einde

Publicatie : 2020-05-08

Beeld van de publicatie
FEDERALE OVERHEIDSDIENST SOCIALE ZEKERHEID

6 MEI 2020. - Koninklijk besluit tot wijziging van de wet van 23 maart 2020 tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen



VERSLAG AAN DE KONING
Sire,
Het ontwerp van koninklijk besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, is genomen krachtens het artikel 6, § 2, van de wet van 23 maart 2020 tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen.
Krachtens artikel 6, § 2, van voornoemde wet van 23 maart 2020 kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de periode van de toepassing van de maatregelen bedoeld in de artikelen 3 tot 5 van diezelfde wet, verlengen.
De maatregelen beslist door de regering naar aanleiding van het opduiken van het coronavirus op ons grondgebied om te anticiperen op de economische impact van deze epidemie en onze ondernemingen, onze zelfstandigen en onze kmo's te ondersteunen, werden verlengd tot en met 3 mei 2020 en de (her)opstart van de economie daarna zal gefaseerd gebeuren.
De draagwijdte van dit ontwerp kan als volgt worden samengevat: het verlengen van de tijdelijke crisismaatregel overbruggingsrecht die werd genomen in het sociaal statuut van de zelfstandigen in het kader van COVID-19, waardoor de zelfstandigen die hun zelfstandige activiteit in mei 2020 gedwongen moeten onderbreken naar aanleiding van COVID-19 de tijdelijke crisismaatregel overbruggingsrecht eveneens in mei 2020 kunnen genieten. Deze maatregel wordt verlengd voor alle onderbrekingen tot en met 31 mei 2020.
ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING
Artikel 1 verlengt de toepassing van de tijdelijke crisismaatregel overbruggingsrecht. De artikelen 3, 4 en 5 van de wet van 23 maart 2020 tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen zijn van toepassing op alle gedwongen onderbrekingen overeenkomstig artikel 4, 3°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen, die plaatsvinden naar aanleiding van COVID-19 en zich situeren in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020.
Artikel 2 bepaalt dat het ontwerpbesluit uitwerking heeft vanaf 30 april 2020.
Artikel 3 bepaalt dat de minister van Sociale Zaken en de minister van Zelfstandigen belast zijn met uitvoering van dit besluit.
De Minister van Sociale Zaken,
M. DE BLOCK
De Minister van Zelfstandigen,
D. DUCARME

Raad van State, afdeling Wetgeving, advies 67.307/1 van 30 april 2020 over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van wet van 23 maart 2020 tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen'
Op 27 april 2020 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Zelfstandigen verzocht binnen een termijn van vijf werkdagen een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van wet van 23 maart 2020 tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen'.
Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 28 april 2020 . De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh en Wouter Pas, staatsraden, en Wim Geurts, griffier.
Het verslag is uitgebracht door Brecht Steen, eerste auditeur-afdelingshoofd.
De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Wilfried Van Vaerenbergh, staatsraad.
Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 30 april 2020.
1. Volgens artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, moeten in de adviesaanvraag de redenen worden opgegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.
In het onderhavige geval wordt het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de omstandigheid :
"que le coronavirus COVID-19 se propage sur le territoire européen et en Belgique et que des mesures urgentes sont prises pour réduire le risque pour la santé publique;
Vu le fait que les mesures arrêtées par le gouvernement suite à l'apparition du coronavirus sur notre territoire afin d'anticiper l'impact économique de cette épidémie et soutenir nos entreprises, nos indépendants et nos PME, ont été prolongées jusqu'au 3 mai 2020 et que le (re)démarrage de l'économie se fera par étape après cette date;
Vu le fait que les travailleurs indépendants qui sont contraints à interrompre leur activité indépendante au mois de mai 2020 en raison du COVID-19, devraient également pouvoir bénéficier de la mesure temporaire de crise de droit passerelle en mai 2020, cette mesure est prolongée pour toutes les interruptions jusqu'au 31 mai 2020;
Vu le fait que les caisses d'assurances sociales et l'administration doivent pouvoir informer très rapidement les indépendants de la mesure adoptée et doivent pouvoir très rapidement prendre les décisions nécessaires concernant le droit passerelle."
2. Overeenkomstig artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, heeft de afdeling Wetgeving zich moeten beperken tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan.
3. Artikel 2 van het ontwerp bepaalt dat het te nemen besluit uitwerking heeft met ingang van 1 maart 2020, zijnde de datum waarop de periode bedoeld in artikel 6, § 1, 2°, 3° en 4°, van de wet van 23 maart 2020 `tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen' een aanvang heeft genomen.
De wet van 23 maart 2020 is in werking getreden op de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, namelijk op 23 maart 2020. Het te nemen besluit kan dan ook niet vroeger in werking treden dan de dag van inwerkingtreding van de wet die er rechtsgrond voor biedt. Aangezien het te nemen besluit in de verlenging tot 31 mei 2020 van de in de wet bepaalde periode van 1 maart 2020 tot 30 april 2020 voorziet, kan het evenwel volstaan om het te nemen besluit uitwerking te laten hebben met ingang van 30 april 2020. De (beperkte) terugwerkende kracht die aldus aan het besluit zou worden verleend, is aanvaardbaar.
De griffier,
Wim Geurts
De voorzitter,
Marnix Van Damme

6 MEI 2020. - Koninklijk besluit tot wijziging van wet van 23 maart 2020 tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen
FILIP, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 23 maart 2020 tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen, artikel 6, § 2;
Gelet op het advies van het Algemeen Beheerscomité voor het Sociaal Statuut der Zelfstandigen, gegeven op 21 april 2020;
Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 17 april 2020;
Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 20 april 2020;
Gelet op het artikel 8 van de wet van 15 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake administratieve vereenvoudiging, is dit besluit vrijgesteld van een regelgevingsimpactanalyse gezien de hoogdringendheid die gemotiveerd wordt door de Covid-19-pandemie;
Gelet op de hoogdringendheid, gemotiveerd door de Covid-19-pandemie;
Gelet op het advies nr. 67.307 van de Raad van State, gegeven op 30 april 2020, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 3°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Gelet op de dringende noodzakelijkheid gemotiveerd door het feit dat het coronavirus COVID-19 zich verspreidt op Europees grondgebied en in België en dringende maatregelen worden genomen om het risico voor de volksgezondheid te beperken;
Gelet op het feit dat de maatregelen beslist door de regering naar aanleiding van het opduiken van het coronavirus op ons grondgebied om te anticiperen op de economische impact van deze epidemie en onze ondernemingen, onze zelfstandigen en onze kmo's te ondersteunen, werden verlengd tot en met 3 mei 2020 en de (her)opstart van de economie daarna gefaseerd zal gebeuren;
Gelet op het feit dat de zelfstandigen die hun zelfstandige activiteit in de maand mei 2020 gedwongen moeten onderbreken naar aanleiding van COVID-19, de tijdelijke crisismaatregel overbruggingsrecht eveneens in mei 2020 moeten kunnen genieten, wordt deze maatregel verlengd voor alle onderbrekingen tot en met 31 mei 2020;
Gelet op het feit dat de sociale verzekeringsfondsen en de administratie de zelfstandigen zeer snel moeten kunnen informeren over de aangenomen maatregel en zeer snel de nodige beslissingen over het overbruggingsrecht moeten kunnen nemen;
Op de voordracht van de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Zelfstandigen en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij :
Artikel 1. In artikel 6, § 1, 2° tot en met 4°, van de wet van 23 maart 2020 tot wijziging van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen en tot invoering van tijdelijke maatregelen in het kader van COVID-19 ten gunste van zelfstandigen, worden de woorden "in de periode van 1 maart 2020 tot en met 30 april 2020" telkens vervangen door de woorden "in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020".
Art. 2. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 30 april 2020.
Art. 3. De minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor Zelfstandigen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit..
Gegeven te Brussel, 6 mei 2020.
FILIP
Van Koningswege :
De Minister van Sociale Zaken,
M. DE BLOCK
De Minister van Zelfstandigen,
D. DUCARME


begin

Publicatie : 2020-05-08