J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2020/09/11/2020015601/justel

Titel
11 SEPTEMBER 2020. - Koninklijk besluit tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur en tot opheffing van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, met uitzondering van sommige bepalingen

Bron :
ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 30-09-2020 nummer :   2020015601 bladzijde : 68837       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2020-09-11/10
Inwerkingtreding : 10-10-2020

Deze tekst heeft de volgende teksten gewijzigd :1999016119        2019040805       

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-3

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. De wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur treedt in werking op 30 september 2020.

  Art. 2. De wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 april 2018, wordt op 30 september 2020 opgeheven met uitzondering van:
  1° het artikel 45/1, § 2, § 7, 3) tot en met 5) en §§ 8 tot en met 14;
  2° het artikel 45/2;
  3° het artikel 51, § 1, eerste lid, en § 2.

  Art. 3. De minister bevoegd voor Middenstand en de minister bevoegd voor Economie, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 11 september 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Middenstand,
D. DUCARME
De Minister van Economie,
N. MUYLLE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   {BR}
   RAAD VAN STATE{BR}
   
   {chap}afdeling Wetgeving.{/chap} - Advies 67.585/1 van 8 juli 2020 over een ontwerp van koninklijk besluit `tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur en tot opheffing van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, met uitzondering van sommige bepalingen' Op 9 juni 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Economie verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur en tot opheffing van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, met uitzondering van sommige bepalingen'.{BR}
   Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 2 juli 2020. De kamer was samengesteld uit Marnix VAN DAMME, kamervoorzitter, Wilfried VAN VAERENBERGH en Chantal BAMPS, staatsraden, Michel TISON en Johan PUT, assessoren, en Wim GEURTS, griffier.{BR}
   Het verslag is uitgebracht door Githa SCHEPPERS, eerste auditeur.{BR}
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Chantal BAMPS, staatsraad.{BR}
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 8 juli 2020.{BR}
   *{BR}
   1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.{BR}
   *{BR}
   STREKKING EN RECHTSGROND VAN HET ONTWERP{BR}
   2. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit bepaalt enerzijds de inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2019 `betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur' op datum van 30 september 2020 (artikel 1 van het ontwerp) en anderzijds de opheffing van de wet van 22 april 1999 `betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen' op dezelfde datum, met uitzondering van de artikelen 45/1, § 2, § 7, 3) tot en met 5) en §§ 8 tot en met 14, 45/2 en 51, § 1, eerste lid, en § 2, van die wet (artikel 2).{BR}
   Voornoemde bepalingen hebben in het algemeen betrekking op de samenstelling, de werking en de bevoegdheid van, enerzijds, de stagecommissie (examenjury) van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten (BIBF) en, anderzijds, de Uitvoerende Kamers en de Kamers van Beroep van het BIBF, alsook op de opdracht van deze organen respectievelijk inzake de stage en de tuchtregeling van de BIBF-beroepsbeoefenaars en de BIBF stagiairs.{BR}
   In het zesde, zevende en achtste lid van de aanhef wordt in dit verband verwezen naar artikel 124, § 2, van de wet van 17 maart 2019, dat de stagiairs van het BIBF toelaat hun stage voort te zetten onder dezelfde voorwaarden, en overeenkomstig de regels voorzien door of ter uitvoering van de wet van 22 april 1999.(1){BR}
   3.1. Voor de ontworpen regeling wordt rechtsgrond ontleend aan de artikelen 129, 1°, en 130, van de wet van 17 maart 2019, op grond waarvan de Koning wordt gemachtigd de datum te bepalen waarop de wet van 22 april 1999 wordt opgeheven(2) en de wet van 17 maart 2019 in werking treedt (met uitzondering van de artikelen 127 tot 129 die in werking treden op 1 juni 2019).{BR}
   3.2. Voor de overgangsregeling zal bijkomend een beroep moeten worden gedaan op artikel 108 van de Grondwet, waaraan de Koning een algemene uitvoeringsbevoegdheid ontleent.{BR}
   ONDERZOEK VAN DE TEKST{BR}
   Aanhef{BR}
   4. Gelet op hetgeen sub 3.2 in verband met de rechtsgrond is opgemerkt, dient in de aanhef van het ontwerp een nieuw eerste lid te worden toegevoegd, waarin wordt verwezen naar artikel 108 van de Grondwet.{BR}
   Slotopmerking{BR}
   5. Uit het bij de adviesaanvraag gevoegde advies van 14 mei 2020 van de Hoge Raad voor de Economische Beroepen blijkt dat er nood is aan een duidelijke overgangsregeling voor bepaalde hangende dossiers en lopende stages.{BR}
   5.1. Zo wordt er in het advies op gewezen dat voor wat betreft de tuchtdossiers die aanhangig zijn tegen IAB(3) -leden, de bepalingen uit de wet van 22 april 1999 `betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten', zowel wat betreft de samenstelling van de tuchtorganen, als de procedureregels, toepasselijk blijven en dat voor de tuchtdossiers aanhangig tegen BIBF-leden, de voorschriften uit de wet van 22 april 1999 `betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen', die betrekking hebben op de samenstelling en de procedureregels van de Uitvoerende Kamers en de Kamers van Beroep van het BIBF, alsook de voorschriften opgenomen in het koninklijk besluit van 28 november 2018 `tot bepaling van de regels inzake de organisatie en de werking van het Beroepsinstituut van erkende Boekhouders en Fiscalisten' toepasselijk blijven.{BR}
   Tevens wordt in dat advies te kennen gegeven dat wanneer een hoger beroep wordt ingesteld na de inwerkingtreding van de wet, de nieuwe regeling uit de wet van 17 maart 2019 in verband met de commissie van beroep toepassing vindt en dat in het kader van de inwerkingtreding van de wet nergens wordt bepaald dat het nieuw instituut de nodige middelen moet voorzien voor de uitvoering van de opdrachten van de bestaande tuchtorganen tijdens de overgangsperiode.{BR}
   Tot slot wordt in dat advies benadrukt dat niettegenstaande overeenkomstig artikel 122 van de wet van 17 maart 2019 uitdrukkelijk wordt bepaald dat de hangende tuchtdossiers behandeld blijven door de tuchtorganen "in dezelfde samenstelling", hieruit niet kan worden afgeleid dat deze instanties hun opdracht zullen verderzetten, ook al zou de termijn waarvoor de leden van deze organen benoemd zijn intussen verstreken zijn.{BR}
   Wat deze hangende tuchtdossiers(4) betreft werd door de gemachtigde nog de volgende duiding gegeven:{BR}
   "Het is inderdaad de bedoeling dat de tuchtorganen van de beide fusionerende Instituten hun hangende tuchtdossiers blijven behandelen na het inwerkingtreden van de wet van 17 maart 2019. Dat de tuchtorganen van het BIBF dat in dezelfde samenstelling blijven doen, wordt geregeld in artikel 23 van het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen inzake Economie dat ter advies van uw Raad voorligt (dossier 67560) en dat artikel 122 van de wet van 17 maart 2019 wil wijzigen. Dat artikel 23 in ontwerp luidt: `Het mandaat van de leden van de tuchtorganen en van de rechtskundig assessor bij het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten wordt verlengd tot de datum waarop de dossiers die hangende zijn bij die organen afgehandeld zijn.'. Op die manier wordt gegarandeerd dat de hangende dossiers op dezelfde manier en door dezelfde personen blijven behandeld worden bij het inwerkingtreden van de wet, in het belang van het betrokken lid. De huidige mandaten bij het BIBF lopen tot 2023 en die bij het IAB tot 2024. De dossiers in onderzoek die nog niet aanhangig zijn gemaakt bij een tuchtorgaan, worden overgemaakt aan de rechtskundig assessor bedoeld in artikel 90 van de wet van 17 maart 2019".{BR}
   5.2. Voor de bij de fusionerende instituten hangende dossiers inzake toezicht en kwaliteitscontrole op datum van inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2019 wordt in het voornoemde advies gewezen op de onduidelijkheid of deze verder behandeld worden door de bestaande organen/commissies, dan wel of deze hangende dossiers voor verdere behandeling overgedragen worden aan de nieuw samengestelde organen/commissies.{BR}
   Gevraagd naar de aanpak van de bij de fusionerende instituten hangende dossiers inzake toezicht en kwaliteitscontrole op datum van inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2019, antwoordde de gemachtigde:{BR}
   "Zolang de Koning geen uitvoering geeft aan artikel 60 van de wet van 17 maart 2019, blijven de huidige regels inzake kwaliteitstoetsing (koninklijk besluit van 9 december 2019 tot vastlegging van een reglement inzake de kwaliteitstoetsing van de externe leden van het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten en tot nadere regeling van het gebruik van de opdrachtbrief) van toepassing. Het systeem van kwaliteitstoetsing voorzien in de wet van 17 maart 2019 bouwt verder op het bestaande systeem dat vandaag enkel van toepassing is voor de leden van het IAB. Voor hen verandert er dus niets. De leden van het BIBF die lid zullen worden van het IBA worden pas binnen vier jaar onderworpen aan de regels inzake kwaliteitstoetsing".{BR}
   5.3. Tot slot wordt in het voornoemde advies aangegeven dat de bepalingen van de artikelen 24 tot 26 van de wet van 22 april 1999, alsook de uitvoeringsbesluiten in verband met de IAB-stage niet behouden blijven met het oog op de overgangsregeling voor IAB-stagiairs en wordt benadrukt dat, enerzijds, de rechtszekerheid en de gelijke behandeling niet gediend zijn door een verschillende aanpak, naargelang het gaat om BIBF-stagiairs of IAB-stagiairs en, anderzijds, de organen die instaan voor de opvolging van de IAB-stagiairs ook verder zouden moeten kunnen blijven functioneren tijdens een overgangsperiode.{BR}
   Op de vraag waarom in het ontwerp van besluit de bepalingen uit de wet van 22 april 1999 `betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen' (artikelen 24 tot en met 26 van het ontwerp), alsook de uitvoeringsbesluiten in verband met de IAB-stage voorlopig niet behouden blijven met het oog op de overgangsregeling voor IAB-stagiairs (dit in tegenstelling met de BIBF-stagiairs), gaf de gemachtigde de volgende verduidelijking:{BR}
   "De wet van 17 maart 2019 wijzigt de regels en voorwaarden voor de huidige BIBF-stagiairs ingrijpend. Waar de stage bij het BIBF vandaag één jaar bedraagt, zal die bij het IBA drie jaar bedragen. Daarom is voorzien dat de huidige BIBF-stagiairs hun stage kunnen verderzetten volgens de huidige regels. Het IBA zal de nodige maatregelen en middelen moeten voorzien tot wanneer de laatste BIBF-stagiair op die manier zijn stage heeft doorlopen. De situatie is anders voor de huidige IAB-leden. Voor hen verandert er in feite weinig of niets. Als de wet van 17 maart 2019 wijzigingen heeft aangebracht, zijn die bedoeld om de huidige regels te verduidelijken zonder ze te verzwaren".{BR}
   5.4. Gelet op het voorgaande en omwille van de duidelijkheid en de rechtszekerheid, verdient het aanbeveling dat de stellers van het ontwerp de ontworpen regeling aanvullen met een overgangsregeling, waarin wordt bepaald, enerzijds, dat voor de op datum van de inwerkingtreding van de wet hangende dossiers inzake tucht en toezicht en kwaliteitscontrole deze verder zullen behandeld worden respectievelijk bij de tuchtorganen en bij de fusionerende instituten in hun bestaande samenstelling en, anderzijds, dat de lopende IAB-stages voortgezet kunnen worden onder dezelfde voorwaarden en regels voorzien door of ter uitvoering van de wet van 22 april 1999, waarbij de organen die instaan voor de opvolging van de IAB-stagiairs dienovereenkomstig verder kunnen blijven functioneren.{BR}
   DE GRIFFIER{BR}
   Wim GEURTS{BR}
   DE VOORZITTER{BR}
   Marnix VAN DAMME{BR}
   Nota's{BR}
   (1) Zie ook p. 14, punt 21, van het advies van 14 mei 2020 van de Hoge Raad voor de Economische Beroepen (zoals gevoegd bij de adviesaanvraag).{BR}
   (2) Artikel 129, 2°, van de wet van 17 maart 2019 wordt voorlopig niet uitgevoerd. De gemachtigde stelde in dat verband: "De wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten wordt voorlopig niet opgeheven. De bepalingen van deze wet blijven van toepassing en zijn noodzakelijk voor de behandeling van de dossiers die aanhangig zijn gemaakt bij de tuchtorganen opgericht door deze wet".{BR}
   (3) Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten (IAB).{BR}
   (4) Deze blijven behandeld door de tuchtorganen "in dezelfde samenstelling" hetgeen de vraag doet rijzen of hieruit kan afgeleid worden dat deze instanties hun opdracht zullen verderzetten, ook al zou de termijn waarvoor de leden van deze organen benoemd zijn intussen verstrijken.{BR}
   {BR}
   11 SEPTEMBER 2020. - Koninklijk besluit tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur en tot opheffing van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, met uitzondering van sommige bepalingen{BR}
   FILIP, Koning der Belgen,{BR}
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.{BR}
   Gelet op de Grondwet, artikel 108;{BR}
   Gelet op de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur, de artikelen 129, 1° en 130;{BR}
   Gelet op de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;{BR}
   Gelet op het advies van de Hoge Raad voor de economische beroepen, gegeven op 14 mei 2020;{BR}
   Gelet op advies nr. 67.585/1 van de Raad van State, gegeven op 8 juli 2020, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;{BR}
   Overwegende dat het artikel 61, derde lid, van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur (hierna de wet van 17 maart 2019) voorziet dat het Instituut van de Belastingadviseurs en de Accountants (hierna het Instituut) in de rechten en verplichtingen treedt van de twee fusionerende Instituten, met name het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten en het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten;{BR}
   Overwegende dat de wet van 17 maart 2019 overgangsbepalingen voorziet, waaronder het artikel 124, § 2, waardoor de stagiairs die ingeschreven zijn op de lijst van de stagiairs van het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten (hierna het BIBF) toelaat hun stage voort te zetten onder dezelfde voorwaarden en regels voorzien door of in uitvoering van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;{BR}
   Overwegende dat het artikel 124 van de wet van 17 maart 2019 inhoudt dat, gedurende de beoogde overgangsperiode, de organen bevoegd voor de stage van de erkende boekhouders (-fiscalisten), met name de Uitvoerende Kamers en de Stagecommissie van het BIBF en de Kamers van beroep, als bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, hun opdracht voortzetten in hun huidige samenstelling;{BR}
   Overwegende dat de leden van de Stagecommissie van het BIBF op 13 juni 2019 benoemd zijn voor een nieuw mandaat van vier jaar en dat die benoeming op 15 juli 2019 werd goedgekeurd door de Minister van Middenstand; dat de Uitvoerende Kamers van het BIBF verkozen zijn voor een nieuw mandaat van vier jaar en in functie getreden zijn op 1 juni 2019;{BR}
   Overwegende dat artikel 123 van de wet van 17 maart 2019 voorzien heeft dat de stagiairs van de fusionerende instituten automatisch ingeschreven worden in het openbaar register van het Instituut en de stageduur die ze al gepresteerd hebben, behouden;{BR}
   Overwegende dat, als antwoord op de adviezen van de Raad van State en van de Hoge Raad voor de economische beroepen, de stagiair accountant of de stagiair belastingconsulent die stage loopt onder het toezicht van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten en zijn organen, zijn stage na de datum van inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2019 bij het Instituut voortzet met behoud van alle door de stagiair behaalde resultaten en vrijstellingen en volgens de voorwaarden en nadere regels bepaald in wet van 17 maart 2019 en haar uitvoeringsbesluiten; dat de kandidaat stagiair de behaalde resultaten en vrijstellingen van het toegangsexamen tot de stage van accountant of belastingconsulent behoudt na de datum van inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2019;{BR}
   Overwegende dat de Stagecommissie van het BIBF, de Uitvoerende Kamers en de Kamers van Beroep hun opdracht blijven uitoefenen als voorzien in het artikel 124 van wet van 17 maart 2019; dat het Instituut er moet voor zorgen dat deze organen hun opdrachten uitvoeren; dat het Instituut de nodige middelen moet voorzien voor de uitvoering van de opdrachten van die organen;{BR}
   Overwegende dat, als antwoord op de adviezen van de Raad van State en van de Hoge Raad voor de economische beroepen, de kwaliteitstoetsingen en opvolging van de kwaliteitstoetsingen van het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten als bedoeld in artikel 28, § 3, van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, na de datum van inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2019 worden voortgezet onder het toezicht van het Instituut en zijn organen; dat de kwaliteitstoetsing na de inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2019 uitgevoerd wordt volgens de nadere regels bepaald in het koninklijk besluit van 9 december 2019 tot vastlegging van een reglement inzake de kwaliteitstoetsing van de externe leden van het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten en tot nadere regeling van het gebruik van de opdrachtbrief;{BR}
   Overwegende dat, als antwoord op de adviezen van de Raad van State en van de Hoge Raad voor de economische beroepen, de toezichtdossiers bij het BIBF op de naleving van de bepalingen van boek II van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, van de besluiten en reglementen genomen tot uitvoering ervan, van de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn 2015/849, van de Europese verordening betreffende geldovermakingen zoals bepaald in artikel 4, 5°, van de wet van 18 september 2017 en de waakzaamheidsplichten voorzien door de bindende bepalingen betreffende financiële embargo's, na de datum van inwerkingtreding van de wet worden voortgezet onder het toezicht van het Instituut en zijn organen; dat de Raad van het Instituut in dat kader administratieve sancties kan uitspreken als bedoeld in artikel 116 van de wet van 17 maart 2019;{BR}
   Overwegende dat, als antwoord op de adviezen van de Raad van State en van de Hoge Raad voor de economische beroepen, de opdracht van het BIBF als bedoeld in artikel 44, eerste lid, van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen na de datum van inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2019 wordt voortgezet onder het toezicht van het Instituut en zijn organen;{BR}
   Overwegende dat de tuchtdossiers aanhangig bij de tuchtorganen van de twee fusionerende Instituten blijven behandeld worden door de respectieve tuchtorganen van de twee fusionerende Instituten, als voorzien in artikel 122 van de wet van 17 maart 2019; dat het Instituut de nodige middelen moet voorzien voor de uitoefening van de opdrachten van die tuchtorganen;{BR}
   Overwegende dat, als antwoord op de adviezen van de Raad van State en van de Hoge Raad voor de economische beroepen, de toezichtdossiers opgemaakt door het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten uit hoofde van artikel 28, §§ 1 en 2, van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, op de datum van inwerkingtreding van de wet van 17 maart 2019 worden overgemaakt aan het Instituut en behandeld worden volgens de procedures en de nadere regels bepaald in wet van 17 maart 2019 en haar uitvoeringsbesluiten;{BR}
   Overwegende dat de besluiten betreffende de stagiairs ingeschreven op de lijst van de stagiairs van het BIBF behouden blijven evenals de hierop betrekking hebbende bevoegdheid en opdracht van de bevoegde organen, dat de rechtsgrondslag voor de bevoegdheid en de opdracht van die organen met dit doel wordt behouden;{BR}
   Op de voordracht van de Minister van Middenstand en de Minister van Economie,{BR}
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Inhoudstafel
Franstalige versie