einde

Publicatie : 2021-01-05

Beeld van de publicatie
BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

17 DECEMBER 2020. - Bijzondere machtenbesluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering nr. 2020/047 betreffende het verlenen van een handelshuurlening aan huurders in het kader van de COVID-19 gezondheidscrisis



Verslag aan de regering
Onderhavig besluit legt een gewestelijke steunmaatregel ten uitvoer ten gunste van zowel de handelaars- en ambachtslieden-huurders - en in het bijzonder zij die door de toepassing van de federale gezondheidsregels gedwongen werden hun vestigingen te sluiten - als van de eigenaars van commerciële onroerende goederen die ermee instemmen om tijdens één of meer maanden de betaling van de huurgelden op deze goederen kwijt te schelden.
De maatregel bestaat uit een lening aan de huurder voor een bedrag dat overeenkomt met één tot vier maanden huur, inclusief lasten. De toekenning van deze lening, die rechtstreeks aan de eigenaar wordt betaald, is afhankelijk van de voorwaarde dat de eigenaar zelf de betaling van de huur, inclusief lasten, voor een periode van één tot vier maanden kwijtscheldt.
De maatregel is bedoeld om de liquiditeitsproblemen van de Brusselse handelaars- en ambachtslieden-huurders op te vangen en tegelijkertijd de eigenaars (verhuurders) van deze panden meer zekerheid te bieden voor wat betreft de betaling van de huur op een moment dat de huurder met betalingsmoeilijkheden kan kampen.
Artikelsgewijze commentaar
De eerste twee artikelen van het ontwerpbesluit leggen enkele definities en algemene principes van de maatregel vast. Het verlenen van de leningen wordt gedelegeerd aan de minister van Economie, die deze bevoegdheid verder kan delegeren.
Het verlenen van de leningen is beperkt tot het beschikbare budget, met name 27 miljoen euro. De kredieten kunnen niet opnieuw gebruikt worden voor de toekenning van opeenvolgende leningen.
Artikel 3 bepaalt de voorwaarden waaraan de huurder moet voldoen. Zo is de huurder een onderneming in de zin van het Wetboek van Economische Recht:
"(...) onderneming : elk van volgende organisaties :
(a) iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;
(b) iedere rechtspersoon;
(c) iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.
Niettegenstaande het voorgaande zijn geen ondernemingen, behoudens voor zover anders bepaald in de hierna volgende boeken of andere wettelijke bepalingen die in dergelijke toepassing voorzien :
(a) iedere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die geen uitkeringsoogmerk heeft en die ook in feite geen uitkeringen verricht aan haar leden of aan personen die een beslissende invloed uitoefenen op het beleid van de organisatie;
(b) iedere publiekrechtelijke rechtspersoon die geen goederen of diensten aanbiedt op een markt;
(c) de Federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de hulpverleningszones, de prezones, de Brusselse Agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn(...)".
Daarnaast moet de huurder een pand huren in het Gewest sinds minstens 18 maart 2020 (de datum van de eerste lockdown), het in hoofdzaak bestemd hebben tot het drijven van zijn handels- of ambachtelijke activiteit, er een actieve vestigingseenheid in hebben en op diezelfde datum geen achterstand hebben in de huurbetalingen.
Er is geen voorwaarde opgenomen met betrekking tot de verplichte sluiting van het handelspand. Sinds maart 2020, werden er veel verschillende gezondheidsmaatregelen genomen zodat ondernemingen die geen omzetverlies lijden ingevolge de gezondheidscrisis in de minderheid zijn, zelfs onder de ondernemingen die nooit op straffe van een sanctie moesten sluiten. Hiermee kan de handelshuurlening ook ten goede komen aan handelaars en ambachtslieden die weliswaar niet verplicht moesten sluiten, maar die wel lijden onder de economische gevolgen van de gezondheidsmaatregelen.
De Handelshuurlening kan niet aangewend worden voor huurovereenkomsten die worden gesloten met gewestelijke publieke verhuurders waarvoor de Regering heeft beslist om de huurgelden te schorsen (artikel 4). Deze uitsluiting betreft onder meer Citydev, de Haven van Brussel, de publieke bedrijvencentra en de gewestelijke incubatoren.
De huurder dient te beschikken over een geregistreerd handelshuurcontract (of een gelijkaardige juridische structuur waarbij, tegen een vergoeding, een handelspand wordt ter beschikking gesteld zoals erfpacht, vruchtgebruik, opstal, brouwerijcontract incl. terbeschikkingstelling van een pand) voor het pand waarvoor de lening wordt aangevraagd. Ter herinnering, dient dit pand gelegen te zijn in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
Tussen de onderneming (als huurder) en de verhuurder wordt een vrijwillige overeenkomst afgesloten. De verhuurder scheldt de betaling van een tot vier maanden van de huur, inclusief lasten, kwijt, in ruil voor de betaling van het bedrag van een aan de huurder verstrekte lening dat overeenkomt met één tot vier maanden huur, inclusief lasten. Als een verhuurder een maand huur kwijtscheldt, kan de lening maximaal twee maanden huur dekken. Als een verhuurder ten minste twee maanden huur kwijtscheldt, kan de lening tot vier maanden huur dekken.
Het krediet van max. 35.000 euro wordt toegekend voor een periode van twee jaar en dient te worden terugbetaald over een periode van 18 maanden. De terugbetalingen van zowel kapitaal als intrest moeten immers pas starten na 6 maanden. De rente bedraagt 2% per jaar.
Eenzelfde huurder kan meerdere handelshuurleningen ontvangen, op basis van overeenkomsten met één of meer verhuurders, maar het gecumuleerd bedrag van alle leningen aan eenzelfde huurder mag niet hoger liggen dan 35.000 euro.
De aanvraag voor deze regeling - die volledig digitaal zal verlopen - zal vastgesteld worden op basis van een modelovereenkomst tussen huurder en verhuurder en een verklaring op eer. De uiterste indieningsdatum van de aanvragen is vastgelegd op 30 juni 2021, met een uiterste uitbetaling op 31 december 2021. De maatregel zal dus ten laatste op 31 december 2023 uitdoven (behoudens eventuele lopende geschillen), gelet op de afbetalingstermijn van 2 jaar.
De handelshuurleningen worden toegekend in het kader van de Europese de-minimisverordening.
Artikel 15 van het ontwerpbesluit bepaalt de categorieën persoonsgegevens die kunnen verwerkt worden, de doeleinden van de verwerking, de verwerkingsverantwoordelijken en de bewaartermijn.
Artikel 16 van het ontwerpbesluit bevat enkele algemene uitsluitingsgevallen, die grotendeels overeenkomen met de gevallen die bepaald zijn in de premies in het kader van Covid-19.
Ten einde rekening te houden met de tijdelijke aard van de bijzondere machten en dat het noodzakelijk zou kunnen zijn om deze maatregel in de toekomst bij te sturen, voorziet artikel 18 in een machtiging voor de Regering om, bij gewoon besluit, een exhaustief aantal elementen van de maatregel aan te passen.
Inoverwegingneming van het advies van de Raad van State
Dit advies werd gevraagd binnen een termijn van vijf werkdagen. De Raad van State heeft zijn advies 68.423 verleend op 11 december 2020. Het wordt hieronder weergegeven.
In dit advies heeft de Raad verschillende opmerkingen geformuleerd. De Raad haalt ten eerste (punt 4.5) aan dat het Gewest kan rekenen op zijn bevoegdheid inzake economisch beleid om deze maatregel aan te nemen. Deze interpretatie valt samen met die van de Regering.
De Raad is vervolgens van oordeel (punt 5.1 tot 5.3) dat de voorwaarde dat de hurende onderneming over een actieve vestigingseenheid beschikt op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de voorwaarde dat die onderneming minstens een handelspand huurt op hetzelfde grondgebied betrekking moeten hebben op eenzelfde gebouw, om geen ongeoorloofde beperking in van het vrije verkeer van diensten en kapitalen die niet bestaanbaar is met artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 in te houden. Het ontwerp werd in die zin aangepast. Dit was trouwens al de initiële doelstelling van de auteur.
Daarnaast merkt de Raad van State op (punt 5.3) dat de vereiste dat de huurder in die vestigingseenheid over menselijke middelen en goederen beschikt die specifiek voor hem bestemd zijn, niet bestaanbaar is met het vrije verkeer van goederen en personen. Deze vereiste werd dus geschrapt uit artikel 3.
De Raad van State is van mening (punt 7) dat de definitie van de handelshuurlening voorzien in artikel 1 meer verwarring zaait dan omgekeerd. Gelet op de inhoud van artikel 2 kan die definitie geschrapt worden.
Artikel 12 bepaalt dat de lening wordt uitgekeerd op een Belgische zichtrekening op naam van de Verhuurder. De Raad van State acht zich niet in staat om na te gaan op de beperking tot een Belgische bankrekening niet op gespannen voet komt te staan met Europeesrechtelijke beginselen zoals die inzake het vrije verkeer. De auteurs van het ontwerp verwijzen wat dat betreft naar hun verantwoording aangehaald in punt 9 van het advies.
Advies van de Economische en Sociale Raad (Brupartners) en de Gegevensbeschermingsautoriteit
Er werd aan Brupartners gevraagd om een spoedadvies uit te brengen. Dit advies werd op 11 december 2020 uitgebracht, onder voorbehoud van een goedkeuring op haar volgende plenaire vergadering. Met betrekking tot dit advies dient het volgende te worden opgemerkt.
De lening was initieel beperkt tot een bedrag van 25.000 euro. Brupartners vraagt zich af of dit bedrag wel voldoende zal zijn, gelet op de hoge huurprijzen in Brussel. Brupartners herinnert eraan dat in het Vlaams Gewest het plafond werd verhoogd tot 60.000 euro met een lening van maximaal 4 maanden huur.
Het plafond was gebaseerd op het voorstel van de Nationale Bank en UCM/UNIZO. Volgens onze schatting komt een maandelijkse huurprijs van EUR 12.500 inclusief kosten overeen met het topsegment van het huurassortiment. Met het oog op de nieuwe verplichte sluitingsperiode voor een meerderheid van de winkels is besloten om ook over te stappen op een lening voor maximaal 4 maanden huur en het leningplafond per huurder te verhogen tot 35.000 euro. Dit nieuwe plafond is vastgesteld met bijzondere aandacht voor het financiële risico voor het Gewest.
Gezien het feit dat het besluit als rechtsgrond dient voor de verwerking van persoonsgegevens, werd ook het verplichte advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) aangevraagd, met verzoek tot het uitbrengen van een spoedadvies binnen een termijn van 15 dagen.
De GBA heeft op 15 december 2020 advies 137/2020 uitgebracht. Alle opmerkingen van de GBA over de tekst van het besluit hebben aanleiding gegeven tot aanpassingen, met uitzonderling van haar aanbeveling (in de punten 39 en 40 van het advies) om de referentie van de geregistreerde huurovereenkomsten te vervangen door de identificatiegegevens van de partijen bij de huurovereenkomsten. Er kan geen gevolg worden gegeven aan deze aanbeveling, aangezien het zeker nuttig is om voor geregistreerde huurovereenkomsten hun officiële referentie te vermelden in de in artikel 6 voorziene overeenkomst die een aanhangsel bij de huurovereenkomst zal vormen. Artikel 6 wordt echter aangevuld in het licht van het voorstel van de GBA.
De Staatssecretaris voor de Economische Transitie,
Barabara Trachte

Raad van State
Afdeling Wetgeving
Advies 68.423/3 van 11 december 2020 over een ontwerp van bijzondere machtenbesluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering nr. 2020/NNN `betreffende het verlenen van een handelshuurlening aan huurders in het kader van de COVID-19-gezondheidscrisis'
Op 4 december 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met klimaattransitie, leefmilieu, energie en participatieve democratie verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een ontwerp van bijzonderemachtenbesluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering nr. 2020/NNN `betreffende het verlenen van een handelshuurlening aan huurders in het kader van de COVID-19-gezondheidscrisis'.
Het ontwerp is door de derde kamer onderzocht op 10 december 2020. De kamer was samengesteld uit Jo BAERT, kamervoorzitter, Jeroen VAN NIEUWENHOVE en Koen MUYLLE, staatsraden, en Annemie GOOSSENS, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Githa SCHEPPERS, eerste auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Koen MUYLLE, staatsraad.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 11 december 2020.
*1. Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.
In het onderhavige geval wordt het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd als volgt:
"La crise sanitaire du COVID-19 a des conséquences économiques considérables pour beaucoup d'entreprises (...) à la fois directement et indirectement, par les mesures de sécurité imposées. Il existe un risque aigu de problèmes de liquidité ou de solvabilité des locataires et des bailleurs qui ont conclu un bail commercial, au sens large, à la suite de la crise sanitaire du COVID-19. Les locataires d'un bien situé dans la Région de Bruxelles-Capitale qui subissent une perte de chiffre d'affaires en raison de la crise sanitaire du COVID-19 doivent donc être soutenus financièrement, tout en ayant égard aux intérêts des bailleurs. En échange d'une renonciation partielle du montant du lover dû, ce dispositif offre au bailleur une garantie de paiement pour un maximum de deux mois de loyer du bail commercial relatif à un bien situé dans la Région de Bruxelles-Capitale. Quant à la liquidité du locataire, elle est soutenue par un régime d'avances sous la forme d'un crédit afin de pouvoir payer deux mois de loyer au maximum, avec un maximum de 25.000 euros. II convient que les prêts puissent être octroyés cette année 2020 encore."
Volgens artikel 84, § 1, tweede lid, van de wetten op de Raad van State moet de motivering voor de spoedeisendheid die in de adviesaanvraag voorkomt, woordelijk worden overgenomen in de aanhef. In dit geval stemt de motivering die in het voorlaatste lid van de aanhef van het ontwerp wordt weergegeven, niet overeen met de motivering in de adviesaanvraag, wat zal moeten worden verholpen.
2. Overeenkomstig artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, heeft de afdeling Wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
STREKKING VAN HET ONTWERP
3. Het voor advies voorgelegde ontwerp van bijzonderemachtenbesluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering strekt ertoe te voorzien in een systeem van handelshuurleningen, die twee maand huur bedragen per handelspand, inclusief lasten (artikel 7 van het ontwerp). Voor de toekenning van de lening is onder meer vereist dat de verhuurder van het handelspand in kwestie een of twee maanden huur kwijtscheldt, inclusief lasten (artikel 6, derde lid, 2° ).
De minister bevoegd voor economie wordt gemachtigd om de handelshuurleningen toe te kennen (artikel 2) en de voorwaarden voor de toekenning van de handelshuurlening worden bepaald (artikelen 3 tot 6).
Het bedrag en de terugbetaling van de handelshuurlening worden geregeld (artikelen 7 en 8), evenals de procedure voor de aanvraag en de toekenning van de lening (artikelen 9 tot 15). Voorts worden de gevallen bepaald waarin een huurder niet in aanmerking komt voor de lening of waarin hij ze vervroegd moet terugbetalen (artikelen 16 en 17).
Ten slotte wordt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering (hierna: de regering) gemachtigd om, zelfs na het einde van de bijzondere machten, de ontworpen regeling op een aantal punten te wijzigen (artikel 18) en wordt de inwerkingtreding van het te nemen besluit geregeld (artikel 19).
BEVOEGDHEID
4.1. Op grond van artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 7°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 `tot hervorming der instellingen' zijn de gewesten bevoegd voor "de specifieke regels betreffende de handelshuur". Er kan worden aangenomen dat die aangelegenheid ook de bevoegdheid omvat om te voorzien in een systeem van handelshuurleningen zoals dat bepaald in de ontworpen regeling.
4.2. Om een beroep te kunnen doen op die bevoegdheid, moet er echter sprake zijn van een handelshuur in de zin van het voormelde artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 7°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. In advies 53.932/AV van 27 augustus 2013 heeft de Raad van State, afdeling Wetgeving, dienaangaande het volgende opgemerkt:
"Het is de bedoeling van de bijzondere wetgever om met deze wetswijziging `de totaliteit van de specifieke regelen betreffende de handelshuur' over te dragen aan de gewesten. Die specifieke regels betreffende de handelshuur vormen op dit ogenblik afdeling IIbis van boek III, titel VIII, hoofdstuk II van het Burgerlijk Wetboek, met het opschrift `Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder', welke afdeling ingevoegd is bij de wet van 30 april 1951 `op de handelshuurovereenkomsten met het oog op de bescherming van het handelsfonds'.
Aangezien het de bedoeling is van de indieners van het voorstel om de hele bevoegdheid inzake handelshuurovereenkomsten over te dragen aan de gewesten, is het van belang om de exacte draagwijdte te kennen van dat begrip. Het begrip handelshuurovereenkomsten wordt thans in artikel 1 van de voornoemde wet van 30 april 1951 gedefinieerd als volgt :
`de huur van onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen die, hetzij uitdrukkelijk of stilzwijgend vanaf de ingenottreding van de huurder, hetzij krachtens een uitdrukkelijke overeenkomst van partijen in de loop van de huur, door de huurder of door een onderhuurder in hoofdzaak gebruikt worden voor het uitoefenen van een kleinhandel of voor het bedrijf van een ambachtsman die rechtstreeks in contact staat met het publiek'.
Daar deze bepaling het toepassingsgebied definieert van het begrip `handelshuur', bakent ze de bevoegdheidsoverdracht af die artikel 17 van het voorstel van bijzondere wet beoogt tot stand te brengen.
De aandacht van de bijzondere wetgever wordt in dat verband gevestigd op het feit dat het toepassingsgebied van het begrip handelshuur, zoals dat voortvloeit uit het voornoemde artikel 1 van de voormelde wet van 30 april 1951, door het Hof van Cassatie aldus wordt geïnterpreteerd dat, opdat van een handelshuur gesproken kan worden, het vereist is dat de huurder `in hoofdzaak zijn prestaties in het klein verstrekt aan het publiek' . Deze definitie van het begrip handelshuur omvat weliswaar ook de bioscoop en schouwburgondernemingen, de garagehouders, de horlogemakers, de kappers, de hotelhouders, alsook de verhuurders van auto's, fietsen, spelen en vermakelijkheden maar bijvoorbeeld niet de opslagruimten voor voorraad, de kantoorgebouwen van ondernemingen of voorts de plaatsen waar de huurder enkel contacten onderhoudt met een beperkt en gesloten clienteel (en niet met het publiek). De beoefenaars van een zelfstandig beroep die geen handelsactiviteiten uitoefenen, zoals advocaten, vallen thans overigens buiten het toepassingsgebied van de wet op de handelshuur. Aldus vallen notarissen of advocaten die een gebouw huren waarin hun kantoor gehuisvest is, niet onder de toepassing van de wet op de handelshuur, maar ressorteren zij onder het gemeen huurrecht, dat geregeld wordt in de artikelen 1714 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, en dat een federale bevoegdheid blijft. Hetzelfde geldt voor het merendeel van de medische beroepen en de verenigingen zonder winstoogmerk.
De vraag rijst evenwel of de voorgestelde scheidslijn tussen enerzijds de handelshuurovereenkomsten, welke bevoegdheid aan de gewesten zal worden overgedragen, en anderzijds de gemeenrechtelijke huurovereenkomsten, die een federale bevoegdheid zullen blijven, in de lijn ligt van de doelstelling van de bijzondere wetgever, die erin bestaat aan de gewesten de bevoegdheid inzake huurovereenkomsten over te dragen, teneinde hun greep op economisch vlak te vergemakkelijken.
De toelichting bij het voorstel van bijzondere wet stelt weliswaar in het algemeen voorop dat, bij de overdracht van aangelegenheden door de bijzondere wet, `[d]e actuele inhoud van wetgevende en reglementaire teksten kan worden opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen'. Vanuit dit oogpunt zal het de gewesten mogelijk zijn om bijzondere regelen uit te vaardigen voor huurovereenkomsten die thans buiten het toepassingsgebied van de federale wetgeving betreffende handelshuur vallen, voor zover ze beantwoorden aan de generieke begripsinhoud van de overgedragen aangelegenheid `handelshuur'. Daarentegen valt te betwijfelen of de huur buiten de traditionele sfeer van de (klein)handel en de ambachtsondernemingen, die eveneens verbonden is aan een economische bedrijvigheid (bijvoorbeeld : vrije beroepen, medische sector, ondernemingen uit de non-profitsector) geacht kan worden binnen de naar de gewesten overgedragen bevoegdheid inzake `handelshuur' te vallen."
4.3. In artikel 5, 3°, van het ontwerp wordt bepaald dat, om in aanmerking te komen voor de handelshuurlening, de huurovereenkomst één van de volgende vormen moet aannemen:
"a) een geregistreerde handelshuurovereenkomst zoals bedoeld in Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, afdeling IIbis, van het Burgerlijk Wetboek;
b) een handelshuur van korte duur zoals bedoeld in het [lees: de] ordonnantie van 25 april 2019 betreffende de handelshuur van korte duur;
c) een andere juridische structuur waarbij tegen vergoeding een Handelspand of meerdere Handelspanden ter beschikking wordt gesteld, zoals erfpacht, opstal, vruchtgebruik, of brouwerijcontract, inclusief terbeschikkingstelling van een of meerdere Handelspanden."
Ten aanzien van de in artikel 5, 3°, a) en b), van het ontwerp bepaalde gevallen kan worden aangenomen dat het gaat om gevallen van handelshuur in de zin van het voormelde artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 7°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Dat is minder vanzelfsprekend voor de in artikel 5, 3°, c), van het ontwerp bedoelde gevallen. Uit die bepaling blijkt juist dat het gaat om een andere juridische structuur dan de handelshuur.
4.4. Zoals de Raad van State in het aangehaalde advies 53.932/AV heeft opgemerkt zouden de gewesten "bijzondere regelen [kunnen uitvaardigen] voor huurovereenkomsten die thans buiten het toepassingsgebied van de federale wetgeving betreffende handelshuur vallen, voor zover ze beantwoorden aan de generieke begripsinhoud van de overgedragen aangelegenheid `handelshuur'". Tijdens de bespreking van wat de bijzondere wet van 6 januari 2014 `met betrekking tot de Zesde Staatshervorming' is geworden, verklaarde de bevoegde staatssecretaris dat "de overheveling iets verder [gaat] dan de handelshuurwet van 1951".
Op grond hiervan kan worden aangenomen dat brouwerijcontracten, voor het deel ervan dat betrekking heeft op de huur van het onroerend goed bestemd voor horeca-activiteiten, kunnen worden beschouwd als een vorm van handelshuur in de zin van artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 7°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.
Het voorgaande gaat echter niet op voor de eveneens in artikel 5, 3°, c), van het ontwerp vermelde rechten van erfpacht, opstal en vruchtgebruik. Dat zijn immers zakelijke rechten, in tegenstelling tot de handelshuur, dat een persoonlijk recht vormt. De regeling van het recht van erfpacht, opstal en vruchtgebruik behoort derhalve niet tot de bevoegdheid van de gewesten inzake de specifieke regels betreffende de handelshuur.
4.5. In zoverre de ontworpen regeling betrekking heeft op "een andere juridische structuur" die niet als een vorm van handelshuur kan worden beschouwd in de zin van artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 7°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, kan evenwel een beroep worden gedaan op de bevoegdheid van de gewesten inzake het economisch beleid (artikel 6, § 1, VI, eerste lid, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980). In die gevallen kan de handelshuurlening immers worden beschouwd als een vorm van steun aan ondernemingen die een economische bedrijvigheid uitoefenen, waarvoor de gewesten in beginsel bevoegd zijn.
5.1. In artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 wordt bepaald dat de gewesten in economische aangelegenheden hun bevoegdheden uitoefenen met inachtneming van de beginselen van het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitalen en van de vrijheid van handel en nijverheid, alsook met inachtneming van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid, zoals vastgesteld door of krachtens de wet, en door of krachtens de internationale verdragen. Die bevoegdheidsbeperking geldt op algemene wijze, dus niet enkel voor de in opmerking 4.5 aangehaalde gewestelijke bevoegdheid inzake het economische beleid, maar ook voor de in opmerking 4.1 aangehaalde gewestelijke bevoegdheid inzake de specifieke regels betreffende de handelshuur.
In het licht hiervan rijzen vragen bij het vereiste dat de huurder over een actieve vestigingseenheid beschikt op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest die, op het moment van de leningaanvraag, in de Kruispuntbank van Ondernemingen is ingeschreven, in het gewest een economische activiteit uitoefent en er beschikt over menselijke middelen en goederen die specifiek voor hem bestemd zijn.
5.2. Volgens de gemachtigde wordt met een actieve vestigingseenheid een vestiging bedoeld "waar effectief een activiteit wordt uitgeoefend. Leegstaande vestigingen of postbusadressen zouden dus niet in aanmerking komen. Het is niet de bedoeling om vestigingen die (verplicht) gesloten zijn omwille van de coronamaatregelen uit te sluiten."
De voorwaarde dat de huurder over een actieve vestigingseenheid beschikt op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt in het ontwerp evenwel onderscheiden van het vereiste dat een huurder een of meer handelspanden huurt die in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn gelegen. Bijgevolg kan een huurder de handelshuurlening genieten voor een in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gelegen handelspand waarin geen activiteit wordt uitgeoefend, op voorwaarde dat hij daarnaast op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest over een actieve vestigingseenheid beschikt. Wanneer daarentegen een huurder een handelspand huurt in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zonder er activiteiten in uit te oefenen, en hij niet over een actieve vestigingseenheid beschikt in dat gewest, zou hij niet van de handelshuurlening kunnen genieten. In zoverre een huurder van een in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gelegen handelspand waarin geen activiteit wordt uitgeoefend, op die manier verplicht zou worden om daarnaast een actieve vestigingseenheid op te zetten op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, houdt de ontworpen regeling een beperking in van het vrije verkeer van diensten en kapitaal die niet bestaanbaar is met artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.
5.3. Uit het antwoord van de gemachtigde kan evenwel worden afgeleid dat het veeleer de bedoeling is dat in het gehuurde pand een economische activiteit wordt gevoerd. In dat geval rijst het voormelde probleem niet omdat ook een buiten het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gevestigde onderneming die een handelspand huurt in dat gewest, de handelshuurlening kan genieten, voor zover er maar een economische activiteit in wordt gevoerd. Het ontwerp moet dan ook worden aangepast in die zin.
Daarbij moet ook het vereiste dat de huurder in die vestigingseenheid over menselijke middelen en goederen beschikt die specifiek voor hem bestemd zijn, worden weggelaten, omdat ze niet bestaanbaar is met het vrije verkeer van goederen en personen. Er valt immers niet uit te sluiten dat de huur betrekking heeft op een handelspand waar geen personeel aanwezig is, of minstens niet permanent, zoals bijvoorbeeld het geval is in tankstations of wassalons. Het vereiste dat er een economische activiteit is, volstaat ook om tegemoet te komen aan de door de gemachtigde geschetste doelstelling.
RECHTSGROND
6.1. Het ontworpen besluit vindt rechtsgrond in artikel 2 van de ordonnantie van 23 november 2020 `tot toekenning van bijzondere machten aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering naar aanleiding van de gezondheidscrisis ten gevolge van COVID-19'. In die bepaling wordt de regering onder meer gemachtigd om, "onder bedreiging van ernstig gevaar, elke situatie die binnen het strikte kader van de COVID-19-pandemie en de gevolgen ervan een probleem vormt te voorkomen en met spoed aan te pakken, onder meer op de volgende gebieden:
"(...)
- de aanpassing van wetteksten met betrekking tot domeinen waarop de crisis een impact heeft en die onder de gewestelijke bevoegdheden vallen;
- het aanpakken van de sociaaleconomische gevolgen van de pandemie".
6.2. De voormelde machtiging geldt twee maanden vanaf de dag waarop zij in werking treedt, zijnde tot 25 januari 2021.
In artikel 18 van het ontworpen besluit wordt de regering gemachtigd om, zelfs na het einde van de bijzondere machten, de ontworpen regeling op een aantal punten te wijzigen. Na 25 januari 2021 biedt artikel 2 van de ordonnantie van 23 november 2020 evenwel geen rechtsgrond meer voor de besluiten die de regering zou nemen ter uitvoering van die bepaling. Artikel 18 van het ontworpen besluit kan wel rechtsgrond bieden voor die besluiten, maar enkel nadat de ordonnantiegever het te nemen besluit overeenkomstig artikel 3, § 1, van de ordonnantie van 23 november 2020 heeft bekrachtigd.
Indien de regering gebruikt wenst te maken van de in artikel 18 van het ontworpen besluit vervatte machtiging, zal er dus op moeten worden toegezien dat het te nemen besluit zo snel mogelijk na 25 januari 2021 wordt bekrachtigd en dat de regering, zolang dat dit niet is gebeurd, na die datum geen besluiten neemt ter uitvoering van artikel 18 ervan.
ONDERZOEK VAN DE TEKST
Artikel 1
7. Naar luid van artikel 1, 5°, van het ontwerp wordt in het te nemen besluit verstaan onder handelshuurlening "de lening die wordt toegekend aan de Huurder met het oog op de betaling, door de Huurder, van huurgelden aan de Verhuurder".
Die zeer algemene omschrijving spoort niet met de vereisten die verderop in het ontwerp worden gesteld om de handelshuurlening te genieten. Hieromtrent om uitleg gevraagd, verklaarde de gemachtigde:
"De constitutieve elementen van de handelshuurlening worden voornamelijk beschreven in de artikelen 7 en 8. De definitie bepaald in artikel 1, 5°, heeft voornamelijk als doel om de leesbaarheid van het besluit te bevorderen."
De voormelde definitie is evenwel zodanig lacunair dat veeleer verwarring ontstaat over de draagwijdte van de ontworpen regeling. Ze moet dan ook worden aangevuld of worden weggelaten.
Artikel 8
8. In artikel 8, derde lid, van het ontwerp wordt bepaald dat de handelshuurlening voor de huurder een "quasi-eigenvermogensschuld" vormt.
Hieromtrent om uitleg gevraagd verklaarde de gemachtigde:
"Cette précision fait du prêt au loyer commercial une dette subordonnée pour l'emprunteur, c'est-à-dire une dette au rang le plus bas. Grâce à cette propriété, il est plus facile pour le commerçant ou l'artisan en difficulté, s'il en éprouve le besoin, de contracter un autre emprunt auprès d'un organisme financier classique : cet organisme est rassuré par la certitude de passer avec la Région dans le partage de l'actif en cas de cessation d'activité, par exemple. Cette disposition renforce donc le soutien à l'entreprise (ou à l'indépendant) emprunteuse."
Artikel 12
9. In artikel 12 van het ontwerp wordt bepaald dat het bedrag van de lening betaald wordt op een Belgische zichtrekening van de verhuurder.
De Raad van State, afdeling Wetgeving, heeft omtrent een gelijkaardige vereiste recent het volgende opgemerkt:
"11. In artikel 8 van het ontwerp wordt bepaald dat de steun in één enkele schijf wordt vereffend `op een Belgische zichtrekening op naam van de begunstigde'. Aan de gemachtigde werd gevraagd waarom wordt geopteerd voor de beperking tot een Belgisch bankrekeningnummer en daardoor het gebruik wordt uitgesloten van bijvoorbeeld een `International Bank Account Number' (IBAN). De gemachtigde beantwoordde deze vraag als volgt:
`De keuze voor Belgische bankrekeningen vindt haar oorsprong in een bezorgdheid om zo veel als mogelijk de behandeling en de uitbetaling van de dossiers te automatiseren. Een Belgisch bankrekeningnummer heeft telkens hetzelfde aantal getallen en er bestaat bovendien een controlemechanisme dat toelaat om na te gaan dat het rekeningnummer effectief bestaat. Voor bankrekeningnummers van andere landen is dat niet altijd het geval.
Het is in dit opzicht belangrijk om te onthouden dat deze steunmaatregel deel uitmaakt van een groter pakket aan maatregelen, waardoor de administratie al sinds maart 2020 met zeer korte termijnen tienduizenden steunaanvragen behandelt.
Een tweede reden voor deze eis is om het risico van frauduleuze aanvragen te verminderen.
Een gelijkaardige bepaling werd opgenomen in het bijzondere machtenbesluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering nr. 2020/015 van 7 april 2020 betreffende de steun in het kader van de gezondheidscrisis Covid-19 tot vergoeding van de ondernemingen actief in de primaire productie van landbouwproducten en de aquacultuur op het gebied van voeding, artikel 9. Laatstgenoemd besluit is bij de Europese Commissie aangemeld in het kader van de Tijdelijke kaderregeling Covid-19 en de Commissie heeft op dit punt geen opmerkingen gemaakt. Ook de uitvoering van deze regelingen heeft geen problemen opgeleverd in verband met deze eis voor een Belgische bankrekening'.
Er zal op moeten worden toegezien dat de keuze voor de beperking tot een Belgisch bankrekeningnummer, in artikel 8 van het ontwerp, niet op gespannen voet komt te staan met Europeesrechtelijke beginselen zoals die inzake het vrije verkeer. De Raad van State, afdeling Wetgeving, beschikt wat dat betreft niet over de nodige feitelijke en technische gegevens om zich, binnen het korte tijdsbestek van deze adviesaanvraag, daarover een voldoende gefundeerd oordeel te vormen."
Hetzelfde geldt voor artikel 12 van het ontwerp.
De griffier, De voorzitter,
Annemie Goossens Jo Baert
_______
Nota's
1 Voetnoot 63 van het aangehaalde advies: Zie inzonderheid Cass., 22 februari 1980, Arr. Cass. 1979-1980, I, 753-756.
2 Voetnoot 64 van het aangehaalde advies: Zie voor al de aangehaalde voorbeelden Parl. St. Kamer, 1950-1951, nr. 124, 4 (verslag namens de Commissie voor de economische zaken van de Kamer over het wetsontwerp dat aanleiding gegeven heeft tot de voornoemde wet van 30 april 1951).
3 Voetnoot 65 van het aangehaalde advies: Zie in dat verband de toelichting bij het voorliggende voorstel van bijzondere wet (Parl. St. Senaat 2012-2013, 5-2232/1, 95). Naar analogie wordt in het voorstel van bijzondere wet voorzien in de overdracht naar de gewesten van de bijzondere regelen inzake pacht en veepacht, met het oog op een "doelmatig landbouwbeleid" (toelichting, loc. cit., p. 87).
Adv.RvS 53.932/AV van 27 augustus 2013 over een voorstel dat heeft geleid tot de bijzondere wet van 6 januari 2014 `met betrekking tot de Zesde Staatshervorming', opmerking 2 bij artikel 17, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/3 29-30.
5. Verslag namens de Commissie voor Institutionele Aangelegenheden, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/5, 311.
6. Omtrent die vereiste: zie adv.RvS 67.554/1 van 12 juni 2020 over een ontwerp dat heeft geleid tot het bijzondere machtenbesluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering nr. 2020/042 van 18 juni 2020 `betreffende de steun tot vergoeding van de creatieve en culturele instellingen zonder winstoogmerk getroffen door de dringende maatregelen om de verspreiding van het COVID-19-virus te beperken', opmerking 4.1.
7. Artikel 3, 2°, van het ontwerp.
8. Artikelen 3, 3°, en 5, 1°, van het ontwerp.
9. Artikel 4 van de ordonnantie van 23 november 2020.
10. De ordonnantie van 23 november 2020 is, overeenkomstig artikel 5 ervan, in werking getreden op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad van 25 november 2020.
11. De precisering dat dit moet gebeuren bij besluit goedgekeurd na overleg in de ministerraad is overbodig, vermits uit artikel 69 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 reeds voortvloeit dat de regering collegiaal beraadslaagt
12. Adv.RvS 68.214/1 van 9 november 2020 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 12 november 2020 `betreffende steun aan de eet- en drankgelegenhedenondernemingen in het kader van de gezondheidscrisis COVID-19'; zie ook adv.RvS 67.277/3 van 27 april 2020 over een ontwerp dat heeft geleid tot het bijzondere machtenbesluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering nr. 2020/015 van 7 mei 2020 `betreffende de steun in het kader van de gezondheidscrisis COVID-19 tot vergoeding van de ondernemingen actief in de primaire productie van landbouwproducten en de aquacultuur op het gebied van voeding', opmerking 18; adv.RvS 67.457/3 van 28 mei 2020 over een ontwerp dat heeft geleid tot het bijzondere machtenbesluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering nr. 2020/028 van 29 mei 2020 `ter invoering van een premie ter ondersteuning van de huurders met beperkte inkomsten die een inkomensverlies ondergaan door de COVID-19 gezondheidscrisis', opmerking 8.3.

17 DECEMBER 2020. - Bijzondere machtenbesluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering nr. 2020/047 betreffende het verlenen van een handelshuurlening aan huurders in het kader van de COVID-19 gezondheidscrisis
De Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
Gelet op de ordonnantie van 23 november 2020 tot toekenning van bijzondere machten aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering naar aanleiding van de gezondheidscrisis ten gevolge van COVID-19, artikel 2, § 1;
Gelet op artikel 2, § 3, 5°, van de ordonnantie van 4 oktober 2018 tot invoering van de gelijkekansentest;
Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 27 november 2020;
Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 2 december 2020;
Gelet op het advies van de Economische en Sociale Raad voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gegeven op 11 december 2020;
Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de voortdurende gezondheidscrisis, die zowel rechtstreeks als onrechtstreeks via de opgelegde veiligheidsmaatregelen een gevoelige impact heeft op de economische bedrijvigheid van veel ondernemingen;
Dat het acuut risico op liquiditeits- of solvabiliteitsproblemen van huurders en verhuurders die een handelshuurovereenkomst, in brede zin afsloten, ten gevolge van de COVID-19 gezondheidscrisis;
Dat huurders van een pand gelegen in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, die een omzetverlies ondergaan door de COVID-19 gezondheidscrisis, financieel ondersteund moeten worden, waarbij ook de belangen van de verhuurders worden gewaarborgd;
Dat in ruil voor een gedeeltelijke kwijtschelding van de verschuldigde huur, de verhuurder zekerheid krijgt over de betaling van maximum vier maanden huur van de handelshuur met betrekking tot een in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest gelegen pand;
Dat de huurder in zijn liquiditeit wordt gesteund via een voorschottenregeling in de vorm van een krediet om maximum vier maanden huurgelden met een maximum van 35.000 euro te kunnen betalen;
Dat bovendien de moeilijkheden en de traagheid die inherent zijn aan de hervatting van elke economische activiteit na een crisissituatie, dewelke een spreiding van de terugbetalingstermijnen vereisen;
Dat het noodzakelijk is dat de leningen nog in het jaar 2020 toegekend kunnen worden;
Gelet op het advies 68.423/1 van de Raad van State, gegeven op 11 december 2020, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 3 °, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Gelet op het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, gegeven op 15 december 2020, met toepassing van de artikel 23 en 26 van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit;
Op voorstel van de Minister bevoegd voor Economie,
Na beraadslaging,
Besluit :
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
1° minister: de minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering bevoegd voor Economie;
2° Gewest: het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
3° BEW: Brussel Economie en Werkgelegenheid van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel;
4° Handelspand: gebouw of deel van een gebouw dat door de Huurder hoofdzakelijk wordt toegewezen aan de uitoefening van een handelszaak of aan de activiteit van een ambachtsman die rechtstreeks in contact staat met het publiek.
Art. 2. De minister kent Handelshuurleningen toe aan de Huurders onder de voorwaarden bepaald in dit besluit.
De lening worden toegekend binnen de grenzen van de basisallocaties van de begroting 12.022.33.01.8300 en 12.022.40.01.8112, in chronologische volgorde van de ontvangst van de ondertekende leningovereenkomst. De kredieten kunnen niet opnieuw gebruikt worden voor de toekenning van opeenvolgende leningen.
De artikelen 10, § , en 32 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 13 juli 2006 betreffende de administratieve en begrotingscontrole evenals de begrotingsopmaak zijn niet van toepassing op de beslissingen om leningen te verstrekken.
De Gewestelijke Overheidsdienst Brussel en de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Fiscaliteit zijn verantwoordelijk voor het beheer van de aanvragen voor de handelshuurleningen, evenals het beheer van de verstrekte leningen, inclusief de betaling van het geleende bedrag, het toezicht op terugbetaling en het beheer van de gerelateerde geschillen.
HOOFDSTUK 2. - Voorwaarden van de handelshuurlening
Art. 3. De Huurder:
1° is een onderneming in de zin van artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek Economisch Recht;
2° huurt een of meer handelspanden van de Verhuurder sinds minstens 18 maart 2020;
3° beschikt, in de handelspanden bedoeld in 2°, over een actieve vestigingseenheid in het Gewest die, op het moment van de leningaanvraag, in de Kruispuntbank van Ondernemingen is ingeschreven en oefent er een economische activiteit uit;
4° onderverhuurt niet meer dan de helft van de oppervlakte van de Handelspanden die het voorwerp vormen van de Handelshuurlening gedurende de maanden bedoeld in artikel 6, derde lid, 4° ;
5° had geen achterstand in de betaling van de huurgelden op 18 maart 2020 voor de betrokken Handelspanden.
Art. 4. De Verhuurder heeft de maatregel tot schorsing van de huurgelden gedurende een periode van drie maanden ten voordele van bepaalde gewestelijke publieke verhuurders en die deel uitmaakt van het Herstel- en Herontwikkelingsplan van de Regering van 7 juli 2020 niet genoten.
Art. 5. De huurovereenkomst tussen de Huurder en de Verhuurder:
1° heeft betrekking op een of meer Handelspanden gelegen in het Gewest;
2° is nog steeds lopende op het moment van de aanvraag van de Handelshuurlening;
3° neemt één van de volgende vormen aan:
a) een geregistreerde handelshuurovereenkomst zoals bedoeld in Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, afdeling IIbis, van het Burgerlijk Wetboek;
b) een handelshuur van korte duur zoals bedoeld in de ordonnantie van 25 april 2019 betreffende de handelshuur van korte duur;
c) een andere juridische structuur waarbij tegen vergoeding een Handelspand of meerdere Handelspanden ter beschikking wordt gesteld, zoals erfpacht, opstal, vruchtgebruik, of brouwerijcontract, inclusief terbeschikkingstelling van een of meerdere Handelspanden.
Art. 6. De Huurder en de Verhuurder van de huurovereenkomst, of hun respectieve rechtsopvolgers ten algemene of ten bijzondere titel, ondertekenen een modelovereenkomst, opgesteld door BEW.
De modelovereenkomst geldt als een addendum bij de huurovereenkomsten en maakt er in die zin integraal deel van uit.
De modelovereenkomst bevat, naast de reeds bekende identificatiegegevens van de Huurder, de Verhuurder en het handelspand, minstens :
1° de identificatiegegevens van de geregistreerde Huurovereenkomsten;
2° de kwijtschelding door de Verhuurder, per Handelspand, van één tot vier maanden huur, inclusief lasten, die de partijen aanduiden;
3° het akkoord van de partijen dat maximum vier andere maanden huur, inclusief lasten, die de partijen aanduiden, worden gedekt door de Handelshuurlening;
4° het vervallen van de verplichting voor de Huurder tot betaling van de huur voor elk Handelspand afzonderlijk, voor de maanden bedoeld in 2° en 3°, die elkaar niet noodzakelijk opvolgen, met ingang van ten vroegste de huur die in de maand april 2020 opeisbaar werd en eindigend ten laatste op 30 juni 2021;
5° een verklaring op eer van de partijen dat er geen achterstand was in de betaling van de huurgelden op 18 maart 2020 en dat de handelshuur nog lopende is, of werd vernieuwd of verlengd.
Indien de huur niet maandelijks betaald wordt, voorziet de modelovereenkomst in een verrekening pro rata temporis.
HOOFDSTUK 3. - Vorm en bedrag van de handelshuurlening
Art. 7. De Handelshuurlening bedraagt maximaal vier maanden huur per Handelspand in het Gewest, inclusief lasten.
Voor elk Handelspand mag de Handelshuurlening niet meer dan twee maanden huur, inclusief lasten, dekken, tenzij de Verhuurder meer dan een maand huur, inclusief lasten, kwijtscheldt.
Een Huurder kan meerdere aanvragen voor een Handelshuurlening indienen. Eenzelfde Handelspand kan slechts het onderwerp zijn van één enkele Handelshuurlening.
De Handelshuurleningen bedragen maximaal 35.000 euro voor alle Handelspanden van de Huurder.
Art. 8. De Handelshuurlening wordt terugbetaald en de rente wordt betaald in 18 maandelijkse termijnen van een gelijk bedrag, waarvan de eerste 6 maanden na de toekenning van de Handelshuurlening verschuldigd is.
De rente bedraagt 2 procent per jaar.
De Handelshuurlening vormt voor de Huurder een quasi-eigenvermogensschuld.
HOOFDSTUK 4. - Aanvraag- en toekenningsprocedure
Art. 9. De Huurder dient een aanvraag in via het platform ter beschikking gesteld door BEW en voegt daarbij de gevraagde bewijsstukken.
De aanvraag heeft betrekking op één enkel Handelspand waarvoor de Huurder een Handelshuurlening aanvraagt. Een Huurder kan een aanvraag indienen voor elk van zijn gehuurde Handelspanden.
BEW ontvangt de aanvragen ten laatste op 30 juni 2021.
BEW kan per e-mail alle documenten of informatie opvragen die het voor het onderzoek van de aanvraag noodzakelijk acht. De Huurder verstrekt de aanvullende documenten en informatie binnen de vijftien dagen. Indien binnen deze termijn geen antwoord wordt ontvangen, wordt de aanvraag geweigerd.
De informatie die rechtstreeks van de betrokken personen wordt verzameld, is de informatie die strikt noodzakelijk is om aan te tonen dat aan de wettelijke voorwaarden van dit besluit is voldaan.
Art. 10. BEW informeert de aanvragers over de ontvankelijkheid van hun aanvraag.
Art. 11. BEW legt aan die Huurders wiens aanvraag ontvankelijk is, een leningovereenkomst voor. De Huurders ondertekenen die leningovereenkomst en bezorgen deze terug aan BEW binnen de maand van de verzending ervan.
De lening wordt ten laatste op 31 december 2021 toegekend.
Art. 12. BEW betaalt het bedrag van de lening op een Belgische zichtrekening op naam van de Verhuurder. Deze betaling geldt als een betaling van de huur van de Huurder.
Art. 13. De leningen worden verstrekt onder de voorwaarden bedoeld in de verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun.
De begunstigde van de lening geeft alle andere steun die onder bovengenoemde verordening of andere de-minimisverordeningen valt aan en die de onderneming in de twee voorafgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar heeft ontvangen.
BEW deelt de begunstigde mee dat de lening op grond van bovengenoemde verordening wordt toegekend.
Art. 14. BEW kan de behandeling van de aanvragen, leningen en geschillen geheel of gedeeltelijk uitbesteden.
Art. 15. De categorieën persoonsgegevens die met het oog op de uitvoering van deze maatregel kunnen worden verwerkt, zijn de identificatie- en contactgegevens van de Huurders, de echtgenoten of wettelijk samenwonenden van de Huurders in het geval het huwelijksstelsel of het contractuele regime van wettelijk samenwonen dat van de gemeenschap is, en Verhuurders of hun vertegenwoordigers, natuurlijke personen, gegevens uit de huurovereenkomsten in ruime zin bedoeld in artikel 5, het bedrag van het verleende krediet en andere categorieën persoonsgegevens die essentieel zijn voor de uitvoering van de regeling, met inbegrip van het toezicht op de naleving van de voorwaarden en het beheer van de terugbetalingen en de geschillen.
In het kader van deze maatregel zijn de verantwoordelijken voor de verwerking gemachtigd om nationale registratienummers aan te vragen en te gebruiken, overeenkomstig artikel 8, § 1, lid 3, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, ten einde de aanvragen en de leningen te beheren, inclusief de terugbetalingen en geschillen en meer specifiek om Huurders en Verhuurders te identificeren die natuurlijke personen zijn of hun vertegenwoordigers die natuurlijke personen zijn.
De verantwoordelijken voor de verwerking van deze gegevens zijn BEW en Brussel Financiën en Begroting van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel en de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Fiscaliteit.
De bewaartermijn voor persoonsgegevens die in het kader van deze maatregel worden verwerkt, bedraagt drie jaar vanaf het einde van een lening. Indien een leningsaanvraag is geweigerd, worden de desbetreffende gegevens gedurende één jaar na de mededeling van de weigeringsbeslissing bewaard. De persoonsgegevens die nodig zijn voor de verwerking van een geschil in het kader van deze maatregel worden echter voor de duur van de verwerking van het geschil bewaard.
HOOFDSTUK 5. - Uitsluitingsgronden
Art. 16. Wordt uitgesloten van de lening, of is desgevallend gehouden tot vervroegde terugbetaling, de Huurder die:
1° niet alle toepasselijke verplichtingen op het gebied van het milieu-, sociaal en arbeidsrecht naleeft;
2° zich in staat van faillissement of van vereffening bevindt, zijn werkzaamheden heeft gestaakt, een aangifte van faillissement heeft gedaan, voor hem een vereffeningsprocedure aanhangig is of in een vergelijkbare toestand verkeert ingevolge een soortgelijke procedure die bestaat in andere nationale reglementeringen;
3° opzettelijk onjuiste inlichtingen verstrekt; 3° qui fournit intentionnellement des informations erronées ;
4° zich in een van de gevallen bevindt als bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van de ordonnantie van 8 oktober 2015 houdende algemene regels betreffende de inhouding, de terugvordering en de niet-vereffening van subsidies op het vlak van werkgelegenheid en economie, zolang hij de subsidies als bedoeld in voornoemde ordonnantie niet terugbetaalt overeenkomstig de regels bedoeld in haar artikel 4.
De Huurder leeft de voorwaarden bedoeld in het eerste lid na tot de Handelshuurlening volledig afgelost is. Le Locataire respecte les conditions visées à l'alinéa 1er jusqu'à ce que le Prêt sur le loyer commercial soit intégralement remboursé.
Art. 17. De bepalingen van de ordonnantie van 8 oktober 2015 houdende algemene regels betreffende de inhouding, de terugvordering en de niet-vereffening van subsidies op het vlak van werkgelegenheid en economie en de uitvoeringsmaatregelen ervan zijn van toepassing op de leningen vastgelegd in dit besluit, met uitzondering van artikel 3, § 1, eerste lid, 2°, van voornoemde ordonnantie, betreffende de inhouding van de subsidie met het oog op de inning van de onbetaald gebleven gewestelijke administratieve geldboeten.
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
Art. 18. De Regering kan, bij besluit, zelfs na het einde van de bijzondere machten, de volgende bepalingen aanpassen:
1° de voorwaarden waaraan de Huurder, Verhuurder en de huurovereenkomst tussen hen voldoen;
2° de bepalingen die de modelovereenkomst bedoeld in artikel 6 bevat;
3° het maximumbedrag van de Handelshuurlening per Huurder, tot maximaal 75.000 euro;
4° de terugbetalingstermijnen van de Handelshuurlening;
5° de jaarlijkse rentevoet van de Handelshuurlening, tot maximaal 2%;
6° de aanvraag- en toekenningsprocedure;
7° de uiterste aanvraag- en toekenningsdatum, tot ten laatste 30 juni 2022 en 31 december 2022 respectievelijk;
8° de toepasselijke Europese staatssteunregelgeving;
9° de categorieën persoonsgegevens die kunnen verwerkt worden, in functie van de wijzigingen aangebracht op basis van dit artikel;
10° de uitsluitingsgronden.
Art. 19. Dit besluit treedt in werking op 15 januari 2021.
Art. 20. De minister wordt belast met de uitvoering van dit besluit.
Brussel, 17 december 2020.
Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering,
De Minister-President,
R. VERVOORT
De Minister van Economie,
A. MARON
De Minister van Financiën en Begroting,
S. GATZ


begin

Publicatie : 2021-01-05