J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2020/07/10/2020042688/justel

Titel
10 JULI 2020. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, wat betreft de invoering van een steunregeling voor middelgrote installaties op basis van zonne-energie en kleine en middelgrote windturbines en wat betreft nuttige groene warmte, restwarmte en de injectie en productie van biomethaan
(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 21-08-2020 en tekstbijwerking tot 28-10-2020) Zie wijziging(en)

Bron : VLAAMSE OVERHEID
Publicatie : 21-08-2020 nummer :   2020042688 bladzijde : 63390       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2020-07-10/33
Inwerkingtreding : onbepaald

Deze tekst wijzigt de volgende tekst :2010035890       

Inhoudstafel Tekst Begin
Art. 1-19

Tekst Inhoudstafel Begin
Artikel 1. In artikel 1.1.1, § 1 van het Energiebesluit van 19 november 2010, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 april 2020, wordt een punt 65° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "65° /1° marginale gronden: bermen en gesloten stortgebieden niet bestemd als natuurgebied of landbouwgebied, onverminderd andere verplichtingen ter zake;".

  Art. 2. In artikel 6.2/1.2 van het Energiebesluit van 19 november 2010, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt punt 1° opgeheven;
  2° in het derde lid wordt de zin "Daarbij kunnen in het bijzonder twee of meerdere installaties met betrekking tot zonne-energie met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) kleiner of gelijk aan 10 kW niet als één project worden beschouwd." opgeheven.

  Art. 3. In artikel 6.2/1.7, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 0/1° wordt opgeheven;
  2° aan punt 1° wordt tussen de woorden "groter dan 2MW," en de zinsnede "en voor zover ze niet behoren tot 6° " de zinsnede " en die worden geplaatst op gebouwen of op marginale gronden" ingevoegd;
  3° in punt 6° wordt de zinsnede "groter dan 10 kW" vervangen door de zinsnede "groter dan 2 MW, en die worden geplaatst op gebouwen of op marginale gronden".

  Art. 4. In artikel 7.4.4, § 3, 1°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, wordt punt b) vervangen door wat volgt:
  "b) de investeringen voor de bouw of de vernieuwing van de installatie zijn voor 30% uitgevoerd;".

  Art. 5. In artikel 7.5.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° aan de leidingen van een energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling, waarmee aan een bijkomende economische aantoonbare warmtevraag voldaan wordt.";
  2° aan paragraaf 6, eerste lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "De minister kan bepalen welke investeringskosten in aanmerking komen.".

  Art. 6. In artikel 7.5.3, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 juli 2015 en 30 november 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan het derde lid worden een punt 10° tot en met 12° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "10° een bewijs dat de energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling tegemoetkomt aan een economisch aantoonbare vraag;
  11° als de steunaanvraag betrekking heeft op een stadsverwarming of -koeling die vertrekt vanuit de warmte- of koudebron: de garantie van de warmte- of koudeproducent dat het transport van de warmte- of koudebron tot de afnemers, vermeld in punt 10°, van de warmte of koude, vermeld in punt 6°, exclusief is toegekend aan de energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling uit de principeaanvraag;
  12° als de steunaanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van een stadsverwarming of -koeling: de garantie van de warmte- of koudeleverancier van de stadsverwarming of -koeling die uitgebreid wordt, dat het transport van die stadsverwarming of -koeling tot de afnemers, vermeld in punt 10°, van de warmte of koude, vermeld in punt 6°, exclusief is toegekend aan de energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling uit de principeaanvraag.";
  2° aan het zevende lid wordt de volgende zin toegevoegd:
  "De minister kan op voorstel van het Vlaams Energieagentschap vastleggen in welke vorm de aanvrager het bewijs, vermeld in het derde lid, 10°, en de garantie, vermeld in het derde lid, 11° en 12°, moet indienen in de principeaanvraag.".

  Art. 7. In artikel 7.5.4, § 2, 1°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 november 2018, wordt punt b) vervangen door wat volgt:
  "b) de investeringen voor de bouw of de vernieuwing van de installatie of de energie-efficiënte stadsverwarming of -koeling zijn voor 30% uitgevoerd;".

  Art. 8. In artikel 7.6.4, § 3, 1°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 september 2013, wordt punt b) vervangen door wat volgt:
  "b) de investeringen voor de bouw of de vernieuwing van de installatie zijn voor 30% uitgevoerd;".

  Art. 9. In titel VII van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2020, wordt het opschrift van hoofdstuk XI vervangen door wat volgt:
  "Hoofdstuk XI. Ondersteuning van middelgrote installaties op basis van zonne-energie en kleine en middelgrote windturbines".

  Art. 10. Artikel 7.11.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2018, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 7.11.1. § 1. Er wordt steun toegekend voor de plaatsing in het Vlaamse Gewest van een nieuwe installatie op basis van zonne-energie, met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan 40 kW tot en met 2 MW, of voor windturbines op land met een bruto nominaal vermogen per turbine groter dan 10 kWe tot en met 300 kWe. De steun wordt alleen toegekend als het gaat om nieuwe installaties en als er voor die installaties geen groenestroomcertificaten zijn toegekend of kunnen worden toegekend.
  Projecten komen alleen in aanmerking voor de steun als het totale vermogen van de installatie(s) op basis van zonne-energie die valt of vallen onder het eerste lid, op dezelfde aansluiting, niet meer dan 2 MW bedraagt. De aansluiting verwijst daarbij naar het punt waar de productie-installatie op het elektriciteitsdistributienet, het transmissienet, een gesloten distributienet, een gesloten industrieel net of het plaatselijk vervoersnet van elektriciteit aangesloten is. De aansluiting wordt geïdentificeerd door de EAN-code voor afname van de aansluiting. Indien bij de aanvraag nog geen EAN-code voor afname gekend is, verklaart de aanvrager op eer dat de aanvraag voldoet aan de bepaling van dit lid. In elk geval moet een EAN-code voor afname bij de aanvraag tot uitbetaling gekend zijn conform artikel 7.11.4, § 3.
  Voor installaties op basis van zonne-energie die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt er een onderscheid gemaakt tussen de volgende installaties:
  1° installaties op marginale gronden;
  2° drijvende installaties;
  3° overige installaties.
  Installaties op basis van zonne-energie die injecteren in een directe lijn die de eigen site overschrijdt, komen ook in aanmerking voor de steun als die installaties voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid.
  In afwijking van het eerste lid wordt, als de installatie op basis van zonne-energie in aanmerking komt om te voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 11.1.3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, geen steun toegekend voor de opwekking van de hoeveelheid elektriciteit uit zonne-energie die nodig is om aan die voorwaarde te voldoen. Het deel van de installatie dat in aanmerking komt om te voldoen aan de voormelde verplichting, wordt bepaald als de noodzakelijke productie uit hernieuwbare energiebronnen, zoals voor EPW-eenheden bepaald is in artikel 9.1.12/2, vierde en vijfde lid,, en zoals voor EPN-eenheden bepaald is in artikel 9.1.12/3, § 1, vierde en vijfde lid, uitgedrukt in kilowattuur, en vermenigvuldigd met de bruikbare vloeroppervlakte van de EPW- of EPN-eenheid in m2, gedeeld door 900 uur. Voor de overige kilowatt aan omvormervermogen kan steun worden toegekend.
  Een installatie op basis van zonne-energie omvat minstens:
  1° een set zonnepanelen die bij de installatie hoort;
  2° een omvormer die bij de installatie hoort;
  3° een productiemeter die bij de installatie hoort;
  4° een keuringsattest dat bij de installatie hoort.
  Een installatie op basis van windenergie omvat minstens:
  1° een windturbine met de noodzakelijk fysieke onderdelen, namelijk:
  a) een rotor;
  b) een gondel met de noodzakelijke onderdelen;
  c) een mast;
  d) fundering of verankering;
  2° een omvormer die bij de installatie hoort;
  3° een productiemeter die bij de installatie hoort;
  4° een keuringsattest dat bij de installatie hoort.
  De minister kan nadere regels bepalen over de locatie van installaties die in aanmerking komen voor steun.
  De minister bepaalt jaarlijks het maximale bedrag van de totale steun op basis van de middelen die daarvoor op de algemene uitgavenbegroting voor dat jaar zijn ingeschreven en op basis van de middelen van het Energiefonds.
  § 2. De steun wordt toegekend in de vorm van een investeringssubsidie en wordt toegewezen via een call.
  De minister lanceert minstens om de zes maanden een call. De calls bevatten altijd minstens een oproep voor de installaties, vermeld in paragraaf 1, derde lid, 3°. De minister bepaalt op voorstel van het Vlaams Energieagentschap per call welke andere types installaties als vermeld in paragraaf 1, derde lid, en installaties op basis van windenergie in aanmerking komen voor steun. Voor de andere types installaties, vermeld in paragraaf 1, derde lid, en installaties op basis van windenergie lanceert de minister minstens om de twaalf maanden een call.
  De minister bepaalt per call de maximale steunbedragen waarvoor projecten geselecteerd kunnen worden. Eén maximaal steunbedrag is voorbehouden voor de call voor steunaanvragen voor de plaatsing van installaties op basis van zonne-energie als vermeld in paragraaf 1, derde lid, 3°. Eén maximaal steunbedrag is voorbehouden voor de call voor de plaatsing van installaties op basis van zonne-energie als vermeld in paragraaf 1, derde lid, 1° en 2° en de plaatsing van windturbines op land.
  § 3. Per call kan voor elke installatie op basis van zonne-energie of voor elke windturbine maximaal één steunaanvraag worden ingediend. Een steunaanvraag heeft altijd betrekking op één installatie.
  Voor elke aansluiting kan er per call maximaal één steunaanvraag worden ingediend. Als er een steunaanvraag voor een project op een specifieke aansluiting is ingediend, kan er pas een nieuwe steunaanvraag voor diezelfde aansluiting ingediend worden nadat de vorige installatie, waarvoor een positieve beslissing is verkregen, in dienst genomen is. Als een positieve beslissing niet wordt uitgevoerd, kan er pas twee jaar na de datum van die positieve beslissing een nieuwe steunaanvraag ingediend worden voor de aansluiting waarop de positieve beslissing betrekking had.
  § 4. Projecten die niet in aanmerking komen voor de toekenning van de steun doordat het maximale steunbedrag voor de betreffende call dat de minister bepaalt conform paragraaf 2, is uitgeput, kunnen altijd bij de volgende call een nieuwe steunaanvraag als vermeld in artikel 7.11.3, indienen.".

  Art. 11. Artikel 7.11.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2018, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 7.11.2. § 1. De steun, vermeld in artikel 7.11.1, wordt alleen toegekend aan installaties waarbij de uitgaven die gerelateerd zijn aan de bouw van de installatie, dateren van na de beslissing van het Vlaams Energieagentschap over de toekenning van steun aan de installatie in kwestie, vermeld in artikel 7.11.3, § 3, of aan installaties waarvoor een nieuwe steunaanvraag wordt ingediend als vermeld in artikel 7.11.3, § 5, tweede lid. Alleen werkzaamheden voor de investering die niet zijn gestart voor of tijdens de selectieprocedure van de call in kwestie, komen in aanmerking voor een subsidie.
  Pas nadat de positieve beslissing aan de aanvrager betekend is, mag de aanvrager onomkeerbare contractuele verbintenissen aangaan om de werkzaamheden voor de investering uit te voeren. Die verbintenis blijkt uit een ondertekende definitieve overeenkomst, een ondertekende offerte, een verkoopovereenkomst of gelijksoortige documenten die de investering onomkeerbaar maken. Voorbereidende handelingen, zoals de aankoop van grond of een gebouw, de aanvraag van advies of een prijsofferte, worden niet beschouwd als aanvang van de werkzaamheden voor de investering.
  De begunstigde van de investeringssteun beschikt over een volledige en ontvankelijk verklaarde omgevingsvergunningsaanvraag voor de installatie waarop de steunaanvraag betrekking heeft, als de installatie vergunningsplichtig is, op het moment dat hij de steunaanvraag indient. Een kopie van de volledig en ontvankelijk verklaarde omgevingsvergunningsaanvraag wordt in dat geval bij de steunaanvraag gevoegd.
  § 2. De steun, vermeld in artikel 7.11.1, kan niet worden gecumuleerd met andere investeringssteun.
  § 3. De aanvrager voldoet op de indieningsdatum van de steunaanvraag aan al de volgende voorwaarden:
  1° de aanvrager mag geen achterstallige schulden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid hebben;
  2° de aanvrager mag geen onderneming in moeilijkheden zijn als vermeld in artikel 2, 18, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening;
  3° de aanvrager mag niet het voorwerp uitmaken van een beslissing tot terugvordering van toegekende steun als vermeld in artikel 1, lid 4, a), van de voormelde verordening, die niet is betwist of die heeft geleid tot een rechterlijke veroordeling tot terugbetaling.
  § 4. De aanvrager leeft de voorwaarden, vermeld in de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, na.".

  Art. 12. Artikel 7.11.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2018 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 7.11.3. § 1. De aanvrager dient een steunaanvraag in binnen de opengestelde termijn van de call, vermeld in artikel 7.11.1, via een elektronisch formulier op de website van het Vlaams Energieagentschap.
  De steunaanvraag bevat minstens al de volgende gegevens:
  1° het DC-piekvermogen van de installatie op basis van zonne-energie en het maximale AC-vermogen van de omvormer(s) als het een installatie op basis van zonne-energie betreft;
  2° het bruto nominaal vermogen en het type windturbine binnen het project als het een installatie op basis van windenergie betreft;
  3° het adres en het kadastrale perceel van de installatie;
  4° de lijst van de verwachte projectkosten die in aanmerking komen;
  5° de verwachte jaarlijkse energieopbrengst van de installatie, berekend volgens een methode die de minister bepaalt;
  6° de financiële steun waarop een beroep kan worden gedaan in het kader van andere ondersteuningsmaatregelen;
  7° de aangevraagde steun, uitgedrukt in euro en als percentage van de kosten die in aanmerking komen;
  8° de gegevens van de aanvrager en, als de aanvrager een onderneming is, de naam en het KBO-nummer van de onderneming;
  9° een inschatting van de begin- en einddatum van het project;
  10° een kopie van de volledig en ontvankelijk verklaarde omgevingsvergunningsaanvraag, als een omgevingsvergunning vereist is voor de installatie.
  De bedragen vermeld in het tweede lid, 4° en 7°, zijn de bedragen vóór de aftrek van belastingen of andere heffingen.
  De minister kan nadere regels vastleggen over de voorwaarden en de modaliteiten voor de aanvraagprocedure.
  Het Vlaams Energieagentschap beslist over de ontvankelijkheid van de steunaanvragen aan de hand van al de volgende criteria:
  1° de steunaanvraag is ingediend met de formulieren die daarvoor bestemd zijn;
  2° de steunaanvraag is volledig en correct ingevuld;
  3° de steunaanvraag is tijdig ingediend;
  4° de steunaanvraag voldoet aan de bepalingen van artikel 7.11.1, § 1 en § 3 en van artikel 7.11.3, § 3, vierde lid en zevende lid.,.
  De aanvrager wordt binnen twee maanden na de dag waarop het Vlaams Energieagentschap de steunaanvraag heeft ontvangen, schriftelijk of elektronisch met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de beslissing dat de steunaanvraag niet ontvankelijk is. Die kennisgeving vermeldt:
  1° de motivering;
  2° de mogelijkheid om een nieuwe steunaanvraag in te dienen bij een volgende call.
  De aanvrager kan de steunaanvraag alleen rechtsgeldig intrekken binnen de opengestelde termijn van de call. Als de steunaanvraag wordt ingetrokken nadat de opengestelde termijn van de call verstreken is, is artikel 7.11.4, § 5, tweede lid, 3°, van toepassing.
  § 2. Het Vlaams Energieagentschap onderzoekt of de projecten waarop de ontvankelijke steunaanvragen betrekking hebben, voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.11.2.
  § 3. Het Vlaams Energieagentschap rangschikt de ingediende steunaanvragen die conform paragraaf 1, vijfde en zesde lid, ontvankelijk zijn, op basis van de verhouding van de aangevraagde steun, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 7°, ten opzichte van de verwachte energieopbrengst. De verwachte energieopbrengst wordt bepaald op basis van de berekende jaarlijkse energieopbrengst, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 5°, en de levensduur van de installatie. In het kader van de steunregeling wordt de levensduur vastgelegd op twintig jaar voor installaties op basis van zonne-energie en op tien jaar voor windturbines.
  Projecten met een lagere verhouding van de aangevraagde steun ten opzichte van de verwachte energieopbrengst worden beter gerangschikt. Projecten met dezelfde verhouding van de steun ten opzichte van de verwachte energieopbrengst worden gerangschikt op basis van het tijdstip waarop de aanvraag ingediend is, waarbij een vroeger tijdstip beter gerangschikt wordt.
  Er worden twee aparte lijsten met gerangschikte projecten opgesteld, namelijk:
  1° een lijst met gerangschikte projecten voor installaties op basis van zonne-energie als vermeld in artikel 7.11.1, § 1, derde lid, 3° ;
  2° een lijst waarin gerangschikte projecten voor installaties op basis van zonne-energie, als vermeld in artikel 7.11.1, § 1, derde lid, 1° en 2°, en projecten op basis van windenergie samen worden opgenomen.
  De minister legt per call en per type installatie een steunplafond vast, dat de maximale verhouding van de steun ten opzichte van de verwachte energieopbrengst weergeeft waarvoor projecten kunnen worden geselecteerd. Dat steunplafond bedraagt:
  1° maximaal 22 euro per MWh voor projecten voor installaties op basis van zonne-energie als vermeld in artikel 7.11.1, § 1, derde lid, 1° en 3° ;
  2° maximaal 33 euro per MWh voor projecten voor installaties op basis van zonne-energie als vermeld in artikel 7.11.1, § 1, derde lid, 2° ;
  3° maximaal 74 euro per MWh voor projecten op basis van windenergie.
  Projecten die een hogere steun aanvragen dan het steunplafond, vermeld in het vierde lid, zijn niet ontvankelijk conform paragraaf 1, vijfde lid, 4°. Per rangschikking als vermeld in het derde lid, wordt het project met de hoogste verhouding van de aangevraagde steun ten opzichte van de energieopbrengst in elk geval niet geselecteerd. Alleen de best gerangschikte projecten die voldoen aan beide voorwaarden, vermeld in dit lid, krijgen steun tot het budget, vermeld in artikel 7.11.1, § 2, derde lid, per rangschikkingslijst als vermeld in het derde lid, opgebruikt is.
  In paragraaf 1, tweede lid, 4°, wordt onder projectkosten die in aanmerking komen verstaan: de investeringskosten en de aansluitingskosten van de installatie zonder de exploitatiekosten en -baten in rekening te nemen. Uitgaven voor het ontwerp en de engineering of voor de vergunningsaanvragen van de installatie worden niet beschouwd als kosten die in aanmerking komen. De minister kan na advies van het Vlaams Energieagentschap nadere regels vastleggen om deze investeringskosten te bepalen.
  De minister legt per call maximale waarden vast voor de kosten die in aanmerking kunnen komen. Die kosten bedragen:
  1° maximaal 1030 euro per kWp voor een installatie op basis van zonne-energie als vermeld in artikel 7.11.1, § 1, derde lid, 1° en 3°, met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan 40 kW tot en met 250 kW;
  2° maximaal 858 euro per kWp voor een installatie op basis van zonne-energie als vermeld in artikel 7.11.1, § 1, derde lid, 1° en 3°, met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan 250 kW tot en met 750 kW;
  3° maximaal 696 euro per kWp voor een installatie op basis van zonne-energie als vermeld in artikel 7.11.1, § 1, derde lid, 1° en 3°, met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan 750 kW tot en met 2 MW;
  4° maximaal 1150 euro per kWp voor een installatie op basis van zonne-energie als vermeld in artikel 7.11.1, § 1, derde lid, 2° ;
  5° maximaal 3300 euro per kW voor een windturbine op land met een bruto nominaal vermogen per turbine groter dan 10 kWe tot en met 300 kWe.
  Steunaanvragen voor projecten met hogere investeringskosten dan de maximale investeringskosten, vermeld in het zevende lid, zijn niet ontvankelijk conform paragraaf 1, vijfde lid, 4°. .
  Het Vlaams Energieagentschap kan controleren of de kosten die in aanmerking komen, vermeld in het zesde lid, waarheidsgetrouw zijn, onder andere op basis van actuele gegevens uit onafhankelijke studies.
  Het Vlaams Energieagentschap betekent binnen twee maanden na het sluiten van de call aan de aanvrager zijn beslissing over het al dan niet toekennen van de steun. Pas na de betekening van de beslissing mag de aanvrager met de investering starten.
  Het steunbedrag dat wordt uitbetaald, is gelijk aan de aangevraagde steun, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 7°. Dat steunbedrag wordt gestaafd met facturen. Het steunbedrag dat wordt uitbetaald, ligt in geen geval hoger dan het maximaal toegekende steunbedrag uit de beslissing, vermeld in het tiende lid, en ligt in geen geval hoger dan toegelaten overeenkomstig artikel 7.1.1.
  Het steunbedrag kan nooit meer bedragen dan 100% van de kosten, die in aanmerking komen vermeld in het zesde lid. Projecten met een steunbedrag dat meer bedraagt dan 100% van de kosten die in aanmerking komen, vermeld in het zesde lid, komen niet in aanmerking voor steun.
  § 4. Voor alle geselecteerde projecten wordt een bankwaarborg gesteld ten gunste van het Vlaamse Gewest. De bankwaarborg bedraagt 7,5% van het steunbedrag dat is opgenomen in de beslissing, vermeld in § 3, tiende lid, en bedraagt minstens 2000 euro. Uiterlijk dertig dagen na de betekening van de beslissing, vermeld in § 3, tiende lid, bezorgt de begunstigde de bankwaarborg aan het Vlaams Energieagentschap. Als de aanvrager het gevraagde bewijs niet bezorgt binnen de vooropgestelde termijn, wordt hij voor drie jaar vanaf de datum van de betekening van de beslissing uitgesloten van deelname aan de call voor de ondersteuning van middelgrote installaties op basis van zonne-energie en kleine en middelgrote windturbines.
  § 5. Projecten op basis van zonne-energie en projecten op basis van windenergie kunnen alleen aanspraak maken op het volledige aangevraagde steunbedrag, vermeld in paragraaf 3, als ze uiterlijk respectievelijk achttien maanden en vierentwintig maanden na de datum van de beslissing, vermeld in paragraaf 3, tiende lid, in dienst genomen zijn. Het steunbedrag wordt met 20% verminderd voor projecten die in het daaropvolgende jaar in dienst genomen zijn. Dat is voor projecten op basis van zonne-energie achttien tot dertig maanden na de datum van de beslissing, vermeld in § 3, tiende lid, en voor projecten op basis van windenergie in het derde jaar na de datum van de beslissing, vermeld in § 3, tiende lid. Projecten op basis van zonne-energie en projecten op basis van windenergie die langer dan respectievelijk dertig maanden en drie jaar na de datum van de beslissing, vermeld in § 3, tiende lid, in dienst genomen zijn, verliezen hun recht op steun volledig.

  Art. 13. Artikel 7.11.4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2018 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 7.11.4. § 1. De aanvrager dient een bewijs van de ontvankelijke aanmelding van de operationele installatie aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, aan de beheerder van het plaatselijke vervoersnet van elektriciteit, aan de elektriciteits-transmissienetbeheerder, aan de beheerder van gesloten distributienetten of aan de beheerder van het gesloten industrieel net in, via een elektronisch formulier op de website van het Vlaams Energieagentschap. De datum van die ontvankelijke aanmelding wordt beschouwd als de datum van indienstname van de installatie. De aanvrager bezorgt dat bewijs aan het Vlaams Energieagentschap uiterlijk dertig dagen na de datum van indienstname.
  Het Vlaams Energieagentschap kan op elk moment controleren of de vaststellingen die opgenomen zijn in een keuringsverslag, overeenkomen met de werkelijkheid.
  § 2. Nadat een bewijs van de ontvankelijke aanmelding als vermeld in paragraaf 1, is ingediend, dient de aanvrager een volledige aanvraag tot uitbetaling in, via een elektronisch formulier op de website van het Vlaams Energieagentschap. Die volledige aanvraag wordt ingediend uiterlijk zes maanden na de datum van indienstname. De steun wordt niet uitbetaald als een volledige aanvraag wordt ingediend later dan zes maanden na de datum van indienstname vermeld in paragraaf 1. Een volledige aanvraag bevat minstens al de volgende informatie:
  1° een technische beschrijving van de installatie as built, met de aanduiding van alle meetinstrumenten;
  2° de werkelijke kosten die in aanmerking komen, gestaafd met facturen, die duidelijk, gespecificeerd en actueel zijn;
  3° een gedateerde en ondertekende verklaring op erewoord dat aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 3, 2°, 3°, 4° en 5°, is voldaan.
  De steun wordt in elk geval niet uitbetaald later dan 36 maanden na de betekening van de beslissing zoals omschreven in artikel 7.11.3, § 3, tiende lid, in het geval van installaties op basis van zonne-energie en later dan 42 maanden na de betekening van de beslissing in het geval van installaties op basis van windenergie.
  § 3. De steun wordt in zijn geheel uitbetaald nadat de volledige aanvraag tot uitbetaling bij het Vlaams Energieagentschap is ingediend en op voorwaarde dat aan al de volgende voorwaarden voldaan is:
  1° de aanvrager vraagt de uitbetaling van de steun aan;
  2° het steunbedrag bedraagt niet meer dan 100% van de werkelijke kosten die in aanmerking komen, vermeld in artikel 7.11.4, § 2, 2°. Indien het steunbedrag meer bedraagt dan 100% van de werkelijke kosten die in aanmerking komen, dan wordt de uit te betalen investeringssteun geplafonneerd op 100% van die werkelijke kosten;
  3° de aanvrager heeft geen achterstallige schulden bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  4° de aanvrager mag geen onderneming in moeilijkheden zijn als vermeld in artikel 2, 18, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening;
  5° de aanvrager maakt geen voorwerp uit van een beslissing tot terugvordering van toegekende steun als vermeld in artikel 1, lid 4, a), van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, die niet is betwist of die heeft geleid tot een rechterlijke veroordeling tot terugbetaling;
  6° de installatie voldoet aan alle voorwaarden die erop van toepassing zijn door of krachtens dit besluit;
  7° de aanvrager heeft de investering volledig uitgevoerd;
  8° het in dienst genomen piekvermogen of het bruto nominaal vermogen van de installatie is minstens gelijk aan de door de aanvrager bij de steunaanvraag opgegeven piekvermogen of bruto nominaal vermogen zoals bepaald in artikel 7.11.3. § 1;
  9° de aanvrager beschikt over de vereiste omgevingsvergunning voor de installatie;
  10° de aanvrager beschikt over de EAN-code voor afname van het toegangspunt waar de installatie is aangesloten.
  § 4. De steun wordt volledig of gedeeltelijk teruggevorderd bij de aanvrager binnen twintig jaar voor installaties op basis van zonne-energie en binnen tien jaar voor installaties op basis van windenergie na de datum van indienstname van de installatie als:
  1° er binnen twintig jaar voor installaties op basis van zonne-energie en binnen tien jaar voor installaties op basis van windenergie na de beëindiging van de investeringen een faillissement, een boedelafstand, een ontbinding, een gerechtelijke verkoop of een sluiting in het kader van een sociaaleconomische herstructureringsoperatie met tewerkstellingsafbouw tot gevolg plaatsvindt bij de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de installatie bezit;
  2° de wettelijke informatie- en raadplegingsprocedures bij collectief ontslag niet worden nageleefd binnen twintig jaar voor installaties op basis van zonne-energie en binnen tien jaar voor installaties op basis van windenergie na de beëindiging van de investeringen bij de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de installatie bezit;
  3° de installatie op basis van zonne-energie of de installatie op basis van windenergie niet gedurende minimaal respectievelijk twintig of tien jaar operationeel is, en dit in verhouding tot de tijd dat de installatie operationeel was;
  4° de aanvrager gevat wordt door artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof;
  5° de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de installatie bezit de overige voorwaarden niet naleeft die door of krachtens dit besluit op de installatie van toepassing zijn.
  § 5. De bankwaarborg, vermeld in artikel 7.11.3, § 4, wordt in zijn geheel vrijgegeven na de aanvraag tot uitbetaling bij het Vlaams Energieagentschap en nadat de steun uitbetaald is conform paragraaf 3 of nadat de uitbetaling van de steun is geweigerd op grond van paragraaf 3, 3° of 4°.
  De bankwaarborg wordt uitgewonnen als:
  1° het project niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 7.11.3, § 5, eerste lid;
  2° het geïnstalleerde vermogen van de installatie kleiner is dan het vermogen dat vermeld is in de steunaanvraag;
  3° de aanvrager zijn steunaanvraag intrekt nadat de opengestelde termijn van de call, vermeld in artikel 7.11.3, § 1, verstreken is;
  4° de aanvrager niet beschikt over de vereiste omgevingsvergunning voor de installatie;
  5° de aanvrager voorwerp uitmaakt van een beslissing tot terugvorderen van toegekende steun als vermeld in artikel 1, lid 4, a), van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening, die niet is betwist of die heeft geleid tot een rechterlijke veroordeling tot terugbetaling;
  6° niet voldaan is aan de bepaling in paragraaf 3, 7° ;
  7° niet voldaan is aan de bepalingen in artikel 7.11.2, § 1, eerste en tweede lid;
  8° niet voldaan is aan de bepaling in paragraaf 3, 6°, behoudends wanneer de uitbetaling van de steun is geweigerd op grond van paragraaf 3, 3° of 4° ;
  9° niet voldaan is aan de bepaling in paragraaf 3, 10°.
  De inkomsten uit de uitwinning van de bankwaarborg, als vermeld in het tweede lid, worden toegewezen aan het Energiefonds.
  § 6. Het Vlaams Energieagentschap kan tijdens een controle ter plaatse van de installatie en de meterstanden nagaan en controleren of voldaan is aan de voorwaarden voor de toekenning van de steun, vermeld in deze afdeling.
  In al de volgende gevallen kan het Vlaams Energieagentschap beslissen om de steun niet toe te kennen of beslissen om de steun terug te vorderen binnen tien jaar na de datum van indienstname van de installatie:
  1° aan het Vlaams Energieagentschap wordt de toegang tot de installatie geweigerd;
  2° het Vlaams Energieagentschap stelt vast dat niet aan de voorwaarden, vermeld in dit hoofdstuk, is voldaan;
  3° bij de opneming van de meetgegevens wordt fraude vastgesteld.
  De aanvrager of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de installatie bezit meldt onmiddellijk al de volgende wijzigingen aan het Vlaams Energieagentschap:
  1° alle wijzigingen die ervoor kunnen zorgen dat niet langer voldaan wordt aan de voorwaarden voor de toekenning van de steun;
  2° alle wijzigingen die een invloed kunnen hebben op het bedrag van de toe te kennen steun;
  3° iedere wijziging van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de installatie bezit nadat de steun is uitbetaald conform paragraaf 3. Alle bepalingen onder paragraaf 4, 1°, 2°, 3° en 5°, zijn van toepassing op de nieuwe rechtspersoon of natuurlijke persoon die de installatie bezit.
  Bij elke melding van een wijziging als vermeld in het derde lid, 2°, legt de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de installatie bezit een nieuw keuringsverslag voor als vermeld in paragraaf 1, tweede lid. Bij dergelijke wijzigingen kan het Vlaams Energieagentschap zijn beslissing tot toekenning van steun wijzigen.
  Een installatie mag voorafgaand aan de uitbetaling van de steun niet worden vervreemd of ten bezwarende titel worden belast.
  § 7. De minister kan nadere regels vastleggen over de voorwaarden en de modaliteiten voor de procedure tot het aanvragen van de uitbetaling.".

  Art. 14. In bijlage III/1 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht
  1° in punt 1.1 wordt de zinsnede ", voor zon steeds over de constructieperiode + een exploitatieperiode van 15 jaar" opgeheven;
  2° in punt 3 wordt punt 1° opgeheven;
  3° in punt 3 worden in de tabel de kolommen "cat. 2a" tot en met "cat. 3b" opgeheven.

  Art. 15. In punt 3 van bijlage III/3 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 december 2012 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 april 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 0/1° wordt opgeheven;
  2° aan punt 1° wordt tussen de woorden "groter dan 2MW," en de zinsnede "en voor zover ze niet behoren tot 6° " de zinsnede " en die worden geplaatst op gebouwen of op marginale gronden" ingevoegd;
  3° in punt 6° wordt de zinsnede "groter dan 10 kW" vervangen door de zinsnede "groter dan 2 MW, en die worden geplaatst op gebouwen of op marginale gronden";
  4° in de tabel wordt de kolom "cat. 0/1" opgeheven;
  5° punt 3.1.7 wordt opgeheven;
  6° punt 3.1.9 wordt vervangen door wat volgt:
  "3.1.9 M 3.9. Het Vlaams Energieagentschap legt de waarden vast op basis van een referentie-installatie voor nieuwe projecten, en behoudt die waarden voor lopende projecten. Het Vlaams Energieagentschap publiceert die waarden in het jaar n-1 voor projecten waarvoor de projectspecifieke bandingfactor berekend wordt in het jaar n.";
  7° punt 3.1.10 wordt vervangen door wat volgt:
  "3.1.10 M 3.10
  Het VEA legt de waarden vast op basis van de projectparameters voor nieuwe projecten, en behoudt die waarden voor lopende projecten. De waarde is maximaal de waarde, vermeld in M 3.9, vermenigvuldigd met een factor 1,15.".

  Art. 16. Artikel 7.11.1 tot en met 7.11.4 van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op projecten waarvoor de steunaanvragen voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend.

  Art. 17. § 1. Artikel 6.2/1.7, § 1, van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals van kracht vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, en bijlage III/3 bij het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals van kracht vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, zijn voor het eerst van toepassing op projecten waarvoor voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit nog geen principeaanvraag of definitieve aanvraag is ingediend bij het Vlaams Energieagentschap als vermeld in artikel 6.2/1.7, zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.
  § 2. Artikel 6.2/1.2 en bijlage III/1 van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op projecten met een startdatum voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.
  § 3. Artikel 6.2/1.7 en bijlage III/3 van het Energiebesluit van 19 november 2010, zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, blijven van toepassing op installaties met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan 750 kW tot en met 2 MW, en op installaties met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan 10 kW tot en met 2 MW, en die injecteren in een directe lijn die de eigen site overschrijdt, waarvoor op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit:
  1° al een definitieve bandingfactor als vermeld in artikel 6.2/1.7, § 2, van het Energiebesluit van 19 november 2010, werd verkregen;
  2° al een voorlopige bandingfactor werd verkregen conform de procedure, vermeld artikel 6.2/1.7, § 1, van het voormelde besluit, zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit;
  3° al een principeaanvraag of definitieve aanvraag is ingediend bij het Vlaams Energieagentschap als vermeld in artikel 6.2/1.7, zoals van kracht vóór de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.
  De projecten, vermeld in het eerste lid, aangaande installaties met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan 750 kW tot en met 2 MW, en installaties met een maximaal AC-vermogen van de omvormer(s) groter dan 40 kW tot en met 2 MW, en die injecteren in een directe lijn die de eigen site overschrijdt, zijn uitgesloten van de call, vermeld in artikel 7.11.1 tot en met 7.11.4 van het Energiebesluit van 19 november 2010, tenzij eerst uitdrukkelijk afstand wordt gedaan van hun recht op de toekenning van groenestroomcertificaten op grond van een bandingfactor als vermeld in het eerste lid, 1° of 2°, of tenzij de aanvraag, vermeld in het eerste lid, 3°, wordt ingetrokken.

  Art. 18.[1 De Vlaamse minister, bevoegd voor de energie, bepaalt voor iedere bepaling van dit besluit de datum van inwerkingtreding.]1
  
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 1 vastgesteld op 09-01-2021 door BVR 2020-12-18/13, art. 30, wat betreft de invoering van een steunregeling voor middelgrote installaties op basis van zonne-energie en kleine en middelgrote windturbines en wat betreft nuttige groene warmte, restwarmte en de injectie en productie van biomethaan treedt artikel 1 van dat besluit in werking)
  ----------
  (1)<BVR 2020-10-09/04, art. 58, 002; Inwerkingtreding : 07-11-2020>

  Art. 19. De Vlaamse minister, bevoegd voor energie, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Brussel, 10 juli 2020.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
J. JAMBON
De Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme,
Z. DEMIR

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   Rechtsgronden
   Dit besluit is gebaseerd op:
   - de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 87, § 1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;
   - het Energiedecreet van 8 mei 2009, artikel 7.1.4/1, § 1, eerste lid, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2012 en gewijzigd bij de decreten van 17 februari 2017 en 16 november 2018, en tweede lid, ingevoegd bij het decreet van 13 juli 2012 en gewijzigd bij het decreet van 16 november 2018, en § 4, vierde lid, ingevoegd bij het decreet van 16 november 2018, artikel 8.2.1, 3°, artikel 8.3.1, 3°, en artikel 8.4.1, 3° ;
   Vormvereisten
   De volgende vormvereisten zijn vervuld:
   - De Inspectie van Financiën heeft advies gegeven op 19 mei 2020.
   - De Raad van State heeft advies nr. 67.518/3 gegeven op 1 juli 2020, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
   Initiatiefnemer
   Dit besluit wordt voorgesteld door de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme.
   Na beraadslaging,
   DE VLAAMSE REGERING BESLUIT:

Wijziging(en) Tekst Inhoudstafel Begin
---------------------------------------------------GEWIJZIGD DOOR---------------------------------------------------
originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 18-12-2020 GEPUBL. OP 30-12-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 3; 15)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 11-12-2020 GEPUBL. OP 17-12-2020
    (GEWIJZIGDE ART. : 10; 11; 12; 13)
  • originele versie
  • BESLUIT VLAAMSE REGERING VAN 09-10-2020 GEPUBL. OP 28-10-2020
    (GEWIJZIGD ART. : 18)
  • -------------------------------------INWERKINGTREDING DOOR-------------------------------------
    (GEWIJZIGD ART. : 1)

    Begin Eerste woord Laatste woord Wijziging(en) Aanhef
    Inhoudstafel 1 uitvoeringbesluit 1 gearchiveerde versie
    Franstalige versie