einde

Publicatie : 2020-07-01

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID EN FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG

26 JUNI 2020. - Koninklijk besluit nr. 46 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5° van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot ondersteuning van de werkgevers en de werknemers



VERSLAG AAN DE KONING
Sire,
Het ontwerpbesluit dat wij de eer hebben voor te leggen ter ondertekening aan Uwe Majesteit beoogt:
- het weer invoeren van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur, zoals die van toepassing was in de periode 2009-2011 teneinde een instrument aan de ondernemingen te bieden om de vermindering van werk op te vangen en de loonkosten te doen dalen, zonder daarom over te moeten gaan tot naakte ontslagen.
Deze maatregelen maken het voorwerp uit van hoofdstuk 1.
- het invoeren van het Corona-tijdskrediet, een formule tot vermindering van de arbeidsprestaties waaraan een uitkering is verbonden;
Deze maatregel maakt het voorwerp uit van hoofdstuk 2.
- het toelaten, bij ondernemingen in moeilijkheden of ondernemingen in herstructurering, en onder bepaalde voorwaarden, dat werknemers vanaf 55 jaar een halftijdse of 1/5de landingsbaan aanvatten;
Deze maatregel maakt het voorwerp uit van hoofdstuk 3.
- het mogelijk maken van de erkenning als onderneming in moeilijkheden of als onderneming in herstructurering zonder dat het noodzakelijk is een collectieve arbeidsovereenkomst in het kader van de werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT) af te sluiten;
Deze maatregel maakt het voorwerp uit van hoofdstuk 4.
- het invoeren van een regeling om de overgang te faciliteren van de tijdelijke werkloosheid wegens overmacht als gevolg van het coronavirus COVID-19 naar de bestaande systemen van economische werkloosheid voor werklieden en bedienden.
Het hoofdstuk 5 is van toepassing op een werkgever die niet langer in de voorwaarden verkeert om zich te beroepen op de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wegens tijdelijke overmacht omwille van het coronavirus COVID-19. In dergelijke situatie kan de werkgever beroep doen op de bestaande stelsels van economische werkloosheid voor arbeiders of bedienden (artikel 51 en artikel 77/1 en volgende van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten), die tijdelijk, tot eind 2020, worden aangepast om een vlottere toegang tot die stelsels mogelijk te maken.
In het systeem van economische werkloosheid voor werklieden wordt het tot eind 2020 mogelijk om de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor ten hoogste acht weken (i.p.v. vier weken) volledig te laten schorsen. Een regeling van gedeeltelijke arbeid kan tot eind 2020 worden ingevoerd voor een duur van ten hoogste achttien weken (i.p.v. drie maanden). Andere regels binnen dit stelsel van economische werkloosheid blijven ongewijzigd van toepassing.
Wat de bedienden betreft, zullen werkgevers tot eind 2020 beroep kunnen doen op het stelsel van economische werkloosheid voor bedienden (hoofdstuk II/I van Titel III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten) zonder te moeten beantwoorden aan de normale preliminaire voorwaarden voor de toegang tot dit systeem,
met name de criteria om te kunnen worden beschouwd als onderneming in moeilijkheden. Wel moet de werkgever kunnen aantonen dat hij in het kwartaal voorafgaand aan de invoering van de economische werkloosheid, een substantiële daling van ten minste 10% van de omzet of de productie heeft gekend in vergelijking met hetzelfde kwartaal van 2019. Bovendien moet hij de bedienden die in economische werkloosheid worden geplaatst twee vormingsdagen per maand aanbieden. De vereiste van het bestaan van een cao of ondernemingsplan die in de betaling van een supplement voorziet, blijft in deze context behouden.
Het maximum aantal weken waarin de bedienden in economische werkloosheid kunnen worden geplaatst, wordt tot eind 2020 verhoogd. Het maximum van zestien kalenderweken per kalenderjaar (in geval van een volledige schorsing) of zesentwintig kalenderweken per kalenderjaar (in geval van regeling van gedeeltelijke arbeid) wordt verhoogd met 8 weken.
Deze maatregelen maken het voorwerp uit van hoofdstuk 5.
De opmerkingen van de afdeling Wetgeving van de Raad van State in zijn advies nr. 67.654 van 25 juni 2020 werden in overweging genomen.
Zoals aangegeven door de Raad van State in zijn advies 67.654 van 25 juni 2020 wordt de toepassing van de maatregelen in de eerste vier hoofdstukken beperkt tot de ondernemingen met een erkenning als onderneming in moeilijkheden of herstructureringen die ten vroegste aanvangt vanaf 1 maart 2020 aangezien de maatregelen tegen de verspreiding van het coronavirus vanaf die maand een belangrijke impact begonnen te hebben op de activiteiten binnen de ondernemingen.
De maatregelen zijn van toepassing op de ondernemingen die erkend zijn als onderneming in moeilijkheden of in herstructurering waarvan de erkenning aanvangt voor 1 januari 2021. De economische gevolgen zijn niet beperkt tot de voorbije periode van zeer strikte maatregelen op vlak van social distancing die vooral impact hadden op de tijdelijke werkloosheid. Het is pas in de tweede jaarhelft dat verwacht wordt dat de grootste jobverliezen zullen plaatsvinden. Het zijn deze ontslagen die de maatregelen beogen te beperken.
HOOFDSTUK 1. - Tijdelijke arbeidsduurvermindering in het kader van de COVID-19 pandemie
Artikelen 1 tot en met 3
In dit hoofdstuk wordt de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur opnieuw ingevoerd, zoals die van toepassing was in de periode 2009-2011. Arbeidsduurvermindering kan een instrument zijn voor de ondernemingen om de vermindering van werk op te vangen en de loonkosten te doen dalen, zonder daarom over te moeten gaan tot naakte ontslagen. De betrokken werknemers worden als voltijdse werknemers beschouwd. De arbeidsduurvermindering moet ook collectief voor het geheel van het personeel, of een categorie van het personeel, worden ingevoerd.
Een forfaitaire RSZ-vermindering wordt gegeven in geval van een tijdelijke arbeidsduurvermindering. De periode van de forfaitaire vermindering loopt vanaf invoering van de tijdelijke arbeidsduurvermindering en neemt een einde wanneer de tijdelijke arbeidsduurvermindering een einde neemt.
De tijdelijke arbeidsduurvermindering kan worden toegepast gedurende een jaar. De begin- en einddatum van de periode van arbeidsduurvermindering moeten gelegen zijn binnen de periode van erkenning als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden.
HOOFDSTUK 2. - Corona-tijdskrediet
Artikelen 4 tot en met 8
Om werkgevers toe te laten de arbeidsprestaties van hun werknemers te verminderen zonder dat hun werknemers een te groot inkomensverlies zouden moeten lijden, regelt dit hoofdstuk een speciale formule tot vermindering van de arbeidsprestaties waaraan een uitkering is verbonden. Het gaat hier om een herneming van een maatregel die bestond in de jaren 2009-2011 om het hoofd te bieden aan de crisis en losstaat van deze die bestaan in toepassing van of krachtens de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen.
Wordt een overeenkomst gesloten door werkgever en werknemer overeenkomstig deze regeling, dan ontvangt de werknemer die zijn arbeidsprestaties vermindert, een uitkering om gedeeltelijk zijn inkomensverlies op te vangen. Deze uitkering is dezelfde als deze vastgelegd voor het gewone tijdskrediet.
Het corona-tijdkrediet kan individueel per werknemer worden toegepast voor een periode van één tot maximaal zes maanden. Deze periode moet volledig liggen binnen de periode waarin de werkgever erkend is als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden en deze periode van erkenning ten vroegste aanvangt op 1 maart 2020 en ten laatste op 31 december 2020.
HOOFDSTUK 3.- Landingsbanen
Artikelen 9 en 10
Dit hoofdstuk laat toe dat werknemers vanaf 55 jaar een halftijdse of 1/5de landingsbaan aanvatten, onder de voorwaarde dat hij een beroepsverleden heeft van 25 jaar en dat de landingsbaan een aanvang neemt in de periode van erkenning als onderneming in moeilijkheden of als onderneming in herstructurering, waarvan de datum van aanvang gelegen is ten vroegste op 1 maart 2020 en ten laatste op 31 december 2020.
Bijkomend wordt in een afwijking van de minimale periode van landingsbaan voorzien, zodat een landingsbaan gedurende één maand mogelijk is.
HOOFDSTUK 4. - Erkenning als onderneming in herstructurering of in moeilijkheden
Artikel 11
Dit hoofdstuk zorgt ervoor dat een erkenning als onderneming in moeilijkheden of als onderneming in herstructurering mogelijk is zonder het afsluiten van een collectieve arbeidsovereenkomst in het kader van de werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT). Deze erkenningen gelden dan vanzelfsprekend enkel en alleen voor de toepassing van de maatregelen bedoeld in de hoofstukken 1, 2 en 3 van dit besluit. Een onderneming die wenst gebruik te maken van de modaliteiten voorzien in het koninklijk besluit van 3 mei 2007, dient daarvoor wel degelijk nog een cao te sluiten in het kader van SWT.
HOOFDSTUK 5. - Tijdelijke aanpassing, bij wijze van overgangsmaatregel, van de regeling inzake economische werkloosheid voor ondernemingen die niet meer in de voorwaarden verkeren om beroep te doen op tijdelijke werkloosheid wegens overmacht die het gevolg is van de COVID-19-epidemie
Artikel 12
Dit artikel legt het toepassingsgebied vast van de overgangsregeling. De maatregel is van toepassing op de werkgevers die niet meer in de voorwaarden verkeren om zich ten aanzien van hun werknemers te beroepen op de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wegens tijdelijke overmacht omwille van het coronavirus COVID-19.
Artikel 13
Dit artikel brengt een aantal tijdelijke aanpassingen aan, tot eind 2020, in het bestaande stelsel van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor werklieden bij gebrek aan werk wegens economische oorzaken (artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten), ook wel beter bekend als de tijdelijke economische werkloosheid voor arbeiders.
In afwijking van de bestaande regels zal het tot eind 2020 mogelijk zijn om, bij ontstentenis van een sectoraal K.B., de uitvoering van de arbeidsovereenkomst volledig te schorsen gedurende acht weken (in plaats van de huidige vier weken). De regeling van gedeeltelijke arbeid die minder dan drie arbeidsdagen per week of minder dan één arbeidsweek per twee weken omvat zal kunnen worden ingevoerd voor een maximale duur van 18 weken (in plaats van de huidige drie maanden).
Aan de overige regels en voorwaarden van artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten wordt niet geraakt. Zij blijven dus onverminderd van toepassing.
Artikel 14
Dit artikel brengt een aantal tijdelijke aanpassingen aan, tot eind 2020, in het bestaande stelsel van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst voor bedienden bij gebrek aan werk wegens economische oorzaken (hoofdstuk II/I van Titel III van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten), ook wel beter bekend als de tijdelijke economische werkloosheid voor bedienden.
In afwijking van de bestaande regels, zal de toegang tot dit stelsel tot eind 2020 niet beperkt worden tot de ondernemingen in moeilijkheden. Wel moet de werkgever kunnen aantonen dat hij in het kwartaal voorafgaand aan de invoering van de economische werkloosheid, een substantiële daling van ten minste 10% van de omzet of de productie heeft gekend in vergelijking met hetzelfde kwartaal van 2019. Bovendien moet hij de bedienden die in economische werkloosheid worden geplaatst twee vormingsdagen per maand aanbieden.
Daarnaast blijft ook de vereiste bestaan dat een onderneming die gebruik maakt van dit stelsel moet gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst of door een ondernemingsplan die worden neergelegd ter griffie van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. De cao of het ondernemingsplan moeten het bedrag van het supplement vermelden dat overeenkomstig artikel 77/4, § 7 van de wet van 3 juli 1978 moet worden betaald aan de bediende in tijdelijke economische werkloosheid. In geval gebruik wordt gemaakt van een ondernemingsplan, dient in dit plan te worden aangetoond dat de onderneming in het voorafgaande kwartaal een substantiële daling van ten minste 10% van de omzet of de productie heeft gekend in vergelijking met hetzelfde kwartaal van 2019. Tevens moet de werkgever in het ondernemingsplan zich ertoe verbinden de bedienden op wie de regeling van volledige schorsing van de uitvoering van de overeenkomst of de regeling van gedeeltelijke arbeid wordt toegepast, twee vormingsdagen per maand aan te bieden. Een kopie van dit plan dient ook onverwijld te worden overgemaakt aan de ondernemingsraad of bij gebrek daaraan, aan de vakbondsafvaardiging.
Aangezien het tot eind 2020 niet nodig is erkend te zijn als onderneming in moeilijkheden om gebruik te kunnen maken van het stelsel van tijdelijke economische werkloosheid voor bedienden, is het ook niet vereist om tijdens deze periode ondernemingsplannen per aangetekende brief op te sturen naar de Directeur-generaal van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen teneinde deze te laten voorleggen aan de Commissie "Ondernemingsplannen".
De rol als administratieve autoriteit van de Commissie "Ondernemingsplannen" bestaat hoofdzakelijk uit het controleren of de onderneming die een ondernemingsplan indient, beantwoordt aan één van de criteria om te worden erkend als zijnde een onderneming in moeilijkheden.
Gelet op het feit dat de criteria om te worden erkend als een onderneming in moeilijkheden, tijdelijk niet van toepassing zijn, wordt de tussenkomst van de Commissie "Ondernemingsplannen" en de bijhorende administratieve procedure, beschreven in artikel 77/1, § 3 van de wet van 3 juli 1978, eveneens tijdelijk opgeschort.
In het belang van de rechtszekerheid dienen de ondernemingsplannen, net zoals de desbetreffende collectieve arbeidsovereenkomsten, wel te worden neergelegd ter griffie van de Algemene Directie van de Collectieve Arbeidsbetrekkingen, zoals trouwens voorzien is in artikel 77/1, § 2, derde lid, van de wet van 3 juli 1978.
Daar de ondernemingsplannen tijdelijk niet meer worden voorgelegd aan de Commissie "Ondernemingsplannen", kan deze Commissie geen afwijking meer toestaan op het bedrag van het loonsupplement en wordt dus ook tijdelijk afgeweken van artikel 77/1, § 6 van de wet van 3 juli 1978.
HOOFDSTUK 6 - Slotbepalingen
Artikel 15
Artikel 15 bepaalt de datum van inwerkingtreding en buitenwerkingtreding van de verschillende hoofdstukken van dit besluit.
Artikel 16
Artikel 16 wijst de ministers aan die belast zijn met de uitvoering van het besluit.
Ik heb de eer te zijn,
Sire,
Van Uwe Majesteit,
de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar,
La Ministre des Affaires sociales,
M. DE BLOCK
De Minister van Werk,
N. MUYLLE

RAAD VAN STATE
afdeling Wetgeving
Advies 67.654/1 van 25 juni 2020 over een ontwerp van koninklijk besluit nr. .... `tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5° van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot ondersteuning van de werkgevers en de werknemers'
Op 18 juni 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Werk verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit nr. .... `tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5° van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot ondersteuning van de werkgevers en de werknemers'.
Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 23 juni 2020. De kamer was samengesteld uit Marnix VAN DAMME, kamervoorzitter, Wilfried VAN VAERENBERGH en Chantal BAMPS, staatsraden, en Wim GEURTS, griffier.
De verslagen zijn uitgebracht door Barbara SPEYBROUCK, eerste auditeur en Katrien DIDDEN, adjunct-auditeur.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Chantal BAMPS, staatsraad.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 25 juni 2020.
1. Met toepassing van artikel 4, eerste lid, van de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I)', waarin verwezen wordt naar artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
STREKKING EN RECHTSGROND VAN HET ONTWERP
2. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt ertoe tijdelijk, in het kader van de wet van 27 maart 2020 `die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II)'(1), diverse maatregelen tot ondersteuning van de werkgevers en werknemers in te voeren.
3. Uit het eerste lid van de aanhef van het ontwerp blijkt dat voor de ontworpen regeling rechtsgrond wordt gezocht in artikel 5, § 1, van de wet van 27 maart 2020 (II).
Artikel 2 van de wet van 27 maart 2020 (II) bepaalt dat teneinde het België mogelijk te maken te reageren op de coronavirus COVID-19 epidemie of pandemie en de gevolgen ervan op te vangen, de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in artikel 5, § 1, 1° tot 8°, van de wet bedoelde maatregelen kan nemen en dat deze maatregelen zo nodig een terugwerkende kracht kunnen hebben, die echter niet verder kan teruggaan dan 1 maart 2020.
Met het oog op de in artikel 2, eerste lid, van de wet van 27 maart 2020 (II) vermelde doelstellingen, machtigt artikel 5, § 1, 5°, van die wet de Koning om inzonderheid maatregelen te nemen om aanpassingen door te voeren in het arbeidsrecht en het socialezekerheidsrecht, met het oog op de bescherming van de werknemers en van de bevolking, de goede organisatie van de ondernemingen en de overheid, met vrijwaring van de economische belangen van het land en de continuïteit van de kritieke sectoren.
Over deze machtigingen werd in de toelichting bij het voorstel dat heeft geleid tot de wet van 27 maart 2020 (II) gespecificeerd dat zich in het arbeidsrecht en het socialezekerheidsrecht situaties kunnen voordoen waarbij het bestaande wettelijk kader niet toelaat de omwille van de volksgezondheid ingegeven maatregelen te verzoenen met de noodzaak van een blijvende economische productie of dienstverlening, zowel in de private sector als in de publieke sector, bijvoorbeeld omwille van het opgelegd telewerk of van de wijzigingen in het uurrooster(2) .
Bijgevolg ontleent de ontworpen regeling inzonderheid rechtsgrond aan artikel 5, § 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 (II).
ONDERZOEK VAN DE TEKST
ALGEMENE OPMERKING
4.1. De ontworpen regeling inzake de tijdelijke arbeidsduurvermindering in het kader van de COVID-19 pandemie (hoofdstuk 1), corona-tijdskrediet (hoofdstuk 2) en landingsbanen (hoofdstuk 3) wordt voorbehouden aan ondernemingen waarvan de erkenning als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden(3) aanvangt voor 1 januari 2021.
Op de vraag om de keuze voor 1 januari 2021 als uiterste datum toe te lichten, antwoordde de gemachtigde wat volgt:
"Zoals ook blijkt uit de vooruitzichten van het planbureau wordt verwacht dat de economie zich zal herstellen vanaf 2021. Het is natuurlijk moeilijk in te schatten wat de juiste duur zal zijn van het herstel".
4.2. Voor de afbakening van het toepassingsgebied van de maatregelen voorzien in de hoofdstukken 1 tot 3 wordt evenwel enkel een eindpunt van de aanvang van de erkenning vastgelegd, maar geen beginpunt. Hoewel de maatregelen conform artikel 15, eerste lid, van het ontwerp slechts in werking treden op 1 juli 2020, is het niet uitgesloten dat werknemers van ondernemingen waarvan de periode van erkenning is aangevangen vóór het begin van de coronacrisis, maar waarvan de periode van erkenning na 1 juli 2020 nog lopende is(4) ook gebruik kunnen maken van de maatregelen.
Gevraagd of, bij wijze van voorbeeld, een onderneming die erkend werd vanaf 1 augustus 2019 ook onder het toepassingsgebied kan vallen, antwoordde de gemachtigde:
"Het is inderdaad niet uitgesloten dat een onderneming met een erkenning vanaf 1 augustus 2019 nog gebruik zou maken van de maatregelen vanaf 1 juli 2020. Het is evenwel zo dat voor het bekomen van een erkenning een herstructureringsplan dient te worden opgemaakt dat wordt voorgelegd aan de ondernemingsraad. Het is dit plan dat dan, na bemiddeling met de werknemersorganisaties, wordt uitgevoerd, onder meer met de maatregelen die mogelijk zijn op basis van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag. In geval die onderneming alsnog gebruik zou maken van de maatregelen die voorzien worden in het voorliggend koninklijk besluit, dan gaat het om nieuwe bijkomende maatregelen omdat er een bijkomende nood is aan maatregelen om ontslagen te vermijden, en dit met betrokkenheid van de werknemers, naar gelang de maatregel, collectief (hoofdstuk 1) of individueel (hoofdstukken 2 en 3)".
Uit de aan de Raad van State voorgelegde tekst kan evenwel niet worden opgemaakt dat een onderneming die reeds is erkend vanaf 1 augustus 2019 een nieuw herstructureringsplan zou moeten indienen waarin een bijkomende nood aan maatregelen ten gevolge van de coronacrisis wordt aangetoond teneinde aanspraak te kunnen maken op de toepassing van de maatregelen voorzien in het voorliggende ontwerp.
Gevraagd wat precies het aanvangspunt is van de periode van erkenning (betreft dit de datum van de beslissing van de minister tot erkenning of kan de minister een andere datum als aanvangspunt vastleggen?), antwoordde de gemachtigde:
"Met `het aanvangspunt van de periode van erkenning' wordt bedoeld de begindatum van de periode van erkenning en niet de datum van de beslissing van de Minister.
Bij een herstructureringsdossier met een collectief ontslag begint de periode van erkenning op de datum van de aankondiging van het collectief ontslag (aan de ondernemingsraad ) tot maximaal 2 jaar na de datum van de betekening.
Bij een dossier tot erkenning van een onderneming als zijnde in moeilijkheden (zonder collectief ontslag) of in herstructurering op basis van een percentage economische werkloosheid (20 %) bedraagt de maximale erkenning 1 jaar vanaf de begindatum van de erkenning. Bij ondernemingen zonder collectief ontslag die de maatregelen wensen te maximaliseren dient rekening gehouden te worden met de doorlooptijd van een dossier. De beoogde maatregelen gaan niet in op de datum van aanvraag en kunnen ten vroegste worden toegepast na ontvangst van de ministeriële goedkeuring".
Naar aanleiding van de vraag of er beroep kan worden gedaan op de ontworpen regeling indien de erkenning wordt aangevraagd voor 1 januari 2021, maar de beslissing wordt genomen na 1 januari 2021, gaf de gemachtigde de volgende toelichting:
"Bij ondernemingen zonder collectief ontslag vermeldt de werkgever in zijn erkenningsaanvraag de datum waarop hij voorstelt dat de erkenning ingaat. In de praktijk wordt hiermee doorgaans rekening gehouden.
Dit hoeft echter geen automatisme te zijn.
De datum van de aanvraag tot erkenning valt niet noodzakelijk samen met de begindatum van de erkenning. Zeker in het geval dat de datum van erkenning een impact kan hebben op het al dan niet van toepassing zijn van de voorgestelde maatregelen, zal de begindatum van de erkenning uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd. Is deze motivering niet aanvaardbaar, dan kan de Minister, na advies van de adviescommissie, een andere datum van erkenning beslissen dan deze voorgesteld door de werkgever.
In geval van een collectief ontslag kan de datum van erkenning niet voorafgaan aan de datum van aankondiging van het collectief ontslag".
Tot slot voegt de gemachtigde hieraan toe dat uit artikel 18, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 kan worden afgeleid dat de vaste begindatum enkel geldt voor ondernemingen die een collectief ontslag hebben aangekondigd, waaruit a contrario volgt dat voor ondernemingen zonder collectief ontslag er geen vaste begindatum geldt.
Uit het antwoord van de gemachtigde blijkt dat het aanvangspunt van de erkenning niet noodzakelijk samenvalt met de datum van de beslissing van de minister tot erkenning. Voor een herstructurering met collectief ontslag geldt het bepaalde in artikel 18, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 3 mei 2007, waarbij de erkenningsperiode aanvangt op de dag van de mededeling door de werkgever van zijn voornemen over te gaan tot collectief ontslag, terwijl voor de overige ondernemingen (zonder collectief ontslag) de werkgever in de aanvraag de datum vermeldt waarop hij voorstelt dat de erkenning ingaat.
Wat deze laatste ondernemingen betreft bevestigt de gemachtigde dat in de praktijk doorgaans rekening wordt gehouden met het door de werkgever geformuleerde voorstel, maar dat dit echter geen automatisme hoeft te zijn, waaruit kan worden afgeleid dat deze werkwijze niet is vastgelegd in een reglementaire bepaling, maar, zoals de gemachtigde zelf aangeeft, dat deze a contrario wordt afgeleid uit artikel 18, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 3 mei 2007.
In zoverre door de gemachtigde wordt aangevoerd dat voor een herstructurering met collectief ontslag een maximumperiode van 2 jaar erkenning wordt gehanteerd, terwijl voor andere ondernemingen slechts een erkenning van 1 jaar wordt toegepast, dient te worden opgemerkt dat een dergelijke regeling niet voorkomt in de ontworpen bepalingen.
4.3. Het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vereist dat het gecreëerde onderscheid tussen gevallen die wel en niet onder het toepassingsgebied vallen, op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel(5) .
Het toepassingsgebied van de ontworpen regeling creëert een verschil in behandeling tussen ondernemingen waarvan de erkenning aanvangt voor 1 januari 2021 als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden en die beroep kunnen doen op de maatregelen voorzien in de hoofdstukken 1 tot 3, enerzijds, en de ondernemingen die pas na deze datum in die hoedanigheid erkend worden en bijgevolg geen beroep kunnen doen op de ontworpen maatregelen.
Bovendien dient te worden benadrukt dat het criterium van "de aanvang van de erkenning voor 1 januari 2021" voor de ondernemingen zonder collectief ontslag niet vastligt en niet wettelijk wordt bepaald, maar enkel afhankelijk is van het al dan niet aanvaarden van de motivering van de door de werkgever gesuggereerde aanvangsdatum door de minister, waarbij de gebruikte scharnierdatum berust op feitelijke gegevens(6) .
Hoewel de ontworpen regeling tot doel heeft de gevolgen van de COVID 19 pandemie voor werkgevers en werknemers op te vangen, is het niet uitgesloten dat ondernemingen met een erkenning die dateert van vóór deze pandemie en bijhorende crisis, wel gebruik kunnen maken van de maatregelen, terwijl ondernemingen die pas na 1 januari 2021 erkend worden, maar waarvan de moeilijkheden wél hun oorsprong vinden in de COVID-19-crisis, geen toegang hebben tot deze maatregelen. Aldus komt het door de stellers van het ontwerp gehanteerde criterium van onderscheid in het licht van het gelijkheidsbeginsel niet pertinent voor.
4.4. Specifiek met betrekking tot het toepassingsgebied van het corona-tijdskrediet, wordt door de gemachtigde het volgende gesuggereerd:
"De maatregel kan maximaal lopen vanaf de aankondiging van een collectief ontslag tot maximaal twee jaar na datum van betekening van het collectief ontslag. Niet bij elke erkenning wordt een duurtijd van twee jaar voorzien.
Zoals bepaald in artikel 5, tweede lid, moet de volledige periode van het corona tijdskrediet volledig binnen deze erkenningsperiode vallen.
Het zou kunnen worden overwogen het besluit zo aan te passen dat enkel ondernemingen met een erkenning die ingaat vanaf 1 maart 2020 of later, in aanmerking te laten komen voor de maatregelen".
De suggestie om het toepassingsgebied verder te beperken tot ondernemingen die werden erkend vanaf 1 maart 2020 tot en met 31 december 2020, kan door de stellers van de tekst worden overwogen voor de hoofdstukken 1 tot 3 om aan de supra onder randnummer 4.3. vastgestelde bezwaren tegemoet te komen. In ieder geval zal voor de keuze van het begin- en eindpunt van de erkenning die het toepassingsgebied van de maatregelen zal bepalen, een objectieve en redelijke verantwoording moeten kunnen worden gegeven om in overeenstemming te kunnen worden geacht met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel en verdient het aanbeveling om op dat punt een afdoende verantwoording op te nemen in het verslag aan de Koning.
BIJZONDERE OPMERKINGEN
Aanhef
5. Gelet op hetgeen sub 3 in verband met de rechtsgrond is opgemerkt dient in het eerste lid van de aanhef meer specifiek te worden verwezen naar artikel 5, § 1, 5°, van de wet van 27 maart 2020 (II).
Artikel 1
6.1. In het ontworpen artikel 353bis/7/1 van de programmawet (I) van 24 december 2002 wordt bepaald dat de regeling van tijdelijke arbeidsduurvermindering in het kader van de COVID-19 pandemie van toepassing is op de werkgever bedoeld in artikel 335, derde lid, van dezelfde wet, op wie een erkenning als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden van toepassing is, zoals bedoeld in artikel 4 van het te nemen besluit.
Het toepassingsgebied van de ontworpen regeling, waarin initieel wordt verwezen naar artikel 335, derde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002 dat betrekking heeft op werkgevers die vallen onder de wet van 5 december 1968 `betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités' of onder de wet van 21 maart 1991 `betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven', wordt evenwel verengd tot die werkgevers op wie een erkenning als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden van toepassing is, waarvan het begin van de erkenning aanvangt voor 1 januari 2021.
In zoverre in de bepaling wordt verwezen naar artikel 4 van het ontwerp dient te worden opgemerkt dat in tegenstelling tot het eerste lid van artikel 4 van het ontwerp dat betrekking heeft op het corona-tijdskrediet, dat enkel van toepassing is voor werkgevers die vallen onder de voormelde wet van 5 december 1968, het tweede en derde lid van dat artikel waarin wordt bepaald wat moet worden beschouwd als erkenning als onderneming in herstructurering respectievelijk als onderneming in moeilijkheden, wel relevant lijken te zijn voor de afbakening van het toepassingsgebied van de tijdelijke arbeidsduurvermindering.
Omwille van de duidelijkheid en de rechtszekerheid verdient het bijgevolg aanbeveling in het ontworpen artikel 353bis/7/1 van de programmawet (I) van 24 december 2002 naar artikel 4, tweede en derde lid, te verwijzen.
Voorts rijst de vraag of het niet meer aangewezen is de bepalingen van artikel 4, tweede en derde lid, van het ontwerp, in een nieuw artikel onder hoofdstuk 4 van het ontwerp ("Erkenning als onderneming in herstructurering of in moeilijkheden") in te voegen, nu deze bepalingen niet enkel gelden voor hoofdstuk 2 maar eveneens van toepassing zijn voor de hoofdstukken 1 en 3.
6.2. In het ontworpen artikel 353bis/7/3 van de programmawet (I) van 24 december 2002 wordt bepaald dat de werkgevers bedoeld in artikel 335, derde lid, van dezelfde wet die overgaan tot een tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur, een doelgroepvermindering genieten volgens de voorwaarden bepaald in of krachtens deze onderafdeling.
In de ontworpen bepaling is geen sprake van een verenging tot die werkgevers op wie een erkenning als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden van toepassing is, waarvan het begin van de erkenning aanvangt voor 1 januari 2021, zodat het toepassingsgebied van deze bepaling ruimer lijkt te zijn dan dat van het ontworpen artikel 353bis/7/1 van de programmawet (I) van 24 december 2002. Hierover ondervraagd, antwoordde de gemachtigde:
"Nee, aangezien de bepalingen in artikel 353bis/7/1 deel uitmaken van de voorwaarden die gesteld worden volgens artikel 353bis/7/3.
Mocht dit onduidelijk zijn dan zou artikel 353bis/7/3 kunnen aangepast worden zodat wordt verwezen naar artikel 353bis/7/1".
De suggestie van de gemachtigde kan worden bijgetreden.
6.3. Het ontworpen artikel 353bis/7/5, eerste, tweede en vierde lid, bevat de bepalingen betreffende het vastleggen van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en de tijdelijke invoering van de vierdagenweek. Dit moet worden vastgesteld bij een op het niveau van de onderneming gesloten collectieve arbeidsovereenkomst dan wel bij een wijziging van het arbeidsreglement, waarbij de minimale inhoud van de collectieve arbeidsovereenkomst en de na te leven procedures worden bepaald door de Koning en waarbij de desbetreffende voorschriften eveneens gelden bij de vaststelling in een arbeidsreglement.
In de laatste zin van het vierde lid wordt bepaald dat "(d)e collectieve arbeidsovereenkomst (...)geen bepaling (mag) bevatten waardoor zij (m.n. de periode van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en van de tijdelijke invoering van de vierdagenweek) stilzwijgend verlengd kan worden".
Gevraagd waarom deze bepaling enkel betrekking heeft op de collectieve arbeidsovereenkomst en niet op de wijziging van het arbeidsreglement, antwoordde de gemachtigde dat het ontworpen artikel 353bis/7/5 zou kunnen worden uitgebreid tot de wijziging van het arbeidsreglement.
Het verdient aanbeveling de tekst van de ontworpen bepaling in deze zin aan te passen.
Artikel 4
7. Artikel 4, eerste lid, van het ontwerp, bepaalt dat het corona-tijdskrediet van toepassing is op de werkgevers die onder toepassing vallen van de wet van 5 december 1968 `betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités', op wie een erkenning als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden van toepassing is, waarvan de periode van de erkenning aanvangt voor 1 januari 2021.
Het verdient aanbeveling om in het verslag aan de Koning te verduidelijken dat het om cumulatieve voorwaarden gaat.
Bijgevolg kunnen, omwille van de duidelijkheid en de rechtszekerheid, in de Nederlandse tekst van artikel 4, eerste lid, van het ontwerp de komma's, die aanleiding kunnen geven tot verwarring en kunnen laten uitschijnen dat het om een opsomming zou gaan, het best worden geschrapt.
Artikel 5
8. De gemachtigde bevestigt dat het tijdskrediet "voor een periode die niet korter mag zijn dan één maand en die zes maanden niet mag overschrijden", zoals bepaald in het eerste lid, niet in één aaneengesloten periode dient te worden opgenomen, maar mag verdeeld worden over verschillende periodes. Ook wat de hernieuwing van de overeenkomst betreft, zoals voorzien in het derde lid, bevestigt de gemachtigde dat deze hernieuwing niet onmiddellijk hoeft aan te sluiten op een voorgaande periode. Bij elke hernieuwing zal een nieuwe overeenkomst worden gemaakt.
In het belang van de duidelijkheid en de rechtszekerheid verdient het aanbeveling dit expliciet in de tekst tot uitdrukking te brengen.
DE GRIFFIER,
Wim GEURTS
DE VOORZITTER,
Marnix VAN DAMME
_______
Nota's
(1) Hierna: de wet van 27 maart 2020 (II).
(2) Parl.St. Kamer 2019-20, nr. 55-1104/001, 6-7.
(3) Het gaat om de erkenning verleend door de Minister van Werk op basis van artikel 18 van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 `tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag' voor de onderneming in herstructurering als bedoeld in artikel 15 van dit koninklijk besluit of de onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 14 van hetzelfde koninklijk besluit (artikel 4, tweede en derde lid, van het ontwerp).
(4) De erkenning geldt immers voor maximaal 2 jaar (artikel 18, § 1, van het koninklijk besluit van 3 mei 2007).
(5) Vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Zie bv. GwH 17 juli 2014, nr. 107/2014, B.12; GwH 25 september 2014, nr. 141/2014, B.4.1; GwH 30 april 2015, nr. 50/2015, B.16; GwH 18 juni 2015, nr. 91/2015, B.5.1.; GwH 16 juli 2015, nr. 104/2015, B.6.
(6) Dit houdt in dat dergelijke onderneming die reeds nu haar erkenning heeft, en die voortloopt na 1 juli 2020, hoe dan ook op de maatregelen beroep kan doen en de onderneming die na 1 januari 2021 een aanvraag indient met het oog op aanvang van de erkenning vóór 1 januari 2021 dit uitdrukkelijk dient te motiveren om aanspraak te kunnen maken op de maatregelen.

26 JUNI 2020. - Koninklijk besluit nr. 46 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5° van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot ondersteuning van de werkgevers en de werknemers (1)
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), de artikel 5, § 1, 5° ;
Gelet op de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;
Gelet op de programmawet (I) van 24 december 2002;
Gelet op het koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking;
Gelet op het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen;
Gelet op het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag;
Overwegende de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
Overwegende de arbeidswet van 16 maart 1971;
Overwegende de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
Overwegende het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 10 juni 2020;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 17 juni 2020;
Gelet op het artikel 8 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging, is dit besluit vrijgesteld van een regelgevingsimpactanalyse;
Gelet op het advies nr. 67.654 van de Raad van State, gegeven op 25 juin 2020, met toepassing van artikel 4, derde lid, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (I);
Op de voordracht van de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
HOOFDSTUK 1. - Tijdelijke arbeidsduurvermindering in het kader van de COVID-19 pandemie
Artikel 1. In titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, van de programmawet (I) van 24 december 2002 wordt een onderafdeling 8/1 ingevoegd die de artikelen 353bis/7/1 tot en met 353bis/7/8 bevat, luidende:
"Onderafdeling 8/1. Tijdelijke arbeidsduurvermindering in het kader van de COVID-19 pandemie.
Art. 353bis/7/1. Deze onderafdeling is van toepassing op de werkgever bedoeld in artikel 335, derde lid, op wie een erkenning als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden van toepassing is, zoals bedoeld in artikel 4, tweede en derde lid, van het koninklijk besluit nr. 46 van 26 juin 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 5° van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II) tot ondersteuning van de werkgevers en de werknemers, waarvan het begin van de erkenning ten vroegste aanvangt op 1 maart 2020 en ten laatste op 31 december 2020.
Art. 353bis/7/2. Het begrip "arbeidsduur" in de zin van deze onderafdeling dient te worden verstaan zoals het gedefinieerd wordt in artikel 348, eerste lid.
Voor de toepassing van deze onderafdeling wordt rekening gehouden met de arbeidsduur die is vastgesteld hetzij bij collectieve arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, hetzij in het arbeidsreglement.
De Koning kan nadere regelen bepalen voor de berekening van de arbeidsduur.
Art. 353bis/7/3. De werkgevers bedoeld in artikel 353bis/7/1, die overgaan tot een tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur, genieten een doelgroepvermindering volgens de voorwaarden bepaald in of krachtens deze onderafdeling.
De Koning bepaalt de nadere regelen betreffende deze aanpassing van de arbeidsduur.
Art. 353bis/7/4. De werkgever geniet vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur loopt, een forfaitaire doelgroepvermindering per kwartaal waarvan het forfaitaire bedrag afhangt van de procentuele aanpassing van de arbeidsduur, op voorwaarde dat de arbeidsduur met een vierde of met een vijfde wordt verminderd.
Het forfaitaire bedrag van deze doelgroepvermindering ligt hoger ingeval de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur gecombineerd wordt met de tijdelijke invoering van de vierdagenweek in de onderneming.
Het forfaitaire bedrag van deze doelgroepvermindering wordt toegekend per betrokken werknemer.
De Koning bepaalt wat moet worden verstaan onder invoering van de vierdagenweek voor de toepassing van deze bepaling.
De Koning bepaalt de voorwaarden en de procedure die moeten worden nageleefd en het dossier en de documenten die moeten worden voorgelegd om de doelgroepvermindering te verkrijgen.
Art. 353bis/7/5. De tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en de invoering van de vierdagenweek moeten worden vastgesteld bij een op het niveau van de onderneming gesloten collectieve arbeidsovereenkomst of, wanneer er binnen de onderneming geen vakbondsafvaardiging is, bij een wijziging van het arbeidsreglement, en moeten van toepassing zijn op het geheel van de werknemers van de onderneming of op een specifieke categorie van werknemers van de onderneming. De collectieve arbeidsovereenkomsten of de bepalingen in het arbeidsreglement vermelden uitdrukkelijk dat ze gesloten, respectievelijk opgenomen worden in het kader van onderafdeling 8/1 - Tijdelijke arbeidsduurvermindering in het kader van de COVID-19 pandemie - titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, van de programmawet (I) van 24 december 2002.
De Koning bepaalt de minimale inhoud van de bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst en de na te leven procedures. Deze voorschriften zijn eveneens van toepassing wanneer de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en de tijdelijke invoering van de vierdagenweek in het arbeidsreglement zijn opgenomen.
De tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en van de tijdelijke invoering van de vierdagenweek, kunnen ingevoerd worden voor een periode van maximum één jaar, waarvan zowel de begin- als einddatum vallen binnen de periode van erkenning als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden, waarvan de begindatum van de erkenning 1 januari 2021 voorafgaat. De begindatum van de aanpassing van de arbeidsduur en de invoering van de vierdagenweek mag de begindatum van de inwerkingtreding van deze onderafdeling, niet voorafgaan.
De minimale inhoud bedoeld in het tweede lid bevat op zijn minst de duidelijke vermelding van de begin- en einddatum van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en, in voorkomend geval, van de tijdelijke invoering van de vierdagenweek, en voorziet in een looncompensatie. De collectieve arbeidsovereenkomst, of desgevallend het arbeidsreglement, mag geen bepaling bevatten waardoor zij stilzwijgend verlengd kan worden.
De looncompensatie bedoeld in het vierde lid, mag niet tot gevolg hebben dat het brutoloon van de werknemer hoger is dan het brutoloon waarop hij recht had vóór de invoering van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de aanpassing van de lonen aan de index en aan de baremieke loonsverhogingen.
Deze looncompensatie is loon in de zin van artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon van de werknemers en van artikel 23 van de wet van 29 juni 1981 houdende algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, waarop sociale zekerheidsbijdragen worden berekend.
Art. 353bis/7/6. Voor de voltijds tewerkgestelde werknemers die betrokken zijn bij de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur zoals bepaald in deze onderafdeling, is artikel 28, § 4, van de arbeidswet van 16 maart 1971 eveneens van toepassing bij overschrijding van het wekelijks aantal arbeidsuren die voortvloeien uit het werkrooster dat in het arbeidsreglement is opgenomen.
Art. 353bis/7/7. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is gemachtigd de voordelen die krachtens deze onderafdeling werden toegekend, terug te vorderen bij inbreuk door de werkgever op de bepalingen inzake de arbeidsduur van de arbeidswet van 16 maart 1971 of op de bepalingen van deze onderafdeling.
Deze terugvordering gebeurt voor elk kwartaal en per werknemer waarop de inbreuk betrekking heeft.
De terugvordering is enkel mogelijk indien de inbreuk heeft geleid hetzij tot een minnelijke schikking met de werkgever, hetzij tot een administratieve geldboete, hetzij tot een veroordeling door een strafrechtbank.
Art. 353bis/7/8. Wanneer gedurende de periode van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld in deze onderafdeling, de werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigt zoals bedoeld in artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, wordt onder "lopend loon" begrepen het loon waarop de werknemer op het ogenblik van de beëindiging aanspraak had kunnen maken indien zijn arbeidsduur niet was aangepast.".
Art. 2. In titel III van het koninklijk besluit 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen wordt een hoofdstuk VIII/1, dat de artikelen 28/6/1, 28/6/2, 28/6/3, 28/6/4 en 28/6/5 ingevoegd, luidende:
"HOOFDSTUK VIII/1. - Tijdelijke arbeidsduurvermindering in het kader van de COVID-19 pandemie
Art. 28/6/1. Dit hoofdstuk is van toepassing op werkgevers bedoeld in artikel 335, derde lid, van de wet van 24 december 2002, op wie een erkenning als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden van toepassing is, waarvan de periode van de erkenning ten vroegste aanvangt op 1 maart 2020 en ten laatste op 31 december 2020.
Art. 28/6/2. Een doelgroepvermindering voor tijdelijke arbeidsduurvermindering wordt als volgt toegekend:
1° een bedrag G4 vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur een einde neemt, indien de arbeidsduur werd verminderd met een vijfde;
2° een bedrag G5 vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke arbeidsduurvermindering in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke arbeidsduurvermindering een einde neemt, indien de arbeidsduur werd verminderd met een vierde;
3° een bedrag G1 indien de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld onder 1° gecombineerd wordt met een tijdelijke invoering van de vierdagenweek;
4° een bedrag G6 indien de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld onder 2° gecombineerd wordt met een tijdelijke invoering van de vierdagenweek.
De doelgroepverminderingen worden toegekend voor de tewerkstellingen tijdens de periode van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur.
De verminderingen bedoeld in het eerste lid, 3° en 4° zijn enkel toepasbaar voor voltijdse werknemers.
Art. 28/6/3. In de aangiften voor de sociale zekerheid voor de kwartalen waarin de bij artikel 353bis/7/4 van de wet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen worden toegekend, moet de werkgever melding maken van:
1° de werknemers waarop het ingevoerde stelsel en de bijdragevermindering betrekking hebben;
2° de datum van inwerkingtreding van het stelsel alsook de datum waarop het buiten werking treedt;
3° de wekelijkse arbeidsduur van de voltijdse werknemers die van toepassing is vóór en na de invoering van de aanpassing van de arbeidsduur.
Art. 28/6/4. § 1. De collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 353bis/7/5 van de wet van 24 december 2002 moet uitdrukkelijk vermelden dat ze gesloten is in onderafdeling 8/1. "Tijdelijke arbeidsduurvermindering in het kader van de COVID-19 pandemie" van afdeling 3, van hoofdstuk 7, van titel IV, van de programmawet (I) van 24 december 2002.
De collectieve arbeidsovereenkomst moet duidelijk de begin- en einddatum van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en, in voorkomend geval, van de tijdelijke invoering van de vierdagenweek vermelden. De collectieve arbeidsovereenkomst mag geen bepaling bevatten die een stilzwijgende verlenging mogelijk maakt.
De collectieve arbeidsovereenkomst moet voorzien in een tijdelijke vermindering van de arbeidsduur met hetzij één vijfde, hetzij één vierde van de arbeidsduur die van kracht was vóór haar inwerkingtreding.
De looncompensatie voorzien bij artikel 353bis/7/5, vierde lid, van de wet van 24 december 2002 moet minstens drie vierden belopen van het bedrag van de forfaitaire vermindering bedoeld in artikel 28/3 van dit besluit.
Bij invoering van de vierdagenweek vermeldt de collectieve arbeidsovereenkomst duidelijk de wekelijkse arbeidsregeling waarbij het begrip "vierdagenweek" moet voldoen aan de definitie in artikel 25. De periode van de invoering van de vierdagenweek moet in de periode van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur vallen.
Binnen de maand die volgt op de ondertekening van de collectieve arbeidsovereenkomst bezorgt de werkgever daarvan een kopie aan het bevoegd directiehoofd van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
§ 2. In geval de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en de tijdelijke invoering van de vierdagenweek worden vastgesteld door een wijziging van het arbeidsreglement, zijn daarop dezelfde voorschriften en minimale inhoud van toepassing als bepaald in paragraaf 1.
Art. 28/6/5. De bij artikel 353bis/7/3 van de wet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen worden geacht definitief te zijn toegekend wanneer vaststaat dat de werkgever aan alle daartoe door of krachtens dezelfde wet bepaalde voorwaarden heeft voldaan. Tot op dat ogenblik zijn zij slechts voorlopig toegekend.".
Art. 3. De Koning kan de bepalingen ingevoegd bij het artikel 2 opheffen, aanvullen, vervangen en wijzigen.
HOOFDSTUK 2. - Corona-tijdskrediet.
Art. 4. Dit hoofdstuk is van toepassing op de werkgevers die onder toepassing vallen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités op wie een erkenning als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden van toepassing is waarvan de periode van de erkenning ten vroegste aanvangt op 1 maart 2020 en ten laatste op 31 december 2020.
Wordt beschouwd als erkenning als onderneming in herstructurering, de erkenning verleend door de Minister van Werk op basis van artikel 18 van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, voor de onderneming in herstructurering als bedoeld in artikel 15 van voormeld koninklijk besluit van 3 mei 2007.
Wordt beschouwd als erkenning als onderneming in moeilijkheden, de erkenning verleend door de Minister van Werk op basis van artikel 18 van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, voor de onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 14 van voormeld koninklijk besluit van 3 mei 2007.
Art. 5. De werkgever kan aan elke voltijds tewerkgestelde werknemer voorstellen om zijn arbeidsprestaties te verminderen met 1/5 of tot een halftijdse betrekking voor een periode die niet korter mag zijn dan één maand en die zes maanden niet mag overschrijden.
Bovendien moet de periode van de vermindering van de arbeidsprestaties volledig gesitueerd zijn binnen de periode van erkenning als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden, waarvan de periode van erkenning aanvangt voor 1 januari 2021.
Gaat de werknemer akkoord, dan moet deze overeenkomst tot tijdelijke vermindering van zijn voltijdse arbeidsprestaties schriftelijk worden vastgesteld zoals voorgeschreven door artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Deze overeenkomst kan worden hernieuwd, zonder echter de in het eerste lid bepaalde maximale periode te mogen overschrijden. Deze hernieuwde periode hoeft niet onmiddellijk aan te sluiten bij de voorgaande periode.
Voor wat betreft de vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking wordt als voltijds tewerkgestelde werknemer beschouwd, de werknemer tewerkgesteld met arbeidsprestaties van ten minste 3/4 van een voltijdse betrekking in de onderneming.
Art. 6. De verminderde arbeidsduur, zoals overeengekomen ingevolge artikel 5, moet gemiddeld worden gerespecteerd over de periode vastgesteld in de geschreven overeenkomst zoals bedoeld in artikel 5, overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld in artikel 26bis, § 1, van de arbeidswet van 16 maart 1971.
Art. 7. Wanneer gedurende de periode van vermindering van de arbeidsprestaties, bedoeld in artikel 5, de werkgever de arbeidsovereenkomst beëindigt zoals bedoeld in artikel 39 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, wordt onder "lopend loon" begrepen het loon waarop de werknemer op het ogenblik van de beëindiging aanspraak had kunnen maken indien hij, naargelang het geval, voltijds was blijven werken of zijn arbeidsprestaties van tenminste 3/4 van een voltijdse betrekking niet had verminderd.
Art. 8. § 1. Een uitkering wordt toegekend aan de voltijds tewerkgestelde werknemer die met zijn werkgever overeenkomt om zijn arbeidsprestaties te verminderen met 1/5 of tot een halftijdse betrekking overeenkomstig artikel 5.
Op deze uitkering zijn de uitvoeringsmaatregelen van toepassing van artikel 103quater van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, die betrekking hebben op gelijkaardige regimes tot vermindering van de arbeidsprestaties. Deze uitkering wordt toegekend overeenkomstig artikelen 4 en 6 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking en volgens de bepalingen in hoofdstukken IV en V van dat besluit.
De periode van de vermindering van de arbeidsprestaties opgenomen in het kader van dit hoofdstuk, wordt niet in aanmerking genomen voor de maximale periode van opname van het tijdskrediet zoals bepaald in het voornoemde koninklijk besluit van 12 december 2001.
Deze uitkering heeft dezelfde hoedanigheid als de uitkeringen die worden toegekend in het kader van hoofdstuk IV, afdeling 5, van voornoemde herstelwet van 22 januari 1985
§ 2. In geval van toekenning van een bijkomende vergoeding door de werkgever mag de som van het brutoloon, van de uitkering bedoeld in dit artikel, van het eventuele supplement bij deze uitkering op basis van een gewestelijke regeling en van de bijkomende vergoeding toegekend door de werkgever niet hoger zijn dan het brutoloon waarop de werknemer recht had vóór de invoering van de tijdelijke vermindering van de arbeidsprestaties. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de aanpassing van de lonen aan de index en aan de baremieke loonsverhogingen.
HOOFDSTUK 3. - Landingsbanen.
Art. 9. Het bijkomend recht op onderbrekingsuitkeringen zonder maximumduur in toepassing van artikel 6 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking, wordt eveneens toegekend aan de voltijdse werknemers van 55 jaar en ouder die hun arbeidsprestaties verminderen tot een halftijdse betrekking of verminderen met een vijfde in toepassing van CAO nr. 103, wanneer:
1° de aanvangsdatum van de vermindering van de arbeidsprestaties gelegen is in de periode van erkenning van de onderneming door de Minister bevoegd voor Werk, als onderneming in herstructurering of onderneming in moeilijkheden in toepassing van de regelgeving met betrekking tot de werkloosheid met bedrijfstoeslag, voor zover de periode van erkenning ten vroegste aanvangt op 1 maart 2020 en ten laatste op 31 december 2020, en;
2° de werknemer die onderbrekingsuitkeringen aanvraagt en die, op het ogenblik van de schriftelijke kennisgeving aan de werkgever 25 jaar beroepsverleden als loontrekkende in de zin van artikel 10, § 3 van CAO nr. 103, zoals gewijzigd door de CAO nr. 103ter, kunnen rechtvaardigen.
Art. 10. In afwijking van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 103 van 27 juni 2012 gesloten binnen de Nationale Arbeidsraad tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanonderbreking en landingsbanen, is de minimumperiode van de landingsbaan beperkt tot één maand voor de werknemer die recht heeft op onderbrekingsuitkeringen in toepassing van artikel 9.
HOOFDSTUK 4. - Erkenning als onderneming in herstructurering of in moeilijkheden.
Art. 11. Voor de toepassing van de maatregelen bedoeld in de hoofdstukken 1, 2 en 3, kan de Minister van Werk in toepassing van artikel 18 van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag een onderneming erkennen als onderneming in herstructurering of als onderneming in moeilijkheden zonder dat de voorwaarde bedoeld in artikel 17, § 2, 2° van voormelde koninklijk besluit van 3 mei 2007 vervuld moet zijn.
HOOFDSTUK 5. - Tijdelijke aanpassing, bij wijze van overgangsmaatregel, van de regeling inzake economische werkloosheid voor ondernemingen die niet meer in de voorwaarden verkeren om beroep te doen op tijdelijke werkloosheid wegens overmacht die het gevolg is van de COVID-19-epidemie.
Art. 12. Dit hoofdstuk is van toepassing op de werkgever die niet meer in de voorwaarden verkeert om zich ten aanzien van zijn werknemers te beroepen op de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wegens tijdelijke overmacht die verband houdt met de uitbraak van het coronavirus COVID-19.
Art. 13. De in artikel 12 bedoelde werkgever kan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van zijn werklieden laten schorsen of een regeling van gedeeltelijke arbeid invoeren overeenkomstig artikel 51 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
In afwijking van artikel 51, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, kan bij gebrek aan werk wegens economische oorzaken de uitvoering van de overeenkomst ten hoogste acht weken geheel worden geschorst. Wanneer de volledige schorsing van de uitvoering van de overeenkomst deze maximumduur van acht weken heeft bereikt, moet de werkgever gedurende een volledige arbeidsweek de regeling van volledige arbeid opnieuw invoeren, alvorens een nieuwe volledige schorsing of een regeling van gedeeltelijke arbeid kan ingaan.
In afwijking van artikel 51, § 3, eerste lid, van dezelfde wet, kan de regeling van gedeeltelijke arbeid worden ingevoerd voor een duur van ten hoogste achttien weken.
Art. 14. De in artikel 12 bedoelde werkgever kan de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van zijn bedienden laten schorsen of een regeling van gedeeltelijke arbeid invoeren overeenkomstig Titel III, Hoofdstuk II/I van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, op voorwaarde dat hij kan aantonen dat hij in het kwartaal voorafgaand aan de aanvraag tot invoering van één van de regelingen als bedoeld in dat hoofdstuk, een substantiële daling van ten minste 10% van de omzet of de productie heeft gekend in vergelijking met hetzelfde kwartaal van 2019 en dat hij de betrokken bedienden twee vormingsdagen per maand aanbiedt.
In afwijking van artikel 77/1, § 2, eerste lid, van dezelfde wet is de regeling voorzien in Titel III, Hoofdstuk II/I van dezelfde wet van toepassing op de ondernemingen die gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst of een ondernemingsplan, als bedoeld in artikel 77/1, § 2, eerste lid, 1°, 2°, 3° en 4° van dezelfde wet. In het ondernemingsplan moet worden aangetoond dat de onderneming in het voorafgaande kwartaal een substantiële daling van ten minste 10% van de omzet of de productie heeft gekend in vergelijking met hetzelfde kwartaal van 2019. Tevens moet de werkgever in het ondernemingsplan zich ertoe verbinden de bedienden op wie de regeling van volledige schorsing van de uitvoering van de overeenkomst of de regeling van gedeeltelijke arbeid wordt toegepast, twee vormingsdagen per maand aan te bieden. De werkgever dient onverwijld een kopie van het ondernemingsplan over te maken aan de ondernemingsraad of bij gebreke daarvan, aan de vakbondsafvaardiging.
In afwijking van artikel 77/1, § 3, van dezelfde wet, moet het ondernemingsplan bedoeld in artikel 77/1, § 2, eerste lid, 2° en 3° van dezelfde wet, door de onderneming niet worden overgemaakt aan de Directeur-generaal van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en niet ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Commissie "Ondernemingsplannen".
In afwijking van artikel 77/1, § 6, van dezelfde wet, kan een ondernemingsplan, bedoeld in artikel 77/1, § 2, eerste lid, 2° en 3° van dezelfde wet, niet afwijken van het bedrag van het supplement bedoeld in artikel 77/4, § 7, van dezelfde wet.
In afwijking van artikel 77/2 van dezelfde wet, dient de werkgever enkel gebonden te zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst of een ondernemingsplan, als bedoeld in artikel 77/1 van dezelfde wet, om gebruik te kunnen maken van de bepalingen van Titel III, Hoofdstuk II/I, afdeling 2 van dezelfde wet.
In afwijking van artikel 77/7, eerste lid, van dezelfde wet, wordt het maximum van zestien of zesentwintig kalenderweken per kalenderjaar verhoogd met acht kalenderweken.
HOOFDSTUK 6 - Slotbepalingen
Art. 15. De hoofdstukken 1, 2, 3 en 4 treden in werking op 1 juli 2020.
Hoofdstuk 5 treedt in werking op 1 september 2020 en treedt buiten werking op 31 december 2020.
Art. 16. De minister bevoegd voor Sociale zaken en de minister bevoegd voor Werk zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 26 juni 2020.
FILIP
Van Koningswege :
La Ministre des Affaires sociales,
M. DE BLOCK
De Minister van Werk,
N. MUYLLE
_______
Nota's
(1) Wet van 27 maart 2020, Belgisch Staatsblad van 30 maart 2020;
Herstelwet van 22 januari 1985, Belgisch Staatsblad van 24 januari 1985;
Programma-wet (I) van 24 december 2002, Belgisch Staatsblad van 31 december 2002;
Koninklijk besluit van 12 december 2001, Belgisch Staatsblad van 18 december 2001;
Koninklijk besluit van 16 mei 2003, Belgisch Staatsblad van 6 juni 2003;
Koninklijk besluit van 3 mei 2007, Belgisch Staatsblad van 8 juni 2007.


begin

Publicatie : 2020-07-01