J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2020/07/16/2020015219/justel

Titel
16 JULI 2020. - Ministerieel besluit tot algemene vrijstelling van heffing van de bijdrage tot de kosten gemaakt door de federale toezichthoudende overheden, bedoeld in artikel 3:70, § 4, vierde lid, van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, omwille van de verspreiding van het coronavirus COVID-19

Bron :
ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE
Publicatie : 20-07-2020 nummer :   2020015219 bladzijde : 54752       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2020-07-16/01
Inwerkingtreding : 20-07-2020

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-2

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. De rechtspersonen waarvan de jaarrekening werd afgesloten tussen 1 september 2019 en 31 december 2019 en die hun jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening hebben neergelegd voor de elfde maand volgend op de afsluiting van het boekjaar, worden vrijgesteld van de heffing van de bijdrage tot de kosten gemaakt door de federale toezichthoudende overheden bedoeld in artikel 3:13, derde lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.

  Art. 2. Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 16 juli 2020.
N. MUYLLE

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   De Minister van Economie,
   Gelet op het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, de artikelen 3:10, tweede lid, en 3:13, derde lid;
   Gelet op het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, artikel 3:70, § 4, vierde lid;
   Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 5 juni 2020;
   Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 15 juli 2020;
   Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat, overeenkomstig artikel 3:70, § 4, van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, de beslissing tot een algemene vrijstelling van heffing van de bijdrage tot de kosten gemaakt door de federale toezichthoudende overheden moet bekend gemaakt worden in het Belgisch Staatsblad uiterlijk één maand voor het vervallen van de termijn van acht maanden bedoeld in artikel 3:13, derde lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen; dat het bijgevolg passend is om zo spoedig mogelijk over te gaan tot de bekendmaking van deze beslissing in het Belgisch Staatsblad;
   Gelet op advies 67736/2 van de Raad van State, gegeven op 8 juli 2020, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Overwegende het koninklijk besluit nr. 4 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake mede-eigendom en het vennootschaps- en verenigingsrecht in het kader van de strijd tegen de Covid-19 pandemie, artikel 7, § 2, 1° ;
   Overwegende dat, overeenkomstig artikel 3:10, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, de jaarrekening dient te worden neergelegd bij de Nationale Bank van België binnen de dertig dagen na haar goedkeuring door de algemene vergadering van de betrokken rechtspersoon en ten laatste zeven maanden na de datum van afsluiting van het boekjaar;
   Overwegende dat, overeenkomstig artikel 3:13, derde lid, van hetzelfde Wetboek, de rechtspersonen die hun jaarrekening openbaar maken meer dan één maand na het verstrijken van deze termijn van zeven maanden (dit betekent tijdens de negende maand na de afsluiting van het boekjaar) behoudens overmacht, bijdragen in de door de federale toezichthoudende overheden gemaakte kosten voor de opsporing en controle van ondernemingen in moeilijkheden;
   Overwegende dat artikel 7, § 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 4 van 9 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake mede-eigendom en het vennootschaps- en verenigingsrecht in het kader van de strijd tegen de Covid-19 pandemie, waarvan de bepalingen van toepassing zijn tijdens de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 juni 2020, met name voorziet in de mogelijkheid om de termijn van zeven maanden bedoeld in artikel 3:10, tweede lid en artikel 3:13, derde lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, met tien weken te verlengen;
   Overwegende dat artikel 3:70, § 4, vierde lid, van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen erin voorziet dat, met het oog op administratieve vereenvoudiging, de minister bevoegd voor Economie kan overgaan tot een algemene vrijstelling van heffing van de bijdrage tot de kosten gemaakt door de federale toezichthoudende overheden voor een duur die hij vaststelt en die hoogstens twee maanden bedraagt wanneer blijkt dat uitzonderlijke omstandigheden noodzakelijkerwijze een geval van overmacht zullen vormen voor het geheel of een groot deel van de vennootschappen die ertoe gehouden zijn hun jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening neer te leggen;
   Dat de verspreiding van het coronavirus COVID-19 een uitzonderlijke omstandigheid is dat een geval van overmacht vormt voor het geheel of een groot deel van de vennootschappen die ertoe gehouden zijn hun jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening neer te leggen;
   Dat het bijgevolg passend is, overeenkomstig artikel 3:70, § 4, vierde lid, van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, om over te gaan tot een algemene vrijstelling van heffing van de bijdrage tot de kosten gemaakt door de federale toezichthoudende overheden voor een duur van twee maanden;
   Dat het passend is deze algemene vrijstelling van heffing voor te behouden aan de rechtspersonen die, omwille van inperkingsmaatregelen, niet in de mogelijkheid waren om hun jaarrekening binnen de wettelijke termijnen neer te leggen;
   Dat de betrokken rechtspersonen diegene zijn waarvan de jaarrekening werd afgesloten tussen 1 september 2019 en 31 december 2019;
   Dat de periodes als bedoeld in artikel 3:13, derde lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen ingevolge deze algemene vrijstelling van heffing van de bijdrage tot de kosten gemaakt door de federale toezichthoudende overheden voor een duur van twee maanden met eenzelfde duur worden verlengd,
   Besluit :

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   Raad van State,
   afdeling Wetgeving.
   Advies 67.736/2 van 8 juli 2020 over een ontwerp van ministerieel besluit `tot algemene vrijstelling van heffing van de bijdrage tot de kosten gemaakt door de federale toezichthoudende overheden, bedoeld in artikel 3:70, § 4, vierde lid, van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, omwille van de verspreiding van het coronavirus COVID-19'
   *
   Op 6 juli 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Werk, Economie en Consumenten, belast met Armoedebestrijding, Gelijke Kansen en Personen met een beperking verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een ontwerp van ministerieel besluit `tot algemene vrijstelling van heffing van de bijdrage tot de kosten gemaakt door de federale toezichthoudende overheden, bedoeld in artikel 3:70, § 4, vierde lid, van het koninklijk besluit van 29 april 2019 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, omwille van de verspreiding van het coronavirus COVID-19'.
   Het ontwerp is door de tweede kamer onderzocht op 8 juli 2020 . De kamer was samengesteld uit Pierre Vandernoot, kamervoorzitter, Patrick Ronvaux en Christine Horevoets, staatsraden, Christian Behrendt, assessor, en Béatrice Drapier, griffier.
   Het verslag is opgesteld door Xavier Delgrange, eerste auditeur-afdelingshoofd.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre Vandernoot.
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 8 juli 2020.
   *
   Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten `op de Raad van State', gecoördineerd op 12 januari 1973, moeten in de adviesaanvraag in het bijzonder de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisend karakter ervan.
   De motivering in de brief luidt als volgt:
   "L'urgence est en effet motivée par le fait que, conformément à l'article 3:70, § 4, de l'arrêté royal du 29 avril 2019 portant exécution du Code des sociétés et des associations, la décision de dispense générale de prélèvement de la contribution aux frais exposés par les autorités fédérales de surveillance doit être publiée au Moniteur belge au plus tard un mois avant l'échéance du délai de huit mois prévu à l'article 3:13, alinéa 3, du Code des sociétés et des associations".
   Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten `op de Raad van State', gecoördineerd op 12 januari 1973, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.
   Wat die drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.
   Motivering van de spoedeisendheid
   1. Artikel 3:13, derde lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bepaalt het volgende:
   "Behoudens overmacht dragen de rechtspersonen die hun jaarrekening, en in voorkomend geval hun geconsolideerde jaarrekening, openbaar maken door neerlegging bij de Nationale Bank van België meer dan één maand na het verstrijken van de in artikel 3:10, tweede lid, in artikel 3:20, § 1, tweede lid, in artikel 3:35, tweede lid, of in artikel 2:99, tweede lid, bedoelde termijn van zeven maanden na afsluiting van het boekjaar, bij in de door de federale toezichthoudende overheden gemaakte kosten voor de opsporing en controle van ondernemingen in moeilijkheden".
   Artikel 3:70, § 4, vierde lid, van het koninklijk besluit van 29 april 2019 `tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen' luidt als volgt:
   "Wanneer blijkt dat uitzonderlijke omstandigheden noodzakelijkerwijze een geval van overmacht zullen vormen voor het geheel of een groot deel van de vennootschappen die ertoe gehouden zijn hun jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening neer te leggen, kan de Minister die Economie onder zijn bevoegdheden heeft met het oog op administratieve vereenvoudiging overgaan tot een algemene vrijstelling van heffing van de bijdrage tot de kosten gemaakt door de federale toezichthoudende overheden voor een duur die hij vaststelt en die hoogstens twee maanden bedraagt. Deze beslissing dient bij een met redenen omkleed ministerieel besluit uiterlijk één maand voor het vervallen van de termijn van acht maanden bedoeld in artikel 3:13, derde lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen in het Belgisch Staatsblad te worden bekendgemaakt".
   2. Op de vraag wanneer het te nemen ministerieel besluit moet worden vastgesteld om te voldoen aan die twee bepalingen, heeft de gemachtigde van de minister het volgende geantwoord:
   "Dans ce cadre, nous vous proposons de répondre à votre première question au travers d'un exemple concret, à savoir celui d'une société (" société X ") dont les comptes sont clôturés le 31/12. Dans la grande majorité des cas en effet, les sociétés clôturent leur exercice social au 31/12 de chaque année.
   La société X, dont les comptes sont clôturés le 31/12, doit en principe déposer ceux-ci au plus tard le 31/07 (art. 3:10, alinéa 2, du CSA).
   Aucune majoration tarifaire ne sera toutefois portée en compte si la société X dépose ses comptes entre le 1/08 et le 31/08 (= 8ème mois qui suit la date de clôture).
   Ce n'est qu'en cas de dépôt des comptes à partir du 1/09 (c'est-à-dire plus d'un mois après l'échéance du délai de sept mois visé à l'article 3:10, alinéa 2, du CSA) que la société X sera soumise à une majoration tarifaire (art. 3:13, alinéa 3, du CSA).
   Dans ce contexte, l'arrêté ministériel envisagé doit être publié au plus tard le (1/09 - 1 mois = 1/08), d'où l'urgence invoquée".
   Zoals de spoedeisendheid hier is geëxpliciteerd, is ze naar behoren gemotiveerd.
   Voorafgaande vormvereisten
   In zijn advies van 5 juni 2020 merkt de inspecteur-generaal van Financiën op dat het dossier geen enkele precisering bevat over de budgettaire weerslag ervan.
   Die weerslag is echter wel degelijk reëel, aangezien het ontwerp ertoe strekt ondernemingen vrij te stellen van een heffing.
   Het ontwerp dient dan ook voor akkoordbevinding aan de minister van Begroting te worden voorgelegd.
   Onderzoek van het ontwerp
   Overeenkomstig artikel 3:70, § 4, van het koninklijk besluit van 29 april 2019, moet de minister de duur vaststellen van de vrijstelling, die hoogstens twee maanden mag bedragen.
   Op de vraag of het voorliggende ontwerp aan die voorwaarde voldoet, heeft de gemachtigde van de minister het volgende overtuigende antwoord gegeven:
   "La durée de la dispense générale ne peut en effet pas dépasser deux mois (art. 3:70, § 4, de l'arrêté royal du 29 avril 2019 précité).
   Cette durée maximale est respectée en l'espèce puisque l'arrêté ministériel envisagé prévoit que pour pouvoir bénéficier de cette dispense, les personnes morales concernées doivent avoir `déposé leurs comptes annuels ou consolidés avant le onzième mois suivant la clôture de l'exercice social'.
   Or en principe, les comptes doivent être déposés au plus tard avant le neuvième mois suivant la clôture de l'exercice social afin d'éviter de devoir contribuer aux frais exposés par les autorités fédérales de surveillance (art. 3:13, alinéa 3, du CSA)".
   De griffier,
   Béatrice Drapier
   De voorzitter,
   Pierre Vandernoot

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie