J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving
Einde Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Handtekening Einde Franstalige versie
 
belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving
Raad van State
ELI - Navigatie systeem via een Europese identificatiecode voor wetgeving
http://www.ejustice.just.fgov.be/eli/besluit/2020/06/16/2020202727/justel

Titel
16 JUNI 2020. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger en de toekenning van sociale rechten aan de mantelzorger

Bron :
SOCIALE ZEKERHEID
Publicatie : 25-06-2020 nummer :   2020202727 bladzijde : 46705       PDF :   originele versie    geconsolideerde versie
Dossiernummer : 2020-06-16/07
Inwerkingtreding : 01-09-2020

Inhoudstafel Tekst Begin
HOOFDSTUK 1. - Definities
Art. 1
HOOFDSTUK 2. - Algemene erkenning
Afdeling 1. - Specifieke categorieën van geholpen personen en verblijfsvoorwaarde
Art. 2
Afdeling 2. - Types en nadere regels van bijstand en hulp
Art. 3
Afdeling 3. - Procedure voor de erkenning van de hoedanigheid van mantelzorger
Art. 4
HOOFDSTUK 3. - Erkenning voor de toekenning van sociale rechten
Afdeling 1. - Specifieke categorieën van geholpen personen en verblijfsvoorwaarden
Art. 5-6
Afdeling 2. - Types en nadere regels van bijstand en hulp en nadere berekeningsregels van de nodige tijdsinvestering voor het toekennen van sociale rechten
Art. 7-8
Afdeling 3. - Maximumaantal personen van wie de hoedanigheid van mantelzorger erkend kan worden per geholpen persoon voor het toekennen van sociale rechten
Art. 9
Afdeling 4. - Procedure voor de erkenning van de hoedanigheid van mantelzorger die in aanmerking kan komen voor sociale rechten
Art. 10
HOOFDSTUK 4. - Instelling van een centraal register van mantelzorgers en geholpen personen
Art. 11
HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen
Art. 12-13
BIJLAGEN.
Art. N1-N3

Tekst Inhoudstafel Begin
HOOFDSTUK 1. - Definities

  Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° sociale rechten: de uitkering of de bijstandsregeling toegekend aan de mantelzorger die voldoet aan de voorwaarden van dit besluit, voor zover de wet, het decreet, de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel of het gemeentelijk reglement dit sociaal recht instelt in de vorm van een tegemoetkoming, bijstand of premie;
  2° mantelzorger: de persoon die de geholpen persoon voortdurend of regelmatig helpt of ondersteunt;
  3° de wet : de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger;
  4° ziekenfondsen : de ziekenfondsen bedoeld in artikel 2, g), van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, alsook de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en de Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail zoals bedoeld in artikel 2, i), van dezelfde gecoördineerde wet.

  HOOFDSTUK 2. - Algemene erkenning

  Afdeling 1. - Specifieke categorieën van geholpen personen en verblijfsvoorwaarde

  Art. 2. Naast de in artikel 4/2 van de wet vermelde verblijfsvoorwaarde moet de geholpen persoon een persoon zijn die wegens zijn hoge leeftijd, zijn gezondheidstoestand of zijn handicap kwetsbaar is en zich in een afhankelijkheidssituatie bevindt.

  Afdeling 2. - Types en nadere regels van bijstand en hulp

  Art. 3. § 1. Moeten als bijstand en hulp beschouwd worden, de activiteiten die bijdragen tot de vrijwaring of het herstel van de zelfredzaamheid bij de uitoefening van de activiteiten van het dagelijks leven en het behoud en de ontwikkeling van de sociale activiteiten en de banden met de omgeving.
  § 2. Het gaat bijvoorbeeld om de volgende soorten hulp :
  - het verrichten van handelingen bij de geholpen persoon, bedoeld in artikel 160 van de wet van 10 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid
  - de geholpen persoon voeden
  - de geholpen persoon wassen en aankleden
  - boodschappen doen voor de geholpen persoon
  - gaan slapen bij de geholpen persoon
  - de geholpen persoon geneesmiddelen toedienen
  - bijstaan bij verplaatsing bij de geholpen persoon thuis of vanuit zijn woonplaats
  - toezicht, begeleiding en psychologische ondersteuning

  Afdeling 3. - Procedure voor de erkenning van de hoedanigheid van mantelzorger

  Art. 4. De mantelzorger dient de aanvraag tot erkenning bedoeld in artikel 4/3 van de wet bij zijn ziekenfonds in door middel van de verklaring op erewoord waarvan het model als bijlage bij dit besluit is gevoegd. De verklaring op erewoord die door het ziekenfonds gebruikt wordt, moet minstens de elementen uit het model bevatten. Het model kan door de bevoegde minister aangepast worden.

  HOOFDSTUK 3. - Erkenning voor de toekenning van sociale rechten

  Afdeling 1. - Specifieke categorieën van geholpen personen en verblijfsvoorwaarden

  Art. 5. Behalve de gevallen reeds bepaald bij de wet, wordt iedere persoon automatisch beschouwd als geholpen persoon zonder nieuwe evaluatie, die geniet van een voordeel dat op gemeenschaps- of gewestelijk niveau wordt toegekend en die:
  - of ten minste 35 punten op de BEL-profielschaal in de zin van artikel 1, 5° van het besluit van 30 november 2018 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming heeft behaald;
  - of ten minste 13 punten op de BelRAI screener of ten minste 6 punten op de som van de modules IADL en ADL van de BelRAI screener zoals voorzien in het voornoemde besluit van 30 november 2018;
  - of ten minste 15 op de AVQ/CPS-schaal in Wallonië en in Brussel, bedoeld bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming;
  - of een attest kan voorleggen dat hem recht geeft op een forfait B of C na de evaluatie volgens de KATZ-schaal;
  - of die voldoet aan minstens 1 van de medische voorwaarden om recht te hebben op de (forfaitaire) tegemoetkoming voor chronische ziekten.

  Art. 6. De geholpen persoon moet zijn hoofdverblijfplaats in België hebben en er bestendig en daadwerkelijk verblijven.
  Wordt met bestendig en daadwerkelijk verblijf in België gelijkgesteld:
  1° het verblijf in het buitenland gedurende ten hoogste negenentwintig al dan niet opeenvolgende dagen per kalenderjaar;
  2° het verblijf in het buitenland gedurende ten hoogste dertig al dan niet opeenvolgende dagen per kalenderjaar of langer, ten gevolge van een tijdelijke opname in een ziekenhuis of een andere instelling voor zorgverstrekking.

  Afdeling 2. - Types en nadere regels van bijstand en hulp en nadere berekeningsregels van de nodige tijdsinvestering voor het toekennen van sociale rechten

  Art. 7. De mantelzorger vermeldt in de verklaring op erewoord bedoeld in artikel 4 dat hij minstens 50 uur per maand bijstand en hulp verleent, ofwel minstens 600 uur per jaar.
  Voor de uitvoering van het vorige lid wordt rekening gehouden met de tijd die besteed wordt aan de opleiding en ondersteuning van de mantelzorger.

  Art. 8. § 1. Moeten als bijstand en hulp beschouwd worden, de activiteiten die bijdragen tot de vrijwaring of het herstel van de zelfredzaamheid bij de uitoefening van de activiteiten van het dagelijks leven en het behoud en de ontwikkeling van de sociale activiteiten en de banden met de omgeving.
  § 2. Het gaat bijvoorbeeld om de volgende soorten hulp :
  - het verrichten van handelingen bij de geholpen persoon, bedoeld in artikel 160 van de wet van 10 april 2014 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid
  - de geholpen persoon voeden
  - de geholpen persoon wassen en aankleden
  - boodschappen doen voor de geholpen persoon
  - gaan slapen bij de geholpen persoon
  - de geholpen persoon geneesmiddelen toedienen
  - bijstaan bij de verplaatsing bij de geholpen persoon thuis of vanuit zijn woonplaats
  - toezicht, begeleiding en psychologische ondersteuning

  Afdeling 3. - Maximumaantal personen van wie de hoedanigheid van mantelzorger erkend kan worden per geholpen persoon voor het toekennen van sociale rechten

  Art. 9. Voor een geholpen persoon kunnen hoogstens 3 mantelzorgers tegelijkertijd erkend zijn voor het toekennen van het sociaal recht.
  Indien meerdere kandidaten een aanvraag indienen als derde mantelzorger van dezelfde persoon, dan zal het ziekenfonds, voor de erkenning, rekening houden met het moment van de indiening van de aanvragen.

  Afdeling 4. - Procedure voor de erkenning van de hoedanigheid van mantelzorger die in aanmerking kan komen voor sociale rechten

  Art. 10. § 1. De mantelzorger dient de bij artikel 3, § 4 van de wet bedoelde erkenningsaanvraag in bij zijn ziekenfonds door middel van een verklaring op erewoord waarvan het model bij dit besluit is bijgevoegd. De verklaring op erewoord die door het ziekenfonds gebruikt wordt, moet minstens de elementen uit het model bevatten. Het model kan door de bevoegde minister aangepast worden.
  Dit ziekenfonds stelt het ziekenfonds van de geholpen persoon op de hoogte van de erkenningsaanvraag en, in voorkomend geval, van de erkenning.
  Indien het ziekenfonds van de mantelzorger de erkenningsaanvraag goedkeurt, stuurt dat ziekenfonds de mantelzorger een attest waarvan het model als bijlage bij dit besluit is gevoegd, om hem de beslissing mee te delen.
  Als een medisch onderzoek moet gebeuren, neemt de adviserend geneesheer van het ziekenfonds van de geholpen persoon, of de diensten die hem bijstaan, contact op met de betrokkene teneinde de medisch-sociale toestand bij de geholpen persoon vast te stellen, en dit volgens de manier bepaald bij de wet en artikel 5.
  § 2. Een erkenning als mantelzorger die in aanmerking kan komen voor sociale rechten blijft 1 jaar geldig vanaf de ondertekening van de verklaring op erewoord. Een aanvraag tot verlenging kan ingediend worden. Daarvoor volstaat het dat de mantelzorger en de geholpen persoon op erewoord verklaren dat de situatie dermate is dat de vereisten nog vervuld zijn.
  § 3. Wanneer voor een bepaalde geholpen persoon een mantelzorger erkend is, moet geen enkele nieuwe vaststelling worden uitgevoerd in geval van andere erkenningsaanvragen voor die geholpen persoon.
  § 4. Bij ontstentenis van een beslissing binnen de twaalf weken na neerlegging van de volledige verklaring op erewoord wordt de betrokkene ambtshalve erkend in de hoedanigheid van mantelzorger.

  HOOFDSTUK 4. - Instelling van een centraal register van mantelzorgers en geholpen personen

  Art. 11. Voor de uitvoering van dit besluit wordt een gegevensbank gecreëerd, die beheert wordt door de ziekenfondsen en die minstens volgende gegevens bevat:
  1° Identificatie van de zorgbehoevende
  2° Identificatie van de mantelzorger(s)
  3° Verklaring op erewoord
  4° Evaluatie van de zorgbehoevendheid en de score
  5° Aantal erkende mantelzorgers voor eenzelfde zorgbehoevende
  6° Geldigheidsduur
  Deze persoonsgegevens verzameld mogen slechts bewaard worden gedurende de tijd nodig voor de toepassing van de wet en dit besluit.

  HOOFDSTUK 5. - Slotbepalingen

  Art. 12. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2020.

  Art. 13. De minister bevoegd voor Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

  BIJLAGEN.

  Art. N1. Bijlage 1. - Verklaring op erewoord voor erkenning als mantelzorger - wet van 12 mei 2014
  

  
   Identificatie van het ziekenfonds dat het formulier heeft ontvangen (nr.)
  
  
    
1. Identificatie mantelzorger
  Naam van de mantelzorger
  INSZ-nummer :
  
  Ziekenfonds :
  Inschrijvingsnummer :
  
  Adres :
  E-mailadres :
  
  
2. Identificatie geholpen persoon
  Naam van de geholpen persoon
  
  Leeftijd van de geholpen persoon
  
  INSZ-nummer :
  Inschrijvingsnummer :
  Adres :
  E-mailadres :
  
3. Type erkenning
  a. Aanvraag voor een algemene erkenning als mantelzorger[7]
  b. Aanvraag voor een erkenning voor de toekenning van sociale rechten[8]
 
  Ja/neen
  
  Ja/neen
  
4. a. Heeft u een permanente verblijfplaats in België? b. Verblijft de geholpen persoon daadwerkelijk en bestendig in het land?  Ja/neen
  
  Ja/neen
5. Bent u ingeschreven in het rijksregister of in het Belgische vreemdelingenregister?  Rijksregister/vreemdelingenregister/neen
6. a. Verleent u de bijstand en de hulp voor niet-professionele doeleinden en kosteloos ?
  b. Worden de hulp en de bijstand verleend met de medewerking van ten minste een beroepsbeoefenaar ?
  c. Houdt u rekening met het levensproject van de geholpen persoon ?
 Ja/neen
  
  
  Ja/neen
  
  
  Ja/neen
7. Heeft u een vertrouwens-, nabijheids-, affectieve of geografische relatie uitgebouwd met de geholpen persoon ?  Invulveld
Enkel indien u ja heeft geantwoord op vraag 3a. Gelieve onderstaande vraag te beantwoorden.
8. Is de geholpen persoon kwetsbaar en in een afhankelijkheidssituatie wegens zijn hoge leeftijd, zijn gezondheidstoestand of een handicap ?  Ja/neen
Enkel indien u ja heeft geantwoord op vraag 3b. Gelieve onderstaande vragen 9 tot 11 te beantwoorden.
9. Voorziet u minimum 50 uur bijstand en hulp per maand voor de persoon met de zorgbehoefte, en zal u minstens 600 uur bijstand en hulp per jaar hebben verleend?  Ja/neen
  
  
  
10. Heeft de geholpen persoon een attest op basis van een schaal van zorgbehoevendheid:
  - Met minstens 35 punten op de BEL-profielschaal
  - Met ministens 13 punten op de BelRAI screener of 6 punten op de som van de modules IADL en ADL van de BelRAI screener
  - Met minstens 15 op de AVQ/CPS-schaal
  - Forfait B of C op de KATZ-schaal
  - Of vervult hij ten minste 1 van de medische voorwaarden om recht te hebben op de (forfaitaire) tegemoetkoming voor chronische ziekten ?
  
  Indien u één of meerdere categorieën heeft aangekruist, voeg dan een kopie van de relevante bewijsstukken bij deze aanvraag.
 
  
  
  
  x/o
  
  x/o
  
  
  
  x/o
  
  x/o
  x/o
11. Verklaart de geholpen persoon zich te bevinden in een van de onderstaande afhankelijkheidssituaties? (kruis het overeenkomstige vakje aan en voeg het overeenkomstig attest toe aan deze verklaring op erewoord). de graad van zelfredzaamheid werd vastgesteld op ten minste 12 punten krachtens het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming.
  Die vaststelling wordt door de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid, Medex of de adviserend geneesheer bij het ziekenfonds uitgevoerd. Het onderzoek door de adviserend geneesheer van het ziekenfonds gebeurt enkel in situaties waarin er nog geen andere vaststelling van de medische situatie gebeurde. de graad van blijvende zelfredzaamheid van 12 punten of hoger krachtens het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming. ik ben gerechtigd op een inkomensvervangende tegemoetkoming of op een integratietegemoetkoming of op een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, bedoeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, en mijn graad van zelfredzaamheid werd op ten minste 12 punten vastgesteld krachtens het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming. ik ben gerechtigd op een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, bedoeld in het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming en mijn graad van zelfredzaamheid werd op ten minste 12 punten vastgesteld krachtens het besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2016 houdende de uitvoering van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming. ik ben gerechtigd op hulp van derden in de zin van artikel 215bis van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en mijn graad van zelfredzaamheid werd op ten minste 12 punten vastgesteld krachtens het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming. ik ben gerechtigd op het supplement in geval van een zware handicap in de zin van artikelen 134 tot 138 van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen, en mijn graad van zelfredzaamheid werd op ten minste 12 punten vastgesteld krachtens het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming. ik geniet van een voordeel dat op gemeenschaps- of gewestelijk niveau wordt toegekend op basis van: o of ten minste 35 punten op de BEL-profielschaal in de zin van artikel 1, 5° van het besluit van 30 november 2018 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming o of ten minste 13 punten op de BelRAI screener of minstens 6 punten op de som van de modules IADL en ADL van de BelRAI screener zoals voorzien in het voornoemde besluit van 30 november 2018 of ten minste 15 op de AVQ/CPS-schaal in Wallonië en in Brussel, bedoeld bij het ministerieel besluit van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming o of van een attest dat mij recht geeft op een forfait B of C na de evaluatie volgens de KATZ-schaal
ik voldoe aan minstens 1 van de medische voorwaarden om recht te hebben op de (forfaitaire) tegemoetkoming voor chronische ziekten. ik ben jonger dan 21 jaar en bij de evaluatie uitgevoerd overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (1) van 24 december 2002 behaalde ik volgende punten : o ten minste 12 punten; o of ten minste 6 punten op 18 in de derde pijler die de gevolgen van de aandoening op de familiale omgeving van het kind meet. ik ben gerechtigd op bijkomende kinderbijslag toegekend op basis van artikelen 47, § 2, 56septies, § 2, en 63, § 2, van de algemene wet betreffende de kinderbijslag van 19 december 1939, en bij de evaluatie uitgevoerd overeenkomstig het koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (1) van 24 december 2002 heb ik de volgende punten behaald: o ten minste 12 punten; o of ten minste 6 punten op 18 in de derde pijler die de gevolgen van de aandoening op de familiale omgeving van het kind meet. ik ben gerechtigd op bijkomende kinderbijslag en bij de evaluatie uitgevoerd overeenkomstig de handleiding als bijlage van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen, heb ik meer dan 80 % fysieke of mentale ongeschiktheid met 7 tot 9 punten voor de graad van zelfredzaamheid behaald.
  De verzekeringsinstellingen verzamelen en verwerken persoonsgegevens. Dat doen we om onze taak als ziekenfonds te kunnen uitvoeren, om jouw dossier te beheren en om je op de hoogte te houden van onze diensten en activiteiten. Het is je recht om te weten welke gegevens we van jou verwerken, om te vragen je gegevens te verbeteren of te wissen, om je te verzetten tegen geautomatiseerde beslissingen en om de verwerking van je gegevens voor direct marketing stop te zetten. Stuur je verzoek t.a.v. onze privacyverantwoordelijke naar ons postadres of naar privacy @xxxxx.be



  
Ik verklaar dat ik deze aanvraag correct en volledig heb ingevuld. Indien mijn situatie verandert, verklaar ik om onmiddellijk het ziekenfonds op de hoogte te stellen.
  Ik weet dat een onjuiste of onvolledige verklaring of het nalaten van een verplichte verklaring af te leggen of de inlichtingen te verstrekken waartoe ik gehouden ben aanleiding kan geven tot boetes, een administratieve sanctie of gerechtelijke vervolging, onverminderd eventuele terugvorderingen in overeenstemming met de artikelen 230 tot en met 236 van het Sociaal Strafwetboek en verbind mij ertoe elke wijziging door te geven aan mijn ziekenfonds.
  Datum
  
  
 Handtekening mantelzorger
  
  
 Handtekening van de geholpen persoon of van zijn/haar wettelijke vertegenwoordiger

Art. N2. Bijlage 2. - Verklaring op erewoord voor de verlenging van een erkenning
  De verzekeringsinstellingen kunnen deze verklaring aanpassen aan hun huisstijl, voor zover alle inhoudelijke elementen overgenomen worden.
  
  Verklaring op erewoord voor de verlenging van de erkenning als mantelzorger voor een sociaal recht
  wet van 12 mei 2014
  (te bezorgen aan de verzekeringsinstelling van de mantelzorger)
  
  Deze verklaring op erewoord bestaat uit 2 delen.
  Deel 1 : identificatiegegevens. In te vullen door mantelzorger en geholpen persoon
  Deel 2 : ondertekening

  
Deel 1: identificatiegegevens.
 Mantelzorger Geholpen persoon
Naam:
  Voornaam:
  
INSZ-nummer (rijksregisternummer of BIS-nummer)   
Ziekenfonds:
  Inschrijvingsnummer:
  
Straat + nummer: Postnummer + Gemeente
  email-adres:
 
  

Wij verklaren dat er al een erkenning als mantelzorger voor een sociaal recht is, en wij wensen die te verlengen.
  Door ondertekening van dit formulier verklaren wij allebei dat nog steeds voldaan is aan de vereisten voor erkenning als mantelzorger voor een sociaal recht.
  Ik weet dat een onjuiste of onvolledige verklaring of het nalaten van een verplichte verklaring af te leggen of de inlichtingen te verstrekken waartoe ik gehouden ben aanleiding kan geven tot boetes, een administratieve sanctie of gerechtelijke vervolging, onverminderd eventuele terugvorderingen in overeenstemming met de artikelen 230 tot en met 236 van het sociaal strafwetboek en verbind mij ertoe elke wijziging door te geven aan mijn ziekenfonds.
  

  
Ik bevestig op erewoord dat mijn verklaring oprecht en volledig is, en dat ik wijzigingen onmiddellijk zal meedelen.
  Datum ondertekening: Handtekening van de mantelzorger of van zijn/haar wettelijke vertegenwoordiger.
Ik bevestig op erewoord dat mijn verklaring oprecht en volledig is en dat ik wijzigingen onmiddellijk zal meedelen.
  Datum ondertekening: Handtekening van de geholpen persoon of van zijn/haar wettelijke vertegenwoordiger
  
  
  
  

De verzekeringsinstellingen verzamelen en verwerken persoonsgegevens. Dat doen we om onze taak als ziekenfonds te kunnen uitvoeren, om jouw dossier te beheren en om je op de hoogte te houden van onze diensten en activiteiten. Het is je recht om te weten welke gegevens we van jou verwerken, om te vragen je gegevens te verbeteren of te wissen, om je te verzetten tegen geautomatiseerde beslissingen en om de verwerking van je gegevens voor direct marketing stop te zetten. Stuur je verzoek t.a.v. onze privacyverantwoordelijke naar ons postadres of naar privacy @xxxxx.be.

  Art. N3. Bijlage 3. - Attest van de erkenning als mantelzorger voor een sociaal recht.
  
  Attest van erkenning als mantelzorger voor een sociaal recht
  Wet van 12 mei 2014
  
  Wij bevestigen dat Dhr/Mevr xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx erkend is als mantelzorger zoals bedoeld in hoofdstuk 3 van het KB tot uitvoering van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger en de toekenning van sociale rechten aan de mantelzorger.
  Ingangsdatum van de erkenning : dd/mm/yyyy
  De erkenning blijft geldig tot dd-1/mm/yyyy+1
  
  (identificatiegegevens van de verzekeringsinstelling)
  
  

  
 Handtekening mantelzorger
  
  
 Handtekening van de geholpen persoon of van zijn/haar wettelijke vertegenwoordiger
  
  
  


Handtekening Tekst Inhoudstafel Begin
   Gegeven te Brussel, 16 juni 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken
M. DE BLOCK

Aanhef Tekst Inhoudstafel Begin
   FILIP, Koning der Belgen,
   Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
   Gelet op artikel 108 van de gecoördineerde Grondwet;
   Gelet op de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger, laatst gewijzigd bij de wet van 17 mei 2019, artikelen 2 en 3bis;
   Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 23 november 2018;
   Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, d.d. 7 oktober 2019;
   Gelet op het advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, gegeven op 29 november 2019;
   Gelet op het advies van het Beheerscomité van de RVA, gegeven op 7 november 2019;
   Gelet op de regelgevingsimpactanalyse uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging;
   Gelet op advies 66.976/1 van de Raad van State, gegeven op 3 maart 2020, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
   Op de voordracht van de Minister van Sociale Zaken en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers;
   Hebben Wij besloten en besluiten Wij:

Verslag aan de Koning Tekst Inhoudstafel Begin
   VERSLAG AAN DE KONING
   Sire,
   Dit ontwerp van koninklijk besluit beoogt de uitvoering van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger zoals gewijzigd door de wet van 17 mei 2019.
   De mantelzorgers die overeenkomstig de wet en dit ontwerp van koninklijk besluit zullen erkend zijn, zullen dan kunnen genieten van door de federale overheid toegekende voordelen. Daarnaast zal in de reglementering waarvoor andere ministers bevoegd zijn, verwezen kunnen worden naar het begrip mantelzorgers dat in de wet en in dit besluit voorkomt.
   De noodzakelijke erkenning van een statuut voor de mantelzorgers is onder andere verantwoord door de vergrijzing van de bevolking, met als gevolg dat personen die niet meer alleen thuis kunnen blijven begeleiding nodig hebben. Steeds meer personen met een beperkte zelfredzaamheid vragen om zo lang mogelijk thuis te kunnen blijven. Mantelzorgers kunnen aldus zeer uiteenlopende taken vervullen: maaltijden bereiden, boodschappen doen, het huishouden doen, enz. Ze zijn dus onmisbaar voor de personen die ze helpen en, ruimer beschouwd, voor onze samenleving.
   In het licht van het advies nr 66.976 van de Raad van State en gelet op de gemaakte opmerkingen wordt hierna enige toelichting gegeven bij het ontwerp.
   In het advies nr 66.976, net zoals in het advies 55.151/1 over de wet van 12 mei 2014, had de Raad van State volgende opmerkingen:
   - de regelgeving inzake hulp en bijstand aan zwaar zorgbehoevende personen behoort in beginsel tot de bevoegdheid van de gemeenschappen.
   - het statuut van de mantelzorgers en hun erkenning in die hoedanigheid, los van enig juridisch gevolg op het vlak van federale bevoegdheden, moet worden geacht te behoren tot de bevoegdheid van de gemeenschappen in het bijzonder inzake de bijstand van zwaar zorgbehoevende personen.
   De Raad verduidelijkt echter dat:
   - De federale wetgever het statuut van de mantelzorger kan regelen binnen de domeinen waarvoor de federale overheid bevoegd is, zoals de sociale zekerheid, de ziekteverzekering en de fiscaliteit.
   - En om een dergelijke regelgeving tot stand te brengen, de wetgever de mantelzorgers kan definiëren en de regels voor hun erkenning bepalen.
   Dit is precies wat we doen met huidig ontwerp. We definiëren de mantelzorgers en stellen regels vast met betrekking tot hun erkenning om sociale rechten aan deze erkenning te kunnen koppelen, bv. het mantelzorgverlof.
   Het zou geen optie zijn om sociale rechten te koppelen aan erkenning die op het niveau van de Gemeenschappen wordt gegeven. Dit zou leiden tot ongerechtvaardigde discriminatie tussen mensen in dezelfde situatie, afhankelijk van de gemeenschap waarmee zij verbonden zijn. Als elke Gemeenschap verschillende erkenningscriteria toepast, zou het toekennen van sociale rechten op federaal niveau inderdaad in het voordeel zijn van personen die behoren tot de meest soepele Gemeenschap bij het verlenen van erkenning. Om deze reden, om alle burgers billijk en gelijk te behandelen bij het verlenen van sociale rechten, zijn wij van mening dat erkenning op federaal niveau moet plaatsvinden.
   Ten slotte, zelfs als op dit moment de algemene erkenning geen bijzondere rechten of voordelen doet openen, is het niet uitgesloten dat de federale overheid in de toekomst andere voordelen zal toekennen die gekoppeld worden aan de algemene erkenning
   Artikel 1 bepaalt wat onder sociale rechten dient te worden verstaan. Hierbij wordt verwezen naar uitkeringen of bijstandsregeling die voldoet aan de voorwaarden van dit besluit, voor zover de wet, het decreet, de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel of het gemeentelijk reglement dit sociaal recht instelt in de vorm van een tegemoetkoming, bijstand of premie. Artikel 1 herneemt louter wettelijke definitie zoals opgenomen in artikel 4/1, 1° van de wet van 12 mei 2014.
   Artikel 6 geeft uitvoering aan artikel 2, 1° van de wet van 12 mei 2014 waarin een verplichte delegatie gegeven wordt om de woonplaatsvoorwaarden te bepalen bij de definitie van een geholpen persoon. De geholpen persoon moet zijn hoofdverblijfplaats in België hebben en er bestendig en daadwerkelijk verblijven. Er wordt vermeden dat een tijdelijk verblijf in het buitenland ervoor zorgt dat men niet meer als geholpen persoon wordt beschouwd.
   De wet bepaalt dat de mantelzorger bestendig en daadwerkelijk in België moet verblijven voor zowel algemene erkenning als erkenning voor het verlenen van sociale rechten. De wet bepaalt ook dat de geholpen persoon voor algemene erkenning in België moet verblijven en dat de Koning ook de verblijfsvoorwaarden kan bepalen voor het verlenen van sociale rechten aan de mantelzorger. Dit is geregeld in artikel 6 van ons besluit. Wetende dat de wet de mantelzorger definieert als de persoon die doorlopend of regelmatige hulp en bijstand biedt aan de geholpen persoon, is het daarom logisch dat zowel de geholpen persoon als de mantelzorger in België verblijft.
   Artikel 9 van het ontwerp bepaalt dat ten hoogste drie mantelzorgers tegelijkertijd erkend kunnen worden voor het toekennen van sociale rechten. De Raad van State is van oordeel dat het onderscheid dat hierdoor gemaakt wordt tussen mantelzorgers al naar gelang de volgorde waarin ze een aanvraag tot erkenning indienen niet verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel.
   In de lijn van de door het Grondwettelijk Hof ontwikkelde rechtspraak wordt het gelijkheidsbeginsel enkel geschonden wanneer zou vaststaan het verschil in behandeling niet berust op een objectief criterium en niet redelijk te verantwoorden is.
   Het ontwerp werd niet aangepast naar aanleiding van deze opmerking. Specifiek bij de erkenning voor de toekenning van sociale rechten is er een maximum van 3 mantelzorgers vastgelegd, gezien er aan deze erkenning sociale rechten kunnen worden gekoppeld. De doelstelling is dat in de toekomst rechten gekoppeld worden aan het statuut. Een duidelijke afgebakend kader is hier belangrijk, zodat de bevoegde overheid de budgettaire en administratieve impact kan inschatten. Dit verantwoordt waarom er een maximum aantal werd bepaald. Indien een overheid geen beperking wenst staat het hen vrij een bepaald voordeel of recht te koppelen aan de algemene erkenning als mantelzorger waarvoor geen maximum aantal mantelzorgers is vastgelegd.
   Het aantal van 3 mantelzorgers dient samen bekeken te worden met de minimumduur van 50 uur per maand. Beide voorwaarden werden vastgelegd rekening houdend met een studie die de tijdsbesteding van mantelzorgers in kaart bracht. Het gaat in totaal om minimum 4,8 uur per dag per geholpen persoon (of 150 uren per maand), bijstand die naast de professionele hulp komt.
   De aanvraag tot erkenning zal worden ingediend door de mantelzorger en de geholpen persoon, die beiden het aanvraagformulier tekenen. Er wordt dus aan de geholpen persoon een zekere verantwoordelijkheid gegeven om te bepalen welke personen op hetzelfde moment de erkenning zullen hebben.
   Artikel 11 van het ontwerp voorziet het instellen van een centraal register van mantelzorger en geholpen personen.
   Zonder dit register zouden de verzekeringsinstellingen de bij hen ingediende erkenningsaanvragen niet kunnen behandelen, wat een opdracht is die hen bij de wet van 12 mei 2014 is toevertrouwd.
   De algemene bevoegdheid om de wetten uit te voeren wordt door artikel 108 van de Grondwet aan de Koning toegekend. Het is in dit kader dat we de oprichting van dit register hebben voorzien, met als doel de praktische uitvoering van de bovengenoemde wet, zoals gewijzigd door de wet van 17 mei 2019, door te voeren.
   Dit ontwerp van koninklijk besluit is ter advies voorgelegd aan de gegevensbeschermingsautoriteit (GBA). De GBA gaf aan dat indien de regering dit register wou creëren, zij dit uitdrukkelijk in het ontwerp moet voorzien en deze verwerking voldoende moet omkaderen in het ontwerp om te voldoen aan de vereisten van de beginselen van transparantie en wettigheid die zijn vastgelegd in de artikelen 8 van de EVRM en 22 van de Grondwet en artikel 6.3 van de AVG.
   De GBA heeft tevens aanbevolen om expliciet te voorzien in de doeleinden waarvoor dit centraal register wordt opgezet, de categorieën personen die er toegang toe kunnen hebben en de doeleinden waarvoor zij er toegang toe hebben, de categorieën gegevens die zullen worden opgenomen, de bewaartermijn en de verwerkingsverantwoordelijke van het register. In het ontwerp van besluit en de bijlagen hebben we antwoord gegeven op deze opmerkingen.
   Wat betreft de eerbiediging van het recht van privéleven van de burgers, zoals gewaarborgd door artikel 22 van de Grondwet, moet dit artikel naar onze mening worden gelezen in samenhang met artikel 8 van het EVRM. Dit artikel 8 beperkt de inmenging door overheidsinstanties bij de uitoefening van het recht van privéleven tot bepaalde gevallen.
   Deze regelgeving vormt geen inmenging in het privéleven van de betrokken personen. Om van de erkenning te genieten, moeten zowel de mantelzorger als de geholpen persoon ermee instemmen om de aanvraag in te dienen en worden zij op de hoogte gesteld in het formulier dat zij ondertekenen dat hun persoonlijke gegevens zullen worden verwerkt door de verantwoordelijke voor de verwerking, namelijk de verzekeringsinstellingen.
   Bovendien streeft de maatregel een legitiem doel na, namelijk het verlenen van een erkenning die in voorkomend geval kan leiden tot de opening van sociale rechten, wat dus in het belang van de burger is, en wordt het evenredigheidsbeginsel geëerbiedigd gezien de gebruikte middelen (register) niet verder gaan dan nodig is om het bovengenoemde legitieme doel te bereiken.
   Wat betreft de artikelen 2, 5, 7, 10 § 5, en 12 werd het ontwerp aangepast in het licht van het advies van de Raad van State.
   Wij hebben de eer te zijn,
   Sire,
   Van Uwe Majesteit,
   de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars,
   De Minister van Sociale Zaken,
   M. DE BLOCK
   
   RAAD VAN STATE, afdeling Wetgeving - Advies 66.976/1, van 3 maart 2020, over een ontwerp van koninklijk besluit 'tot uitvoering van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger en de toekenning van sociale rechten aan de mantelzorger'
   Op 30 januari 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Sociale Zaken verzocht binnen een termijn van dertig dagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit 'tot uitvoering van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger en de toekenning van sociale rechten aan de mantelzorger'.
   Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 27 februari 2020. De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh en Chantal Bamps, staatsraden, Michel Tison, assessor, en Annemie Goossens, griffier.
   Het verslag is uitgebracht door Brecht Steen, eerste auditeur-afdelingshoofd.
   De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Wilfried Van Vaerenbergh, staatsraad.
   Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 3 maart 2020.
   1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.
   2. Rekening houdend met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht op het feit dat, wegens het ontslag van de regering, de bevoegdheid van deze laatste beperkt is tot het afhandelen van de lopende zaken. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de regering in aanmerking kan nemen als ze te oordelen heeft of het vaststellen of het wijzigen van verordeningen noodzakelijk is.
   Strekking en rechtsgrond van het ontwerp
   3. Het om advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt tot gedeeltelijke uitvoering van de wet van 12 mei 2014 'betreffende de erkenning van de mantelzorger', zoals gewijzigd bij de wet van 17 mei 2019 'tot erkenning van de mantelzorgers". Het regelt de algemene erkenning als mantelzorger en de erkenning als mantelzorger voor de toekenning van sociale rechten. Daarnaast voorziet het in de oprichting van een centraal register van mantelzorgers en geholpen personen.
   4. Onder voorbehoud van hetgeen hierna wordt opgemerkt, vindt het ontwerp rechtsgrond in de artikelen 2 en 3bis van de wet van 12 mei 2014, waaraan wordt gerefereerd in het eerste lid van de aanhef van het ontwerp. In dat lid wordt ook verwezen naar artikel 3 van die wet, dat evenwel geen machtiging aan de Koning bevat, dat evenmin moet worden gelezen in samenhang met artikel 108 van de Grondwet, [1] en waarvan de vermelding bijgevolg uit de aanhef van het te nemen besluit dient te worden weggelaten.
   4.1. Artikel 10, § 5, van het ontwerp bepaalt dat in geval van onderzoek naar de mantelzorger wegens vermoeden van onregelmatigheden bij de aanvraag van een sociaal recht, het ziekenfonds verplicht is om alle stukken waarover het beschikt, ter beschikking te stellen van de inspectiediensten, met inbegrip van persoonlijke gegevens waarvan de noodzakelijkheid voor het onderzoek is aangetoond. Voor die bepaling kan geen rechtsgrond worden gevonden in de voornoemde bepalingen van de wet van 12 mei 2014, ook niet wanneer die bepalingen worden gelezen in samenhang met artikel 108 van de Grondwet. Die bepaling kan dan ook eerst doorgang vinden nadat de decreetgever daarvoor in een deugdelijke rechtsbasis heeft voorzien.
   4.2. Artikel 11 van het ontwerp voorziet in de oprichting van een gegevensbank, dat als centraal register fungeert van mantelzorgers en geholpen personen, waarin een aantal persoonsgegevens worden bewaard. In de wet van 12 mei 2014 is thans geen sprake van de oprichting van een dergelijke gegevensbank. Gelet op het legaliteitsbeginsel dat voortvloeit uit artikel 22 van de Grondwet, dat geacht moet worden in dit geval van toepassing te zijn, dienen de oprichting en de essentiële elementen van dat register, waaronder het bepalen van de aard van de te verwerken gegevens alsook het doel van de verwerking, door de decreetgever te worden bepaald. Artikel 11 kan dan ook in zijn huidige vorm geen doorgang vinden.
   Bevoegdheid
   5.1. In het advies over het voorontwerp dat heeft geleid tot de wet van 12 mei 2014 heeft de Raad van State, afdeling Wetgeving, het volgende opgemerkt over de bevoegdheid van de federale overheid:
   "4. Het ontwerp van wet bevat een erkenningsregeling voor de mantelzorgers, maar verbindt aan deze erkenning geen enkel juridisch gevolg. Het ontwerp beperkt zich ertoe het begrip mantelzorger te omschrijven en een groep van mantelzorgers te identificeren. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de stellers het ontwerp beschouwen als een eerste stap naar 'de sociale erkenning van de mantelzorger', waarbij het wetsontwerp slechts tot doel heeft een definitie van de mantelzorger vast te leggen en zodoende te bepalen wie tot deze doelgroep behoort.
   Deze afbakening lijkt gericht op het verlenen van sociale bescherming aan de doelgroep, aangezien artikel 3, § 4, van het ontwerp de Koning machtigt om 'voor elke maatregel van inwerkingstelling van bescherming van deze doelgroep' een maximum aantal personen te bepalen. Uit het ontwerp noch uit de memorie blijkt evenwel welke juridische gevolgen in een verdere fase worden beoogd. Hoewel gedacht zou kunnen worden aan sociaalrechtelijke(2), fiscale of burgerrechtelijke gevolgen, blijkt dit niet uit het ontwerp.
   5. Volgens artikel 3, § 1, van het ontwerp is de mantelzorger de persoon 'die doorlopende en/of regelmatige hulp en bijstand verleent aan de geholpen persoon', waarbij die geholpen persoon overeenkomstig artikel 2, 1°, van het ontwerp een 'als zwaar zorgbehoevend erkende persoon' is.
   De regelgeving inzake de hulp en bijstand aan zwaar zorgbehoevende personen behoort in beginsel tot de bevoegdheid van de gemeenschappen. De gemeenschappen zijn immers bevoegd voor het beleid betreffende de zorgenverstrekking in en buiten de verplegingsinrichtingen (artikel 5, § 1, I, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 'tot hervorming der instellingen') en, voor wat betreft de bijstand aan personen, voor het beleid inzake maatschappelijk welzijn, het beleid inzake minder-validen en het bejaardenbeleid (artikel 5, § 1, II, 2°, 4° en 5°, van dezelfde bijzondere wet).
   6. Het ontwerp regelt de taak en de opdrachten van mantelzorgers, alsook hun verhouding tot de personen aan wie zij zorg en ondersteuning verlenen. Op grond van de tekst van het ontwerp bepaalt de Koning daarbij 'de specifieke categorieën van geholpen personen' (artikel 2, 1°, van het ontwerp) en de 'soorten en concrete vormen van bijstand en hulp' (artikel 2, 3°, van het ontwerp) waarvan de erkenning als mantelzorger afhankelijk zal zijn.
   Een regeling die aldus op algemene wijze het statuut van de mantelzorgers en hun erkenning in die hoedanigheid regelt, los van enig juridisch gevolg op het vlak van federale bevoegdheden, moet worden geacht te behoren tot de bevoegdheid van de gemeenschappen inzake bijstand aan personen, in het bijzonder de bijstand aan zwaar zorgbehoevende personen.
   7. Weliswaar kan de federale wetgever het statuut van de mantelzorger regelen, binnen de domeinen waarvoor de federale overheid bevoegd is, zoals de sociale zekerheid, de ziekteverzekering en de fiscaliteit. Om zo'n regeling tot stand te brengen, vermag de wetgever eveneens een definitie van en een erkenningsregeling voor de mantelzorgers uit te werken. Een regeling die de erkenning van de mantelzorgers beoogt, als dusdanig en zonder meer, is evenwel geen regeling die behoort tot de sociale zekerheid, de ziekteverzekering, de fiscaliteit, of andere federale bevoegdheden. Om in overeenstemming te zijn met de bevoegdheidsverdelende regels, moet het ontwerp uitdrukkelijk aangeven met het oog op welke juridische domeinen de erkenningsregeling wordt uitgewerkt."[3]
   5.2. Voor zover het ontwerp betrekking heeft op de algemene erkenning als mantelzorger geldt nog steeds de hiervoor geciteerde opmerking. Het blijft immers onduidelijk welke rechtsgevolgen verbonden zijn aan de algemene erkenning als mantelzorger. Aangenomen moet worden dat een dergelijke algemene erkenning, die losstaat van het verlenen van sociale rechten in het kader van de federale bevoegdheden, tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoort.
   5.3. Voor zover het ontwerp betrekking heeft op de erkenning als mantelzorger voor de toekenning van sociale rechten, dient er in het licht van de hiervoor geciteerde opmerking te worden op gewezen dat die erkenning als verplichting enkel kan gelden ten aanzien van de sociale rechten waarvoor de federale overheid bevoegd is om ze toe te kennen. Artikel 1, 1°, van het ontwerp, dat de definitie van "sociale rechten" bepaald in artikel 4/1, 1°, van de wet van 12 mei 2014[4] overneemt, dient dan ook in die beperkte lezing te worden begrepen. De gemeenschappen en de gewesten kunnen immers bevoegdheidsrechtelijk niet geacht worden om voor de door hen toegekende sociale rechten gehouden te zijn aan de in de wet van 12 mei 2014 en in het voorliggende ontwerp uitgewerkte regeling inzake de erkenning van de mantelzorger voor de toekenning van sociale rechten.
   Onderzoek van de tekst
   Artikel 1
   6. Rekening houdend met hetgeen hiervoor onder randnr. 5.3 is opgemerkt over de bevoegdheid, dient de definitie van "sociale rechten" in artikel 1, 1°, van het ontwerp, beperkt te worden tot de door "de wet" ingestelde sociale rechten.
   Artikel 2
   7. De verblijfsvoorwaarde in hoofde van de geholpen persoon voor de algemene erkenning als mantelzorger wordt bepaald in artikel 4/2 van de wet van 12 mei 2014. Het verdient aanbeveling om uitdrukkelijk naar deze bepaling te verwijzen.
   Artikel 4
   8. Voor zover het "aanpassen" van het model van de verklaring op erewoord door de minister betrekking heeft op bijkomstige of detailmatige aangelegenheden, is de machtiging aan de minister aanvaardbaar. Deze opmerking geldt ook voor de machtiging bedoeld in artikel 10.
   Artikel 5
   9. In de Nederlandse tekst van de inleidende zin van artikel 5 van het ontwerp ontbreekt het equivalent voor "Hormis les cas déjà visés par la loi,..." in de Franse tekst, wat moet worden verholpen.
   10. De stellers van het ontwerp dienen na te gaan of de situaties van automatische erkenning als geholpen persoon voldoende zijn afgestemd op de diverse wetgevingen die tot stand zijn gekomen op gemeenschaps- of gewestelijk niveau. Zo wordt bijvoorbeeld enkel verwezen naar de persoon die "ten minste 35 punten op de BEL-profielschaal in de zin van artikel 1, 5° van het besluit van 30 november 2018 van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming heeft behaald", terwijl overeenkomstig artikel 151 van hetzelfde besluit ook de persoon die minstens score 13 op de BelRAI screener of minstens 6 punten op de som van de modules IADL en ADL van de BelRAI screener behaalt, in aanmerking komt voor het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van mantel- en thuiszorg. Er valt niet in te zien waarom gerechtigden op het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden in het kader van mantel- en thuiszorg enkel automatisch zouden worden erkend indien zij gescreend zijn met de BEL-profielschaal, en niet indien zij gescreend zijn met de BelRAI screener. Tenzij er hiervoor een redelijke verantwoording voorhanden zou zijn, doet de gevolgde werkwijze dan ook vragen rijzen uit het oogpunt van het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel.
   Artikel 6
   11. Daargelaten de vraag in hoeverre de verblijfsvoorwaarden in hoofde van de geholpen persoon en de mantelzorger bepaald in de wet van 12 mei 2014[5] in overeenstemming kunnen worden geacht met de Europeesrechtelijke regels inzake het vrij verkeer van personen, dient te worden nagegaan in hoeverre de bijkomende beperkingen die uit de verblijfsvoorwaarden bepaald in artikel 6 van het ontwerp kunnen voortvloeien, in overeenstemming zijn met die Europeesrechtelijke regels. Daarnaast rijst de vraag hoe deze verblijfsvoorwaarden zich verhouden tot de verblijfsvoorwaarden die in voorkomend geval reeds gelden voor het verkrijgen van een bepaald voordeel dat automatisch leidt tot de erkenning als geholpen persoon (zie artikel 4/4 van de wet van 12 mei 2014 en artikel 5 van het ontwerp).
   Artikel 7
   12. Men schrijve in artikel 7 van het ontwerp "artikel 4" in plaats van "art. 4".
   Artikel 9
   13.1. Artikel 9 van het ontwerp bepaalt dat ten hoogste drie mantelzorgers per geholpen persoon tegelijkertijd erkend kunnen zijn voor het toekennen van sociale rechten. Hierdoor wordt een onderscheid gemaakt tussen mantelzorgers die voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een erkenning, al naargelang de volgorde waarin zij een aanvraag tot erkenning indienen.
   13.2. Uit de rechtspraak blijkt dat een verschil in behandeling slechts verenigbaar is met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, wanneer dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betrokken maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.[6]
   13.3. De gemachtigde heft het verschil in behandeling als volgt verantwoord:
   "Pour la reconnaissance pour l'octroi de droits sociaux, nous avons en effet prévu, conformément à l'habilitation donnée au Roi par la législation, un maximum de 3 personnes pouvant être reconnues.
   Cette procédure de reconnaissance devrait servir de base aussi dans le futur à d'autres droits sociaux. Pour que le système soit 'attractif ' et gérable et que des droits soient octroyés dans d'autres branches il faut un nombre limité de personnes et pas un nombre indéterminé de potentiels bénéficiaires. Il faut en effet un cadre clair au vu de l'impact budgétaire qui est lié à l'octroi de droits sociaux.
   Nous avons déterminé ce chiffre de 3 personnes sur base d'une étude qui montre notamment le temps que les aidants-proches consacrent à la personne aidée.
   En pratique, la demande de reconnaissance est introduite par l'aidant proche et la personne aidée qui signe lui-aussi le formulaire. La personne aidée a une certaine responsabilité pour faire en sorte que ce soit les 3 aidants-proches les plus importants pour elle (par exemple les 3 aidants-proches qui lui consacrent le plus de temps) qui soient reconnus."
   13.4. De gegeven verantwoording overtuigt niet. Vooreerst moet worden vastgesteld dat artikel 3bis van de wet van 12 mei 2014 voor de Koning geen verplichting inhoudt om een maximum te bepalen maar enkel een mogelijkheid. Voorts lijkt het maximumaantal van drie mantelzorgers niet te sporen met artikel 7 van het ontwerp, waaruit immers blijkt dat het voor de erkenning als mantelzorger voor het toekennen van sociale rechten volstaat om minstens 50 uren per maand of minstens 600 uren per jaar bijstand en hulp te verlenen aan een geholpen persoon. Uit dit laatste volgt bijvoorbeeld dat de kans niet onbestaande is dat een zwaar zorgbehoevende persoon die meer dan 1800 uren bijstand en hulp per jaar nodig heeft een beroep doet op meer dan drie mantelzorgers, in welk geval niet valt in te zien waarom de vierde en volgende mantelzorgers verstoken zouden moeten blijven van sociale rechten, terwijl de verleende bijstand en hulp in omvang minstens even groot is als deze verleend door de eerste drie mantelzorgers. Bovendien kan het onderscheidingscriterium van de datum van indiening van de aanvraag, in het licht van de doelstelling van de maatregel tot toekenning van sociale rechten aan mantelzorgers, bezwaarlijk als pertinent worden beschouwd. Ook al moet de regelgever geacht worden een beoordelingsmarge te hebben om onder meer in het licht van de leefbaarheid van het systeem de voorwaarden te bepalen waaronder mantelzorgers voor de toekenning van sociale rechten worden erkend, kan hij die beoordelingsmarge niet aanwenden op een wijze die personen in dezelfde situatie verschillend behandelt in het licht van de te realiseren doelstelling. De ontworpen bepaling kan, voor zover ze in het algemeen de vierde en volgende mantelzorgers zonder meer uitsluit van erkenning, niet geacht worden in overeenstemming te zijn met het gelijkheidsbeginsel.
   Artikel 12
   14. Luidens artikel 12 van het ontwerp treedt het te nemen besluit in werking "op de eerste dag van de maand volgend op de publicatie [lees: 'bekendmaking'] ervan in het Belgisch Staatsblad".
   Een dergelijke regeling van inwerkingtreding heeft als nadeel dat, wanneer de bekendmaking van het besluit op het einde van de maand gebeurt, de bestemmelingen ervan niet over de gangbare termijn van tien dagen zullen beschikken om zich desgevallend aan de nieuwe regeling aan te passen.
   Indien er inderdaad een bijzondere reden bestaat om van de gangbare termijn van inwerkingtreding af te wijken, zou artikel 12 van het ontwerp ook als volgt kunnen luiden:
   "Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een termijn van tien dagen die ingaat de dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad."
   Deze bepaling maakt het mogelijk dat de betrokkenen altijd over een termijn van ten minste tien dagen beschikken om van de nieuwe bepalingen kennis te nemen en ze in acht te nemen.
   
   De griffier,
   Annemie Goossens
   De voorzitter,
   Marnix Van Damme
   
   ----------
   
   [1] Zoals door de gemachtigde wordt geopperd.
   [2] Voetnoot 2 van het geciteerde advies: Zoals in enkele voorstellen van wet die zijn ingediend in de Kamer en de Senaat (Wetsvoorstel-Fernandez Fernandez c.s. `betreffende de sociale erkenning van mantelzorgers', Parl.St. Kamer 2010-11, nr. 53-1192/1; Wetsvoorstel-Gerkens-Almaci `tot wettelijke erkenning van de mantelzorgers en tot behoud van hun sociale rechten', Parl.St. Kamer 2010-11, nr. 53-1399/1; Wetsvoorstel Fonck `tot erkenning van de mantelzorgers', Parl.St. Kamer 2010-11, nr. 53-1768/1; Wetsvoorstel-De Bue c.s. tot erkenning van de mantelzorgers, Parl.St. Kamer 2011-12, nr. 53-1988/1; Wetsvoorstel Thibaut-Vogels `tot wettelijke erkenning van de mantelzorgers en tot behoud van hun sociale rechten', Parl.St. Senaat, 2010-11, nr. 5-1172/1.) Deze voorstellen bevatten allemaal in meer of mindere mate bepalingen in verband met het recht op gezinsbijslag, ziekte-uitkering, werkloosheidsuitkeringen en de pensioenrechten.
   [3] Adv.RvS 55.151/1 van 25 februari 2014, Parl.St. Kamer 2013-14, nr. 53-3439/001, 12-14.
   [4] Artikel 4/1 is in de wet van 12 mei 2014 ingevoegd bij de wet van 17 mei 2019. Over laatstgenoemde wet heeft de Raad van State, afdeling Wetgeving, geen advies gegeven.
   [5] Zie de artikelen 3, § 2, 2° en 3°, en 4/2 van de wet van 12 mei 2014.
   [6] Vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. Zie bv. GwH 17 juli 2014, nr. 107/2014, B.12; GwH 25 september 2014, nr. 141/2014, B.4.1; GwH 30 april 2015, nr. 50/2015, B.16; GwH 18 juni 2015, nr. 91/2015, B.5.1; GwH 16 juli 2015, nr. 104/2015, B.6; GwH 16 juni 2016, nr. 94/2016, B.3; GwH 18 mei 2017, nr. 60/2017, B.11; GwH 15 juni 2017, nr. 79/2017, B.3.1; GwH 19 juli 2017, nr. 99/2017, B.11; GwH 28 september 2017, nr. 104/2017, B.8.
   [7] Zoals bedoeld in hoofdstuk 2 van het K.B. tot uitvoering van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger en de toekenning van sociale rechten aan de mantelzorger .
   [8] Zoals bedoeld in hoofdstuk 3 van het K.B. tot uitvoering van de wet van 12 mei 2014 betreffende de erkenning van de mantelzorger en de toekenning van sociale rechten aan de mantelzorger.
   

Begin Eerste woord Laatste woord Aanhef
Verslag aan de Koning Inhoudstafel
Franstalige versie