2. Het personeelslid bezit het vereiste bekwaamheidsbewijs voor de uitoefening van het ambt waarvan de uitoefening in het kader van de omwisseling wordt aangevraagd."
Art. 41. In artikel 33, § 1, van datzelfde koninklijk besluit, vervangen bij decreet van 26 juni 2006 en gewijzigd bij decreet van 21 april 2008 wordt na het derde lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"In afwijking van het derde lid kan onder de volgende voorwaarden een overplaatsing van het gewoon onderwijs naar het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en omgekeerd voor een ander ambt plaatsvinden :
1. Het ambt waarin het personeelslid wenst te worden overgeplaatst, draagt dezelfde benaming als het ambt waarvoor het vast benoemd is;
2. Het personeelslid bezit het vereiste bekwaamheidsbewijs voor de uitoefening van het ambt waarin hij wenst te worden overgeplaatst."
Art. 42. In artikel 39, eerste lid, nummer 5, van datzelfde koninklijk besluit, vervangen door het decreet van 26 juni 2006 en gewijzigd bij decreet van 23 juni 2008, wordt een letter e) ingevoegd, luidend als volgt :
"e) Indien het om een lid van het onderwijzend personeel van een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften gaat, beschikt dit lid over het bewijs van het bestaan van een ten minste 10 ECTS-studiepunten tellende aanvullende opleiding op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, de heil- of orthopedagogie dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap wordt uitgereikt of over een respectievelijk meerdere bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig worden erkend."
Hetzelfde artikel wordt met een vierde lid aangevuld, luidend als volgt :
"In afwijking van het eerste lid, nummer 5, mogen voor het ambt van school- en leerbegeleider voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en voor het ambt van psychosociaal begeleider enkel personen vast worden benoemd die op het ogenblik van de benoeming houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs dat aan het te begeven ambt beantwoordt."
Art. 43. In artikel 67 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij decreet van 26 juni 2006, wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"Het inrichtingshoofd kan zich voor de evaluatie van een personeelslid baseren op het schriftelijk verslag van een ander personeelslid dat zich in een bevorderings- of selectieambt bevindt en dat schriftelijk van hem de opdracht kreeg een dergelijk verslag over het werk van het betrokken personeelslid op te stellen."
Art. 44. In artikel 81 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij besluit van de Regering van 2 maart 1995, wordt de woorden "van het paramedisch personeel evenals het psychologisch personeel en het sociaal personeel" vervangen door de woorden "van het paramedisch en psychosociaal personeel".
Art. 45. In artikel 84, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij besluit van de Regering van 2 maart 1995, wordt de woorden "van het paramedisch personeel en het sociaal personeel" vervangen door de woorden "van het paramedisch en psychosociaal personeel".
Het vierde lid van hetzelfde artikel wordt opgeheven.
Art. 46. In artikel 128, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij decreet van 26 juni 2006, wordt de woorden "van het paramedisch, het psychologisch en het sociaal personeel" wordt vervangen door de woorden "van het paramedisch en psychosociaal personeel".
Art. 47. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een hoofdstuk VIIbis, dat de artikelen 91ter tot en met 91terdecies bevat, ingevoegd, luidend als volgt :
HOOFDSTUK VIIbis. - Bijzondere bepalingen voor departementshoofden van een secundaire school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
Artikel 91ter. Principe
In afwijking van hoofdstuk VII wordt het ambt van departementshoofd van een secundaire school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, hierna "departementshoofd" genoemd, uitsluitend in de vorm van een aanstelling en van een vaste benoeming toegewezen overeenkomstig de navolgende bepalingen.
Artikel 91quater. Toelatingsvoorwaarden
Personen mogen dit ambt uitoefenen, als ze :
1. aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot en met 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben;
2. ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de eerste graad bezitten;
3. de kandidatuur in de vorm en binnen de termijn hebben ingediend, zoal vastgelegd in de oproep tot de kandidaten;
4. de burgerlijke en politieke rechten genieten;
5. aan de dienstplichtwetten voldoen.
Lid 1, nummer 1, b) tot en met d), dient tot omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.
Artikel 91quinquies. Oproep en kandidatuur
De oproep tot de kandidaten wordt door de inrichtende macht gepubliceerd in de pers, door uithanging in de scholen evenals in elke andere vorm die als gepast wordt geacht.
De oproep bevat het van het departementshoofd vereiste profiel en de doelstellingen die tijdens de aanstelling moeten worden bereikt.
De kandidatuur wordt per aangetekend schrijven ingediend. Bij de kandidatuur voegt de kandidaat onder andere een strategie- en actieplan om de in het vorige lid vermelde doelstellingen te verwezenlijken.
Artikel 91sexies. Aanstelling
De inrichtende macht beslist welke kandidaat het ambt mag uitoefenen.
Zij steunt zich daarbij onder andere op het strategie- en actieplan van de kandidaat, op een of meer sollicitatiegesprekken evenals op de beroepservaring en de pedagogische kwalificatie.
Artikel 91septies. Duur en einde van de aanstelling, benoeming
§ 1. De aanstelling gebeurt voor onbepaalde duur.
§ 2. Zij eindigt in de volgende gevallen :
1. in geval van een preventieve schorsing voor meer dan zes maanden;
2. in geval van een terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst voor meer dan zes maanden;
3. indien een van de volgende tuchtmaatregelen wordt opgelegd :
a) een inhouding van wedde;
b) een onmiddellijke schorsing ingevolge tuchtmaatregel;
c) een op-non-activiteitstelling ingevolge tuchtmaatregel;
d) een afdanking wegens een zware fout;
4. bij vrijwillig ontslag, indien het gaat om een vast benoemd personeelslid;
5. bij vrijwillige beëindiging van de aanstelling;
6. bij eenzijdige opzegging door de inrichtende macht;
7. indien op het evaluatieverslag de vermelding "onvoldoende" als eindconclusie staat.
De inrichtende macht kan de aanstelling beëindigen in geval van een verlof of terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid voor een periode van meer dan zes opeenvolgende maanden.
In de gevallen voorzien in het eerste lid, nummers 4 en 5, dient het departementshoofd een opzeggingstermijn van 60 dagen in acht te nemen.
In het geval voorzien in het eerste lid, nummer 6, beloopt de opzeggingstermijn zes maanden, als het departementshoofd een ambtsanciënniteit van ten hoogste vijf jaar telt; voor elke begonnen termijn van vijf jaar wordt de duur van de opzeggingstermijn met drie maanden verlengd.
De in de voorafgaande leden voorgeschreven opzeggingstermijn kan in onderlinge overeenstemming worden verkort. De opzegging geschiedt per aangetekend schrijven met vermelding van de duur van de opzeggingstermijn. Het aangetekend schrijven heeft uitwerking vanaf de derde werkdag na de verzendingsdatum.
§ 3. Een departementshoofd dat ten minste 50 jaar oud is, wordt vast benoemd, indien :
1. hij een ambtsanciënniteit van ten minste vijf jaar telt;
2. op zijn laatste evaluatieverslag de vermelding "voldoende" als eindconclusie staat.
Artikel 91octies. Statuut
§ 1. Onverminderd het tweede lid is het departementshoofd tijdens de uitoefening van zijn ambt aan de artikelen 5 tot 14, 52, 54 tot en met 65, 122 tot en met 167, 168, nummer 2, en 169,,nummer 3, van voorliggend statuut onderworpen.
Het is het departementshoofd verboden :
1. een verlof te nemen of ter beschikking te worden gesteld, met uitzondering van volgende types van verlof en terbeschikkingstelling :
a) jaarlijks verlof,
b) omstandigheidsverlof,
c) buitengewoon verlof wegens overmacht,
d) bevallingsverlof,
e) verlof met het oog op adoptie of pleegvoogdij,
f) verlof wegens ziekte of gebrekkigheid,
g) verlof wegens een opdracht in het belang van het onderwijs,
h) terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid,
i) voltijdse terbeschikkingstelling om persoonlijke redenen voorafgaand aan de opruststelling;
2. een loopbaanonderbreking te nemen, behalve de deeltijdse of voltijdse loopbaanonderbreking wegens ouderschapsverlof, de loopbaanonderbreking om palliatieve zorgen te verstrekken en de loopbaanonderbreking voor verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid.
§ 2. De bepalingen van § 1 gelden ook voor een departementshoofd dat met toepassing van artikel 91septies, § 3, vast benoemd is.
Artikel 91nonies. Tijdelijke vervanging
§ 1. Indien het departementshoofd wegens een van de in artikel 91octies vermelde verloven of terbeschikkingstellingen vermoedelijk meer dan vijf opeenvolgende werkdagen afwezig zal zijn, kan de inrichtende macht hem voorlopig door een ander vast benoemd lid van het bestuurs-, onderwijzend, paramedisch of psychosociaal personeel vervangen dat de voorwaarden in artikel 91quater, behalve die vermeld onder nummer 3, vervult.
In de zin van vorig lid worden de volgende dagen niet als werkdagen beschouwd :
1. de schoolvrije dagen vermeld in artikel 58 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs en het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften;
2. de zomervakantiedagen die krachtens de verlofwetgeving tot het jaarlijks verlof behoren.
Indien het departementshoofd wegens een van de in artikel 91octies vermelde verloven of terbeschikkingstellingen vermoedelijk meer dan een jaar afwezig zal zijn, kan de inrichtende macht hem voorlopig door een persoon vervangen die de voorwaarden in artikel 91quater vervult. De procedure vermeld in de artikelen 91quinquies en 91sexies is van toepassing.
§ 2. Tijdens de periode van de voorlopige vervanging zijn de artikelen 91octies, § 1, eerste lid, 91decies, 91duodecies en 91terdiecies van toepassing op het personeelslid dat het departementshoofd vervangt.
Artikel 91decies. Wedde en premie
§ 1. Tijdens de aanstelling tot departementshoofd ontvangt hij een wedde op basis van de weddeschaal vermeld in weddeschaal 422 in de bijlage van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgelegd de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend, opvoedend hulp- en paramedisch evenals psychosociaal personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen, en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat.
§ 2. Wordt een personeelslid tot departementshoofd aangesteld, ontvangt hij in afwijking van § 1 verder zijn wedde evenals, ter compensatie, een maandelijkse premie die als volgt wordt berekend :
P = X - M
P = de premie
X = de in § 1 bedoelde wedde
M = de maandelijkse brutowedde van het personeelslid
De premie wordt tegelijk met de maandwedde en onder dezelfde voorwaarden uitbetaald.
§ 3. Wordt een buitenstaander tot departementshoofd aangesteld, dan ontvangt hij het vakantiegeld en een eindejaarspremie overeenkomstig de bepalingen die in het onderwijs gelden, waarbij het in § 1 vermeld bedrag als berekeningsbasis dient.
§ 4. Het bedrag vermeld in § 1 en § 2 is gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982, het koninklijk besluit van 24 december 1993 en de wetten van 2 januari 2001 en 19 juli 2001.
In geval van verlof wegens ziekte of gebrekkigheid wordt de premie verder uitbetaald.
Artikel 91uncies. Evaluatieverslag
§ 1. Voor een departementshoofd stelt het inrichtingshoofd ten minste om de vijf jaar een evaluatieverslag op. Te dien einde vindt een evaluatiegesprek plaats. Het departementshoofd kan om een evaluatie verzoeken.
Het departementshoofd stelt vooraf een verslag over de omzetting van het strategie- en actieplan en de verwezenlijking van de doelstellingen op dat als basis dient voor het evaluatiegesprek.
Op het evaluatieverslag staat de vermelding "onvoldoende", "niet tevredenstellend", "voldoende", "goed" of"zeer goed" als eindconclusie.
§ 2. Het verslag wordt in drie exemplaren aan het departementshoofd overhandigd, dat de drie exemplaren ondertekent en een ervan behoudt.
§ 3. Het departementshoofd kan het verslag onder voorbehoud ondertekenen en binnen een termijn van tien dagen na de afgifte ervan beroep bij de raad van beroep aantekenen.
Binnen een termijn van 45 dagen te rekenen vanaf de dag waarop de raad van beroep het beroep heeft ontvangen, zendt hij een met redenen omkleed advies aan de inrichtende macht.
Binnen de tien dagen na ontvangst van het advies overhandigt de inrichtende macht haar definitieve beslissing. Ze vermeldt, in voorkomend geval, de redenen waarom ze het advies niet volgt.
Het beroep is opschortend.
Artikel 91duodecies .Terugkeer
Voor zover het personeelslid in het gemeenschapsonderwijs vast benoemd is, bekleedt het op het einde van de aanstelling opnieuw zijn voormalig ambt, behalve in de gevallen vermeld in artikel 91septies, § 2, eerste lid, nummer 3, d), evenals nummer 4.
Artikel 91terdecies . In aanmerking komende diensten
Voor zover het om een personeelslid van het gemeenschapsonderwijs gaat, worden de diensten gepresteerd tijdens de uitoefening van het ambt als departementshoofd in aanmerking genomen om de dienstanciënniteit, de ambtsanciënniteit en de geldelijke anciënniteit vast te leggen."
Art. 48. In hoofdstuk VII, afdeling 6, worden in de titel van de afdeling evenals in artikel 121bis van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij decreet van 25 juni 2007, de woorden "school voor buitengewoon secundair onderwijs" door de woorden "school voor secundair onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 49. Artikel 121ter, eerste lid, nummer 2, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij decreet van 25 juni 2007, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"2. a) voor het ambt van studieprefect of directeur van een gewone secundaire school ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad bezitten; Bij gebrek aan een kandidaat met dit diploma is een diploma van het hoger onderwijs van de eerste graad voldoende;
b) voor het ambt van directeur van een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de eerste graad bezitten;"
Art. 50. In artikel 121quinquies, tweede lid, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij decreet van 25 juni 2007 en aangevuld door het decreet van 21 april 2008, wordt het woord "twaalf" door het woord "vierentwintig" vervangen.
Art. 51. In artikel 21septies, § 2, tweede lid, nummer 1, g), van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij decreet van 25 juni 2007, wordt het punt op het eind van de zin door een komma vervangen.
In hetzelfde lid, nummer 1, worden de letters h) en i) ingevoegd, als volgt luidend :
"h) verlof wegens een opdracht in het belang van het onderwijs,
i) voltijdse terbeschikkingstelling om persoonlijke redenen voorafgaand aan de opruststelling."
Art. 52. In artikel 121octies, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij decreet van 25 juni 2007, wordt het woord "twintig" door het woord "vijf" vervangen.
In dezelfde paragraaf wordt in het derde lid de woorden "gedurende meer dan een jaar" door de woorden "gedurende ten minste een jaar" vervangen.
Art. 53. In artikel 121nonies, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij decreet van 25 juni 2007 en gewijzigd bij decreet van 23 juni 2008, wordt het woord "inrichtingshoofd" door de woorden "inrichtingshoofd van een gewone secundaire school" en de woorden "tweede lid" door de woorden "derde lid" vervangen.
In dezelfde paragrafen wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"Tijdens de aanstelling tot inrichtingshoofd van een school voor secundair onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften ontvangt hij een wedde op basis van de weddeschaal vermeld in de bijlage 3 met een geldelijke anciënniteit van 19 jaar of met zijn werkelijke geldelijke anciënniteit, indien deze meer dan 19 jaar bedraagt, verhoogd met een maandelijkse premie van 428,48 EUR. De verhogingen voorzien in de weddeschaal worden om de twee jaar toegekend.
In dezelfde paragraaf wordt in het derde lid het woord "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
HOOFDSTUK X. - Wijziging van het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurspersoneel en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch onderwijs, kunstonderwijs en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen
Art. 54. In de titel van het koninklijk besluit van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurspersoneel en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch onderwijs, kunstonderwijs en normaalonderwijs, evenals der internaten die van deze inrichtingen afhangen wordt de woorden "en van het paramedisch personeel" door de woorden "van het paramedisch en psychosociaal personeel" vervangen en de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
Art. 55. Artikel 1 van hetzelfde besluit wordt door de volgende bepaling vervangen :
"Artikel 1. De vereiste diploma's bewijzen en brevetten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedingshulp-, paramedisch en psychosociaal personeel van de rijksinrichtingen voor onderwijs en van de internaten die van deze inrichtingen afhangen evenals van leden van de inspectiedienst belast met toezicht op deze inrichtingen in vijf niveaus onderverdeeld."
Art. 56. In hoofdstuk II van hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel 12.1 ingevoegd, luidend als volgt :
"Artikel 12.1. Voor de uitoefening van de ambten in het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften moeten de in het onderhavige hoofdstuk vermelde vereiste bekwaamheidsbewijzen worden aangevuld met een bewijs van het bestaan van een aanvullende opleiding op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, de heil- of orthopedagogie dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap uitgereikt wordt of met een respectievelijk meerdere bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig erkend worden. Deze aanvullende opleiding telt ten minste 10 ECTS-studiepunten en omvat het vak diagnostiek van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften evenals vakken op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en stimulerende didactische methodes op het vlak van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften."
Art. 57. Artikel 14, nummer 8, van hetzelfde koninklijk besluit wordt door de volgende bepaling vervangen :
"8. School- en leerbegeleider voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften :
a) Licentie of master in onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften;
b) Licentie of master in de heilpedagogie;
c) Licentie of master in de orthopedagogie;
d) Licentie of master in de pedagogie (specialisatie onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften);
e) Licentie of master in de psychopedagogie (specialisatie onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften);
f) Licentie of master in de psychologie (specialisatie onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften);
g) Licentie of master in de opvoedingswetenschappen.
Als vereist bekwaamheidsbewijs geldt eveneens elk diploma dat na een succesvolle beëindiging van een opleiding van het hoger onderwijs van de tweede graad werd uitgereikt en waarvan de hoofdvakken met het ambt van de school- en leerbegeleider voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in verband staan. De Regering onderscheidt in voorkomend geval op grond van een advies van de Pedagogische Inspectie-Begeleiding consultatie of het diploma de houder ervan voor de uitoefening van het ambt geschikt maakt."
Art. 58. In hetzelfde koninklijk besluit wordt een hoofdstuk IVbis ingevoegd, dat artikel 15.1 bevat, luidend als volgt :
"Hoofdstuk IVbis - Vereiste bekwaamheidsbewijzen van de leden van het psychosociaal personeel
Artikel 15.1. De vereiste bekwaamheidsbewijzen voor de hierna opgesomde ambten die de leden van het psychosociaal personeel van de rijksinrichtingen voor kleuter-, lager-, secundair en niet-universitair hoger onderwijs kunnen uitoefenen, worden als volgt bepaald :
1. Psychosociaal begeleider :
a) Licentie of master in de psychopedagogie;
b) Licentie of master in de psychologie;
c) Licentie of master in de sociale pedagogiek;
d) Licentie of master in het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften;
e) Licentie of master in de heilpedagogie;
f) Licentie of master in de orthopedagogie;
g) Licentie of master in de gezins- en seksuele wetenschappen;
h) Licentie of master in de opvoedingswetenschappen;
i) Licentie of master in de criminologie;
j) Licentie of master in de volwassenenvorming en de permanente vorming."
Als vereist bekwaamheidsbewijs geldt eveneens elk diploma dat na een succesvolle beëindiging van een opleiding van het hoger onderwijs van de tweede graad werd uitgereikt en waarvan de hoofdvakken met het ambt van de psychosociaal begeleider in verband staan. De Regering onderscheidt in voorkomend geval op grond van een advies van de Pedagogische Inspectie-Begeleiding of het diploma de houder ervan voor de uitoefening van het ambt geschikt maakt.
2. Maatschappelijk assistent : diploma van het hoger onderwijs van de eerste graad van maatschappelijk assistent."
HOOFDSTUK XI. - Wijziging van de wet van 6 juli 1970 over het buitengewoon en het geďntegreerd onderwijs
Art. 59. In artikel 1, eerste lid, van de wet van 6 juli 1970 over het buitengewoon en het geďntegreerd onderwijs, gewijzigd bij de wet van 11 maart 1986, wordt de eerste zin door de volgende woorden vervangen :
"De onderhavige wet is van toepassing op de in een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften ingeschreven kinderen en jongeren bij wie een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften werd vastgesteld overeenkomstig artikel 93.7 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs en het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften."
Art. 60. Artikel 4 van dezelfde wet, gewijzigd bij decreet van 1 juni 1992, wordt door de volgende bepaling vervangen :
"Artikel 4. De voordelen van deze wet zijn voorbehouden aan de leerlingen die ten minste drie jaar oud zijn of deze leeftijd uiterlijk op 31 december van het lopend schooljaar bereiken en op 30 juni van het lopend schooljaar ten hoogste eenentwintig jaar oud zijn."
Op grond van een positief advies van de raad van leraars kan het Comité voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, vermeld in artikel 93.24 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor het gewoon onderwijs en het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften toelaten dat de voordelen van deze wet eveneens gelden voor leerlingen die de leeftijd van eenentwintig jaar op 30 juni van het lopend schooljaar overschreden hebben. Deze toelating geldt voor een schooljaar en kan slechts een keer worden verleend."
HOOFDSTUK XII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke, protestantse, israëlitische, orthodoxe, islamitische en anglicaanse godsdienst der onderwijsinrichtingen van de Duitstalige Gemeenschap
Art. 61. In artikel 2 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraren en de inspecteurs katholieke, protestantse, israëlitische, orthodoxe, islamitische en anglicaanse godsdienst der onderwijsinrichtingen van de Duitstalige Gemeenschap worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen en de woorden "en paramedische" door de woorden "paramedische en psychosociale".
Art. 62. In artikel 4, § 1, eerste lid, nummer 5, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen door het decreet van 26 juni 2006 en gewijzigd bij decreet van 23 juni 2008, wordt een e) ingevoegd, luidend als volgt :
"e) Indien het om een lid van het onderwijzend personeel van een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften gaat, beschikt dit lid over het bewijs van het bestaan van een ten minste 10 ECTS-studiepunten tellende aanvullende opleiding op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, de heil- of orthopedagogie dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap wordt uitgereikt of over een respectievelijk meerdere bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig worden erkend."
Art. 63. In artikel 7bis, § 3, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij decreet van 21 april 2008, worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met speciale behoeften" vervangen en de woorden "en paramedische" door de woorden "paramedische en psychosociale".
Art. 64. In artikel 12, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij decreet van 26 juni 2006, wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"Het inrichtingshoofd kan zich voor de evaluatie van een personeelslid baseren op het schriftelijk verslag van een ander personeelslid dat zich in een bevorderings- of selectieambt bevindt en dat schriftelijk van hem de opdracht kreeg een dergelijk verslag over het werk van het betrokken personeelslid op te stellen."
Art. 65. In artikel 22sexies, eerste lid, nummer 5, van datzelfde koninklijk besluit, vervangen door het decreet van 26 juni 2006 en gewijzigd bij decreet van 23 juni 2008, wordt een letter e) ingevoegd, luidend als volgt :
"e) Indien het om een lid van het onderwijzend personeel van een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften gaat, beschikt dit lid over het bewijs van het bestaan van een ten minste 10 ECTS-studiepunten tellende aanvullende opleiding op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, de heil- of orthopedagogie dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap wordt uitgereikt of over een respectievelijk meerdere bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig worden erkend."
Art. 66. In artikel 28 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij decreet van 26 juni 2006, wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"Het inrichtingshoofd kan zich voor de evaluatie van een personeelslid baseren op het schriftelijk verslag van een ander personeelslid dat zich in een bevorderings- of selectieambt bevindt en dat schriftelijk van hem de opdracht kreeg een dergelijk verslag over het werk van het betrokken personeelslid op te stellen."
Art. 67. In artikel 32, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij decreet van 26 juni 2006 en gewijzigd bij decreet van 21 april 2008, worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen en de woorden "en paramedische" door de woorden "paramedische en psychosociale".
Art. 68. In artikel 47bis, § 4, van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij decreet van 23 juni 2008, worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs voor leerlingen met speciale behoeften" vervangen.
Art. 69. In artikel 48 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen bij decreet van 23 juni 2008, worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen en de woorden "en paramedische" door de woorden "paramedische en psychosociale".
HOOFDSTUK XIII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 29 mei 1972 betreffende de dagen bezoldigd ziekte- of bevallingsverloftoegekend aan het tijdelijk aangesteld bestuurs- en onderwijzend personeel, opvoedend hulppersoneel en paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs
Art. 70. In de titel van het koninklijk besluit van 29 mei 1972 betreffende de dagen bezoldigd ziekte- of bevallingsverlof toegekend aan het tijdelijk aangesteld bestuurs- en onderwijzend personeel, opvoedend hulppersoneel en paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs wordt de woorden "paramedisch personeel" door de woorden "paramedisch en psychosociaal personeel" vervangen en de woorden "buitengewoon onderwijs" door "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
HOOFDSTUK XIV. - Wijziging van het koninklijk besluit van 20 december 1973, genomen ter toepassing van artikel 161 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs-, onderwijzend, opvoedend hulp- en paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen
Art. 71. In de titel van het koninklijk besluit van 20 december 1973, genomen ter toepassing van artikel 161 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs-, onderwijzend, opvoedend hulp- en paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, evenals der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen wordt de woorden "en van het paramedisch personeel" vervangen door de woorden "van het paramedisch en psychosociaal personeel" en de woorden "buitengewoon onderwijs" door "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
HOOFDSTUK XV. - Wijziging van het koninklijk besluit van 15 januari 1974, genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs-, onderwijzend, opvoedend hulp- en paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen
Art. 72. In de titel van het koninklijk besluit van 15 januari 1974, genomen ter toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs-, onderwijzend, opvoedend hulp- en paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, evenals der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen wordt de woorden "en van het paramedisch personeel" vervangen door de woorden "van het paramedisch en psychosociaal personeel" en de woorden "buitengewoon onderwijs" door "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
Art. 73. In artikel 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit, laatst gewijzigd bij decreet van 21 april 2008, wordt de woorden "en van het paramedisch personeel" door de woorden "van het paramedisch en psychosociaal personeel" vervangen en de woorden "buitengewoon onderwijs" door "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
In hetzelfde eerste lid, nummer 1, vervangen bij decreet van 6 juni 2005, wordt na het woord "inrichtingshoofd" de woorden "departementshoofd van een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" ingevoegd.
In hetzelfde eerste lid, nummer 2, wordt na het woord "inrichtingshoofd" de woorden "departementshoofd van een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" ingevoegd.
In hetzelfde lid, nummer 4, eerste alinea, vervangen bij decreet van 6 juni 2005, wordt het woord "en" door een komma vervangen en wordt na de woorden "opvoedend hulppersoneel" de woorden "en van het psychosociaal personeel" ingevoegd.
In hetzelfde lid, nummer 4, c), tweede streepje, vervangen bij decreet van 6 juni 2005, wordt na de woorden "opvoedend hulppersoneel" de woorden "evenals van het psychosociaal personeel" ingevoegd.
HOOFDSTUK XVI. - Wijziging van het koninklijk besluit van 18 januari 1974, genomen ter toepassing van artikel 164 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs-, onderwijzend, opvoedend hulp- en paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen
Art. 74. In de titel en in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 januari 1974, genomen ter toepassing van artikel 164 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs-, onderwijzend, opvoedend hulp- en paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, evenals der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen wordt de woorden "en van het paramedisch personeel" vervangen door de woorden "van het paramedisch en psychosociaal personeel" en de woorden "buitengewoon onderwijs" door "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
HOOFDSTUK XVII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgelegd de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel en het paramedisch personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen, en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat
Art. 75. In de titel en in artikel 2, hoofdstuk C, "Bestuurs- en onderwijzend personeel van het lager secundair onderwijs" van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgelegd de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, het opvoedend hulppersoneel en het paramedisch personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen, en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen en de woorden "en paramedisch" door de woorden "paramedisch en psychosociaal".
HOOFDSTUK XVIII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 20 juni 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het kleuter- en lager onderwijs
Art. 76. In artikel 11 van het koninklijk besluit van 20 juni 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het kleuter- en lager onderwijs, laatst gewijzigd bij decreet van 23 juni 2008, wordt een tweede lid ingevoegd, luidend als volgt :
"Voor de uitoefening van de ambten in de categorie van het onderwijzend personeel in het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften moeten de in de onderhavige afdeling vermelde voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen worden aangevuld met een bewijs van het bestaan van een aanvullende opleiding op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, de heil- of orthopedagogie dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap uitgereikt wordt of met een respectievelijk meerdere bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig erkend worden. Deze aanvullende opleiding omvat ten minste 10 ECTS-studiepunten en omvat het vak diagnostiek van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften evenals vakken op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en stimulerende didactische methodes op het vlak van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften."
HOOFDSTUK XIX. - Wijziging van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs dat verstrekt wordt in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor middelbaar onderwijs en normaalonderwijs
Art. 77. In artikel 11, letter D, van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs dat verstrekt wordt in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor middelbaar onderwijs en normaalonderwijs, wordt een letter d) ingevoegd, luidend als volgt :
"Voor de uitoefening van de ambten in de categorie van het onderwijzend personeel in het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften moeten de in de onderhavige afdeling vermelde voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen worden aangevuld met een bewijs van het bestaan van een aanvullende opleiding op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, de heil- of orthopedagogie dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap uitgereikt wordt of met een respectievelijk meerdere bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig erkend worden. Deze aanvullende opleiding telt ten minste 10 ECTS-studiepunten en omvat het vak diagnostiek van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften evenals vakken op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en stimulerende didactische methodes op het vlak van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften."
HOOFDSTUK XX. - Wijziging van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in hetsecundair onderwijs dat verstrekt wordt in de gesubsidieerde vrije inrichtingen voor middelbaar onderwijs of voornormaalonderwijs, met inbegrip van het postsecundair psycho-pedagogisch jaar
Art. 78. In artikel 11, letter D, van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs dat verstrekt wordt in de gesubsidieerde vrije inrichtingen voor middelbaar onderwijs en normaalonderwijs, met inbegrip van het postsecundair psycho-pedagogisch jaar, wordt een letter d) ingevoegd, luidend als volgt :
"Voor de uitoefening van de ambten in de categorie van het onderwijzend personeel in het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften moeten de in de onderhavige afdeling vermelde voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen worden aangevuld met een bewijs van het bestaan van een aanvullende opleiding op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, de heil- of orthopedagogie dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap uitgereikt wordt of met een respectievelijk meerdere bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig erkend worden. Deze aanvullende opleiding telt ten minste 10 ECTS-studiepunten en omvat het vak diagnostiek van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften evenals vakken op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en stimulerende didactische methodes op het vlak van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften."
HOOFDSTUK XXI. - Wijziging van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het gesubsidieerd onderwijs, verstrekt in de gesubsidieerde inrichtingen voor secundair technisch en beroepsonderwijs met volledig leerplan en voor sociale promotie
Art. 79. In artikel 11, letter D, van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde inrichtingen voor secundair technisch en beroepsonderwijs met volledig leerplan en voor sociale promotie, laatst gewijzigd bij decreet van 23 juni 2008, wordt een nummer 7 ingevoegd, luidend als volgt :
"7. Voor de uitoefening van de ambten in de categorie van het onderwijzend personeel in het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften moeten de in de onderhavige afdeling vermelde voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen worden aangevuld met een bewijs van het bestaan van een aanvullende opleiding op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, de heil- of orthopedagogie dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap uitgereikt wordt of met een respectievelijk meerdere bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig erkend worden. Deze aanvullende opleiding telt ten minste 10 ECTS-studiepunten en omvat het vak diagnostiek van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften evenals vakken op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en stimulerende didactische methodes op het vlak van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften."
HOOFDSTUK XXII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 27 juli 1976 tot reglementering van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het gesubsidieerd onderwijs
Art. 80. In artikel 7bis, § 4, van het koninklijk besluit van 27 juli 1976 tot reglementering van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoelage in het gesubsidieerd onderwijs, ingevoegd bij decreet van 23 juni 2008, worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
HOOFDSTUK XXIII. - Wijziging van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en houdende vastlegging van de voorwaarden voor opname en behoud op de verschillende niveaus van het buitengewoon onderwijs
Art. 81. In de titel evenals in artikel 37bis, ingevoegd bij besluit van de Regering van 1 september 1993, van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en houdende vastlegging van de voorwaarden voor opname en behoud op de verschillende niveaus van het buitengewoon onderwijs worden de woorden "buitengewoon onderwijs" telkens door de woorden "onderwijs voor leerlingen met speciale behoeften" vervangen.
HOOFDSTUK XXIV. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 456 van 10 september 1986 houdende rationalisatie en programmatie van de internaten van het door de staat georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs
Art. 82. In artikel 7, eerste en tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 456 van 10 september 1986 houdende rationalisatie en programmatie van de internaten van het door de staat georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs, vervangen bij decreet van 7 mei 1990, worden de woorden "buitengewoon onderwijs" telkens door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
HOOFDSTUK XXV. - Wijziging van het decreet van 21 december 1987 tot aanmoediging van het verzorgd gebruik van de Duitse taal op school
Art. 83. In artikel 2, § 1, van het decreet van 21 december 1987 tot aanmoediging van het verzorgd gebruik van de Duitse taal op school worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
In § 2, streepjes 4 en 5, van hetzelfde artikel worden de woorden "school van het buitengewoon onderwijs" telkens door de woorden "school van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
HOOFDSTUK XXVI. - Wijziging van het koninklijk besluit van 4 september 1989 betreffende verloven voor verminderde prestaties toegestaan aan de personeelsleden van het Rijksonderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra van het Rijk die de leeftijd van vijftig jaar hebben bereikt of die ten minste twee kinderen hebben die de leeftijd van veertien jaar niet hebben overschreden en betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat
Art. 84. In artikel 1, nummers 1 en 2, van het koninklijk besluit van 4 september 1989 betreffende verloven voor verminderde prestaties toegestaan aan de personeelsleden van het Rijksonderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra van het Rijk die de leeftijd van vijftig jaar hebben bereikt of die ten minste twee kinderen hebben die de leeftijd van veertien jaar niet hebben overschreden en betreffende de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden die aan de pensionering voorafgaat worden de woorden "buitengewoon onderwijs" telkens vervangen door de woorden "voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
HOOFDSTUK XXVII. - Wijziging van het decreet van 27 juni 1990 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het personeel voor buitengewoon onderwijs worden bepaald
Art. 85. In de titel van het decreet van 27 juni 1990 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het personeel voor buitengewoon onderwijs worden bepaald worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 86. In de titel van hoofdstuk I en in artikel 1, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden "scholen voor buitengewoon onderwijs" telkens door de woorden "scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
In § 3 van hetzelfde artikel, vervangen bij decreet van 29 juni 1998, worden de woorden "buitengewoon onderwijs" telkens door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 87. In artikel 2, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden "scholen van het buitengewoon onderwijs" door de woorden "scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
In § 2, eerste lid, van hetzelfde artikel worden de woorden "buitengewoon basisonderwijs" door de woorden "basisonderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
In het tweede lid van dezelfde paragraaf worden de woorden "buitengewoon secundair onderwijs" door de woorden "secundair onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 88. Artikel 5ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 30 juni 2003, wordt door de volgende woorden vervangen :
"Artikel 5ter. Het overeenkomstig de artikelen 6, § 6, 21, 34, 37, § 3, en 44 van het vastgelegde lestijdenpakket is tijdens de schooljaren 2009-2010 tot en met 2013-2014 gelijk aan het lestijdenpakket dat aan de respectieve school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften voor het schooljaar 2008-2009 werd toegekend."
Art. 89. In hoofdstuk I van hetzelfde decreet worden in de titel van afdeling 2 de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 90. In artikel 6, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 91. In artikel 10, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij decreet van 25 juni 1991, worden de woorden "lagere school voor buitengewoon onderwijs" door de woorden "lagere school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Paragraaf 2 van hetzelfde artikel, vervangen bij decreet van 25 juni 1991, wordt door de volgende bepaling vervangen :
" § 2. Het inrichtingshoofd wordt vrijgesteld van het les geven, wanneer het totale aantal leerlingen 30 en meer bedraagt."
Art. 92. Artikel 11 van hetzelfde decreet wordt door de volgende bepaling vervangen :
"Artikel 11. Voor de in het lager onderwijs in aanmerking komende leerlingen kan aan bijzondere leermeesters godsdienst of niet-confessionele zedenleer de opdracht worden gegeven per georganiseerde klas twee lesuren godsdienst of niet-confessionele zedenleer te geven."
Art. 93. In artikel 13 en artikel 14, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "basisschool voor buitengewoon onderwijs" door de woorden "basisschool voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 94. Artikel 16 van hetzelfde decreet wordt als volgt gewijzigd :
1. Onder b) worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen;
2. Onder c) worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen;
3. Onder d) worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen;
4. Onder e) worden de woorden "school voor buitengewoon onderwijs" door de woorden "school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen;
5. Letter f) wordt door de volgende bepaling vervangen :
"f)De Pedagogische Inspectie-Begeleiding moet een met redenen omkleed advies verstrekt hebben."
Art. 95. Artikel 17 van hetzelfde decreet wordt door de volgende bepaling vervangen :
"Artikel 17. De Pedagogische Inspectie-Begeleiding controleert of het huisonderwijs tot de positieve ontwikkeling van de totale persoonlijkheid van de leerling bijdraagt en of het diens sociale integratie niet verhindert of bemoeilijkt."
Art. 96. In artikel 18, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden "school van het buitengewoon onderwijs" door de woorden "school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 97. In hoofdstuk I, afdeling 4, van hetzelfde decreet worden in de titel van de afdeling de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 98. In artikel 23, § 1, van hetzelfde decreet wordt de volgende zin toegevoegd :
"De directeur is van het lesgeven vrijgesteld."
Art. 99. Artikel 24 van hetzelfde decreet, vervangen bij decreet van 29 juni 1998, wordt door de volgende bepaling vervangen :
"Artikel 24. Indien het aantal regelmatige leerlingen van een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften op de laatste schooldag van september van het lopend schooljaar ten minste 150 bereikt, kunnen drie betrekkingen voor departementshoofd worden georganiseerd of gesubsidieerd.
De departementshoofden ressorteren onder de directeur."
Art. 100. In artikel 25 van hetzelfde decreet, vervangen bij decreet van 25 mei 1999, worden de woorden "secundaire school voor buitengewoon onderwijs" door de woorden "secundaire school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 101. In hoofdstuk II van hetzelfde decreet worden in de titel van het hoofdstuk de woorden "scholen van buitengewoon onderwijs" door de woorden "scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 102. In artikel 27, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden "scholen van het buitengewoon onderwijs" door de woorden "scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
In § 4 van hetzelfde artikel, vervangen bij decreet van 29 juni 1998, worden de woorden "buitengewoon onderwijs" telkens door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 103. In hoofdstuk II van hetzelfde decreet worden in de titel van afdeling 2 de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 104. Artikel 30, § 1 en § 2, van hetzelfde decreet wordt door de volgende bepaling vervangen :
" § 1. Een volwaardige betrekking als correspondent-boekhouder wordt de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften van het gemeenschapsonderwijs met meer dan 74 leerlingen op basisschoolniveau ingericht.
§ 2. Indien het aantal leerlingen minder dan 75 beloopt, worden voor de betrekking van correspondent-boekhouder per week 15 uren voorzien."
Art. 105. In artikel 31 van hetzelfde decreet worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 106. In artikel 31bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 27 juni 1994 en gewijzigd bij decreet van 7 januari 2002, worden de woorden "basisscholen van het buitengewoon onderwijs" telkens door de woorden "basisscholen van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 107. In hoofdstuk II, afdeling 2, van hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij decreet van 7 januari 2002, wordt een artikel 31ter ingevoegd, als volgt luidend :
"Artikel 31ter. In een basisschool voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften kan een halve betrekking van kleuteronderwijzer of leraar lager onderwijs in een halve betrekking van surveillant-opvoeder worden omgezet."
Art. 108. In hoofdstuk II van hetzelfde decreet worden in de titel van afdeling 3 de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 109. In artikel 34, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij decreet van 25 juni 1991, worden de woorden "secundaire school voor buitengewoon onderwijs" door de woorden "secundaire school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Paragraaf van hetzelfde artikel wordt als volgt gewijzigd :
1. In de inleidende zin wordt het woord "wordt" geschrapt;
2. Onder a) wordt voor de woorden "de derde organieke betrekking" wordt het woord "wordt" ingevoegd;
Art. 110. In hoofdstuk II van hetzelfde decreet wordt een afdeling 4, die het artikel 34.1 bevat, ingevoegd, luidend als volgt :
"Afdeling 4 - Gemeenschappelijke bepalingen voor het basis- en secundair onderwijs in het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften"
Artikel 34.1. Vanaf 1 januari 2010 kan in de categorie opvoedend hulppersoneel een betrekking als school- en leerbegeleider voor het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften worden georganiseerd of gesubsidieerd, indien het aantal regelmatige leerlingen van een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften op de laatste schooldag van september van het lopend schooljaar ten minste 150 beloopt. Indien het aantal leerlingen minder dan 150 beloopt, kan een halve betrekking als school- en leerbegeleider voor het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften worden georganiseerd of gesubsidieerd."
Art. 111. In de titel van hoofdstuk III van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 1 juni 1992, wordt na het woord "paramedische" de woorden "en psychosociale" ingevoegd en wordt de woorden "en van het sociaal personeel" geschrapt.
Art. 112. In artikel 35, § 1, van hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij decreet van 6 juni 2005, worden de woorden "sociaal personeel" door de woorden "psychosociaal personeel" vervangen en de woorden "het ambt van maatschappelijk assistent" door de woorden "de ambten van maatschappelijk assistent en van psychosociaal begeleider".
In § 2 van hetzelfde decreet, vervangen bij decreet van 1 juni 1992, worden de woorden "sociaal personeel" vervangen door de woorden "psychosociaal personeel" en de woorden "scholen van buitengewoon onderwijs" door de woorden "scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
In § 4 van hetzelfde artikel, vervangen bij decreet van 29 juni 1998, worden de woorden "buitengewoon onderwijs" telkens door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 113. In artikel 36, c), van hetzelfde decreet worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 114. In artikel 37, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 1 juni 1992, worden de woorden "scholen van buitengewoon onderwijs" door "scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen, na het woord "paramedisch" worden de woorden "en psychosociaal" ingevoegd en worden de woorden "en sociaal personeel" geschrapt.
Hetzelfde artikel wordt met een § 5 aangevuld, luidend als volgt :
" § 5. Het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig artikel 37, § 3, kan met maximaal twee betrekkingen voor psychosociaal begeleider worden verhoogd. Deze twee betrekkingen zijn het resultaat van de omzetting van maximaal twee betrekkingen van surveillant-opvoeder in een externaat."
Art. 115. In de titel van hoofdstuk IV van hetzelfde decreet worden de woorden "scholen van buitengewoon onderwijs" door de woorden "scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 116. In artikel 41 van hetzelfde decreet worden de woorden "scholen van het buitengewoon onderwijs" door de woorden "scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 117. In artikel 42 van hetzelfde decreet worden de woorden "school van het buitengewoon onderwijs" door de woorden "school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 118. In artikel 44, § 2, van hetzelfde decreet worden de woorden "buitengewoon onderwijs" telkens door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen en de woorden "school van buitengewoon onderwijs" door de woorden "school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
Art. 119. In hoofdstuk IV, afdeling 1, van hetzelfde decreet wordt een artikel 44.1 ingevoegd, luidend als volgt :
"Artikel 44.1. Aan een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften waar een internaat bij hoort, worden voor het ambt van surveillant-opvoeder van een internaat bijkomend 32 uur per week toegekend."
Art. 120. In artikel 48, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
In paragraaf 2 van hetzelfde artikel worden de woorden "school van buitengewoon onderwijs" door de woorden "school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 121. Artikel 53bis, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 23 oktober 2000, wordt door de volgende bepaling vervangen :
" § 1. Het lestijdenpakket kan binnen eenzelfde onderwijsinrichting van het ene onderwijsniveau op het andere evenals van de personeelscategorie op de andere worden overgedragen."
Art. 122. Artikel 53ter van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 17 mei 2004 en vervangen bij decreet van 23 juni 2008, wordt door de volgende bepaling vervangen :
"Artikel 53ter, § 1. Voor het schooljaar 2009-2010 wordt naast het lestijdenpakket verkregen overeenkomstig artikel 5ter een lestijdenpakket toegekend voor de integratie van leerlingen die met behoefte aan onderwijs voor leerlingen met speciale behoeften.
Dit lestijdenpakket wordt berekend door de voltijdse betrekkingen die in het kader van de gesubsidieerde contractuele personeelsledenvoor het schooljaar 2003-2004 toegekend werden met het oog op de integratie van de leerlingen met behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften, met de overeenstemmende administratieve delers te vermenigvuldigen. Onder administratieve delers verstaat men 28 voor een kleuteronderwijzer en 24 oor een leraar lager onderwijs.
§ 2. Elke door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften krijgt elk jaar school naast het overeenkomstig artikel 5ter verkregen lestijdenpakket een bepaald aantal vierden van een betrekking die volgens de volgende formule wordt berekend :
88 x A/B
A= Aantal op de laatste schooldag van januari van het voorgaande schooljaar in een gewone school ingeschreven regelmatige leerlingen die door de respectieve school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften werden begeleid en bij wie een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften vastgesteld werd, overeenkomstig artikel 93.7 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor de gewone scholen en de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
B = Totaal aantal van de op de laatste schooldag van januari van het voorgaande schooljaar in een gewone school ingeschreven regelmatige leerlingen bij wie overeenkomstig artikel 93.7 van hetzelfde decreet van 31 augustus 1998 een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften vastgesteld is.
Indien het eerste decimaal getal van het aantal vierden van een betrekking vastgelegd overeenkomstig het eerste lid kleiner dan 5 is, wordt tot het volgende vierde van een betrekking afgerond. Vanaf een waarde van 5 wordt tot het volgende vierde van een betrekking afgerond.
Het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig het eerste lid is slechts voor 50 % voor een benoeming in vast verband of een aanstelling in vast verband vrijgegeven.
Het overeenkomstig het eerste lid toegekende betrekkingenpakket kan geheel of gedeeltelijk door een door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften op een andere door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde school worden overgedragen, indien de betrokken inrichtende machten hiermee instemmen. De overdracht kan op gelijk welk ogenblik gebeuren en geldt voor het lopend schooljaar.
§ 3. Een bepaald aantal vierden van een betrekking van de som van het betrekkingenpakket vastgelegd overeenkomstig artikel 5ter en de voorgaande paragraaf moet voor de ondersteuning van de integratie van de leerlingen met behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften in het gewone onderwijs worden aangewend. Het aantal vierden van een betrekking die elke school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften voor de integratie dient te voorzien, wordt als volgt berekend :
138 x A/B
A = Aantal op de laatste schooldag van januari van het voorgaande schooljaar in een gewone school ingeschreven leerlingen die door de respectieve school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften werden begeleid en bij wie een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften vastgesteld werd, overeenkomstig artikel 93.7 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor de gewone scholen en de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften;
B = Totaal aantal van de op de laatste schooldag van januari van het voorgaande schooljaar in een gewone school ingeschreven leerlingen bij wie overeenkomstig artikel 93.7 van hetzelfde decreet van 31 augustus 1998 een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften vastgesteld is.
Indien het eerste decimaal getal van het aantal vierden van een betrekking vastgelegd overeenkomstig het eerste lid kleiner dan 5 is, wordt tot het volgende vierde van een betrekking afgerond. Vanaf een waarde van 5 wordt tot het volgende vierde van een betrekking afgerond.
Indien een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften met toepassing van § 2, vierde lid, een betrekkingenpakket aan een andere school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften wordt overgedragen, moet het overgedragen aantal betrekkingen van het volgens § 3, eerste lid, vastgelegde aantal vierden van een betrekking worden afgetrokken.
Indien een betrekkingenpakket door de ene school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften met toepassing van § 2, vierde lid, aan een andere school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften werd overgedragen, moet het overgedragen aantal vierden van een betrekking bij het volgens § 3, eerste lid, vastgelegde aantal vierden van een betrekking worden geteld.
§ 4. Ten minste 5 % van het volgens § 3 vastgelegde betrekkingenpakket mag slechts na verstrijken van 30 september van het lopend schooljaar worden aangewend.
Indien het eerste decimaal getal van het aantal vierden van een betrekking vastgelegd overeenkomstig het eerste lid kleiner dan 5 is, wordt tot het volgende vierde van een betrekking afgerond. Vanaf een waarde van 5 wordt tot het volgende vierde van een betrekking afgerond.
Onverminderd het eerste lid mogen ten minste vier vierden van een betrekking slechts na verstrijken van 30 september van het lopend schooljaar worden aangewend.
§ 5. De school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften verzekert bij de toewijzing van de integratie-uren dat de in een Franstalige afdeling van een gewone school ingeschreven leerlingen met een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften door personeelsleden worden begeleid die de Franse taal grondig beheersen.
§ 6. Indien de integratie van een leerling in een gewone school in de loop van een schooljaar wordt afgebroken, dan kan het voor de integratie van die leerling aangewende betrekkingenpakket tot het eind van het schooljaar op de nieuwe plaats van onderwijs van de leerling worden aangewend.
§ 7. De bepalingen van § 2 tot en met § 6 gelden voor de schooljaren 2010-2011 tot en met 2013-2014.
Art. 123. Artikel 53quater van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 6 juni 2005 en gewijzigd bij decreet van 25 juni 2007, wordt door de volgende bepaling vervangen :
"Artikel 53quater, § 1. Bovenop het overeenkomstig artikel 5ter vastgelegd lestijdenpakket krijgt een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften een bijkomende halve betrekking, indien zij op 30 september van het lopend schooljaar vijf leerlingen meer telt dan op 30 september 2008. Voor elke verdere begonnen schijf van vijf bijkomende leerlingen wordt een bijkomende halve betrekking toegekend.
Bovenop het overeenkomstig artikel 5ter vastgelegd lestijdenpakket krijgt een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften een bijkomende betrekking, indien zijn op 30 september van het lopend schooljaar zeven leerlingen meer telt dan op 30 september 2008. Voor elke verdere begonnen schijf van zeven bijkomende leerlingen wordt een bijkomende halve betrekking toegekend.
Het overeenkomstig het eerste lid berekende lestijdenpakket staat voor het lopend schooljaar ter beschikking.
§ 2. De bepalingen van § 1 gelden voor de schooljaren 2009-2010 tot en met 2013-2014.
HOOFDSTUK XXVIII. - Wijziging van het decreet van 18 april 1994 tot vaststelling van het bedrag van de werkingstoelagen voor het gesubsidieerd onderwijs
Art. 124. In artikel 2, eerste lid, van het decreet van 18 april 1994 tot vaststelling van het bedrag van de werkingstoelagen voor het gesubsidieerd onderwijs worden de woorden "scholen van buitengewoon onderwijs" door de woorden "scholen van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 125. In artikel 3, tweede lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 7 januari 2002, worden de woorden "buitengewoon basisonderwijs" door de woorden "basisonderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 126. Artikel 6 van hetzelfde decreet, vervangen bij decreet van 25 juni 2001, wordt door de volgende bepaling vervangen :
"Artikel 6. In het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften krijgt de inrichtende macht voor de organisatie van het toezicht tijdens het middaguur per vestiging voor de eerste begonnen groep van 40 regelmatige leerlingen een toelage van 8 EUR, wanneer de surveillant houder van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs is, respectievelijk een toelage van 6 EUR, wanneer de surveillant niet houder van een pedagogisch bekwaamheidsbewijs is.
Telt de school respectievelijk de vestiging meer dan 40 regelmatige leerlingen, dan heeft de inrichtende macht voor elke bijkomende begonnen groep van 40 regelmatige leerlingen recht op een bijkomende toelage volgens de in het eerste lid vastgelegde bedragen, wanneer zij voor het toezicht tijdens het middaguur bijkomende surveillanten inschakelt.
Als teldag voor de berekening geldt de laatste schooldag van september. Worden in aanmerking genomen de regelmatige kleuters die tot die dag gedurende ten minste tien schooldagen een halve dag aanwezig waren evenals de regelmatige leerlingen lager onderwijs.
De Regering kan van het in de leden 1 en 2 vermelde aantal regelmatige leerlingen afwijken, indien het toezicht wegens de infrastructuur van een vestiging onvoldoende kan worden gewaarborgd."
Art. 127. In nummer 4 van de bijlage van hetzelfde decreet worden de woorden "buitengewoon lager onderwijs" door de woorden "lager onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
HOOFDSTUK XXIX. - Wijziging van het decreet van 17 juli 1995 over het inschrijvings- en schoolgeld in het onderwijs
Art. 128. In artikel 2, § 1, van het decreet van 17 juli 1995 over het inschrijvings- en schoolgeld in het onderwijs worden de woorden "buitengewoon lager onderwijs" door de woorden "lager onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen en de woorden "buitengewoon secundair onderwijs" door de woorden "buitengewoon secundair onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
In § 2 van hetzelfde artikel worden de woorden "buitengewoon kleuteronderwijs" door de woorden "kleuteronderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
HOOFDSTUK XXX. - Wijziging van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor de gewone scholen
Art. 129. In de titel van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor de gewone scholen woorden "gewone scholen" door de woorden "gewone scholen en scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 130. In artikel 1 van hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij decreet van 23 maart 2009, worden de leden 1, 2 en 3 door de volgende woorden vervangen :
"Voorliggend decreet is van toepassing op het gewoon basisonderwijs en het basisonderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften evenals op het gewoon secundair onderwijs en het secundair onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften dat door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd wordt, met uitzondering van het aanvullend secundair beroepsonderwijs, waarvoor uitsluitend de artikelen 38 en 39 evenals 42 tot en met 45 van toepassing zijn.
De artikelen 23 tot en met 27, 28, 32, 57 tot en met 59 en 63 zijn eveneens van toepassing op het door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerd en gesubsidieerd secundair onderwijs met beperkt leerplan."
Art. 131. Artikel 4 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 17 mei 2004 en 16 juni 2008, wordt als volgt gewijzigd :
1. Nummer 3 wordt door de volgende woorden vervangen :
"3. School : inrichting voor vorming en opvoeding die door een inrichtingshoofd wordt geleid en onderwijs verstrekt overeenkomstig een studieprogramma vastgelegd of goedgekeurd door de Regering en waarbij voor leerlingen met behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften de onderwijsdoeleinden kunnen worden aangepast;"
2. Nummer 5 wordt vervangen als volgt :
"5; Personen belast met de opvoeding : personen die krachtens de wet of een gerechtelijke beslissing het ouderlijk gezag over het kind of de jongere uitoefenen;"
3. Nummer 18 wordt vervangen als volgt :
"18. Onderwijsniveau : indeling van het gewoon onderwijs of het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in kleuterafdeling, lagere school en secundaire school;"
4. Nummer 23 wordt vervangen als volgt :
"23. Leerling met behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften : leerling voor wie overeenkomstig artikel 93.7 een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften vastgesteld werd;"
5. Nummer 24 wordt vervangen als volgt :
"24. Pedagogische Inspectie-Begeleiding : personen door de Regering belast die bij toepassing van het decreet van 24 maart 2003 houdende oprichting van de pedagogische inspectie-begeleiding voor het onderwijs in de Duitstalige Gemeenschap en tot vastlegging van de opdrachten ervan controle- en begeleidingsopdrachten in het onderwijs waarnemen;"
6. Bij de nummers 28 tot en met 32 wordt de volgende woorden ingevoegd :
"28. Leergroep : groep lerenden die een leerinhoud verwerken of uitdiepen;
29. Integratieproject : scolarisatie van een leerling met een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften in de gewone school met gebruik van individueel vastgelegde personeels-, materiële en voor speciale onderwijsbehoeften bestemde didactische middelen;
30. Vergadering inzake onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften : vergadering van de personen belast met de opvoeding en van de vertegenwoordigers van de gewone school en de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, die de speciale onderwijsdoeleinden en de speciale onderwijsmaatregelen vastleggen evenals over de speciale onderwijsmiddelen en de plaats voor het speciale onderwijs aan een kind respectievelijk jongere met behoefte aan onderwijs voor leerlingen met speciale behoefte overleggen;
31. Individueel plan van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften : een onder de verantwoordelijkheid van het inrichtingshoofd opgesteld document waarmee de door diagnose gestuurde begeleiding van de leerprocessen wordt gewaarborgd. Uitgaand van de individuele sterke punten, de belangstelling en de reeds bestaande stand van de ontwikkeling worden de speciale onderwijsdoeleinden en de speciale onderwijsmaatregelen beschreven. Het plan van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften omvat bovendien een lijst van de namen van de leden van het bestuurs-, onderwijzend, opvoedend hulp- en paramedische evenals psychosociaal personeel dat met de uitvoering van het individueel plan van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften belast is. Het plan van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften wordt systematisch voor leerlingen met een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften ingezet;
32. Portfolio van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften : documentatie van alle gegevens die voor het speciale onderwijs van de leerling relevant zijn. Dit zijn in het bijzonder diagnostische adviezen, gegevens over de stand van de ontwikkeling van de leerling, getuigenissen, documenten en bewijzen van de tot nu toe genomen pedagogische en therapeutische maatregelen."
Art. 132. De titel van hoofdstuk II van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 16 juni 2008, wordt door de volgende woorden vervangen :
"Hoofdstuk II - Opdracht toevertrouwd door de maatschappij aan de inrichtende machten en aan het personeel van de gewone scholen en de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften"
Art. 133. In hoofdstuk II, afdeling 1, van hetzelfde decreet wordt een artikel 6.1 ingevoegd, luidend als volgt :
"Artikel 6.1. Individuele aanmoediging
Elke leerling heeft recht op een bij hem passende aanmoediging op school. Die aanmoediging heeft tot doel alle leerlingen, ook die met een beperking, met aanpassings- of leermoeilijkheden, bij het leren van schoolse, sociale en maatschappelijke vaardigheden te ondersteunen en aan te moedigen. Zij biedt de leerlingen hulp en oriëntatie bij de overname van waarden, instellingen en houdingen.
Een evaluatie van de vaardigheden en beperkingen van de leerlingen vormt de grondslag voor de uitvoering van de individuele aanmoediging. Bij de omzetting van de individuele aanmoediging komt het erop aan ervoor te zorgen dat deze in de natuurlijke leefomgeving van de leerlingen, zo dicht mogelijk bij zijn plaats van herkomst, zo veel mogelijk in een klas van een gewone school geďntegreerd en bij behoefte aan maatregelen op het vlak van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften door de organisatie van een integratieproject of een scolarisatie in een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften plaatsvindt. Met preventieve maatregelen zoals de vroegtijdige opsporing van een individuele behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften moet eveneens rekening worden gedragen."
Art. 134. In artikel 17, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 16 juni 2008, wordt een vijfde lid ingevoegd, luidend als volgt :
"De individuele aanmoediging van de leerling in de gewone scholen en de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften kan door middel van een individueel plan van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften worden ondersteund. Indien een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften overeenkomstig artikel 93.7 wordt vastgesteld, zijn de opstelling en aanpassing van een individueel plan voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften verplicht."
Art. 135. § 1. Artikel 20, tweede lid, nummers 1 en 2, van hetzelfde decreet worden door de volgende woorden vervangen :
"1. Een beschrijving van het pedagogisch totaalconcept met inbegrip van de pedagogische methoden en maatregelen voor de individuele aanmoediging van de leerlingen dat in de betrokken school respectievelijk leergroep wordt toegepast;
2. De pedagogische organisatiestructuur van de school, inzonderheid de criteria voor de indeling van de leerlingen in klassen respectievelijk leergroepen en de begeleiding van leerlingen bij wie een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften vastgesteld is;"
Artikel 20, tweede lid, nummer 5, van hetzelfde decreet wordt geschrapt.
§ 2. In hetzelfde artikel worden na het tweede lid twee nieuwe leden ingevoegd, luidend als volgt :
"Onverminderd het eerste lid bevat het schoolproject in de gewone scholen bovendien de beschrijving van de maatregelen die voor leerlingen met een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften worden getroffen, met inbegrip van de vormen van samenwerking met scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften of andere, door de Regering of door de Dienst voor Personen met een Handicap erkende diensten en inrichtingen.
Onverminderd het eerste lid bevat het schoolproject in de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften bovendien het proces voor de begeleiding van alle kinderen met behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften ongeacht hun respectieve plaats van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften."
Art. 136. De titel van hoofdstuk III van hetzelfde decreet wordt door de volgende woorden vervangen :
"Hoofdstuk III - Structuur van het gewoon onderwijs en van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften"
Art. 137. In hoofdstuk III van hetzelfde decreet wordt de titel van afdeling 1 door de volgende woorden vervangen :
"Afdeling 1 - De gewone basisschool"
Art. 138. In hoofdstuk III van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 23 juni 2008, wordt een afdeling 1bis, die artikel 21.1 bevat, ingevoegd, luidend als volgt :
"Afdeling 1bis - De basisschool voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
Artikel 21.1. Structuur
§ 1. De basisschool bestaat uit de kleuterafdeling en de lagere school.
§ 2. De kleuterafdeling is voor kinderen die nog niet schoolplichtig zijn.
De lagere school is voor schoolplichtige kinderen.
§ 3. Een kind bij wie overeenkomstig artikel 93.7 een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften werd vastgesteld, mag als regelmatig leerling in de kleuterafdeling worden ingeschreven, indien het nog niet schoolplichtig is en ten minste drie jaar oud is of deze leeftijd op 31 december van het lopend schooljaar bereikt.
In afwijking van het eerste lid kan een schoolplichtig kind tijdens het eerste jaar van de schoolplicht naar de kleuterafdeling gaan. De personen belast met de opvoeding nemen daaromtrent een beslissing na kennisname van een gemotiveerd advies van de raad van leraars en van het bevoegde psycho-medisch-sociaal centrum. Bij een kind dat nog niet naar de kleuterafdeling gaat, is enkel het advies van een psycho-medisch-sociaal centrum vereist. Dit besluit over het bezoek aan de kleuterafdeling kan een tweede keer worden uitgesproken.
§ 4. Een kind met woonplaats in het buitenland mag slechts in een kleuterafdeling worden ingeschreven :
1. indien het aan de in § 3 vastgelegde algemene toelatingsvoorwaarden voldoet;
2. na overlegging van een door het Bestuur voor Onderwijs goedgekeurde aanvraag waaruit blijkt dat bijzondere persoonlijke omstandigheden de inschrijving rechtvaardigen;
3. indien overeenkomstig artikel 32, § 3, desgevallend een inschrijvingsgeld werd betaald.
In afwijking van de voorwaarden opgenomen in het eerste lid 1, nummers 2 en 3, moet het kind dat zijn hun woonplaats in het ambtsgebied van een buitenlandse publiekrechtelijke entiteit heeft noch een door het Ministerie goedgekeurde aanvraag overleggen noch een inschrijvingsgeld betalen, indien deze entiteit evenredig bijdraagt in de personeels- en werkingskosten die de Duitstalige Gemeenschap voor deze kleuterafdeling moet dragen en op voorwaarde dat die kostenbijdrage in een schriftelijke overeenkomst vastgelegd is.
Het eerste lid, nummer 2, is niet van toepassing op een kind dat in een vreemdelingen-, wacht- of bevolkingsregister van een Belgische gemeente ingeschreven is.
§ 5. Een leerling bij wie overeenkomstig artikel 93.7 een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften werd vastgesteld, mag als regelmatig leerling in de lagere school worden ingeschreven, indien hij op 31 december van het lopend schooljaar ten minste zes jaar oud is en de leeftijd van vijftien jaar nog niet overschreden heeft. Een leerling die houder is van het bewijs van basisonderwijs mag niet tot de lagere school worden toegelaten.
De leerling bezoekt de lagere school tijdens zes schooljaren.
In afwijking van het tweede lid kan de raad van leraars beslissen dat de leerling op de lagere school een bijkomend jaar volgt. Wanneer een leerling van school verandert, is deze beslissing bindend voor alle scholen.
In afwijking van het tweede lid kunnen de personen belast met de opvoeding op voordracht van de raad van leraars en op grond van een advies uitgebracht door het psycho-medisch-sociaal centrum beslissen dat hun kind een achtste jaar in de lagere school doorbrengt. Deze beslissing tot verder bezoek aan de lagere school kan een tweede keer worden uitgesproken.
§ 6. Alvorens hij zich in de lagere school mag inschrijven, legt de leerling die zijn woonplaats in het buitenland heeft en die dealgemene toelatingsvoorwaarden vastgelegd in § 5, eerste lid, vervult, een attest voor dat door de bevoegde schooloverheid van de Staat waar hij zijn woonplaats heeft, wordt afgegeven en waaruit blijkt dat hij in België een lagere school mag bezoeken. Dit attest dient slechts bij de eerste inschrijving te worden voorgelegd.
Om in een lagere school in de Duitstalige Gemeenschap te worden ingeschreven moet de in het buitenland woonachtige leerling bovendien aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
1. Een van de ouders van de leerling heeft een betrekking in de Duitstalige Gemeenschap volgens een arbeidscontract ten belope van ten minste zes maanden;
2. Een broer of zus van de leerling is reeds in dezelfde school van de Duitstalige Gemeenschap ingeschreven;
3. Er is een overmacht van pedagogische of sociale aard die door de Regering moet worden goedgekeurd.
Voor leerlingen wier woonplaats onder de bevoegdheid van een publiekrechtelijke buitenlandse gebiedsomschrijving valt, zijn de toelatingsvoorwaarden vermeld in het tweede lid niet van toepassing, voor zover er een dienovereenkomstige schriftelijke overeenkomst tussen deze gebiedsomschrijving en de Duitstalige Gemeenschap bestaat.
De leden 1 tot 3 zijn niet van toepassing op de leerling die in het vreemdelingen-, wacht- of bevolkingsregister van een Belgische gemeente ingeschreven is.
§ 7. De in § 3 en § 5 vermelde algemene toelatingsvoorwaarden gelden onverminderd de bepalingen van hoofdstuk IV, afdeling 1.
§ 8. Op het eind van de lagereschooltijd beslist de raad van leraars over de uitreiking van het getuigschrift."
Art. 139. In hoofdstuk III van hetzelfde decreet wordt de titel van afdeling 2 door de volgende woorden vervangen :
"Afdeling 2 - De gewone secundaire school"
Art. 140. In hoofdstuk III van hetzelfde decreet wordt een afdeling 2bis, dat artikel 22.1 bevat, ingevoegd, luidend als volgt :
"Afdeling 2bis - De secundaire school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
Artikel 22.1. Structuur
§ 1. Een leerling bij wie overeenkomstig artikel 93.7 een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften werd vastgesteld, mag als regelmatig leerling in de secundaire school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften worden ingeschreven, indien hij op 31 december van het lopend schooljaar ten minste twaalf jaar oud is en op 30 juni van het lopend schooljaar de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet overschreden heeft.
In afwijking van het eerste lid kan het in artikel 93.24 vermelde Comité voor Onderwijs aan Leerlingen met Speciale Behoeften op grond van een positief advies uitgebracht door de raad van leraars de goedkeuring verlenen om een leerling die op 30 juni van het lopend schooljaar de leeftijd van eenentwintig jaar overschreden heeft een bijkomend jaar in de secundaire school te laten doorbrengen. Het hoofd van de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften staat in voor het indienen van het verzoek tot verlening van de goedkeuring bij het Comité voor Onderwijs aan Leerlingen met Specifieke Behoeften.
§ 2. De in § 1 vermelde algemene toelatingsvoorwaarden gelden onverminderd de bepalingen van hoofdstuk IV, afdeling 1, van dit decreet.
§ 3. Alvorens hij zich in de secundaire school mag inschrijven, legt de leerling die zijn woonplaats in het buitenland heeft en die dealgemene toelatingsvoorwaarden vastgelegd in § 1, eerste lid, vervult, een attest voor dat door de bevoegde schooloverheid van de Staat waar hij zijn woonplaats heeft, wordt afgegeven en waaruit blijkt dat hij in België een secundaire school mag bezoeken. Dit attest dient slechts bij de eerste inschrijving te worden voorgelegd.
§ 4. In het secundair onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften kunnen drie onderwijsvormen worden georganiseerd :
1. Secundair onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften voor sociale aanpassing;
2. Secundair onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften voor sociale en beroepsaanpassing;
3. Secundair beroepsonderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften.
§ 5. De overstap van een leerling naar een andere onderwijsvorm gebeurt op grond van een gemotiveerde beslissing van de raad van leraars die deze op grond van een advies van het bevoegde psycho-medisch-sociaal centrum neemt."
Art. 141. De titel van hoofdstuk IV van hetzelfde decreet wordt door de volgende woorden vervangen :
"Hoofdstuk IV - De leerlingen in het gewoon onderwijs en het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften"
Art. 142. Artikel 33, nummer 8, van hetzelfde decreet wordt door de volgende woorden vervangen :
"8. Desgevallend de maatregelen die door de gewone school voor de daar ingeschreven leerlingen met een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften worden getroffen, met inbegrip van de vormen van samenwerking met de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften."
Art. 143. In artikel 34, derde lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 23 oktober 2000, wordt het woord "inspectie" telkens door de woorden "Pedagogische Inspectie-Begeleiding" vervangen.
Art. 144. In artikel 38, § 2, nummer 1, van hetzelfde decreet wordt het woord "inspectie" door de woorden "Pedagogische Inspectie-Begeleiding" vervangen.
Art. 145. In artikel 39, § 3, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de eerste zin door de volgende woorden vervangen :
"Het beroep wordt per aangetekend schrijven bij de leidinggevende ambtenaar van het Bestuur voor Onderwijs ingediend die de raad van beroep onmiddellijk bijeenroept."
Art. 146. De titel van hoofdstuk IV van hetzelfde decreet wordt door de volgende woorden vervangen :
"Hoofdstuk V - Medebeslissing in de gewone scholen en de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften"
Art. 147. In artikel 49, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "van het onderwijzend en opvoedend personeel" door de woorden "van het onderwijzend, opvoedend hulp-, paramedisch en psychosociaal personeel" vervangen.
In hetzelfde artikel worden in het tweede lid de woorden "onderwijzend en opvoedend personeel" door de woorden "onderwijzend, opvoedend hulp-, paramedisch en psychosociaal personeel" vervangen.
In hetzelfde artikel wordt het zesde lid door de volgende bepaling vervangen :
"Alle leden van het onderwijzend, opvoedend hulp-, paramedisch en psychosociaal personeel, met inbegrip van de personeelsleden die tijdelijk en krachtens een schriftelijk arbeidscontract tot het einde van het schooljaar zijn aangesteld of in dienst genomen, zijn kiesgerechtigd en verkiesbaar."
Art. 148. § 1. In artikel 51 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 16 december 2002, wordt een nummer 15 ingevoegd, luidend als volgt :
"15. Ondersteuning van de externe evaluatie van de school".
§ 2.In hetzelfde artikel worden de leden 2 en 3 ingevoegd, luidend als volgt :
"In de gewone school ontwikkelt de Pedagogische Raad een concept voor de differentiërende aanmoediging van leerlingen met leermoeilijkheden evenals ter integratie van leerlingen met een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften.
In de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften geeft de Pedagogische Raad voorstellen ter ondersteuning van de gewone scholen bij de omzetting van de integratieprojecten."
Art. 149. Artikel 52 van hetzelfde decreet wordt door de volgende bepaling vervangen :
"Artikel 52. Opstellen van processen-verbaal
De voorstellen van de Pedagogische Raad worden in een register van de processen-verbaal opgetekend dat het Bestuur voor Onderwijs ter inzage ter beschikking staat."
Art. 150. Artikel 86, eerste en tweede lid, van hetzelfde decreet wordt door de volgende bepaling vervangen :
"Het inrichtingshoofd of zijn vertegenwoordiger evenals alle met de rechtstreekse begeleiding van de leerling belaste leden van het onderwijzend, opvoedend hulp- en paramedisch evenals psychosociaal personeel zijn stemgerechtigd lid van de dienovereenkomstige raad van leraars; een vertegenwoordiger van het psycho-medisch-sociaal centrum neemt als raadgevend lid aan de vergaderingen van de raad van leraars deel. De raad van leraars kan externe adviseurs consulteren.
Het inrichtingshoofd of zijn vertegenwoordiger is voorzitter van de raad van leraars. De voorzitter ziet erop toe dat de wettelijke en reglementaire bepalingen worden nageleefd."
Art. 151. In artikel 90 van hetzelfde decreet wordt het woord "basisschool" door de woorden "gewone basisschool" vervangen.
Art. 152. In artikel 91 van hetzelfde decreet worden de woorden "secundaire school" door de woorden "gewone secundaire school" vervangen en de woorden "secundair onderwijs" door de woorden "gewoon secundair onderwijs".
Art. 153. In artikel 92 van hetzelfde decreet worden in de titel en in de tekst de woorden "secundaire school" door de woorden "gewone secundaire school" vervangen en de woorden "bezoek aan een secundaire school" door de woorden "bezoek aan een gewone secundaire school".
Art. 154. In artikel 93 van hetzelfde decreet worden de woorden "secundaire school" door de woorden "gewone secundaire school" vervangen.
Art. 155. In artikel 96, nummer 18, van hetzelfde decreet wordt het punt op het eind van de zin door een komma vervangen.
Hetzelfde artikel wordt met een nummer 19 aangevuld, luidend als volgt :
"19. De coördinatie van maatregelen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften."
Art. 156. In hoofdstuk IV, afdeling 1, van hetzelfde decreet wordt een artikel 96.1 ingevoegd, luidend als volgt :
"Artikel 96.1. Departementshoofd van een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
De opdracht van het departementshoofd van een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften omvat vooral de volgende taken :
1. pedagogische en organisatorische leiding over het door het inrichtingshoofd toegewezen takenpakket;
2. coördinatie van de maatregelen op het vlak van onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften;
3. ondersteuning van het inrichtingshoofd bij de omzetting van het maatschappelijk project, het opvoedkundig project en het schoolproject;
4. ondersteuning van het inrichtingshoofd bij het beheer van de school, het opmaken van de wekelijkse en jaarlijkse uurroosters, de organisatie van toezicht en vertegenwoordigingen evenals bij andere administratieve taken;
5. ondersteuning van het inrichtingshoofd bij het leiden en begeleiden van het personeel van de school;
6. coördinatie bij de implementering van de kerncompetenties en kaderplannen;
7. coördinatie bij de aanschaf van didactisch materiaal;
8. bevordering van de teamvorming in het personeelskader;
9. ontvangst en bijdrage tot een snelle integratie van nieuwe leerpersonen;
10. samenwerking met de personeelsleden, de Pedagogische Raad en de andere vertegenwoordigingsorganen van de school;
11. samenwerking met de psycho-medisch-sociale centra;
12. advies aan leerlingen en de personen belast met hun opvoeding;
13. persoonlijke permanente vorming en voortgezette opleiding;
14. taken die tot de verwezenlijking van het schoolproject bijdragen."
Art. 157. In artikel 98 van hetzelfde decreet worden de leden 2 en 3 ingevoegd, luidend als volgt :
"Onverminderd het eerste lid omvat de opdracht van de school- en leerbegeleider voor het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften de volgende taken :
1. Bijstand en advisering bij de opstelling van individuele plannen voor onderwijs aan leerlingen met speciale behoeften respectievelijk bij de aanpassing van de leerdoelstellingen;
2. Begeleiding en advisering van de personeelsleden met het oog op de omgang met leerlingen die een verschillende leersituatie hebben;
3. Begeleiding en advisering bij het inzetten van methoden en materialen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften;
4. Ontwikkeling van individuele leerstrategieën bij individuele leerlingen;
5. Initiëren en ontwikkelen van bijscholingen op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in samenwerking met de Autonome Hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap.
De school- en leerbegeleider voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften neemt deze taken op het vlak van de specifieke bevordering in de gewone school en in het Centrum voor Onderwijs aan Leerlingen met Speciale Behoeften waar."
Art. 158. In hoofdstuk IV, afdeling 1, van hetzelfde decreet wordt een artikel 98.1 ingevoegd, luidend als volgt :
"Artikel 98.1. Paramedisch personeel
§ 1. De opdracht van de verpleger omvat vooral de volgende taken :
1. De verzorgingsopdracht, dat wil zeggen de bevordering van het algemeen welzijn van de leerling, de door de dokter gelaste medische hulp, de eerste hulp bij ongelukken en ziekte, de coördinatie en begeleiding van de bezoeken aan de schoolarts evenals de coördinatie en het doorgeven van inlichtingen van medische aard tussen ouders en school;
2. De opvoedende opdracht, dat wil zeggen de regelmatige begeleiding van de leerling, de ontwikkeling en bevordering van zijn persoonlijke en sociale vaardigheden, inzonderheid de bevordering van zijn zelfstandigheid op het vlak van de lichaamsverzorging en de voeding en de hulp bij toiletbezoek van de meervoudig lichamelijk gehandicapte leerlingen;
3. De regelmatige deelname aan bijscholingen;
4. De deelname aan pedagogische conferenties;
5. De deelname aan personeelsvergaderingen, vergaderingen van de raad van leraars en coördinatievergaderingen;
6. Vertegenwoordigingen;
7. De organisatie van oudercontacten, de deelname aan spreekuren voor ouders evenals de samenwerking met de personen belast met de opvoeding;
8. De medewerking aan de interne en externe evaluatie van de school;
9. De samenwerking met de psycho-medisch-sociale centra en andere begeleidingsdiensten;
10. De taken die tot de verwezenlijking van het schoolproject bijdragen.
§ 2. De opdracht van de kinderverzorger omvat vooral de volgende taken :
1. De verzorgingshulpopdracht, dat wil zeggen de bevordering van het algemeen welzijn van de leerling, de eerste hulp bij ongelukken en ziekte, de coördinatie en begeleiding van de bezoeken aan de schoolarts evenals de coördinatie en het doorgeven van inlichtingen van medische aard tussen ouders en school;
2. De opvoedende opdracht, dat wil zeggen de regelmatige begeleiding van de leerling, de ontwikkeling en bevordering van zijn persoonlijke en sociale vaardigheden, inzonderheid de bevordering van zijn zelfstandigheid op het vlak van de lichaamsverzorging en de voeding en de hulp bij toiletbezoek van de meervoudig lichamelijk gehandicapte leerlingen;
3. De regelmatige deelname aan bijscholingen;
4. De deelname aan pedagogische conferenties;
5. De deelname aan personeelsvergaderingen, vergaderingen van de raad van leraars en coördinatievergaderingen;
6. Vertegenwoordigingen;
7. De organisatie van oudercontacten, de deelname aan spreekuren voor ouders evenals de samenwerking met de personen belast met de opvoeding;
8. De medewerking aan de interne en externe evaluatie van de school;
9. De samenwerking met de psycho-medisch-sociale centra en andere begeleidingsdiensten;
10. De taken die tot de verwezenlijking van het schoolproject bijdragen.
§ 3. De opdracht van de logopedisten, kinesitherapeuten en ergotherapeuten omvat vooral de volgende taken :
1. De therapie-opdracht, dat wil zeggen het onderzoeken van de uitgangssituatie van de leerlingen en het verstrekken van een individueel therapieplan rekening houdend met de richtlijnen van de dokter, het inzetten van aangepaste methoden en technieken, de samenwerking met de klasleraar en de ouders evenals het bijhouden van individuele dossiers voor iedere leerling;
2. De opvoedende opdracht, dat wil zeggen de regelmatige en persoonlijke begeleiding van de leerling, de ontwikkeling en bevordering van zijn persoonlijke en sociale vaardigheden door aangepaste vormen van therapie;
3. De regelmatige deelname aan bijscholingen;
4. De deelname aan pedagogische conferenties;
5. De deelname aan personeelsvergaderingen, vergaderingen van de raad van leraars en coördinatievergaderingen;
6. Vertegenwoordigingen;
7. De organisatie van oudercontacten, de deelname aan spreekuren voor ouders evenals de samenwerking met de personen belast met de opvoeding;
8. De medewerking aan de interne en externe evaluatie van de school;
9. De samenwerking met de psycho-medisch-sociale centra en andere begeleidingsdiensten;
10. De taken die tot de verwezenlijking van het schoolproject bijdragen.
Onverminderd het vorige lid omvat de opdracht van de kinesitherapeuten en de ergotherapeuten bovendien de hulp aan meervoudig lichamelijk gehandicapte leerlingen bij het toiletbezoek."
Art. 159. In hoofdstuk IX, afdeling 1, van hetzelfde decreet wordt een artikel 98.2 ingevoegd, luidend als volgt :
"Artikel 98.2. Psychosociaal personeel
§ 1. De opdracht van de psychosociale begeleider omvat vooral de volgende taken :
1. De psychosociale begeleiding van leerlingen met opvallend gedrag en met emotionele en gedragsstoornissen;
2. De advisering van en hulp aan personeelsleden bij de beheersing van moeilijke opvoedingssituaties;
3. De opvoedende opdracht, dat wil zeggen de regelmatige en persoonlijke begeleiding van de leerling en de ontwikkeling en bevordering van zijn persoonlijke en sociale vaardigheden door de ontwikkeling van zijn verantwoordelijkheidsbesef;
4. De regelmatige deelname aan bijscholingen;
5. De deelname aan pedagogische conferenties;
6. De deelname aan personeelsvergaderingen, vergaderingen van de raad van leraars en coördinatievergaderingen;
7. Vertegenwoordigingen;
8. De organisatie van oudercontacten, de deelname aan spreekuren voor ouders evenals de samenwerking met de personen belast met de opvoeding;
9. De medewerking aan de interne en externe evaluatie van de school en van het eigen werk;
10. De samenwerking met de psycho-medisch-sociale centra en andere begeleidingsdiensten;
11. De taken die tot de verwezenlijking van het schoolproject bijdragen."
§ 2. De opdracht van de maatschappelijk assistent omvat vooral de volgende taken :
1. De sociale opdracht, dat wil zeggen het probleemgericht opvoedende en adviserende werk, de hulp bij de preventie, beheersing en oplossing van sociale problemen evenals de coördinatie tussen school, ouders en verschillende sociale instellingen;
2. De opvoedende opdracht, dat wil zeggen de regelmatige en persoonlijke begeleiding van de leerling, de ontwikkeling en bevordering van zijn persoonlijke en sociale vaardigheden door aangepast advies;
3. De beroepsoriëntatie van de leerling in samenwerking met de Dienst voor Personen met een Handicap, inzonderheid de planning en begeleiding van de stages samen met de leerling, de personen belast met de opvoeding en de leraars;
4. Vertegenwoordigingen;
5. De regelmatige deelname aan bijscholingen;
6. De deelname aan pedagogische conferenties;
7. De deelname aan personeelsvergaderingen, vergaderingen van de raad van leraars en coördinatievergaderingen;
8. De organisatie van oudercontacten, de deelname aan spreekuren voor ouders evenals de samenwerking met de personen belast met de opvoeding;
9. De medewerking aan de interne en externe evaluatie van de school;
10. De samenwerking met de psycho-medisch-sociale centra en andere begeleidingsdiensten;
11. De taken die tot de verwezenlijking van het schoolproject bijdragen."
Art. 160. In artikel 100 van hetzelfde decreet wordt het woord "inspectie" door de woorden "Pedagogische Inspectie-Begeleiding" vervangen.
HOOFDSTUK XXXI - Wijziging van het decreet van 14 december 1998 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en van het gesubsidieerd vrij psycho-medisch-sociaal centrum
Art. 161. In artikel 33, eerste lid, nummer 5, van het decreet van 14 december 1998 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en van het gesubsidieerd vrij psycho-medisch-sociaal centrum, gewijzigd bij decreet van 23 juni 2008, wordt een letter e) ingevoegd, luidend als volgt :
"e) Indien het om een lid van het onderwijzend personeel van een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften gaat, beschikt dit lid over het bewijs van het bestaan van een ten minste 10 ECTS-studiepunten tellende aanvullende opleiding op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, de heil- of orthopedagogie dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap wordt uitgereikt of over een respectievelijk meerdere bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig worden erkend."
Hetzelfde artikel wordt met een vijfde lid aangevuld, luidend als volgt :
"In afwijking van het eerste lid, nummer 5, mogen voor het ambt van school- en leerbegeleider voor onderwijs aan leerlingen met speciale behoeften en voor het ambt van psychosociaal begeleider enkel personen worden aangesteld die op het ogenblik van de aanstelling houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voor voldoende geachte bekwaamheidsbewijs dat aan het te begeven ambt beantwoordt."
Art. 162. In artikel 39bis, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 26 juni 2006, wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"Het inrichtingshoofd kan zich voor de beoordeling van een personeelslid baseren op het schriftelijk verslag van een ander personeelslid dat zich in een bevorderings- of selectieambt bevindt en dat schriftelijk van hem de opdracht kreeg een dergelijk verslag over het werk van het betrokken personeelslid op te stellen."
Art. 163. In artikel 47bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 26 juni 2006, wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"In afwijking van het eerste lid kan onder de volgende voorwaarden een omwisseling tussen het gewone onderwijs en het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften voor een ander ambt plaatsvinden :
1. Het ambt waarvan de uitoefening in het kader van de omwisseling wordt aangevraagd, draagt de dezelfde benaming als het ambt waarvoor het personeelslid vast benoemd is;
2. Het personeelslid bezit het vereiste bekwaamheidsbewijs voor de uitoefening van het ambt waarvan de uitoefening in het kader van de omwisseling wordt aangevraagd."
Art. 164. In artikel 48, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij decreet van 26 juni 2006 en aangevuld bij decreet van 21 april 2008, wordt na het vierde lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"In afwijking van het vierde lid kan onder de volgende voorwaarden een overplaatsing van het gewoon onderwijs naar het onderwijs aan leerlingen met speciale behoeften en omgekeerd voor een ander ambt plaatsvinden :
1. Het ambt waarin het personeelslid wenst te worden overgeplaatst, draagt dezelfde benaming als het ambt waarvoor het vast benoemd is;
2. Het personeelslid bezit het vereiste bekwaamheidsbewijs voor de uitoefening van het ambt waarin hij wenst te worden overgeplaatst."
Art. 165. In artikel 49, § 1, eerste lid, nummer 5, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 23 juni 2008, wordt een letter e) ingevoegd, luidend als volgt :
"e) Indien het om een lid van het onderwijzend personeel van een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften gaat, beschikt dit lid over het bewijs van het bestaan van een ten minste 10 ECTS-studiepunten tellende aanvullende opleiding op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, de heil- of orthopedagogie dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap wordt uitgereikt of over een respectievelijk meerdere bewijzen die door de Regering als gelijkwaardig worden erkend."
Dezelfde paragraaf wordt met een vierde lid aangevuld, luidend als volgt :
"In afwijking van het eerste lid, nummer 5, mogen voor het ambt van school- en leerbegeleider voor onderwijs aan leerlingen met speciale behoeften en voor het ambt van psychosociaal begeleider enkel personen vast worden benoemd die op het ogenblik van de benoeming houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voor voldoende geachte bekwaamheidsbewijs dat aan het te begeven ambt beantwoordt."
Art. 166. In titel I van hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk IVbis, dat de artikelen 62.2 tot en met 62.12 bevat, ingevoegd, luidend als volgt :
"Hoofdstuk IVbis - Bijzondere bepalingen voor departementshoofden van een secundaire school voor onderwijs aan leerlingen met speciale behoeften
Artikel 62.2. Principe
In afwijking van hoofdstuk IV wordt het ambt van departementshoofd van een secundaire school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, hierna departementshoofd genoemd, begeven aan de hand van een aanstelling voor onbepaalde duur en van een vaste benoeming overeenkomstig de onderstaande voorwaarden.
Artikel 62.3. Toelatingsvoorwaarden
Personen mogen dit ambt uitoefenen, als ze :
1. aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
a) burger van de Europese Unie of familielid van een Unieburger zijn in de zin van artikel 4, § 2, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs; de Regering kan een afwijking toestaan;
b) b) de status van langdurig ingezeten onderdaan van een derde land hebben krachtens de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
c) c) de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus hebben krachtens de bepalingen van dezelfde wet van 15 december 1980;
d) de verblijfstitel met toepassing van de artikelen 61/2 tot en met 61/5 van dezelfde wet van 15 december 1980 hebben;
2. ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de eerste graad bezitten;
3. de kandidatuur in de vorm en binnen de termijn hebben ingediend, zoal vastgelegd in de oproep tot de kandidaten;
4. de burgerlijke en politieke rechten genieten;
5. aan de dienstplichtwetten voldoen.
Lid 1, nummer 1, b) tot en met d), dient tot omzetting van de Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, van de Richtlijn 2004/81/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie en van de Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.
Artikel 62.4. Oproep en kandidatuur
De oproep tot de kandidaten wordt door de inrichtende macht gepubliceerd in de krant evenals in elke andere vorm die als gepast wordt geacht.
De oproep bevat het van het departementshoofd vereiste profiel en de doelstellingen die tijdens de aanstelling moeten worden bereikt.
De kandidatuur wordt per aangetekend schrijven ingediend. Bij de kandidatuur voegt de kandidaat onder andere een strategie- en actieplan om de in het vorige lid vermelde doelstellingen te verwezenlijken.
Artikel 62.5. Aanstelling van het departementshoofd
De inrichtende macht beslist welke kandidaat het ambt mag uitoefenen.
Zij steunt zich daarbij onder andere op het strategie- en actieplan van de kandidaat, op een of meer sollicitatiegesprekken evenals op de beroepservaring en de pedagogische kwalificatie.
Artikel 62.6. Aanstelling voor onbepaalde duur, beëindiging en vast benoeming
§ 1. De aanstelling gebeurt voor onbepaalde duur.
§ 2. Zij eindigt in de volgende gevallen :
1. in geval van een preventieve schorsing voor meer dan zes maanden;
2. in geval van een terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst voor meer dan zes maanden;
3. indien een van de volgende tuchtmaatregelen wordt opgelegd :
a) een inhouding van wedde;
b) een onmiddellijke schorsing ingevolge tuchtmaatregel;
c) een op-non-activiteitstelling ingevolge tuchtmaatregel;
d) een afdanking wegens een zware fout;
4. bij vrijwillig ontslag, indien het gaat om een vast benoemd personeelslid;
5. bij vrijwillige beëindiging van de aanstelling;
6. bij eenzijdige opzegging door de inrichtende macht;
7. indien op het evaluatieverslag de vermelding "onvoldoende" als eindconclusie staat.
De inrichtende macht kan de aanstelling beëindigen in geval van een verlof of terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid voor een periode van meer dan zes opeenvolgende maanden.
In de gevallen voorzien in het eerste lid, nummers 4 en 5, en in afwijking van artikel 80, eerste lid, nummer 1, moet het departementshoofd een opzeggingstermijn van 60 dagen in acht nemen.
In het geval voorzien in het eerste lid, nummer 6, beloopt de opzeggingstermijn zes maanden, als het departementshoofd een ambtsanciënniteit van ten hoogste vijf jaar telt; voor elke begonnen termijn van vijf jaar wordt de duur van de opzeggingstermijn met drie maanden verlengd.
De in de voorafgaande leden voorgeschreven opzeggingstermijn kan in onderlinge overeenstemming worden verkort. De opzegging geschiedt per aangetekend schrijven met vermelding van de duur van de opzeggingstermijn. Het aangetekend schrijven heeft uitwerking vanaf de derde werkdag na de verzendingsdatum.
§ 3. Een departementshoofd dat ten minste 50 jaar oud is, wordt vast benoemd, indien :
1. hij een ambtsanciënniteit van ten minste vijf jaar telt;
2. op zijn laatste evaluatieverslag de vermelding "voldoende" als eindconclusie staat.
Artikel 62.7. Statuut
§ 1. Onverminderd het tweede lid is het departementshoofd tijdens de uitoefening van zijn ambt onderworpen aan de artikelen 13 tot en met 30, 32, 70, 72 tot en met 78 en 81 tot en met 99 van het onderhavige statuut.
Het is het departementshoofd verboden :
1. een verlof te nemen of ter beschikking te worden gesteld, met uitzondering van volgende types van verlof en terbeschikkingstelling :
a) jaarlijks verlof,
b) omstandigheidsverlof,
c) buitengewoon verlof wegens overmacht,
d) bevallingsverlof,
e) verlof met het oog op adoptie of pleegvoogdij,
f) verlof wegens ziekte of gebrekkigheid,
g) verlof wegens een opdracht in het belang van het onderwijs,
h) terbeschikkingstelling wegens ziekte of gebrekkigheid,
i)
2. een loopbaanonderbreking te nemen, behalve de deeltijdse of voltijdse loopbaanonderbreking wegens ouderschapsverlof, de loopbaanonderbreking om palliatieve zorgen te verstrekken en de loopbaanonderbreking voor verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid.
§ 2.De bepalingen van § 1 gelden ook voor een departementshoofd dat met toepassing van artikel 62.6, § 6, vast benoemd is.
Artikel 62.8. Tijdelijke vervanging
§ 1. Indien het departementshoofd wegens een van de in artikel 62.7 vermelde verloven of terbeschikkingstellingen gedurende meer dan vijf opeenvolgende werkdagen afwezig zal zijn, kan de inrichtende macht hem voorlopig vervangen door een ander vast benoemd personeelslid van de categorie bestuurs-, onderwijzend of paramedisch personeel dat aan de voorwaarden in artikel 62.3. voldoet, met uitzondering van de voorwaarde in nummer 3.
In de zin van vorig lid worden de volgende dagen niet als werkdagen beschouwd :
1. de schoolvrije dagen vermeld in artikel 58 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor de gewone scholen en de scholen voor onderwijs aan leerlingen met speciale behoeften;
2. de zomervakantiedagen die krachtens de verlofwetgeving tot het jaarlijks verlof behoren.
Indien het departementshoofd wegens een van de in artikel 62.7 vermelde verloven of terbeschikkingstellingen vermoedelijk meer dan een jaar afwezig zal zijn, kan de inrichtende macht hem voorlopig door een persoon vervangen die de voorwaarden in artikel 62.3 vervult. Dan is de in de artikelen 62.4 en 62.5 vermelde procedure van toepassing.
§ 2. Tijdens de periode van de voorlopige vervanging zijn de artikelen 62.7, § 1, eerste lid, 62.9, 62.11 en 62.12 van toepassing op het personeelslid dat het departementshoofd vervangt.
Artikel 62.9. Wedde en premie
§ 1. Tijdens de aanstelling tot departementshoofd ontvangt hij een wedde op basis van de weddeschaal vermeld in weddeschaal 422 in de bijlage van het koninklijk besluit van 27 juni 1974 waarbij op 1 april 1972 worden vastgelegd de schalen verbonden aan de ambten van de leden van het bestuurs- en onderwijzend, opvoedend hulp- en paramedisch personeel bij de rijksonderwijsinrichtingen, aan de ambten van de leden van de inspectiedienst, belast met het toezicht op deze inrichtingen, en aan de ambten van de leden van de inspectiedienst van het schriftelijk onderwijs en van het gesubsidieerd lager onderwijs, en de schalen verbonden aan de graden van het personeel van de psycho-medisch-sociale centra van de Staat.
§ 2. Wordt een personeelslid tot departementshoofd aangesteld, ontvangt hij in afwijking van § 1 verder zijn wedde evenals, ter compensatie, een maandelijkse premie die als volgt wordt berekend :
P = X - M
P = de premie
X = de in § 1 bedoelde wedde
M = de maandelijkse brutowedde van het personeelslid
De premie wordt tegelijk met de maandwedde en onder dezelfde voorwaarden uitbetaald.
§ 3.Wordt een buitenstaander tot departementshoofd aangesteld, dan ontvangt hij het vakantiegeld en een eindejaarspremie overeenkomstig de bepalingen die in het onderwijs gelden, waarbij het in § 1 vermeld bedrag als berekeningsbasis dient.
§ 4. Het bedrag vermeld in § 1 en § 2 is gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, gewijzigd bij koninklijk besluit nr. 178 van 30 december 1982, het koninklijk besluit van 24 december 1993 en de wetten van 2 januari 2001 en 19 juli 2001.
In geval van verlof wegens ziekte of gebrekkigheid wordt de premie verder uitbetaald.
Artikel 62.10. Evaluatieverslag
§ 1. Voor een departementshoofd stelt het inrichtingshoofd ten minste om de vijf jaar een evaluatieverslag op. Te dien einde vindt een evaluatiegesprek plaats. Het departementshoofd kan om een evaluatie verzoeken.
Het departementshoofd stelt vooraf een verslag over de omzetting van het strategie- en actieplan en de verwezenlijking van de doelstellingen op dat als basis dient voor het evaluatiegesprek.
Op het evaluatieverslag staat de vermelding "onvoldoende", "niet tevredenstellend", "voldoende", "goed" of"zeer goed" als eindconclusie.
§ 2. Het verslag wordt in drie exemplaren aan het departementshoofd overhandigd, dat de drie exemplaren ondertekent en een ervan behoudt.
§ 3. Het departementshoofd kan het verslag onder voorbehoud ondertekenen en binnen een termijn van tien dagen na de afgifte ervan beroep bij de raad van beroep aantekenen.
Binnen een termijn van 45 dagen te rekenen vanaf de dag waarop de raad van beroep het beroep heeft ontvangen, zendt hij een met redenen omkleed advies aan de inrichtende macht.
Binnen de tien dagen na ontvangst van het advies overhandigt de inrichtende macht haar definitieve beslissing. Ze vermeldt, in voorkomend geval, de redenen waarom ze het advies niet volgt.
Het beroep is opschortend.
Artikel 62.11. Terugkeer
Voor zover het personeelslid in het gesubsidieerd vrij onderwijs vast benoemd is, bekleedt het op het einde van de aanstelling opnieuw zijn voormalig ambt, behalve in de gevallen vermeld in artikel 62.6, § 2, eerste lid, nummer 3, d) evenals nummer 4.
Artikel 62.12. In aanmerking komende diensten
Voor zover het om een personeelslid van het gesubsidieerd vrij onderwijs gaat, worden de diensten gepresteerd tijdens de uitoefening van het ambt als departementshoofd in aanmerking genomen om de dienstanciënniteit, de ambtsanciënniteit en de geldelijke anciënniteit vast te leggen."
Art. 167. In de titel van hoofdstuk Vbis evenals in artikel 69.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 25 juni 2007, worden de woorden "secundaire school van het buitengewoon onderwijs" door de woorden "secundaire school van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 168. Artikel 69.2, nummer 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 25 juni 2007, wordt vervangen door de volgende bepaling :
"2. a) voor het ambt van studieprefect of directeur van een gewone secundaire school ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de tweede graad bezitten; Bij gebrek aan een kandidaat met dit diploma is een diploma van het hoger onderwijs van de eerste graad voldoende;
b) voor het ambt van directeur van een secundaire school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften ten minste een diploma van het hoger onderwijs van de eerste graad bezitten;"
Art. 169. In artikel 69.6, § 1, tweede lid, nummer 1, g), van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 25 juni 2007, wordt het punt op het eind van de zin door een komma vervangen.
In hetzelfde lid, nummer 1, worden de letters h) en i) ingevoegd, als volgt luidend :
"h) verlof wegens een opdracht in het belang van het onderwijs,
i) voltijdse terbeschikkingstelling om persoonlijke redenen voorafgaand aan de opruststelling."
Art. 170. In artikel 69.7, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 25 juni 2007, wordt het woord "twintig" door het woord "vijf" vervangen.
In dezelfde paragraaf wordt in het derde lid de woorden "gedurende meer dan een jaar" door de woorden "gedurende ten minste een jaar" vervangen.
Art. 171. In artikel 69.8, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 25 juni 2007 en gewijzigd bij decreet van 23 juni 2008, wordt het woord "inrichtingshoofd" door de woorden "inrichtingshoofd van een gewone secundaire school" en de woorden "tweede lid" door de woorden "derde lid" vervangen.
In dezelfde paragrafen wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"Tijdens de aanstelling tot inrichtingshoofd van een school voor secundair onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften ontvangt hij een wedde op basis van de weddeschaal vermeld in de bijlage 3 met een geldelijke anciënniteit van 19 jaar of met zijn werkelijke geldelijke anciënniteit, indien deze meer dan 19 jaar bedraagt, verhoogd met een maandelijkse premie van 428,48 EUR. De verhogingen voorzien in de weddeschaal worden om de twee jaar toegekend."
In dezelfde paragraaf worden in het tweede lid, dat het derde lid wordt, de woorden "buitengewoon onderwijs" telkens door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 172. In artikel 69.15 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 26 juni 20065 en gewijzigd bij decreet van 25 juni 2007, wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"Het inrichtingshoofd kan zich voor de evaluatie van een personeelslid baseren op het schriftelijk verslag van een ander personeelslid dat zich in een bevorderings- of selectieambt bevindt en dat schriftelijk van hem de opdracht kreeg een dergelijk verslag over het werk van het betrokken personeelslid op te stellen."
HOOFDSTUK XXXII. - Wijziging van het decreet van 26 april 1999 over het gewoon basisonderwijs
Art. 173. In artikel 18, tweede lid, van het decreet van 26 april 1999 over het gewoon basisonderwijs, vervangen bij decreet van 16 juni 2008, en in artikel 19 van hetzelfde decreet wordt telkens de woorden "en de leerlingen die krachtig moeten worden gesteund, vermeld in artikel 60, lid 2" geschrapt.
Art. 174. In artikel 30, § 2, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt de woorden "en de in artikel 29 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor de gewone scholen vermelde leerlingen die krachtig moeten worden gesteund" geschrapt.
HOOFDSTUK XXXIII. - Wijziging van het decreet van 16 december 2002 betreffende de toekenning van financiële middelen voor pedagogische doeleinden in het onderwijs
Art. 175. In artikel 1 van het decreet van 16 december 2002 betreffende de toekenning van financiële middelen voor pedagogische doeleinden in het onderwijs worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 176. In artikel 4, § 1, tweede lid, nummer 5, worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 177. Artikel 5 van hetzelfde decreet wordt als volgt gewijzigd :
1. In § 1, tweede lid, worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen;
2. In § 2, tweede lid, worden de woorden "buitengewoon lager onderwijs" door de woorden "lager onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen en de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften";
3. In § 2, tweede lid, worden de woorden "buitengewoon secundair onderwijs" door de woorden "secundair onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen en de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften".
HOOFDSTUK XXXIV. - Wijziging van het decreet van 24 maart 2003 houdende oprichting van de pedagogische inspectie-begeleiding voor het onderwijs in de Duitstalige Gemeenschap en tot vastlegging van de opdrachten ervan
Art. 178. In artikel 11 van het decreet van 24 maart 2003 houdende oprichting van de pedagogische inspectie-begeleiding voor het onderwijs in de Duitstalige Gemeenschap en tot vastlegging van de opdrachten ervan wordt het woord "buitengewoon onderwijs" door de woorden "voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
HOOFDSTUK XXXV. - Wijziging van het decreet 29 maart 2004 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs en van de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra
Art. 179. In artikel 20, § 1, eerste lid, nummer 5, van het decreet 29 maart 2004 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs en van de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra, gewijzigd bij decreet van 23 juni 2008, wordt een letter e) ingevoegd, luidend als volgt :
"e) Indien het om een lid van het onderwijzend personeel van een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften gaat, beschikt dit lid over het bewijs van het bestaan van een ten minste 10 ECTS-studiepunten tellende aanvullende opleiding op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, de heil- of orthopedagogie dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap wordt uitgereikt of over een bewijs dat door de Regering als gelijkwaardig wordt erkend."
Dezelfde paragraaf wordt met een vierde lid aangevuld, luidend als volgt :
"In afwijking van het eerste lid, nummer 5, mogen voor het ambt van school- en leerbegeleider voor onderwijs aan leerlingen met speciale behoeften en voor het ambt van psychosociaal begeleider enkel personen worden aangesteld die op het ogenblik van de aanstelling houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voor voldoende geachte bekwaamheidsbewijs dat aan het te begeven ambt beantwoordt."
Art. 180. In artikel 28, § 2, van hetzelfde decreet, vervangen bij decreet van 26 juni 2006, wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"Het inrichtingshoofd kan zich voor de beoordeling van een personeelslid baseren op het schriftelijk verslag van een ander personeelslid dat zich in een bevorderings- of selectieambt bevindt en dat schriftelijk van hem de opdracht kreeg een dergelijk verslag over het werk van het betrokken personeelslid op te stellen."
Art. 181. In artikel 36bis van hetzelfde decreet, ingevoegd bij decreet van 26 juni 2006, wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"In afwijking van het eerste lid kan onder de volgende voorwaarden een omwisseling tussen het gewone onderwijs en het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften voor een ander ambt plaatsvinden :
1. Het ambt waarvan de uitoefening in het kader van de omwisseling wordt aangevraagd, draagt de dezelfde benaming als het ambt waarvoor het personeelslid vast benoemd is;
2. Het personeelslid bezit het vereiste bekwaamheidsbewijs voor de uitoefening van het ambt waarvan de uitoefening in het kader van de omwisseling wordt aangevraagd."
Art. 182. In artikel 37, eerste lid, nummer 5, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 23 juni 2008, wordt een letter e) ingevoegd, luidend als volgt :
" e) Indien het om een lid van het onderwijzend personeel van een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften gaat, beschikt dit lid over het bewijs van het bestaan van een ten minste 10 ECTS-studiepunten tellende aanvullende opleiding op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, de heil- of orthopedagogie dat door een hogeschool in de Duitstalige Gemeenschap wordt uitgereikt of over een bewijs dat door de Regering als gelijkwaardig wordt erkend."
Hetzelfde artikel wordt met een vijfde lid aangevuld, luidend als volgt :
"In afwijking van het eerste lid, nummer 5, mogen voor het ambt van school- en leerbegeleider voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften en voor het ambt van psychosociaal begeleider enkel personen vast worden benoemd die op het ogenblik van de benoeming houder zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs of van een voor voldoende geachte bekwaamheidsbewijs dat aan het te begeven ambt beantwoordt."
Art. 183. In artikel 42, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij decreet van 26 juni 2006 en aangevuld bij decreet van 21 april 2008, wordt na het derde lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"In afwijking van het derde lid kan onder de volgende voorwaarden een overplaatsing van het gewoon onderwijs naar het onderwijs aan leerlingen met speciale behoeften en omgekeerd voor een ander ambt plaatsvinden :
1. Het ambt waarin het personeelslid wenst te worden overgeplaatst, draagt dezelfde benaming als het ambt waarvoor het vast benoemd is;
2. Het personeelslid bezit het vereiste bekwaamheidsbewijs voor de uitoefening van het ambt waarin hij wenst te worden overgeplaatst."
Art. 184. In hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk IVter, dat het artikel 56.12 bevat, ingevoegd :
"Hoofdstuk IVter - Bijzondere bepalingen voor departementshoofden van een secundaire school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
Artikel 56.12. In afwijking van hoofdstuk IV wordt het ambt van departementshoofd van een secundaire school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften vanaf 1 september 2009 begeven aan de hand van een aanstelling voor onbepaalde duur en van een vaste benoeming overeenkomstig de voorwaarden geldend in het gesubsidieerd vrij onderwijs."
Art. 185. In hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk Vter, dat het artikel 64.12 bevat, ingevoegd :
"Hoofdstuk Vter - Bijzondere bepalingen voor inrichtingshoofd of directeuren van een gewone secundaire school of een secundaire school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften
Artikel 64.12. In afwijking van hoofdstuk V wordt het ambt van inrichtingshoofd of directeur van een gewone secundaire school of een secundaire school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften vanaf 1 september 2007 begeven aan de hand van een aanstelling voor onbepaalde duur en van een vaste benoeming overeenkomstig de voorwaarden geldend in het gesubsidieerd vrij onderwijs."
Art. 186. In artikel 66 van hetzelfde decreet wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"Het inrichtingshoofd kan zich voor de beoordeling van een personeelslid baseren op het schriftelijk verslag van een ander personeelslid dat zich in een bevorderings- of selectieambt bevindt en dat schriftelijk van hem de opdracht kreeg een dergelijk verslag over het werk van het betrokken personeelslid op te stellen."
HOOFDSTUK XXXVI. - Wijziging van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs
Art. 187. In artikel 1 van het decreet van 19 april 2004 betreffende de taaloverdracht en het gebruik van de talen in het onderwijs worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 188. In artikel 6, § 1, tweede en vierde lid, en § 3, tweede en vierde lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "scholen voor buitengewoon onderwijs" telkens door de woorden "scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 189. In titel IV van hetzelfde decreet worden de woorden "buitengewoon basisonderwijs" door de woorden "basisonderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 190. In de titel van artikel 7 van hetzelfde decreet worden de woorden "buitengewoon basisonderwijs" door de woorden "basisonderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 191. In de titel van artikel 8 van hetzelfde decreet worden de woorden "buitengewoon basisonderwijs" door de woorden "basisonderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 192. In titel VI, ondertitel II, hoofdstuk 1, worden in de titel van het hoofdstuk de woorden "buitengewoon basisonderwijs" door de woorden "basisonderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 193. In titel VI, ondertitel II, hoofdstuk 2, worden in de titel van het hoofdstuk de woorden "buitengewoon secundair basisonderwijs" door de woorden "secundair onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
Art. 194. In titel VI, ondertitel III, van hetzelfde decreet worden in de titel de woorden "opvoedend personeel" en "paramedisch personeel" door de woorden "opvoedend hulppersoneel", "paramedisch personeel" en "psychosociaal personeel" vervangen.
HOOFDSTUK XXXVII. - Wijziging van het decreet van 17 mei 2004 over maatregelen inzake onderwijs, opleiding en infrastructuur - 2004
Art. 195. In artikel 21 van het decreet van 17 mei 2004 over maatregelen inzake onderwijs, opleiding en infrastructuur - 2004 wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"Wanneer de plaats waar het personeelslid wordt ingezet verder van zijn woonplaats verwijderd is dan de dichtstbij gelegen vestiging van de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften die het personeelslid detacheert, wordt de afstand tussen die vestiging en de plaats waar het personeelslid wordt ingezet als dienstreis beschouwd en op verzoek volgens de geldende tarieven van de federale openbare dienst vergoed."
HOOFDSTUK XXXXVIII. - Wijziging van het decreet van 27 juni 2005 tot oprichting van een autonome hogeschool
Art. 196. In artikel 5.2, eerste lid, van het decreet van 27 juni 2005 tot oprichting van een autonome hogeschool worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen en de woorden "en paramedische" door de woorden "paramedische en psychosociale".
Art. 197. In artikel 5.3, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen en de woorden "en paramedische" door de woorden "paramedische en psychosociale".
Art. 198. In artikel 5.22, § 2, van hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij decreet van 23 juni 2008, wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"De directeur kan zich voor de evaluatie van een personeelslid baseren op het schriftelijk verslag van een ander personeelslid dat zich in een bevorderings- of selectieambt bevindt en dat schriftelijk van hem de opdracht kreeg een dergelijk verslag over het werk van het betrokken personeelslid op te stellen."
Art. 199. In artikel 5.40 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij decreet van 26 juni 2006, wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"De directeur kan zich voor de evaluatie van een personeelslid baseren op het schriftelijk verslag van een ander personeelslid dat zich in een bevorderings- of selectieambt bevindt en dat schriftelijk van hem de opdracht kreeg een dergelijk verslag over het werk van het betrokken personeelslid op te stellen."
Art. 200. In artikel 5.81, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen.
HOOFDSTUK XXXIX. - Wijziging van het decreet van 26 juni 2006 houdende maatregelen inzake het onderwijs - 2006
Art. 201. In de artikelen 113, 114, 115, 117 en 118 van het decreet van 26 juni 2006 houdende maatregelen inzake het onderwijs - 2006 worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen en de woorden "en paramedische" door de woorden "paramedische en psychosociale".
HOOFDSTUK XL. - Wijziging van het decreet van 21 april 2008 houdende valorisatie van het lerarenberoep
Art. 202. In artikel 104, eerste lid, nummer 1, van het decreet van 21 april 2008 houdende valorisatie van het lerarenberoep worden de woorden "buitengewoon onderwijs" door de woorden "onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften" vervangen en de woorden "en paramedische" door de woorden "paramedische en psychosociale".
TITEL VI. - Slotbepalingen
Art. 203. Slotbepaling
Een nieuwe school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften mag uitsluitend in de onmiddellijke nabijheid van een gewone school worden gebouwd.
Artikel 204. Slotbepaling
De artikelen 84, 85, 86, 88 en 89 van het decreet van 31 augustus 1998 betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor de gewone scholen en de scholen voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften treden op 1 september 2009 in werking.
Art. 204. Slotbepaling
De artikelen 18 en 19 van het decreet van 26 april 1999 over het gewoon basisonderwijs treden op 1 september 2009 in werking.
Art. 205. Slotbepaling
Na verstrijken van het schooljaar 2013-2014 gaat de Regering over tot een evaluatie van de titels III, IV en V van dit decreet. De Regering kan hiertoe deskundigen raadplegen.
Art. 206. Opheffingsbepaling
Worden opgeheven :
1. Artikel 3, § 2, nummer 4, van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs, gewijzigd bij wet van 6 juli 1970;
2. De artikelen 5, 6 tot en met 11, 14, 18 en 19 van de wet van 6 juli 1970 over het buitengewoon onderwijs en het geďntegreerd onderwijs;
3. De artikelen 8, 9, 10, 13, 14, 15, 18 tot en met 22, 23, 25 tot en met 28 en 47 van het koninklijk besluit van 28 juni 1978 houdende de omschrijving van de types en de organisatie van het buitengewoon onderwijs en houdende vastlegging van de voorwaarden voor opname en behoud op de verschillende niveaus van het buitengewoon onderwijs;
4. De artikelen 6, § 2, 23, § 2 en § 3 en § 4, 27, § 2, 37, § 4 en 43, § 1 van het decreet van 27 juni 1990 tot vaststelling van de wijze waarop de ambten van het personeel voor buitengewoon onderwijs worden bepaald;
5. Het besluit van de Regering van 20 juli 1994 over de samenstelling en de werking van de Commissie van Advies van het buitengewoon onderwijs;
6. De artikelen 30, 31, 51, nummers 7 en 8, en artikel 85, tweede lid, van het decreet van 31 augustus betreffende de opdrachten toevertrouwd aan de inrichtende machten en aan het schoolpersoneel en houdende algemene pedagogische en organisatorische bepalingen voor de gewone scholen.
Art. 207. Overgangsbepaling
Voor het verkrijgen van het voor de uitoefening van een ambt in het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in de categorie onderwijzend personeel vereiste bewijs van het bestaan aan ten minste 10 ECTS-studiepunten tellende bijkomende opleiding op het vlak van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften, de heil- of orthopedagogie wordt de beroepservaring in de gewone school of de school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften in ECTS-studiepunten omgezet van die leden van het onderwijzend personeel die voor 1 september 2010 in de categorie onderwijzend personeel in een door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften voor 1 september 2010 leerlingen met een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften in een gewone school of een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften begeleid hebben. Hierbij geldt dat per schooljaar waarin het personeelslid leerlingen met een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften in een gewone school of in een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften begeleid heeft, 2 ECTS-studiepunten worden toegekend, indien het personeelslid in het betrokken schooljaar ten minste 180 dienstdagen heeft gepresteerd.
De in het eerste lid vermelde personeelsleden die op 1 september 2010 over ten minste 10 ECTS-studiepunten beschikken, worden beschouwd als houder van het voor de uitoefening van het respectieve ambt vereiste of voor voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, voor zover op het laatste evaluatieverslag de vermelding "voldoende" als eindconclusie staat.
De in het eerste lid vermelde personeelsleden die op 1 september 2010 over ten minste 6 en minder dan 10 ECTS-studiepunten beschikken, worden beschouwd als houder van het voor de uitoefening van het respectieve ambt vereiste of voor voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, voor zover op het laatste evaluatieverslag de vermelding "voldoende" als eindconclusie staat. Een tijdelijke aanstelling respectievelijk een aanstelling voor onbepaalde duur evenals een vaste benoeming kunnen slechts plaatsvinden, indien het personeelslid over ten minste 10 ECTS-studiepunten beschikt. Deze maatregel is van toepassing tot 31 augustus 2014.
Voor de in het eerste lid vermelde berekening van de dienstdagen gelden de volgende bepalingen :
a) Worden in aanmerking genomen de tot 31 augustus 2010 gepresteerde dienstdagen waarop het personeelslid in een school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften of in een gewone school leerlingen met een behoefte aan onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften heeft begeleid.
b) Worden in aanmerking genomen de dienstdagen gepresteerd als gesubsidieerd contractueel personeelslid en als tijdelijk aangesteld respectievelijk benoemd personeelslid worden vanaf het begin tot het einde van de ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van het ontspanningsverlof, de kerst- en paasvakantie, het bevallingsverlof, het voorbehoedend verlof, tijdens welk het personeelslid van elk werk wordt vrijgesteld in het kader van de moederschapsbescherming of van de bedreiging door een beroepsziekte, het verlof voor de opvang met het oog op adoptie en pleegvoogdij, het verlof voor persoonlijke omstandigheden of de overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen toegekende uitzonderlijke verloven, indien ze in deze periode vallen. Dit aantal dagen wordt met 1,2 vermenigvuldigd. Worden van deze vermenigvuldiging uitgesloten de dienstdagen die gepresteerd worden door een personeelslid aangesteld voor onbepaalde duur en die betrekking hebben op een volledig schooljaar.
c) De diensten die gepresteerd werden in een ambt met onvolledig uurrooster en die ten minste de helft van het aantal uren vereist voor het ambt met volledig uurrooster omvatten, worden in aanmerking genomen zoals diensten gepresteerd in een ambt met volledig uurrooster.
d) Het aantal dagen verworven in een ambt met onvolledig uurrooster dat niet de helft van het aantal uren vereist voor het ambt met volledig uurrooster omvat, wordt gehalveerd.
e) Het aantal dagen verworven in twee of meer gelijktijdig uitgeoefende ambten met volledig of onvolledig uurrooster mag nooit het aantal dagen overschrijden dat in een gedurende dezelfde periode uitgeoefend ambt met volledig uurrooster verworven is.
Art. 208. Overgangsbepaling
De in de categorie onderwijzend personeel in een door de Duitstalige Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde school voor onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften werkzame personeelsleden die op 31 augustus 2010 voor onbepaalde duur tijdelijk aangesteld respectievelijk aangeworven of vast benoemd respectievelijk vast aangesteld zijn, worden vanaf 1 september 2010 beschouwd als zijnde voor onbepaalde duur tijdelijk aangesteld respectievelijk aangeworven of vast benoemd respectievelijk vast aangesteld in een ambt van het onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften. Dit ambt draagt dezelfde benaming als het ambt waarvoor zij tot dat ogenblik voor onbepaalde duur tijdelijk aangesteld respectievelijk aangeworven of vast benoemd respectievelijk vast aangesteld werden.
Art. 209. Overgangsbepaling
In afwijking van artikel 91quinquies en 91sexies van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs-, onderwijzend, opvoedend hulp-, paramedisch en psychosociaal personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs en onderwijs aan leerlingen met specifieke behoeften van de Staat, evenals der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de personeelsleden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen wijst de inrichtende macht op 1 september 2009 de hoofdonderwijzer van de kleuterafdeling van het Instituut van de Duitstalige Gemeenschap voor Buitengewoon Onderwijs van Eupen en het inrichtingshoofd van de Basisschool voor Gedifferentieerd Onderwijs van Elsenborn - Sankt Vith aan tot eerste departementshoofden bij het Centrum voor Onderwijs aan Leerlingen met Specifieke Behoeften.
De beide departementshoofden dienen uiterlijk op 31 december 2009 een strategie- en actieplan in.
Art. 210. Inwerkingtreding
Het onderhavig decreet treedt op 1 september 2009 in werking, met uitzondering van de artikelen 47, 49, 50 tot en met 52, 166, 168 tot en met 170, 184, en artikel 185, die in werking treden op de dag dat voorliggend decreet aangenomen wordt, en van de artikelen 32, nummer 1, 38, 40 tot en met 42, 56, 62, 65, 76 tot en met 79, 161, 163 tot en met 165, 179, 181 tot en met 183, die op 1 september 2010 in werking treden.
DOOR HET PARLEMENT VAN DE DUITSTALIGE GEMEENSCHAP AANGENOMEN
Eupen, 11 mei 2009
Stephan THOMAS Louis SIQUET
Griffier Voorzitter
Wij kondigen dit decreet af en bevelen dat het door het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt wordt.
Eupen, 11 mei 2009.
K.-H. LAMBERTZ
Minister-President van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap,
Minister van Lokale Besturen
B. GENTGES
Vice-Minister-President van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap,
Minister van Vorming en Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Toerisme
O. PAASCH
Minister van Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek
I. WEYKMANS
Minister van Cultuur en Media, Monumentenzorg, Jeugd en Sport
Nota
Zitting 2008-2009.
Genummerde bescheiden : 148 (2008-2009) Nr. 1 Ontwerp van decreet
148 (2008-2009) nr. 2 Voorstel tot wijziging
148 (2008-2009) nr. 3 Verslag
Integraal verslag : 11 mei 2009 - nr. 13 (2008-2009) Discussie en aanneming


begin

Publicatie : 2009-08-04