einde

Publicatie : 2020-12-29

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID

22 DECEMBER 2020. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten



VERSLAG AAN DE KONING
Sire,
Het koninklijk besluit dat wij de eer hebben Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, heeft tot doel, tot en met 31 maart 2021, de toekenning van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten als gevolg van de COVID-19-pandemie te verlengen.
In het licht van het advies nr. 68.431/1 van 14 december 2020 van de Raad van State en gelet op de gemaakte opmerkingen, wordt hierna enige toelichting gegeven.
De aanvullende crisisuitkering bedoeld in het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten wordt echter niet langer toegekend voor de periode van arbeidsongeschiktheid die zich bevindt na 31 december 2020. Als gevolg van de voortzetting van de COVID-19-pandemie wordt de maatregel in dit koninklijk besluit met drie maanden verlengd, d.w.z. tot en met 31 maart 2021. Deze tijdelijke maatregel treedt in werking op 1 januari 2021.
Deze weerhouden datum is bepaald binnen het strikte kader van de COVID-19-pandemie waarbij het aantal besmettingen hoog blijft, waardoor het aantal mensen dat erkend wordt als arbeidsongeschikt en geconfronteerd wordt met het risico van een financieel verlies, toeneemt.
Bovendien kunnen vele zelfstandigen en meewerkende echtgenoten die tijdens de arbeidsongeschiktheid een beroepsactiviteit met de toelating van de adviserend arts verrichtten, deze activiteit niet langer uitoefenen wegens, in voorkomend geval, een verergering van de gezondheidstoestand of de beperkende maatregelen die als gevolg van de pandemie door de Regering zijn aangenomen. In deze laatste situatie is bovendien een beroep op het 'crisisoverbruggingsrecht' niet mogelijk.
Het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop de samenwonende gerechtigde zonder gezinslast kan aanspraak maken, blijkt echter lager te zijn dan het maandelijkse bedrag van de financiële uitkering toegekend in het kader van het 'crisisoverbruggingsrecht' voor een gerechtigde zonder persoon ten laste.
Deze maatregel beoogt dan ook een aanvullende crisisuitkering toe te kennen aan de zelfstandigen en meewerkende echtgenoten die de hoedanigheid van samenwonende gerechtigde zonder gezinslast hebben zodat het totale dagbedrag van het vervangingsinkomen wegens hun arbeidsongeschiktheid gelijk is aan het, in werkdagen uitgedrukte, maandelijkse bedrag van de financiële uitkering bepaald in de wet tot invoering van het 'crisisoverbruggingsrecht'.
Deze maatregel die uitdrukkelijk is verbonden met de COVID-19-pandemie, is dus binnen de uitkeringsverzekering verenigbaar met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel gezien de omvang, de ernst en het uitzonderlijk karakter van deze COVID-19-pandemie waardoor talrijke zelfstandigen en meewerkende echtgenoten niet langer hun beroepsactiviteit kunnen uitoefenen en enkel aanspraak kunnen maken op prestaties van deze uitkeringsverzekering.
Wij hebben de eer te zijn,
Sire,
Van Uwe Majesteit,
de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars,
De Minister van Sociale Zaken,
Fr. VANDENBROUCKE
De Minister van Zelfstandigen,
D. CLARINVAL

Raad van State
afdeling Wetgeving
Advies 68.431/1 van 14 december 2020 over een ontwerp van koninklijk besluit 'tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten'
Op 7 december 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Zelfstandigen verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit 'tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten'.
Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 10 december 2020. De kamer was samengesteld uit Marnix VAN DAMME, kamervoorzitter, Wilfried VAN VAERENBERGH en Chantal BAMPS, staatsraden, Michel TISON en Johan PUT, assessoren, en Greet VERBERCKMOES, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Dries VAN EECKHOUTTE, eerste auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Chantal BAMPS, staatsraad.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 14 december 2020.
1. Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.
In het onderhavige geval wordt het verzoek om spoedbehandeling in de adviesaanvraag gemotiveerd als volgt:
"Vu l'urgence motivée par le fait que l'indemnité de crise supplémentaire prévue par l'arrêté royal du 15 septembre 2020 susvisé n'est plus octroyée pour la période d'incapacité de travail qui se situe après le 31 décembre 2020;
Que, en raison de la poursuite de la pandémie COVID-19, la situation des travailleurs indépendants et conjoints aidants reconnus en incapacité de travail reste difficile, et qu'il apparaît nécessaire de prolonger, pour une période de trois mois, l'octroi de cette indemnité de crise supplémentaire;
Que cette mesure s'inscrit dans le cadre d'un ensemble de 'mesures COVID' prolongées pour le 1er trimestre 2021;
Qu'en vue de permettre aux organismes assureurs de garantir un paiement adéquat des indemnités dès janvier 2021, il importe que cet arrêté royal soit publié au plus vite."
2. Overeenkomstig artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, heeft de afdeling Wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
STREKKING EN RECHTSGROND VAN HET ONTWERP
3.1. Het koninklijk besluit van 15 september 2020 'houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten' verleent een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten.
De personen die overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 15 september 2020 in aanmerking komen voor de aanvullende crisisuitkering, betreffen de samenwonende zelfstandigen zonder gezinslast die ten vroegste vanaf 1 maart 2020 voor minstens acht dagen arbeidsongeschikt zijn erkend en de samenwonende zelfstandigen zonder gezinslast die de toegelaten activiteit tijdens hun arbeidsongeschiktheid ten vroegste vanaf 1 maart 2020 gedurende minstens zeven opeenvolgende kalenderdagen moeten stopzetten.
Luidens artikel 6, derde lid, van het koninklijk besluit van 15 september 2020 wordt de aanvullende crisisuitkering niet langer toegekend voor de periode van arbeidsongeschiktheid die zich bevindt na 31 december 2020.
3.2. Het om advies voorgelegde ontwerp van besluit beoogt in essentie om de termijn waarvoor de aanvullende crisisuitkering wordt toegekend te verlengen tot 31 maart 2021 (artikel 2 van het ontwerp).
Deze bepaling treedt in werking op 1 januari 2021 (artikel 3, tweede lid).
3.3. Daarnaast voorziet het ontwerp in de opheffing van een definitiebepaling van een term die in het koninklijk besluit van 15 september 2020 verder niet wordt gebruikt (artikel 1). Deze opheffing zou uitwerking hebben met ingang van 1 maart 2020 (artikel 3, eerste lid).
4. De ontworpen regeling vindt rechtsgrond in artikel 86, § 3, van de wet 'betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994' waaraan wordt gerefereerd in het eerste lid van de aanhef van het ontwerp.
VORMVEREISTEN
5. De staatssecretaris bevoegd voor Begroting heeft op 3 december 2020 een voorwaardelijk begrotingsakkoord verleend.
De steller van het ontwerp dient erop toe te zien dat aan die voorwaarden wordt voldaan, zoniet dient te worden vastgesteld dat er geen begrotingsakkoord voorhanden is en dat bijgevolg aan dat vormvereiste niet is voldaan.
ONDERZOEK VAN DE TEKST
Algemene opmerking
6.1. De Raad van State, afdeling Wetgeving, heeft in advies 67.911/1/V met betrekking tot de verenigbaarheid van de ontworpen regeling met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel opgemerkt:
"5. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe een tijdelijke, aanvullende crisisuitkering in te voeren ten gunste van bepaalde categorieën als arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten. Op die wijze wordt een verschil in behandeling gecreëerd tussen categorieën zelfstandigen en meewerkende echtgenoten al naargelang zij wel of niet voor de aanvullende crisisuitkering in aanmerking komen.
Een verschil in behandeling is slechts verenigbaar met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie wanneer dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betrokken maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.1
Omgekeerd verzetten, volgens de vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, de grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie zich er tegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van een maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.2
De ontworpen regeling zal aan deze beginselen moeten worden getoetst.
Nu al kan in dat verband worden opgemerkt dat de ontworpen regeling enkel geldt ten aanzien van bepaalde personen die hun activiteit hebben stopgezet vanaf ten vroegste 1 maart 2020. Gedurende de geldigheidsduur van de ontworpen regeling ontvangen zij een hogere uitkering dan personen die zich in een zelfde toestand bevinden, maar waarvan die toestand reeds vóór 1 maart 2020 aanvatte. Uit de door de gemachtigde verstrekte toelichting valt af te leiden dat voor de voornoemde scharnierdatum is geopteerd omwille van de inwerkingtreding van het zogenaamde crisisoverbruggingsrecht, waarmee de uitkering wordt gelijkgeschakeld door de toekenning van de aanvullende crisisuitkering. De begunstigden van deze aanvullende crisisuitkering lijken derhalve veeleer te moeten worden vergeleken met personen die zich in dezelfde toestand van arbeidsongeschiktheid bevinden dan met personen die van het crisisoverbruggingsrecht genieten.
Door het feit dat de aanvullende crisisuitkering enkel toekomt aan een bepaalde categorie van gerechtigden, namelijk de gerechtigden zonder gezinslast, worden bovendien bestaande verschillen op grond van het reeds genoemde koninklijk besluit van 20 juli 1971 uitgevlakt of tenietgedaan. Bijgevolg lijken wezenlijk verschillende situaties op een (meer) gelijke wijze te worden behandeld. Zoals de gemachtigde opmerkt wordt daarmee weliswaar een tijdelijke gelijkstelling met het crisisoverbruggingsrecht nagestreefd, maar opnieuw lijkt de toets aan het gelijkheidsbeginsel in de eerste plaats te moeten gebeuren binnen het stelsel dat geldt voor de als arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen (en meewerkende echtgenoten).
Uit wat voorafgaat volgt dat diverse onderdelen van de ontworpen regeling van aard kunnen zijn om vragen te doen rijzen met betrekking tot de verenigbaarheid ervan met het grondwettelijk gewaarborgde gelijkheidsbeginsel. Teneinde elke onduidelijkheid of speculatie daaromtrent te voorkomen doen de stellers van het ontwerp er goed aan om de door hen ontworpen regeling te voorzien van een afdoende verantwoording ervan in het licht van het gelijkheidsbeginsel en om deze verantwoording in een verslag aan de Koning bij het tot stand te brengen koninklijk besluit op te nemen."
6.2. Niettegenstaande de draagwijdte van dat ontwerp nader werd toegelicht in een verslag aan de Koning dat samen met het koninklijk besluit van 15 september 2020 werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, bleven de stellers van het besluit in gebreke om de door de Raad van State vastgestelde knelpunten in het licht van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel te verantwoorden.
Nu de regeling inzake de aanvullende crisisbijdrage met het voorliggende ontwerpbesluit zonder meer wordt verlengd, dient aan de in voormeld advies geformuleerde opmerking thans opnieuw te worden herinnerd.
DE GRIFFIER
Greet VERBERCKMOES
DE VOORZITTER
Marnix VAN DAMME
_______
Nota's
1 Voetnoot 2 in het geciteerde advies: Vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (zie bv. GwH 28 februari 2013, nr. 24/2013, B.3.2.).
2 Voetnoot 3 in het geciteerde advies: Zie bv. GwH 14 mei 2003, nr. 63/2003, B.5; GwH 21 december 2005, nr. 194/2005, B.3; GwH 17 mei 2006, nr. 78/2006, B.4; GwH 28 juli 2006, nr. 125/2006, B.5; GwH 11 december 2008, nr. 179/2008, B.6; GwH 6 februari 2014, nr. 24/2014, B.4.

22 DECEMBER 2020. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, artikel 86, § 3, gewijzigd bij de wetten van 22 augustus 2002, 29 maart 2012 en 7 mei 2019;
Gelet op het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten;
Gelet op het advies van het Beheerscomité van de uitkeringsverzekering voor zelfstandigen, gegeven op 9 november 2020;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 23 november 2020;
Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris van Begroting, d.d. 3 december 2020;
Gelet op de impactanalyse van de regelgeving uitgevoerd overeenkomstig artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
Gelet op de hoogdringendheid gemotiveerd door het feit dat de aanvullende crisisuitkering voorzien in het voormelde koninklijk besluit van 15 september 2020 niet langer wordt toegekend voor de periode van arbeidsongeschiktheid die zich bevindt na 31 december 2020;
Dat wegens de voortzetting van de COVID-19-pandemie de situatie van arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten moeilijk blijft en dat het noodzakelijk blijkt de toekenning van deze aanvullende crisisuitkering met een periode van drie maanden te verlengen;
Dat deze maatregel deel uitmaakt van een geheel "COVID-maatregelen" die voor het eerste kwartaal van 2021 zijn verlengd;
Dat het, om de verzekeringsinstellingen in staat te stellen een adequate betaling van de uitkeringen vanaf januari 2021 te waarborgen, van belang is dat dit koninklijk besluit zo snel mogelijk wordt bekendgemaakt;
Gelet op het advies nr. 68.431/1 van de Raad van State, gegeven op 14 december 2020 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Op de voordracht van de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Zelfstandigen en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten, wordt de bepaling onder 2° ingetrokken.
Art. 2. In artikel 6, derde lid van hetzelfde besluit worden de woorden "31 december 2020" vervangen door de woorden "31 maart 2021".
Art. 3. Artikel 1 van dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 maart 2020.
Artikel 2 van dit besluit treedt in werking op 1 januari 2021.
Art. 4. De minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor Zelfstandigen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 22 december 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken,
Fr. VANDENBROUCKE
De Minister van Zelfstandigen, Le Ministre des Indépendants,
D. CLARINVAL


begin

Publicatie : 2020-12-29