J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiėlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2020/10/27/2020204419/justel

Titel
27 OKTOBER 2020. - Koninklijk besluit tot vaststelling van bepaalde ministeriele bevoegdheden

Bron :
KANSELARIJ VAN DE EERSTE MINISTER
Publicatie : 04-11-2020 nummer :   2020204419 bladzijde : 79113       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2020-10-27/01
Inwerkingtreding : 01-10-2020

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :2015200625       

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-21

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. De Minister van Werk oefent de voogdij uit over :
  - de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie;
  - de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening;
  - de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen.

  Art. 2. De Minister van Economie is bevoegd voor de dienstconcessie met betrekking tot de verdeling van erkende dagbladen en tijdschriften.

  Art. 3. De Minister van Mobiliteit is bevoegd voor :
  1° Infrabel;
  2° de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
  3° zonder afbreuk te doen aan de functionele bevoegdheden van de betrokken Ministers :
  a) het verzekeren van de vertegenwoordiging van de Belgische Staat in de rechtsvorderingen, lopende en toekomstige, die verbonden zijn aan de N.V. SABENA;
  b) het uitoefenen van de rechten en bevoegdheden die verbonden zijn aan alle rechtstreekse en onrechtstreekse aandelen en participaties van de Federale Staat in de N.V. SABENA.

  Art. 4. De Minister van Financiėn is bevoegd voor de Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij.

  Art. 5. De Minister van Sociale Zaken oefent de voogdij uit over het Federaal agentschap voor beroepsrisico's, met dien verstande dat een protocol wordt gesloten met de Minister van Werk.

  Art. 6. De Minister van Overheidsbedrijven is bevoegd voor Proximus en bpost.

  Art. 7. De Minister van Ambtenarenzaken is bevoegd voor wat betreft :
  1° het afleveren van vergunningen om erkend te worden als spoorwegonderneming, en oefent het gezag uit over de Dienst Veiligheid en Interoperabiliteit der Spoorwegen en de hoofdonderzoeker en de adjunct-onderzoeker van het Onderzoeksorgaan voor Ongevallen en Incidenten op het Spoor;
  2° het toepassen van disciplinaire procedures ten aanzien van de Dienst Regulering van het spoorwegvervoer en van de Exploitatie van de Luchthaven Brussel-Nationaal.

  Art. 8. De Minister voor Noordzee is bevoegd voor marien milieu en maritieme mobiliteit, met inbegrip van het beleid inzake vergunningen en toelatingen voor de uitbating van infrastructuur voor hernieuwbare energie in de Noordzee.

  Art. 9. De Minister van Landbouw is bevoegd voor de veiligheid van de voedselketen, en oefent de voogdij uit over het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, met dien verstande dat een protocol wordt afgesloten met de Minister van Volksgezondheid.

  Art. 10. De Minister van Zelfstandigen is bevoegd voor wat betreft:
  1° de voogdij over het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen;
  2° het sociaal statuut der zelfstandigen, waaronder ook de pensioenen van de zelfstandigen, met dien verstande dat een protocol wordt afgesloten met de Minister van Pensioenen, voor wat betreft de uitvoering van de gemengde pensioenen.

  Art. 11. De Minister van Pensioenen oefent de voogdij uit over de Federale Pensioendienst.

  Art. 12. De Minister van Defensie is bevoegd voor oorlogsslachtoffers.

  Art. 13. Zijn bevoegd voor wat betreft :
  1° de gezamenlijke voogdij over de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid: de Minister van Werk en de Minister van Sociale Zaken;
  2° de gezamenlijke voogdij over de Kruispuntbank voor Sociale Zekerheid: de Minister van Werk en de Minister van Sociale Zaken;
  3° het gezamenlijk gezag over de Sociale Inlichting- en opsporingsdienst: de Minister van Werk, de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Zelfstandigen;
  4° de Autoriteit voor Financiėle Diensten en Markten: de Minister van Economie, de Minister van Financiėn, de Minister van Pensioenen en de Staatssecretaris voor Consumentenbescherming, toegevoegd aan de Minister van Justitie, met dien verstande dat een protocol wordt afgesloten;
  5° de gezamenlijke voogdij over Delcredere: de Minister van Economie, de Minister van Buitenlandse Handel en de Minister van Financiėn;
  6° consumentenzaken: de Minister van Economie en de Staatssecretaris voor Consumentenbescherming, toegevoegd aan de Minister van Justitie, met dien verstande dat een protocol wordt afgesloten;
  7° de NV ASTRID: de Minister van Financiėn en de Minister van Binnenlandse Zaken;
  8° de gezamenlijke voogdij over het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering: de Minister van Sociale Zaken de Minister van Zelfstandigen;
  9° de gezondheidszorgverzekering, de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de invaliditeitsverzekering van de zelfstandigen: de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Zelfstandigen.

  Art. 14. De Staatssecretaris voor Digitalisering, toegevoegd aan de Eerste Minister, is bevoegd voor het Belgisch Instituut voor post en telecommunicatie.

  Art. 15. De Staatssecretaris belast met Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de Eerste Minister, oefent de voogdij uit over de Dienst voor de administratieve vereenvoudiging.

  Art. 16. De Staatssecretaris belast met Privacy, toegevoegd aan de Eerste Minister, is bevoegd voor de wetgeving inzake bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.

  Art. 17. De Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit, toegevoegd aan de Minister van Mobiliteit, is bevoegd voor het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen.

  Art. 18. De Staatssecretaris voor Asiel en Migratie, toegevoegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken, oefent de voogdij uit over:
  1° het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen;
  2° de Raad voor vreemdelingenbetwistingen;
  3° het Federaal Agentschap voor de opvang van asielzoekers;
  4° het Federaal Centrum voor de analyse van de migratiestromen, de bescherming van de grondrechten van de vreemdelingen en de strijd tegen de mensenhandel.

  Art. 19. Het koninklijk besluit van 5 februari 2015 tot vaststelling van bepaalde ministeriėle bevoegdheden, gewijzigd bij de koninklijk besluiten van 22 februari 2015, 4 mei 2015, 27 mei 2015, 10 augustus 2015, 7 mei 2017 en 20 januari 2019, wordt opgeheven.

  Art. 20. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2020.

  Art. 21. De Eerste Minister is belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 27 oktober 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
A. DE CROO

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op de Grondwet, de artikelen 37, 96 en 104;
   Gelet op het koninklijk besluit van 5 februari 2015 tot vaststelling van bepaalde ministeriėle bevoegdheden;
   Gelet op het koninklijk besluit van 1 oktober 2020 houdende benoeming van de regeringsleden, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 oktober 2020;
   Op de voordracht van de Eerste Minister,
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie